Procedure : 2011/0047(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0274/2011

Ingediende teksten :

A7-0274/2011

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/09/2011 - 5.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0355

AANBEVELING     ***
PDF 150kWORD 65k
15.7.2011
PE 466.969v03-00 A7-0274/2011

betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan

(08135/2011 – C7‑0098/2011 – 2011/0047(NLE))

Commissie visserij

Rapporteur: Carmen Fraga Estévez

PR_NLE-AP_art90

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan

(08135/2011 – C7‑0098/2011 – 2011/0047(NLE))

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08135/2011),

–   gezien het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (08135/2011),

–   gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0098/2011),

–   gezien artikel 81 en artikel 90, lid 8, van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie visserij (A7‑0274/2011),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt de Commissie om in alle fora, zowel op internationaal als op bilateraal niveau, waar staten aanwezig zijn waarvan de vloot visserijbelangen heeft in het gebied van het verdrag, te ijveren voor de ondertekening, ratificatie en omzetting ervan, ten einde de inwerkingtreding te bespoedigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering van Nieuw-Zeeland als depositaris van het verdrag.


TOELICHTING

Tot dusver wordt de visserijactiviteit in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan geregeld door twee regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB), de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) en de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC).

Beide organisaties houden zich echter bezig met sterk migrerende soorten. De visserij op andere soorten is in dit grote gebied dus niet gereguleerd, met uitzondering van de EEZ van de kuststaten, die hun eigen regelgeving toepassen.

Om deze lacune op te vullen, en omdat zowel in de EEZ als op volle zee visserijactiviteit plaatsvindt, besloten de regeringen van Australië, Chili en Nieuw-Zeeland in 2006 een overlegprocedure te starten met het oog op de oprichting van een regionale organisatie voor visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO). Het doel van dit overleg was samen te werken om in overeenstemming met het internationaal recht de leemtes te vullen op het vlak van het beheer en de instandhouding van niet over grote afstanden trekkende visbestanden in gebieden op volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan en in die gebieden de biodiversiteit in het mariene milieu te beschermen.

Het aantal communautaire vaartuigen dat in de regio vist (met name op makreel, en zeer uitzonderlijk op bepaalde diepzeesoorten zoals de orange roughy en beryciden) is beperkt, maar op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee is de Europese Unie verplicht om samen te werken met andere belanghebbende partijen in het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het gebied. De EU heeft in dit proces van bij het begin een zeer actieve rol gespeeld, die ertoe heeft geleid dat in de tekst van het verdrag een aantal bepalingen zijn opgenomen die een - weliswaar bescheiden - stap voorwaarts betekenen in vergelijking met andere ROVB's, met name de WCPFC.

De tekst van het verdrag werd uiteindelijk in november 2009 goedgekeurd en staat sinds 1 februari 2010 open voor ondertekening. De EU ondertekende het verdrag op 26 juli 2010, in overeenstemming met het desbetreffende besluit van de Raad van 10 juli 2010.

Momenteel wordt het verdrag door de partijen geratificeerd. Dit ontwerp van besluit van de Raad beoogt dan ook de ratificatie door de EU.

Het verdrag kan pas in werking treden wanneer het door 8 betrokken partijen is geratificeerd, waaronder drie kuststaten en drie niet-kuststaten. Op dit moment hebben al drie niet-kuststaten het verdrag geratificeerd (Belize, Cuba en Denemarken - namens de Faeröer‑eilanden), alsook één kuststaat (de Cook‑eilanden).

Opmerkingen van de rapporteur

De totstandkoming van de SPRFMO wordt in het ontwerp van de Raad beschreven en daarom wil de rapporteur hier niet verder op ingaan, ook al blijkt uit dit overzicht niet hoe hard de EU-onderhandelaars vier jaar lang hebben moeten strijden om net een ietsje verder te gaan dan wat is vastgesteld in het VN-Verdrag van 1982 over transzonale en sterk migrerende visbestanden, dat met betrekking tot de toepassing van de voorschriften binnen en buiten de EEZ niet meer dan het strikte minimum bevat en al herhaaldelijk is bijgesteld in recentere voorstellen, die door de EU met klem zijn verdedigd, waarbij de bescherming van de biodiversiteit, onder meer door het bevorderen van goede visserijpraktijken, een globale doelstelling is, van toepassing op alle wereldzeeën, zonder onderscheid tussen hoge zee en EEZ.

In de eerste plaats wil de rapporteur erop wijzen dat de meeste staten nog steeds erg terughoudend zijn om in hun wateren instandhoudingsmaatregelen op grond van het internationale recht te accepteren. En het is erg ontmoedigend wanneer deze tegenstand tot uiting komt in ROVB's die geleid worden door staten die voorstander heten te zijn - of toch die indruk hebben weten te wekken - van goede visserijpraktijken, zoals Australië, Nieuw-Zeeland en Chili, die de aanzet tot deze nieuwe ROVB hebben gegeven.

Het feit dat geen van deze drie landen het verdrag heeft geratificeerd (hoewel zij het initiatief ertoe hadden genomen), en dat de ratificatie in het algemeen het langst op zich laat wachten in de kuststaten van het verdragsgebied, is nog een bron van bezorgdheid.

Ook hier blijkt weer dat - hoewel we nog steeds regelmatig zelfkritiek leveren - het idee van een verantwoord mondiaal beheer in de EU algemeen ingang heeft gevonden, en dat de standpunten van de EU en landen als Australië en Nieuw-Zeeland in deze optiek steeds verder uit elkaar komen te liggen. De rapporteur meent dat dit punt onder de aandacht moet worden gebracht.

Momenteel zijn in het verdragsgebied naast de EU negen staten actief (Belize, Chili, China, de Cookeilanden, Faeröer, Korea, Peru, Vanuatu en de Russische Federatie).

In afwachting van de inwerkingtreding van het verdrag hebben de betrokken partijen tijdelijke afspraken gemaakt voor de visserij op pelagische soorten, waarbij maximale vangstcijfers zijn vastgesteld voor elke partij en waarbij de visserijinspanning op een vastgesteld niveau is bevroren. Volgens de wetenschappelijke verslagen zijn de makreelvoorraden tijdens de laatste jaren zorgwekkend gedaald. Hiermee is bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden rekening gehouden. Volgens het wetenschappelijk verslag van 2011 bedraagt de maximale vangst voor de EU 40.000 ton, bij een maximale visserijinspanning van 78.600 bt. De biomassacijfers worden in oktober opnieuw bekeken, maar verwacht wordt dat de vangstmogelijkheden in het beste geval op het huidige niveau zullen worden gehandhaafd.

De vangstmogelijkheden van de EU zijn toereikend voor 10 extra vaartuigen, buiten de 2 tot 4 communautaire vaartuigen die nu al in het gebied actief zijn. Zelfs al worden aanvragen voor dit maximum van 10 vaartuigen ingediend, dan nog is het gezien de afstand naar de havens van oorsprong niet te verwachten dat de vaartuigen tegelijkertijd in het gebied aanwezig zullen zijn.

Het verdrag heeft betrekking op de exploitatie van transzonale bestanden, waaronder makreel. De rapporteur heeft bedenkingen bij artikel 20, lid 4, letter a), en met name punt iii) daarvan. In principe bepaalt het verdrag dat de bevoegde commissie de TAC's of de maximaal toegestane visserijinspanning voor een gegeven visbestand vaststelt voor het hele verspreidingsgebied van dat bestand.

Punt iii) houdt echter in dat als een verdragsluitende kuststaat niet instemt met een TAC, deze voor zijn eigen wateren een verschillende TAC kan vaststellen. Aangezien het om transzonale visbestanden gaat, kan een dergelijke vrijstelling van de algemene TAC het effect van de instandhoudingsmaatregel onmiddellijk tenietdoen.

Er is echter ook een vijfde lid in artikel 20 opgenomen, dat de Commissie in staat stelt om noodmaatregelen te nemen indien zij van oordeel is dat de visserijactiviteit een ernstige bedreiging vormt voor de visbestanden.

Het valt af te wachten of deze oplossing resultaten afwerpt, want de noodmaatregelen hebben slechts een tijdelijk karakter. Maar het is ongetwijfeld een stap in de goede richting, die erg welkom is.

Tijdens de onderhandelingen over de verdragstekst heeft de EU ook garanties verkregen ten aanzien van de bezwaarprocedure. In tegenstelling tot andere ROVB's volstaat het niet dat een verdragsluitende partij bezwaar maakt tegen een maatregel om hiervan te worden vrijgesteld. De bezwaarprocedure is veel strikter. Een bezwaar kan alleen om welbepaalde redenen worden ingediend, en - nog belangrijker - de bezwaarmakende staat moet alternatieve maatregelen vaststellen die van gelijke werking zijn.

Tenslotte garandeert het verdrag de vaartuigen van een verdragsluitende partij ook toegang tot de havens van andere verdragsluitende staten. Voor de communautaire pelagische vloot betekent dit dat zij toegang krijgt tot de Chileense havens.

Rekening houdend met de enorme terughoudendheid die in de kuststaten in dit deel van de wereld bestaat om in hun EEZ internationale instandhoudingsmaatregelen te accepteren, meent de rapporteur dat de positieve punten van het verdrag opwegen tegen de tekortkomingen. Zij blijft in ieder geval van mening dat de EU in alle ROVB's aanwezig moet zijn, zowel om haar prioriteiten ten aanzien van een duurzaam visserijbeleid te verdedigen, als om de belangen van haar vloot te beschermen en indien nodig te voorkomen dat de strijd tegen de IOO-visserij wordt ondergraven.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.7.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Josefa Andrés Barea, Antonello Antinoro, Kriton Arsenis, Alain Cadec, Carmen Fraga Estévez, Marek Józef Gróbarczyk, Carl Haglund, Iliana Malinova Iotova, Werner Kuhn, Isabella Lövin, Gabriel Mato Adrover, Guido Milana, Maria do Céu Patrão Neves, Crescenzio Rivellini, Ulrike Rodust, Struan Stevenson, Jarosław Leszek Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Chris Davies, Estelle Grelier, Raül Romeva i Rueda, Nikolaos Salavrakos

Juridische mededeling - Privacybeleid