VERSLAG over beveiliging van de luchtvaart, met bijzondere aandacht voor beveiligingsscanners

30.5.2011 - (2010/2154(INI))

Commissie vervoer en toerisme
Rapporteur: Luis de Grandes Pascual


Procedure : 2010/2154(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A7-0216/2011

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over beveiliging van de luchtvaart, met bijzondere aandacht voor beveiligingsscanners

(2010/2154(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad inzake het gebruik van beveiligingsscanners in EU-luchthavens (COM(2010)0311),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 oktober 2008 over de gevolgen van maatregelen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart en van bodyscanners voor de mensenrechten, de privacy, de persoonlijke waardigheid en de gegevensbescherming[1],

–   gezien Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart[2],

–   gezien Verordening (EG) nr. 272/2009 van de Commissie van 2 april 2009 ter aanvulling van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart[3],

–   gezien Verordening (EU) nr. 185/2010 van de Commissie van 4 maart 2010 houdende vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart[4],

–   gezien het vijfde verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Comité en het Comité van de Regio's over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 2320/2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (COM)2010/0725),

–   onder verwijzing naar zijn standpunt van 5 mei 2010 in het verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart[5],

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz[6],

–   gezien Richtlijn 2004/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van Richtlijn 89/391/EEG)[7],

–    gezien Richtlijn 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico's van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)[8],

–    gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[9]

–    gezien Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren[10],

–    gezien het advies van de Afdeling vervoer, energie, infrastructuur en de informatiemaatschappij van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad inzake het gebruik van beveiligingsscanners in EU-luchthavens,

–    gelet op artikel 48 van het Reglement,

–    gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0216/2011),

Beveiligingsscanners

A.  overwegende dat beveiligingsscanner de algemene term is die gebruikt wordt voor een technologie waarmee metalen en niet-metalen voorwerpen die verborgen zijn in kleding, kunnen worden gedetecteerd; overwegende dat de detectie-efficiëntie bepaald wordt door de capaciteit van de scanner om elk verboden voorwerp dat de gescreende persoon eventueel in zijn kleding verborgen houdt, te detecteren,

B.   overwegende dat het wettelijke kader van de EU voor beveiliging van de luchtvaart voorziet in diverse screeningmethoden en -technologieën waarmee verboden voorwerpen die in kleding zijn verborgen, geacht worden te kunnen worden gedetecteerd, waarvan de lidstaten er een of meer kiezen; overwegende dat beveiligingsscanners momenteel niet op deze lijst staan,

C.  overwegende dat een aantal lidstaten momenteel in zijn luchthavens beveiligingsscanners gebruikt als tijdelijke maatregel – voor maximum 30 maanden –, waarbij deze landen hun recht uitoefenen om nieuwe technologie te testen (hoofdstuk 12.8 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 van de Commissie),

D.  overwegende dat de lidstaten het recht hebben strengere maatregelen toe te passen dan de gemeenschappelijke basisnormen waarin is voorzien in de Europese wetgeving en bijgevolg beveiligingsscanners op hun grondgebied mogen invoeren; overwegende dat zij hierbij te werk moeten gaan op basis van een risicobeoordeling en moeten handelen in overeenstemming met de regelgeving van de EU; overwegende dat de maatregelen in kwestie relevant, objectief en niet-discriminerend moeten zijn en in verhouding moeten staan tot het risico in kwestie (artikel 6 van Verordening (EG) nr. 300/2008),

E.   overwegende dat de invoering van beveiligingsscanners door de lidstaten in beide bovengenoemde gevallen één veiligheidscontrole (one-stop security) onmogelijk maakt; overwegende dat, als de bestaande situatie voortduurt, de exploitatiewijze niet in alle lidstaten dezelfde zal zijn, zodat er geen sprake is van voordelen voor de passagiers,

F.  overwegende dat de discussie over beveiligingsscanners niet los mag komen te staan van een algemeen debat over een geïntegreerd overkoepelend veiligheidsconcept voor de luchthavens in Europa,

G.  overwegende dat gezondheid een goed is dat intact moet worden gehouden en een recht dat moet worden beschermd; overwegende dat blootstelling aan ioniserende straling een risico inhoudt dat moet worden vermeden; overwegende dat scanners die gebruik maken van ioniserende straling waarvan de effecten cumulatief zijn en schadelijk voor de menselijke gezondheid, daarom in de Europese Unie niet mogen worden toegelaten,

H.  overwegende dat zowel in de EU-wetgeving als in de wetten van de lidstaten al voorzien is in regels inzake bescherming tegen gevaren voor de gezondheid die het gevolg kunnen zijn van het gebruik van technologie die ioniserende straling uitzendt en inzake beperkingen van de blootstelling aan deze straling; overwegende dat scanners die gebruik maken van ioniserende straling, daarom in de Europese Unie moeten worden verboden,

I.    overwegende dat de Commissie de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, de groep van artikel 29 en het Europees Bureau voor de grondrechten heeft geraadpleegd en dat de reacties van deze instanties aanzienlijke elementen bevatten met betrekking tot de voorwaarden waaronder het gebruik van beveiligingsscanners in luchthavens met de bescherming van de grondrechten kan stroken,

J.   overwegende dat serieus op de bezorgdheid over gezondheid en het recht op een persoonlijke levenssfeer, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, niet-discriminatie en gegevensbescherming moet worden ingegaan, met aandacht zowel voor de gebruikte technologie als voor de inzet ervan, voordat de invoering van beveiligingsscanners kan worden overwogen,

K. overwegende dat beveiligingsscanners een hoger niveau van veiligheid waarborgen dan de huidige apparatuur en dat daarmee de controles voor de passagiers vlotter moeten kunnen verlopen en de wachttijden worden verminderd,

Financiering van de beveiliging van de luchtvaart

L.   overwegende dat de Raad nog geen standpunt over het standpunt van het Parlement over de richtlijn inzake heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart heeft bekendgemaakt,

Beveiligingsmaatregelen voor vracht

M.  overwegende dat de bedoeling bij de recentste terroristische plannen die de inlichtingendiensten hebben ontdekt, was om gebruik te maken van het vrachtvervoer om aanvallen uit te voeren,

N.  overwegende dat niet alleen passagiers, maar ook vracht en post aan passende veiligheidsmaatregelen worden en moeten worden onderworpen,

O. overwegende dat vracht en post die op passagiersvliegtuigen worden geladen, een doelwit voor terroristische aanvallen vormen; overwegende dat, aangezien het beveiligingsniveau voor vracht en post veel lager is dan voor passagiers, de veiligheidsmaatregelen voor vracht en post die op passagiersvliegtuigen worden geladen, moeten worden verstrengd,

P.   overwegende dat de veiligheidsmaatregelen niet alleen betrekking hebben op de luchthavens, maar op de hele toeleveringsketen,

Q.  overwegende dat postbedrijven een belangrijke rol op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart spelen, doordat zij post en pakketten beheren, en overwegende dat zij, overeenkomstig de Europese wetgeving, aanzienlijke hoeveelheden geld hebben geïnvesteerd en nieuwe technologie hebben ingevoerd, om ervoor te zorgen dat zij aan de internationale en Europese veiligheidsnormen voldoen,

Internationale betrekkingen

R.   overwegende dat internationale coördinatie met betrekking tot de maatregelen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart nodig is, om te zorgen voor een hoog niveau van bescherming en tegelijk een situatie te voorkomen waarbij de passagiers worden onderworpen aan opeenvolgende controles, met de bijbehorende beperkingen en extra kosten,

Opleiding van veiligheidspersoneel

S.  overwegende dat basis- en voortgezette opleiding voor veiligheidspersoneel cruciaal is om een hoog niveau van veiligheid in de luchtvaart te garanderen, dat op zijn beurt verenigbaar moet zijn met een manier om de passagiers te behandelen waarbij hun waardigheid als individu en de bescherming van persoonsgegevens onaangetast blijft,

Algemene overwegingen

1.   is van mening dat een geïntegreerde aanpak van de beveiliging van de luchtvaart nodig is, met één veiligheidscontrole, zodat de passagiers, bagage en vracht die in een EU-luchthaven aankomen van een andere EU-luchthaven, niet opnieuw hoeven te worden gecontroleerd;

2.   is van mening dat sommige scanningmethoden, die effectief en snel zijn voor de passagiers, gezien de tijd die aan controleposten in beslag wordt genomen, een toegevoegde waarde voor de beveiliging van de luchtvaart hebben;

3. verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar het gebruik van andere technieken voor de detectie van explosieven, inclusief vaste stoffen, binnen de context van de luchtvaartbeveiliging;

4. verzoekt de Commissie en de lidstaten een geïntegreerd risicoanalysesysteem te ontwikkelen voor passagiers, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat zij een gevaar voor de veiligheid vormen, en voor de controle van bagage en vracht, op basis van alle beschikbare betrouwbare informatie, met name degene die wordt verstrekt door de politie, de inlichtingendiensten, de douane en vervoerbedrijven; is van mening dat het hele systeem doortrokken moet zijn van het streven naar efficiëntie, met eerbiediging evenwel van het beginsel van niet-discriminatie;

5. verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor effectieve samenwerking, beveiligingsbeheer en uitwisseling van informatie tussen alle betrokken autoriteiten en diensten, en tussen de autoriteiten, beveiligingsdiensten en luchtvaartondernemingen, zowel op Europees als op nationaal niveau;

6.  verzoekt de Commissie de lijst van toegestane screeningmethoden en de voorwaarden en minimumnormen voor het gebruik hiervan geregeld te herzien, om rekening te houden met mogelijke problemen, de ervaring uit de praktijk en de technologische vooruitgang, om voor een hoog niveau van detectie-efficiëntie en bescherming van de rechten en belangen van passagiers en werknemers te zorgen dat met deze vooruitgang overeenstemt;

7.  benadrukt het belang van de bestrijding van terrorisme en georganiseerde criminaliteit, omdat deze een bedreiging vormen voor de veiligheid van de Europese Unie, zoals vastgesteld in het Stockholmprogramma, en ondersteunt daarom, uitsluitend in deze context, veiligheidsmaatregelen ter bestrijding van terrorisme die berusten op een wettelijke grondslag, die effectief zijn, in een vrije en open democratische samenleving noodzakelijk zijn, in verhouding staan tot het beoogde doel en volledig in overeenstemming zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM); wijst erop dat het vertrouwen van burgers in hun instellingen van essentieel belang is en dat derhalve het juiste evenwicht gevonden moet worden tussen de noodzaak om te zorgen voor veiligheid en de vrijwaring van de fundamentele vrijheden en rechten;

8.   benadrukt in dit verband dat maatregelen ter bestrijding van terrorisme in overeenstemming moeten zijn met de fundamentele rechten en plichten van de Europese Unie, zoals in een democratische samenleving noodzakelijk is, en is van mening dat deze maatregelen evenredig en noodzakelijk moeten zijn, moeten berusten op een wettelijke grondslag en dus beperkt moeten zijn tot het doel dat ervoor is gespecificeerd;

Beveiligingsscanners

9. verzoekt de Commissie voor te stellen beveiligingsscanners aan de lijst van toegestane screeningmethoden toe te voegen, op voorwaarde dat dit gepaard gaat met adequate regels en gemeenschappelijke minimumnomen voor het gebruik ervan, overeenkomstig deze resolutie, maar alleen als eerst de door het Parlement in 2008 gevraagde effectbeoordeling wordt uitgevoerd en deze uitwijst dat de apparaten geen risico voor de gezondheid van de passagiers, persoonsgegevens, de waardigheid van individuen en de persoonlijke levenssfeer van de passagiers opleveren en dat de scanners doeltreffend zijn;

10. is van mening dat het gebruik van beveiligingsscanners gereguleerd moet zijn met gemeenschappelijke regels, procedures en standaarden van de EU waarmee niet alleen criteria voor de detectie-efficiëntie worden vastgelegd, maar ook de nodige garanties worden opgelegd om de gezondheid en de fundamentele rechten en belangen van de passagiers, de werknemers, de bemanningsleden en het beveiligingspersoneel te beschermen;

11. is van mening dat beveiligingsscanners moeten dienen om de controles in de luchthavens vlotter en sneller te laten verlopen en om de hinder voor de passagiers te beperken; roept de Commissie daarom op om in haar wetgevingsvoorstel met dit aspect rekening te houden;

12. stelt meer specifiek voor dat de Commissie de gemeenschappelijke regels inzake het gebruik van beveiligingsscanners, zodra die zijn vastgesteld, geregeld herziet en indien nodig de bepalingen betreffende de bescherming van gezondheid, persoonlijke levenssfeer, persoonsgegevens en grondrechten aanpast aan de technologische vooruitgang;

Noodzaak en proportionaliteit

13. is van mening dat de overheid door de steeds grotere terroristische dreiging de beschermings- en voorzorgsmaatregelen moet nemen die democratische maatschappijen vragen;

14. is van mening dat de detectie-efficiëntie van beveiligingsscanners groter is dan die van de momenteel gebruikte metaaldetectoren, met name voor niet-metalen voorwerpen en vloeistoffen, terwijl volledig met de hand aftasten waarschijnlijk meer irritatie en tijdverlies veroorzaakt en op meer verzet stoot dan een scanner;

15. is van mening dat het gebruik van beveiligingsscanners, mits voor de nodige garanties wordt gezorgd, een betere optie is dan andere, minder verregaande methoden die niet voor hetzelfde beschermingsniveau zorgen; herinnert eraan dat het gebruik van inlichtingen in de brede zin van het woord en de inzet van goed opgeleid luchthavenbeveiligingspersoneel onze voornaamste prioriteiten moeten blijven met het oog op de beveiliging van de luchtvaart;

16. is van mening dat de bezorgdheid en eisen met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer en gezondheid kunnen worden opgelost met de beschikbare technologie en methoden; is van mening dat de technologie die momenteel wordt ontwikkeld, veelbelovend is en dat de beste technologie die beschikbaar is, moet worden gebruikt;

17. is van mening dat de installatie van beveiligingsscanners, dan wel het besluit deze niet te installeren, onder de bevoegdheid valt van de EU-lidstaten en dat deze hierover vrij mogen beslissen; is evenwel van mening dat verdere harmonisering van het gebruik van scanners nodig is om een coherente Europese ruimte van luchtvaartveiligheid tot stand te brengen;

18. is van mening dat, wanneer lidstaten beveiligingsscanners installeren, deze moeten voldoen aan de minimumnormen en -eisen die door de EU worden vastgesteld voor alle lidstaten, onverminderd het recht van de lidstaten om strengere maatregelen toe te passen;

19. is van mening dat de lidstaten moeten voorzien in de uitbreiding en versterking van de controlepunten en het beveiligingspersoneel om ervoor te zorgen dat passagiers geen hinder ondervinden van de inzet van beveiligingsscanners;

20. is van mening dat personen die aan een controle worden onderworpen, moeten kunnen kiezen of beveiligingsscanners worden gebruikt en dat zij, als zij weigeren, verplicht moeten zijn andere screeningmethoden toe te staan die hetzelfde niveau van doeltreffendheid als beveiligingsscanners en volledige eerbiediging van hun rechten en hun waardigheid garanderen; benadrukt het feit dat weigering niet mag leiden tot verdenking van de passagier;

Gezondheid

21. wijst erop dat bij de toepassing van de Europese en de nationale wetgeving met name het ALARA-principe (as low as reasonably achievable, zo laag als redelijkerwijs haalbaar) moet worden geëerbiedigd;

22. verzoekt de lidstaten de technologie in te zetten die het minst schadelijk is voor de gezondheid van de mens en aanvaardbare oplossingen biedt voor wat betreft de bezorgdheid die bij het publiek leeft met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer;

23. is van mening dat blootstelling aan doses cumulatieve ioniserende straling niet kan worden geaccepteerd; is daarom van mening dat elke vorm van technologie waarbij gebruik wordt gemaakt van ioniserende straling, expliciet van gebruik bij veiligheidsscreening moet worden uitgesloten;

24. verzoekt de Commissie om in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek, onderzoek te doen naar de mogelijkheid van het gebruik van een technologie die voor alle bevolkingsgroepen volstrekt onschadelijk is en tegelijkertijd de luchtvaartveiligheid garandeert;

25. verzoekt de lidstaten regelmatig toe te zien op de gevolgen op de lange termijn van de blootstelling aan beveiligingsscanners, daarbij rekening houdend met de wetenschappelijke vooruitgang, en op de correcte installatie en het juiste gebruik en functionering van de toestellen;

26. stelt het verplicht om behoorlijk rekening te houden met specifieke gevallen, en dat passagiers die kwetsbaar zijn op het gebied van gezondheid en communicatievermogen, bijvoorbeeld zwangere vrouwen, kinderen, ouderen personen met een handicap, en personen met geïmplanteerde medische apparaten (bijvoorbeeld orthopedische prothesen en pacemakers) en alle personen die beschikken over een medisch apparaat of een medicijn dat nodig is voor het in stand houden van de medische toestand (bijvoorbeeld injecties, insuline) een billijke en op de persoon afgestemde behandeling krijgen;

Beelden van het lichaam

27. is van mening dat alleen stick figures mogen worden gebruikt en dringt erop aan dat er geen lichaamsbeelden worden geproduceerd;

28.  benadrukt het feit dat de gegevens die door het scanningproces worden gegenereerd, niet mogen worden gebruikt voor andere doeleinden dan het detecteren van verboden voorwerpen, alleen mogen worden gebruikt gedurende de tijd die voor het screeningproces nodig is, onmiddellijk nadat een persoon door de veiligheidscontrole is gegaan, moeten worden vernietigd en niet mogen worden opgeslagen;

Discriminatieverbod

29. is van mening dat bij de gebruiksregels moet worden gegarandeerd dat er een willekeurig selectieproces wordt gehanteerd en dat passagiers niet mogen worden geselecteerd om door een beveiligingsscanner te gaan op basis van discriminerende criteria;

30. benadrukt het feit dat in het kader van de procedure voor de selectie voor of de weigering van een veiligheidsscan elke vorm van categorisering op grond van bijvoorbeeld geslacht, ras, huidskleur, etnische achtergrond, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging onaanvaardbaar is;

Databescherming

31. is van mening dat alle beveiligingsscanners gebruik moeten maken van een stick figure om de identiteit van de passagiers te beschermen en te garanderen dat zij niet kunnen worden geïdentificeerd aan de hand van beelden van welk lichaamsdeel ook;

32. benadrukt dat het met de gebruikte technologie niet mogelijk mag zijn gegevens te bewaren of op te slaan;

33. herinnert eraan dat het gebruik van beveiligingsscanners in overeenstemming moet zijn met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens;

34. benadrukt dat de lidstaten die besluiten beveiligingsscanners te gebruiken, de mogelijkheid moeten hebben om, conform het subsidiariteitsbeginsel, normen op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen en hun persoonsgegevens aan te houden die strenger zijn dan de normen die zijn vastgelegd in de Europese wet- en regelgeving;

Informatie voor gescande personen

35. is van mening dat personen die worden gecontroleerd, vooraf uitgebreide informatie moeten krijgen, met name wat de werking van de gebruikte scanner betreft, de voorwaarden die gelden om het recht op waardigheid, een persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming te garanderen en de mogelijkheid om te weigeren door de scanner te gaan;

36. verzoekt de Commissie om in haar voorlichtingscampagnes over de rechten van luchtvaartpassagiers ook een hoofdstuk te wijden aan hun rechten met betrekking tot veiligheidscontroles en beveiligingsscanners;

Behandeling van gescande personen

37. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het beveiligingspersoneel speciale opleiding krijgt wat het gebruik van beveiligingsscanners betreft, opdat zij de grondrechten en de persoonlijke waardigheid van de passagiers eerbiedigen, de regels inzake gegevensbescherming naleven en de gezondheid van de passagiers niet schaden; is in verband hiermee van mening dat een gedragscode een zeer nuttig instrument kan zijn voor het beveiligingspersoneel dat scanners bedient;

Financiering van de beveiliging van de luchtvaart

38. herinnert aan zijn standpunt van 5 mei 2010 inzake heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart;

39. is van mening dat veiligheidsheffingen transparant moeten zijn, dat er alleen gebruik van mag worden gemaakt om de veiligheidskosten te dekken en dat de lidstaten die besluiten strengere maatregelen toe te passen, zelf de extra kosten als gevolg hiervan moeten dragen;

40. dringt er bij de Raad op aan terstond een standpunt in eerste lezing over heffingen voor de beveiliging van de luchtvaart vast te stellen, aangezien de wetgeving over luchtvaartbeveiliging en die over heffingen voor die beveiliging nauw met elkaar verband houden;

41. stelt voor om op het ticket van alle passagiers de kosten van de beveiligingsmaatregelen aan te geven;

Verbod op vloeistoffen, spuitbussen en gels

42. herhaalt en bekrachtigt zijn standpunt dat het verbod op het aan boord brengen van vloeistoffen moet aflopen in 2013, als in de EU-wetgeving is vastgesteld; dringt er daarom bij alle betrokken partijen, de Commissie, de lidstaten en de sector, op aan nauw samen te werken om ervoor te zorgen dat de beperkingen wat het aan boord van vliegtuigen brengen van vloeistoffen betreft, worden opgeheven, ten voordele van de passagiers;

43. verzoekt de lidstaten en de luchthavens alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat tijdig passende technologie beschikbaar is, zodat het geplande einde van het verbod op het aan boord brengen van vloeistoffen niet ten koste gaat van de veiligheid;

44. is in dit verband van mening dat alle betrokkenen de nodige maatregelen moeten nemen om de overgang van een verbod op het aan boord brengen van vloeistoffen, spuitbussen en gels naar controles op deze artikelen zo bevredigend en uniform mogelijk te maken, waarbij de rechten van de passagiers steeds gewaarborgd zijn;

Beveiligingsmaatregelen voor vracht

45. is van mening dat controles op vracht en post op basis van een risicoanalyse evenredig moeten zijn met de bedreigingen die het vervoer ervan vormt en dat voldoende veiligheid gegarandeerd moet zijn, vooral als vracht en post meereizen in passagiersvliegtuigen;

46. wijst erop dat vracht nooit voor de volle 100% gescand kan worden; verzoekt de lidstaten door te gaan met de implementatie van Verordening (EG) nr. 300/2008 en de daarmee samenhangende Verordening (EU) nr. 185/2010 van de Commissie om de veiligheid in de gehele toeleveringsketen te verbeteren;

47. is van mening dat het veiligheidsniveau voor vracht nog steeds per lidstaat verschilt en dat de lidstaten er met het oog op één enkele veiligheidscontrole voor moeten zorgen dat de bestaande maatregelen voor Europese vracht en post correct worden toegepast en dat zij in andere lidstaten erkende agenten erkennen;

48. is van mening dat de veiligheidsmaatregelen van de lidstaten voor luchtvracht en post, alsook het toezicht op deze maatregelen door de Commissie zijn opgevoerd en acht het daarom volstrekt essentieel dat een technisch verslag wordt opgesteld ter vaststelling van de tekortkomingen van het bestaande vrachtsysteem en mogelijke manieren om hier verbetering in te brengen;

49. verzoekt de Commissie en de lidstaten screening en inspecties voor wat betreft het vrachtvervoer door de lucht te verscherpen, alsook meer inspanningen te leveren op het vlak van de erkenning van agenten en bekende afzenders; wijst er nadrukkelijk op dat hiervoor meer inspecteurs van de lidstaten nodig zijn;

50. benadrukt het potentieel van douane-informatie waar het gaat om de inschatting van het risico van bepaalde zendingen en verzoekt de Commissie door te gaan met haar onderzoek naar de mogelijke inzet van elektronische douanesystemen bij de luchtvaartbeveiliging; met name door gebruik te maken van het EU-invoercontrolesysteem om de samenwerking tussen de douanediensten te verbeteren;

51. verzoekt de Commissie alle nodige stappen te zetten om reeds vanaf de luchthaven van herkomst te zorgen voor een veilig vervoer van vracht die afkomstig is uit derde landen, alsook om criteria te definiëren ter identificatie van hoog-risicovracht, waarbij de verantwoordelijkheid van elke schakel duidelijk is;

52. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het veiligheidprogramma rekening houdt met de specifieke kenmerken van alle betrokkenen en dat de veiligheidsmaatregelen met betrekking tot het verkeer van post en vracht aansluiten bij de noodzaak een dynamische economie te verzekeren die de handel, de kwaliteit van de dienstverlening en de ontwikkeling van elektronische handel blijft bevorderen;

53. verzoekt de Commissie een geharmoniseerd systeem voor te stellen voor de opleiding en nascholing van veiligheidspersoneel in verband met vracht, ten einde rekening te houden met de meest recente technische ontwikkelingen op veiligheidsgebied;

Internationale betrekkingen

54. verzoekt de Commissie en de lidstaten om samen met de Internationale Organisatie voor Burgerluchtvaart (International Civil Aviation Organisation, ICAO) en derde landen te werken aan systemen voor risicobepaling en inlichtingentaken op het gebied van de luchtveiligheid;

55. verzoekt de Commissie en de lidstaten zich in te zetten voor wereldwijde reguleringsnormen in het kader van de ICAO om steun te verlenen aan de inspanningen van derde landen om deze normen uit te voeren, te streven naar wederzijdse erkenning van veiligheidsmaatregelen en het doel van één veiligheidscontrole te vervolgen;

o

o o

56. vindt de comitéprocedure in de luchtvaartbeveiligingssector, in ieder geval voor maatregelen die gevolgen hebben voor de burgerrechten, ongeschikt en wenst dat het Parlement een volwaardige rol krijgt op basis van medebeslissing;

57. wenst dat de Commissie nog in de huidige zittingsperiode een wetgevingsvoorstel indient ter aanpassing van Verordening (EG) nr. 300/2008, dat rekening houdt met de verklaring die de Commissie op 16 december 2010 zelf deed bij gelegenheid van de aanneming van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorschriften en algemene beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren;

58. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

  • [1]  PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 71.
  • [2]  PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.
  • [3]  PB L 91 van 3.4.2009, blz. 7.
  • [4]  PB L 55 van 5.3.2010, blz. 1.
  • [5]  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0123.
  • [6]  PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.
  • [7]  PB L 184 van 24.5.2004, blz. 1.
  • [8]  PB L 114 van 27.4.2006, blz. 3.
  • [9]  PB L 281, van 23.11.1995, blz. 31
  • [10]  PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1.

TOELICHTING

Een integrale visie op de veiligheid van de luchtvaart

De Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad inzake het gebruik van beveiligingsscanners, waarover dit verslag inzake de luchtveiligheid aanvankelijk zou gaan, is inhoudelijk ingehaald door latere gebeurtenissen.

Diverse gevallen van terreurdreiging, eerst in het Verenigd Koninkrijk, waar een pakket explosieven werd gevonden in een vrachtvliegtuig, en vervolgens in Griekenland, waar de politie een aantal bompakketten onderschepte die waren gericht aan een prominente figuur en verschillende ambassades in Athene, hebben de EU ertoe verplicht maatregelen te nemen die in verhouding staan tot de nieuwe gevaren die zijn vastgesteld.

Het Parlement ziet zich dan ook voor de taak gesteld de genomen maatregelen te analyseren en zo nodig andere maatregelen voor te stellen om de gevaren te voorkomen op basis van een integrale visie op de veiligheid van de luchtvaart.

Wij behandelen in dit verslag veiligheidsscanners en maken een analyse van de besluiten die zijn genomen over vloeistoffen, spuitbussen en gels en veiligheidsmaatregelen voor vracht en post.

Bestrijding van terrorisme en veiligheid van de burgerluchtvaart

Wij leven in een tijd waarin globalisering geen werkhypothese is, maar een onontkoombaar feit. In deze onderling verbonden wereld is terrorisme helaas geen geïsoleerd verschijnsel dat sommige landen raakt en aan andere voorbijgaat. In een democratische samenleving is geen enkele vorm van terrorisme te rechtvaardigen en er is geen oorzaak die terrorisme legitimeert.

De bevoegde democratische instellingen kunnen er dan ook niet omheen alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de openbare veiligheid te garanderen. Besluiten die om veiligheidsredenen worden genomen betekenen vaak het verlies van bepaalde vrijheden, leiden onvermijdelijk tot ongemak en verstoren en veranderen normale gedragswijzen.

In de waardehiërarchie van de moderne maatschappijen wordt veiligheid voorgesteld als een waarde die beschermd moet worden omdat ze helaas niet gegarandeerd is. Democratische maatschappijen verlenen hun vertegenwoordigers in de betreffende instellingen een mandaat om hen te beschermen en verlangen tegelijk dat dit niet met willekeurig welke middelen gebeurt noch tegen elke prijs. De Europese burgers eisen dat het nemen van veiligheidsmaatregelen geen aantasting betekent van hun grondrechten.

Noodzaak om de veiligheid van de burgerluchtvaart te verbeteren

De veiligheid van de burgerluchtvaart is ongetwijfeld een van de belangrijkste zorgen van de Europese Unie. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 is een aantal maatregelen opgesteld, die zijn vastgelegd in communautaire voorschriften ter voorkoming van elke terroristische aanval of gebeurtenis die de openbare veiligheid aantast.

De wetgeving inzake de luchtvaartveiligheid heeft zich als volgt ontwikkeld:

· in de nasleep van de aanslagen van 11 september 2001 zijn de grondslagen gelegd voor een communautair beleid dat voordien onder de bevoegdheid van de lidstaten viel, en is Verordening 2320/2002 aangenomen;

· in december 2001 trachtte de zogenaamde "shoe bomber" explosieven te verbergen in de hiel van zijn schoenen, waarna op Europees niveau specifieke maatregelen zijn genomen om de schoenen van passagiers beter te screenen;

· in augustus 2006 leidde het gebruik van vloeibare springstoffen bij pogingen een aanslag te plegen op verscheidene vliegtuigen boven de Atlantische oceaan tot een onmiddellijk verbod op het meenemen van vloeistoffen aan boord;

· in het licht van de opgedane ervaring met de veiligheid van de burgerluchtvaart werd het noodzakelijk Verordening nr. 2320/2002 te herzien en werd Verordening 300/2008 aangenomen als grondslag voor Europese wetgeving inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart; deze verordening vereenvoudigde, harmoniseerde en verduidelijkte de bestaande regels;

· op 25 december 2009 werden bij een poging een terroristische aanslag te plegen op een vlucht van Amsterdam naar Detroit, waarbij gebruik werd gemaakt van verborgen springstoffen, de beperkingen van de bestaande screeningsystemen voor het opsporen van verboden niet-metalen voorwerpen in Europese luchthavens duidelijk; als gevolg hiervan begon een aantal landen tests uit te voeren of striktere veiligheidsmaatregelen te nemen en voerden zij beveiligingsscanners in voor het screenen van luchtreizigers;

· de recente aanslagen eind oktober 2010 waarbij pakketten met springstof met bestemming de Verenigde Staten werden ontdekt in het Verenigd Koninkrijk en Dubai, leidden tot striktere veiligheidsmaatregelen voor luchtvracht en een Europees actieplan voor de komende jaren.

Samengevat bestaan er drie kernverordeningen inzake de beveiliging van de burgerluchtvaart:

· Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart;

· Verordening (EG) nr. 272/2009 van de Commissie ter aanvulling van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 300/2008 vastgestelde gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart;

· Verordening (EG) nr. 185/2010 van de Commissie tot vaststelling van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart.

De motieven voor dit initiatiefverslag

Beveiligingsscanners

Context

Daar het wetgevingskader van de EU inzake de beveiliging van de luchtvaart een lijst van screening- en controlemethoden vastlegt, waaruit de lidstaten en/of luchthavens moeten kiezen, moet de bestaande wetgeving gewijzigd worden om beveiligingsscanners in die lijst op te nemen (waardoor het mogelijk wordt scanners te plaatsen bij wijze van proef dan wel als striktere veiligheidsmaatregel).

Achtergrond

Toen de Commissie haar ontwerpverordening aan het Parlement voorlegde in 2008, waarin beveiligingsscanners als een van de erkende methoden voor het screenen van personen waren opgenomen, bracht het Parlement een kritisch advies uit in zijn resolutie van 23 oktober 2008, waarbij het aanvoerde dat beveiligingsscanners geen toegevoegde waarde bieden en het twijfels uitte over de bescherming van de grondrechten. In de resolutie van het Parlement werd de nadruk gelegd op de gevolgen van beveiligingsscanners voor de mensenrechten, de privacy, de persoonlijke waardigheid en de gegevensbescherming en werd opgeroepen de situatie diepgaand te analyseren.

De mededeling van de Commissie

In antwoord op de resolutie van het Parlement van 2008 heeft de Commissie nu een mededeling ingediend die gedeeltelijk tegemoet komt aan de door het Parlement geuite bezorgdheid:

· raadpleging van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming;

· wetenschappelijke en medische studie van de gevolgen voor de gezondheid;

· een kosten-batenanalyse, voor zover mogelijk, van de economische en commerciële gevolgen;

· een evaluatie van de gevolgen voor de grondrechten.

Het onderhavige verslag heeft daarom ten doel in te gaan op de oproep van de Commissie dat de drie instellingen overleg plegen en gezamenlijk stappen zetten ter verwezenlijking van het doel, namelijk de bescherming van de Europese burgers.

Oordeel van de rapporteur

De rapporteur is positief over de mededeling van de Commissie. Hij is van mening dat de Commissie een bevredigende oplossing heeft gevonden om de gerede twijfel die het Parlement in 2008 uitte weg te nemen.

De rapporteur pleit voor de uitvoering in de hele EU van geharmoniseerde regels voor de wijze van gebruik en gemeenschappelijke normen voor de detectie-efficiëntie van beveiligingsscanners.

De nieuwe generatie van beveiligingsscanners lijkt een goed middel te zijn om de beveiliging van het luchtverkeer in de EU te verbeteren. Zij leveren een toegevoegde waarde vergeleken bij de werking van de veiligheidscontroles op Europese luchthavens en staan bovendien in verhouding tot het risico dat afgewend moet worden.

Vloeistoffen, spuitbussen en gels

Achtergrondinformatie betreffende gels op Europese luchthavens

Sinds 2006 geldt een verbod om vloeistoffen, spuitbussen en gels in een hoeveelheid van meer dan 100 ml mee te nemen in de handbagage.

In september 2007 nam het Parlement de resolutie P6_TA(2007)0374 aan, waarin het de Commissie verzocht om "met spoed Verordening (EG) nr. 1546/2006 te beoordelen en - indien geen verdere doorslaggevende feiten worden aangedragen - in te trekken". Sindsdien hebben verschillende pogingen om het verbod in te trekken geleid tot een gemeenschappelijk standpunt van de drie instellingen om het verbod op het aan boord brengen van vloeistoffen geleidelijk op te heffen.

Huidige stand van de wetgeving inzake gels

De Verordening (EU) nr. 297/2010 van de Commissie van 9 april 2010 maakte een eind aan de beperkingen inzake gels en trof een regeling voor een gefaseerde opheffing van het verbod en de overgang op een systeem van screening voor vloeibare springstoffen.

Deze verordening stelt de eis dat luchthavens moeten beschikken over een doeltreffend mechanisme tot het moment dat zij in staat zijn om betrouwbare opsporingsapparatuur te plaatsen, een doel dat uiterlijk 29 april 2013 bereikt moet zijn. Op die datum moeten alle luchthavens in staat zijn om te screenen op vloeistoffen, spuitbussen en gels.

De verschillende fasen zijn de volgende:

Vloeistoffen, spuitbussen en gels mogen worden meegenomen in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke delen van luchthavens of aan boord van een luchtvaartuig, mits ze zijn gescreend of zijn vrijgesteld van screening overeenkomstig de eisen van de uitvoeringsbepalingen:

· uiterlijk op 29 april 2011 mogen vloeistoffen, spuitbussen en gels die in een luchthaven van een derde land of aan boord van een luchtvaartuig van een niet-EU-luchtvaartmaatschappij zijn gekocht, worden meegenomen in om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke delen van luchthavens en aan boord van een luchtvaartuig;

· uiterlijk op 29 april 2013 moeten alle luchthavens screenen op vloeistoffen, spuitbussen en gels overeenkomstig de eisen van de uitvoeringsbepalingen in artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 300/2008.

Vracht en post

Het Europese beveiligingssysteem voor vracht berust op twee elkaar aanvullende pijlers:

· Screening van vracht en post. Alle vracht en post wordt onderzocht alvorens ze in het luchtvaartuig wordt geladen. Deze controle wordt uitgevoerd: door een erkend agent (een luchtvaartmaatschappij, agent, of elke andere entiteit die beveiligingscontroles uitvoert), door een bekende afzender (een expediteur die voor eigen rekening vracht of post voor vervoer aanbiedt en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligingsregels en –normen beantwoorden om het vervoer van vracht of post toe te staan) of door een expediteur voor eigen rekening (een expediteur die voor eigen rekening vracht en post voor vervoer aanbiedt en wiens procedures in voldoende mate aan de gemeenschappelijke beveiligingsregels en –normen beantwoorden om deze vracht te vervoeren met om het even welk luchtvaartuig dat exclusief voor vracht- of postvervoer is bestemd). Vracht die niet vooraf is gescreend mag niet aan boord van het vliegtuig worden gebracht.

· Bescherming van vracht en post in de toeleveringsketen. Vracht en post die bestemd zijn om in een luchtvaartuig te worden vervoerd, worden beschermd tegen manipulatie door onbevoegden vanaf het ogenblik waarop de beveiligingscontroles zijn uitgevoerd tot het vertrek van het luchtvaartuig. Vracht en post die, nadat de beveiligingscontroles zijn uitgevoerd, niet afdoende beschermd zijn tegen manipulatie door onbevoegden, moeten worden onderzocht.

Context

Na de incidenten van eind oktober en begin november 2010 heeft de Europese Unie snel extra beveiligingsmaatregelen voor vracht ingevoerd, waarbij zij vooral rekening hield met het feit dat vracht vaak meereist in passagiersvliegtuigen.

Luchtvaartbeveiligingsdeskundigen van de EU kwamen snel met aanbevelingen voor een aantal richtsnoeren: veiligheidscontroles op vracht en post moeten zijn gebaseerd op een gemeenschappelijke beoordeling van het risico, waarbij onder meer wordt gelet op de kenmerken van de zending, de kwaliteit van eerder uitgevoerde veiligheidscontroles, het type luchtvervoer (passagiersvliegtuig of een luchtvaartuig dat alleen vracht of alleen post vervoert) en de plaats van herkomst.

Ook werd overeengekomen een werkgroep op te richten die nieuwe voorstellen voor verbetering van de beveiliging van de luchtvaart moet voorleggen. Het huidige kader voor maatregelen is gebaseerd op het plan dat is opgesteld door de werkgroep op hoog niveau voor de verbetering van de beveiliging van het luchtvrachtvervoer.

Er zijn drie belangrijke actiegebieden voor verbetering van de controles op het luchtvrachtvervoer:

· Versterking en harmonisering van de Europese wetgeving inzake het luchtvrachtvervoer: vooral ten aanzien van de veiligheidscontroles op vracht en post uit derde landen en verbetering van de training en screening op het Europese en het nationale vlak.

· Verbetering van de samenwerking en informatie-uitwisseling in de EU: het huidige douanestelsel is per 1 januari 2011 versterkt.. Er is behoefte aan een effectieve uitwisseling van informatie tussen de lidstaten.

· Verhoging van de mondiale normen: dit betekent voortzetting van de volledige samenwerking met de Internationale Vereniging voor de burgerluchtvaart om ervoor te zorgen dat pakjes afkomstig uit derde landen aan Europese of gelijkwaardige regels voldoen als zij de EU binnenkomen.

Het is in deze context dat de rapporteur zijn gedachten op papier heeft gezet en hij verzoekt de Commissie met deze verbeteringen aan de slag te gaan, waarbij hij tevens een aantal maatregelen voorstelt die volgens hem van cruciaal belang zijn om iets te doen aan de gebrekkige beveiliging van het vrachtvervoer.

Hierbij mag niet worden vergeten dat screening, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de uitwisseling van politie-informatie en bestudering van de menselijke factor van centraal belang zijn voor de luchtvaartveiligheid als geheel.

Dit alles behoort tot de geïntegreerde aanpak van de luchtvaartveiligheid die moet zorgen voor de hoogste niveaus van bescherming voor de Europese burgers, wat een fundamentele en wezenlijke taak is van de Europese wetgevers. Kortom, het gaat om de bescherming van de democratische waarden en de bestrijding van het terrorisme dat deze bedreigt.

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (27.1.2011)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake luchtvaartbeveiliging, met speciale aandacht voor beveiligingsscanners
(210/2154(INI))

Rapporteur voor advies: Crescenzio Rivellini

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  constateert dat de lidstaten en luchthavens in toenemende mate gebruikmaken van bodyscanners omdat zij van mening zijn dat beveiligingspersoneel hierdoor beter in staat is verboden voorwerpen, zoals vloeistoffen of kneedspringstoffen, te ontdekken die niet met behulp van bestaande metaaldetectoren kunnen worden opgespoord, en opdat passagiers niet aan lastige en vernederende visitaties hoeven te worden onderworpen;

2.  erkent dat de lidstaten het recht hebben om, wanneer zij ervan overtuigd zijn dat hierdoor het veiligheidsniveau ten opzichte van de wettelijke EU-vereisten wordt verhoogd, of voor testdoeleinden, vast te houden aan het gebruik van bodyscanners en verwacht dat de tests die momenteel in Finland, Frankrijk, Nederland, Italië en het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd informatie zullen opleveren aan de hand waarvan de Commissie Europese normen voor goede praktijken en gedragscodes zal kunnen ontwikkelen waarmee persoonsgegevens worden beschermd en de menselijke gezondheid wordt gewaarborgd;

3.  neemt nota van de mededeling van de Commissie van 15 juni 2010 inzake het gebruik van beveiligingsscanners in EU-luchthavens (COM(2010) 0311 definitief) en de daarin vervatte conclusies en aanbevelingen;

4.  erkent het belang van beveiligingsscanners als aanvullend instrument ter bescherming van het reizende publiek, maar onderstreept dat het van fundamenteel belang is om de grensoverschrijdende samenwerking tussen inlichtingendiensten, de bewaking van centrale boekingssystemen en het "profilen" van passagiers doeltreffend aan te pakken om potentiële terroristische dreigingen op te sporen;

5.  verzoekt de Commissie om in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek, onderzoek te doen naar de mogelijkheid van het gebruik van een technologie die voor alle bevolkingsgroepen volstrekt onschadelijk is en tegelijkertijd de luchtvaartveiligheid garandeert;

6.  roept de lidstaten op technologie toe te passen die het minst schadelijk is voor de menselijke gezondheid en die aanvaardbare oplossingen biedt met het oog op de bezorgdheid van het publiek omtrent de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

7.  constateert dat reeds verschillende soorten bodyscanners, die gebruikmaken van uiteenlopende technologieën, worden toegepast; is van mening dat elk systeem op zijn eigen waarde moet worden beoordeeld en steunt het door de Commissie in haar recente mededeling ingenomen standpunt dat een gemeenschappelijk niveau van bescherming van de Europese burgers kan worden gewaarborgd door middel van technische normen en operationele voorwaarden, die in de EU-wetgeving dienen te worden vastgesteld;

8.  onderstreept dat de technologie die gebaseerd is op beeldverwerking door middel van passieve millimetergolven, die geen enkele straling produceren, de uit medisch oogpunt veiligste optie is;

9.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen over het gebruik van passieve scanners en dat vergezeld gaat van een effectbeoordeling met betrekking tot de relatieve kosten, doeltreffendheid en gevolgen voor de persoonlijke integriteit van het gebruik van deze technologie vergeleken met andere antiterreurmaatregelen;

10. stelt als meest geschikte oplossing voor, oftewel als beste compromis tussen kans op resultaat en risico voor de volksgezondheid, de technologie die gebaseerd is op beeldverwerking door middel van actieve millimetergolven, waarbij gebruik wordt gemaakt van niet-ioniserende straling, die als niet schadelijk wordt beschouwd wanneer de blootstelling onder de door de huidige wetgeving vastgestelde grenswaarden blijft;

11. wijst erop dat bij aanwending van de technologie op basis van retrodiffusie van röntgenstralen een lage dosis röntgenstralen vrijkomt en stelt daarom voor geen gebruik te maken van deze technologie, aangezien het buiten kijf staat dat elke blootstelling aan ioniserende straling, hoe gering ook, op lange termijn gevolgen kan hebben voor de gezondheid wegens het cumulatieve effect van stralingen;

12. dringt erop aan, als de aanwending van de technologie op basis van retrodiffusie van röntgenstralen niet kan worden vermeden, dat wordt voorzien in speciale behandelingen voor passagiers die gevoelig zijn voor ioniserende stralen (zoals kinderen, zwangere vrouwen, ouderen en gehandicapten) en is van mening dat een uitzondering moet worden gemaakt voor personen met geïmplanteerde medische apparaten (bijvoorbeeld metalen botimplantaten, pacemakers en defibrillatoren);

13. wijst erop dat bij gebruik van de technologie op basis van röntgenbeelden hoge dosissen röntgenstralen vrijkomen en dat bijgevolg deze technologie niet in aanmerking mag worden genomen voor het systematisch screenen in het kader van de luchtvaartveiligheid;

14. verzoekt de lidstaten regelmatig toe te zien op de gevolgen van de blootstelling aan bodyscans op de lange termijn, rekening houdend met nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, en op de correcte installatie en het juiste gebruik en functionering van de toestellen;

15. dringt erop aan dat passagiers op passende wijze worden voorgelicht over de mogelijke gevolgen en risico's voor de gezondheid van zowel de bodyscan als de daaropvolgende vlucht;

16. verzoekt de lidstaten reizigers passende, volledige en duidelijke informatie te verstrekken over alle aspecten van het gebruik van bodyscanners voor de veiligheid in de luchtvaart;

17. dringt erop aan dat zolang de redelijke twijfels over de onschadelijkheid voor de gezondheid van bodyscans niet zijn weggenomen, reizigers er ruim van tevoren van in kennis worden gesteld dat zij aan een bodyscan worden onderworpen en hun de mogelijkheid wordt geboden om niet door een bodyscanner te lopen, maar een alternatieve controle te ondergaan;

18. verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor de specifieke training van veiligheidspersoneel dat verantwoordelijk is voor de bediening van bodyscanners, waarbij rekening wordt gehouden met aspecten als menselijke waardigheid, gezondheid en bescherming van persoonsgegevens;

19. verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten een gedragscode op te stellen voor het gebruik van beveiligingsscanners waarin luchthavens worden verplicht scans op menselijke wijze uit te voeren, onder eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de passagiers;

20. verzoekt de sector om in samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten een gedragscode op te stellen voor werknemers die verantwoordelijk zijn voor de bediening van bodyscanners, waarin rekening wordt gehouden met de personen die het meest kwetsbaar zijn en degenen die in de sector werkzaam zijn, met het recht op privacy en de menselijke waardigheid, alsook met relevante wetgeving inzake gegevensbescherming;

21. dringt er bij de Commissie op aan om na twee jaar een verslag over de kosten/baten-verhouding en over de gevolgen voor de gezondheid in te dienen;

22. verzoekt de Commissie om onverwijld een wetgevingskader inzake het gebruik van bodyscanners op EU-luchthavens voor te stellen dat de grondrechten volledig eerbiedigt en rekening houdt met gezondheidseffecten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

45

12

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

János Áder, Kriton Arsenis, Paolo Bartolozzi, Sandrine Bélier, Sergio Berlato, Martin Callanan, Nessa Childers, Chris Davies, Bairbre de Brún, Bas Eickhout, Edite Estrela, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Julie Girling, Nick Griffin, Satu Hassi, Jolanta Emilia Hibner, Dan Jørgensen, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Jo Leinen, Peter Liese, Kartika Tamara Liotard, Linda McAvan, Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė, Gilles Pargneaux, Antonyia Parvanova, Andres Perello Rodriguez, Sirpa Pietikäinen, Mario Pirillo, Pavel Poc, Vittorio Prodi, Oreste Rossi, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Bogusław Sonik, Catherine Soullie, Salvatore Tatarella, Marina Yannakoudakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Margrete Auken, Inés Ayala Sender, Tadeusz Cymański, José Manuel Fernandes, Jacqueline Foster, Gaston Franco, Matthias Groote, Jutta Haug, Marisa Matias, Judith A. Merkies, Miroslav Mikolášik, Crescenzio Rivellini, Renate Sommer, Eleni Theocharous, Michail Tremopoulos, Thomas Ulmer, Marita Ulvskog, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean

ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (27.4.2011)

aan de Commissie vervoer en toerisme

over luchtvaartbeveiliging, met bijzondere aandacht voor beveiligingsscanners
(2010/2154(INI))

Rapporteur voor advies: Judith Sargentini

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie vervoer en toerisme onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt het belang van de bestrijding van terrorisme en georganiseerde criminaliteit, omdat deze een bedreiging vormen voor de veiligheid van de Europese Unie, zoals vastgesteld in het Stockholm-programma, en ondersteunt daarom in dit kader uitsluitend veiligheidsmaatregelen ter bestrijding van terrorisme die berusten op een wettelijke grondslag, die effectief zijn, in een vrije en open democratische samenleving noodzakelijk zijn, in verhouding staan tot het beoogde doel en volledig in overeenstemming zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM); wijst erop dat het vertrouwen van burgers in hun instellingen van essentieel belang is en dat derhalve het juiste evenwicht gevonden moet worden tussen het nastreven van veiligheid en het waarborgen van de fundamentele rechten en vrijheden;

2.  benadrukt in dit verband dat maatregelen ter bestrijding van terrorisme in overeenstemming moeten zijn met de fundamentele rechten en plichten van de Europese Unie, zoals in een democratische samenleving noodzakelijk is, en is van mening dat deze maatregelen evenredig en noodzakelijk moeten zijn, moeten berusten op een wettelijke grondslag en dus in verhouding moeten staan tot het beoogde doel;

3.  herinnert eraan dat het gebruik van bodyscanners in overeenstemming moet zijn met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[1];

4.  benadrukt dat duidelijk moet worden omschreven welke doelstellingen men met het gebruik van bodyscanners wil bereiken en wat van het gebruik van bodyscanners wordt verwacht;

5.  dringt er in dit verband op aan het beoogde doel nauwkeurig en zorgvuldig te omschrijven; wenst dat er een uitgebreide technische beoordeling wordt uitgevoerd van het nut van bodyscanners; dringt er voorts op aan het gebruik van bodyscanners te verbieden wanneer het resultaat van deze beoordeling dubbelzinnig of niet positief is;

6.  wijst erop dat slechts een handvol lidstaten proeven heeft gedaan met bodyscanners[2] en dat veel van die lidstaten vervolgens hebben afgezien van het gebruik van bodyscanners vanwege de hoge kosten, vertragingen en inefficiëntie[3], en dat de meeste lidstaten geen bodyscanners hebben ingevoerd of hebben aangegeven geen voorstander te zijn van het gebruik ervan, of hebben aangegeven niet van plan te zijn bodyscanners aan te schaffen, in te voeren en te gebruiken;

7.  merkt op dat de lidstaten die reeds gebruik maken van bodyscanners, niettegenstaande de toevoeging van bodyscanners aan de lijst van toegestane screeningmethoden, gehouden zijn de fundamentele rechten van burgers, zoals vastgelegd in het EVRM en in het Handvest van de Grondrechten, te respecteren, te beschermen en te bevorderen, in het bijzonder het recht op privacy en gezondheid, zoals het Parlement heeft gevraagd;

8.  wijst erop dat de lidstaten die bodyscanners gebruiken bepaalde categorieën kwetsbare personen uitzonderen, zoals kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, personen met een handicap of met geïmplanteerde medische apparaten en werknemers die vaak aan straling worden blootgesteld, en wenst dat er op dit vlak op EU-niveau gemeenschappelijke regels worden toegepast wanneer lidstaten bodyscanners invoeren en gebruiken;

9.  vindt de comitéprocedure in de luchtvaartbeveiligingssector, in ieder geval voor maatregelen die gevolgen hebben voor de burgerrechten, ongeschikt en wenst dat het Parlement een volwaardige rol krijgt op basis van medebeslissing;

10. wijst op het feit dat het besluit om beveiligingsscanners op luchthavens te plaatsen onder de bevoegdheid van de lidstaten valt en derhalve moet voldoen aan de gemeenschappelijke minimumnormen en -vereisten die door de Europese Unie zijn vastgesteld;

11. stelt zich in dit verband op het standpunt dat lidstaten niet verplicht mogen worden bodyscanners op luchthavens te gebruiken; benadrukt dat indien een lidstaat ervoor kiest bodyscanners in te voeren op zijn luchthavens, deze bodyscanners moeten voldoen aan de minimumnormen en vereisten die op EU-niveau zijn vastgesteld;

12. benadrukt dat de lidstaten die besluiten bodyscanners te gebruiken, de mogelijkheid moeten hebben om, conform het subsidiariteitsbeginsel, normen op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen en hun persoonsgegevens aan te houden die strenger zijn dan de normen die zijn vastgelegd in de Europese wet- en regelgeving;

13. dringt erop aan dat alle bodyscanners aan bepaalde technische minimumvoorschriften moeten voldoen, alvorens zij op een lijst van toegestane screeningmethoden kunnen worden opgenomen, en is van mening dat dergelijke voorschriften onder andere moeten garanderen dat de scanners geen gevaar voor de gezondheid van passagiers of personeel opleveren, ook niet op de lange termijn; verzoekt in verband hiermee, rekening houdend met de huidige stand van de techniek, om het gebruik van scanners die werken met ioniserende straling, zoals bijvoorbeeld röntgenstraling die een cumulatief effect kan hebben, aan banden te leggen en om meer onderzoek te laten doen naar de effecten van deze scanners;

14. verzoekt de lidstaten in dit kader de langetermijngevolgen van blootstelling aan beveiligingsscanners periodiek te controleren, rekening houdend met nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, en te controleren of de apparatuur juist is geïnstalleerd en juist wordt gebruikt en ingezet;

15. dringt er voorts op aan dat bodyscanners slechts mogen beschikken over technische voorzieningen waarmee geen beelden van het volledige lichaam, maar uitsluitend gestandaardiseerde sekseneutrale en volledig geanonimiseerde "stick figures" kunnen worden gegenereerd, en dat het niet mogelijk mag zijn gegevens te verwerken of op te slaan;

16. verzoekt de Commissie afschrikkende sancties in te stellen voor het ongeoorloofd opslaan of verspreiden van beelden die tijdens veiligheidscontroles zijn gemaakt;

17. wenst dat er op gezette tijden controles worden uitgevoerd door een daartoe bevoegde organisatie om te beoordelen of de apparaten nog in goede staat zijn en vast te stellen of ze voldoen aan de in paragrafen 13 en 15 genoemde voorwaarden;

18. benadrukt dat iedere passagier en elk personeelslid zonder opgaaf van redenen een bodyscan moet kunnen weigeren en het recht moet hebben een standaard beveiligingscontrole te verlangen waarbij zijn rechten en waardigheid volledig worden geëerbiedigd; verzoekt in dit verband om passende en uitgebreide scholing voor alle in de beveiliging werkzame personen; stelt dat een beperking van het gebruik van scanners die werken met ioniserende straling, zoals bijvoorbeeld röntgenstraling, tot gevolg zal hebben dat het niet meer nodig is specifieke uitzonderingsbepalingen vast te stellen voor kwetsbare personen, zoals zwangere vrouwen, kinderen, mensen met een beperking of mensen met een aandoening op grond waarvan zij deze controles niet kunnen ondergaan;

19. benadrukt dat passagiers of personeelsleden die weigeren een bodyscan te ondergaan niet per definitie als verdacht moeten worden aangemerkt en dat deze weigering niet mag leiden tot een extra belasting zoals zeer grondig fouilleren of vertragingen, en dat tijdens de procedure voorafgaand aan een bodyscan of in verband met de weigering van een bodyscan elke vorm van categorisering op grond van bijvoorbeeld geslacht, ras, huidskleur, etnische achtergrond, land van herkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging onaanvaardbaar is;

20. dringt erop aan dat passagiers en personeel vooraf correct en volledig over de bodyscanner en het daarmee uit te voeren onderzoek worden geïnformeerd, onder meer over hun recht om een bodyscan te weigeren en het recht om een klacht in te dienen of beroep in te stellen bij onregelmatigheden in verband met de bodyscan of hun weigering een bodyscan te ondergaan en de daarop volgende standaard beveiligingscontrole; benadrukt dat passagiers en personeel niet alleen bij de boeking bij de luchtvaartmaatschappij en op de website van de luchthaven geïnformeerd moeten worden over de bodyscan en het daarmee uit te voeren onderzoek, maar ook nog op het moment van controle; benadrukt de noodzaak om in de beveiliging werkzame personen op dit gebied passende scholing te bieden;

21. benadrukt dat aan enig voorstel voor de invoering en het gebruik van bodyscanners als toegelaten screeningmethode een uitgebreide effectbeoordeling ten grondslag moet liggen waarin onder meer de aan bodyscanners verbonden mensenrechtenaspecten, de evenredigheid en de noodzakelijkheid aan de orde komen, rekening houdend met de toegevoegde waarde van bodyscanners voor de bestrijding van terrorisme, de kosten van aanschaf, installatie en het gebruik van bodyscanners, alsmede de mogelijke gezondheidsrisico's voor passagiers en personeel, met name kwetsbare passagiers en personeelsleden, daarbij tevens rekening houdend met de standpunten van de Europese Unie, internationale en nationale mensenrechten- en gegevensbeschermingsautoriteiten, zoals de EDPS, de werkgroep van artikel 29, het Bureau voor de grondrechten, de Wereldgezondheidsorganisatie en de speciale VN-rapporteur voor de bescherming van de mensenrechten bij de bestrijding van terrorisme;

22. verwacht dat de Commissie haar voorstel zal baseren op uitgebreide onafhankelijke en objectieve wetenschappelijke gegevens die zijn verzameld onder Europese deskundigen op dit gebied en zonder bemoeienis van bedrijven, regeringen van de lidstaten en derde landen;

23. benadrukt dat de technische specificaties van de European Civil Aviation Conference Technical Task Force en de verkoopcontracten voor bodyscanners voor het publiek toegankelijk en openbaar moeten worden gemaakt;

24. stelt voor om op het ticket van alle passagiers de kosten van de beveiligingsmaatregelen aan te geven;

25. verlangt dat bij enig voorstel inzake de invoering en het gebruik van bodyscanners het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten verzocht wordt hierover een uitvoerig advies op te stellen;

26. verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar mogelijke alternatieven voor het gebruik van bodyscanners, rekening houdend met andere, reeds toegepaste maatregelen ter opsporing van bedreigingen van de luchtvaartveiligheid, en aan te tonen dat het nodig is de van kracht zijnde controlemaatregelen op de luchthavens te vervangen door deze scanners;

27. verzoekt de Commissie, de Raad en de ter zake bevoegde parlementaire commissie de term "beveiligingsscanner(s)" te vervangen door de term "bodyscanner(s)" wanneer de scanners worden gebruikt om personen te screenen, ook in de titel van het verslag, om ongepaste en onnodige verwarring en dubbelzinnigheden te vermijden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.4.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Roberta Angelilli, Gerard Batten, Vilija Blinkevičiūtė, Emine Bozkurt, Simon Busuttil, Carlos Coelho, Rosario Crocetta, Luis de Grandes Pascual, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Cornelia Ernst, Kinga Göncz, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Sophia in 't Veld, Timothy Kirkhope, Juan Fernando López Aguilar, Monica Luisa Macovei, Nuno Melo, Louis Michel, Claude Moraes, Jan Mulder, Antigoni Papadopoulou, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Rui Tavares, Wim van de Camp, Daniël van der Stoep, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Edit Bauer, Ioan Enciu, Ana Gomes, Monika Hohlmeier, Franziska Keller, Hubert Pirker, Zuzana Roithová, Joanna Senyszyn, Michèle Striffler, Cecilia Wikström

  • [1]  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
  • [2]  Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland, Denemarken.
  • [3]  Italië en Finland.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Antonio Cancian, Michael Cramer, Ryszard Czarnecki, Luis de Grandes Pascual, Christine De Veyrac, Saïd El Khadraoui, Ismail Ertug, Knut Fleckenstein, Jacqueline Foster, Mathieu Grosch, Jim Higgins, Juozas Imbrasas, Ville Itälä, Dieter-Lebrecht Koch, Georgios Koumoutsakos, Werner Kuhn, Jörg Leichtfried, Bogusław Liberadzki, Eva Lichtenberger, Marian-Jean Marinescu, Gesine Meissner, Hubert Pirker, Vilja Savisaar-Toomast, Olga Sehnalová, Debora Serracchiani, Brian Simpson, Dirk Sterckx, Keith Taylor, Silvia-Adriana Ţicău, Giommaria Uggias, Thomas Ulmer, Dominique Vlasto, Artur Zasada, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Philip Bradbourn, Guido Milana, Dominique Riquet, Alfreds Rubiks, Laurence J.A.J. Stassen