VERSLAG over het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht
21.6.2011 - (COM(2010)0093 – C7‑0046/2009 – 2009/0089(COD)) - ***I
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
Rapporteur:Carlos Coelho
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht
(COM(2010)0093 – C7‑0046/2009 – 2009/0089(COD))
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
Het Europees Parlement,
– gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0093),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 74, artikel 82, lid 1, onder d), en artikel 87, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0046/2009), op basis waarvan de Commissie het voorstel aan het Parlement heeft voorgelegd (C7-0046/2009),
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming van 7 december 2009[1],
– gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 9 juni 2011 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A7‑0241/2011),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Parlement en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;
3. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT*
op het voorstel van de Commissie/op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad
---------------------------------------------------------
VERORDENING (EU) Nr. …/… VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot oprichting van een agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 74, artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
▌
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure[2],
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II)[3] en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II)[4]. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ is gedurende een overgangsperiode de Commissie belast met het operationele beheer van het centrale SIS II. Na die overgangsperiode wordt een beheersautoriteit belast met het operationele beheer van het centrale SIS II en bepaalde aspecten van de communicatie-infrastructuur.
(2) Het visuminformatiesysteem (VIS) is ingesteld bij Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS)[5]. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van informatie op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS‑verordening)[6] is gedurende een overgangsperiode de Commissie belast met het operationele beheer van het VIS. Na die overgangsperiode wordt een beheersautoriteit belast met het operationele beheer van het centrale VIS, de nationale interfaces en bepaalde aspecten van de communicatie-infrastructuur.
(3) Eurodac is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin[7]. Verordening (EG) nr. 407/2002 van de Raad van 28 februari 2002 tot vaststelling van sommige uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 2725/2000 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin[8] bevat de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen. ▌
(4) Teneinde te voorzien in het operationele beheer van SIS II, VIS en Eurodac en delen van de communicatie-infrastructuur na afloop van de overgangsperiode, en mogelijk in het operationele beheer van andere grootschalige informatietechnologiesystemen (“IT-systemen”) op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, onder voorbehoud van de vaststelling van afzonderlijke wetgeving, dient een beheersautoriteit te worden opgericht.
(5) Om een synergetisch effect te bereiken moet het operationele beheer van deze grootschalige informatietechnologiesystemen bij één entiteit worden ondergebracht, zodat schaalvoordelen ontstaan, een kritische massa tot stand komt en de optimale benuttingsgraad van kapitaal en personele middelen wordt gewaarborgd.
(5 bis) In de gezamenlijke verklaringen bij de rechtsinstrumenten voor SIS II en VIS hebben de Raad en het Europees Parlement de Commissie verzocht om na een effectbeoordeling de nodige wetgevingsvoorstellen te doen om een agentschap te belasten met het operationele beheer voor de lange termijn van het centrale SIS II en delen van de communicatie-infrastructuur, alsook van het VIS.
(6) De beheersautoriteit dient juridisch, administratief en financieel autonoom te zijn, en dient derhalve de vorm aan te nemen van een regelgevend agentschap met rechtspersoonlijkheid. Zoals overeengekomen krijgt het Agentschap zijn zetel in Tallinn (Estland). Aangezien de taken in verband de technische ontwikkeling en de voorbereiding voor het operationele beheer van SIS II en VIS echter reeds in Straatsburg (Frankrijk) zijn uitgevoerd en in Sankt Johann im Pongau (Oostenrijk) reeds een backupcentrum voor deze IT-systemen is gecreëerd, moet dit zo blijven. Deze twee plaatsen dienen ook de locaties zijn waar de taken in verband met de technische ontwikkeling en het operationeel beheer van EURODAC worden uitgevoerd en waar een backupcentrum voor EURODAC moet worden gecreëerd. Dit dient ook het geval te zijn voor de technische ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige informatietechnologiesystemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, en voor de backupcentra die de werking van een IT-systeem in het geval van een falen van dat systeem kunnen waarborgen, indien aldus bepaald in het desbetreffende wetgevingsinstrument.
(7) De taken van de beheersautoriteit, zoals die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en in Verordening (EG) nr. 767/2008 ▌ moeten daarom worden vervuld door dit agentschap. Deze taken omvatten tevens de verdere technische ontwikkeling.
(7 bis) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2725/2000 en Verordening (EG) nr. 407/2002 wordt binnen de Commissien een centrale eenheid in het leven geroepen die wordt belast met het beheer van de centrale gegevensbank van Eurodac en met andere, daaraan gerelateerde taken. Teneinde synergie-effecten te genereren, dient het Agentschap vanaf de datum dat het zijn werkzaamheden begint de Commissie te vervangen voor de taken van de laatste in verband met het operationele beheer van Eurodac, inclusief bepaalde taken in verband met de communicatie-infrastructuur.
(7 ter) De kerntaak van het Agentschap is het operationele beheer van SIS II, het VIS en Eurodac, evenals, als daartoe wordt besloten, van andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. Het Agentschap moet er voorts mee worden belast de technische, niet-normatieve maatregelen te nemen die met zijn taken verband houden. Deze opdracht geldt onverminderd de normatieve taken die krachtens de verschillende wetteksten betreffende de systemen die het Ageentschap operationeel beheert, uitsluitend worden vervuld door de Commissie, in voorkomend geval bijgestaan door een comité.
(8) Daarnaast moet het Agentschap taken in verband met opleidingen op het gebied van het technische gebruik van SIS II, VIS en EURODAC en andere grootschalige IT-systemen die het in de toekomst toevertrouwd krijgt, organiseren.
(9) Tevens zou het agentschap kunnen worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen ▌ ter uitvoering van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ("VWEU"). ▌ Het Agentschap moet uitsluitend middels vervolg- en afzonderlijke wettelijke instrumenten, en na de uitvoering van een effectbeoordeling, met dergelijke taken worden belast.
(9 bis) Het Agentschap moet ermee worden belast om, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 49, lid 6, onder a), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[9], de ontwikkelingen op onderzoeksgebied te volgen en proefprojecten uit te voeren met betrekking tot grootschalige IT-systemen die ter uitvoering van titel V van het VWEU, op welbepaald verzoek van de Commissie, worden opgezet. Bij de uitvoering van proefprojecten moet het Agentschap in het bijzonder aandacht schenken aan de strategie van de Europese Unie voor het beheer van rechtshandhavingsinformatie.
(10) Het feit dat een agentschap wordt belast met het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht doet geen afbreuk aan de specifieke regels die voor die systemen gelden. In het bijzonder de specifieke regels inzake het doel, de toegangsrechten, de beveiligingsmaatregelen en andere vereisten op het gebied van gegevensbescherming voor elk van de grootschalige IT-systemen waarvan het Agentschap het operationele beheer verzorgt, zijn ten volle van toepassing.
(11) De lidstaten en de Commissie moeten vertegenwoordigd zijn in een raad van bestuur zodat zij op effectieve wijze toezicht kunnen uitoefenen op het functioneren van het agentschap. Deze raad van bestuur moet beschikken over de noodzakelijke bevoegdheden, met name om het jaarlijks werkprogramma vast te stellen, zijn taken te vervullen met betrekking tot de begroting van het agentschap, de financiële regeling die van toepassing is op het agentschap vast te stellen, de uitvoerend directeur te benoemen en procedures vast te stellen voor het nemen van besluiten door de uitvoerend directeur in verband met de operationele taken van het agentschap.
(11 bis) Wat SIS II betreft, dienen de Europese Politiedienst (Europol) en Eurojust, die beide krachtens Besluit 2007/533/JBZ het recht op toegang tot en directe bevraging van SIS II hebben, de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot de toepassing van Besluit 2007/533/JBZ op de agenda staat. Europol en Eurojust dienen beide een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de SIS II-adviesgroep die bij artikel 16, lid 1, onder a) wordt ingesteld.
(11 ter) Wat het VIS betreft, dient Europol de status van waarnemer te krijgen op de vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk op de agenda staat met betrekking tot de toepassing van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten[10] Europol dient een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de adviesgroep VIS die bij artikel 16, lid 1, onder b), wordt ingesteld.
(11 quater) De lidstaten moeten in de raad van bestuur van het Agentschap stemgerechtigd zijn met betrekking tot een grootschalig IT-systeem, op voorwaarde dat zij gebonden zijn door een wettekst van de Unie betreffende de ontwikkeling, de instelling, de exploitatie en het gebruik van dat systeem. Denemarken moet eveneens stemrecht hebben met betrekking tot een bepaald grootschalig IT-systeem, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken zoals gevoegd bij het Verdrag betreffende Europese Unie ("VEU") en bij het VWEU beslist de wettekst betreffende de ontwikkeling, de instelling, de exploitatie en het gebruik van dat systeem in nationaal recht om te zetten.
(11 quinquies) De lidstaten moeten een lid in de adviesgroep betreffende een grootschalig IT-systeem benoemen, indien zij gebonden zijn door een wettekst van de Unie betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van dat systeem. Denemarken moet eveneens een lid in de adviesgroep betreffende een grootschalig IT-systeem benoemen, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken beslist de wettekst betreffende de ontwikkeling, de instelling, de exploitatie en het gebruik van dat systeem in nationaal recht om te zetten.
(12) Om de volledige autonomie en onafhankelijkheid van het agentschap te waarborgen, moet het agentschap de beschikking krijgen over een eigen begroting, die wordt betaald uit de algemene begroting van de Europese Unie. Over de financiering van het Agentschap moet overeenstemming worden bereikt door de begrotingsautoriteit, zoals bepaald in punt 47 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer. ▌De EU-begrotings- en kwijtingsprocedure moet van toepassing zijn. De Rekenkamer moet de rekeningen alsmede de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen controleren.
(13) Het agentschap dient samen te werken met andere agentschappen van de Europese Unie, binnen het kader van hun bevoegdheden, met name met agentschappen die zijn ingesteld op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en met name die welke zich bezighouden met de bescherming van de grondrechten. Het moet voorts, indien nodig, het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging raadplegen en de aanbevelingen van dit agentschap met betrekking tot netwerkbeveiliging opvolgen.
(14) Bij het verzorgen van de ontwikkeling en het operationele beheer van grootschalige IT-systemen moet het agentschap Europese en internationale normen toepassen en de strengste professionele vereisten in acht nemen, in het bijzonder de EU-strategie inzake informatiebeheer.
(15) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[11] is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het agentschap. In deze verordening wordt onder meer bepaald dat de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming de bevoegdheid heeft bij het agentschap alle informatie te verkrijgen die voor zijn onderzoeken noodzakelijk zijn. De Commissie heeft op grond van artikel 28 van Verordening (EG) nr. 45/2001 de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, die op 7 december 2009 advies heeft uitgebracht.
(16) Om een transparante werking van het agentschap te waarborgen, moet Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie[12] op het agentschap van toepassing zijn. De activiteiten van het agentschap zijn aan de controle van de Europese Ombudsman onderworpen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 228 van het VWEU.
(17) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)[13] moet van toepassing zijn op het agentschap, dat moet toetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)[14].
(17 bis) De lidstaat van vestiging dient de gunstigst mogelijke voorwaarden voor de goede werking van het agentschap te bieden, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.
(18) Teneinde open en transparante arbeidsvoorwaarden en gelijke behandeling van personeel te waarborgen, moeten zowel op het personeel als op de uitvoerend directeur van het agentschap het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna "het Statuut" genoemd) van toepassing zijn, met inbegrip van de voorschriften inzake het beroepsgeheim of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht.
(19) Het agentschap is een door de Unie opgericht orgaan in de zin van artikel 185, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 ▌ en dient zijn financiële voorschriften dienovereenkomstig toe te passen.
(20) Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[15] moet op het agentschap van toepassing zijn.
(21) Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de oprichting van een agentschap op Unieniveau dat belast is met het operationele beheer en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het VWEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(22) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn vervat in artikel 6, lid 2, van het VEU en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
(23) ▌ Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol Nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing op Denemarken. Aangezien deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II en het VIS, voortbouwt op het Schengenacquis ▌ , beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop zij is vastgesteld of het deze verordening in zijn nationale wetgeving zal omzetten. Overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin[16], stelt Denemarken de Commissie ervan in kennis of het de inhoud van deze verordening zal toepassen, voor zover zij betrekking heeft op Eurodac.
(24) Voor zover zijn bepalingen betrekking hebben op SIS II, zoals geregeld bij Besluit 2007/533/JBZ, neemt het Verenigd Koninkrijk aan deze verordening deel overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het Protocol (nr. 19) betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, welk protocol aan het VEU en het VWEU is gehecht, en artikel 8, lid 2, van Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis[17]. Voor zover zijn bepalingen betrekking hebben op SIS II als geregeld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en op het VIS, die een ontwikkeling vormen van bepalingen van het Schengenacquis waar het verenigd Koninkrijk niet aan deelneemt overeenkomstig Besluit 2000/365/EG, heeft het Verenigd Koninkrijk bij brief van 5 oktober 2010 de voorzitter van de Raad gevraagd deel te mogen nemen aan de aanneming van deze verordening, overeenkomstig artikel 4 van het Protocol inzake het Schengenacquis zoals geïntegreerd in het kader van de Europese Unie, welk aan het VEU en het VWEU is gehecht. Krachtens artikel 1 van Besluit 2010/779/EU van de Raad van 14 december 2010[18] betreffende dat verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, is het Verenigd Koninkrijk gemachtigd deel te nemen aan deze verordening. Voorts heeft het Verenigd Koninkrijk, voor zover zijn bepalingen betrekking hebben op de bepalingen van Eurodac, bij brief van 23 september 2009 de voorzitter van de Raad in kennis gesteld van zijn wens om deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening, overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht. ▌Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve deel aan de aanneming van deze verordening, die bindend is voor en van toepassing is in het Verenigd Koninkrijk.
(25) Voor zover deze verordening betrekking heeft op SIS II als geregeld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en op het VIS, houdt zij een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis[19]. Ierland heeft niet verzocht deel te mogen nemen aan de aanneming van deze verordening, overeenkomstig artikel 4 van het Protocol betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, welk protocol aan het VEU en het VWEU is gehecht. Derhalve neemt Ierland niet deel aan de aanneming van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland, voor zover de erin vervatte maatregelen een ontwikkeling inhouden van ▌het Schengenacquis die betrekking hebben op SIS II als geregeld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en op het VIS. Voor zover hij betrekking heeft de op de bepalingen van Eurodac neemt Ierland overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat aan het VEU en aan het VWEU is gehecht, niet deel aan de aanneming van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland. Aangezien het in deze omstandigheden niet mogelijk is de toepasselijkheid van de verordening in al haar onderdelen op Ierland te waarborgen, zoals wordt verlangd in artikel 288 VWEU, neemt Ierland niet deel aan de aanneming van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing in Ierland, onverminderd de rechten van Ierland krachtens de bovengenoemde protocollen.
(26) Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II en het VIS, een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis - in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis[20] - dat valt binnen het gebied dat is omschreven in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst[21]. Wat Eurodac betreft, is deze verordening een nieuwe maatregel in de zin van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de criteria en de mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat, in IJsland of in Noorwegen wordt ingediend. Bijgevolg dienen de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, indien zij besluiten deze verordening in nationaal recht om te zetten, vertegenwoordigd te zijn in de raad van bestuur van het agentschap ▌.. Tussen de Unie en deze twee landen moet een nadere regeling worden overeengekomen betreffende de voorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van het stemrecht, waaronder de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap.
(27) Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II en het VIS, een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis - in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis[22] - die vallen binnen het gebied dat is omschreven in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad[23]. ▌. Wat Eurodac betreft, is deze verordening een nieuwe maatregel in de zin van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend. Bijgevolg dient de Zwitserse Bondsstaat, indien hij besluit deze verordening in nationale wetgeving om te zetten, vertegenwoordigd te zijn in de raad van bestuur van het agentschap ▌. Tussen de Unie en de Zwitserse Bondsstaat moet een nadere regeling worden overeengekomen betreffende de voorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van het stemrecht, waaronder dit land deelneemt aan de werkzaamheden van het Agentschap.
(28) Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II en het VIS, een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis - in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis[24] - die vallen binnen het gebied dat is omschreven in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999, juncto artikel 3 van Besluit 2008/261/EG van de Raad[25]. Wat Eurodac betreft, is deze verordening een nieuwe maatregel als bedoeld in het Protocol tussen de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserse Bondsstaat inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend[26]. Bijgevolg dient het Vorstendom Liechtenstein vertegenwoordigd te zijn in de raad van bestuur van het agentschap ▌. Tussen de Unie en het Vorstendom Liechtenstein moet een nadere regeling worden overeengekomen betreffende de voorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van het stemrecht, waaronder dit land deelneemt aan de activiteiten van het agentschap.
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP
Artikel 1
Oprichting van het agentschap
1. Er wordt een Europees Agentschap ("het Agentschap") opgericht voor het operationele beheer van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), het Visuminformatiesysteem (VIS) en EURODAC (hierna "grootschalige IT-systemen").
2. Het Agentschap kan tevens worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, maar alleen indien daarin is voorzien in de desbetreffende wettekst, gebaseerd op titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), in voorkomend geval met inachtneming van de in artikel 5 van deze verordening bedoelde ontwikkelingen op onderzoeksgebied en de in artikel 6 van deze verordening bedoelde resultaten van proefprojecten.
3. Het operationeel beheer omvat alle taken die noodzakelijk zijn om de in lid 1 genoemde grootschalige IT-systemen te doen werken overeenkomstig de specifieke bepalingen die op elk van die grootschalige IT-systemen van toepassing zijn, met inbegrip van de verantwoordelijkheid voor de communicatie-infrastructuur welke door de grootschalige IT-systemen wordt gebruikt. Behoudens aldus bepaald in een speciale rechtsgrondslag, wisselen deze grootschalige IT-systemen geen gegevens uit, en/of maken zij het niet mogelijk dat informatie en kennis worden gedeeld.
Artikel 1 bis
Doelstellingen
Onverminderd de opdracht die bij de regelgeving betreffende de in artikel 1 bedoelde grootschalige IT-systemen respectievelijk aan de Commissie en aan de lidstaten is toebedeeld, zorgt het Agentschap ervoor dat:
a) de in artikel 1 bedoelde grootschalige IT-systemen op een effectieve, veilige en continue wijze worden geëxploiteerd;
b) zij onder doeltreffend en financieel controleerbaar beheer staan;
c) de dienstverlening aan de gebruikers van die grootschalige IT-systemen van voldoende hoge kwaliteit is;
d) continuïteit en ononderbroken dienstverlening;
e) een hoog niveau van gegevensbescherming wordt verzekerd, in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften, met name die welke elk van de in artikel 1 bedoelde grootschalige IT-systemen betreffen;
f) een passende mate van gegevensbeveiliging en materiële beveiliging wordt verzekerd, in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften, met name die welke elk van de in artikel 1 bedoelde grootschalige IT-systemen betreffen; en;
g) het project wordt voorzien van een adequate beheersstructuur, om de grootschalige IT-systemen efficiënt te kunnen ontwikkelen.
HOOFDSTUK II
TAKEN
Artikel 2
Taken in verband met SIS II
Het Agentschap verricht:
- de taken die bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ ▌aan de beheersautoriteit zijn opgedragen ▌;
- taken met betrekking tot opleiding, in het bijzonder van het SIRENE-personeel en van technisch deskundigen, in het technische gebruik van SIS II, in het kader van de Schengenevaluatie.
Artikel 3
Taken in verband met het VIS
Het Agentschap verricht:
- de taken die bij Verordening (EG) nr. 767/2008 en Besluit 2008/633/JBZ ▌aan de beheersautoriteit zijn opgedragen;
- ▌taken met betrekking tot opleiding in het technische gebruik van het VIS.
Artikel 4
Taken in verband met het EURODAC
Het Agentschap verricht:
- ▌de taken die bij Verordening (EG) nr. 2725/2000 en Verordening (EG) nr. 407/2002 aan de Commissie zijn opgedragen als de autoriteit die belast is met het operationele beheer van Eurodac;
- de volgende taken betreffende de communicatie-infrastructuur: toezicht, veiligheid en de coördinatie van de betrekkingen tussen de lidstaten en de dienstverlener;
- taken die verband houden met opleiding inzake het technische gebruik van EURODAC.
Artikel 4 bis
Taken in verband met de ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen
Indien het Agentschap belast is met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van andere dan de in artikel 1, lid 1, bedoelde grootschalige IT-systemen, verricht het Agentschap in voorkomend geval taken betreffende opleiding in het technische gebruik van die systemen.
Artikel 4 ter
Taken die verband houden met de gemeenschappelijke communicatie-infrastructuur
1. Het Agentschap verricht de taken die verband houden met de communicatie-infrastructuur waarmee de beheersautoriteit krachtens de wettelijke instrumenten inzake de ontwikkeling, instelling, werking en gebruik van de grootschalige IT-systemen is belast.
2. Overeenkomstig die wettelijke instrumenten worden de taken die verband houden met de communicatie-infrastructuur (inclusief het operationele beheer en veiligheid) verdeeld over het Agentschap en de Commissie. Teneinde te zorgen voor samenhang tussen de uitoefening van de respectieve taken van de Commissie en het agentschap maken zij operationele werkafspraken, die ze vastleggen in een Memorandum of Understanding.
3. De communicatie-infrastructuur wordt adequaat beheerd en gecontroleerd teneinde het tegen bedreigingen te beschermen en de veiligheid van de communicatie-infrastructuur en van de grootschalige IT-systemen, met inbegrip van de via deze systemen uitgewisselde gegevens, te waarborgen.
4. Er worden passende maatregelen getroffen, waaronder de vaststelling van veiligheidsplannen, en in het bijzonder passende versleutelingstechnieken, om te voorkomen dat bij de overdracht van persoonsgegevens of gedurende het transport van gegevensdragers de gegevens op onbevoegde wijze worden gelezen, gekopieerd, gewijzigd of verwijderd. Er wordt voor gezorgd dat systeemgerelateerde operationele informatie niet onversleuteld in de communicatie-infrastructuur terecht komt.
5. De taken met betrekking tot het operationele beheer van de communicatie-infrastructuur kunnen worden overgedragen aan externe privaatrechtelijke entiteiten of organen overeenkomstig de relevante bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. In dat geval is de exploitant van het netwerk gehouden aan de veiligheidsmaatregelen zoals bedoeld in lid 3 en heeft hij op geen enkele wijze toegang tot de operationele gegevens van VIS, EURODAC en SIS II, en de daaraan gerelateerde SIRENE-uitwisselingen.
6. Onverminderd de bestaande contracten op het netwerk van SIS II, VIS en Eurodac, blijft het beheer van de versleutelingscodes een verantwoordelijkheid van het Agentschap die niet aan externe privaatrechtelijke entiteiten kan worden overgedragen.
Artikel 5
Volgen van ontwikkelingen op onderzoeksgebied
1. Het Agentschap volgt de ontwikkelingen op onderzoeksgebied die van belang zijn voor het operationele beheer van SIS II, het VIS, Eurodac en andere grootschalige IT-systemen ▌.
2. Het Agentschap houdt het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en, ter zake van gegevensbescherming, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming op de hoogte van de in lid 1 bedoelde ontwikkelingen.
Artikel 6
Proefprojecten
1. Uitsluitend op specifiek en exact verzoek van de Commissie, die het Europees Parlement en de Raad ten minste drie maanden van tevoren heeft ingelicht, en nadat de raad van bestuur ertoe heeft besloten, kan het Agentschap overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder k), proefprojecten zoals bedoeld in artikel 49, lid 6, onder a) van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 uitvoeren ten behoeve van de ontwikkeling en/of het operationele beheer van grootschalige IT-systemen ter uitvoering van titel V van het VWEU. Het Europees Parlement, de Raad en, ter zake van gegevensbescherming, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming worden regelmatig op de hoogte gesteld van de ontwikkeling van deze proefprojecten.
2. Kredieten voor proefprojecten op verzoek van de Commissie mogen slechts voor twee achtereenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen.
HOOFDSTUK III
STRUCTUUR EN ORGANISATIE
Artikel 7
Juridische status
1. Het agentschap is een orgaan van de Unie en heeft rechtspersoonlijkheid.
2. Het Agentschap geniet in elk van de lidstaten de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die er bij de wet aan rechtspersonen wordt verleend. Het agentschap kan in het bijzonder roerende en onroerende zaken verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Het is ook bevoegd om overeenkomsten te sluiten betreffende de zetel van het Agentschap en de centra die overeenkomstig lid 4 worden gecreëerd met de lidstaten op het grondgebied waarvan de zetel en de technische en backupcentra zich bevinden (de lidstaten van ontvangst).
3. Het agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.
4. De zetel van het Agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht is Tallin in Estland.
De in de artikelen 1, lid 2, tot en met 4 ter bedoelde taken in verband met ontwikkeling en operationeel beheer worden verricht in Straatsburg, Frankrijk.
In Sankt Johann im Pongau, Oostenrijk, zal een back-upcentrum worden gevestigd dat zorgt voor het functioneren van een grootschalig IT-systeem in geval van falen van dat systeem, mits hierin wordt voorzien in het wetgevingsinstrument dat de ontwikkeling, de instelling en het gebruik van dat systeem regelt.
Artikel 8
Structuur
1. De administratieve en bestuurlijke structuur van het agentschap omvat:
(a) een raad van bestuur;
(b) een uitvoerend directeur;
(c) adviesgroepen.
2. De structuur van het Agentschap omvat voorts:
(a) een functionaris voor gegevensbescherming;
(b) een beveiligingsfunctionaris;
(c) een rekenplichtige.
Artikel 9
Bevoegdheden van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur ziet erop toe dat het Agentschap zijn taken vervult, en heeft daartoe de volgende taken:
(a) hij benoemt en ontslaat, in voorkomend geval, de uitvoerend directeur overeenkomstig artikel 15;
(b) hij oefent de tuchtrechtelijke bevoegdheid ten aanzien van de uitvoerend directeur uit, en houdt toezicht op diens ambtsuitoefening, met name op de uitvoering van de besluiten van de raad van bestuur;
(c) hij stelt, na overleg met de Commissie, de organisatiestructuur van het agentschap vast;
(d) hij stelt, na overleg met de Commissie, het reglement van orde van het agentschap vast;
▌
(f) (f) hij keurt de door de uitvoerend directeur te ondertekenen zetelovereenkomst en de overeenkomsten betreffende de overeenkomstig artikel 7, lid 4, op te richten technische en backupcentra met de lidstaten van vestiging goed, op voorstel van de uitvoerend directeur;
(g) hij stelt, in overleg met de Commissie, de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen vast als bedoeld in artikel 110 van het statuut;
(g bis) hij stelt de uitvoeringsmaatregelen voor het detacheren van nationale deskundigen bij het Agentschap vast;
(g ter) hij keurt op basis van een ontwerp dat de in artikel 14 bedoelde uitvoerend directeur na raadpleging van de in artikel 16 bedoelde adviesgroepen en na advies van de Commissie heeft voorgelegd, een meerjarig werkprogramma goed waarin wordt uitgegaan van de in hoofdstuk II genoemde taken. Het meerjarig werkprogramma omvat, onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Unie, een meerjarige begrotingsraming en voorafgaande evaluaties om de doelstellingen en de verschillende stadia van de meerjarenplanning te ordenen;
(h) hij stelt het meerjarig personeelsbeleidsplan en een ontwerp van jaarlijks werkprogramma vast en dient deze ieder jaar uiterlijk op 31 maart in bij de Commissie en de begrotingsautoriteit;
(i) ieder jaar vóór 30 september, na advies van de Commissie, met een meerderheid van drie vierde van de stemgerechtigde leden het werkprogramma van het Agentschap voor het komende jaar vast te stellen, in overeenstemming met de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Unie en met het wetgevingsprogramma van de Unie op de gebieden die onder titel V van het VWEU vallen; hij ziet er daarbij op toe dat het goedgekeurde werkprogramma bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt ingediend en wordt gepubliceerd;
(j) ieder jaar vóór 31 maart een verslag over de activiteiten van het Agentschap in het voorgaande jaar op te stellen, waarin met name de resultaten worden getoetst aan de doelstellingen van het werkprogramma, en het uiterlijk op 15 juni te doen toekomen aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie ▌ ; hij ziet erop toe dat dit jaarlijkse activiteitenverslag wordt gepubliceerd;
(k) zich overeenkomstig artikel 28, artikel 29, lid 6, en artikel 30 van deze verordening te kwijten van zijn taken met betrekking tot de begroting van het Agentschap, met name de uitvoering van de in artikel 6 bedoelde proefprojecten;
(l) hij stelt overeenkomstig artikel 30 van deze verordening de financiële regeling die van toepassing is op het agentschap vast;
(m) hij stelt een ▌ rekenplichtige aan die zijn ambt onafhankelijk uitoefent;
(m bis) hij geeft het nodige vervolg aan de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit de verschillende interne en externe audits en evaluaties;
(n) hij stelt de nodige beveiligingsmaatregelen vast - met name een beveiligingsplan en een bedrijfscontinuïteits- en uitwijkplan - waarin rekening wordt gehouden met de eventuele aanbevelingen van de veiligheidsdeskundigen in de adviesgroepen;
(n bis) hij stelt een beveiligingsfunctionaris aan;
(o) hij stelt in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 een ▌ functionaris voor gegevensbescherming aan;
(p) hij stelt binnen zes maanden na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt een praktische regeling vast voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1049/2001;
(q) hij keurt de verslagen goed over de technische werking van SIS II overeenkomstig artikel 50, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 66, lid 4, van Besluit 2007/533/JBZ, en over de technische werking van het VIS overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 767/2008 en artikel 17, lid 3, van Besluit 2008/633/JBZ ▌;
(q bis) hij stelt in overeenstemming met artikel 24, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2725/2000 het jaarverslag over de activiteiten van het centraal systeem van EURODAC vast;
(r) hij geeft commentaar op de auditrapporten die de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming opstelt overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 42, lid 2, van Verordening (EG) nr. 767/2008, en zorgt ervoor dat een passend vervolg aan de audits wordt gegeven;
(s) hij maakt statistieken over SIS II bekend overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 66, lid 3, van Besluit 2007/533/JBZ;
(s bis) hij stelt in overeenstemming met artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2725/2000 statistieken over het werk van het centraal systeem van EURODAC vast;
(t) hij ziet toe op de jaarlijkse publicatie van de lijst van bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn tot directe bevraging van de in SIS II opgenomen gegevens, overeenkomstig artikel 31, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 46, lid 8, van Besluit 2007/533/JBZ, en de lijst van N.SIS II-instanties en Sirene-bureaus bedoeld in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 7, lid 3, van Besluit 2007/533/JBZ;
(t bis) hij zorgt voor de jaarlijke publicatie van de lijst van in overeenstemming met artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2725/2000 aangewezen autoriteiten;
(u) hij verricht alle andere taken waarmee hij bij of krachtens deze verordening wordt belast.
2. De raad van bestuur kan de uitvoerend directeur adviseren over alle aangelegenheden die strikt betrekking hebben op de ontwikkeling of het operationele beheer van de grootschalige IT-systemen.
Artikel 10
Samenstelling van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur bestaat uit één vertegenwoordiger van elke lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie.
2. Iedere lidstaat en de Commissie benoemen elk, binnen twee maanden na de inwerkingtreding van deze verordening, de leden van de raad van bestuur en plaatsvervangers. Na het verstrijken van deze termijn roept de Commissie de raad van bestuur bijeen. De plaatsvervangers vertegenwoordigen het lid bij diens afwezigheid. ▌
3. De leden van de raad van bestuur worden benoemd op grond van het hoge niveau van hun ervaring en deskundigheid inzake grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, en van hun kennis van gegevensbescherming.
4. De leden van de raad van bestuur worden voor vier jaar benoemd. Hun ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd. Na afloop van hun ambtstermijn of bij aftreden blijven de leden in functie totdat in verlenging van hun ambtstermijn of in hun vervanging is voorzien.
5. De landen die betrokken worden bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-activiteiten participeren in het agentschap. Zij benoemen ieder een vertegenwoordiger en een plaatsvervanger in de raad van bestuur ▌ .
Artikel 11
Voorzitter van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter en een vicevoorzitter.
2. De ambtstermijn van de voorzitter bedraagt twee jaar en kan eenmaal worden verlengd. De ambtstermijn van de voorzitter verstrijkt eerder, indien zijn lidmaatschap van de raad van bestuur wordt beëindigd.
3. De voorzitter kan uitsluitend worden gekozen uit de leden die benoemd zijn door lidstaten die volledig gebonden zijn door de wetgeving van de Unie betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de exploitatie en het gebruik van alle door het Agentschap beheerde grootschalige systemen.
Artikel 12
Vergaderingen van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur komt bijeen:
(a) op initiatief van de voorzitter,
(b) op verzoek van ten minste een derde van de leden;
(c) op verzoek van de Commissie, of
(d) op verzoek van de uitvoerend directeur.
De raad van bestuur komt ten minste eenmaal per semester in gewone vergadering bijeen.
2. De uitvoerend directeur van het agentschap neemt aan de vergaderingen deel.
3. De leden van de raad van bestuur kunnen zich laten bijstaan door deskundigen die lid zijn van een van de adviesgroepen.
4. Europol en Eurojust nemen als waarnemer deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk inzake SIS II met betrekking tot de toepassing van Besluit 2007/533/JBZ ▌op de agenda staat. Europol krijgt tevens de status van waarnemer op de vergaderingen van de raad van bestuur van het agentschap, wanneer een vraagstuk inzake het VIS met betrekking tot de toepassing van Besluit 2008/633/JBZ ▌op de agenda staat.
5. De raad van bestuur kan andere personen wier mening van belang kan zijn, uitnodigen de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.
6. Het secretariaat van de raad van bestuur wordt verzorgd door het agentschap.
Artikel 13
Stemming
1. De raad van bestuur neemt zijn besluiten bij ▌meerderheid van al zijn stemgerechtigde leden, onverminderd het bepaalde in lid 4 van dit artikel en in artikel 9, lid 1, onder i), en artikel 15, lid 1.
2. Ieder lid van de raad van bestuur heeft één stem, onverminderd het bepaalde in lid 3.
3. Ieder lid dat is benoemd door een lidstaat die is gebonden door een wettekst van de Unie betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de exploitatie en het gebruik van een door het Agentschap beheerd grootschalig IT-systeem, kan zijn stem uitbrengen bij de behandeling van een vraagstuk dat betrekking heeft op dat grootschalige systeem. Denemarken heeft eveneens stemrecht met betrekking tot een grootschalig IT-systeem, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken beslist de wettekst betreffende de ontwikkeling, de instelling, de exploitatie en het gebruik van dat IT-systeem in nationaal recht om te zetten.
3 bis. Artikel 33 is van toepassing op de landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-activiteiten.
4. Indien de leden het oneens zijn over de vraag of een stemming al dan niet betrekking heeft op een bepaald grootschalig IT-systeem, kunnen zij bij tweederdemeerderheid beslissen dat dit niet het geval is.
5. De uitvoerend directeur van het agentschap neemt niet aan de stemming deel.
6. In het reglement van orde van het agentschap worden nadere bijzonderheden van de stemprocedure bepaald en in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de quorumvoorschriften, indien van toepassing.
Artikel 14
Taken en bevoegdheden van de uitvoerend directeur
1. Het agentschap wordt geleid en vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.
2. De uitvoerend directeur is onafhankelijk in de uitoefening van zijn taken. De uitvoerend directeur verlangt of aanvaardt geen instructies van een regering of van enige andere instantie, onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de raad van bestuur.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 9 draagt de uitvoerend directeur de volledige verantwoordelijkheid voor de taken waarmee het agentschap is belast en is hij onderworpen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure van het Europees Parlement voor de uitvoering van de begroting.
4. Het Europees Parlement of de Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken verslag uit te brengen over de wijze waarop hij zijn taken heeft uitgevoerd.
5. De uitvoerend directeur ▌:
(a) hij is belast met het dagelijks beheer van het agentschap;
(b) hij neemt alle maatregelen om de werking van het agentschap overeenkomstig deze verordening te waarborgen;
(c) hij is belast met de voorbereiding en uitvoering van door de raad van bestuur goedgekeurde procedures, besluiten, strategieën, programma’s en activiteiten, binnen de grenzen die in deze verordening, de uitvoeringsbepalingen ervan en andere toepasselijke wetgeving zijn vastgesteld;
(d) zorgt ervoor dat een effectief systeem voor regelmatige bewaking en evaluatie van de grootschalige IT-systemen - ook met behulp van statistische informatie - en van het Agentschap wordt opgezet en toegepast, mede uit het oogpunt van doeltreffende en doelmatige verwezenlijking van de doelstellingen van het Agentschap;
(e) hij neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur;
(f) hij oefent met betrekking tot het personeel van het agentschap de in artikel 17, lid 2, genoemde bevoegdheden uit en is verantwoordelijk voor personeelszaken;
(g) hij stelt geheimhoudingsvoorschriften vast teneinde te voldoen aan artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1987/2006, artikel 17 van Besluit 2007/533/JBZ en artikel 26, lid 9, van Verordening (EG) nr. 767/2008, en teneinde passende voorschriften inzake het beroepsgeheim of gelijkwaardige geheimhoudingsverplichtingen toe te passen op iedere persoon die met Eurodac-gegevens moet werken, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 17 van het statuut;
(h) hij onderhandelt over een zetelovereenkomst en overeenkomsten betreffende technische en backupcentra met de regeringen van de lidstaten van vestiging en ondertekent deze overeenkomst na goedkeuring ervan door de raad van bestuur.
6. De uitvoerend directeur legt in het bijzonder de volgende documenten aan de raad van bestuur ter goedkeuring voor:
(a) het jaarlijkse werkprogramma en het jaarlijkse activiteitenprogramma van het agentschap, na raadpleging van de adviesgroepen;
(b) de financiële regeling die van toepassing is op het agentschap;
(b bis) het meerjarig werkprogramma;
(c) de begroting voor het volgende jaar die wordt opgesteld middels budgettering op basis van activiteiten;
(d) het meerjarig personeelsbeleidsplan;
(e) de opdracht voor de in artikel 27 bedoelde evaluatie;
(f) de praktische regeling voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001;
(g) de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen, waaronder een beveiligingsplan, en een bedrijfscontinuïteits- en uitwijkplan;
(h) verslagen over de technische werking van elk van de in artikel 9, lid 1, onder q), bedoelde grootschalige IT-systemen en het jaarverslag over de activiteiten van de centrale eenheid van Eurodac zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onder q bis), op basis van de resultaten van monitoring en evaluatie;
(i) de jaarlijks te publiceren lijsten van bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn tot directe bevraging van de in SIS II opgenomen gegevens, met inbegrip van de lijst van N.SIS II-instanties en Sirene-bureaus, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder t) en de lijst van in artikel 9, lid 1, t bis) bedoelde autoriteiten.
7. De uitvoerend directeur verricht alle andere taken waarmee hij bij of krachtens deze verordening wordt belast.
Artikel 15
Benoeming van de uitvoerend directeur
1. De uitvoerend directeur van het Agentschap wordt door de raad van bestuur voor een periode van vijf jaar benoemd ▌ uit de kandidaten die na een door de Commissie georganiseerd algemeen vergelijkend onderzoek geschikt zijn bevonden. Deze selectieprocedure houdt in dat in het Publicatieblad van de Europese Unie en elders een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling wordt geplaatst. De raad van bestuur kan verlangen dat een nieuwe procedure wordt begonnen als hij geen van de kandidaten op de eerste lijst geschikt acht. De uitvoerend directeur wordt benoemd op basis van persoonlijke verdiensten, ervaring op het gebied van grootschalige IT-systemen, capaciteiten inzake bestuur, financiën en beheer, en kennis van gegevensbescherming. De raad van bestuur besluit bij tweederdemeerderheid van de stemgerechtigde leden.
2. Vóór de benoeming wordt de door de raad van bestuur gekozen kandidaat verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden. Nadat deze verklaring is afgelegd, kan het Europees Parlement bij advies een oordeel over de geselecteerde kandidaat uitspreken. De raad van bestuur laat het Europees Parlement weten hoe met het advies rekening is gehouden. Zolang de kandidaat niet is benoemd, geldt het advies als persoonlijk en vertrouwelijk.
3. Tijdens de negen maanden die aan het verstrijken van de termijn van vijf jaar voorafgaan, verricht de raad van bestuur, na intensieve raadpleging van de Commissie, een evaluatie. De raad van bestuur beoordeelt in het bijzonder de tijdens de eerste ambtstermijn geleverde prestaties, en de wijze waarop de prestaties zijn geleverd. ▌
4. De raad van bestuur kan ▌, rekening houdend met het evaluatieverslag, de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal met ten hoogste drie jaar verlengen, doch alleen indien de taken en verplichtingen van het Agentschap zulks kunnen rechtvaardigen.
5. De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. In de maand die voorafgaat aan de verlenging van zijn ambtstermijn wordt de uitvoerend directeur verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.
6. De uitvoerend directeur is voor zijn activiteiten verantwoording schuldig aan de raad van bestuur.
7. De uitvoerend directeur kan door de raad van bestuur van zijn functie worden ontheven. De raad van bestuur besluit bij tweederdemeerderheid van de stemgerechtigde leden.
Artikel 16
Adviesgroepen
1. De volgende adviesgroepen verstrekken de raad van bestuur expertise inzake de respectieve grootschalige IT-systemen, met name bij de opstelling van het jaarlijkse werkprogramma en van het jaarlijkse activiteitenverslag:
(a) een SIS II-adviesgroep;
(b) een VIS-adviesgroep;
(c) een Eurodac-adviesgroep;
(d) elke andere adviesgroep betreffende een grootschalig IT-systeem, indien daarin is voorzien in de toepasselijke wettekst betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de exploitatie en het gebruik van dat systeem.
2. De verschillende lidstaten die zijn gebonden door een wettekst van de Unie betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de exploitatie en het gebruik van een bepaald grootschalig IT-systeem, alsook de Commissie, benoemen elk een lid van de desbetreffende adviesgroep, voor een verlengbare termijn van drie jaar.
Denemarken benoemt eveneens een lid van de adviesgroep met betrekking tot een grootschalig IT-systeem, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken beslist de wettekst betreffende de ontwikkeling, de instelling, de exploitatie en het gebruik van dat systeem in nationaal recht om te zetten.
Ieder land dat in het kader van een bepaald systeem bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, de EURODAC-maatregelen en de maatregelen betreffende andere grootschalige IT-systemen is betrokken, benoemt een lid van de desbetreffende adviesgroep.
3. Europol en Eurojust mogen beide een vertegenwoordiger benoemen in de SIS II-adviesgroep. Europol mag een vertegenwoordiger benoemen in de VIS-adviesgroep.
4. De leden van de raad van bestuur mogen geen lid zijn van een adviesgroep. De uitvoerend directeur van het agentschap of zijn vertegenwoordiger kan alle vergaderingen van de adviesgroepen als waarnemer bijwonen.
5. De procedures voor de werking van en de samenwerking tussen de adviesgroepen worden vastgelegd in het reglement van orde van het agentschap.
6. Bij het opstellen van een advies streeft elke adviesgroep zo veel mogelijk naar consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, bestaat het advies uit het standpunt van de meerderheid van de leden, met een motivering. Minderheidsstandpunten, met inbegrip van motiveringen, worden eveneens gepubliceerd. Article 13(3) en artikel 13, lid 3 bis, zijn van overeenkomstige toepassing. De leden die landen vertegenwoordigen welke zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de EURODAC-activiteiten, mogen hun mening kenbaar maken over onderwerpen ten aanzien waarvan zij niet stemgerechtigd zijn.
7. Iedere lidstaat en ieder land dat betrokken wordt bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-activiteiten faciliteert de werkzaamheden van de adviesgroepen.
8. Ten aanzien van het voorzitterschap van de adviesgroepen is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK IV
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 17
Personeel
1. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie ("het Ambtenarenstatuut") en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie ("de Regeling"), die zijn vervat in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad ("het Statuut"), alsmede de regels die de instellingen van de Unie gezamenlijk ter uitvoering van het Statuut hebben vastgesteld, zijn van toepassing op de personeelsleden en op de uitvoerend directeur van het Agentschap.
1 bis. Voor de toepassing van het Statuut geldt het Agentschap als een orgaan in de zin van artikel 1 bis, lid 2, van het Ambtenarenstatuut.
2. Het Agentschap oefent met betrekking tot zijn personeelsleden de bevoegdheden uit die het Ambtenarenstatuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag en die de Regeling toekent aan het gezagsorgaan dat bevoegd is om overeenkomsten te sluiten.
2 bis. Het personeel van het Agentschap bestaat uit ambtenaren, tijdelijke functionarissen en/of arbeidscontractanten. Voor zover een arbeidsovereenkomst die de uitvoerend directeur wenst te verlengen, volgens de Regeling een overeenkomst van onbepaalde duur wordt, verleent de raad van bestuur jaarlijks toestemming.
2 ter. Het Agentschap werft geen tijdelijk personeel aan voor bijzonder gevoelige financiële taken.
2 quater. De Commissie en de lidstaten kunnen ambtenaren of nationale deskundigen voor een bepaalde duur bij het Agentschap detacheren. De raad van bestuur stelt de uitvoeringsmaatregelen daartoe vast, rekening houdend met het meerjarige personeelsbeleidsplan.
3. Onverminderd artikel 17 van het Ambtenarenstatuut, past het Agentschap de nodige voorschriften inzake het beroepsgeheim, of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht toe.
4. De raad van bestuur stelt, in overeenstemming met de Commissie, de in artikel 110 van het Ambtenarenstatuut bedoelde uitvoeringsbepalingen vast.
Artikel 18
Algemeen belang
De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de leden van de adviesgroepen verbinden zich ertoe in het openbaar belang te handelen. Zij leggen daartoe jaarlijks een schriftelijke verklaring af, die openbaar wordt gemaakt.
De lijst van de leden van de raad van bestuur wordt bekendgemaakt op de internetsite van het agentschap.
Artikel 19
Zetelovereenkomst en overeenkomsten betreffende de technische en backupcentra
De regeling betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaten van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaten moet treffen, alsmede de bijzondere regels die in de lidstaten van vestiging van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, en de personeelsleden van het Agenschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in zetelovereenkomsten en de overeenkomsten betreffende de technische en backupcentra tussen het Agentschap en de lidstaten van vestiging, die worden gesloten nadat zij door de raad van bestuur zijn goedgekeurd. ▌
Artikel 20
Voorrechten en immuniteiten
Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is op het agentschap van toepassing.
Artikel 21
Aansprakelijkheid
1. De contractuele aansprakelijkheid van het agentschap wordt beheerst door het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is.
2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens arbitrageclausules in door het agentschap gesloten overeenkomsten.
3. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.
4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft rechtsmacht voor geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.
5. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden van het agentschap ten opzichte van het agentschap wordt geregeld bij de bepalingen van het statuut.
Artikel 22
Taalregeling
1. Op het agentschap is Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap[27] van toepassing.
2. Onverminderd hetgeen op grond van artikel 342 van het VWEU wordt besloten, worden het jaarlijkse werkprogramma en het jaarlijkse activiteitenverslag, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder i) en j), in alle officiële talen van de instellingen van de Unie opgesteld.
3. De vertalingen ten behoeve van het Agentschap worden gemaakt door het Vertaalbureau voor de organen van de ▌ Unie.
▌
Artikel 23
Toegang tot documenten
1. Uiterlijk zes maanden na de in artikel 34, lid 2, bepaalde datum, stelt de raad van bestuur, op voorstel van de uitvoerend directeur, regels vast betreffende de toegang tot documenten van het Ageentschap, met inachtneming van Verordening (EG) nr. 1049/2001[28].
▌
3. Tegen de beslissingen die het Agentschap op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 neemt, kan een klacht worden ingediend bij de Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie ▌, volgens de respectievelijk in de artikelen 228 en 263 van het VWEU bepaalde voorwaarden.
Artikel 24
informatie en communicatie
1. Het Agentschap voert, op eigen initiatief, binnen het kader van zijn mandaat een communicatiebeleid dat beantwoordt aan de regelgeving betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de exploitatie en het gebruik van de in artikel 1 bedoelde grootschalige IT systemen. Het draagt er met name zorg voor dat het publiek en alle belanghebbenden, in aanvulling op de in artikel 9, lid 1, onder i), j), s) en t), in artikel 27, lid 3, en in artikel 29, lid 8, genoemde publicaties, snel objectieve, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werkzaamheden ontvangen.
2. De raad van beheer stelt de praktische regelingen voor de toepassing van lid 1 vast.
Artikel 25
Gegevensbescherming
1. Onverminderd de gegevensbeschermingsvoorschriften die zijn vervat in de regelgeving betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de exploitatie en het gebruik van de grootschalige IT-systemen, is de door het Agentschap overeenkomstig deze verordening verwerkte informatie onderworpen aan het bepaalde in Verordening (EG) nr. 45/2001.
2. De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing door het Agentschap van Verordening (EG) nr. 45/2001, in het bijzonder afdeling 8 betreffende de functionaris voor gegevensbescherming ▌.
Artikel 26
Veiligheidsvoorschriften betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens en niet‑gerubriceerde gevoelige gegevens
1. Het agentschap past de veiligheidsbeginselen toe van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde[29]. Dit geldt onder meer voor de bepalingen betreffende de uitwisseling, de verwerking en de opslag van gerubriceerde gegevens, met inbegrip van de maatregelen inzake materiële beveiliging.
2. Het Agentschap past tevens de beveiligingsbeginselen betreffende de behandeling van niet-gerubriceerde gevoelige gegevens toe, zoals deze door de ▌ Commissie zijn vastgesteld en ten uitvoer worden gelegd.
2 bis. De raad van bestuur bepaalt, in overeenstemming met artikel 1 bis en artikel 9, lid 1, onder n), de interne organisatie van het Agentschap die nodig is om aan de toepasselijke beveiligingsbeginselen te voldoen.
Artikel 26 bis
Beveiliging van het Agentschap
1. Het Agentschap moet de veiligheid en de orde handhaven in de gebouwen en lokalen en op de terreinen die het gebruikt. Het Agentschap past de beveiligingsbeginselen en de toepasselijke bepalingen van de regelgeving betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de exploitatie en het gebruik van de in lid 1 bedoelde grootschalige IT-systemen toe.
2. De lidstaten van vestiging treffen alle effectieve en passende maatregelen om de orde en de veiligheid in de onmiddellijke omgeving van de door het Agentschap gebruikte gebouwen, lokalen en terreinen te handhaven, en bieden het Agentschap, in overeenstemming met de toepasselijke zetelovereenkomsten, de nodige bescherming, met dien verstande dat zij de vrije toegang van de door het Agentschap gemachtigde personen tot de gebouwen, lokalen en terreinen moeten waarborgen.
Artikel 27
Evaluatie
1. Binnen drie jaar na de datum waarop de opdracht van het Agentschap een aanvang neemt, en vervolgens om de vier jaar, verricht de Commissie, in nauw overleg met de raad van bestuur, een evaluatie van de werking van het Agentschap. Daarbij wordt onderzocht hoe en in welke mate het Agentschap daadwerkelijk bijdraagt aan het operationele beheer van de grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, en zijn taken overeenkomstig deze verordening uitvoert, De evaluatie betreft voorts de rol van het Agentschap in het kader van een Uniestrategie die erop gericht is de komende jaren op het niveau van de Unie een gecoördineerde, kostenefficiënte en coherente IT-omgeving tot stand te brengen.
2. Op basis van de evaluatie doet de Commissie, na raadpleging van de raad van bestuur, aanbevelingen voor wijzigingen in deze verordening, mede om ze nader af te stemmen op de in lid 1 bedoelde strategie. De Commissie doet de aanbevelingen, vergezeld van het advies van de raad van bestuur en van passende voorstellen, aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming toekomen.
▌
HOOFDSTUK V
FINANCIËLE BEPALINGEN
Artikel 28
Begroting
1. De ontvangsten van het agentschap bestaan, andere inkomsten buiten beschouwing gelaten, uit:
(a) een subsidie van de Unie uit de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie);
(b) een bijdrage van de landen die betrokken worden bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen;
(c) eventuele financiële bijdragen van de lidstaten.
2. De uitgaven van het agentschap omvatten onder meer de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur, de huishoudelijke kosten en de uitgaven uit hoofde van de door het agentschap gesloten contracten. De uitvoerend directeur stelt jaarlijks, rekening houdend met de door het Agentschap verrichte werkzaamheden, een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, die hij tezamen met het ontwerp voor de personeelsformatie aan de raad van bestuur toezendt.
3. De ontvangsten en uitgaven van het agentschap moeten in evenwicht zijn.
4. De raad van bestuur stelt jaarlijks, op basis van een ontwerp van de uitvoerend directeur, een ontwerpraming van de inkomsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende begrotingsjaar vast.
5. De raad van bestuur verstrekt de Commissie en de landen die betrokken worden bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-activiteiten jaarlijks uiterlijk op 10 februari de ontwerpraming van de inkomsten en uitgaven van het agentschap en de algemene motivering hiervan, en uiterlijk op 31 maart de definitieve raming.
6. De raad van bestuur verstrekt de Commissie en de begrotingsautoriteit jaarlijks uiterlijk op 31 maart:
(a) het ontwerp van het jaarlijks werkprogramma;
(b) een bijgewerkte meerjarige personeelsplanning, die volgens de richtsnoeren van de Commissie opgesteld moet zijn;
(c) informatie omtrent het aantal ambtenaren, tijdelijke medewerkers, arbeidscontractanten voor de jaren n − 1 en n, alsook een raming voor het jaar n + 1;
(d) informatie omtrent de bijdragen in natura die de lidstaten van vestiging aan het agentschap verstrekt;
(e) een raming van het saldo van de resultatenrekening voor het jaar n − 1.
7. De raming wordt, samen met het voorontwerp van algemene begroting van de ▌Unie, door de Commissie bij ▌de begrotingsautoriteit ingediend.
8. Op basis van de raming neemt de Commissie de bedragen die zij met betrekking tot de personeelsformatie nodig acht, alsmede het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting, op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 314 van het VWEU aan de begrotingsautoriteit voorlegt.
9. De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan het agentschap goed. De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het agentschap vast.
10. De begroting van het agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast.
11. Voor elke wijziging van de begroting, met inbegrip van de personeelsformatie, wordt dezelfde procedure gevolgd.
12. De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van de begroting kunnen hebben, met name projecten betreffende onroerend goed, zoals de huur of aankoop van gebouwen. De raad van bestuur brengt de Commissie en de landen die betrokken worden bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen daarvan op de hoogte. Als een tak van de begrotingsautoriteit advies wil uitbrengen, stelt deze het agentschap binnen twee weken na ontvangst van de informatie over het project in kennis van zijn voornemen om een dergelijk advies uit te brengen. Indien het agentschap geen antwoord ontvangt, kan het doorgaan met zijn plannen.
Artikel 29
Uitvoering van de begroting
1. De begroting van het agentschap wordt uitgevoerd door de uitvoerend directeur.
2. Het agentschap verstrekt de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures.
3. Uiterlijk op 1 maart van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar zendt de rekenplichtige van het agentschap de voorlopige rekeningen met een verslag over het begrotings- en financieel beheer van het begrotingsjaar toe aan de rekenplichtige van de Commissie en de Rekenkamer. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.
4. De rekenplichtige van het Agentschap zendt het verslag over het begrotings- en financieel beheer, uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar, tevens aan de begrotingsautoriteit toe.
5. Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het agentschap overeenkomstig artikel 129 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 stelt de uitvoerend directeur onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het agentschap op en legt hij deze voor advies aan de raad van bestuur voor.
6. De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het agentschap.
7. Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar doet de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen, vergezeld van het advies van de raad van bestuur, toekomen aan de begrotingsautoriteit, de rekenplichtige van de Commissie, de Rekenkamer, ▌ alsmede de landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de EURODAC-maatregelen.
8. De definitieve rekeningen worden bekendgemaakt.
9. De uitvoerend directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 30 september een antwoord op haar opmerkingen. Hij doet dit antwoord ook toekomen aan de raad van bestuur.
10. Overeenkomstig artikel 146, lid 3, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 verstrekt de uitvoerend directeur het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.
11. Vóór 15 mei van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n.
Artikel 30
Financiële regeling
De financiële regeling die van toepassing is op het agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regeling mag slechts afwijken van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie, indien de specifieke vereisten van de werking van het Agentschap dit noodzakelijk maken en mits de Commissie hiermee voorafgaandelijk heeft ingestemd.
Artikel 31
Fraudebestrijding
1. Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale handelingen is Verordening (EG) nr. 1073/1999 onverminderd van toepassing.
2. Het agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel akkoord betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt onverwijld de dienovereenkomstige voorschriften vast, die op alle medewerkers van het agentschap van toepassing zijn.
3. In de financieringsbesluiten en de uitvoeringsovereenkomsten en -instrumenten die uit die besluiten voortvloeien, wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Rekenkamer en OLAF, indien nodig, bij de begunstigden van de middelen van het agentschap en bij de tussenpersonen die deze middelen verdelen, tot controle ter plaatse kunnen overgaan.
HOOFDSTUK VI
SLOTBEPALINGEN
Artikel 32
Voorbereidende maatregelen
1. De Commissie is verantwoordelijk voor het opzetten en de initiële werkzaamheden van het agentschap totdat dit voldoende operationele capaciteit heeft om zijn eigen begroting uit te voeren.
2. Met dit doel kan de Commissie, in afwachting dat de uitvoerend directeur zijn taak aanvat na overeenkomstig artikel 15 door de raad van bestuur te zijn benoemd, een beperkt aantal ambtenaren aanwijzen, van wie er één ad interim de functie van uitvoerend directeur zal vervullen. De uitvoerend directeur ad interim kan pas worden aangewezen nadat de raad van bestuur overeenkomstig artikel 10, lid 2, is samengeroepen.
Indien de uitvoerend directeur zich niet houdt aan de in deze verordening vastgestelde verplichtingen, kan de raad van bestuur de Commissie verzoeken een nieuwe uitvoerend directeur ad interim aan te wijzen.
3. De uitvoerend directeur ad interim mag alle betalingen goedkeuren die worden gedekt door de kredieten van de begroting van het agentschap, na goedkeuring door de raad van bestuur, en mag contracten sluiten, met inbegrip van personeelscontracten, na goedkeuring van de personeelsformatie van het agentschap. Indien daar redenen voor zijn, kan de raad van bestuur de bevoegdheden van de uitvoerend directeur ad interim beperken.
Artikel 33
Deelname van landen die betrokken worden bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen
Regelingen waarbij onder meer de aard en de omvang van en de nadere regels voor de deelname van de landen die betrokken worden bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen aan de werkzaamheden van het agentschap, met inbegrip van bepalingen ten aanzien van de financiële bijdragen, ▌het personeel en de stemrechten, worden getroffen krachtens de desbetreffende bepalingen van de overeenkomsten waarbij deze landen bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen worden betrokken.
Artikel 34
Inwerkingtreding en toepassing
1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Het agentschap vangt zijn werkzaamheden, zoals omschreven in de artikelen 2 tot en met 6, aan op […][30].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Done at,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
Gemeenschappelijke ontwerpverklaring van het Europees Parlement en de Raad
Het Europees Parlement en de Raad onderkennen de bijzondere omstandigheden die aan de specifieke regeling met betrekking tot de zetel en de centra van het Agentschap ten grondslag liggen, alsook het feit dat deze regeling de conclusies van de vertegenwoordigers van de lidstaten die op 13 december 2003[31] op het niveau van staatshoofden of regeringsleiders in Brussel bijeenkwamen onverlet laat, met name wat betreft de prioriteit die bij de toewijzing van zetels of kantoren van in de toekomst op te richten agentschappen moet worden toegekend aan de lidstaten die in 2004 en 2007 tot de EU zijn toegetreden.
- [1] PB C 70 van 19.3.2010, blz. 13.
- [2] Standpunt van het Europees Parlement van xxx.
- [3] PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4.
- [4] PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63.
- [5] PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5.
- [6] PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60.
- [7] PB L 316 van 15.12.2000, blz. 1.
- [8] PB L 62 van 5.3.2002, blz. 1.
- [9] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
- [10] PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129.
- [11] PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
- [12] PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
- [13] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.
- [14] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
- [15] PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
- [16] PB L 66 van 8.3.2006, blz. 38.
- [17] PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43.
- [18] PB L 333 van 17.12.2010, blz. 58.
- [19] PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20.
- [20] PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
- [21] PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.
- [22] PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
- [23] PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1.
- [24] PB … Gelieve PB-gegevens van het Protocol in doc. ST 16462/06 invoegen.
- [25] PB L 83 van 26.3.2008, blz. 3.
- [26] PB …
- [27] PB 17 van 6.10.1958, blz. 385.
- [28] PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
- [29] PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1.
- [30] PB: Gelieve de datum op te nemen die correspondeert met de eerste dag van de maand die volgt op de periode van één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
- [31] Zie doc. 5381/04, blz. 27.
TOELICHTING
Achtergrond
De Europese Commissie heeft in juni 2009 twee wetgevende initiatieven voorgelegd om een agentschap op te richten dat met het beheer van de grote informatiesystemen in de ruimte van vrijheid, veiligheid en gerechtigheid belast wordt. Het gaat om een voorstel van verordening op de onderdelen van de systemen SIS, VIS en Eurodac die onder de 1ste pijler vallen, en een voorstel van besluit voor de onderdelen van dezelfde systemen die onder de 3de pijler vallen.
Maar met het van kracht worden van het verdrag van Lissabon hebben die initiatieven hun betekenis verloren. De Europese Commissie heeft daarom op 19 maart ll. een nieuw voorstel ingediend, dat in wezen een herziene versie van het vroeger voorstel van verordening vormt, waar nu ook de aspecten in opgenomen zijn die met de 3de pijler te maken hebben.
Hoezeer ook met het van kracht worden van het verdrag van Lissabon het onderscheid tussen de pijlers vervaagd is, het voorstel dat nu in bespreking is, geeft een goed idee van de flexibiliteit die in verschillende aspecten van de ruimte van vrijheid, veiligheid en gerechtigheid in het algemeen, en meer in het bijzonder het gebied van Schengen vast te stellen is. Het algemeen raamwerk van de verschillende systemen waarvan het agentschap het beheer op zich neemt, geldt voor een heterogene groep lidstaten die er op uiteenlopende wijzen aan deelnemen (voor wat het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken betreft), en verschillende geassocieerde derde landen (Noorwegen, Ijsland, Zwitserland, en later ook Liechtenstein).
Voor het SIS II-systeem nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet aan de vroegere 1ste pijler deel (verordening EG nr. 1987/2006), maar alleen aan de 3de (besluit 2007/533/JBZ van de Raad). Denemarken verleent zijn medewerking, Noorwegen en Ijsland zijn geassocieerd, in de toekomst ook Liechtenstein.
Voor VIS is er geen deelname van het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Denemarken neemt eraan deel. Noorwegen, Ijsland en Zwitserland zijn geassocieerd, en in de toekomst ook Liechtenstein.
Eurodac kan op de medewerking van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken rekenen. Het Verenigd Koninkrijk heeft de Raad al zijn wens te kennen gegeven om aan de Eurodac-onderdelen van het agentschap deel te nemen, Ierland nog niet. Noorwegen, Ijsland en Zwitserland zijn geassocieerd, in de toekomst ook Liechtenstein.
In de 3 systemen die het agentschap onder zijn beheer heeft, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland alleen gedeeltelijk aan SIS-II deel, niet aan VIS, en voor de Eurodac-onderdelen werkt alleen het Verenigd Koninkrijk met het agentschap mee.
Dat werpt de volgende vragen op:
– In hoever hebben de lidstaten die niet aan alle systemen deelnemen, het recht om in de aanneming van het wetgevend initiatief tot oprichting van het agentschap mee te spreken?
– In hoever zijn die lidstaten door de verordening gebonden?
Het voorstel van de Europese Commissie is niet zonder meer duidelijk. Van de ene kant beschouwt ze het voorstel als berustend op de verworvenheden van Schengen, van de andere kant gaan overweging 24 en 25 van deelname van het Verenigd Koninkrijk aan elk van de 3 systemen uit. Het voorstel lijkt te willen vastleggen in hoever die lidstaten aan de aanneming kunnen deelnemen en in hoever de aangenomen tekst op hun van toepassing is. Maar voor het Verenigd Koninkrijk stelt overweging 24 alleen maar op een onduidelijke manier dat het aan de besluitvorming deelneemt en voor de materies die niet tot de vroegere 1ste pijler van SIS-II en VIS behoren, onder het besluit valt. Overweging 25 bevat een gelijkaardige verklaring voor Ierland.
De juridische dienst van het Europees Parlement herinnert in zijn advies van 7 juni ll. aan de uitspraak van 18 september 2009 van het Europees hof van justitie in de zaak Verenigd Koninkrijk vs. Raad (zaak C‑77/05 over de aanneming van verordening (EG) nr. 2007/2004 - de Frontex-verordening). Het hof van justitie stelt dat het Verenigd Koninkrijk weliswaar formeel gevraagd heeft om aan de aanneming van de verordening deel te nemen, maar niet toegelaten moet worden, omdat het zich door dat deel van de verworvenheden van Schengen niet wil laten binden. Er is bij het hof van justitie nog wel een andere gelijkaardige zaak in behandeling (over de aanneming van besluit 2008/633/JBZ van de Raad over het VIS-systeem).
In de zienswijze van de juridische dienst zijn overweging 24 en 25 van het voorstel van de Europese Commissie niet voldoende om de aanneming van de verordening op een doorzichtige manier en in overeenstemming met de jurisprudentie van het hof van justitie te laten plaatsvinden. Bovendien zou de juridische weerslag van het besluit op het Verenigd Koninkrijk en Ierland onmogelijk vast te stellen zijn, zodat er een toestand van rechtsonzekerheid ontstaat, die in strijd met de rechtsprinciepen van de Europese unie is.[1]
Het Europees Parlement en de Raad zijn als gezamenlijke wetgevers ernstig de alternatieven aan het overwegen die hun juridische diensten aanraden:
1ste optie : het voorstel van de Europese Commissie verwerpen en haar vragen om het door meerdere initiatieven te vervangen (bvb een verordening tot oprichting van het agentschap, en verschillende juridische instrumenten die het bevoegdheden verlenen en het beheer van elk van de systemen vastleggen ; de deelname van elke lidstaat in de besluitvorming zou van zijn medewerking aan het betreffend systeem afhankelijk zijn)
2de optie : het voorstel in die zin wijzigen dat het duidelijk maakt in hoever elke lidstaat stemrecht in het agentschap heeft. Parallel daarmee zou er op aanvraag van het Verenigd Koninkrijk en Ierland een besluit aangenomen kunnen worden dat hun het recht geeft om de verordening tot oprichting van het agentschap naderhand nog te onderschrijven.
3de optie: het voorstel splitsen, zodat de VIS-onderdelen het onderwerp van een ander juridisch instrument worden (omdat VIS het enige van de 3 systemen is waar noch Ierland noch het Verenigd Koninkrijk op ook maar enige manier aan deelnemen).
Het voorstel van de Europese Commissie
Bij de aanneming van de wetgevende instrumenten voor SIS II en VIS hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Commissie de nodige wetgevende initiatieven gevraagd om een dienst op te richten die met het beheer van de systemen belast zou worden.
De Europese Commissie heeft met een effectbeoordelingstudie naar de beste oplossing in financieel, operationeel en institutioneel opzicht gezocht.
Zienswijze van de rapporteur
Als rapporteur beschouw ik de oprichting van een Europees agentschap als de beste van de verschillende mogelijkheden die uit de studie van de Europese Commissie naar voren komen.
1. Waarom is er een nieuw agentschap nodig?
Er is klaarblijkelijk geen andere mogelijkheid. Met de problemen die de laatste jaren bij de uitbouw van de systemen blijven aanslepen, is het niet te verdedigen om de bevoegdheid bij de Europese Commissie te leggen. Bovendien heeft de Europese Commissie zelf meerdere keren in herinnering gebracht dat haar beheer van het Eurodac-systeem alleen maar een tijdelijke oplossing is en dat ze ervan uitgaat dat ze niet in de mogelijkheid verkeert om directe verantwoordelijkheid voor het beheer van omvangrijke elektronische gegevensbestanden op zich te nemen.
Waarom is de oprichting van een uitvoerend agentschap geen oplossing ? Omdat de wetgever dan geen gelegenheid krijgt om de vorm van dat agentschap naar zijn inzicht te bepalen en er zijn democratisch toezicht op uit te oefenen. De uitvoerende agentschappen worden door de Europese Commissie uitsluitend onder haar eigen toezicht en verantwoordelijkheid opgericht. Het is de Europese Commissie die hun mandaat vastlegt en hun bestuursorganen benoemt, ook de leidende ambtenaar. Een uitvoerend agentschap wordt voor een beperkte duur opgericht en zou dus ook maar een tijdelijke oplossing betekenen.
2. Uitbreiding van het agentschap tot andere systemen
Als rapporteur vind ik het van fundamenteel belang om duidelijk te stellen dat uitbreiding van het agentschap tot nieuwe systemen die nog opgericht zouden worden, alleen aan de hand van overeenkomstige wetgevende instrumenten mogelijk is.
3. Doelstellingen en opdrachten van het agentschap verduidelijken
Het moet duidelijk zijn dat de doelstellingen en opdrachten van het agentschap alleen van technische aard zijn en met het operationeel beheer te maken hebben. Het agentschap mag niet bevoegd zijn om politieke besluiten te treffen, en bijv. tot oprichting van nieuwe systemen over te gaan of voor interoperabiliteit tussen de verschillende systemen te zorgen.
4. Pilootprojecten
Voorzichtigheid lijkt te gebieden om regels op te stellen die feitelijke uitbreiding van de bevoegdheden van het agentschap door een onoverzichtelijke woekering van pilootprojecten zonder toezicht voorkomen.
5. Vestigingsplaats
Er zijn 2 kandidaten die het agentschap op hun grondgebied willen ontvangen : Estland en Frankrijk. Als rapporteur meen ik nu geen vestigingsplaats te moeten voorstellen, aangezien het Europees Parlement samen met de Raad bevoegd is om het besluit in kwestie te nemen.
Het lijkt me wel geboden dat het Europees Parlement een aantal criteria vastlegt die voor een degelijk besluit in acht te nemen zijn:
– het is beter dat er één daadwerkelijke vestigingsplaats is (en niet een gedecentraliseerd model), om budgettaire en veiligheidsredenen (het lijkt me geen goed idee om infrastructuur en personele middelen te vermenigvuldigen);
– het is essentieel dat de voorzieningen eigendom van het agentschap zijn of door het agentschap gehuurd worden zodat diplomatieke bescherming verzekerd is; er moeten geen voorzieningen zijn die met enig ander nationaal systeem gedeeld worden;
– er moet voor de hoogste beveiligingsgraad gezorgd worden, zowel voor de infrastructuur als voor de gegevens zelf;
– het besluit moet de beste oplossing in termen van kosten en baten bieden.
6. Communicatie-infrastructuur
Volgens het juridisch raamwerk voor SIS II wordt het agentschap verantwoordelijk voor een deel van de communicatie-infrastructuur, meer in het bijzonder voor controle en betrouwbaarheid van de infrastructuur, zodat er binnen het juridisch raamwerk van elk van de systemen een betrouwbaar net voor de uitwisseling van gegevens voorhanden is.
Van fundamenteel belang is dat het net tegen elke vorm van gevaar beschermd wordt, dat zijn betrouwbaarheid verzekerd is, en ook de veiligheid van de gegevens die doorgegeven worden.
Ik ben geen voorstander van afzonderlijke communicatie-infrastructuur voor elk van de 3 systemen omdat ik ook aan de weerslag op de begroting denk die zo'n oplossing met zich meebrengt. De mogelijkheid van uitbesteding bestaat maar is aan strenge regels onderworpen. Zo zou bijv. het S-TESTA-net ingrijpende veranderingen moeten ondergaan om aan de vereisten te voldoen.
7. De structuur van het agentschap moet omvatten
– een verantwoordelijke voor gegevensbescherming
– een veiligheidsambtenaar
– een rekenplichtige ambtenaar
8. Flexibiliteitsprobleem
Ik onderschrijf het advies van de juridische dienst van het Europees Parlement (cf. supra), dat de uitspraak van het hof van justitie van de Europese unie in acht te nemen is. Als rapporteur vraag ik de Europese Commissie en de Raad om hun actieve medewerking voor de oplossing van de juridische problemen te verlenen zodat de oprichting van het agentschap onder zo duidelijk mogelijke voorwaarden kan verlopen.
9. Bestuursleden en stemrecht
Het flexibiliteitsprinciep bepaalt de bestuurstructuur van het agentschap en de deelname van de lidstaten. Het ziet er vanzelfsprekend uit dat een lidstaat die aan een systeem niet deelneemt, ook geen toegang tot de informatie moet hebben en niet aan de besprekingen en stemmingen moet kunnen deelnemen. Een lastiger probleem vormen de lidstaten die alleen gedeeltelijk, aan een aantal onderdelen van een systeem deelnemen.
Als rapporteur heb ik met amendementen duidelijk proberen te maken hoe de deelname van elk van de lidstaten en derde landen die met elk van de systemen geassocieerd zijn, op te vatten is.
De voorzitter moet uit de bestuursleden gekozen worden die benoemd zijn door de lidstaten die hun volledige medewerking aan alle onderdelen en hulpmiddelen van de systemen verlenen waar het agentschap het beheer over voert.
10. Betere gegevensbescherming en democratisch toezicht
Als rapporteur heb ik in meerdere artikelen de functie van het Europees Parlement proberen uit te breiden en voor grotere doorzichtigheid proberen te zorgen.
In dezelfde gedachtegang heb ik de regels op de bescherming van gegevens en de betrouwbaarheid en beveiliging van persoonsgegevens proberen te verstrengen door de functie van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming uit te breiden.
De rol van het Europees Parlement in de selectie van de kandidaten voor de functie van directeur moet duidelijk vastgelegd en uitgebreid worden.
- [1] “... are not sufficient to ensure that the adoption of this Regulation would take place in a manner that is transparent and consistent with the above-mentioned case-law of the Court of Justice. ... it would be impossible (...) to determine the legal effects of the act in relation to the United Kingdom and Ireland, which would therefore create a situation of legal uncertainty, contrary to the principles of Union law.”
ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGRONDSLAG
12.4.2011
De heer Juan Fernando López Aguilar
Voorzitter
Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
BRUSSEL
Betreft: Advies inzake de rechtsgrondslag van het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (COM(2010)0093 – C7‑0046/2009 – 2009/0089(COD))
Geachte voorzitter,
Bij schrijven van 14 maart 2011 heeft u de Commissie juridische zaken overeenkomstig artikel 37, lid 2, van het Reglement verzocht de toevoeging van twee rechtsgrondslagen aan het bovengenoemd voorstel voor een verordening te overwegen.
De commissie behandelde deze kwestie op haar vergadering van 12 april 2011.
De door de Commissie voorgestelde rechtsgrondslagen zijn artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), en artikel 87, lid 2, onder a), van het VWEU, die allemaal onder titel V vallen ("Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht").
Er wordt voorgesteld artikel 85, lid 1, en artikel 88, lid 2, van het VWEU toe te voegen als rechtsgrondslagen, die beiden eveneens vallen onder titel V, en waarin de te volgen procedure is vastgelegd voor het bepalen van de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van respectievelijk Eurojust en Europol.
I - Achtergrond
In juni 2009 heeft de Commissie een pakket voorstellen ingediend tot oprichting van een agentschap dat belast wordt met het operationele beheer van grootschalige informatietechnologiesystemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, bestaande uit een voorstel voor een verordening tot oprichting van het agentschap en een voorstel voor een besluit van de Raad waarbij het bij de verordening opgerichte agentschap belast wordt met taken die verband houden met het operationele beheer van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), het Visuminformatiesysteem (VIS) en Eurodac in het kader van de uitvoering van titel VI van het EU-Verdrag, onder de voormalige derde pijler.
Zoals bekend werd de pijlerstructuur met het Verdrag van Lissabon afgeschaft, en bijgevolg moet bijna alle wetgeving die valt binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht nu worden aangenomen krachtens de gewone wetgevingsprocedure. De Commissie heeft daarom het bovengenoemde gewijzigde voorstel voor een verordening ingediend, waarin rekening wordt gehouden met de veranderingen als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en waarin de bepalingen zijn opgenomen die oorspronkelijk waren voorgesteld als een besluit van de Raad.
Op 11 oktober 2010 vond een oriënterende stemming plaats in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over amendementen op een ontwerpverslag, om de rapporteur, de heer Carlos Coelho, een mandaat te geven om te onderhandelen met de Raad. Tussen november 2010 en maart 2011 werden informele trilogen gehouden op deskundigenniveau.
Op voorstel van de Juridische Dienst van de Raad, werden in de compromistekst die als basis diende voor de triloog op hoog niveau die gepland was voor eind mei 2011, de twee voorgestelde nieuwe rechtsgrondslagen opgenomen, namelijk artikel 85, lid 1, en artikel 88, lid 2, van het VWEU, om op die manier de rechtsgrondslag van het instrument dat tot de derde pijler behoorde aan te vullen[1].
II - Relevante artikelen van het VWEU
In het voorstel van de Commissie worden de volgende artikelen voorgesteld als rechtsgrondslag:
Artikel 74
De Raad stelt maatregelen vast voor de administratieve samenwerking tussen de diensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door deze titel bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie, onder voorbehoud van artikel 76, en na raadpleging van het Europees Parlement.
Artikel 76
De in de hoofdstukken 4 en 5 bedoelde handelingen alsmede de in artikel 74 bedoelde maatregelen tot vaststelling van regels voor administratieve samenwerking op de door die hoofdstukken bestreken gebieden worden vastgesteld:
a) op voorstel van de Commissie, of
b) op initiatief van een kwart van de lidstaten.
Artikel 77
1. De Unie ontwikkelt een beleid dat tot doel heeft:
a) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen;
b) te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen;
c) geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten.
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor
a) het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur;
b) de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen;
c) ...
d) ...
e) ...
3. ...
4. ...
Artikel 78
1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming, teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te garanderen. Dit beleid moet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen alsmede met de andere toepasselijke verdragen.
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat omvat:
a) ...
b) ...
c) ...
d) ...
e) criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om subsidiaire bescherming;
f) ...
g) ...
3. ...
Artikel 79
1. De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid, dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een preventie en intensievere bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel.
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast op de volgende gebieden
a) ...
b) ...
c) illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van verwijdering en repatriëring van illegaal verblijvende personen
d) ...
3. ...
4. ...
5. ...
Artikel 82
1. De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel 83 genoemde gebieden.
Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vast die ertoe strekken:
a) ...
b) ...
c) ...
d) in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen.
2. ...
3. ...
Artikel 87
1. De Unie ontwikkelt een vorm van politiële samenwerking waarbij alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten betrokken zijn, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde wetshandhavingsdiensten die belast zijn met het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten.
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor:
a) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie;
b) ...
c) ...
3. ...
Er wordt voorgesteld de volgende artikelen toe te voegen:
Artikel 85
1. De opdracht van Eurojust bestaat in het ondersteunen en versterken van de coördinatie en de samenwerking tussen de nationale autoriteiten die belast zijn met het onderzoek en de vervolging van zware criminaliteit welke twee of meer lidstaten schaadt of een vervolging op gemeenschappelijke basis vereist, op basis van de door de autoriteiten van de lidstaten en Europol uitgevoerde operaties en verstrekte informatie.
In dit kader bepalen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van Eurojust. Deze taken kunnen het volgende omvatten:
a) het inleiden van strafrechtelijk onderzoek alsmede het voorstellen van het inleiden van vervolging door de bevoegde nationale autoriteiten, met name in verband met strafbare feiten welke de financiële belangen van de Unie schaden;
b) de coördinatie van onderzoek en vervolging als bedoeld onder a);
c) de versterking van de justitiële samenwerking, met name door middel van het oplossen van jurisdictiegeschillen en door nauwe samenwerking met het Europees justitieel netwerk.
Bij die verordeningen wordt tevens bepaald op welke wijze het Europees Parlement en de nationale parlementen bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust worden betrokken.
2. ...
Artikel 88
1. ...
2. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van Europol vast. Deze taken kunnen het volgende omvatten:
a) de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van informatie die met name door de autoriteiten van de lidstaten of van derde landen of instanties worden verstrekt;
b) de coördinatie, organisatie en uitvoering van onderzoeken en operationele acties, die gezamenlijk met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of in gezamenlijke onderzoeksteams worden uitgevoerd, in voorkomend geval in samenwerking met Eurojust.
Bij deze verordeningen wordt tevens bepaald op welke wijze de activiteiten van Europol door het Europees Parlement, tezamen met de nationale parlementen, worden gecontroleerd.
3. ...
III. De voorgestelde rechtsgrondslagen
In artikel 74 van het VWEU, waarin wordt verwezen naar de procedure in artikel 76 van het VWEU voor de gebieden justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking, is de algemene regel vastgelegd voor administratieve samenwerking tussen de relevante overheidsdiensten van de lidstaten. In overeenstemming met deze twee artikelen neemt enkel de Raad maatregelen aan, en wordt het Parlement slechts geraadpleegd. Darbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat de Raad krachtens artikel 16, lid 3, van het VEU met gekwalificeerde meerderheid besluit, aangezien in artikel 76 van het VWEU niet anders is bepaald.
Artikelen 77 t/m 79, 82 en 87 hebben allemaal betrekking op gebieden waar het Parlement medewetgever is.
Artikelen 85 en 88 hebben betrekking op de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van Eurojust en Europol, die met het Parlement als medewetgever moeten worden vastgelegd. Opgemerkt zij dat in overeenstemming met deze beide artikelen vereist is dat in verordeningen die op basis ervan worden aangenomen de wijze waarop het Parlement samen met de nationale parlementen toezicht houdt op de twee agentschappen wordt vastgelegd.
IV - Jurisprudentie inzake de rechtsgrondslag
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet de keuze van de rechtsgrondslag van een EU-maatregel gebaseerd zijn op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, waartoe met name het doel en de inhoud van de maatregel behoren[2]. De keuze van een onjuiste rechtsgrondslag kan dan ook aanleiding vormen tot de nietigverklaring van de desbetreffende handeling.
V. Doel en inhoud van de voorgestelde verordening
In de overwegingen van de voorgestelde verordening wordt het doel als volgt verwoord:
a) met het oog op het benutten van synergieën moet het operationele beheer van SIS II, VIS en Eurodac bij één entiteit worden ondergebracht, in de vorm van een regelgevend agentschap met rechtspersoonlijkheid;
b) het agentschap kan tevens worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen, op basis van een daartoe strekkend rechtsinstrument ter uitvoering van titel V van het VWEU en zou verantwoordelijk zijn voor het volgen van de ontwikkelingen op onderzoeksgebied en proefprojecten ten behoeve van grootschalige IT-systemen in het kader van de uitvoering van titel V van het VWEU;
c) het agentschap dient samen te werken met andere agentschappen van de Europese Unie, binnen het kader van hun bevoegdheden, met name met agentschappen die zijn ingesteld op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht;
d) in verschillende overwegingen wordt het administratieve kader vastgelegd waarbinnen het agentschap zou opereren;
e) er is voorzien in speciale regelingen voor Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein.
De bovengenoemde compromistekst van 11 maart 2011 bevat de twee volgende nieuwe overwegingen:
"(11 bis) Wat SIS II betreft, dienen de Europese Politiedienst (Europol) en Eurojust, die beide krachtens Besluit 2007/533/JBZ het recht op toegang tot en directe bevraging van SIS II hebben, de status van waarnemer te krijgen op de vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot de toepassing van Besluit 2007/533/JBZ op de agenda staat. Europol en Eurojust dienen beide een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de SIS II-adviesgroep die bij artikel 16, lid 1, onder a) wordt ingesteld.
(11 ter) Wat het VIS betreft, dient Europol de status van waarnemer te krijgen op de vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot de toepassing van Besluit 2008/633/JBZ op de agenda staat. Europol dient een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de VIS-adviesgroep die bij artikel 16, lid 1, onder b) wordt ingesteld."
Het dispositief luidt als volgt:
Artikel 1 voorziet in de oprichting van het agentschap.
In artikelen 2 t/m 6 zijn de taken vastgelegd die moeten worden uitgevoerd door het agentschap met betrekking tot SIS II, VIS en Eurodac, alsook met betrekking tot het houden van toezicht op onderzoek en proefprojecten.
In artikelen 7 t/m 16 wordt de structuur en de organisatie van het agentschap behandeld, en in artikelen 17 t/m 27 zijn bepalingen opgenomen betreffende de werking ervan. Artikelen 28 t/m 31 bevatten financiële bepalingen.
Artikel 12, lid 4, van het voorstel luidt als volgt:
"Europol en Eurojust nemen als waarnemer deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk inzake SIS II met betrekking tot de toepassing van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad op de agenda staat. Europol krijgt tevens de status van waarnemer op de vergaderingen van de raad van bestuur van het agentschap, wanneer een vraagstuk inzake het VIS met betrekking tot de toepassing van Besluit 2008/633/JBZ van de Raad op de agenda staat."
Artikel 16, lid 3, van het voorstel luidt als volgt:
"Europol en Eurojust mogen beide een vertegenwoordiger benoemen in de SIS II-adviesgroep. Europol mag een vertegenwoordiger benoemen in de VIS-adviesgroep."
Artikel 12, lid 4, en artikel 16, lid 3, blijven ongewijzigd in de bovengenoemde compromistekst van 11 maart 2011.
In de resterende artikelen (32 t/m 34) zijn slotbepalingen opgenomen en bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding van de voorgestelde verordening.
VI - Vaststelling van de juiste rechtsgrond
Aangezien de voorgestelde overwegingen 11 bis en 11 ter en artikel 12, lid 4, en artikel 16, lid 3, voorzien in de deelname van Europol en Eurojust aan kwesties met betrekking tot het beheer en de werking van SIS II en VIS, zouden in de voorgestelde verordening effectief bepalingen zijn vastgelegd die te maken hebben met de structuur, het beheer, het werkterrein en de taken van deze twee organen. Het is bijgevolg nodig de voorgestelde rechtsgrondslagen toe te voegen.
Hoewel artikelen 74 en 76 van het VWEU, in tegenstelling tot alle andere artikelen die de rechtsgrond vormen, niet voorzien in de toepassing van de gewone wetgevingsprocedure, bepalen ze dat de Raad moet besluiten met gekwalificeerde meerderheid. Deze artikelen zijn bijgevolg niet onverenigbaar vanuit procedureel oogpunt.
VII - Conclusie en aanbeveling
In het licht van de bovenstaande analyse, moeten artikel 85, lid 1 en artikel 88, lid 2, van het VWEU worden toegevoegd aan artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d) en artikel 87, lid 2, onder a) van het VWEU om de rechtsgrond te vormen van de voorgestelde verordening.
In haar vergadering van 12 april 2011 besloot de Commissie juridische zaken bijgevolg met eenparigheid van stemmen[3] uw commissie de volgende aanbeveling te doen: het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (COM(2010)0093) moet gebaseerd zijn op artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a) en artikel 88, lid 2, van het VWEU.
Hoogachtend,
Klaus-Heiner Lehne
- [1] Raadsdocument 7638/11 van 11 maart 2011.
- [2] Zaak C-45/86 Commissie v. Raad ("Algemene tariefpreferenties ") [1987] Jurispr. 1439, para. 5; zaak C-440/05, Commissie v. Raad [2007] Jurispr. I-9097; zaak C-411/06 Commissie v Parlement en Raad (8 september 2009) (PB C 267 van 7.11.2009, blz. 8).
- [3] Volgende leden waren aanwezig bij de eindstemming: Klaus-Heiner Lehne (voorzitter), Evelyn Regner (ondervoorzitter), Piotr Borys, Sergio Gaetano Cofferati, Christian Engström, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sajjad Karim, Kurt Lechner, Eva Lichtenberger, Antonio López-Istúriz White, Arlene McCarthy, Antonio Masip Hidalgo, Alajos Mészáros, Angelika Niebler, Bernhard Rapkay, Alexandra Thein, Diana Wallis, Rainer Wieland, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka.
ADVIES van de Begrotingscommissie (15.7.2010)
aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
inzake het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht
(COM(2010)0093 – C7‑0046/2009 – 2009/0089(COD))
Rapporteur voor advies: Jutta Haug
BEKNOPTE MOTIVERING
Op 24 juni 2009 keurde de Commissie twee wetgevingsvoorstellen goed tot oprichting van een agentschap dat belast wordt met het operationele beheer van grootschalige informatietechnologiesystemen ("IT-systemen") op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.
Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moesten deze twee oorspronkelijke wetgevingsvoorstellen (een voorstel voor een verordening en een voorstel voor een besluit van de Raad) worden samengevoegd tot een enkel gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad.
De kerntaak van het agentschap is het operationele beheer van SIS II, VIS en Eurodac. Deze systemen moeten 24 uur per dag en zeven dagen per week continu in bedrijf blijven om een permanente, ononderbroken uitwisseling van gegevens te waarborgen. Het agentschap is echter niet verantwoordelijk voor de in de systemen ingevoerde gegevens.
De rapporteur onderschrijft weliswaar de politieke doelstellingen die worden nagestreefd met de oprichting van het agentschap, maar plaatst hierbij uit budgettair oogpunt enkele kanttekeningen, in het besef dat kwesties in verband met de opdracht en de taken van het agentschap of zelfs de vraag of dit agentschap moet worden opgericht onder de bevoegdheid van de ten principale bevoegde commissie vallen.
Begroting
Er worden twee nieuwe begrotingslijnen gecreëerd voor de financiering van het agentschap ten laste van hoofdstuk 18 02 van de EU-begroting. De totale kosten tot het einde van het financiële kader bedragen naar verwachting 133 miljoen euro die als volgt zijn verdeeld:
mln euro
|
|
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
Totaal |
|
|
Totale kosten |
1.500 |
15.500 |
55.700 |
40.300 |
113.000 |
|
Zoals in het financieel memorandum bij het voorstel wordt gesteld, zijn deze kredieten afkomstig van de begrotingslijnen die momenteel zijn bestemd voor de betreffende IT-systemen: 18 02 04 "Schengeninformatiesysteem (SIS II)", 18 02 05 "Visuminformatiesysteem" en 18 03 11 "Eurodac". Het voorstel is derhalve verenigbaar met de bestaande financiële programmering.
Deze begrotingslijnen zien er voor de periode 2010-2013 volgens de laatste financiële programmeringscijfers als volgt uit:
mln euro
|
|
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
Totaal |
|
|
VIS, SIS II, Eurodac FP |
58.000 |
112.000 |
109.000 |
122.000 |
401.000 |
|
Aangezien de resterende kredieten (ongeveer 288 miljoen euro) die in de begrotingslijnen voor VIS, SIS II en Eurodac zijn opgenomen ondanks de oprichting van het agentschap nodig blijven, spreekt de rapporteur haar verwondering uit over het feit dat het totaal nodig geachte bedrag, inclusief voor de oprichting van het agentschap, volledig in overeenstemming is met de oorspronkelijk in de financiële programmering opgenomen bedragen (geen besparingen, geen extra kosten).
Verder wil de rapporteur erop wijzen dat de oprichting van gedecentraliseerde agentschappen in feite inhoudt dat actiefondsen worden gebruikt ter dekking van administratieve kosten. Er zou over moeten worden nagedacht hoe een deel van de uitgaven van de agentschappen via rubriek 5 kan worden gefinancierd. De beperkte marge van rubriek 3a is een extra argument om dit te doen omdat andere prioriteiten van het Europees Parlement anders misschien niet kunnen worden gefinancierd. De rapporteur hoopt dat de interinstitutionele werkgroep voor regelgevende agentschappen de discussie op dit gebied verder op gang kan brengen.
Personeel
Als het agentschap eenmaal normaal functioneert, zullen er 120 personeelsleden werkzaam zijn die fasegewijs vanaf begin 2011 worden aangeworven.
Hoewel de taken van het agentschap van de Commissie naar het agentschap worden overgedragen, is geen overdracht van posten van de Commissie naar het agentschap te verwachten:
- voor Eurodac komen vier ambtenaren en tijdelijke functionarissen en een externe medewerker die momenteel in Brussel werkzaam zijn vrij voor andere prioriteiten van de Commissie;
- ongeveer 20 ambtenaren en 25 externe medewerkers (arbeidscontracten en gedetacheerde nationale deskundigen) die zijn toegewezen aan de ontwikkeling en de voorbereiding van de werkzaamheden van SIS II en VIS worden voor andere taken ingezet overeenkomstig de jaarlijkse beleidsstrategie en managementprocedures van de Commissie.
De rapporteur betreurt derhalve dat gebruik wordt gemaakt van uitbesteding van taken aan een agentschap, zodat sommige posten vrijkomen voor andere prioriteiten. Zoals door de Commissie wordt erkend, slaagt zij er alleen door de uitbesteding van taken in om zich te houden aan haar toezegging geen extra personeel te vragen.
Effectbeoordeling
De rapporteur is van mening dat de effectbeoordeling van de Commissie enkele belangrijke zwakke punten vertoont wat betreft goede en volledige informatieverstrekking aan de wetgevingsautoriteit.
Met name wordt niet ingegaan op de vraag waarom een agentschap nodig is om een technische taak uit te voeren die tot dusverre onder de bevoegdheid van de Commissie viel.
Daarnaast werd de effectbeoordeling in 2007 uitgevoerd en lijkt deze om verschillende redenen achterhaald of niet adequaat, ondanks kwalitatieve verbeteringen vergeleken met de effectbeoordelingen voor eerdere agentschappen.
- niet alle thans mogelijke opties zijn bekeken;
- er wordt niet ingegaan op de vraag hoe de door de Commissie ondervonden problemen beter kunnen worden aangepakt of hoe de taken van het agentschap met die van de Commissie kunnen worden afgestemd, met name gezien de moeilijke overgang naar SIS II;
- er wordt niet ingegaan op enige door nationale parlementen geuite bezorgdheid, met name wat betreft gegevensbescherming en de ontbrekende koppeling tussen de voorgestelde verantwoordelijkheid en het ontbreken van toegang tot gegevens;
- het totale effect op de begroting van de oprichting van een dergelijk agentschap komt in de effectbeoordeling niet duidelijk tot uiting, noch voor de begroting van de Commissie, en mogelijk ook niet voor de nationale begrotingen.
Dit is niet de eerste keer dat de Commissie een inconsequente effectbeoordeling of kosten-batenanalyse voorlegt. De rapporteur is van mening dat het Europees Parlement zou moeten onderzoeken of het mogelijk is dat de Commissie voortaan haar effectbeoordelingen of kosten-batenanalyses over de oprichting van een nieuw agentschap aan de Rekenkamer moet voorleggen, zodat deze zich kan uitspreken over de coherentie van de effectbeoordelingen en een situatie, zoals die zich nu voordoet, wordt voorkomen.
Amendementen
De voorgestelde amendementen hebben betrekking op de volgende aspecten van het voorstel:
- Verwijzing naar de volledige reeks rechtsgrondslagen (AM 1,3);
- Bescherming van de prerogatieven van het EP in de begrotings- en de kwijtingsprocedure, en controle door het Parlement (AM 2, 11, 19, 20);
- Taken van de Rekenkamer (AM 2, 22);
- Verplichtingen van de lidstaten van vestiging (AM 4, 14);
- Toepassing van de ABB-ABM procedure met het oog op een beter toezicht op de activiteiten en de begroting van het agentschap (AM 5, 9, 10, 16, 17, 20);
- Reële management- en toezichtactiviteiten van de raad van bestuur en passende bevoegdheden van de leden van de raad van bestuur (AM 6, 7);
- Follow-up van auditverslagen (AM 8);
- Duur van de ambtstermijn van de directeur (AM 12);
- Redelijke omvang van de adviescomités (AM 13);
- Resultaat van de evaluaties van het agentschap en informatieverstrekking aan het EP (AM 15, 21);
- Aanpassing aan de begrotingsterminologie van het Verdrag van Lissabon (AM 18, 19);
- Opstarten van het agentschap en steun van de Commissie (AM 23, 24).
AMENDEMENTEN
De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1 Voorstel voor een verordening Visa 1 bis en 1 ter (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen1 (Financieel Reglement), en met name artikel 185, |
|
|
Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer2, en met name punt 47, |
|
|
1 PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. |
|
|
2 PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1. |
Motivering | |
Als rechtsgrondslag voor de oprichting van een nieuw agentschap van de EU moet worden verwezen naar het Financieel Reglement (art.185) en het Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsbeheer en begrotingsdiscipline (art.47). | |
Amendement 2 Voorstel voor een verordening Overweging 5 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(5 bis) De Commissie legt de begrotingsautoriteit een stappenplan ("roadmap") voor inzake de verdere ontwikkeling van de systemen, met name van het SIS II en het VIS. Hieruit moet blijken welke technische stappen tot wanneer gepland zijn en welk budget hiervoor wordt uitgetrokken. Indien niet aan de voorwaarden en de planning wordt voldaan, kan de begrotingsautoriteit de betreffende middelen in de reserve opnemen. |
Amendement 3 Voorstel voor een verordening Overweging 12 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(12) Om de volledige autonomie en onafhankelijkheid van het agentschap te waarborgen, moet het agentschap de beschikking krijgen over een eigen begroting, die wordt betaald uit de algemene begroting van de Europese Unie. Op de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Europese Unie moet de EU-begrotingsprocedure van toepassing zijn. De Rekenkamer moet de rekeningen controleren. |
(12) Om de volledige autonomie en onafhankelijkheid van het agentschap te waarborgen, moet het agentschap de beschikking krijgen over een eigen begroting, die wordt betaald uit de algemene begroting van de Europese Unie. De financiering van het agentschap is onderworpen aan een akkoord van de begrotingsautoriteit als bedoeld in punt 47 van het IIA van 17 mei 2006. De EU-begrotings- en kwijtingsprocedure moet van toepassing zijn. De Rekenkamer moet de rekeningen alsmede de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen controleren. |
Motivering | |
In deze overweging moet in de zin van het IIA een verwijzing naar de noodzaak van overeenstemming tussen de beide takken van de begrotingsautoriteit over de financiering van het agentschap worden opgenomen. In de overwegingen moet ook naar de kwijtingsprocedure worden verwezen en er moet in tot uiting komen dat de kwijting niet alleen van toepassing is op door de EU gefinancierde activiteiten. Daarnaast moet de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties worden gecontroleerd, omdat dit ook voor andere agentschappen van de EU de normale gang van zaken is. | |
Amendement 4 Voorstel voor een verordening Overweging 13 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(13 bis) Met betrekking tot de samenwerking tussen de agentschappen die op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht werkzaam zijn, moeten synergieën worden gecreëerd met het oog op een betere uitvoering van het beleid op dit terrein, om te zorgen voor een goed beheer en overlapping van procedures en structuren en dus dubbele kosten te voorkomen. |
Amendement 5 Voorstel voor een verordening Artikel 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Er wordt een agentschap opgericht voor het operationele beheer van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), het Visuminformatiesysteem (VIS) en Eurodac en voor de ontwikkeling en het beheer van andere grootschalige informatietechnologiesystemen (IT-systemen) in het kader van de uitvoering van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “het agentschap” genoemd). |
Er wordt overeenkomstig artikel 185 van het Financieel Reglement een agentschap opgericht voor het operationele beheer van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), het Visuminformatiesysteem (VIS) en Eurodac en voor de ontwikkeling en het beheer van andere grootschalige informatietechnologiesystemen (IT-systemen) in het kader van de uitvoering van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “het agentschap” genoemd). |
Motivering | |
In het artikel over de wettelijke definitie en de rechtsstatus van het agentschap moet een verwijzing worden opgenomen naar de basisbepaling van het Financieel Reglement over de oprichting van gedecentraliseerde agentschappen, op grond waarvan het agentschap moet worden opgericht. | |
Amendement 6 Voorstel voor een verordening Artikel 7 – lid 4 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
4. De vestigingsplaats van het agentschap is […] |
4. De vestigingsplaats van het agentschap is […]. De lidstaat van vestiging zorgt voor aantrekkelijke voorwaarden wat betreft de huisvesting van het agentschap en de voorschriften voor het personeel en de leden van de bestuursorganen van het agentschap, welke in een zetelovereenkomst worden vastgesteld. |
|
|
Om te zorgen voor de best mogelijke werking van het agentschap op lange termijn, dient aan de sluiting van de zetelovereenkomst een kosten/batenanalyse vooraf te gaan. Er wordt in het bijzonder rekening gehouden met de bereidheid en het vermogen van de lidstaat om eigen middelen beschikbaar te stellen om het agentschap onder te brengen, ten einde ervoor te zorgen dat de oprichting vlot verloopt en het agentschap soepel functioneert. |
Motivering | |
Het bieden van dergelijke aantrekkelijke voorwaarden dient niet alleen afhankelijk te zijn van de goodwill van de aangewezen lidstaat van vestiging. Aangezien de lidstaten over de locatie van het agentschap beslissen, moet via een voorafgaande financiële evaluatie, met speciale verwijzing naar de fysieke vestiging in de lidstaat van vestiging, worden vastgesteld waar de minste extra kosten worden gemaakt met betrekking tot de oprichting van het agentschap, rekening houdend met de voorwaarden als bedoeld in artikel 19 van de verordening. Hierbij dient ook de bereidheid en het vermogen van de lidstaat tot uiting te komen om eigen middelen ter beschikking te stellen om in de behoeften van het agentschap te voorzien. | |
Amendement 7 Voorstel voor een verordening Artikel 9 – lid 1 – letter j | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
j) hij stelt ieder jaar vóór 31 maart een verslag van de activiteiten van het agentschap in het voorgaande jaar op en doet dit uiterlijk op 15 juni toekomen aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer; hij ziet erop toe dat dit jaarlijkse activiteitenverslag wordt gepubliceerd; |
j) hij stelt ieder jaar vóór 31 maart een verslag van de activiteiten van het agentschap in het voorgaande jaar op, waarbij met name de behaalde resultaten worden vergeleken met de doelstellingen van het jaarlijkse werkprogramma, en doet dit uiterlijk op 15 juni toekomen aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer; hij ziet erop toe dat dit jaarlijkse activiteitenverslag wordt gepubliceerd; |
Motivering | |
Overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurd management en budgettering op basis van activiteiten (ABM-ABB) dient het jaarlijkse activiteitenverslag van het agentschap betrekking te hebben op de doelstellingen van het werkprogramma om een goede controle op de resultaten van het agentschap mogelijk te maken. | |
Amendement 8 Voorstel voor een verordening Artikel 9 – lid 1 – letter m bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
m bis) hij houdt toezicht op en zorgt voor een passende follow-up van de bevindingen en aanbevelingen uit verschillende interne dan wel externe auditverslagen en evaluaties; |
Motivering | |
Met het oog op een betere follow-up van de bevindingen uit auditverslagen en evaluaties moet de raad van bestuur, waaraan de directeur verantwoording dient af te leggen, expliciet met het toezicht hierop worden belast. | |
Amendement 9 Voorstel voor een verordening Artikel 10 – lid 3 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
3. De leden van de raad van bestuur worden benoemd op grond van het hoge niveau van hun ervaring met en kennis van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. |
3. De leden van de raad van bestuur worden benoemd op grond van het hoge niveau van hun ervaring met en kennis van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. Zij beschikken ook over de nodige bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden om de in artikel 9 genoemde taken te vervullen. |
Motivering | |
De vaardigheden van de leden van de raad van bestuur moeten in overeenstemming zijn met de aan hen toevertrouwde taken. | |
Amendement 10 Voorstel voor een verordening Artikel 14 – lid 5 – letter d | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
d) hij zorgt voor het opzetten en uitvoeren van een effectief systeem voor regelmatige monitoring en evaluatie van de IT-systemen (met inbegrip van statistieken) en van het agentschap; |
d) hij zorgt voor het opzetten en uitvoeren van een effectief systeem voor regelmatige monitoring, auditing en evaluatie van de IT-systemen (met inbegrip van statistieken) en van het agentschap, ook in termen van efficiënte en effectieve verwezenlijking van de doelstellingen van het agentschap; |
Motivering | |
In overeenstemming met amendement 6/artikel 9, lid 1, letter m bis, wordt ook een systeem voor de follow-up van de bevindingen van audits opgezet, niet alleen op het gebied van financiële controle en naleving, maar ook wat betreft controle op prestaties. | |
Amendement 11 Voorstel voor een verordening Artikel 14 – lid 5 – letter h | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
h) hij onderhandelt over een zetelovereenkomst met de regering van de lidstaat van vestiging en ondertekent deze overeenkomst na goedkeuring ervan door de raad van bestuur. |
h) hij onderhandelt over een zetelovereenkomst met de regering van de lidstaat van vestiging en ondertekent deze overeenkomst na goedkeuring ervan door de raad van bestuur, rekening houdend met de kosten/batenanalyse als bedoeld in artikel 7, lid 4, tweede alinea. |
Amendement 12 Voorstel voor een verordening Artikel 14 – lid 6 – letter a | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
a) het jaarlijkse werkprogramma en het jaarlijkse activiteitenprogramma van het agentschap, na raadpleging van de adviesgroepen; |
a) het jaarlijkse werkprogramma en het jaarlijkse activiteitenprogramma van het agentschap, met vermelding van de aan elke activiteit toegewezen financiële middelen, na raadpleging van de adviesgroepen; |
Motivering | |
Overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurd management en budgettering op basis van activiteiten (ABM-ABB) dient in het jaarlijkse werkprogramma en het jaarlijkse activiteitenverslag van het agentschap informatie te worden verstrekt over de aan de activiteiten toegewezen middelen die nodig zijn om de doelstellingen van het agentschap te verwezenlijken. | |
Amendement 13 Voorstel voor een verordening Artikel 14 – lid 6 – letter c | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
c) de begroting voor het volgende jaar; |
c) de begroting voor het volgende jaar die wordt opgesteld middels budgettering op basis van activiteiten; |
Motivering | |
Overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurd management en budgettering op basis van activiteiten (ABM-ABB) dient de begroting van het agentschap expliciet te worden gebaseerd op de doelstellingen en activiteiten van het agentschap, waarbij een verband wordt gelegd tussen de taken en doelstellingen van het agentschap en zijn activiteiten en middelen. | |
Amendement 14 Voorstel voor een verordening Artikel 15 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Vóór de benoeming kan de door de raad van bestuur gekozen kandidaat worden verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden. |
2. Vóór de benoeming kan de door de raad van bestuur gekozen kandidaat worden verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden. Vóór de benoeming wordt rekening gehouden met de mening van de commissie(s). |
Motivering | |
Vóór de benoeming moet rekening worden gehouden met de mening van het Parlement over de gekozen kandidaat. | |
Amendement 15 Voorstel voor een verordening Artikel 15 – lid 4 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
4. De raad van bestuur kan, op voorstel van de Commissie en rekening houdende met het evaluatieverslag, de ambtstermijn van de directeur eenmaal met ten hoogste drie jaar verlengen, maar alleen indien zulks op grond van de taken en verplichtingen van het agentschap kan worden verantwoord. |
4. De raad van bestuur kan, op voorstel van de Commissie en rekening houdende met het evaluatieverslag, de ambtstermijn van de directeur eenmaal met ten hoogste drie jaar verlengen, maar alleen indien zulks op grond van de taken en verplichtingen van het agentschap kan worden verantwoord. De uitvoerend directeur kan het ambt hoogstens acht jaar blijven bekleden. |
Motivering | |
Gezien het gevoelige karakter van de post mag het niet mogelijk zijn dat de uitvoerend directeur dit ambt langer dan acht jaar bekleedt, ook niet via een externe sollicitatie naar dezelfde post na verlenging van diens ambtstermijn. | |
Amendement 16 Voorstel voor een verordening Artikel 16 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Door iedere lidstaat, door ieder land dat bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen betrokken wordt en door de Commissie wordt voor elke adviesgroep één lid benoemd voor een termijn van drie jaar, die kan worden verlengd. |
2. Door iedere lidstaat, door ieder land dat bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen betrokken wordt en door de Commissie wordt bij toerbeurt voor een van de drie adviesgroepen één lid benoemd voor een termijn van drie jaar, die kan worden verlengd. |
Motivering | |
Om een bestuursstructuur te voorkomen waarin er evenveel leden van de verschillende comités zijn als personeelsleden van het agentschap, moeten de adviesgroepen zijn samengesteld uit niet meer dan 1/3 van het aantal lidstaten. Dit is verenigbaar met hun adviserende karakter en wordt gecompenseerd door de volledige vertegenwoordiging van de lidstaten in de raad van bestuur. | |
Amendement 17 Voorstel voor een verordening Artikel 19 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
De regelingen betreffende de huisvesting van het agentschap in de lidstaat van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaat moet treffen, alsmede de bijzondere regels die in de lidstaat van vestiging van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, de werknemers van het agentschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen het agentschap en de lidstaat van vestiging, die gesloten wordt nadat de raad van bestuur deze heeft goedgekeurd. De lidstaat van vestiging dient de gunstigst mogelijke voorwaarden voor de goede werking van het agentschap te bieden, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen. |
De regelingen betreffende de huisvesting van het agentschap in de lidstaat van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaat moet treffen, alsmede bijzondere regels om voor gunstige voorwaarden voor het personeel te zorgen die in de lidstaat van vestiging van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, de werknemers van het agentschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen het agentschap en de lidstaat van vestiging, die gesloten wordt nadat de raad van bestuur deze heeft goedgekeurd. De lidstaat van vestiging dient de gunstigst mogelijke voorwaarden voor de goede werking van het agentschap te bieden, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen. Deze voorwaarden worden getoetst bij de kosten/batenanalyse vóór de ondertekening van de zetelovereenkomst en in overeenstemming met artikel 7, lid 4, waarbij rekening wordt gehouden met de bereidheid en het vermogen van de lidstaat om eigen middelen ter beschikking te stellen om het agentschap onder te brengen. |
Motivering | |
Het doel van dergelijke bepalingen moet expliciet worden vermeld. | |
Amendement 18 Voorstel voor een verordening Artikel 27 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Bij de evaluatie worden het nut, de relevantie en de effectiviteit van het agentschap en zijn werkmethoden geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de standpunten van alle betrokkenen, zowel op Europees als op nationaal niveau. |
2. Bij de evaluatie worden het nut, de relevantie, de gerealiseerde toegevoegde waarde en de effectiviteit van het agentschap en zijn werkmethoden geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de standpunten van alle betrokkenen, zowel op Europees als op nationaal niveau. Bij de evaluatie wordt met name nagegaan of het eventueel nodig is de taken van het agentschap te wijzigen of uit te breiden dan wel zijn activiteiten te beëindigen indien zijn rol overbodig is geworden. |
Motivering | |
Er moet vermeld worden dat evaluaties op gezette tijden zo nodig ook kunnen leiden tot heroverweging van de taken of het bestaan van het agentschap. | |
Amendement 19 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. De uitgaven van het agentschap omvatten onder meer de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur, de huishoudelijke kosten en de uitgaven uit hoofde van de door het agentschap gesloten contracten. De uitvoerend directeur stelt jaarlijks een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende begrotingsjaar en zendt deze tezamen met een ontwerp voor de personeelsformatie naar de raad van bestuur. |
2. De uitgaven van het agentschap omvatten onder meer de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur, de huishoudelijke kosten en de uitgaven uit hoofde van de door het agentschap gesloten contracten. De uitvoerend directeur stelt jaarlijks op basis van de door het agentschap uitgevoerde werkzaamheden een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende begrotingsjaar en zendt deze tezamen met een ontwerp voor de personeelsformatie naar de raad van bestuur. |
Motivering | |
Overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurd management en budgettering op basis van activiteiten (ABM-ABB) dient de begroting van het agentschap expliciet te worden gebaseerd op de doelstellingen en activiteiten van het agentschap, waarbij een verband wordt gelegd tussen de taken en doelstellingen van het agentschap en zijn activiteiten en middelen. | |
Amendement 20 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 6 – letter a | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
a) het ontwerpwerkprogramma; |
a) het ontwerpwerkprogramma, tezamen met de verwachte personele en financiële middelen die verband houden met elke geplande activiteit; |
Motivering | |
Overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurd management en budgettering op basis van activiteiten (ABM-ABB) dient in het werkprogramma van het agentschap informatie te worden verstrekt over de aan de activiteiten toegewezen middelen die nodig zijn om de doelstellingen van het agentschap te verwezenlijken. | |
Amendement 21 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 7 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
7. De raming wordt samen met het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij het Europees Parlement en de Raad (de begrotingsautoriteit). |
7. De raming wordt samen met het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij het Europees Parlement en de Raad (de begrotingsautoriteit). |
Motivering | |
Toepassing van de terminologie van het Verdrag van Lissabon. | |
Amendement 22 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 8 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
8. Op basis van de raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting, op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorlegt aan de begrotingsautoriteit. |
8. Op basis van de raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorlegt aan de begrotingsautoriteit, tezamen met een beschrijving en motivering van eventuele verschillen tussen de raming van het agentschap en de subsidie ten laste van de algemene begroting. |
Motivering | |
Het eerste deel van het amendement betreft het gebruik van de terminologie van het Verdrag van Lissabon. Doel van het tweede deel is de begrotingsautoriteit adequate informatie te verschaffen ingeval de ramingen van het agentschap door de Commissie worden gewijzigd. | |
Amendement 23 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 10 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
10. De begroting van het agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast. |
10. De begroting van het agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast, tezamen met het jaarlijkse werkprogramma. |
Motivering | |
Als de Commissie aanzienlijk in de begroting snijdt, mag van het agentschap niet worden verlangd dat het met minder middelen dezelfde taken en werkzaamheden uitvoert. | |
Amendement 24 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 11 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
11 bis. De Commissie legt de begrotingsautoriteit een stappenplan ("roadmap") voor inzake de verdere ontwikkeling van de systemen, met name van het SIS II en het VIS. Hieruit moet blijken welke technische stappen tot wanneer gepland zijn en welk budget hiervoor wordt uitgetrokken. |
Amendement 25 Voorstel voor een verordening Artikel 29 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Het agentschap verstrekt de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures. |
2. Het agentschap verstrekt de begrotingsautoriteit jaarlijks alle informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures. |
Motivering | |
Het is niet aan de directeur van het agentschap om te bepalen wat relevant is voor het Parlement. | |
Amendement 26 Voorstel voor een verordening Artikel 29 - lid 4 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
4 bis. De Europese Rekenkamer controleert de rekeningen van het agentschap en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Hij verstrekt eveneens, indien beschikbaar, bevindingen met betrekking tot de prestaties van het agentschap wat betreft de efficiënte en effectieve verwezenlijking van zijn doelstellingen. |
Motivering | |
Informatie over de prestaties van agentschappen ontbreken vaak wanneer het Parlement de verwezenlijking van hun doelstellingen moet beoordelen. Omdat van de Europese Rekenkamer niet kan worden verlangd dat deze met de huidige middelen prestatieaudits van elk agentschap uitvoert, moet informatie over prestaties aan de kwijtingsautoriteit worden toegezonden. | |
Amendement 27 Voorstel voor een verordening Artikel 32 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Voor dat doel mag de Commissie, totdat de uitvoerend directeur zijn taken opvat na overeenkomstig artikel 15 van deze verordening door de raad van bestuur te zijn benoemd, ad interim een beperkt aantal ambtenaren aanwijzen, onder wie één die de functie van uitvoerend directeur zal vervullen. |
2. Voor dat doel wijst de Commissie, totdat de uitvoerend directeur zijn taken opvat na overeenkomstig artikel 15 van deze verordening door de raad van bestuur te zijn benoemd, ad interim een beperkt aantal ambtenaren aan, onder wie één die de functie van uitvoerend directeur zal vervullen. |
Motivering | |
Voordat het agentschap zelfstandig wordt, moet de steun van de Commissie bij het opstarten van het agentschap niet hypothetisch zijn, maar reëel. | |
Amendement 28 Voorstel voor een verordening Artikel 34 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Het agentschap vangt zijn werkzaamheden, zoals omschreven in de artikelen 2 tot en met 6, aan op 1 januari 2012. |
2. Het agentschap vangt zijn werkzaamheden, zoals omschreven in de artikelen 2 tot en met 6, aan op 1 januari 2012, mits de lidstaten tijdig van tevoren overeenstemming hebben bereikt over de plaats van vestiging van het agentschap, zodat de basisinfrastructuur en de procedures ter plaatse operationeel kunnen worden. |
Motivering | |
Met deze aanvulling moeten situaties worden voorkomen - zoals het geval was bij EMSA - waarin een agentschap provisorisch wordt gevestigd in een andere plaats dan de definitieve zetel en vervolgens met aanzienlijke verhuiskosten wordt geconfronteerd. | |
PROCEDURE
|
Titel |
Agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht |
|||||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2010)0093 – C7-0046/2009 – COM(2009)0293 – 2009/0089(COD) |
|||||||
|
Commissie ten principale |
LIBE |
|||||||
|
Advies uitgebracht door Datum bekendmaking |
BUDG 14.7.2009 |
|
|
|
||||
|
Rapporteur voor advies Datum benoeming |
Jutta Haug 21.10.2009 |
|
|
|||||
|
Datum goedkeuring |
14.7.2010 |
|
|
|
||||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
35 0 3 |
||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Marta Andreasen, Reimer Böge, Lajos Bokros, Giovanni Collino, Andrea Cozzolino, Isabelle Durant, James Elles, Göran Färm, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazábal Rubial, Salvador Garriga Polledo, Jens Geier, Ivars Godmanis, Ingeborg Gräßle, Carl Haglund, Jiří Havel, Monika Hohlmeier, Sidonia Elżbieta Jędrzejewska, Anne E. Jensen, Sergej Kozlík, Jan Kozłowski, Alain Lamassoure, Giovanni La Via, Vladimír Maňka, Barbara Matera, Claudio Morganti, Miguel Portas, Dominique Riquet, László Surján, Helga Trüpel, Derek Vaughan |
|||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
François Alfonsi, Maria Da Graça Carvalho, Peter Jahr, Riikka Manner, Peter Šťastný, Georgios Stavrakakis, Theodor Dumitru Stolojan |
|||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Lucas Hartong |
|||||||
ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (14.7.2010)
aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht
(COM(2010)0093 – C7‑0046/2009 – 2009/0089(COD))
Rapporteur voor advies: Marian-Jean Marinescu
BEKNOPTE MOTIVERING
Een nieuw regelgevend agentschap gaat met extra uitgaven gepaard. Het is dan ook van cruciaal belang te zorgen voor een optimaal evenwicht tussen efficiëntie, resultaten en kosten.
Op basis van verschillende beoordelingsverslagen kunnen we concluderen dat terdege rekening moet worden gehouden met een aantal aspecten.
Ten eerste moet gezorgd worden voor een document voor de omzetting van de strategie van het agentschap in een meerjarig kader met duidelijke doelstellingen en prestatie-indicatoren. Dit zal resulteren in betere prestaties, een beter financieel beheer en betere controle van het agentschap.
Ten tweede de noodzaak om het aantal leden van de raad van bestuur terug te schroeven. Dit zal zorgen voor een doeltreffender werkschema en het voorkomt een toename van de beheerskosten alsook een structureel tekort voor het agentschap. De vermindering van het aantal leden van de raad van bestuur zal automatisch leiden tot een vermindering van het aantal leden van het controlecomité, dat de raad van bestuur in het verrichten van zijn taken bijstaat.
Ten derde, voor een goed beheer moet de raad van bestuur zo samengesteld zijn dat de lidstaten redelijk vertegenwoordigd zijn en dit kan onder meer door middel van afwisseling worden gewaarborgd.
AMENDEMENTEN
De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1 Voorstel voor een verordening Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
3 bis. Het agentschap staat onder toezicht van de Commissie. |
Motivering | |
Ook als het agentschap als een juridisch zelfstandige uitvoerder van beheerstaken wordt opgericht, moet in het kader van de toezichthoudende taak van de Commissie gewaarborgd worden dat het bestuur zich aan de wet houdt. | |
Amendement 2 Voorstel voor een verordening Artikel 9 – lid 1 – letter g bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(g bis) hij keurt op basis van een ontwerp dat de in artikel 14 bedoelde uitvoerend directeur na raadpleging van de in artikel 16 bedoelde adviesgroepen en na advies van de Commissie heeft voorgelegd, een meerjarig werkprogramma goed waarin wordt uitgegaan van de in hoofdstuk II – "Taken" genoemde taken. Het meerjarig werkprogramma omvat, onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Unie, een meerjarige begrotingsraming en voorafgaande evaluaties om de doelstellingen en de verschillende stadia van de meerjarenplanning te ordenen; |
Motivering | |
De financiële kaderregeling die op de agentschappen van toepassing is, bepaalt dat alleen voor personeelsleden een meerjarenprogrammering moet worden opgesteld. In haar speciaal verslag nr. 5/2008 - "Agentschappen van de Unie: resultaten bereiken", beveelt de Rekenkamer aan dat de agentschappen zorgen voor de omzetting van hun strategie in een meerjarig werkprogramma met duidelijke doelstellingen en prestatie-indicatoren. Dit was ook een van de eisen in de resolutie van het EP over de kwijting 2008: prestaties, financieel beheer en controle van de agentschappen (Aangenomen teksten van 5 mei 2010, P7_TA(2010)0139). | |
Amendement 3 Voorstel voor een verordening Artikel 9 – lid 1 – letter h | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(h) hij stelt het meerjarig personeelsbeleidsplan vast en dient dit ieder jaar uiterlijk op 31 maart in bij de Commissie en de begrotingsautoriteit; |
(h) hij stelt het meerjarig personeelsbeleidsplan en een ontwerp van jaarlijks werkprogramma vast en dient deze ieder jaar uiterlijk op 31 maart in bij de Commissie en de begrotingsautoriteit; |
Motivering | |
In lijn met artikel 28, lid 6, onder a). | |
Amendement 4 Voorstel voor een verordening Artikel 9 – lid 1 – letter i | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(i) hij stelt ieder jaar vóór 30 september, na advies van de Commissie, met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden het werkprogramma van het agentschap voor het komende jaar vast, in overeenstemming met de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Unie en het wetgevingsprogramma van de Unie voor de gebieden die onder titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen; hij ziet er daarbij op toe dat het goedgekeurde werkprogramma bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt ingediend en wordt gepubliceerd; |
(i) hij stelt in het kader van het meerjarig programma ieder jaar vóór 30 september, na advies van de Commissie, met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden het werkprogramma van het agentschap voor het komende jaar vast, in overeenstemming met de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Unie en het wetgevingsprogramma van de Unie voor de gebieden die onder titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen; hij ziet er daarbij op toe dat het goedgekeurde werkprogramma bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt ingediend en wordt gepubliceerd; |
Amendement 5 Voorstel voor een verordening Artikel 14 – lid 6 – letter b bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(b bis) het meerjarig werkprogramma; |
Amendement 6 Voorstel voor een verordening Artikel 15 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
1. De uitvoerend directeur van het agentschap wordt door de raad van bestuur voor een termijn van vijf jaar benoemd aan de hand van een lijst van door de Commissie voorgedragen kandidaten. |
1. De uitvoerend directeur van het agentschap wordt door de raad van bestuur voor een termijn van vijf jaar benoemd aan de hand van een lijst van door de Commissie voorgedragen kandidaten. De kandidaten beschikken over de kwaliteiten en capaciteiten die vereist zijn voor de efficiënte uitoefening van de functie van uitvoerend directeur van het agentschap, met name ten aanzien van de financiële regeling die van toepassing is op het agentschap. |
Motivering | |
Met het oog op logische aansluiting op artikel 14, lid 3. | |
Amendement 7 Voorstel voor een verordening Artikel 16 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Door iedere lidstaat, door ieder land dat bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen betrokken wordt en door de Commissie wordt voor elke adviesgroep één lid benoemd voor een termijn van drie jaar, die kan worden verlengd. |
2. Iedere adviesgroep heeft tien leden. Van hen wordt telkens één lid door de Commissie benoemd. Negen leden van elke adviesgroep worden door de Raad benoemd. Alle leden worden benoemd voor een termijn van drie jaar, die kan worden verlengd. |
Motivering | |
Omdat er in de adviezen van de adviesgroepen consensus moet worden bereikt, bevorderen te grote groepen de meningsvorming niet. Te grote adviesgroepen kunnen het werk van het agentschap derhalve nodeloos belemmeren. | |
Amendement 8 Voorstel voor een verordening Hoofdstuk IV – titel | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
WERKING |
PERSONEEL |
Motivering | |
Een nieuwe titel voor bepalingen inzake het personeel. | |
Amendement 9 Voorstel voor een verordening Artikel 17 – lid 1 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
1 bis. Het agentschap werft geen tijdelijk personeel aan voor bijzonder gevoelige financiële taken; |
Motivering | |
Het aanwerven van tijdelijk personeel voor bijzonder gevoelige financiële taken kan de prestaties van het agentschap beïnvloeden als gevolg van ongekwalificeerd /niet opgeleid/ongemotiveerd personeel. Dit kan het agentschap ook gevoelig maken voor financiële fraude aangezien het tijdelijk personeel gemakkelijker kan worden beïnvloed met het oog op een verlenging van zijn/haar contract. Zie ook de resolutie van het EP over de kwijting 2008: prestaties, financieel beheer en controle van de agentschappen(Aangenomen teksten van 5 mei 2010, P7_TA(2010)0139). | |
Amendement 10 Voorstel voor een verordening Artikel 17 – lid 4 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
4 bis. Indien de Commissie vaststelt dat er herhaaldelijk inbreuk gemaakt is op het statuut of de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en dat de raad van bestuur de hem toevertrouwde controlerende taak op dit terrein niet naar behoren uitoefent, kan de Commissie verlangen dat zij in het kader van haar toezichthoudende taak zelf in de plaats van het agentschap op het gebied van het personeelsbeheer actief wordt. |
Motivering | |
In het verleden is in andere agentschappen gebleken dat er geen adequate controle werd uitgeoefend op de bevoegdheden van de uitvoerend directeur op het gebied van het personeelsbeheer. Zelfs wanneer bij herhaling inbreuk gemaakt werd op het statuut, oefenden de raden van bestuur van andere agentschappen slechts met tegenzin hun controlerende taak uit. Dit amendement moet de Commissie een ultima ratio-middel in hand geven in het kader van haar toezichthoudende taak. | |
Amendement 11 Voorstel voor een verordening Artikel 17 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Artikel 17 bis Voorrechten en immuniteiten |
|
|
Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is op het agentschap van toepassing. |
Motivering | |
Artikel 20 van het Commissievoorstel wordt nu verschoven naar artikel 17 bis (nieuw). | |
Amendement 12 Voorstel voor een verordening Hoofdstuk IV bis (nieuw) – voor artikel 18 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
HOOFDSTUK IV bis ALGEMENE BEPALINGEN |
Motivering | |
Nieuw hoofdstuk. | |
Amendement 13 Voorstel voor een verordening Artikel 18 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de leden van de adviesgroepen verbinden zich ertoe in het openbaar belang te handelen. Daartoe leggen zij jaarlijks een schriftelijke verklaring af. |
De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de leden van de adviesgroepen verbinden zich ertoe in het openbaar belang te handelen. Daartoe leggen zij jaarlijks een schriftelijke verklaring af. De lijst van de leden van de raad van bestuur wordt bekendgemaakt op de internetsite van het agentschap. |
Motivering | |
Omwille van de transparantie, omdat de agentschappen op dit punt niet uniform opereren. | |
Amendement 14 Voorstel voor een verordening Artikel 19 – titel | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Zetelovereenkomst |
Zetelovereenkomst en werkingsvoorwaarden |
Motivering | |
Wijziging van de titel. | |
Amendement 15 Voorstel voor een verordening Artikel 20 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Artikel 20
Voorrechten en immuniteiten
Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is op het agentschap van toepassing. |
Schrappen |
Motivering | |
Overbodig als gevolg van amendement 11. | |
Amendement 16 Voorstel voor een verordening Artikel 23 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Artikel 23 bis |
|
|
Administratieve controle |
|
|
De werkzaamheden van het agentschap zijn onderworpen aan de controle van de Europese Ombudsman overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. |
Amendement 17 Voorstel voor een verordening Artikel 27 – titel | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Evaluatie |
Evaluatie en toetsing |
Motivering | |
Er moet ook gedacht worden aan mogelijkheden voor toetsing. | |
Amendement 18 Voorstel voor een verordening Artikel 27 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
1. Binnen drie jaar na de datum waarop het agentschap zijn taken op zich neemt, en vervolgens eenmaal per vijf jaar, geeft de raad van beheer opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van de uitvoering van deze verordening op basis van de door de raad van bestuur na overleg met de Commissie vastgestelde opdracht. |
1. Binnen drie jaar na de datum waarop het agentschap zijn taken op zich neemt, en vervolgens eenmaal per drie jaar, geeft de raad van beheer opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van de uitvoering van deze verordening op basis van de door de raad van bestuur na overleg met de Commissie vastgestelde opdracht. |
Amendement 19 Voorstel voor een verordening Artikel 27 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Bij de evaluatie worden het nut, de relevantie en de effectiviteit van het agentschap en zijn werkmethoden geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de standpunten van alle betrokkenen, zowel op Europees als op nationaal niveau. |
2. Bij de evaluatie worden het nut, de relevantie en de effectiviteit van het agentschap en zijn werkmethoden geëvalueerd. Bij deze evaluatie wordt ook onderzocht of de beheersstructuur is toegesneden op de uitvoering van de taken van het agentschap. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de standpunten van alle betrokkenen, zowel op Europees als op nationaal niveau. |
Motivering | |
Bij deze evaluatie wordt ook onderzocht of de beheersstructuur is toegesneden op de uitvoering van de taken van het agentschap. | |
Amendement 20 Voorstel voor een verordening Artikel 27 – lid 3 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
3. De raad van bestuur neemt de conclusies van de evaluatie in ontvangst en doet aanbevelingen voor wijziging van deze verordening en veranderingen in het agentschap en zijn werkmethoden aan de Commissie, die deze, vergezeld van haar advies en passende voorstellen, aan de Raad en het Europees Parlement doorgeeft. Zo nodig wordt een actieplan met een tijdschema bijgevoegd. De evaluatie en de aanbevelingen worden openbaar gemaakt. |
3. De raad van bestuur neemt de conclusies van de evaluatie in ontvangst en doet aanbevelingen voor wijziging van deze verordening en veranderingen in het agentschap en zijn werkmethoden aan de Commissie, die deze, vergezeld van haar advies en passende voorstellen, aan de Raad en het Europees Parlement doorgeeft. De evaluatie en de aanbevelingen worden openbaar gemaakt. |
Motivering | |
Het tijdschema van toekomstige evaluaties, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van de in lid 2 genoemde evaluatie, moet worden behandeld in een apart en uitvoeriger lid. Zie de motivering van amendement 21. | |
Amendement 21 Voorstel voor een verordening Artikel 27 – lid 3 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
3 bis. De raad van bestuur bepaalt, met instemming van de Commissie, wanneer de toekomstige evaluaties zullen plaatsvinden, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van de in lid 2 genoemde evaluatie. |
Motivering | |
Zie de motivering bij amendement 20. | |
Amendement 22 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 6 – letter a | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(a) het ontwerpwerkprogramma; |
(a) het ontwerp van het jaarlijks werkprogramma; |
Motivering | |
Zie amendement 2. | |
Amendement 23 Voorstel voor een verordening Artikel 28 – lid 6 – letter b bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(b bis) een geactualiseerd ontwerp van het meerjarig werkprogramma; |
Amendement 24 Voorstel voor een verordening Artikel 29 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Het agentschap verstrekt de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures. |
2. De uitvoerend directeur verstrekt de begrotingsautoriteit jaarlijks een verslag van het aantal en het soort interne controles die zijn uitgevoerd door de intern controleur, de gedane aanbevelingen en het gevolg dat gegeven is aan deze aanbevelingen, overeenkomstig artikel 72, lid 5, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/20021. |
|
|
1 PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72. |
Motivering | |
Er moet worden aangegeven aan welke verplichtingen de uitvoerend directeur overeenkomstig het Financieel Reglement is gehouden. | |
Amendement 25 Voorstel voor een verordening Artikel 32 – titel | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Voorbereidende maatregelen |
Begin van de werkzaamheden van het agentschap |
Motivering | |
Wijziging van de titel. | |
Amendement 26 Voorstel voor een verordening Artikel 34 – titel | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Inwerkingtreding en toepassing |
Inwerkingtreding |
PROCEDURE
|
Titel |
Agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht |
|||||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2010)0093 – C7-0046/2009 – COM(2009)0293 – 2009/0089(COD) |
|||||||
|
Commissie ten principale |
LIBE |
|||||||
|
Advies uitgebracht door Datum bekendmaking |
CONT 14.7.2009 |
|
|
|
||||
|
Rapporteur voor advies Datum benoeming |
Marian-Jean Marinescu 1.10.2009 |
|
|
|||||
|
Behandeling in de commissie |
31.5.2010 |
|
|
|
||||
|
Datum goedkeuring |
12.7.2010 |
|
|
|
||||
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
18 2 1 |
||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Marta Andreasen, Jean-Pierre Audy, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Luigi de Magistris, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Gerben-Jan Gerbrandy, Ingeborg Gräßle, Ville Itälä, Bogusław Liberadzki, Monica Luisa Macovei, Jan Olbrycht, Aldo Patriciello, Theodoros Skylakakis, Georgios Stavrakakis, Søren Bo Søndergaard |
|||||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Zuzana Brzobohatá, Edit Herczog, Ivailo Kalfin, Olle Schmidt, Derek Vaughan |
|||||||
PROCEDURE
|
Titel |
Agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht |
||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2010)0093 – C7-0046/2009 – COM(2009)0293 – 2009/0089(COD) |
||||
|
Datum indiening bij EP |
19.3.2010 |
|
|
|
|
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
LIBE 14.7.2009 |
|
|
|
|
|
Medeadviserende commissie(s) Datum bekendmaking |
BUDG 14.7.2009 |
CONT 14.7.2009 |
|
|
|
|
Rapporteur(s) Datum benoeming |
Carlos Coelho 2.9.2009 |
|
|
|
|
|
Betwisting rechtsgrondslag Datum JURI-advies |
JURI 12.4.2011 |
|
|
|
|
|
Behandeling in de commissie |
15.6.2011 |
|
|
|
|
|
Datum goedkeuring |
15.6.2011 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
43 3 1 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Jan Philipp Albrecht, Rita Borsellino, Simon Busuttil, Carlos Coelho, Rosario Crocetta, Cornelis de Jong, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Kinga Gál, Kinga Göncz, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Ágnes Hankiss, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Lívia Járóka, Timothy Kirkhope, Juan Fernando López Aguilar, Baroness Sarah Ludford, Clemente Mastella, Véronique Mathieu, Claude Moraes, Jan Mulder, Georgios Papanikolaou, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Rui Tavares, Wim van de Camp, Daniël van der Stoep, Axel Voss, Renate Weber, Tatjana Ždanoka |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Edit Bauer, Michael Cashman, Anna Maria Corazza Bildt, Luis de Grandes Pascual, Ioan Enciu, Heidi Hautala, Mariya Nedelcheva, Norica Nicolai, Zuzana Roithová, Michèle Striffler, Cecilia Wikström |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Marita Ulvskog |
||||
|
Datum indiening |
21.6.2011 |
||||