VERSLAG over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)

    15.7.2011 - (COM(2010)0061 – C7‑0045/2010 – 2010/0039(COD)) - ***I

    Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
    Rapporteur: Simon Busuttil
    PR_COD_1amCom


    Procedure : 2010/0039(COD)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0278/2011
    Ingediende teksten :
    A7-0278/2011
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)

    (COM(2010)0061 – C7‑0045/2010 – 2010/0039(COD))

    (Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

    Het Europees Parlement,

    –   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0061),

    –   gezien artikel 294, lid 2, artikel 74 en artikel 77, lid 1, onder b) en c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0045/2010),

    –   gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

    –   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

    –   gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van het protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid werd ingediend door de Poolse senaat, en waarin het ontwerpwetgevingsbesluit in strijd met het subsidiariteitsbeginsel werd geacht,

    –   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 juli 2010[1],

    –   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 7 juli 2011 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

    –   gezien artikel 55 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0278/2011),

    1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

    2.  hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie gevoegde verklaring;

    3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

    4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

    AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT[2]*

    op het voorstel van de Commissie

    ---------------------------------------------------------

    Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)

    HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

    gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 74 en artikel 77, lid 2, letters b) en d),

    gezien het voorstel van de Commissie,

    gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

    na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

    handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

    overwegende hetgeen volgt:

    (1)    Het blijft een belangrijke beleidsdoelstelling van de Europese Unie om op basis van mensenrechten, solidariteit en verantwoordelijkheid een toekomstgericht en integraal Europees migratiebeleid te ontwikkelen, in het bijzonder voor de lidstaten die onder specifieke of onevenredige druk staan.

    (2)    Het beleid van de Unie op het gebied van de buitengrenzen moet door middel van geïntegreerd beheer zorgen voor een hoog en uniform niveau van controle en bewaking, hetgeen een noodzakelijk uitvloeisel is van het vrije verkeer van personen in de Europese Unie en een wezenlijk onderdeel van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Daartoe wordt de opstelling van gemeenschappelijke regels inzake normen en procedures voor de controle aan de buitengrenzen overwogen.

    (3)    Voor een efficiënte tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke regels is meer coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten nodig.

    (4)    Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en meer bepaald de menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel, het beginsel van niet-uitwijzing, het non-discriminatiebeginsel, de rechten van het kind, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. De lidstaten moeten deze verordening toepassen in overeenstemming met deze rechten en beginselen. Gebruik van geweld moet in overeenstemming zijn met de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat, met inbegrip van de beginselen van noodzaak en evenredigheid.

    (4 bis) De tenuitvoerlegging van deze verordening laat de rechten of verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen onverlet.

    (5)    In 2004 hechtte de Raad zijn goedkeuring aan Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex) (hierna "het Agentschap" genoemd), dat in mei 2005 operationeel werd.

    (6)    Verordening (EG) nr. 2007/2004 werd in 2007 gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 863/2007 tot instelling van een mechanisme voor de oprichting van snelle-grensinterventieteams.

    (7)    Efficiënt beheer van de buitengrenzen middels controle en bewaking helpt de illegale immigratie en de mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te beperken.

    (8)    Grenstoezicht is niet alleen in het belang van de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar in dat van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft.

    (8 bis) Verdere uitbreiding van de rol van het Agentschap sluit aan bij het doel van de Unie een beleid te ontwikkelen ter geleidelijke invoering van het denkbeeld "geïntegreerd grensbeheer". Het Agentschap moet de lidstaten binnen de grenzen van zijn taakomschrijving steunen bij de tenuitvoerlegging van dit denkbeeld zoals dat is omschreven in de conclusies van de Raad inzake geïntegreerd grensbeheer van 4 december 2006.

    (9)    Het door de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 goedgekeurde meerjarenprogramma voor een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger (het programma van Stockholm) roept op om de rol van het Agentschap bij het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie te verduidelijken en uit te breiden.

    (10)  Het mandaat van het Agentschap dient dan ook te worden herzien om met name de operationele capaciteit van het Agentschap te vergroten, en daarbij te waarborgen dat alle getroffen maatregelen evenredig zijn aan de doelstellingen, doelmatig zijn en de grondrechten en rechten van vluchtelingen en asielzoekers ten volle eerbiedigen, met name wat betreft het verbod op uitwijzing.

    (11)  De huidige mogelijkheden om de lidstaten effectief te ondersteunen bij de operationele aspecten van het beheer van de buitengrenzen moeten worden versterkt wat betreft de beschikbare technische middelen; het Agentschap moet de coördinatie van gezamenlijke operaties of proefprojecten voldoende nauwkeurig kunnen plannen.

    (12)  Een voorschrift betreffende de minimaal door de lidstaten en/of het Agentschap op de grondslag van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten beschikbaar te stellen technische uitrusting zal in hoge mate bijdragen tot verbetering van de planning en uitvoering van de door het Agentschap gecoördineerde operaties.

    (13)  Het Agentschap dient lijsten te beheren van technische uitrusting die in het bezit is van de lidstaten of van het Agentschap en van uitrusting die de lidstaten en het Agentschap gezamenlijk bezitten, door in een gezamenlijk bestand van technische uitrusting gecentraliseerde registers aan te leggen en bij te houden. Dit bestand dient het minimumaantal categorieën technische uitrusting te bevatten die het Agentschap nodig heeft om zijn activiteiten te kunnen uitvoeren.

    (14)  Om te waarborgen dat de operaties doeltreffend verlopen, dient het Agentschap ploegen grenswachten op te richten. De lidstaten leveren een bijdrage tot deze ploegen door een passend aantal bekwame grenswachten beschikbaar te stellen voor inzet, tenzij zij het hoofd moeten bieden aan buitengewone omstandigheden waardoor het verrichten van nationale taken in aanzienlijke mate wordt beïnvloed.

    (15)  Het Agentschap moet aan deze teams de grenswachten kunnen toevoegen die door de lidstaten op semipermanente basis bij het Agentschap zijn gedetacheerd; voor deze grenswachten geldt bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden het zelfde wettelijke kader als voor de uitgezonden functionarissen die rechtstreeks door de lidstaten aan de teams worden toegevoegd. Het Agentschap dient zijn interne regels inzake gedetacheerde nationale deskundigen in die zin aan te passen dat de ontvangende staat de grenswachten tijdens gezamenlijke operaties en proefprojecten rechtstreeks instructies kan geven.

    (16)  Een vastomlijnd operationeel plan, met een evaluatieregeling en een verplichting om incidenten te melden, dat vóór het begin van de operaties wordt overeengekomen door het Agentschap en de ontvangende lidstaat, in overleg met de deelnemende lidstaten en het Agentschap, zal de doelstelling van deze verordening veel dichterbij brengen met een harmonieuzer modus operandi wat betreft de coördinatie van de operaties.

    (17)  de regeling voor incidentenmelding dient door het Agentschap te worden gebruikt om aan de bevoegde openbare autoriteiten en de raad van bestuur gegevens door te geven over geloofwaardige beschuldigingen van inbreuken op Verordening (EG) nr. 2007/2004 of de Schengengrenscode[3], en dus ook de grondrechten, gedurende gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle acties;

    (18)  Risicoanalyse is van groot belang gebleken voor het verrichten van operaties aan de buitengrenzen. De kwaliteit hiervan dient te worden verbeterd door een methode toe te voegen ter beoordeling van het vermogen van lidstaten in de toekomst het hoofd te bieden aan problemen, o.m. bestaande en toekomstige gevaren en druk aan de buitengrenzen van de lidstaten. Deze evaluaties dienen het Schengenevaluatiemechanisme echter onverlet te laten.

    (19)  Het Agentschap moet op Europees niveau voorzien in opleiding, onder meer op het gebied van de grondrechten, internationale bescherming en beschikbaarheid van asielprocedures, voor opleiders van nationale grenswachten en in bijscholing en studiebijeenkomsten voor personeelsleden van de bevoegde nationale diensten met betrekking tot controle en bewaking van de buitengrenzen en verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn. Het Agentschap kan in samenwerking met de lidstaten opleidingsactiviteiten, o.m. een uitwisselingsprogramma, organiseren op hun grondgebied. De lidstaten dienen de resultaten van het werk van het Agentschap te integreren in de nationale opleidingsprogramma's van hun grenswachten.

    (20)  Het Agentschap dient de voor zijn werkterrein relevante ontwikkelingen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek te volgen en hiertoe bij te dragen, en deze informatie door te geven aan de Commissie en de lidstaten.

    (21)  In de meeste lidstaten vallen de operationele aspecten van de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten die belast zijn met de controle aan de buitengrenzen. Aangezien het een duidelijke meerwaarde heeft om deze taken op het niveau van de Unie uit te voeren, moet het Agentschap, geheel in overeenstemming met het terugkeerbeleid van de Unie, zorgen voor het organiseren of coördineren van gezamenlijke terugkeeroperaties van de lidstaten, optimale werkwijzen vaststellen voor het verkrijgen van reisdocumenten en een gedragscode opstellen voor de verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn. Er dienen geen financiële middelen van de Unie beschikbaar te worden gesteld voor activiteiten en operaties waarvan de uitvoering niet strookt met het Handvest van de grondrechten.

    (22)  Voor het verrichten van zijn opdracht en voor zover dat voor de uitvoering van zijn taken nodig is, kan het Agentschap met Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau voor de grondrechten en andere Agentschappen en organen van de Europese Unie, de bevoegde autoriteiten van derde landen en de internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de onder Verordening (EG) nr. 2007/2004 vallende aangelegenheden, samenwerken in het kader van werkafspraken overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag. Het Agentschap moet de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid van de Europese Unie inzake externe betrekkingen vergemakkelijken.

    (23)  Het wordt steeds belangrijker om op het gebied van zaken die onder Verordening (EG) nr. 2007/2004 vallen met derde landen samen te werken. Voor solide samenwerking met relevante derde landen moet het Agentschap technische-bijstandsprojecten kunnen financieren en in samenwerking met de bevoegde instanties in die landen verbindingsofficieren in derde landen kunnen inzetten. Het Agentschap moet vertegenwoordigers van derde landen kunnen uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten, na de nodige opleiding te hebben aangeboden. Het aangaan van samenwerking met derde landen is ook van betekenis voor de bevordering van de Europese normen voor grensbeheer, zoals de eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

    (24)  Teneinde open en transparante arbeidsvoorwaarden en gelijke behandeling van personeel te waarborgen, moeten zowel op het personeel als op de uitvoerend directeur van het Agentschap het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna "het Statuut" genoemd) van toepassing zijn, met inbegrip van de voorschriften inzake het beroepsgeheim of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht.

    (24 bis) Voorts moet de raad van bestuur van het Agentschap specifieke bepalingen aannemen om het mogelijk te maken dat nationale deskundigen bij het Agentschap worden gedetacheerd. In deze bepalingen dient o.m. te worden gespecificeerd dat gedetacheerde nationale grenswachten die worden ingezet in het kader van gezamenlijk optreden, proefprojecten en snelle acties moeten worden beschouwd als gastambtenaren met de dienovereenkomstige taken en bevoegdheden.

    (25)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[4] is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap. De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming dient dan ook te waken over de verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap en het recht te hebben om van het Agentschap toegang te krijgen tot alle informatie die voor zijn onderzoek nodig is.

    (26)  Voor zover de lidstaten persoonsgegevens verwerken, is Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[5], onverkort van toepassing.

    (27)  Bij het verzorgen van het operationele beheer van de IT-systemen moet het Agentschap Europese en internationale normen, onder meer met betrekking tot gegevensbescherming, toepassen en de strengste professionele vereisten in acht nemen.

    (28)  Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk bijdragen tot de totstandbrenging van een geïntegreerd beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om dat doel te verwezenlijken.

    (29)  Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de Schengenwetgeving in de zin van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van de Schengenwetgeving, die valt onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG[6] van de Raad inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst. Delegaties van de republiek IJsland en het koninkrijk Noorwegen dienen derhalve als leden van de raad van bestuur van het Agentschap deel te nemen, zij het met beperkt stemrecht.

    (30)  Wat Zwitserland betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van de Schengenwetgeving, in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van de Schengenwetgeving[7], die vallen onder het gebied dat is bedoeld in artikel 1, de punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3, van Besluit 2008/146/EG van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van die Overeenkomst. Bijgevolg dienen delegaties van de Zwitserse Bondsstaat als leden van de raad van bestuur van het Agentschap deel te nemen, zij het met beperkt stemrecht.

    (31)  Wat Liechtenstein betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van de bepalingen van de Schengenwetgeving, als bedoeld in het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van de Schengenwetgeving, die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, de punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG van 17 mei 1999 van de Raad, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU[8] van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol. Bijgevolg dienen delegaties van het Vorstendom Liechtenstein als leden van de raad van bestuur van het Agentschap deel te nemen, zij het met beperkt stemrecht.

    (32)  Volgens het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken neemt Denemarken niet deel aan de aanneming door de Raad van overeenkomstig titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorgestelde maatregelen, met uitzondering echter van "maatregelen tot bepaling van de derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum of (...) maatregelen betreffende een uniform visummodel". Aangezien dit voorstel een ontwikkeling van het Schengenwetgeving vormt, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad een besluit heeft genomen over een voorstel of een initiatief tot uitwerking van het Schengenwetgeving uit hoofde van de bepalingen van titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, of het dit besluit in zijn nationale wetgeving zal omzetten.

    (33)  Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van de Schengenwetgeving waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van de Schengenwetgeving[9]. Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de aanneming van deze beschikking en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

    (34)  Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van de Schengenwetgeving waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van de Schengenwetgeving[10]. Ierland neemt derhalve niet deel aan de aanneming van deze beschikking en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

    (35)  Het Agentschap dient de organisatie te vergemakkelijken van operationele acties, waarbij de lidstaten gebruik kunnen maken van de deskundigheid en faciliteiten die Ierland en het Verenigd Koninkrijk eventueel bereid zijn aan te bieden, overeenkomstig nadere voorwaarden die per geval door de raad van bestuur worden vastgelegd. Daartoe dienen vertegenwoordigers van Ierland en het Verenigd Koninkrijk voor alle vergaderingen van de raad van bestuur te worden uitgenodigd, zodat zij volledig kunnen deelnemen aan de besprekingen ter voorbereiding van dergelijke operationele acties.

    (36)  Er bestaat een controverse tussen het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk over de afbakening van de grenzen van Gibraltar.

    (37)  De opschorting van de toepasbaarheid van deze verordening op de grenzen van Gibraltar betekent niet dat de respectieve standpunten van de betrokken staten gewijzigd zijn,

    HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

    Artikel 1

    Wijziging

    Verordening (EG) nr. 2007/2004 wordt als volgt gewijzigd:

    (1)    Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:

    "2.         Niettegenstaande het feit dat de verantwoordelijkheid voor de controle en bewaking van de buitengrenzen bij de lidstaten berust, vergemakkelijkt het Agentschap als orgaan van de Unie, zoals bedoeld in artikel 15 en in overeenstemming met artikel 19 de toepassing van de bestaande en toekomstige maatregelen van de Europese Unie in verband met het beheer van de buitengrenzen, met name de Schengengrenscode[11]▌. Hiertoe coördineert het de acties van de lidstaten ter uitvoering van deze maatregelen; aldus draagt het bij tot een doelmatig, hoog en uniform niveau van de controle van personen en de bewaking van de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie.

    Het Agentschap vervult zijn taken met inachtneming van het desbetreffende EU-recht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het internationaal recht, waaronder het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-uitwijzing, en de grondrechten, en rekening houdend met de verslagen van het in artikel 26 bis bedoelde Raadgevend Forum."

    (1 bis) Artikel 1, lid 3, wordt vervangen door:

    "3.        "Het Agentschap voorziet de Commissie en de lidstaten van de nodige technische ondersteuning en kennis op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en bevordert de solidariteit tussen de lidstaten, met name indien deze onder specifieke en onevenredige druk staan."

    (2)    Artikel 1 bis wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    het volgende punt wordt toegevoegd:

    (1 bis)      "Europese grenswachtploegen": in de zin van de artikelen 3, 3ter, 3 quater, 8 en 17, ploegen die worden ingezet tijdens gezamenlijke optredens en proefprojecten; in de zin van de artikelen 8 bis t/m 8 octies, ploegen die kunnen worden ingezet voor snelle interventies aan de grenzen (hieronder "snelle interventies " genoemd) in de zin van Verordening (EG) nr. 863/2007 en in de zin van de punten e bis) en g) van artikel 2, lid 1 en artikel 5, ploegen die kunnen worden ingezet tijdens gezamenlijke optredens, proefprojecten en snelle interventies,"

    (a bis)   punt 2 wordt vervangen door:

    "2.    "ontvangende lidstaat": een lidstaat waarin een snelle interventie, een gezamenlijk optreden of een proefproject plaatsvindt of die dient als uitvalsbasis hiervoor;"

    (b)    punt 4 wordt vervangen door:

    "4.    "teamleden": grenswachten van lidstaten die deel uitmaken van de Europese grenswachtploegen en die geen grenswacht zijn van de ontvangende lidstaat;

    (c)    punt 5 wordt vervangen door:

    "5.   "verzoekende lidstaat": een lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten het Agentschap verzoeken om op zijn grondgebied snelle-interventieteams in te zetten;

    (3)    Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

    (i)     de punten c) en d) worden vervangen door:

    (c)    risicoanalyses uitvoeren, waaronder een beoordeling van de capaciteit van de lidstaten om het hoofd te bieden aan dreigingen en druk aan de buitengrenzen;

    (d)    betrokken zijn bij de ontwikkelingen op het gebied van onderzoek dat relevant is voor het toezicht aan en de bewaking van de buitengrenzen;

    (i bis)       het volgende punt wordt toegevoegd:

    (d bis) de lidstaten bijstaan in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee;"

    (i ter)       punt e) wordt vervangen door:

    "(e)  de lidstaten bijstaan in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen, met name indien zij onder specifieke en onevenredige druk staan;"

    (i quater) het volgende punt wordt toegevoegd:

    "(e bis) opzetten van Europese grenswachtploegen die worden ingezet tijdens gezamenlijke optredens, proefprojecten en snelle interventies;"

    (ii)    punt f) wordt vervangen door:

    "(f)    de lidstaten de nodige ondersteuning bieden, waaronder het op verzoek coördineren of organiseren van gezamenlijke terugkeeroperaties;"

    (ii bis) punt g) wordt vervangen door:

            "(g) grenswachten van de Europese grenswachtploegen in de lidstaten inzetten in het kader van gezamenlijke optredens, proefprojecten of snelle interventies overeenkomstig Verordening (EG) nr. 863/2007;"

    (iii) onderstaande punten ▌worden toegevoegd:

    "(h)   ontwikkelen en beheren, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001, van informatiesystemen waarmee informatie over nieuwe risico's aan de buitengrenzen snel en betrouwbaar kunnen worden uitgewisseld, waaronder het bij Beschikking 2005/267/EG* van de Raad opgerichte informatie- en coördinatienetwerk;

    (i)     de nodige steun verlenen voor de ontwikkeling en het beheer van een Europees grensbewakingssysteem en zo nodig voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke structuur voor informatie-uitwisseling, met inbegrip van interoperabiliteit tussen systemen."

    __________________

    PB L 83 van 1.4.2005, blz. 48."

    (b)  Het volgende lid ▌wordt toegevoegd:

    (1 bis) Overeenkomstig het Unierecht en het internationale recht mogen personen niet ontscheept worden in, of op een andere wijze worden overgedragen aan de autoriteiten van een land dat handelt in strijd met het beginsel van niet-uitwijzing of waar zij het risico lopen te worden uitgewezen of teruggeleid naar een ander land dat handelt in strijd met genoemd beginsel. In overeenstemming met het Unierecht en het internationale recht wordt voorzien in de bijzondere behoeften van kinderen, slachtoffers van mensenhandel, personen die medische bijstand behoeven, personen die internationale bescherming behoeven en andere kwetsbare personen.

    (c)    in lid 2 wordt de laatste alinea vervangen door:

    "Zij brengen aan het Agentschap verslag uit over de operationele aangelegenheden in verband waarmee aan de buitengrenzen wordt samengewerkt buiten het kader van het Agentschap. De uitvoerend directeur informeert de raad van bestuur geregeld en ten minste eenmaal per jaar."

    (3 bis) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    "Artikel 2 bis

    Gedragscode

    Het Agentschap stelt een gedragscode op die van toepassing is op alle door het Agentschap gecoördineerde optredens, en ontwikkelt deze verder. In de gedragscode worden voor alle personen die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap geldende procedures vastgelegd ter waarborging van de beginselen van de rechtstaat en eerbiediging van de mensenrechten met bijzondere nadruk op niet-vergezelde minderjarigen en kwetsbare personen, alsook op personen die verzoeken om internationale bescherming.

    De gedragscode wordt opgesteld in samenwerking met het in artikel 26 bis bedoelde Raadgevend Forum.

    (4)    Artikel 3 wordt vervangen door:

    "Artikel 3

    Gezamenlijke operaties en proefprojecten aan de buitengrenzen

    1.           De door de lidstaten ingediende voorstellen voor gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies en proefprojecten worden door het Agentschap geëvalueerd, goedgekeurd en gecoördineerd, met inbegrip van de verzoeken van de lidstaten die verband houden met omstandigheden die meer technische en operationele bijstand vergen, in het bijzonder in geval van specifieke en onevenredige druk.

    Het Agentschap kan in samenwerking met de betrokken lidstaten en, in overleg met de ontvangende lidstaten, zelf gezamenlijke operaties en proefprojecten initiëren en uitvoeren.

    Het Agentschap kan ook besluiten zijn technische uitrusting ter beschikking te stellen van lidstaten die aan gezamenlijke operaties of proefprojecten deelnemen.

    Aan gezamenlijke operaties en proefprojecten dient een grondige risicoanalyse vooraf te gaan.

    1 bis.     Het Agentschap kan, na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, gezamenlijke operaties en proefprojecten ook stopzetten, wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van deze initiatieven.

    Deelnemende lidstaten kunnen het Agentschap verzoeken een gezamenlijk optreden of proefproject te beëindigen.

    De lidstaat van herkomst voorziet overeenkomstig zijn wetgeving in de nodige tucht- of andere maatregelen, ingeval tijdens deze activiteiten de grondrechten worden geschonden of de verplichtingen op het gebied van internationale bescherming niet worden geëerbiedigd.

    De uitvoerend directeur van het Agentschap schort gezamenlijke operaties en proefprojecten geheel of ten dele op of zet ze stop, wanneer hij van oordeel is dat de betrokken inbreuken ernstig zijn of waarschijnlijk zullen blijven bestaan."

    2.           Het Agentschap vormt overeenkomstig artikel 3 ter een gezamenlijk bestand van grenswachten, de zogeheten gezamenlijke Europese grenswachtploegen, voor eventuele inzet bij de in lid 1 bedoelde gezamenlijke operaties en proefprojecten. Het beslist over de inzet van personele middelen en technische uitrusting overeenkomstig de artikelen 3 bis en 7.

    3.           Het Agentschap kan voor de praktische organisatie van gezamenlijke operaties en proefprojecten via zijn in artikel 16 bedoelde gespecialiseerde bijkantoren optreden.

    4.           Het Agentschap evalueert de resultaten van de gezamenlijke operaties en proefprojecten en geeft de gedetailleerde evaluatieverslagen binnen 60 dagen na het einde van de activiteit door aan de raad van bestuur, vergezeld van de waarnemingen van de in artikel 26 bis bedoelde grondrechtenfunctionaris. Het Agentschap maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en efficiëntie van toekomstige operaties en projecten; deze analyse wordt in zijn in artikel 20, lid 2, onder b), bedoelde algemene verslag opgenomen.

    5.           Het Agentschap besluit de in lid 1 bedoelde gezamenlijke operaties en proefprojecten te financieren of mee te financieren via subsidies die overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regels uit zijn begroting worden toegekend.

    5 bis.     De leden 5 en 2 zijn ook van toepassing op snelle interventies".

    (5)    De volgende artikelen ▌worden ingevoegd:

    "Artikel 3 bis

    Organisatorische aspecten van gezamenlijke operaties en proefprojecten

    1.           De uitvoerend directeur stelt een operationeel plan op voor de in artikel 3, lid 1, bedoelde activiteiten. De uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat stellen in overleg met de deelnemende lidstaten het operationele plan vast waarin de organisatorische aspecten tijdig, dat wil zeggen vóór de geplande aanvang van de activiteit, worden opgenomen.

    Het operationele plan omvat alle aspecten die voor de uitvoering van gezamenlijke operaties en proefprojecten nodig worden geacht, zoals:

    (a)    een beschrijving van de situatie, met modus operandi, en de doelstellingen van de inzet, inclusief het operationele doel;

    (b)    de te verwachten duur van de gezamenlijke operatie of het proefproject;

    (c)    het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie of het proefproject zal plaatsvinden;

    (d)    een beschrijving van taken en speciale instructies voor de uitgezonden functionarissen, onder meer over de vraag welke gegevensbanken in de ontvangende lidstaat door de teamleden mogen worden geraadpleegd en welke dienstwapens, munitie en uitrusting zij daar mogen hebben;

    (e)    de samenstelling van de teams van uitgezonden functionarissen en de inzet van ander relevant personeel;

    (f)     voorschriften inzake bevelvoering en controle, waaronder de naam en rang van de grenswachten van de ontvangende lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met de uitgezonden functionarissen en het Agentschap, in het bijzonder van de grenswachten die tijdens de duur van de inzet het bevel voeren, alsook de plaats van de uitgezonden functionarissen in de bevelstructuur;

    (g)    de bij de gezamenlijke operatie of het proefproject in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten, zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten, en financiële voorzieningen;

    (g bis)   nauwkeurige bepalingen over onverwijlde rapportage van incidenten door het Agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties.

    (h)    een meldings- en evaluatieregeling met ▌ ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 4.

    (i)     voor operaties op zee, specifieke gegevens betreffende de toepasselijke jurisdictie en wetgeving in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het internationaal en Unierecht inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping.

    (j)     voorwaarden voor samenwerking met derde landen, andere Agentschappen en organen van de Unie of internationale organisaties.

    2.           Voor wijzigingen of aanpassingen van het operationele plan is de instemming van de uitvoerend directeur van het Agentschap en de ontvangende lidstaat vereist. Het Agentschap dient onmiddellijk een kopie van het gewijzigde of aangepaste operationele plan toe te zenden aan de deelnemende lidstaten.

    3.           Het Agentschap zorgt in het kader van zijn coördinerende taken voor de operationele tenuitvoerlegging van alle organisatorische aspecten, waaronder de aanwezigheid van een personeelslid van het Agentschap tijdens de in dit artikel bedoelde gezamenlijke operaties en proefprojecten.

    Artikel 3 ter

    Samenstelling en inzet van Europese grenswachtploegen

    1.           Op voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden over het profiel en het totale aantal van de grenswachten die aan de Europese grenswachtploegen ter beschikking dienen te worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele navolgende wijzigingen in het profiel en in het totale aantal. Via een nationaal bestand, opgebouwd op basis van de verschillende vastgestelde profielen, dragen de lidstaten bij tot de Europese grenswachtploegen door grenswachten aan te wijzen die beantwoorden aan de verlangde profielen.

    2.           De bijdrage van de lidstaten betreffende het inzetten van hun grenswachten voor specifieke operaties in het komende jaar wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten de grenswachten voor inzet ter beschikking op verzoek van het Agentschap, tenzij de lidstaten geconfronteerd worden met een onvoorziene situatie die de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang brengt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 45 dagen voor de gewenste inzet ingediend. De autonomie van de lidstaat van herkomst wat betreft de selectie van het personeel en de duur van de inzet ervan blijft onaangetast.

    3.           Ook het Agentschap draagt tot de Europese grenswachtploegen bij met bekwame grenswachten, die krachtens artikel 17, lid 5, door de lidstaten gedetacheerd zijn als nationale deskundigen. De bijdrage van de lidstaten betreffende de detachering van hun grenswachten bij het Agentschap voor het komende jaar, wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten.

    Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten de grenswachten ter beschikking voor detachering, tenzij dit de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang zou brengen. In dergelijke situaties kunnen de lidstaten hun gedetacheerde grenswachten terugroepen.

    Deze detacheringen hebben een maximale duur van zes maanden per periode van twaalf maanden. Deze grenswachten worden in het kader van deze verordening beschouwd als uitgezonden functionarissen en hebben de in artikel 10 bedoelde taken en bevoegdheden. De lidstaat die de betrokken grenswachten heeft gedetacheerd, wordt beschouwd als "lidstaat van herkomst" in de zin van artikel 1 bis, punt 3), voor de toepassing van de artikelen 3 quater, 10 en 10 ter. Ander tijdelijk personeel van het Agentschap, dat niet bevoegd is om grenscontroletaken te verrichten, wordt bij gezamenlijke operaties en proefprojecten alleen ingezet voor coördinatietaken.

    4.           De leden van de Europese grenswachtploegen eerbiedigen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden ten volle de grondrechten, waaronder de toegang tot asielprocedures, en de menselijke waardigheid. De bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden genomen maatregelen staan in verhouding tot de met die maatregelen beoogde doelstellingen. Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden mogen zij niemand discrimineren op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

    5.           Overeenkomstig artikel 8 octies, benoemt het Agentschap voor elke operatie en elk proefproject waarbij leden van de Europese grenswachtploegen worden ingezet een coördinerend functionaris.

    De coördinerend functionaris bevordert de samenwerking en de coördinatie tussen de ontvangende en de deelnemende lidstaten.

    6.           Het Agentschap draagt de kosten die door de lidstaten worden gemaakt om ingevolge lid 1 hun grenswachten ter beschikking te stellen voor de Europese grenswachtploegen overeenkomstig artikel 8 nonies.

    6 bis.     Het Agentschap deelt elk jaar aan het Europees Parlement mede hoeveel grenswachten elke lidstaat overeenkomstig dit artikel ter beschikking heeft gesteld voor de Europese grenswachtploegen.

    Artikel 3 quater

    Opdrachten aan de Europese grenswachtploegen

    1.           Tijdens de inzet van de Europese grenswachtploegen geeft de ontvangende lidstaat instructies aan de teams volgens het in artikel 3 bis, lid 1, bedoelde operationele plan.

    2.           Via zijn coördinerend functionaris, zoals bedoeld in artikel 3 ter, lid 5, kan het Agentschap de ontvangende lidstaat zijn visie geven op die instructies. De ontvangende lidstaat houdt daar in dat geval rekening mee.

    3.           Overeenkomstig artikel 8 octies verleent de ontvangende lidstaat de coördinerend functionaris alle nodig bijstand, met inbegrip van de volledige toegang tot de Europese grenswachtploegen gedurende de gehele periode waarin deze worden ingezet.

    4.           De leden van de Europese grenswachtploegen blijven bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst."

    (6)    Artikel 4 wordt vervangen door:

    "Artikel 4

    Risicoanalyse

    Het Agentschap ontwikkelt een gemeenschappelijk model voor geïntegreerde risicoanalyse en past dit toe.

    Het Agentschap voert algemene en specifieke risicoanalyses uit die bij de Raad en de Commissie worden ingediend.

    Met het oog op risicoanalyses kan het Agentschap, na voorafgaand overleg met de betrokken lidstaat of lidstaten, een evaluatie maken van zijn/hun capaciteit ▌om het hoofd te bieden aan nieuwe uitdagingen, waaronder bestaande en toekomstige dreigingen en druk aan de buitengrenzen van de lidstaten; zulks geldt met name ten aanzien van lidstaten die onder specifieke en onevenredige druk staan. Het Agentschap kan daartoe de uitrusting en de middelen van de lidstaten op het gebied van grenscontrole evalueren. De evaluatie geschiedt op basis van door de betrokken lidsta(a)t(en) verstrekte informatie en de verslagen en resultaten van gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies en andere activiteiten van het Agentschap. Deze evaluaties laten het Schengenevaluatiemechanisme onverlet.

    De resultaten van deze evaluaties worden voorgelegd ▌aan de raad van bestuur van het Agentschap.

    Hiertoe voorzien de lidstaten het Agentschap van alle nodige informatie over de situatie en eventuele dreigingen aan de buitengrenzen.

    Het Agentschap verwerkt bij de ontwikkeling van de in artikel 5 bedoelde gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachten de resultaten van het gemeenschappelijke model voor geïntegreerde risicoanalyse."

    (7)    Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    vóór de eerste alinea worden de volgende alinea's ingevoegd:

    "Het Agentschap verstrekt grenswachten van de Europese grenswachtploegen de voor hun taken en bevoegdheden relevante vervolgopleiding. Het organiseert ook regelmatig oefeningen met deze grenswachten volgens de in het jaarlijkse werkprogramma van het Agentschap bedoelde planning voor vervolgopleiding en oefening.

    Het Agentschap neemt eveneens de nodige initiatieven om ervoor te zorgen dat alle grenswachten en het overige personeel van de lidstaten dat deelneemt aan de Europese grenswachtploegen, evenals het personeel van het Agentschap, voordat zij deelnemen aan de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten, opleiding ontvangen betreffende de EU- en internationale wetgeving terzake, waaronder de grondrechten en toegang tot internationale bescherming, alsook richtsnoeren voor het identificeren van personen die verzoeken om bescherming en hen te verwijzen naar de desbetreffende faciliteiten."

    (b)    de eerste alinea komt als volgt te luiden:

    "Het Agentschap stelt een gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachten vast, ontwikkelt deze verder en verstrekt opleiding op Europees niveau voor opleiders van de nationale grenswachten van de lidstaten, onder meer inzake de grondrechten, de toegang tot internationale bescherming en het desbetreffende zeerecht.

    De gemeenschappelijke basisinhoud wordt opgesteld na overleg met het in artikel 26 bis bedoelde raadgevend forum.

    De lidstaten nemen de gemeenschappelijke basisinhoud op in de opleiding van hun nationale grenswachten."

    (c)    na de laatste alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:

    "Het Agentschap stelt een uitwisselingsprogramma op dat de nationale grenswachten die deelnemen aan de Europese grenswachtploegen in staat stelt door samenwerking met grenswachten in een andere lidstaat dan hun eigen lidstaat kennis of specifieke deskundigheid te verwerven van ervaringen en goede werkmethoden in het buitenland."

    (8)    De artikelen 6 en 7 worden vervangen door:

    "Artikel 6

    Aandacht voor en bijdrage tot onderzoek

    Het Agentschap besteedt proactief aandacht aan en draagt bij tot de ontwikkelingen op het gebied van onderzoek dat relevant is voor de controle en bewaking van de buitengrenzen en geeft deze informatie door aan de Commissie en de lidstaten.

    Artikel 7

    Technische uitrusting

    1.           Het Agentschap kan, zelf of in mede-eigendom met een lidstaat, technische uitrusting voor controle aan de buitengrenzen, die wordt ingezet voor gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies, terugkeeroperaties of projecten voor technische bijstand, aanschaffen of leasen overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regels. Aan elke aanschaf of leasing van uitrusting die aanzienlijke kosten meebrengt voor het Agentschap, gaat een grondige behoeften- en kosten-batenanalyse vooraf. De uitgaven hiervoor worden opgenomen in de begroting van het Agentschap die door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 29, lid 9, wordt vastgesteld. Als het Agentschap belangrijke technische uitrusting, zoals patrouillevaartuigen voor gebruik op volle zee en in kustwateren of patrouillevoertuigen, aanschaft of least voor inzet bij gezamenlijke operaties, gelden de volgende bepalingen:

    –       in het geval van aanschaf en mede-eigendom spreekt het Agentschap formeel met één lidstaat af dat deze laatste zorgt voor de registratie van de uitrusting overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van die lidstaat;

    –       in het geval van leasing moet de uitrusting in een lidstaat geregistreerd zijn.

    Op basis van een door het Agentschap opgestelde modelovereenkomst maken de lidstaat van registratie en het Agentschap afspraken over de voorwaarden om de perioden te garanderen dat de activa in mede-eigendom volledig aan het Agentschap ter beschikking staan, en over de gebruiksvoorwaarden van de uitrusting.

    De lidstaat van registratie of de leverancier van de technische uitrusting zorgt voor de deskundigen en technici die nodig zijn om de technische uitrusting rechtsgeldig en veilig te beheren.

    2.           Het Agentschap zorgt voor het opzetten en bijhouden van centrale registers van uitrusting in een bestand van aan de lidstaten of het Agentschap en van aan de lidstaten en het Agentschap gezamenlijk toebehorende technische uitrusting voor controle aan de buitengrenzen. Het bestand van technische uitrusting bevat een overeenkomstig lid 5 van dit artikel vastgesteld minimumaantal van elk type technische uitrusting. De technische uitrusting die deel uitmaakt van het bestand wordt ingezet bij de in de artikelen 3, 8 bis en 9 bedoelde activiteiten.

    3.           De lidstaten dragen bij tot het in lid 2 bedoelde bestand van technische uitrusting. De bijdrage van de lidstaten aan het bestand en aan het inzetten van technische uitrusting voor specifieke operaties, wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten en voor zover het gaat om de minimale hoeveelheid uitrusting voor een bepaald jaar, stellen de lidstaten hun technische uitrusting op verzoek van het Agentschap ter beschikking ▌voor inzet, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie die de uitvoering van nationale taken hogelijk in het gedrang brengt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 45 dagen vóór de gewenste inzet ingediend. BIbijdragen aan het bestand van technische uitrusting worden jaarlijks opnieuw beoordeeld.

    4.           Het Agentschap houdt de registers van de pool met technische uitrusting als volgt bij:

    (a)    indeling naar type uitrusting en naar type operatie;

    (b)    indeling naar eigenaar (lidstaat, Agentschap, overige);

    (c)    totale hoeveelheden van de vereiste uitrusting;

    (d)    eventueel vereist personeel;

    (e)    overige informatie, zoals registratiegegevens, vereisten op het gebied van transport en onderhoud, toepasselijke nationale exportregelingen, technische instructies, of overige informatie die van belang is voor het correct gebruik van de uitrusting.

    5.           Het Agentschap financiert de inzet van de uitrusting die deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid uitrusting die een bepaalde lidstaat voor een bepaald jaar beschikbaar moet stellen. De inzet van uitrusting die geen deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid uitrusting wordt tot maximaal 100% van de in aanmerking komende uitgaven door het Agentschap meegefinancierd, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden in de lidstaten die deze uitrusting inzetten.

    De regels voor onder meer de vereiste totale minimale hoeveelheden per type uitrusting, de voorwaarden voor inzet en de vergoeding van kosten worden jaarlijks overeenkomstig artikel 24 op voorstel van de uitvoerend directeur vastgesteld door de raad van bestuur. Om budgettaire redenen dient de raad van bestuur dit besluit uiterlijk op 31 maart te nemen.

    Rekening houdend met zijn behoeften stelt het Agentschap de minimale hoeveelheid uitrusting voor die het met name nodig heeft voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies en terugkeeroperaties, overeenkomstig het werkprogramma van het Agentschap voor het betrokken jaar.

    Indien de minimale hoeveelheid uitrusting niet blijkt te volstaan om het voor gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle interventies of terugkeeroperaties overeengekomen operationele plan uit te voeren, wordt die hoeveelheid door het Agentschap aangepast op de grondslag van de gerechtvaardigde behoeften en van een overeenkomst tussen het Agentschap en de lidstaten.

    6.           Het Agentschap brengt maandelijks aan de raad van bestuur verslag uit over de samenstelling en de inzet van de uitrusting die deel uitmaakt van het bestand van technische uitrusting. Als de in lid 5 bedoelde minimale hoeveelheid uitrusting niet wordt bereikt, stelt de uitvoerend directeur de raad van bestuur hiervan onverwijld in kennis. De raad van bestuur beslist op korte termijn aan welke zaken bij de inzet van de technische uitrusting prioriteit moet worden gegeven en neemt passende maatregelen om de gesignaleerde tekortkomingen te verhelpen. De raad van bestuur brengt de Commissie op de hoogte van de gesignaleerde tekortkomingen en de getroffen maatregelen. Vervolgens legt de Commissie de zaak samen met haar eigen beoordeling voor aan het Europees Parlement en de Raad.

    6 bis.     Het Agentschap deelt elk jaar aan het Europees Parlement mede hoeveel technische uitrusting elke lidstaat overeenkomstig dit artikel ter beschikking heeft gesteld voor het bestand."

    (9)    Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    Lid 1 komt als volgt te luiden:

    "1.   Onverminderd artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kunnen één of meer lidstaten die bij de nakoming van hun verplichtingen inzake controle en bewaking van de buitengrenzen onder specifieke en onevenredige druk staan en worden geconfronteerd met omstandigheden die meer technische en operationele bijstand vergen, het Agentschap om bijstand verzoeken. Het Agentschap organiseert overeenkomstig artikel 3 passende technische en operationele bijstand aan de verzoekende lidstaat of lidstaten."

    (b)         in lid 2 wordt het volgende punt ingevoegd:

    "(b bis) grenswachten van de Europese grenswachtploegen inzetten."

               (c)       Lid 3 komt als volgt te luiden:

    "3. Het Agentschap kan technische uitrusting voor controles en bewaking van de buitengrenzen aanschaffen die door zijn deskundigen en in het kader van de snelle-interventieteams wordt gebruikt tijdens de duur van hun uitzending.";

    (9 bis) Artikel 8 bis wordt vervangen door:

               "Artikel 8 bis

    Snelle grensinterventies

    Op verzoek van een lidstaat die plotseling te maken krijgt met een situatie van uitzonderlijke druk, in het bijzonder de toestroom op bepaalde punten aan de buitengrenzen van grote aantallen onderdanen van derde landen die trachten illegaal het grondgebied van de lidstaat binnen te komen, kan het Agentschap voor een beperkte periode zo lang dat nodig is één of meer Europese grenswachtploegen (hierna "ploeg(en))" genoemd) inzetten op het grondgebied van de verzoekende lidstaat, overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr.863./2007."

    (9 ter) Artikel 8 quinquies, lid 5, wordt vervangen door:

    "5.        Indien de uitvoerend directeur beslist één of meer ploegen in te zetten, stellen het Agentschap en de verzoekende lidstaat onmiddellijk en in ieder geval binnen vijf werkdagen na de datum van de beslissing een operationeel plan op overeenkomstig artikel 8 sexies.

    (10)  Artikel 8 sexies, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    Punten e), f) en g) worden vervangen door:

    "(e)  de samenstelling van de ploegen en de inzet van ander bevoegd personeel;

    (f)     voorschriften inzake bevelvoering en controle, waaronder de naam en rang van de grenswachten van de ontvangende lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met de ploegen, in het bijzonder van de grenswachten die tijdens de duur van de inzet het bevel voeren over de ploegen, alsook de plaats van de ploegen in de bevelstructuur;

    (g)    de met de ploegen in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten, zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten, en financiële voorzieningen."

    (b)    de volgende punten worden toegevoegd:

    "(h)   nauwkeurige bepalingen over onverwijlde rapportage van incidenten door het Agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties.

    (i)     een meldings- en evaluatieregeling met ▌ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 4.

    (j)     voor operaties op zee, gegevens betreffende toepassing van de desbetreffende jurisdictie en wetgeving in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het internationaal en EU-recht inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping.

    (k)    voorwaarden voor samenwerking met derde landen, andere Agentschappen en organen van de Unie of internationale organisaties."

    (11)  In artikel 8 nonies, lid 1, komt de inleidende formule als volgt te luiden:

    "1.         Het Agentschap draagt het volledige bedrag van de resulterende kosten die door de lidstaten worden gemaakt om hun grenswachten ter beschikking te stellen in het kader van de in de artikel 3, lid 2, artikel 8 bis en artikel 8 quater bedoelde activiteiten:"

    (12)  Artikel 9 wordt vervangen door:

    "Artikel 9

    Samenwerking inzake terugkeer

    1.           Afhankelijk van het terugkeerbeleid van de Unie, met name Richtlijn 2008/115/EG*, en zonder terugkeerbesluiten inhoudelijk te beoordelen, verleent het Agentschap de nodige bijstand en zorgt het op verzoek van de deelnemende lidstaten voor de coördinatie of de organisatie van gezamenlijke terugkeeroperaties van lidstaten, onder meer door voor dergelijke operaties vliegtuigen te huren. Het Agentschap (mede)financiert de in dit lid bedoelde operaties en projecten via subsidies die overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regels uit zijn begroting worden toegekend. Het Agentschap kan ook ▌financiële middelen van de Unie gebruiken die op het gebied van terugkeer beschikbaar zijn. Het Agentschap zorgt ervoor dat bij subsidieovereenkomsten met lidstaten de onverkorte inachtneming van het Handvest van de grondrechten als voorwaarde geldt voor financiële steun.

    2.           Het Agentschap ontwikkelt een gedragscode voor de terugkeer van onderdanen van derde landen ▌die illegaal aanwezig zijn; deze code geldt tijdens alle door het Agentschap gecoördineerde gezamenlijke terugkeeroperaties en beschrijft gemeenschappelijke gestandaardiseerde procedures die de organisatie van gezamenlijke terugkeeroperaties moeten vereenvoudigen en moeten waarborgen dat de terugkeer verloopt op humane wijze en met onverkorte inachtneming van de grondrechten, en meer bepaald van het beginsel van de menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het non-discriminatiebeginsel.

    3.           In de gedragscode wordt met name aandacht besteed aan de in artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG vervatte verplichting om een doeltreffend systeem op te zetten voor het toezicht op gedwongen terugkeer en op de in artikel 26 bis, lid 1 bedoelde strategie inzake grondrechten. Het toezicht op gezamenlijke terugkeeroperaties moet op de grondslag van objectieve en heldere normen worden uitgeoefend en dient de hele gezamenlijke terugkeeroperatie te bestrijken, van de fase voorafgaand aan het vertrek tot en met de overdracht van de repatrianten in het land van terugkeer. ▌

    4.           De lidstaten stellen het Agentschap regelmatig op de hoogte van hun behoefte aan hulp of coördinatie door het Agentschap ▌. Het Agentschap stelt een voortschrijdend operationeel plan op om de lidstaten die daarom verzoeken de nodige operationele bijstand te verlenen, waaronder de in artikel 7, lid 1, bedoelde technische uitrusting. De raad van bestuur beslist overeenkomstig artikel 24 over een voorstel van de uitvoerend directeur over de inhoud en modus operandi van het voortschrijdende operationele plan.

    5.           Het Agentschap werkt samen met de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende in artikel 14 bedoelde derde landen, en stelt optimale werkwijzen vast voor het verkrijgen van reisdocumenten en de terugkeer van illegaal aanwezige onderdanen van derde landen."

    (13)  Artikel 10, lid 2, wordt vervangen door:

    "2.         Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden nemen de uitgezonden functionarissen het recht van de Unie en de internationale wetgeving, overeenkomstig de grondrechten en de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat in acht."

    (14)  Artikel 11 wordt vervangen door:

    "Artikel 11

    Systemen voor informatie-uitwisseling

    Het Agentschap kan alle nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de in artikel 13 bedoelde Agentschappen van de Unie, te vergemakkelijken. Het zet een informatiesysteem op voor de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens met deze actoren en het maakt van dit systeem gebruik; het betreft o.m. de in de artikelen 11 bis, 11 ter en 11 quater bedoelde persoonsgegevens.

    Het Agentschap kan alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn ter vergemakkelijking van de uitwisseling van voor zijn taak belangrijke gegevens met het Verenigd Koninkrijk en Ierland, indien deze gegevens betrekking hebben op activiteiten waaraan deze landen overeenkomstig de artikelen 12 en 20, lid 5 deelnemen."

    (15)  De volgende artikelen ▌ worden ingevoegd:

    "Artikel 11 bis

    Gegevensbescherming

    Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing op de verwerking van gegevens door het Agentschap.

    De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 door het Agentschap, onder meer betreffende de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap. Deze maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese toezichthouder gegevensbescherming. Onverminderd de artikelen 11 ter en 11 quater kan het Agentschap voor administratieve doelen persoonsgegevens verwerken.

    Artikel 11 ter

    Verwerking van persoonsgegevens in het kader van gezamenlijke terugkeeroperaties

    Overeenkomstig de in artikel 11 bis bedoelde maatregelen:

    1. kan het Agentschap, in het kader van zijn opdracht de in artikel 9 bedoelde gezamenlijke terugkeeroperaties van lidstaten te organiseren en te coördineren, persoonlijke gegevens verwerken van personen die aan dit soort terugkeeroperaties worden onderworpen.

    2. worden bij de verwerking van deze persoonsgegevens de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid nageleefd. Met name wordt de verwerking strikt beperkt tot de persoonsgegevens die vereist zijn met het oog op de gezamenlijke terugkeeroperatie.

    3. worden de persoonsgegevens gewist zodra het doel waarvoor zij zijn verzameld is verwezenlijkt, en niet later dan 10 dagen na de gezamenlijke terugkeeroperatie.

    4. kan het Agentschap dergelijke gegevens overdragen indien de persoonsgegevens niet door een lidstaat aan de vervoersonderneming worden overgedragen.

    Artikel 11 quater

    Verwerking van persoonsgegevens die zijn verzameld tijdens gezamenlijke optredens, proefprojecten en snelle interventies.

    Volgens de in artikel 11 bis bedoelde procedure:

    1. kan het Agentschap, onverminderd de bevoegdheid van lidstaten in het kader van gezamenlijke optredens, proefprojecten en snelle interventies persoonsgegevens te verzamelen, en met inachtneming van de in de leden 2 en 3 uiteengezette beperkingen, door de lidstaten in het kader van dergelijke operationele werkzaamheden verzamelde en aan het Agentschap doorgestuurde gegevens verder verwerken om bij te dragen tot de veiligheid van de buitengrenzen van de lidstaten van de Unie.

    2. blijft deze verdere verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap beperkt tot persoonsgegevens van personen die door de bevoegde instanties van lidstaten op redelijke gronden worden verdacht van betrokkenheid bij grensoverschrijdende misdadige activiteiten, het mogelijk maken van illegale migratieactiviteiten of activiteiten in verband met mensensmokkel, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, letters a) en b) van richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 waarin hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf worden omschreven*.

    3. worden in lid 2 bedoelde persoonsgegevens door het Agentschap uitsluitend verder verwerkt voor de volgende doelen:

    (a)    doorzending per geval naar Europol of naar andere wethandhavingsagentschappen van de Unie, overeenkomstig artikel 13.

    (b)    gebruik voor de opstelling van in artikel 4 bedoelde risicoanalyses. In de uitkomsten van de risicoanalyses worden de gegevens geanonimiseerd.

    4. worden de persoonsgegevens gewist zodra zij zijn doorgezonden naar Europol of andere Agentschappen van de Unie of wanneer zij gebruikt zijn voor de opstelling van de in artikel 4 bedoelde gevarenanalyses. De opslagtermijn overschrijdt in geen enkel geval drie maanden na de datum waarop de gegevens zijn verzameld.

    5. worden de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid bij de verwerking van deze persoonsgegevens nageleefd. De persoonsgegevens worden door het Agentschap niet gebruikt voor naspeuringen die onder verantwoordelijkheid blijven vallen van de bevoegde nationale instanties.

    Met name wordt de verwerking strikt beperkt tot de persoonsgegevens die vereist zijn voor de in lid 3 bedoelde doelen.

    6. is verdere overdracht of andere uitwisseling van door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens aan derde landen of andere derden onverminderd verordening (EG) nr. 1049/2001 niet toegestaan.

    Artikel 11 quinquies

    Veiligheidsvoorschriften betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens en niet-gerubriceerde gevoelige gegevens

    1.           Het Agentschap past de veiligheidsvoorschriften van de Commissie toe, als vastgesteld in de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie**. Dit geldt onder meer voor de bepalingen betreffende de uitwisseling, de verwerking en de opslag van gerubriceerde gegevens.

    2.           Het Agentschap past tevens de beveiligingsbeginselen betreffende de behandeling van niet-gerubriceerde gevoelige gegevens toe, zoals deze door de Commissie zijn vastgesteld en ten uitvoer worden gelegd. De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van die veiligheidsbeginselen.

    ________________

    * PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17."

    ** PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1.

    (16)  De artikelen 13 en 14 worden vervangen door:

    "Artikel 13

    Samenwerking met Agentschappen en organen van de Europese Unie, en internationale organisaties

    Het Agentschap kan met Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau voor de grondrechten, andere Agentschappen en organen van de Unie, en de internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden samenwerken in het kader van met deze organen gemaakte werkafspraken overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en de bepalingen over de bevoegdheid van die organen. Het Agentschap houdt het Europees Parlement van deze regelingen steeds op de hoogte.

    Verdere overdracht of andere uitwisseling van door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens aan andere Agentschappen of organen van de Europese Unie worden afhankelijk gesteld van specifieke werkafspraken over de uitwisseling van persoonsgegevens en van voorafgaande toestemming door de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming.

    Ook kan het Agentschap met instemming van de betrokken lidsta(a)t(en) waarnemers van Agentschappen en organen van de Europese Unie of van internationale organisaties uitnodigen om deel te nemen aan de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde activiteiten, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot betere samenwerking en uitwisseling van optimale werkmethoden, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid van de activiteiten. De deelname van deze waarnemers aan de in de artikelen 4 en 5 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de betrokken lidstaten, de deelname aan de in artikel 3 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de ontvangende lidstaat. Het in artikel 3 bis, lid 1, genoemde operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelname van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, ontvangen zij een passende opleiding van het Agentschap.

    Artikel 14

    Vergemakkelijking van operationele samenwerking met derde landen en samenwerking met bevoegde autoriteiten van derde landen

    1.           Voor de aangelegenheden die door zijn activiteiten worden bestreken en voor zover nodig voor de uitvoering van zijn taken, vergemakkelijkt het Agentschap de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid inzake externe betrekkingen van de Europese Unie, onder meer wat betreft mensenrechten.

    Het Agentschap en de lidstaten nemen normen in acht die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Uniewetgeving zijn vastgelegd, ook wanneer de operaties in het kader van samenwerking met derde landen op het grondgebied van die landen plaatsvinden."

    Het aangaan van samenwerking met derde landen strekt ook tot bevordering van de Europese normen voor grensbeheer, zoals de eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

    2.           Het Agentschap kan met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden, samenwerken in het kader van met deze autoriteiten gemaakte werkafspraken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag. Die werkafspraken houden louter verband met het beheer van de operationele samenwerking.

    3.           Het Agentschap kan zijn verbindingsfunctionarissen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken in derde landen optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de krachtens Verordening nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen*, opgezette plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van verbindingsfunctionarissen van de lidstaten. Verbindingsfunctionarissen worden alleen ingezet in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van grensbeheer voldoen aan minimale normen inzake mensenrechten. Hun inzet dient door de raad van bestuur te worden goedgekeurd. In het kader van het externe beleid van de EU moet bij de inzet prioriteit worden gegeven aan de derde landen die volgens risicoanalyses een land van herkomst of doorreis zijn bij illegale migratie. Op basis van wederkerigheid kan het Agentschap, voor een beperkte periode, ook verbindingsfunctionarissen ontvangen die door die derde landen zijn gedetacheerd. De raad van bestuur stelt overeenkomstig artikel 24 jaarlijks de lijst met prioriteiten vast op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur.

    4.           De taken van de verbindingsfunctionarissen van het Agentschap omvatten, met inachtneming van het recht van de Europese Unie en de grondrechten, het leggen en onderhouden van contact met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij gedetacheerd zijn, teneinde bij te dragen tot de preventie en bestrijding van illegale immigratie en tot de terugkeer van illegale migranten.

    5.           Het Agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten die het beleid van de Unie inzake externe betrekkingen ondersteunen. Het kan projecten voor technische bijstand in derde landen initiëren en financieren ten aanzien van zaken waarop deze verordening betrekking heeft. ▌

    6.           Ook kan het Agentschap met instemming van de betrokken lidsta(a)t(en) waarnemers van derde landen uitnodigen om deel te nemen aan zijn in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde activiteiten, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot een betere samenwerking en uitwisseling van optimale werkmethoden, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid van de activiteiten. De deelneming van deze waarnemers aan de in de artikelen 4 en 5 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de betrokken lidstaten, de deelneming aan de in artikel 3 bedoelde activiteiten is afhankelijk van de toestemming door de ontvangende lidstaat. Het in artikel 3 bis, lid 1, genoemde operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelneming van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, ontvangen zij een passende opleiding van het Agentschap.

    7.           Bij het sluiten van bilaterale overeenkomsten met derde landen zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten zo nodig bepalingen opnemen over de rol en de bevoegdheden van het Agentschap, met name wat betreft de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden door leden van de ploegen diehet Agentschap inzet gedurende de in artikel 3 bedoelde activiteiten.

    8.           Voor de in de leden 2 en 3 bedoelde activiteiten is vooraf ▌advies van de Commissie vereist en het Europees Parlement wordt hiervan zo spoedig mogelijk volledig op de hoogte gesteld.

    ____________________

    PB L 64 van 2.3.2004, blz. 1.

    (16 bis) In artikel 15 wordt de eerste alinea vervangen door:

    Het Agentschap is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.

    (17)  Het volgende artikel ▌wordt ingevoegd:

    "Artikel 15 bis

    Zetelovereenkomst

    De vereiste bepalingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaat waar de zetel is gevestigd en de door deze lidstaat ter beschikking te stellen installaties, alsook de specifieke voorschriften die in die lidstaat gelden voor de uitvoerend directeur, de plaatsvervangend uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, het personeel van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een zetelovereenkomst tussen het Agentschap en de lidstaat waarin het Agentschap zijn zetel heeft. De zetelovereenkomst wordt gesloten nadat de raad van bestuur deze heeft goedgekeurd. De lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft, dient de gunstigst mogelijke voorwaarden voor de goede werking van het Agentschap te bieden, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen."

    (18)  Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

    (a)         Lid 3 komt als volgt te luiden:

    "3.         Voor de toepassing van artikel 3 ter, lid 5, kan als coördinerend functionaris in de zin van artikel 8 octies alleen een personeelslid van het Agentschap worden aangewezen, voor wie het Statuut van de ambtenaren en titel II van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen gelden. Voor de toepassing van artikel 3 ter, lid 3, kunnen alleen door een lidstaat bij het Agentschap gedetacheerde nationale deskundigen worden aangewezen voor toewijzing aan de Europese grenswachtploegen. Het Agentschap wijst de nationale deskundigen aan die overeenkomstig voornoemd artikel aan de Europese grenswachtploegen worden toegewezen.

    (b)         De volgende leden worden toegevoegd:

    "4.         De raad van bestuur stelt in overeenstemming met de Commissie de nodige uitvoeringsbepalingen vast overeenkomstig de regelingen in artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Unie.

    5.           De raad van bestuur kan bepalingen vaststellen op grond waarvan nationale deskundigen uit de lidstaten bij het Agentschap kunnen worden gedetacheerd. Deze bepalingen houden rekening met de vereisten van artikel 3 ter, lid 3, en met name met het feit dat de betrokkenen als uitgezonden functionarissen worden beschouwd en de in artikel 10 bedoelde taken en bevoegdheden hebben." Zij bevatten eveneens bepalingen inzake de voorwaarden voor detachering."

    (20)  Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

    (i)     punt h) wordt vervangen door:

    "(h)   hij bepaalt de organisatorische structuur van het Agentschap en stelt het personeelsbeleid van het Agentschap vast, met name het meerjarige personeelsbeleidsplan ▌. Overeenkomstig de betrokken bepalingen in de financiële kaderregeling van de organen, zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad wordt het meerjarige personeelsbeleidsplan ingediend bij de Commissie en, na een gunstig advies van de Commissie, bij de begrotingsautoriteit;"

    (ii)    het volgende punt wordt toegevoegd:

    (i)     "i) stelt het meerjarenplan van het Agentschap vast, met een beschrijving van de langetermijnstrategie voor de toekomstige activiteiten van het Agentschap."

    (b)    Lid 4 komt als volgt te luiden:

    "4. De raad van bestuur kan de uitvoerend directeur adviseren over aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de ontwikkeling van het operationele beheer van de buitengrenzen, waaronder onderzoeksactiviteiten zoals omschreven in artikel 6."

    (21)  Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    Lid 1, laatste zin, komt als volgt te luiden:

    "Deze ambtstermijn kan worden verlengd."

    (b)    Lid 3 komt als volgt te luiden:

    "3. De landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van de Schengenwetgeving participeren in het Agentschap. Zij hebben ieder één vertegenwoordiger en één plaatsvervanger in de raad van bestuur. Krachtens de desbetreffende bepalingen van hun associatieovereenkomsten zijn er regelingen uitgewerkt die de aard en de omvang van en de nadere regels voor de deelname van deze landen aan de werkzaamheden van het Agentschap vastleggen, met inbegrip van bepalingen ten aanzien van financiële bijdragen en personeel."

             :

    (22)  Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

    (a)    Lid 2 komt als volgt te luiden:

    "2.        Het Europees Parlement of de Raad kan de uitvoerend directeur van het Agentschap verzoeken verslag uit te brengen over de wijze waarop hij zijn taken heeft uitgevoerd, in het bijzonder over tenuitvoerlegging van en toezicht op de grondrechtenstrategie, het algemene verslag van het Agentschap over het voorafgaande jaar, het werkprogramma voor het volgende jaar en het in artikel 20, letter i), vermelde meerjarenplan van het Agentschap."

    (b)    in lid 3, wordt het volgende punt toegevoegd:

    "g)    hij waarborgt de tenuitvoerlegging van het in de artikelen 3 bis en 8 octies bedoelde operationele plan. "

    (22 bis) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

    "Artikel 26 bis

    Grondrechtenstrategie

    1.           Het Agentschap stelt zijn grondrechtenstrategie op, werkt die nader uit en past die toe. Het Agentschap voert een doeltreffend mechanisme in om erop toe te zien dat bij al zijn activiteiten de grondrechten worden geëerbiedigd.

    2.           Het Agentschap richt een adviesforum op dat de directeur en de raad van bestuur bijstaat op het gebied van grondrechten. Het Agentschap verzoekt het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau voor de grondrechten, het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en andere betrokken organisaties aan het adviesforum deel te nemen. Op voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur over de samenstelling en de werkmethoden van het adviesforum en over de wijze waarop aan het forum informatie wordt toegezonden.

    Het adviesforum wordt geraadpleegd over de verdere ontwikkelingen en uitvoering van de grondrechtenstrategie, de gedragscode en het gemeenschappelijk kerncurriculum.

    Het adviesforum stelt een jaarverslag van zijn activiteiten op. Deze verslagen worden openbaar gemaakt.

    3.           De raad van bestuur van het Agentschap stelt een grondrechtenfunctionaris aan. Deze beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van grondrechten. Hij is onafhankelijk in de uitvoering van zijn taken als grondrechtenfunctionaris en rapporteert rechtstreeks aan de raad van bestuur en het adviesforum. Hij brengt regelmatig verslag uit en draagt aldus bij tot het mechanisme voor toezicht op grondrechten.

    4.           De grondrechtenfunctionaris en het adviesforum hebben voor alle activiteiten van het Agentschap toegang tot alle informatie met betrekking tot de eerbiediging van grondrechten."

    (23)  aan artikel 33 worden de volgende leden toegevoegd:

    "2 bis     In het kader van de volgende beoordeling wordt eveneens geanalyseerd of het nodig is de coördinatie van het beheer van de buitengrenzen van de lidstaten nog verder op te voeren, o.m. of oprichting van een Europees systeem van grenswachten uitvoerbaar is.

    2 ter.      De evaluatie omvat een specifieke analyse van de wijze waarop het Handvest van de grondrechten bij de toepassing van de verordening in acht werd genomen."

    Artikel 2

    Inwerkingtreding

    Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

    Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

    Gedaan te

    Voor het Europees Parlement                      Voor de Raad

    De Voorzitter                                                De Voorzitter

    BIJLAGE

    Verklaring van het Europees Parlement

    Het Europees Parlement wijst er met nadruk op dat de EU-instellingen moeten trachten in wetgevingsteksten aangepaste en neutrale formuleringen te gebruiken als het probleem van burgers van derde landen wordt besproken, voor wier aanwezigheid op het grondgebied van de Unie geen toestemming is verleend door de autoriteiten van de lidstaten of indien deze toestemming is verlopen. In dit soort gevallen moeten de EU-instellingen niet verwijzen naar "illegale immigratie" of "illegale migranten" maar veeleer naar "niet-reguliere immigratie" of "niet-reguliere migranten".

    • [1]  Nog niet in het PB gepubliceerd.
    • [2] * Amendementen: nieuwe of gewijzigde tekst wordt in vet cursief weergegeven; schrappingen worden aangeduid met het symbool ▌.
    • [3]  PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.
    • [4]           PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
    • [5]           PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
    • [6]           PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.
    • [7]           PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
    • [8]           PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19.
    • [9]           PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43.
    • [10]           PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20.
    • [11]          PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.

    TOELICHTING

    Een van de eigenschappen van de gemeenschappelijke Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is de opheffing van de binnengrenzen, in het bijzonder binnen het Schengengebied. Hierdoor moeten de lidstaten gezamenlijk optreden ten aanzien van de buitengrenzen van de EU en is een geïntegreerd beheer van de buitengrenzen nog noodzakelijker geworden.

    Het Schengengebied van vrij verkeer heeft een maritieme buitengrens van 42 672 km, een landgrens van 8 826 km en spreidt zich uit over 25 landen (waaronder drie niet-EU-landen). Binnen dit gebied kunnen bijna een half miljard mensen zich vrij over het Europese continent verplaatsen. De afschaffing van de binnengrenzen heeft het vrije verkeer van personen op ongekende manier vereenvoudigd.

    Tegelijkertijd is hierdoor een gecoördineerde aanpak bij het bewaken van de buitengrenzen noodzakelijk geworden. Terwijl de buitengrenzen open en efficiënt blijven voor bonafide reizigers en personen die bescherming nodig hebben, moeten deze worden gesloten voor grensoverschrijdende misdaad en andere onwettige activiteiten.

    Om deze reden is een geïntegreerd beheer dat een uniform en hoog niveau van controle en bewaking waarborgt, noodzakelijk. Hiervoor moeten gemeenschappelijke regels worden aangenomen en uitgevoerd, en moeten de lidstaten nauwer samenwerken bij de bewaking van hun buitengrenzen. Krachten en middelen moeten sterker worden gebundeld.

    Het is van wezenlijk belang dat de samenwerking berust op solidariteit tussen de lidstaten, in het bijzonder met de lidstaten met een buitengrens die vanwege hun geografische of demografische situatie een zeer sterke migratiedruk op hun grens ondervinden. De inzet in oktober 2010 van de eerste snelle-grensinterventieteams (RABITS) van Frontex, op verzoek van Griekenland vanwege de noodsituatie aan de Grieks-Turkse grens kan als voorbeeld worden genoemd.

    Met het oog op deze behoefte aan meer samenwerking en solidariteit speelt het Frontex- Agentschap een belangrijke rol.

    Het Agentschap is opgericht in 2004 en werd operationeel in 2005. Gedurende de afgelopen vijf jaar heeft het Agentschap de migratiestromen aan de buitengrenzen van de Unie snel zien veranderen. Het heeft inmiddels meer dan 200 personeelsleden en is reeds opgetreden in een aantal gezamenlijke operaties op het land, in de lucht en op zee. Wat doeltreffendheid betreft voldoet het echter nog niet aan de verwachtingen.

    We moeten lessen trekken uit deze eerste jaren en het Agentschap nieuwe taken geven met meer middelen en instrumenten opdat het doeltreffender te werk kan gaan.

    Zoals in het Haags programma werd gevraagd, heeft de Commissie een mededeling gepresenteerd over de evaluatie en de toekomstige ontwikkeling van het Frontex- Agentschap. Deze mededeling is op 13 februari 2008 aangenomen. In resoluties van het Europees Parlement over immigratie, het Pact inzake immigratie en asiel en het programma van Stockholm wordt ingegaan op de situatie van het Frontex- Agentschap. In deze documenten komt naar voren dat de werkzaamheden van het Agentschap in een aantal opzichten moeten worden verbeterd.

    Zo is verscheidende malen gebleken dat Frontex te afhankelijk van de lidstaten is voor de inzet van personeel en uitrusting in door het Agentschap gecoördineerde interventies. De deelname van de lidstaten was ongelijk en er zijn weinig toezeggingen voor uitrusting gedaan. Door deze tekortkomingen heeft het Agentschap niet altijd voldoende doeltreffend kunnen optreden. Een ander probleem was het gebrek aan medewerking van derde landen.

    Het Europees Parlement heeft het Agentschap aldoor gesteund, in het bijzonder door aanzienlijke begrotingsverhogingen over de afgelopen jaren om de Frontex-operaties te ondersteunen. Het Parlement heeft ook herhaaldelijk verzocht om verbeteringen in de machtigingswetgeving betreffende het Agentschap om de tekortkomingen weg te nemen en de doeltreffendheid van het Agentschap te verbeteren.

    Het voorstel van de Commissie draagt bij aan de verbetering van het Agentschap op basis van de tijdens de eerste jaren van zijn werkzaamheden opgedane ervaring. Het voorziet in wijzigingen die nodig zijn om de taken van het Agentschap te verduidelijken en de werking ervan te verbeteren tijdens de komende jaren.

    De rapporteur is verheugd over de voorstellen van de Commissie en hoopt deze te verbeteren door middel van de in dit verslag opgenomen amendementen.

    De toekomst van het Frontex- Agentschap

    De rapporteur is van mening dat duidelijk moet worden vastgesteld wat er van Frontex wordt verwacht en welke vorm het Agentschap moet aannemen tijdens de komende jaren. Het Verdrag van Lissabon, het programma van Stockholm en de voorgestelde "besluit interne markt" bevestigen dat het doel is om van Europa een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid ten gunste van de burgers, te maken. We moeten dan ook zeker stellen dat de voor deze ruimte noodzakelijke mechanismen met dit ideaal overeenkomen. Frontex vormt hierop geen uitzondering en de machtigingswetgeving betreffende het Agentschap moet dan ook worden gewijzigd om te waarborgen dat het beter is uitgerust om zijn rol te kunnen vervullen.

    Om deze reden moet Frontex het Europees Agentschap voor het beheer van de buitengrenzen zijn dat het gemeenschappelijke EU-optreden op het gebied van de buitengrenzen van de EU-lidstaten coördineert. In het bijzonder moet Frontex de lidstaten kunnen bijstaan in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen, met de nadruk op die lidstaten die onder specifieke en onevenredige druk staan. Op deze manier moet het Agentschap vorm geven aan de Europese solidariteit: middelen uit verschillende lidstaten moeten worden gebundeld om de lidstaten met problemen te ondersteunen of een inzet mogelijk te maken op bepaalde punten van de buitengrenzen van de Unie die kwetsbaar zijn of waar een gezamenlijk optreden noodzakelijk is.

    Frontex moet nauw samenwerken met andere Europese Agentschappen, in het bijzonder Europol en Eurojust, in de strijd tegen grensoverschrijdende misdaad. Het moet ook nauw samenwerken met het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken om te waarborgen dat onderdanen van derde landen die bescherming in de EU zoeken toegang krijgen tot het Europese asielstelsel op gepaste en regelmatige wijze.

    Frontex moet ook altijd wanneer dit nodig is beschikbaar zijn, eveneens in noodsituaties. Europa kan niet langer machteloos toekijken in noodsituaties omdat zij niet in staat zou zijn om middelen bijeen te brengen of materiaal te bundelen. Om deze reden moet Frontex over de nodige middelen en uitrusting beschikken om tijdig en doeltreffend te kunnen optreden en moet de wetgeving betreffende het Agentschap worden bijgewerkt opdat het dit doel kan bereiken.

    De rapporteur is van mening dat Frontex dan ook in staat moet zijn om nationale grenswachten uit verschillende EU-lidstaten in een pool van Europese grenswachten of in een ware Europese grenswacht, bijeen te brengen. Deze pool moet worden opgezet voor gemeenschappelijke operaties, snelle grensinterventies en proefprojecten waarbij het Agentschap betrokken is, en alle lidstaten moeten worden verplicht om hieraan deel te nemen. Het Agentschap moet deze pool ook ondersteunen door middel van vakopleidingen en andere initiatieven. Zo kan een eerste structuur ontstaan die in de toekomst kan worden ontwikkeld tot een volwaardig EU-grenswacht Agentschap.

    Grondrechten

    Zoals alle andere Agentschappen en organen van de EU is Frontex verplicht in al zijn werkzaamheden de grondrechten te eerbiedigen en te bevorderen. De rapporteur is verheugd over het feit dat in het voorstel van de Commissie op verschillende plaatsen het belang van de grondrechten wordt benadrukt en de taak en de plicht van Frontex om te waarborgen dat de eerbiediging van deze rechten een wezenlijk deel uitmaakt van het beheer van de grenzen, wordt versterkt.

    Voorgestelde wijzigingen

    Gezien het bovenstaande stelt de rapporteur amendementen op de Frontex-verordening voor om ervoor te zorgen dat:

    1. de bepalingen over de fundamentele mensenrechten worden aangescherpt;

    2. de artikelen die voorzien in de oprichting van gezamenlijke Frontex-ondersteuningsteams en snelle-grensinterventieteams worden samengevoegd in één artikel betreffende de oprichting van een Europese grenswacht die bestaat uit een pool van nationale grenswachten die het Agentschap kan inzetten in het kader van zijn gemeenschappelijke operaties, snelle grensinterventies en proefprojecten; de verordening zo wordt vereenvoudigd en de transparantie wordt verhoogd, overlapping van en verwarring tussen taken wordt vermeden en, wat nog belangrijker is, de taken van het Agentschap Europeser van aard worden;

    3. het voorstel van de Commissie wordt ondersteund om de lidstaten te verplichten deel te nemen aan de Europese grenswacht door de inzet van nationale grenswachten -de verplichte-solidariteitsbepaling- en het Agentschap de middelen te verschaffen om zijn eigen uitrusting te kunnen aanschaffen of huren;

    4. het Agentschap als taak krijgt om bijzondere aandacht te besteden aan de lidstaten waarvan het nationale asielstelsel onder specifieke en onevenredige druk staat;

    5. het tijdsbestek waarbinnen snelle grensinterventies moeten worden georganiseerd wordt verkort; alle tijdslimieten voor het ondernemen van actie worden verkort zodat snelle grensinterventies werkelijk kunnen inspelen op noodsituaties;

    6. Frontex een ondersteunende rol krijgt bij acties voor vrijwillige terugkeer naast de rol die het Agentschap speelt in het kader van andere vormen van terugkeer;

    7. naar regionale operationele kantoren wordt verwezen, op grond van de ervaring opgedaan in het kader van de opening van het eerste regionale operationele kantoor in Griekenland;

    8. het Agentschap de bevoegdheid krijgt persoonsgegevens te verwerken opdat het een belangrijker rol kan spelen in de strijd tegen grensoverschrijdende misdaad en onregelmatige migratie; tegelijkertijd in gepaste voorzorgsmaatregelen wordt voorzien voor de bescherming van persoonsgegevens; gegevens zo voor beperkte doeleinden worden verwerkt, namelijk in situaties betreffende personen die op redelijke gronden worden verdacht van betrokkenheid bij grensoverschrijdende criminele activiteiten of activiteiten op het gebied van onregelmatige migratie of mensenhandel, personen die het slachtoffer van dergelijke activiteiten zijn en wier persoonsgegevens tot de daders van dergelijke illegale activiteiten kunnen leiden, evenals personen die het onderwerp zijn van terugkeeroperaties waarbij het Agentschap betrokken is; strikte criteria worden vastgesteld over de manier waarop met deze gegevens moet worden omgegaan;

    9. het democratische toezicht op het Agentschap wordt versterkt door het Europees Parlement een belangrijker toezichthoudende rol te geven met betrekking tot de werkzaamheden van het Agentschap, waaronder de werkafspraken tussen het Agentschap en derde landen;

    10. de taken van het Agentschap over vijf jaar verplicht worden herzien, om te onderzoeken in hoeverre de Europese grenswacht verder moet worden ontwikkeld.

    ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGRONDSLAG

    25.5.2011

    De heer Juan Fernando López Aguilar

    Voorzitter

    Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    BRUSSEL

    Betreft:  Advies inzake de rechtsgrondslag van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex) [COM(2010)0061] – C7‑0045/2010 – 2010/0039(COD)

    Geachte heer López Aguilar,

    Bij schrijven van 14 april 2011 hebt u, overeenkomstig artikel 37 van het Reglement, de Commissie juridische zaken gevraagd om advies over een wijziging van de rechtsgrondslag van bovengenoemd Commissievoorstel.

    De Commissie stelt als rechtsgrondslagen voor de artikelen 74 en 77, lid 1, onder b) en c), VWEU, beide opgenomen in Titel V, "Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht".

    In de onderhandelingen met de Raad en de Commissie, en met het oog op een compromis in eerste lezing, werd voorgesteld de tweede rechtsgrondslag te wijzigen in artikel 77, lid 2, onder b) en d) VWEU.

    I - Achtergrond

    In februari 2010 heeft de Commissie dit voorstel ingediend met als doel het Frontex- Agentschap te versterken, de opdracht van het Agentschap te verduidelijken en geconstateerde tekortkomingen te verhelpen, door middel van aanpassingen in Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad in het licht van de uitgevoerde evaluaties en opgedane praktijkervaring.

    Verordening (EG) nr. 2007/2004 werd in 2007 gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot instelling van een mechanisme voor de oprichting van snelle-grensinterventieteams, die waren gebaseerd op de overeenkomstige bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, namelijk artikel 62, lid 2, onder a), en artikel 66.

    Zoals bekend is de pijlerstructuur met het Verdrag van Lissabon afgeschaft, en moet nagenoeg alle wetgeving op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht nu tot stand komen volgens de gewone wetgevingsprocedure. Voor het onderhavige voorstel heeft de Commissie daarom de artikelen 74 en 77, lid 1, onder b) en c), VWEU als rechtsgrondslagen genoemd.

    II – De relevante verdragsbepalingen

    De volgende artikelen van het VWEU worden in het voorstel van de Commissie als rechtsgrondslagen aangevoerd (onderstreping toegevoegd):

    Artikel 74

    De Raad stelt maatregelen vast voor de administratieve samenwerking tussen de diensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door deze titel bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie, onder voorbehoud van artikel 76, en na raadpleging van het Europees Parlement.

    Artikel 76

    De in de hoofdstukken 4 en 5 bedoelde handelingen alsmede de in artikel 74 bedoelde maatregelen tot vaststelling van regels voor administratieve samenwerking op de door die hoofdstukken bestreken gebieden worden vastgesteld:

    a) op voorstel van de Commissie, of

    b) op initiatief van een kwart van de lidstaten.

    Artikel 77

    1. De Unie ontwikkelt een beleid dat tot doel heeft:

    a) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen;

    b) te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen;

    c) geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten.

    2.

    (a)...

    (b)...

    (c)...

    (d)...

    (e)...

    3....

    4....

    De volgende bepaling wordt als rechtsgrondslag voorgesteld in plaats van de tweede rechtsgrondslag die de Commissie voorstelt:

    Artikel 77

    1....

    2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor

    a) het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur;

    b) de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen;

    c) de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een korte periode vrij in de Unie kunnen reizen;

    d) de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen;

    e) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen.

    3....

    4....

    In 2007 hebben voor de wijziging bij verordening (EG) nr. 863/2007 de volgende bepalingen als rechtsgrondslag gediend:

    Artikel 62 EGV

    Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van Artikel 67 de volgende maatregelen aan:

    1. maatregelen om in overeenstemming met Artikel 14 te waarborgen dat personen, ongeacht of het burgers van de Unie dan wel onderdanen van derde landen betreft, bij het overschrijden van de binnengrenzen niet worden gecontroleerd;

    2. maatregelen inzake het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten, houdende:

    a) normen en procedures die de lidstaten bij de uitvoering van personencontroles aan die grenzen in acht moeten nemen;

    (b)...

    (i)...

    (ii)...

    (iii)...

    (iv)...

    3....

    Artikel 66 EGV

    De Raad neemt volgens de procedure van Artikel 67 maatregelen om samenwerking tussen de overheidsdiensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door deze titel bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie, te waarborgen.

    Artikel 67 EGV

    1. Gedurende een overgangsperiode van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam besluit de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie of op initiatief van een lidstaat, na raadpleging van het Europees Parlement.

    2. Na deze periode van vijf jaar:

    - besluit de Raad op voorstel van de Commissie; de Commissie neemt ieder verzoek van een lidstaat om indiening van een voorstel bij de Raad in behandeling;

    - neemt de Raad met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement, een besluit teneinde de procedure van Artikel 251 toe te passen op alle onder deze titel vallende gebieden, dan wel delen ervan, en de bepalingen betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie aan te passen.

    3. In afwijking van de leden 1 en 2, worden maatregelen als bedoeld in Artikel 62, punt 2, onder b), i) en iii), na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement aangenomen.

    4. In afwijking van lid 2, worden maatregelen als bedoeld in Artikel 62, punt 2, onder b), ii) en iv), na verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad aangenomen volgens de procedure van Artikel 251.

    5. In afwijking van lid 1 neemt de Raad volgens de procedure van Artikel 251 de volgende maatregelen aan:

    - de in Artikel 63, punt 1 en punt 2, onder a), bedoelde maatregelen, voorzover de Raad vooraf overeenkomstig lid 1 van dit Artikel communautaire wetgeving heeft vastgesteld waarin gemeenschappelijke regels en de voornaamste beginselen terzake worden bepaald;

    - de in Artikel 65 bedoelde maatregelen, met uitzondering van de aspecten in verband met het familierecht.

    III – De voorgestelde rechtsgrondslag

    Artikel 74 VWEU, dat verwijst naar de in artikel 76 VWEU bedoelde procedure voor de gebieden van justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking, geeft de algemene regel voor de administratieve samenwerking tussen de bevoegde diensten van de lidstaten. Volgens deze beide artikelen stelt de Raad als enige maatregelen vast, en wordt het Parlement alleen geraadpleegd. Van belang is evenwel dat de Raad ingevolge artikel 16, lid 3, VEU bij gekwalificeerde meerderheid besluit, nu in artikel 76 VWEU immers niet anders is bepaald.

    In artikel 77, lid 1, onder b) en c) wordt verlangd dat de Unie een beleid ontwikkelt met het oog op personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen, en geleidelijke invoering van een geïntegreerd beheersysteem voor de buitengrenzen.

    Artikel 77, lid 2, machtigt het Parlement en de Raad maatregelen vast te stellen voor dat in lid 1 bedoelde beleid, en wel volgens de gewone wetgevingsprocedure. In dit artikel worden voorts de taken en gebieden nader gespecificeerd waarvoor maatregelen moeten worden vastgesteld, waarbij in de alinea’s b) en c) personencontrole respectievelijk een geïntegreerd beheersysteem voor de buitengrenzen worden genoemd.

    IV – Jurisprudentie over de rechtsgrondslag

    Volgens vaste rechtspraak moet de keuze van de rechtsgrondslag van een EU-maatregel gebaseerd zijn op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, waartoe met name het doel en de inhoud van de maatregel behoren[1]. De keuze van een onjuiste rechtsgrondslag kan dan ook aanleiding vormen tot de nietigverklaring van de desbetreffende handeling.

    In de zaak Melki[2], waarin het ging om maatregelen voor het achterwege laten van controles bij overschrijden van de binnengrenzen, noemde het Hof van Justitie artikel 77, lid 2, VWEU dat als rechtsgrondslag in de plaats kwam van artikel 62 EGV, en niet Artikel 77, lid 1, VWEU.

    V. Doel en inhoud van de voorgestelde verordening

    In de overwegingen van de voorgestelde verordening wordt dit doel als volgt uiteengezet:

    a) Het beleid van de Unie op het gebied van de buitengrenzen moet door middel van geïntegreerd beheer zorgen voor een hoog en uniform niveau van controle en bewaking, en daartoe is voorzien in de opstelling van gemeenschappelijke regels inzake normen en procedures voor de controle aan de buitengrenzen. Voor een efficiënte tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke regels is meer coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten nodig.

    b) Het programma van Stockholm roept op om de rol van Frontex bij het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie te verduidelijken en uit te breiden, en het mandaat van het Agentschap dient dan ook te worden herzien om met name de operationele capaciteit van het Agentschap te vergroten.

    c) Er dienen teams van grenswachten te worden gevormd die het Agentschap kan inzetten voor deelname aan gezamenlijke operaties en proefprojecten, en het Agentschap moet op Europees niveau voorzien in opleiding, onder meer op het gebied van de grondrechten, voor opleiders van nationale grenswachten van de lidstaten en in bijscholing en studiebijeenkomsten voor personeelsleden van de bevoegde nationale diensten met betrekking tot controle en bewaking van de buitengrenzen en verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn.

    d) Voor het verrichten van zijn opdracht moet het Agentschap met Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau voor de grondrechten en andere Agentschappen en organen van de Europese Unie, de bevoegde autoriteiten van derde landen en de internationale bevoegde organisaties samenwerken en de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid van de Europese Unie inzake externe betrekkingen ondersteunen.

    e) Het aangaan van samenwerking met derde landen strekt ook tot bevordering van de Europese normen voor grensbeheer, zoals de eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

    De materiële bepalingen houden het volgende in:

    Artikel 1 geeft de voorgestelde wijzigingen in de verordening aan. De volgende artikelen zijn nieuw:

    o Artikel 3 Gezamenlijke operaties en proefprojecten aan de buitengrenzen;

    o Artikel 3 bis Organisatorische aspecten van gezamenlijke operaties en proefprojecten;

    o Artikelen 3 ter en 3 quater: Samenstelling en inzet van gezamenlijke Frontex-ondersteuningsteams respectievelijk Instructies aan de gezamenlijke Frontex-ondersteuningsteams;

    o Artikel 4 Risicoanalyse

    o Artikel 6 Aandacht voor en bijdrage tot onderzoek;

    o Artikel 7 Technische uitrusting;

    o Artikel 9 Samenwerking inzake terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal aanwezig zijn;

    o Artikelen 11-11ter Systemen voor informatie-uitwisseling, gegevensbescherming en veiligheidsvoorschriften betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens;

    o Artikel 13 Samenwerking met Agentschappen en organen van de Europese Unie, en internationale organisaties

    o Artikel 14 Samenwerking met derde landen

    o Artikel 15 bis Zetelovereenkomst.

    Artikel 2 regelt de inwerkingtreding.

    VI –Bepaling van de juiste rechtsgrondslag

    Uit doel en inhoud van het voorstel blijkt duidelijk dat het bij de voorgestelde wijzigingen om dezelfde materie gaat als waarop doel en inhoud van de te wijzigen verordening waren gericht. Die verordening en de latere wijzigingen daarin waren evenwel gebaseerd op de artikelen 62, lid 2, onder a), 66 en 67 EGV.

    De rechtsgrondslag die de Commissie als tweede voorstelt, artikel 77, lid 1, onder b) en c) VWEU, heeft weliswaar betrekking op personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen, en geleidelijke invoering van een geïntegreerd beheersysteem voor de buitengrenzen, maar behelst niet meer dan dat de EU hieromtrent een beleid moet ontwikkelen. Daarom kan dit artikel niet dienen als rechtsgrondslag voor wetgevingshandelingen.

    De als alternatief voorgestelde rechtsgrondslag, artikel 77, lid 2, onder b) en d) VWEU, heeft betrekking op dezelfde punten, maar voorziet tevens uitdrukkelijk in vaststelling van concrete maatregelen door middel van de medebeslissingsprocedure met het oog op het ingevolge artikel 77, lid 1 VWEU te ontwikkelen beleid. Bovendien heeft het Hof van Justitie in zijn rechtspraak Artikel 77, lid 2, VWEU genoemd als de rechtsgrondslag die in de plaats komt van artikel 62 EGV, en niet artikel 77, lid 1, VWEU. De voorgestelde alternatieve rechtsgrondslag is daarom in dit geval duidelijk de juiste rechtsgrondslag.

    In de artikelen en 74 en 76 VWEU wordt niet, zoals in artikel 77, lid 2, VWEU, de toepassing van de gewone wetgevingsprocedure voorgeschreven, maar wel dat de Raad bij gekwalificeerde meerderheid besluit. Deze bepalingen zijn daarom procedureel gezien niet onverenigbaar.

    VII – Conclusie en aanbeveling

    De commissie behandelde dit punt op haar vergadering van 24 mei 2011.

    Op haar vergadering van 24 mei 2011 besloot de Commissie juridische zaken met algemene stemmen[3] u de volgende aanbeveling te doen: artikel 77, lid 1, onder b) en c) VWEU moet worden gewijzigd in artikel 77, lid 2, onder b) en d) VWEU, zodat dit laatste tezamen met artikel 74 VWEU de rechtsgrondslag vormt voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex) [COM(2010)0061].

    Hoogachtend,

    Klaus-Heiner Lehne

    • [1]  Zaak 45/86, Commissie/Raad (Algemene tariefpreferenties) Jurispr. 1987, blz. 1439, punt 5; Zaak C-440/05 Commissie/Raad, Jurispr. 2007, blz. I-9097; Zaak C-411/06 Commissie/Parlement en Raad (8 september 2009) (PB C 267 van 7.11.2009, blz.8).
    • [2]  Arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2010 in gevoegde zaken C-188/10 Aziz Melki en C-189/10 Sélim Abdeli (nog niet gepublicerd in de Jurisprudentie), punt 65.
    • [3]  Bij de eindstemming waren aanwezig: Klaus-Heiner Lehne, Raffaele Baldassarre, Sebastian Valentin Bodu, Pablo Arias Echeverría, Alajos Mészáros, Rainer Wieland, Tadeusz Zwiefka, Luigi Berlinguer, Françoise Castex, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Antonio Masip Hidalgo, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Alexandra Thein, Diana Wallis, Cecilia Wikström, Christian Engström, Syed Kamall, Zbigniew Ziobro, Jiří Maštálka, Francesco Enrico Speroni, Dimitar Stoyanov, Piotr Borys, Kurt Lechner, József Szájer, Eva Lichtenberger.

    ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (18.1.2011)

    aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX)
    (COM(2010)0061 – C7‑0045/2010 – 2010/0039(COD))

    Rapporteur voor advies: Barbara Lochbihler

    BEKNOPTE MOTIVERING

    Op 24 februari 2010 heeft de Commissie een wetsvoorstel vastgesteld waarin wijzigingen worden voorgesteld van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX).

    Doel van dit wetsvoorstel is de verordening aan te passen in het licht van mededeling van de Commissie uit 2008 over de evaluatie en de toekomstige ontwikkeling van het Frontex- Agentschap en de aanbevelingen van de raad van bestuur ten einde de operationele capaciteiten van het Agentschap te vergroten. Concreter gezegd zou dit voorstel aan het Agentschap een grotere taak toebedelen bij de voorbereiding, coördinatie en uitvoering van operaties waarbij in het bijzonder gelet wordt op de taakverdeling met de lidstaten van de EU, namelijk bij het inzetten van personeel en technische uitrusting. Bovendien zouden op basis van dit voorstel het interne en externe mandaat en de bevoegdheden van Frontex aanzienlijk worden versterkt. Het Agentschap zou in staat zijn samen met de lidstaten van de EU leiding te geven aan patrouilles, verbindingsfunctionarissen in derde landen in te zetten, gezamenlijke terugkeeroperaties te coördineren en proefprojecten te lanceren en te financieren.

    De herziening van het mandaat van Frontex vindt plaats na een ingrijpende en geleidelijke verhoging zijn begroting. Het Agentschap dat in 2004 van start ging met een bedrag van 6,2 miljoen, kreeg in 2009 de beschikking over een bedrag van 83 miljoen.

    De inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zorgt voor een nieuw wetgevingskader waarmee in dit advies rekening moet worden gehouden, aangezien de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is gecommunautariseerd, de jurisdictie van het Hof van Justitie op dit gebied is uitgebreid, de bevoegdheid van het Europees Parlement is verruimd omdat het een wetgevende taak heeft gekregen op gelijke voet met de Raad en de grondrechten zijn versterkt doordat het Handvest van de grondrechten bindend is en de EU in een proces van toetreding tot het EVRM is terechtgekomen.

    Het advies van de Subcommissie mensenrechten aan de Commissie buitenlandse zaken is derhalve erop gericht na te gaan hoe het Agentschap, in het licht van de herziening en uitbreiding van zijn mandaat, de eerbiediging van de grondrechten kan waarborgen, beschermen en bevorderen uit hoofde van zijn verplichting als Agentschap van de EU. Het gaat tevens in op de kwestie van verantwoordelijkheid en rekenschap, alsmede het gebrek aan transparantie van het Agentschap ten einde een en ander aan te passen aan de bepalingen en de geest van het Verdrag van Lissabon. De belangrijke kwestie van de verdeling van de bevoegdheden tussen de ambtenaren van de lidstaten, de grensbeambten van de ontvangende lidstaat en het personeel van Frontex blijft in het Commissievoorstel onopgehelderd en vaag, en zou door de ten principale bevoegde commissie van het Parlement moeten worden behandeld samen met nog openstaande vragen ten aanzien van de instantie die bevoegd is voor klachten bij schendingen van de mensenrechten van migranten.

    De door de Commissie voorgestelde wijzigingen vormen een welkome ontwikkeling en zij zijn gericht op het officieel vastleggen van de verbintenis en verplichting van het Agentschap om de grondrechten te eerbiedigen op de volgende gebieden middels de volgende stappen:

    - het wetgevingskader van Frontex-operaties wordt verduidelijkt door nadrukkelijk vast te leggen dat de activiteiten van het Agentschap vallen onder de Schengengrenscode en dienen te worden verricht met inachtneming van het desbetreffende EU-recht, het internationaal recht, de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming en de grondrechten,

    - er wordt in opleidingen over de grondrechten voorzien, die verplicht zijn voor personeel dat aan gezamenlijke operaties deelneemt,

    - er wordt een incidentenmeldings- en evaluatieregeling ingevoerd,

    - de financiële bijstand voor gezamenlijke terugkeeroperaties wordt afhankelijk gemaakt van de volledige naleving van het Handvest van de grondrechten,

    - er wordt een gedragscode opgesteld voor de terugkeer van niet-reguliere onderdanen uit derde landen, met inbegrip van het invoeren van een doeltreffend systeem voor toezicht op gedwongen terugkeer dat onafhankelijk functioneert en een rapportageverplichting aan de Commissie door een onafhankelijke toezichthoudende waarnemer omvat,

    - de om de vijf jaar door de raad van bestuur uitgevoerde evaluatie moet een specifieke analyse bevatten "van de wijze waarop het Handvest van de grondrechten […] in acht werd genomen".

    Deze wijzigingen blijven helaas beperkt en zijn niet-systematisch. Willen de voorgestelde maatregelen doeltreffende mechanismen worden, dan moeten zij op systematische en bindende wijze worden toegepast. Bovendien moet een onafhankelijke en hooggekwalificeerde expertise ten aanzien van de grondrechten en de toegang tot internationale bescherming cruciaal worden geacht op alle niveaus en in alle stadia van de door Frontex uitgevoerde operaties.

    Uit het proces inzake de evaluatie van de activiteiten van het Agentschap, die om de vijf jaar door de raad van bestuur wordt verricht, is tot dusverre gebleken dat de weerslag van zijn activiteiten op de mensenrechten nooit in detail is onderzocht, ondanks de oproep van het Europees Parlement in zijn resolutie van 18 december 2008 om "de werkzaamheden van Frontex nader te toetsen op hun effect op de fundamentele vrijheden en rechten, waaronder de taak om te beschermen". Derhalve is een allesomvattende en onafhankelijke evaluatie waarbij de partners van Frontex, zoals het Bureau voor de grondrechten, het UNHCR en niet-gouvernementele organisaties met expertise ter zake, worden betrokken onontbeerlijk met het oog op de voorgestelde uitbreiding van zijn interne en externe mandaat. In aanvulling hierop zou uw rapporteur voor advies aanbevelen om het nieuwe artikel 33, lid 2, onder (b) te wijzigen, zodat de evaluatie vooral gericht is op de wijze waarop de in het Handvest van de grondrechten verankerde rechten werden gewaarborgd en niet zozeer op de wijze waarop het Handvest in acht werd genomen. Het zou zelfs passend zijn om een dergelijke evaluatie aan het algemeen jaarverslag van Frontex te hechten.

    Naast de vijfjaarlijkse evaluatie vergen de eigen beoordeling door Frontex van de gezamenlijke operaties en de proefprojecten een systematische en onafhankelijke controle en beoordeling van de wijze waarop de verplichtingen ten aanzien van de grondrechten in de praktijk zijn nagekomen, en mag een en ander niet worden beperkt tot een onderzoek van de verwezenlijking van operationele doelstellingen. Deze onafhankelijke evaluatie moet in de herziene verordening als beginsel worden vastgelegd. Een evaluatie van de naleving van de grondrechten zou de Commissie tevens een zeer concrete gelegenheid bieden om te reageren op tekortkomingen bij de naleving EU-wetgeving ten gevolge van Frontex-operaties. De huidige samenwerking met het UNHCR moet worden uitgebreid om het VN-bureau in staat te stellen aan de voorbereiding en uitvoering van gezamenlijke operaties deel te nemen, met name ten aanzien van met asiel verband houdende aspecten.

    Het opnemen in het wetsvoorstel van een meldings- en evaluatieregeling met bepalingen over incidentenmelding is een stap in de goede richting, maar het ontbreekt nog steeds aan concrete procedures om de naleving van het Handvest van de grondrechten te waarborgen en om rekenschap en verantwoording te controleren, waarbij laatstgenoemde in het Commissievoorstel zeer onduidelijk blijft. In het verlengde van de nieuwe toezichtseisen voor gezamenlijke terugkeeroperaties moet de herziene verordening de bindende eis omvatten dat op alle Frontex-operaties onafhankelijk toezicht wordt gehouden en dat hierover aan de instellingen van de EU verslag wordt uitgebracht vanuit de optiek van de naleving van het EU-recht en de grondrechten.

    De nieuwe bepaling in het wetgevingsvoorstel waarin een toereikende opleiding verplicht wordt gesteld voor al degenen die bij gezamenlijke operaties betrokken zijn, moet worden toegejuicht. Onlangs is reeds een samenwerkingsovereenkomst tussen Frontex en het Bureau voor de grondrechten ondertekend, dat met name voorziet in een evaluatie van de opleidingsbehoeften van het Frontex-personeel en van de tenuitvoerlegging van een opleiding over de grondrechten. In een briefwisseling tussen Frontex en het UNHCR is ook hun samenwerking op dit gebied sinds 2008 officieel vastgelegd.

    Desalniettemin moet de Commissie aan het Parlement inzage geven in met opleidingen verband houdende informatie, met inbegrip van de evaluaties die door het Bureau voor de grondrechten moeten worden verricht. Nauwere samenwerking bij initiatieven inzake de capaciteitsopbouw, zoals opleidingen met het Bureau voor de grondrechten en het UNHCR, zou als een duidelijke meerwaarde moeten worden beschouwd. Tegelijkertijd zou Frontex moeten zorgen voor de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de ontwikkeling en uitvoering van opleidingsprogramma's.

    Uw rapporteur voor advies is van oordeel dat de taak van juridisch advies van Frontex aanzienlijk moet worden versterkt via het opzetten van een team van deskundigen over de rechten van vreemdelingen en internationale bescherming, met inbegrip van met asiel verband houdende aspecten. Een dergelijk team, die vooral tot taak zou hebben advies uit te brengen over asielzoekers en andere personen dat zeer kwetsbaar zijn, zoals zwangere vrouwen, kinderen en slachtoffers van mensenhandel, zou op systematische basis moeten worden ingezet bij het uitvoeren van Frontex-operaties en het zou moeten samenwerken met nationale asieldiensten, alsmede met niet-gouvernementele organisaties die over ter zake doende deskundigheid beschikken.

    Het uitgebreide externe mandaat van Frontex is vanuit het oogpunt van de mensenrechten een kwestie waaraan aandacht moet worden besteed en dit mandaat moet worden voorzien van een reeks waarborgen om ervoor te zorgen dat de verplichtingen van de EU inzake de mensenrechten worden nagekomen. Uw rapporteur voor advies adviseert ten stelligste om in het wetgevingsvoorstel een duidelijke verwijzing op te nemen naar de naleving van het beginsel van niet-uitwijzing uit hoofde van artikel 19 van het Handvest van de grondrechten en van het recht van eenieder om een land, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, overeenkomstig artikel 12, lid 2, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 2, lid 2, van protocol 4 bij het EVRM. In het Commissievoorstel wordt ervoor gezorgd dat verbindingsfunctionarissen hun taken in overeenstemming met het EU-recht en de grondrechten uitvoeren en worden ingezet "in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van grensbeheer voldoen aan minimale normen inzake mensenrechten." Deze waarborgen moeten hoe dan ook absoluut van toepassing zijn op deze verbindingsofficieren In dit verband onderstreept uw rapporteur voor advies dat hun taak, die niet vergelijkbaar is met de adviserende taken die soms door nationale verbindingsfunctionarissen worden verricht, duidelijk moet worden afgebakend en dat aan deze functionarissen een hoogwaardige opleiding in de grondrechten en de toegang tot internationale bescherming moet worden gegeven. Bovendien vergt de nauwere samenwerking met derde landen, die formeel in bilaterale werkafspraken tussen Frontex en derde landen is vastgelegd, een beoordeling van de mensenrechten in het betrokken derde land voorafgaand aan het maken van dergelijke afspraken.

    Volgens het advies van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming is een specifieke rechtsgrondslag nodig om de kwestie van de verwerking van persoonsgegevens door Frontex aan te pakken en voor meer duidelijkheid te zorgen inzake de omstandigheden waarin deze verwerking door het Agentschap zou kunnen plaatsvinden, met inachtneming van gedegen beschermingswaarborgen. De opneming in het voorstel van zowel een adequate rechtsgrondslag als waarborgen wordt daarom door uw rapporteur voor advies van cruciaal belang geacht in het licht van de ruimere interne en externe taken en bevoegdheden van het Agentschap, met name ten aanzien van de naleving van het beginsel van niet-uitwijzing.

    Ten aanzien van de werkafspraken tussen Frontex en de autoriteiten van derde landen vermeldt het Commissievoorstel slechts voorafgaande goedkeuring door de Commissie zonder democratische controle door het Europees Parlement. Aangezien Frontex een orgaan van de Unie is dat aan de beginselen van volledige democratische controle en transparantie onderworpen is, is het passend en legitiem dat het Europees Parlement volledig in kennis wordt gesteld van dergelijke werkafspraken. Bovendien moet meer transparantie worden betracht en moet het Parlement inzage worden verleend in documenten, zoals verslagen over risicoanalyses, evaluaties van gezamenlijke operaties en vereiste evaluaties van de mensenrechten voorafgaand aan het sluiten van akkoorden.

    AMENDEMENTEN

    De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken als commissie ten principale onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

    Amendement 1

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Overweging 4

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    (4) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en meer bepaald de menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel, het beginsel van non-refoulement, het non-discriminatiebeginsel, de rechten van het kind, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. De lidstaten moeten deze verordening toepassen in overeenstemming met deze rechten en beginselen.

    (4) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het "Handvest"), en meer bepaald de menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel, het beginsel van non-refoulement, het non-discriminatiebeginsel, de rechten van het kind, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Deze verordening bekrachtigt de bepalingen van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de bescherming1, en van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven2, alsmede van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus3 en van Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten4. De lidstaten moeten deze verordening toepassen in overeenstemming met deze rechten en beginselen.

     

    ___________________

    1 PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.

     

    2 PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98.

     

    3 PB L 326 van 13.12.2005, blz. 13.

     

    4 PB L 31 van 6.2.2003, blz. 18-25.

    Toelichting

    Frontex dient de bepalingen na te leven van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de bescherming, die in het kader van zijn activiteiten inzake grensbeheer wordt verleend overeenkomstig zijn verplichtingen inzake internationale bescherming.

    Amendement  2

    Voorstel voor een verordening

    Overweging 4 bis (nieuw)

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

     

    (4 bis)het Agentschap moet zowel volledig aan de voorzieningen van het Handvest voldoen, waarbij de mensenrechten van migranten naar behoren geëerbiedigd en beschermd worden, als aan het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951. Alle maatregelen van het Agentschap moeten stroken met het desbetreffende internationale recht en de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming.

    Amendement  3

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Overweging 7

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    (7) Efficiënt beheer van de buitengrenzen middels controle en bewaking helpt de illegale immigratie en de mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te beperken.

    (7) Efficiënt beheer van de buitengrenzen middels effectieve controle en doeltreffende bewaking helpt de niet-reguliere immigratie en de mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te beperken.

     

    (Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst. Als het wordt aangenomen zijn in de hele tekst dienovereenkomstige aanpassingen nodig.)

    Toelichting

    Uw rapporteur voor advies stelt voor het woord "illegaal" door "niet-regulier" te vervangen wanneer naar "illegale" immigratie en migranten wordt verwezen ten einde de formulering van deze verordening af te stemmen op die welke in andere wetgeving over dit onderwerp wordt gebezigd.

    Amendement  4

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Overweging 10

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    (10) Het mandaat van het Agentschap dient dan ook te worden herzien om met name de operationele capaciteit van het Agentschap te vergroten, en daarbij te waarborgen dat alle getroffen maatregelen evenredig zijn aan de doelstellingen en de grondrechten en rechten van vluchtelingen en asielzoekers ten volle eerbiedigen, met name wat betreft het verbod op refoulement.

    (10) Bovenvermelde uitdagingen, met inbegrip van de toenemende complexiteit en diversiteit van de migratieroutes, houden in dat het mandaat van het Agentschap dient te worden herzien om met name de operationele capaciteit van het Agentschap te vergroten, en daarbij te waarborgen dat alle getroffen maatregelen evenredig zijn aan de doelstellingen en de grondrechten en rechten van vluchtelingen en asielzoekers ten volle eerbiedigen, met name wat betreft het verbod op refoulement.

    Amendement  5

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Overweging 19

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    (19)het Agentschap moet op Europees niveau voorzien in opleiding, onder meer op het gebied van de grondrechten, voor opleiders van nationale grenswachten van de lidstaten en in bijscholing en studiebijeenkomsten voor personeelsleden van de bevoegde nationale diensten met betrekking tot controle en bewaking van de buitengrenzen en verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn.het Agentschap kan in samenwerking met de lidstaten opleidingsactiviteiten organiseren op hun grondgebied. De lidstaten dienen de resultaten van het werk van het Agentschap te integreren in de nationale opleidingsprogramma's van hun grenswachten.

    (19)het Agentschap moet op Europees niveau voorzien in opleiding, op het gebied van de grondrechten, internationaal recht en de structuur van nationale asielautoriteiten voor opleiders van nationale grenswachten van de lidstaten en in bijscholing en studiebijeenkomsten voor personeelsleden van de bevoegde nationale diensten met betrekking tot controle en bewaking van de buitengrenzen en verwijdering van onderdanen van derde landen die niet-regulier in de lidstaten aanwezig zijn.het Agentschap kan in samenwerking met de lidstaten opleidingsactiviteiten organiseren op hun grondgebied. De lidstaten dienen de resultaten van het werk van het Agentschap te integreren in de nationale opleidingsprogramma's van hun grenswachten.

    Amendement  6

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Overweging 21

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    (21) In de meeste lidstaten vallen de operationele aspecten van de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten die belast zijn met de controle aan de buitengrenzen. Aangezien het een duidelijke meerwaarde heeft om deze taken op het niveau van de Unie uit te voeren, moet het Agentschap, geheel in overeenstemming met het terugkeerbeleid van de Unie, de nodige steun verlenen bij het organiseren en coördineren van gezamenlijke terugkeeroperaties van de lidstaten, optimale werkwijzen vaststellen voor het verkrijgen van reisdocumenten en een gedragscode opstellen voor de verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn. Er dienen geen financiële middelen van de Unie beschikbaar te worden gesteld voor activiteiten en operaties waarvan de uitvoering niet strookt met het Handvest van de grondrechten.

    (21) In de meeste lidstaten vallen de operationele aspecten van de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in de lidstaten aanwezig zijn onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten die belast zijn met de controle aan de buitengrenzen. Aangezien het een duidelijke meerwaarde heeft om deze taken op het niveau van de Unie uit te voeren, moet het Agentschap, geheel in overeenstemming met het terugkeerbeleid van de Unie, de nodige steun verlenen bij het organiseren en coördineren van gezamenlijke terugkeeroperaties van de lidstaten, optimale werkwijzen vaststellen voor het verkrijgen van reisdocumenten en een gedragscode opstellen voor de verwijdering van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn. Er dienen geen activiteiten of operaties, waarvan de uitvoering niet strookt met het Handvest van de grondrechten, door de Unie ontplooid of gefinancierd te worden. In het geval van een schending van het Handvest van de grondrechten moeten terugkeermaatregelen opgeschort en moet een onderzoek naar de schending worden ingesteld.

    Amendement  7

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Overweging 23

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    (23) Het wordt steeds belangrijker om op het gebied van zaken die onder Verordening (EG) nr. 2007/2004 vallen met derde landen samen te werken. Voor solide samenwerking met relevante derde landen moet het Agentschap technische-bijstandsprojecten kunnen financieren en verbindingsofficieren in derde landen kunnen inzetten. Het Agentschap moet vertegenwoordigers van derde landen kunnen uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten, na hun de nodige opleiding te hebben aangeboden. Het aangaan van samenwerking met derde landen strekt ook tot bevordering van de Europese normen voor grensbeheer, zoals de eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

    (23) Het wordt steeds belangrijker om op het gebied van zaken die onder Verordening (EG) nr. 2007/2004 vallen met derde landen samen te werken. Voor solide samenwerking met relevante derde landen moet het Agentschap technische-bijstandsprojecten kunnen financieren en verbindingsofficieren in derde landen kunnen inzetten. Het Agentschap moet vertegenwoordigers van derde landen ook kunnen uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten, na hun de nodige opleiding te hebben aangeboden. Het aangaan van samenwerking met derde landen strekt ook tot bevordering van de Europese normen voor grensbeheer, zoals de eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

    Amendement  8

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 1

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 1 – lid 2

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    2. Niettegenstaande het feit dat de verantwoordelijkheid voor de controle en bewaking van de buitengrenzen bij de lidstaten berust, vergemakkelijkt het Agentschap de toepassing van de bestaande en toekomstige maatregelen van de Europese Unie in verband met het beheer van de buitengrenzen, met name de Schengengrenscode, en maakt het deze effectiever, overeenkomstig de desbetreffende wetgeving van de Unie, internationale wetgeving, verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, en de grondrechten. Hiertoe coördineert het de acties van de lidstaten ter uitvoering van deze maatregelen; aldus draagt het bij tot een doelmatig, hoog en uniform niveau van de controle van personen en de bewaking van de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie.

    2. Niettegenstaande het feit dat de verantwoordelijkheid voor de controle en bewaking van de buitengrenzen bij de lidstaten berust, vergemakkelijkt het Agentschap de toepassing van de bestaande en toekomstige maatregelen van de Europese Unie in verband met het beheer van de buitengrenzen, met name de Schengengrenscode, alsmede het Handvest van de grondrechten en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951, en maakt het deze effectiever, overeenkomstig de desbetreffende wetgeving van de Unie, internationale wetgeving, verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, en de grondrechten. Hiertoe coördineert het de acties van de lidstaten ter uitvoering van deze maatregelen; aldus draagt het bij tot een doelmatig, hoog en uniform niveau van de controle van personen en de bewaking van de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie met inachtneming van de bepalingen van het Handvest van de grondrechten waarbij de mensenrechten van migranten naar behoren worden geëerbiedigd en beschermd. Bij schending van het internationaal recht of het Handvest van de grondrechten, met name van de artikelen 1, 4, 6, 18 en 19 daarvan, moet de operatie waarbij de schending is ontdekt, worden opgeschort.

    Toelichting

    In het kader van zijn verplichtingen als Agentschap van de EU moet Frontex tevens de EU-maatregelen inzake het beheer van de buitengrenzen en de in het Handvest van de grondrechten verankerde beginselen toepassen.

    Amendement  9

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 3 – letter a

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 2 – alinea 1 – letter c

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    c) risicoanalyses uitvoeren, waaronder een evaluatie van de capaciteit van de lidstaten om het hoofd te bieden aan dreigingen en druk aan de buitengrenzen;

    c) risicoanalyses uitvoeren, waaronder een evaluatie van de capaciteit van de lidstaten om het hoofd te bieden aan dreigingen en druk aan de buitengrenzen, alsmede de bevindingen verwerken van de hoge commissaris van de VN voor vluchtelingen (UNHCR) en de hoge commissaris van de VN voor mensenrechten, met name met betrekking tot de situatie van personen die internationale bescherming nodig hebben, en regelmatig verslag uitbrengen aan het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten;

    Toelichting

    Het is belangrijk dat Frontex in zijn risicoanalyses onafhankelijke en uitgebreide bevindingen verwerkt over de situatie van de mensenrechten van migranten in doorreislanden.

    Amendement  10

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 3 - letter b

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 2 - alinea 1 bis

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    Alle grenswachten en overig personeel van de lidstaten, alsmede het personeel van het Agentschap, hebben, voordat zij deelnemen aan door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten, opleiding ontvangen betreffende de internationale en EU-wetgeving ter zake, waaronder de grondrechten en toegang tot internationale bescherming.

    Alle grenswachten en overig personeel van de lidstaten, alsmede het personeel van het Agentschap en zijn verbindingsfunctionarissen, hebben, voordat zij deelnemen aan door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten of, in het geval van verbindingsfunctionarissen, voordat zij in een derde land worden ingezet, een opleiding ontvangen betreffende de internationale en EU-wetgeving ter zake, waaronder de grondrechten en toegang tot internationale bescherming.

    Toelichting

    Er moet een uitdrukkelijke eis worden opgenomen dat in derde landen ingezette verbindingsfunctionarissen van Frontex een opleiding volgen in internationale en EU-wetgeving, met inbegrip van de grondrechten en de toegang tot internationale bescherming.

    Amendement  11

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 4

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3 – lid 1 – alinea 2

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    Het Agentschap kan zelf gezamenlijke operaties en proefprojecten in samenwerking met de lidstaten initiëren.

    Het Agentschap kan zelf gezamenlijke operaties en proefprojecten in samenwerking met de betrokken lidstaten en na instemming van de ontvangende lidstaat initiëren en het Europees Parlement middels het algemeen verslag van het Agentschap uit hoofde van artikel 20, lid 2, onder b), informeren.

    Toelichting

    Het Agentschap kan gezamenlijke operaties alleen na instemming van de ontvangende lidstaat uitvoeren.

    Amendement  12

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 4

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3 – lid 1 – alinea 5

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    Het Agentschap kan gezamenlijke operaties en proefprojecten ook stopzetten, wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van deze initiatieven.

    Het Agentschap kan, nadat de ontvangende lidstaat daarmee heeft ingestemd, gezamenlijke operaties en proefprojecten ook stopzetten, wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van deze initiatieven. De betrokken lidstaten kunnen het Agentschap verzoeken een gezamenlijke operatie of proefproject te beëindigen.

    Toelichting

    De ontvangende lidstaat moet bij de beëindiging van operaties een beslissende rol spelen.

    Amendement  13

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 4

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3 – lid 4

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    4.het Agentschap evalueert de resultaten van de gezamenlijke operaties en proefprojecten en geeft de gedetailleerde evaluatieverslagen binnen 60 dagen na het einde van de activiteit door aan de raad van bestuur.het Agentschap maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en efficiëntie van toekomstige operaties en projecten; deze analyse wordt in zijn in artikel 20, lid 2, onder b), bedoelde algemene verslag opgenomen.

    4.het Agentschap evalueert de resultaten van de gezamenlijke operaties en proefprojecten en geeft de gedetailleerde evaluatieverslagen binnen 60 dagen na het einde van de activiteit door aan de raad van bestuur en het Europees Parlement. Het Agentschap maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en efficiëntie van toekomstige operaties en projecten; deze analyse wordt in zijn in artikel 20, lid 2, onder b), bedoelde algemene verslag opgenomen. De evaluatieverslagen omvatten de naleving van de grondrechten bij gezamenlijke operaties en proefprojecten, mede op basis van door onafhankelijke waarnemers uitgevoerd toezicht.

    Toelichting

    Evaluaties mogen niet beperkt blijven tot de vraag of een specifieke operatie aan haar operationele doelstellingen heeft beantwoord, maar zij moeten tevens een onafhankelijke evaluatie omvatten van de eerbiediging van de grondrechten, die deel uitmaken van het wetgevingskader van Frontex-operaties.

    Amendement  14

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 5

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3 bis – lid 1 – alinea 2 – inleiding

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    Het operationele plan bevat de volgende gegevens:

    Het operationele plan omvat alle aspecten die voor de uitvoering van gezamenlijke operaties en proefprojecten nodig worden geacht, zoals:

    Toelichting

    Het operationele plan moet met name alle essentiële elementen voor de uitvoering van gezamenlijke operaties en proefprojecten opsommen.

    Amendement  15

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 5

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3bis – lid 1 – alinea 2 – letter e

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    e) de samenstelling van de teams van uitgezonden functionarissen;

    e) de samenstelling van de teams van uitgezonden functionarissen en de inzet van ander personeel;

    Toelichting

    Het operationele plan moet gedetailleerd ingaan op de wijze waarop de teams van uitgezonden functionarissen en het overige personeel worden ingezet.

    Amendement  16

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 5

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3bis – lid 1 – alinea 2 – letter h

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    h) een meldings- en evaluatieregeling met gedetailleerde bepalingen inzake incidentenmeldingen, ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 4.

    h) een meldings- en evaluatieregeling met gedetailleerde bepalingen inzake incidentenmeldingen, ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 4. De incidentenmeldingsregeling omvat gegevens over geloofwaardige beschuldigingen van schendingen van met name deze verordening of de Schengengrenscode, met inbegrip van de grondrechten, gedurende gezamenlijke operaties en proefprojecten, die door het Agentschap onmiddellijk worden doorgegeven aan de bevoegde nationale openbare autoriteiten en de raad van bestuur.

    Toelichting

    De melding en evaluatie van incidenten is van cruciaal belang voor de goede naleving van het toepasselijke wetgevingskader voor Frontex-operaties. Er moet worden verduidelijkt dat in het kader van de incidentenmelding gegevens over geloofwaardige beschuldigingen van inbreuk op de Schengengrenscode en de grondrechten worden doorgegeven, zoals uiteengezet in de voorgestelde overweging 17.

    Amendement  17

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 5

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3bis – lid 1 – alinea 2 – letter i

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    i) voor operaties op zee, specifieke vereisten betreffende de toepasselijke jurisdictie en zeerechtelijke bepalingen betreffende het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt.

    i) voor operaties op zee, specifieke vereisten betreffende de toepasselijke jurisdictie en relevante wetgeving betreffende het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt.

    Toelichting

    Maritieme operaties moeten gebaseerd zijn op de relevante toepasselijke wetgeving.

    Amendement  18

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 5

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3 bis – lid 1 – alinea 2 – letter i bis (nieuw)

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

     

    i bis) zo nodig, bepalingen inzake samenwerking met derde landen, en in het kader van de, in de desbetreffende operationele samenwerkingsovereenkomsten neergelegde bepalingen.

    Toelichting

    De wijze van samenwerking met de derde landen moet voor elk geval in het operationele plan worden opgenomen en moet stroken met de desbetreffende operationele- samenwerkingsovereenkomsten.

    Amendement  19

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 5

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 3 ter – lid 3

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    3. De lidstaten stellen de grenswachten ter beschikking voor inzet op verzoek van het Agentschap, tenzij de lidstaten geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waarin de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste dertig dagen voor de gewenste inzet ingediend. De autonomie van de lidstaat van herkomst wat betreft de selectie van het personeel en de duur van de inzet ervan blijft onverlet.

    3. De lidstaten stellen de grenswachten ter beschikking voor inzet op verzoek van het Agentschap, tenzij de lidstaten geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waarin de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste dertig dagen voor de gewenste inzet ingediend. De autonomie van de lidstaat van herkomst wat betreft de selectie van het personeel en de duur van de inzet ervan blijft onaangetast. De bijdrage van elke lidstaat inzake grenswachten voor elke operatie wordt middels jaarlijkse bilaterale afspraken tussen het Agentschap en de betrokken lidstaat geregeld.

    Toelichting

    De exacte voorwaarden voor de bijdrage van elke lidstaat aan elke operatie wordt door jaarlijkse bilaterale afspraken tussen het Agentschap en de desbetreffende lidstaat geregeld.

    Amendement  20

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 7

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 5 – alinea 1

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    Het Agentschap stelt een gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachten vast, ontwikkelt deze verder en verstrekt opleiding op Europees niveau voor opleiders van de nationale grenswachten van de lidstaten, onder meer inzake de grondrechten en de toegang tot internationale bescherming. De lidstaten integreren de gemeenschappelijke basisinhoud in de opleiding van hun nationale grenswachten."

    Het Agentschap stelt een gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachten vast, ontwikkelt deze verder en verstrekt opleiding op Europees niveau voor opleiders van de nationale grenswachten van de lidstaten, onder meer inzake de grondrechten en de toegang tot internationale bescherming. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de gemeenschappelijke basisinhoud. De lidstaten integreren de gemeenschappelijke basisinhoud in de opleiding van hun nationale grenswachten. Bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van de gemeenschappelijke basisinhoud werkt het Agentschap nauw samen met het Bureau voor de grondrechten en het UNHCR.

    Toelichting

    Het Europees Parlement zou toegang tot informatie over opleidingen moeten hebben. Nauwere samenwerking met het Bureau voor de grondrechten en het UNHCR bij initiatieven inzake capaciteitsuitbreiding, zoals opleidingen, zou als een duidelijke meerwaarde moeten worden beschouwd.

    Amendement  21

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 8

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 7 – lid 1 – alinea 1 – streepje 1

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    – in het geval van aanschaf spreekthet Agentschap formeel met één lidstaat af dat de deze zorgt voor de registratie van de uitrusting;

    – in het geval van aanschaf spreekt het Agentschap formeel met één lidstaat af dat deze overeenkomstig de vigerende wetgeving van die lidstaat zorgt voor de registratie van de uitrusting;

    Toelichting

    Bij de registratie van nieuwe uitrusting moet het nationale recht steeds worden nageleefd.

    Amendement  22

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 8

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 7 – lid 5 – alinea 1

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    5. Het Agentschap financiert de inzet van de uitrusting die deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid uitrusting die een bepaalde lidstaat voor een bepaald jaar beschikbaar moet stellen. De inzet van uitrusting die geen deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid uitrusting wordt tot maximaal 60% van de in aanmerking komende uitgaven door het Agentschap meegefinancierd.

    5. Het Agentschap financiert de inzet van de uitrusting die deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid uitrusting die een bepaalde lidstaat voor een bepaald jaar beschikbaar moet stellen. De inzet van uitrusting die geen deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid uitrusting wordt tot maximaal 60% van de in aanmerking komende uitgaven door het Agentschap meegefinancierd. De operationele kosten van de uitrusting worden gedragen door het Agentschap.

    Toelichting

    Het is voor alle lidstaten van belang dat de operationele kosten van de uitrusting door het Agentschap worden gedragen.

    Amendement  23

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 10 – letter a bis (nieuw)

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 8 – lid 1 – letter g bis (nieuw)

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

     

    (a bis) het volgende punt wordt toegevoegd:

     

    "g bis) het voorzien in de onverwijlde melding van incidenten door het Agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale openbare autoriteiten."

    Toelichting

    Het Agentschap moet onverwijld aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties verslag kunnen uitbrengen over incidenten.

    Amendement  24

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 10 – letter b

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 8 – lid 1 – punt h

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    h) een meldings- en evaluatieregeling met gedetailleerde bepalingen inzake incidentenmeldingen, ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 4.

    h) een meldings- en evaluatieregeling met ijkpunten voor het evaluatieverslag en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag overeenkomstig artikel 3, lid 4.

    Toelichting

    Incidentenmeldingen worden elders apart genoemd.

    Amendement  25

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 10 – letter b

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 8 – lid 1 – punt i

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    i) voor operaties op zee, specifieke vereisten betreffende de toepasselijke jurisdictie en zeerechtelijke bepalingen betreffende het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt.

    i) voor operaties op zee, specifieke vereisten betreffende de toepasselijke jurisdictie en relevante wetgeving betreffende het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt.

    Toelichting

    Maritieme operaties moeten gebaseerd zijn op de relevante toepasselijke wetgeving.

    Amendement  26

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 12

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 9 – lid 2

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    2.het Agentschap ontwikkelt een gedragscode voor de terugkeer door de lucht van onderdanen van derde landen die illegaal aanwezig zijn; deze code geldt tijdens alle door het Agentschap gecoördineerde gezamenlijke terugkeeroperaties en beschrijft gemeenschappelijke gestandaardiseerde procedures die de organisatie van gezamenlijke terugkeervluchten moeten vereenvoudigen en moeten waarborgen dat de terugkeer verloopt op humane wijze en met onverkorte inachtneming van de grondrechten, en meer bepaald van het beginsel van de menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het non-discriminatiebeginsel.

    2.het Agentschap ontwikkelt een gedragscode voor de terugkeer door de lucht van onderdanen van derde landen die illegaal aanwezig zijn; deze code geldt tijdens alle door het Agentschap gecoördineerde gezamenlijke terugkeeroperaties en beschrijft gemeenschappelijke gestandaardiseerde procedures die de organisatie van gezamenlijke terugkeervluchten moeten vereenvoudigen en moeten waarborgen dat de terugkeer verloopt op humane wijze en met onverkorte inachtneming van de grondrechten, en meer bepaald van het beginsel van de menselijke waardigheid, het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het non-discriminatiebeginsel. De gedragscode moet de opschorting van terugkeer mogelijk maken, wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat terugkeer zou leiden tot een schending van de grondrechten.

    Toelichting

    De mogelijkheid om terugkeer op te schorten, wanneer deze zou leiden tot een schending van de grondrechten, vormt een essentiële procedurele waarborg.

    Amendement  27

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 12

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 9 – lid 3

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    3. In de gedragscode wordt met name aandacht besteed aan de in artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG vervatte verplichting om een doeltreffend systeem voor het toezicht op gedwongen terugkeer op te zetten. Het toezicht op gezamenlijke terugkeeroperaties moet onafhankelijk worden uitgeoefend en dient de hele gezamenlijke terugkeeroperatie te bestrijken, van de fase voorafgaand aan het vertrek tot en met de overdracht van de repatrianten in het land van terugkeer. Bovendien worden de opmerkingen van de met het toezicht belaste waarnemer over de inachtneming van de gedragscode en met name de grondrechten, doorgegeven aan de Commissie en opgenomen in het interne eindverslag over de terugkeeroperatie. Om te zorgen voor transparantie en een samenhangende evaluatie van de gedwongen-terugkeeroperaties worden de verslagen van de waarnemer opgenomen in een jaarlijks verslagleggingsmechanisme.

    3. In de gedragscode wordt met name aandacht besteed aan de in artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG vervatte verplichting om een doeltreffend systeem voor het toezicht op gedwongen terugkeer op te zetten. Het toezicht op gezamenlijke terugkeeroperaties moet onafhankelijk worden uitgeoefend en dient de hele gezamenlijke terugkeeroperatie te bestrijken, van de fase voorafgaand aan het vertrek tot en met de overdracht van de repatrianten in het land van terugkeer. De met het toezicht belaste waarnemers moeten toegang krijgen tot alle relevante faciliteiten, met inbegrip van detentiecentra en luchtvaartuigen, en de nodige opleiding krijgen om hun taken te kunnen verrichten. Bovendien worden de opmerkingen van de met het toezicht belaste waarnemer over de inachtneming van de gedragscode en met name de grondrechten, doorgegeven aan de Commissie en opgenomen in het interne eindverslag over de terugkeeroperatie. Om te zorgen voor transparantie en een samenhangende evaluatie van de gedwongen-terugkeeroperaties worden de verslagen van de waarnemer opgenomen in een jaarlijks openbaar verslagleggingsmechanisme.

    Toelichting

    Om op uitgebreide en efficiënte wijze toezicht op gedwongen terugkeer te kunnen houden, dienen met het toezicht belaste waarnemers onbeperkte toegang te krijgen tot alle relevante faciliteiten. De kwaliteit en doeltreffendheid van het toezicht hangen tevens ervan af of de waarnemers een adequate opleiding kunnen krijgen.

    Amendement  28

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 13

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    Het Agentschap kan met Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau voor de grondrechten en andere Agentschappen en organen van de Europese Unie, en de internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden samenwerken in het kader van met deze organen gemaakte werkafspraken overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en de bepalingen over de bevoegdheid van die organen.

    Het Agentschap kan met Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het Bureau voor de grondrechten en andere Agentschappen en organen van de Europese Unie, en de internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden samenwerken in het kader van met deze organen gemaakte werkafspraken overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en de bepalingen over de bevoegdheid van die organen. Het Europees Parlement wordt van dergelijke, door het Agentschap gemaakte afspraken in kennis gesteld.

    Amendement 29

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 14 – lid 1

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    1. Voor de aangelegenheden die door zijn activiteiten worden bestreken en voor zover nodig voor de uitvoering van zijn taken, vergemakkelijkthet Agentschap de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid inzake externe betrekkingen van de Europese Unie, onder meer wat betreft mensenrechten.

    1. Voor de aangelegenheden die door zijn activiteiten worden bestreken en voor zover nodig voor de uitvoering van zijn taken, vergemakkelijkthet Agentschap de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid inzake externe betrekkingen van de Europese Unie, met name via het Europees nabuurschapsbeleid en in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, onder meer wat betreft mensenrechten.

    Amendement  30

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 14 – lid 2

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    2.het Agentschap kan verbindingsfunctionarissen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken in derde landen optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de krachtens Verordening nr. 377/2004 van de Raad opgezette plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van verbindingsfunctionarissen van de lidstaten. Verbindingsfunctionarissen worden alleen ingezet in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van grensbeheer voldoen aan minimale normen inzake mensenrechten. Bij de inzet moet prioriteit worden gegeven aan de derde landen die volgens risicoanalyses een land van herkomst of doorreis zijn bij illegale migratie. Op basis van wederkerigheid kan het Agentschap, voor een beperkte periode, ook verbindingsfunctionarissen ontvangen die door die derde landen zijn gedetacheerd. De raad van bestuur stelt overeenkomstig artikel 24 jaarlijks de lijst met prioriteiten vast op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur.

    2.het Agentschap kan verbindingsfunctionarissen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken in derde landen optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de krachtens Verordening nr. 377/2004 van de Raad opgezette plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van verbindingsfunctionarissen van de lidstaten. Verbindingsfunctionarissen worden, na goedkeuring door de raad van bestuur, alleen ingezet in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van grensbeheer voldoen aan de verplichtingen inzake de grondrechten en internationale bescherming. In het kader van het externe beleid van de EU moet bij de inzet prioriteit worden gegeven aan de derde landen die volgens risicoanalyses een land van herkomst of doorreis zijn bij illegale migratie. Op basis van wederkerigheid kan het Agentschap, voor een beperkte periode, ook verbindingsfunctionarissen ontvangen die door die derde landen zijn gedetacheerd. De raad van bestuur stelt overeenkomstig artikel 24 jaarlijks de lijst met prioriteiten vast op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur.

    Amendement  31

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 14 – lid 3

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    3. De taken van de verbindingsfunctionarissen omvatten, met inachtneming van het recht van de Europese Unie en de grondrechten, het leggen en onderhouden van contact met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij gedetacheerd zijn, teneinde bij te dragen tot de preventie en bestrijding van illegale immigratie en tot de terugkeer van illegale migranten.

    3. De taken van de verbindingsfunctionarissen omvatten, met inachtneming van het recht van de Europese Unie, de grondrechten en vooral het recht van eenieder een land, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, het leggen en onderhouden van contact met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij gedetacheerd zijn, teneinde bij te dragen tot de preventie en bestrijding van illegale immigratie en tot de terugkeer van illegale migranten.

    Toelichting

    Ten aanzien van de activiteiten van verbindingsfunctionarissen die in derde landen worden ingezet, zou de verordening een duidelijke verwijzing moeten omvatten naar het recht van eenieder om een land te verlaten, met inbegrip van het eigen land, overeenkomstig artikel 12, lid 2, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 2, lid 2, van protocol 4 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden..

    Amendement  32

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 14 – lid 4

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    4.het Agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten die het beleid van de Unie inzake externe betrekkingen ondersteunen. Het kan projecten voor technische bijstand in derde landen initiëren en financieren ten aanzien van zaken waarop deze verordening betrekking heeft. Ook kan het Agentschap vertegenwoordigers van derde landen, andere Agentschappen en organen van de Europese Unie, en internationale organisaties uitnodigen om deel te nemen aan de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde activiteiten. Voordat deze vertegenwoordigers deelnemen, ontvangen zij een passende opleiding van het Agentschap.

    4.het Agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten die het beleid van de Unie inzake externe betrekkingen ondersteunen. Het kan projecten voor technische bijstand in derde landen initiëren en financieren ten aanzien van zaken waarop deze verordening betrekking heeft, met het oog op de verbetering van hun capaciteiten, onder meer op het vlak van de mensenrechten. Het Agentschap zorgt ervoor dat aan derde landen geen bijstand bij operaties in het kader van deze projecten wordt verleend, indien er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat dergelijke operaties zouden leiden tot schendingen van de grondrechten. Ook kan het Agentschap, na overleg met de ontvangende lidstaat, vertegenwoordigers van derde landen, andere Agentschappen en organen van de Europese Unie, en internationale organisaties uitnodigen om deel te nemen aan de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde activiteiten. Voordat deze vertegenwoordigers deelnemen, ontvangen zij een passende opleiding van het Agentschap, met name over de grondrechten.

    Toelichting

    EU-middelen mogen niet aan derde landen worden verleend, wanneer te verwachten valt dat gezamenlijke operaties kunnen leiden tot schendingen van de grondrechten, ten einde het beginsel tot uiting te brengen, dat is opgenomen in de effectbeoordeling die bij het Commissievoorstel is gevoegd.

    Amendement  33

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 14 – lid 5

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    5. Bij het sluiten van bilaterale overeenkomsten met derde landen zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, nemen de lidstaten zo nodig bepalingen op over de rol en de bevoegdheden van het Agentschap, met name wat betreft de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden door leden van de teams die het Agentschap inzet gedurende de in artikel 3 bedoelde activiteiten.

    5. Bij het sluiten van overeenkomsten met derde landen over samenwerking op operationeel niveau zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, nemen de lidstaten zo nodig bepalingen op over de rol en de bevoegdheden van het Agentschap, met name wat betreft de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden door leden van de teams die het Agentschap inzet gedurende de in artikel 3 bedoelde activiteiten. De tekst van deze bilaterale overeenkomsten wordt doorgegeven aan het Europees Parlement en de Commissie.

    Toelichting

    Bilaterale overeenkomsten van de lidstaten met derde landen die bepalingen omvatten over de rol en bevoegdheden van Frontex, moeten toegankelijk zijn voor toezicht door het Europees Parlement en aan de Europese Commissie ter beschikking worden gesteld om te waarborgen dat zij stroken met de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van de EU-wetgeving en de grondrechten, zoals bepaald in deze verordening.

    Amendement  34

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 14 – lid 6

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    6. Het Agentschap kan met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden, samenwerken in het kader van met deze autoriteiten gemaakte werkafspraken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag.

    6. Het Agentschap kan met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden, samenwerken in het kader van met deze autoriteiten gemaakte werkafspraken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag en met name van het Handvest van de grondrechten en het internationaal recht, in het bijzonder ten aanzien van het beginsel van niet-uitwijzing. Middels deze afspraken wordt de naleving van de internationale mensenrechten en het humanitaire recht door derde landen gewaarborgd.

    Toelichting

    Als Agentschap van de Unie heeft Frontex de plicht om in al zijn activiteiten de grondrechten volledig te eerbiedigen en de toepassing ervan te bevorderen (artikel 51 van het Handvest van de grondrechten). Deze grondbeginselen zijn eveneens van toepassing bij het afsluiten van samenwerkingsovereenkomsten met derde landen.

    Amendement  35

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 16

    Verordening (EG) nr. 2007/2004

    Artikel 14 – lid 7

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    7. Voor de in de leden 2 en 6 bedoelde activiteiten is vooraf een gunstig advies van de Commissie vereist."

    7. Voor de in de leden 2 en 6 bedoelde activiteiten is vooraf een gunstig advies van de Commissie vereist. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de samenwerkingsovereenkomsten van het Agentschap met de autoriteiten van derde landen.

    Toelichting

    Als orgaan van de Unie valt Frontex onder de beginselen van volledige democratische controle en transparantie. Deze werkafspraken moeten stroken met het externe beleid van de EU en de Commissie moet de redenen voor het afgeven van een positief advies rechtvaardigen.

    Amendement  36

    Voorstel voor een verordening – wijzigingsbesluit

    Artikel 1 – punt 23

    Verordening (EG) nr. 2007/200404

    Artikel 33 – lid 2 ter

     

    Door de Commissie voorgestelde tekst

    Wijzigingen

    2 ter. De evaluatie omvat een specifieke analyse van de wijze waarop het Handvest van de grondrechten bij de toepassing van de verordening in acht werd genomen.

    2 ter. De evaluatie omvat een specifieke analyse van de wijze waarop de in het Handvest van de grondrechten verankerde rechten bij de toepassing van deze verordening werden gewaarborgd. Een jaarlijkse evaluatie van deze analyse wordt aan het algemeen verslag van het Agentschap gehecht.

    PROCEDURE

    Titel

    Wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)

    Document- en procedurenummers

    COM(2010)0061 – C7-0045/2010 – 2010/0039(COD)

    Commissie ten principale

    LIBE

    Advies uitgebracht door

    Datum bekendmaking

    AFET

    11.3.2010

     

     

     

    Rapporteur voor advies

    Datum benoeming

    Barbara Lochbihler

    30.3.2010

     

     

    Behandeling in de commissie

    14.10.2010

    10.1.2011

     

     

    Datum goedkeuring

    13.1.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    43

    5

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Gabriele Albertini, Michael Gahler, Marietta Giannakou, Ana Gomes, Heidi Hautala, Richard Howitt, Anna Ibrisagic, Ioannis Kasoulides, Tunne Kelam, Maria Eleni Koppa, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Krzysztof Lisek, Sabine Lösing, Ulrike Lunacek, Barry Madlener, Mario Mauro, Kyriakos Mavronikolas, Francisco José Millán Mon, Alexander Mirsky, Andreas Mölzer, María Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Norica Nicolai, Justas Vincas Paleckis, Ioan Mircea Paşcu, Vincent Peillon, Alojz Peterle, Cristian Dan Preda, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, Werner Schulz, Ernst Strasser, Charles Tannock, Zoran Thaler, Kristian Vigenin, Graham Watson

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Kinga Gál, Liisa Jaakonsaari, Georgios Koumoutsakos, Barbara Lochbihler, Norbert Neuser, Jacek Protasiewicz, Judith Sargentini, Marietje Schaake, Indrek Tarand, Janusz Władysław Zemke

    PROCEDURE

    Titel

    Wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)

    Document- en procedurenummers

    COM(2010)0061 – C7-0045/2010 – 2010/0039(COD)

    Datum indiening bij EP

    24.2.2010

     

     

     

    Commissie ten principale

    Datum bekendmaking

    LIBE

    11.3.2010

     

     

     

    Medeadviserende commissie(s)

    Datum bekendmaking

    AFET

    11.3.2010

    DEVE

    11.3.2010

     

     

    Geen advies

    Datum besluit

    DEVE

    17.3.2010

     

     

     

    Rapporteur(s)

    Datum benoeming

    Simon Busuttil

    21.4.2010

     

     

     

    Betwisting rechtsgrondslag

    Datum JURI-advies

    JURI

    24.5.2011

     

     

     

    Behandeling in de commissie

    11.10.2010

    26.10.2010

    15.11.2010

    26.1.2011

     

    24.5.2011

    12.7.2011

     

     

    Datum goedkeuring

    12.7.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    42

    5

    7

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Jan Philipp Albrecht, Sonia Alfano, Alexander Alvaro, Roberta Angelilli, Gerard Batten, Vilija Blinkevičiūtė, Mario Borghezio, Rita Borsellino, Emine Bozkurt, Simon Busuttil, Philip Claeys, Carlos Coelho, Rosario Crocetta, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Hélène Flautre, Kinga Göncz, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Ágnes Hankiss, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Timothy Kirkhope, Juan Fernando López Aguilar, Baroness Sarah Ludford, Monica Luisa Macovei, Véronique Mathieu, Nuno Melo, Jan Mulder, Antigoni Papadopoulou, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Renate Sommer, Rui Tavares, Wim van de Camp, Daniël van der Stoep, Renate Weber, Tatjana Ždanoka

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Edit Bauer, Anna Maria Corazza Bildt, Luis de Grandes Pascual, Ioan Enciu, Monika Hohlmeier, Jean Lambert, Antonio Masip Hidalgo, Mariya Nedelcheva, Hubert Pirker, Michèle Striffler, Kyriacos Triantaphyllides, Cecilia Wikström

    Datum indiening

    15.7.2011