Procedure : 2011/2108(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0359/2011

Ingediende teksten :

A7-0359/2011

Debatten :

PV 14/11/2011 - 21
CRE 14/11/2011 - 21

Stemmingen :

PV 15/11/2011 - 7.17
CRE 15/11/2011 - 7.17
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0493

VERSLAG     
PDF 209kWORD 152k
25.10.2011
PE 467.076v03-00 A7-0359/2011

over de gezondheid van honingbijen en de problemen van de bijenteeltsector

(2011/2108(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Csaba Sándor Tabajdi

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de gezondheid van honingbijen en de problemen van de bijenteeltsector

(2011/2108(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over de situatie in de bijenteelt(1),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2010 over de gezondheid van honingbijen (COM(2010)0714),

–   gezien de conclusies van de Raad van 17 mei 2011 over de gezondheid van honingbijen,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 mei 2011, getiteld "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU‑biodiversiteitsstrategie voor 2020" (COM(2011)0244),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening)(2), die speciale bepalingen vaststelt voor de bijenteelt in de Europese Unie,

–   gezien het wetenschappelijk rapport van de EFSA van 11 augustus 2008 en het door de EFSA in opdracht gegeven en goedgekeurde wetenschappelijke rapport van 3 december 2009 die beide gaan over de sterfte onder bijen en de bewaking van bijen in Europa,

–   gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-442/09(3) inzake de etikettering van honing die genetisch gemodificeerd materiaal bevat,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(4),

–   gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(5),

–   gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over "Het proteïnetekort in de EU: welke oplossing voor een allang bestaand probleem?"(6),

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7‑0359/2011),

A. overwegende dat de bijenteelt als economische en sociale activiteit een cruciale rol in de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden speelt en banen creëert, en een belangrijke ecosysteemdienst verleent via bestuiving, hetgeen bijdraagt tot verbetering van de biodiversiteit door de genetische verscheidenheid van planten te behouden;

B.  overwegende dat de bijenteelt en biodiversiteit wederzijds afhankelijk zijn; overwegende dat bijenkolonies door middel van de bestuiving van planten bijdragen aan het ontstaan van ecologisch, economisch en maatschappelijk gezien waardevolle goederen voor iedereen en daarbij de continuïteit van de voedselvoorziening waarborgen en de biodiversiteit in stand houden, en dat bijenhouders derhalve met hun bijenkolonies een milieudienst van de eerste orde leveren en bovendien een duurzaam productiemodel op het platteland waarborgen; overwegende dat "weidegrond voor bijen", diverse foerageergebieden en bepaalde landbouwgewassen (koolzaad, zonnebloemen, e.d.) bijen de rijke voeding bieden die zij nodig hebben om hun immuunsysteem in stand te houden en gezond te blijven;

C. overwegende dat er gevreesd wordt dat er in verband met de hoge aanloopkosten in de bijenhouderij steeds minder mensen in deze sector gaan werken, met als gevolg dat er te weinig bijenkolonies zijn om belangrijke landbouwgewassen te bestuiven;

D. overwegende dat zowel in de EU als in andere delen van de wereld sprake is van een afname van de bijenvolken; overwegende dat het aantal bestuivende soorten, die bijdragen tot de productiviteit van de landbouw, afneemt; overwegende dat, als deze trend zich duidelijk versterkt, de landbouwers in de EU, alsmede elders in de wereld, genoodzaakt kunnen zijn een beroep te doen op bestuiving met hulp van de mens, hetgeen tot een verdubbeling van de uitgaven voor bestuiving zou leiden; overwegende dat de wetenschap en de veterinaire praktijk thans nauwelijks doeltreffende preventie- of bestrijdingsmethoden tegen bepaalde schadelijke organismen en ziekten paraat hebben, omdat er in de afgelopen decennia onvoldoende onderzoek- en ontwikkelingswerkzaamheden zijn geweest naar nieuwe bijengeneesmiddelen, wat te wijten is aan de beperkte omvang van deze markt en de navenant geringe belangstelling van grote farmaceutische bedrijven; overwegende dat het beperkte aantal geneesmiddelen waarmee de Varroa destructor-mijt kan worden bestreden, in vele gevallen niet langer doeltreffend is,

E.  overwegende dat een groot aantal letale en subletale factoren van invloed zijn op de gezondheid van individuele bijen en kolonies, waarbij veel factoren onderling samenhangen; overwegende dat het beperkte aantal op de markt verkrijgbare geneesmiddelen waarmee de Varroa destructor-mijt kan worden bestreden in veel gevallen niet langer voldoende doeltreffend is, doordat resistentie optreedt; overwegende dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen, de veranderende klimaat- en milieuomstandigheden, het verlies aan plantendiversiteit, verandering van het grondgebruik, verkeerde beheerspraktijken in de bijenteelt en de aanwezigheid van invasieve soorten de immuunsystemen van de kolonies verzwakken en opportunistische pathologieën bevorderen; overwegende dat de blootstelling van honingbijen aan bestrijdingsmiddelen zowel direct als indirect plaatsvindt, bijvoorbeeld via verwaaiing, oppervlaktewater, guttatie, nectar en stuifmeel;

F.  overwegende dat de bijenhouders kunnen bijdragen tot het behoud van de gezondheid en het welzijn van hun bijen, zij het dat de milieukwaliteit daarbij een belangrijke factor voor het welslagen vormt;

G. overwegende er wordt gepleit voor een minimaal gebruik van diergeneeskundige producten en werkzame stoffen alsmede handhaving van een gezond immuunsysteem van de kolonies, maar dat resistentieproblemen blijven bestaan; overwegende dat werkzame stoffen en geneesmiddelen niet door bijen gemetaboliseerd worden en dat Europese producenten rekenen op schone honing die geen residuen bevat en van hoge kwaliteit is,

H. overwegende dat een groot aantal Europese bijenhouders amateur is en geen beroepsimker;

Onderzoek en verbreiding van wetenschappelijke kennis

1.  verzoekt de Commissie om verhoging van het niveau van de steun die in het kader van het komende kaderprogramma (KP8) wordt gegeven aan onderzoek in verband met de gezondheid van honingbijen en het onderzoek te concentreren op technologische ontwikkelingen en ziektepreventie en -bestrijding, in het bijzonder op de gevolgen van milieufactoren voor het immuunsysteem van bijenkolonies en de interactie met pathologieën, op de omschrijving van duurzame landbouwpraktijken, op de bevordering van de toepassing van alternatieven die geen gebruik maken van chemische stoffen (te weten preventieve landbouwmethoden als wisselbouw en biologische bestrijding) en op verdere bevordering over de gehele linie van geïntegreerde bestrijdingsmethoden en de ontwikkeling van diergeneeskundige producten ter bestrijding van de oorzaken van de ziekten die thans bij honingbijen in de EU optreden, met name de Varroa destructor-mijt, omdat deze de belangrijkste ziekteverwekker is en moet worden bestreden met een grotere verscheidenheid aan werkzame stoffen, gezien haar grote vermogen om resistentie te ontwikkelen, en ter bestrijding van endoparasieten en andere opportunistische ziekten;

2.  acht het van belang dat er op korte termijn maatregelen worden genomen om de gezondheid van bijen te beschermen, met inachtneming van de bijzondere kenmerken van de bijenteeltsector, de verschillende betrokken partijen en de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit;

3.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit dat de toenemende sterfte onder honingbijen en wilde bestuivers in Europa, indien niet onder controle gebracht, een zware negatieve weerslag zal hebben op de landbouw, de voedselproductie en continuïteit van de voedselvoorziening, de biodiversiteit, de duurzaamheid van het milieu en op ecosystemen;

4.  vraagt de Commissie in nauwe samenwerking met de imkersverenigingen de instelling van passende nationale toezichtstelsels te bevorderen en op EU-niveau geharmoniseerde normen te ontwikkelen die vergelijking mogelijk maken; onderstreept de noodzaak van jaarlijks te herziene en bij te werken uniforme identificatie en registratie van bijenkasten op nationaal niveau; beklemtoont dat de middelen voor de identificatie en registratie niet afkomstig mogen zijn uit het budget voor de programma's ter verbetering van de productie en de afzet van honing in de Europese Unie (Verordening (EG) nr. 1221/97);

5.  verzoekt de Commissie om steun voor een Europees netwerk van "referentiebijenkorven" om na te gaan hoe de gezondheid van bijen beïnvloed wordt door milieuomstandigheden, teeltmethoden en landbouwmethoden;

6.  dringt er bij de Europese Commissie op aan om de driejarenprogramma’s op grond van de verklaringen van alle lidstaten over het aantal daadwerkelijk getelde bijenkorven op te stellen, en niet aan de hand van schattingen;

7.  is verheugd over de oprichting van het EU-referentielaboratorium voor bijengezondheid dat zich dient te richten op activiteiten die niet bestreken worden door de bestaande netwerken van deskundigen of nationale laboratoria en voor een synthese moet zorgen van de totale kennis die hun onderzoek heeft opgeleverd;

8.  onderstreept dat het nodig is diagnostische laboratoria en veldonderzoek op nationaal niveau te ondersteunen en wijst erop dat overlappingen bij de financiering moeten worden vermeden;

9.  verzoekt de Commissie samen met vertegenwoordigers van de bijensector een stuurcomité in te stellen dat haar bij de vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma van het EU-referentielaboratorium helpt; betreurt dat het eerste jaarlijkse werkprogramma van het EU-referentielaboratorium is gepresenteerd zonder voorafgaand overleg met de betrokken partijen;

10. doet een beroep op de Commissie het wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheid van honingbijen te blijven steunen en daarbij voort te bouwen op de goede voorbeelden van de COST-actie Coloss en de initiatieven BeeDoc en STEP en de lidstaten aan te sporen het wetenschappelijk onderzoek op dit gebied te steunen; benadrukt niettemin dat de betrekkingen met de bijenhouders en hun organisaties moeten worden geïntensiveerd;

11. verzoekt de Commissie overlap bij de inzet van financiële middelen te voorkomen teneinde de doeltreffendheid te vergroten en economische en ecologische meerwaarde voor zowel imkers als boeren te genereren; verzoekt de Commissie de lidstaten ertoe aan te sporen meer geld in onderzoek te steken;

12. verzoekt de lidstaten te bevorderen dat nationale monitoringnetwerken voor de fenologie van honingdragende planten worden ingesteld en er toezicht op te houden;

13. dringt er bij de Commissie op aan actief te stimuleren dat de lidstaten, laboratoria, bijenhouders, landbouwers, industrie en wetenschappers meer informatie uitwisselen over ecotoxicologisch onderzoek over de gezondheid van honingbijen om onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek op basis van zo veel mogelijk informatie mogelijk te maken; verzoekt de Commissie tot deze procedure bij te dragen door haar desbetreffende website in alle officiële talen van de lidstaten in kwestie beschikbaar te stellen;

14. is verheugd over het initiatief van de Commissie "Betere opleidingen voor veiliger voedsel", maar wenst dat de looptijd tot na 2011 wordt verlengd en het aantal deelnemers van nationale autoriteiten wordt uitgebreid;

15. dringt aan op steun voor opleidingsprogramma's voor bijenhouders betreffende ziektepreventie en -bestrijding en voor boeren en houtvesters inzake botanische kennis, bijenvriendelijk bestrijdingsmiddelengebruik en de effecten van pesticiden en niet-chemische landbouwmethoden om onkruid te tegen te gaan; verzoekt de Commissie in samenwerking met de imkersverenigingen richtsnoeren voor de diergeneeskundige behandeling van bijenkasten voor te stellen;

16. verzoekt de nationale autoriteiten en de vertegenwoordigende organisaties in de lidstaten de verspreiding van passende wetenschappelijke en technische kennis over de gezondheid van bijen onder de bijenhouders te steunen; wijst op de behoefte aan een permanente dialoog tussen bijenhouders, landbouwers en de desbetreffende autoriteiten;

17. onderstreept dat het noodzakelijk is te waarborgen dat dierenartsen adequaat worden opgeleid en bijenhouders de mogelijkheid krijgen dierenartsen te raadplegen en dat bijenteeltspecialisten bij de nationale veterinaire autoriteiten worden ingeschakeld;

Diergeneesmiddelen

18. erkent dat de ontwikkeling van innovatieve en effectieve behandelingen tegen de varroa-mijt, die jaarlijkse verliezen van ongeveer 10% veroorzaakt, van groot belang is; is van mening dat de steun voor toegestane veterinaire behandelingen moet worden verhoogd om de negatieve effecten van ziekten en plagen te beperken; verzoekt de Commissie gezamenlijke richtsnoeren in te voeren inzake veterinaire behandeling in de sector, en wijst erop dat deze naar behoren moet worden ingezet; dringt aan op de invoering van richtsnoeren voor het gebruik van stoffen en/of preparaten op basis van organische zuren en etherische oliën en andere voor biologische bestrijding toegelaten stoffen;

19. dringt er bij de lidstaten op aan financiële steun te verlenen aan het onderzoek, de ontwikkeling en het testen in de praktijk van nieuwe diergeneesmiddelen voor bijen, met name aan kmo's, gezien het feit dat de bijenteelt door middel van de bestuiving van planten bijdraagt aan het behoud van de biodiversiteit en aan het algemeen welzijn en dat de diergeneeskundige kosten die de bijenhouders momenteel moeten dragen hoog zijn in vergelijking tot die van andere veeteeltbranches;

20. benadrukt dat het noodzakelijk is om de farmaceutische industrie stimulansen te bieden om nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen voor de bestrijding van bijenziekten;

21. wenst dat de Commissie soepeler regels opstelt voor de toelating en beschikbaarheid van diergeneesmiddelen voor honingbijen, waaronder geneesmiddelen van plantaardige oorsprong en geneesmiddelen die geen gezondheidseffecten voor insecten hebben; is verheugd over het Commissievoorstel betreffende de herziening van de richtlijn diergeneesmiddelen, maar wijst erop dat de geringe beschikbaarheid daarvan niet als voorwendsel mag dienen voor het registreren/in de handel brengen van antibiotica voor de behandeling van andere opportunistische pathologieën in honingbijenkolonies, gezien de effecten op de kwaliteit van de bijenproducten en resistentie;

22. verheugt zich over het voornemen van de Commissie om door middel van het zogenaamde watervalsysteem maximale residulimieten in te voeren voor het gebruik van geneesmiddelen om een einde te maken aan de huidige rechtsonzekerheid, die verhindert dat zieke bijen worden behandeld;

23. dringt aan op een zodanige verandering van de regelgeving dat het Europees Geneesmiddelenbureau in een geest van bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten gedurende een zekere overgangsperiode exclusiviteit kan garanderen voor het vervaardigen en op de markt brengen van nieuwe werkzame stoffen in innovatieve diergeneesmiddelen voor bijen;

24. verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om bij de volgende herziening van het Veterinair Fonds van de Europese Unie de dekking van dat fonds uit te breiden tot bijenziekten;

25. is verheugd dat de Commissie voornemens is een uitgebreide diergezondheidswet voor te leggen; verzoekt de Commissie de draagwijdte en de financiering van het Europees veterinair beleid aan te passen aan de specifieke kenmerken van bijen en bijenteelt, om te zorgen voor een efficiëntere strijd tegen de ziekten van bijen via de toereikende beschikbaarheid van doeltreffende en gestandaardiseerde geneesmiddelen in alle lidstaten en steunverlening voor bijengezondheid in het kader van het Europees veterinair beleid; verzoekt de Commissie voor meer harmonisatie tussen de lidstaten te zorgen en haar inspanningen te concentreren op de bestrijding en beheersing van varroase in de EU;

26. ondersteunt de teeltprogramma's die zich concentreren op tolerantie ten aanzien van ziekten en parasieten, in het bijzonder de varroa-mijt;

Gevolgen van de moderne landbouw voor bijen

27. onderstreept dat de Europese Unie onlangs, met grote inzet van het Europees Parlement, nieuwe strengere regels voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en het duurzaam gebruik ervan heeft opgesteld, om de veiligheid daarvan voor mens en milieu te waarborgen; wijst erop dat deze regels aanvullende strenge criteria voor de veiligheid van bijen omvatten; verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over de succesvolle uitvoering van de nieuwe regelgeving;

28. vraagt de Commissie te bevorderen dat de methodieken voor de risicobeoordeling van pesticiden verbeteren om de gezondheid van kolonies en de populatieontwikkeling te beschermen, en te zorgen voor adequate beschikbaarheid van de resultaten en methodologie van ecotoxicologisch onderzoek die bij de toelatingsdossiers gevoegd zijn;

29. wijst op het belang van duurzame landbouw en verzoekt de lidstaten zo spoedig mogelijk over te gaan tot omzetting en volledige uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG inzake duurzaam gebruik van pesticiden, en met name artikel 14 daarvan, waarin wordt bepaald dat het per 2014 voor alle boeren in de EU verplicht zal zijn geïntegreerde bestrijding van schadelijke organismen toe te passen, en bijzondere aandacht te schenken aan het gebruik van pesticiden die de gezondheid van bijenvolken aantasten;

30. verzoekt de Commissie op basis van betrouwbare en reële tests met geharmoniseerde protocollen de chronische en subletale toxiciteit en de toxiciteit voor larven te betrekken bij de risicobeoordeling van pesticiden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, die sinds 14 juni 2011 van kracht is; verzoekt de Commissie voorts bijzondere aandacht te schenken aan het gebruik van specifieke bestrijdingsmiddelen die onder bepaalde omstandigheden de gezondheid van bijenvolken aantastten; verzoekt de Commissie het onderzoek naar de mogelijke interacties tussen werkzame stoffen en pathogenen en tussen werkzame stoffen onderling te intensiveren; wijst erop dat ook alle applicatiemethoden erbij betrokken moeten worden;

31. stelt met tevredenheid vast dat de deskundigen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid een onafhankelijke evaluatie uitvoeren van de aan de industrie gestelde eisen met betrekking tot het verstrekken van informatie over de afzonderlijke pesticiden;

32. is er voorstander van dat in een geest van samenwerking tussen bijentelers, landbouwers en overheid een systeem wordt ingesteld ter bevordering van aan bijentelers gerichte vooraankondiging van pesticidegebruik, vooral bij het sproeien vanuit de lucht (bijv. tegen muggen), en een systeem voor verstrekking op verzoek van informatie over de locatie van bijenkasten ten tijde van dergelijke operaties; dringt voorts aan op betere informatie-uitwisseling via een gegevensbank op internet tussen bijentelers en boeren, bijvoorbeeld ten aanzien van het plaatsen van bijenkasten in de nabijheid van akkers;

33. verzoekt de lidstaten na te gaan of het nuttig is vakken als bijen houden en gezondheid van bijen in de opleiding tot landbouwer op te nemen;

34. vraagt de Commissie onder speciale verwijzing naar het EFSA-project uit 2009 met de titel "Sterfte onder bijen en bewaking van bijen in Europa" opdracht te geven voor objectief onderzoek naar de mogelijke negatieve gevolgen van genetische gemodificeerde gewassen en monoculturen voor de gezondheid van honingbijen;

Aspecten van productie en voedselveiligheid, beschermde oorsprongsbenamingen

35. vraagt de Commissie voortdurend toe te zien op de diergezondheidssituatie in landen waar bijen vandaan komen, de strengste eisen aan de diergezondheid te stellen en een passend systeem in te stellen om toezicht te houden op teeltmateriaal uit derde landen, teneinde de introductie in de EU te voorkomen van exotische bijenziekten en -parasieten als de Aethina tumida-kevers en de Tropilaelaps-mijten; verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenwerking met de imkersverenigingen te zorgen voor meer transparantie met betrekking tot frequentie, percentage, kenmerken en vooral de resultaten van de veiligheidscontroles die aan de controlepunten aan de grenzen worden uitgevoerd;

36. dringt aan op een voorlopige actiedrempel (RPA) van 10 ppb voor in de Europese Unie toegelaten diergeneeskundige producten, gezien de verschillende analysemethoden in de diverse lidstaten;

37. vraagt de Commissie om "geen-actiedrempels" (NAL) of "actiedrempels" (RPA) of maximale residulimieten (MRL's) in honing en andere bijenteeltproducten op te nemen voor stoffen welke voor de Europese bijenteeltsector niet mogen worden toegelaten en om de veterinaire grenscontroles en controles op de interne markt te harmoniseren, aangezien in het geval van honing de invoer van producten van slechte kwaliteit, vervalste producten of surrogaten de markt verstoren en de prijzen en de eindkwaliteit op de interne EU-markt voortdurend onder druk zetten, wat voorkomen moet worden door te zorgen dat voor de producten en producenten van de EU dezelfde spelregels gelden als voor die van derde landen; stelt daarbij vast dat de MRL's rekening moeten houden met residuen die afkomstig zijn van goede veterinaire praktijken;

38. verzoekt de Commissie om een nieuwe versie of wijziging van de bijlagen bij Richtlijn 2001/110/EG (honingrichtlijn) ter verhoging van de normen van de EU-productie door het vaststellen van duidelijke wettelijke definities voor alle bijenteeltproducten, met inbegrip van honingvariëteiten en het omschrijven van de belangrijke parameters voor de kwaliteit van honing, zoals het proline- en saccharase-gehalte, een laag HMF-niveau of een lage vochtigheid, en van kenmerken waarmee vervalsing op het spoor kan worden gekomen (zoals het glycerinegehalte, de suikerisotopenverhouding (C13/C14), het pollenspectrum en het aroma en het suikergehalte van honing); dringt aan op steun voor onderzoek naar doeltreffende methoden om vervalsing van honing op te sporen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de controle van de natuurlijke kenmerken van honing die wordt uitgevoerd bij Europese producten, ook wordt uitgevoerd bij de producten uit derde landen;

39. dringt bij de Commissie aan op harmonisering van de etiketteringsvoorschriften met de bepalingen van de verordening betreffende landbouwkwaliteitsprogramma's en op invoering van de verplichting om op het etiket van ingevoerde en in de EU geproduceerde bijenteeltproducten het land van oorsprong te vermelden of, in het geval van mengsels van producten met een verschillende oorsprong, op de verplichte vermelding op het etiket van de diverse landen van oorsprong;

40. vraagt, in de geest van het nieuwe kwaliteitsbeleid van de EU, bijentelers, de organisaties die hen vertegenwoordigen en commerciële bedrijven om een beter gebruik te maken van de etiketteringsregelingen van de EU voor de aanduiding van oorsprong (BOB- of BGA-aanduidingen) voor bijenteeltproducten, wat zou kunnen bijdragen tot de betaalbaarheid van de activiteiten in de bijenteelt en verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met de verenigingen van bijentelers kwaliteitsbenamingen voor te stellen en de rechtstreekse verkoop van bijenteeltproducten op de lokale markten te bevorderen;

41. vraagt dat actie wordt ondernomen om de consumptie van Europese honing en bijenteeltproducten te stimuleren, inclusief door honingsoorten te promoten met kenmerken die specifiek zijn voor bepaalde variëteiten en geografische gebieden;

Maatregelen in verband met de instandhouding van de biodiversiteit en de komende herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

42. dringt aan op raadpleging van bijenhouders door de Europese en nationale autoriteiten bij de opstelling van de bijenteeltprogramma's en de desbetreffende wetgeving teneinde de doeltreffendheid en de tijdige uitvoering van deze programma's te garanderen; verzoekt de Commissie aanzienlijk meer financiële middelen ter beschikking te stellen door de huidige steunverlening aan de bijenteelt in het kader van het GLB na 2013 uit te breiden en te zorgen voor het voortbestaan en de continue verbetering van de steunprogramma's voor de bijenteeltsector (Verordening (EG) nr. 1221/97), en de ontwikkeling van gezamenlijke projecten aan te moedigen en vraagt de lidstaten technische bijstand aan de bijenhouderij te verlenen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het cofinancieringsstelsel verenigbaar is met de toekenning van rechtstreekse steun in het kader van de eerste pijler van het GLB (facultatieve toepassing van het huidige artikel 68 van het GLB) door de lidstaten die dat nodig achten; benadrukt dat het noodzakelijk is jongeren aan te moedigen imker te worden; vraagt de Commissie om een vangnet of een gemeenschappelijk verzekeringssysteem voor de bijenteelt voor het opvangen van de gevolgen van crisissituaties voor bijenhouders;

43. dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van de nieuwe EU-strategie voor biodiversiteit financiële middelen voor de bijenteelt als prioriteit en/of met een hoger bedrag ter beschikking te stellen voor alle in het kader van het GLB ingediende projecten en acties die uitsluitend betrekking hebben op subsoorten en ecotypen van Apis mellifera die in een gebied inheems zijn;

44. verzoekt de Commissie om bij de vaststelling de voor de Europese bijenteelt bestemde steunmaatregelen en financiële steun in het kader van de komende hervorming van het GLB rekening te houden met het algemeen ecologisch en maatschappelijk belang van honingbijenkolonies, daar de bijen voor bestuiving zorgen, en met de milieudienst die bijenhouders met het beheren van hun bijenkolonies leveren;

45. merkt op dat het totale aantal bijentelers in de EU volgens het verslag van de Commissie van 28 mei 2010 licht is gestegen in vergelijking met 2004; wijst erop dat deze stijging volgens het verslag louter aan de toetreding van Bulgarije en Roemenië toe te schrijven is en dat er zonder de bijentelers uit deze landen een aanzienlijke daling van het aantal bijentelers in de EU zou zijn geweest; is van mening dat dit aangeeft dat de situatie in de bijenteelt in de EU ernstig is en dat de sector hulp behoeft en dat concrete maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat bijentelers hun activiteiten voortzetten;

46. verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken een speciale regeling voor hulp aan bijentelers in te stellen in het kader van de regeling voor rechtstreekse steun, bijvoorbeeld via betalingen voor bijenkolonies, om de bijenteelt in de EU te beschermen, ervoor te zorgen dat bijentelers hun activiteiten voortzetten, jongeren aan te moedigen om bijenteler te worden en ervoor te zorgen dat bijen als bestuivers blijven optreden;

47. verzoekt de Commissie duurzame landbouwmethoden via het gemeenschappelijk landbouwbeleid te bevorderen, boeren aan te sporen overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG eenvoudige landbouwmethoden toe te passen, en in de geest van de nieuwe biodiversiteitsstrategie van de EU de speciaal op de bijenhouderij gerichte agrarische milieuprogramma's te versterken; verzoekt de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's milieumaatregelen voor de landbouw op te nemen die afgestemd zijn op de bijeenteelt en boeren aan te sporen aan dit soort maatregelen mee te werken om te bevorderen dat "bijenvriendelijk" grasland aan veldranden behouden blijft, en intensief geïntegreerdeproductiemethoden toe te passen uitgaande van een holistische benadering van de landbouw en met maximale gebruikmaking van biologische bestrijding;

48. bevestigt dat de Commissie de honingbij als gedomesticeerde soort beschouwt en dat de bijenteelt dus een vorm van dierhouderij is, waardoor het mogelijk is betere gezondheids-, welzijns- en beschermingsmaatregelen(7) te nemen en de informatievoorziening over de bescherming van wilde bestuivers te verbeteren; verlangt dan ook dat er een strategie wordt vastgesteld om de gezondheid van bijen te beschermen en dat de bijensector wordt opgenomen in de landbouw- en diergezondheidswetgeving, met inachtneming van de specifieke kenmerken van de bijenhouderij, met name met het oog op compensatie voor bijentelers die te maken hebben met bijensterfte;

49. roept alle belanghebbenden in de bijenteelt ertoe op de kansen te benutten die geboden worden door het huidige gemeenschappelijk landbouwbeleid en de komende hervorming daarvan, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de producentenorganisaties in de gehele landbouw;

Behoud van de biodiversiteit bij bijen

50. dringt er bij de Commissie op aan met toepassing van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 (Habitatrichtlijn) de staat van instandhouding te bepalen van de soort Apis mellifera en deze indien nodig in de bijlagen bij de genoemde richtlijn op te nemen; verzoekt de Commissie, gezien de dringende noodzaak de soort Apis mellifera en de diverse subsoorten die in de Europese Unie voorkomen, te beschermen, de mogelijkheid te onderzoeken een specifiek programma of een specifieke regeling te creëren binnen het financiële instrument Life+ op grond waarvan een pan-Europees project kan worden ingesteld om opnieuw voor wilde populaties van deze soort te zorgen;

51. dringt er bij de Commissie op aan met toepassing van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 op zijn minst tijdelijk de invoer van levende bijen en soorten van het geslacht Bombus uit derde landen te verbieden, teneinde het binnenbrengen van exotische ziekten te voorkomen, vooral gezien het feit dat er in de Europese Unie geen tekort aan genetisch materiaal voor de bijenteelt is, als we bedenken wat de belangrijkste subsoort is waaruit de momenteel in de bijenteelt gebruikte rassen en variëteiten zijn voortgekomen;

52. wijst erop dat maatregelen ten behoeve van de biodiversiteit ook onontbeerlijk zijn in andere sectoren dan de landbouw; wijst erop dat wegbermen, spoorbermen, open stroken in het bos voor leidingen voor energietransport en particuliere en openbare tuinen aanzienlijke oppervlakten vormen, waar een met een doordacht beheer de hoeveelheid stuifmeel en nectar voor bijen en andere bestuivende insecten sterk kan worden verhoogd; is van mening dat de bedoelde ontwikkeling moet passen in het kader van een harmonieuze ruimtelijke ordening waarbij met name de verkeersveiligheid gegarandeerd is;

53. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0440.

(2)

PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1-149.

(3)

PB C 24 van 30.1.2010, blz. 28.

(4)

PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(5)

PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0084.

(7)

Door initiatieven als de EU-strategie voor diergezondheid (2007-2013) die een enkel en duidelijk regelgevingskader moet bieden voor diergezondheid, komt er verbetering in de coördinatie en het doelmatig gebruik van hulpmiddelen door betrokken Europese agentschappen, en wordt het belang van behoud en verbetering van diagnosteringscapaciteit nog eens benadrukt.


TOELICHTING

De bijenhouderij maakt een integrerend deel uit van de Europese landbouw. Zij biedt meer dan 600 000 burgers van de Europese Unie een primair of een aanvullend inkomen. De bijenteelt levert door middel van de bestuiving van planten vitale diensten aan de landbouw en levert een bijdrage aan het behoud van de biodiversiteit. Geschat wordt dat 84% van de plantensoorten en 76% van de voedselproductie in Europa afhankelijk is van de plantenbestuiving door bijen, waarvan de economische waarde veel hoger ligt dan die van de geproduceerde honing, en die op 15 miljard EUR per jaar in de EU wordt becijferd. De bijenteelt levert middels de plantenbestuiving ook belangrijke diensten aan het ecosysteem, wat bijdraagt aan een verbetering van de biodiversiteit doordat de genetische diversiteit van planten en het onderhoud van het ecologische evenwicht blijft behouden. Bovendien is de bijenteelt een deel van het Europese erfgoed op landbouwgebied en van nationale tradities.

De bijenteelt kent een unieke positie in vergelijking met andere dierhouderijsectoren. Er worden insecten geteeld, halfwilde dieren die niet als andere dieren gedomesticeerd of direct beïnvloed kunnen worden. De bijenhouderij is niet op het individuele dier gebaseerd, maar op de gehele functionele kolonie, die uit verscheidene duizenden insecten bestaat en die zoals de cellen in andere organismen samenwerken. Daarom moeten het wetenschappelijk onderzoek en de regelgeving zich zowel richten op de individuele dieren als de gehele kolonies.

Er zijn tussen de bijenteeltsectoren in de lidstaten aanzienlijke verschillen, zoals het aantal en de kwalificaties van de bijenhouders (amateur tegenover professional), het aantal kasten per oppervlak of de manier waarop de bijenteelt functioneert (stationaire of mobiele bijenstallen, transhumance). Sommige lidstaten hebben bijzonder gunstige milieu- en omstandigheden voor de bijenteelt, zoals Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Polen, Portugal, Roemenië en Spanje. Als gevolg van het hogere bijenbestand en het aantal professionele bijenhouders worden deze landen vaak "de lidstaten van de professionele bijenhouders" genoemd. Het verkleinen van de kenniskloof tussen de beroepsimkers en amateurs en het verbeteren van de verspreiding van informatie en wetenschappelijke kennis onder hen door middel van een doeltreffende opleiding is van groot belang.

De precieze oorzaken van de recente toenemende sterfte onder bijen zijn nog onduidelijk. Er bestaan diverse belemmeringen die de ontwikkeling van nieuwe diergeneesmiddelen voor bijen in de weg staan. De markt voor dergelijke producten is relatief klein in vergelijking met die voor andere dierhouderijsectoren en het rendement op de investeringen is laag. Daarom zijn de producenten van diergeneesmiddelen niet geïnteresseerd in de ontwikkeling van nieuwe diergeneesmiddelen voor bijen. Bovendien staat de huidige regelgeving van het MRL‑systeem niet borg voor een juiste bescherming van de intellectuele eigendomsrechten, waardoor innovatieve producenten van de ontwikkeling van deze producten worden afgehouden. De Commissie moet dit probleem in een evenwichtige nieuwe verordening aanpakken. Afgezien van de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen moet er verder worden gekeken naar preventiemaatregelen en moeten programma's voor de teelt van bijen en het behoud van genetisch erfgoed die zich op de bestendigheid tegen ziekten en schadelijke organismen richten, op nationaal niveau worden ondersteund.

Een van de belangrijkste belemmeringen die doeltreffende maatregelen tegen een uitzonderlijke sterfte onder de bijen in de weg staan is het gebrek aan betrouwbare en vergelijkbare gegevens over het aantal bijenkasten en bijenhouders en de verliezen onder de kolonies in de EU. Er is duidelijk behoefte aan doeltreffend geharmoniseerd systeem om toezicht te houden, waarmee de omvang van de sterfte onder de bijen kan worden vastgesteld en waarmee een nauwkeuriger kennis kan worden verkregen over de omvang en de oorzaken van de verliezen onder de bijenkolonies en over andere gezondheidsproblemen bij de bijen. Hoewel een geharmoniseerd bewakingssysteem noodzakelijk is op Europees niveau, moeten ook de lidstaten maatregelen nemen om de risico's die van invloed zijn op de gezondheid van de bijen geringer te maken. Het onderzoek moet worden geharmoniseerd en de wetenschappelijke resultaten moeten op Europees niveau worden uitgewisseld om overlappingen te voorkomen. De nationale autoriteiten en de vertegenwoordigende organisaties in de lidstaten moeten de verspreiding van passende wetenschappelijke en technische kennis over de gezondheid van bijen onder de bijenhouders ondersteunen. Er is behoefte aan een permanente en gestructureerde dialoog tussen bijenhouders, landbouwers en de desbetreffende autoriteiten. De Commissie moet haar steentje bijdragen aan het succes van deze dialoog door het beschikbaar stellen van haar desbetreffende web page in alle officiële talen van de lidstaten waar de bijenhouderij een belangrijke economische rol speelt.

Uw rapporten is verheugd over het proefprogramma van de Commissie voor de bewaking van de gezondheid van bijen en verzoekt haar overeenkomstig de conclusies van de Raad de resultaten ter beschikking te stellen van alle belanghebbenden, maar onderstreept daarbij tevens dat er verdere inspanningen noodzakelijk zijn om een geschikt bewakingssysteem in de EU in te voeren. De Commissie moet ook steun verlenen aan de instelling van een Europees netwerk van referentiebijenstallen zodat, rekening houdend met de milieuomstandigheden en de praktijken van bijenhouders en landbouwers ter plaatse, kan worden toegezien op de gezondheid van de bijen.

De rapporteur is ook ingenomen met de instelling van het EU-referentielaboratorium. De werkzaamheden van dit laboratorium moeten een aanvulling vormen op de activiteiten van bestaande netwerken van deskundigen of nationale laboratoria en het moet gebruik maken van de gegevens en ervaringen die de COST-actie Coloss heeft opgeleverd. Hierbij wordt wel onderstreept dat het noodzakelijk is diagnostische laboratoria en veldonderzoek op nationaal niveau te ondersteunen. In aanvulling hierop dient de Commissie financiële middelen ter beschikking te stellen van laboratoria die zich bezighouden met de kwaliteits- en veiligheidsanalyse van producten van de bijenteelt en die deze informatie op Europees niveau uitwisselen.

Een van de factoren die bezorgdheid in verband met de gezondheid van bijen wekken is de aanwezigheid van giftige stoffen in het milieu, vooral als gevolg van een onkundig of buitensporig gebruik van bepaalde pesticiden. De Commissie heeft de toezegging gedaan de eisen voor de gegevens die bij dossiers in verband met de toelating van pesticiden moeten worden voorgelegd te herzien, wat een gunstige ontwikkeling is, maar de bepalingen van Verordening 1107/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad moeten verder verscherpt worden om de risico's nog verder te verkleinen. De huidige etiketteringseisen voor pesticiden zijn ontoereikend. Bij de toelating van giftige producten moet duidelijk worden aangegeven in welke fenologische fase van het gewas waarvoor het product bedoeld is, het middel wel of niet mag worden gebruikt en dit moet ook duidelijk op het etiket van het product worden vermeld. Een bijkomend probleem is het ontbreken van onafhankelijk onderzoek naar substituten voor toxische gewasbeschermingsmiddelen.

Er zijn geen wetenschappelijke bewijzen voor dat genetisch gemodificeerde gewassen rechtstreekse negatieve effecten voor honingbijen zouden hebben, hoewel in een studie van de Europese voedselautoriteit uit 2009 gmo's naast andere negatieve factoren worden genoemd bij de oorzaken van de teruggang van de bijenvolken. Het is daarom belangrijk betrouwbare gegevens uit alle lidstaten te verzamelen en te waarborgen dat er objectief onderzoek op dit gebied wordt verricht. In dit verband is er aanleiding tot zorg omdat producenten van genetisch gemodificeerd zaad onafhankelijk onderzoek vaak belemmeren door niet bereid te zijn gezuiverd genetisch gemanipuleerd stuifmeel voor toxiciteitstests ter beschikking te stellen.

Het is een belangrijk en verheugend feit dat de Commissie begin 2012 een uitgebreide "diergezondheidswet" zal voorleggen, die in de plaats zal komen van de huidige veterinaire basiswetgeving. Bij deze herziening moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van de bijenteeltsector. Deze wijziging moet worden gebaseerd op een brede openbare raadpleging van de diverse belanghebbenden. Na de herziening moet het mogelijk zijn dierartsenijkundige producten op ruimere schaal te verkrijgen. Het stemt tot tevredenheid dat de Commissie het maatschappelijk belang en de betekenis voor het milieu van bestuiving van planten door bijen heeft erkend en dat de gezondheid van de dieren die planten bestuiven dan ook de juiste nadruk krijgt in de zojuist openbaar gemaakte biodiversiteitsstrategie van de EU, zodat de achteruitgang van natuurlijke weidegrond voor bijen en honingdragende plantensoorten wordt bestreden. Duurzame landbouwpraktijken moeten bij het herziene gemeenschappelijk landbouwbeleid voorop staan en de landbouwers moeten ertoe worden gebracht een serie agronomische praktijken toe te passen waarvan onder meer vruchtwisseling en het behoud van gebieden met permanent weideland, bodembedekkers en een groene infrastructuur deel moeten uitmaken. Monoculturen zorgen voor een vermindering van de kwaliteit en kwantiteit van de bronnen van nectar en stuifmeel voor bijen. Naast het verbouwen van graan en maïs voor voedsel- en energieproductie kan het gebruik van meer uitgebreide vruchtwisselingsystemen, op de boerderij gemengde gewassen en gras-klavermengsels aanzienlijke ecologische en agronomische voordelen opleveren omdat het verbouwen van peulvruchten als onderdeel van een vruchtwisselingsysteem ziekten kan voorkomen, de bodem herstelt, goed is voor de bestuiverspopulatie en het klimaat kan beschermen. Daarom moet in het kader van het herziene gemeenschappelijk landbouwbeleid steun worden verleend aan het actieve beheer van ecosystemen door landbouwers, waartoe ook de aanleg van veldranden behoort met bloemen die goed zijn voor de bestuiverspopulatie.

In de afgelopen tientallen jaren is het onderzoek naar het nieuwe diergeneesmiddelen voor de bijenteeltsector achterop geraakt. Net zoals bij het onderzoek naar geneesmiddelen voor mensen vormt de voortdurende verdere ontwikkeling van geneesmiddelen en behandelingen een voorwaarde voor een doeltreffende ziektebestrijding. Hetzelfde geldt voor varroase. Er zijn diverse al vroeger ontwikkelde diergeneesmiddelen op de markt voor de behandeling van varroa, maar geen enkele van deze middelen heeft thans een werkelijk afdoende werking.

De herziening van Richtlijn 2001/110/EG (de honingrichtlijn) is in veel opzichten van belang. De huidige soepele bepalingen over de kwaliteit van honing en over de aanwezigheid van externe organische of synthetische componenten (met inbegrip van antibiotica) hebben tot een onzekere situatie geleid, aangezien de lidstaten verschillende tolerantieniveaus hebben vastgesteld die de concurrentie op de interne markt kunnen verstoren. Er moet een uniforme wetgeving komen voor het gehalte aan residuen van antibiotica dat in honing en andere producten van de bijenteelt is toegestaan, waarbij de goede werking van de interne markt voor honing niet mag worden verstoord en een einde wordt gemaakt aan de vervalsing van de concurrentie tussen de bijenhouders in de verschillende lidstaten. Kenmerkend is dat het minimum concentratieniveau van deze stoffen geen enkele bedreiging vormt voor de gezondheid van de mens, zodat het niet nodig is om voor honing "geen-actiedrempels" of "actiedrempels" in te voeren.

De oorsprongsaanduiding die in de honingrichtlijn wordt voorgeschreven is ook in tegenspraak met andere voorschriften en strookt niet met de het huidige kwaliteitsbeleid van de EU. De huidige bepalingen in artikel 4 van Richtlijn 2001/110/EG over de etikettering van producten van de bijenteelt staan niet garant voor de bescherming van de sector van de bijenteelt in de EU en zorgen er niet voor dat de consument voldoende wordt geïnformeerd.

Tot dusverre heeft de honingsector nog niet volledig profijt van het Europese kwaliteitsbeleid gehad. Slechts aan een gering aantal bijenteeltproducten werden BOB- of BGA-aanduidingen toegekend en de producenten zijn slechts aarzelend bereid gebleken toestemming voor geografische aanduidingen aan te vragen.

In het kader van het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid moet de EU vanaf 2013 gerichte steun verlenen aan jonge bijentelers om een tegenwicht te bieden aan de ongunstige leeftijdsopbouw in deze sector.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (14.7.2011)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake gezondheid van honingbijen en de problemen van de bijenteeltsector

(2011/2108(INI))

Rapporteur voor advies: Julie Girling

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit dat de toenemende sterfte onder honingbijen en wilde bestuivers in Europa, indien niet onder controle gebracht, een zware negatieve weerslag zal hebben op de landbouw, de voedselproductie en continuïteit van de voedselvoorziening, de biodiversiteit, de duurzaamheid van het milieu en op ecosystemen;

2.  is van mening dat de gezondheid van honingbijen moet worden beschouwd als een belangrijke biologische indicator voor de toestand van het milieu en de duurzaamheid van landbouwpraktijken;

3.  vindt het van belang dat de gezondheid van bijen proactief wordt beschermd, zonder de bijzondere aspecten van de bijensector, de verschillende betrokken partijen en de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit uit het oog te verliezen;

4.  benadrukt dat we het verlies van bijenkolonies moeten becijferen en een geschikte telmethode moeten vaststellen die in alle lidstaten wordt gebruikt aangezien er op Europees niveau geen representatieve en vergelijkbare gegevens zijn;

5.  onderstreept dat naast de gedomesticeerde honingbijen ook de populaties wilde bijen (zoals hommels) en andere waardevolle bestuivers (zoals vlinders en zweefvliegen) snel in omvang afnemen;

6.  is van mening dat landbouwers die maatregelen treffen om in voedsel voor bijen te voorzien een financiële vergoeding moeten krijgen omdat bestuiving door bijen van groot economisch belang is, maar momenteel geen marktwaarde kent, hoewel veel sectoren er gebruik van maken of zelfs van afhankelijk zijn;

7.  verwelkomt de mededeling van de Commissie over de gezondheid van honingbijen (COM(2010)0714) en herinnert aan zijn resolutie van 25 november 2010 over de situatie in de bijenteelt(1); bevestigt het belang van duurzame landbouwpraktijken ter bescherming van natuurlijke rijkdommen, biodiversiteit en agrarische ecosystemen en de bevordering van scholing en vaardigheden;

8.  onderkent dat naar algemeen wetenschappelijk inzicht de sterfte onder de bijenpopulatie niet aan een enkele oorzaak toe te schrijven is, maar aan vele factoren waaronder:

     –   parasieten, in het bijzonder de Varroa destructor-mijt en de schimmel Nosema ceranae, die het immuunsysteem van de bij aantasten en virusgroei veroorzaken die, indien onbehandeld, binnen drie jaar kan leiden tot de dood van een bijenvolk,

     –   gebrek aan beschikbare en goedkope diergeneeskundige middelen voor de bestrijding van varroase en aan effectieve, toegestane en op bijen toegespitste behandelingen,

     –   minder mogelijkheden tot voedselvergaring in de vrije natuur als gevolg van klimatologische veranderingen en monocultuurteelt, versterkt door genetisch gemodificeerde organismen en de behandeling van zaden met gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de bijen, door een tekort aan gevarieerd voedsel in de buurt, verzwakken en waardoor ze ook gevoeliger zijn voor andere factoren,

     –   een algeheel verlies aan biodiversiteit met gevolgen voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stuifmeelbronnen,

     –   gewasbeschermingsmiddelen, zoals die uit de groep van de neonicotinoïden (clothianidine, thiacloprid, imidacloprid, thiamethoxam), fenylpyrazool (fipronil) en pyrethroïden of werkzame stoffen zoals chloorpyrifos of dimethoaat, met een rechtstreeks of via verontreinigd water, guttatie, nectar en stuifmeel teweeggebrachte letale uitwerking (mortaliteit als gevolg van acute of chronische toxiciteit van actieve bestanddelen in gewasbeschermingsmiddelen) of subletale uitwerking (effecten op het immuunsysteem of het gedrag van de bij),

     –   elektromagnetische velden die het oriëntatie- en navigatievermogen van honingbijen kunnen verstoren,

     –   genetisch gemodificeerde gewassen, met name biotechnologische gewassen, die de leerprestaties van honingbijen aantasten met subletale effecten;

9.  herhaalt de noodzaak om de chronische blootstelling van bijen en larven aan pesticiden op te nemen in de evaluatie van pesticiden, gelet op de invloed ervan op de ontwikkeling van bijenkolonies en bijenlarven; verzoekt om in de evaluatie eveneens rekening te houden met de nieuwe vormen van blootstelling van bijen (zoals guttatie); verzoekt om bij de evaluatie van de gevolgen voor de bijen goede proefpraktijken vast te stellen, in het bijzonder de verplichting om een volledig overzicht van de wetenschappelijke literatuur en de resultaten van alle door de aanvrager uitgevoerde tests voor te leggen;

10. verzoekt een tijdspad vast te stellen om op termijn neurotoxische pesticiden en in de landbouw gebruikte producten die deze stoffen bevatten definitief uit de handel te halen;

11. benadrukt het belang van meer samenwerking tussen imkers, boeren, industrie, autoriteiten en de wetenschap, om de oorzaken van de steeds grotere bijensterfte te onderzoeken en op grond hiervan doeltreffende oplossingen voor dit probleem uit te werken;

12. dringt aan op ondersteuning van onderzoeksprogramma's op het gebied van parasieten en bijenziekten en de aanpak van deze problemen, alsmede op de oprichting van kennisbanken over de fysiologie van bijen in samenwerking met de lidstaten, maar ook met landen buiten de Europese Unie, met name door het wereldwijde programma COLOSS te steunen en door de samenwerking tussen de nationale laboratoria te intensiveren om kennis op dit gebied te kunnen delen en een netwerk van deskundigen op te richten;

13. geeft zijn steun aan de oprichting van een EU-referentielaboratorium (EURL) voor bijengezondheid(2), dat een beter inzicht moet geven in de factoren die de gezondheid van bijen aantasten en in de juiste aanpak daarvan, door middel van verbetering van de coördinatie en harmonisatie van de in de lidstaten uitgevoerde toezicht- en onderzoeksprogramma's voor de bijenteelt, waarbij onder meer imkerverenigingen betrokken moeten worden; verzoekt de Commissie om zich actief in te zetten voor betere informatie-uitwisseling tussen de lidstaten, de laboratoria en de imkers inzake ecotoxicologisch onderzoek en andere factoren die van invloed zijn op de gezondheid van bijen, en om met het oog op een weloverwogen en onafhankelijke wetenschappelijke toetsing tevens vrije inzage te waarborgen in de ecotoxicologische onderzoeken die zijn opgenomen in de goedkeuringsdossiers; verzoekt om onafhankelijk en tijdig onderzoek naar bijensterfte;

14. is van mening dat de monitoringsprogramma's en de wetenschappelijke onderzoeken op het gebied van bijenziekten in de verschillende EU-lidstaten geharmoniseerd moeten worden om de uitwisseling van goede praktijken en ervaring mogelijk te maken;

15. verzoekt eerdergenoemd laboratorium standaardcriteria te bepalen inzake het welzijn van bijen op basis waarvan imkers in aanmerking kunnen komen voor de premies die zijn voorzien in Verordening (EG) nr. 1698/2005 van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling;

16. benadrukt dat bij het onderzoek naar bijenpopulaties verschillende mogelijke factoren moeten worden onderzocht om op die manier inzicht te krijgen in welke vormen van landbouw het gunstigst zijn voor de gezondheid van bijenpopulaties;

17. verzoekt de Commissie een verslag over te leggen over de gevolgen voor honingbijen van de klimaatveranderingen die de Intergouvernementele Werkgroep van de VN inzake klimaatverandering (IPCC) voor de komende decennia verwacht;

18. verzoekt de Commissie steun en uitvoering te geven aan onafhankelijk langlopend wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van de blootstelling aan elektromagnetische velden op honingbijen en wilde verstuivers;

19. verzoekt de Commissie om bij de vaststelling van de prioriteiten voor het achtste kaderprogramma voor onderzoek aandacht te besteden aan bijengezondheid en gezond voedsel voor bijen, en steun te verlenen aan onderzoek naar de gezondheid van bijen en de oorzaken van de toenemende sterfte onder bijen, onder meer door de ontwikkeling van nieuwe methoden voor het terugdringen van bijenziekten;

20. verzoekt een wereldwijde strategie voor bijengeneesmiddelen vast te stellen, waarin voor elke bijenziekte zou moeten worden vastgelegd welke behandeling passend is;

21. ondersteunt de voortplantingsprogramma's die toegespitst zijn op resistentie tegen ziekten en schadelijke organismen, in het bijzonder de varroa-mijt;

22. verzoekt om meer steun voor veterinaire behandelingen om de negatieve gevolgen van ziekten en parasieten te terug te dringen;

23. verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om bij de volgende herziening de dekking van het Veterinair Fonds van de Europese Unie uit te breiden tot bijenziekten;

24. verheugt zich over het voornemen van de Commissie om door middel van het zogenaamde watervalsysteem maximale residulimieten in te voeren voor het gebruik van geneesmiddelen om een einde te maken aan de huidige rechtsonzekerheid die verhindert dat zieke bijen worden behandeld;

25. benadrukt dat er op het gebied van de bijenhouderij in Europa nog maar weinig wetgeving bestaat, met als gevolg dat het niet mogelijk is gebruik te maken van veterinaire registergeneesmiddelen voor bijen en andere preventieve gezondheidsmaatregelen evenmin mogelijk zijn;

26. verzoekt de Commissie om maatregelen ter ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen, teneinde de innovatie en ontwikkeling te stimuleren van nieuwe diergeneeskundige geneesmiddelen die specifiek bedoeld zijn voor de behandeling van bijenziekten;

27. onderstreept zijn zorg dat in verband met de hoge aanloopkosten in de bijenhouderij steeds minder mensen tot deze sector toetreden, met als gevolg dat er te weinig bijenkolonies zijn om belangrijke landbouwgewassen te bestuiven;

28. erkent de cruciale rol van de professionele bijenhouderij en de toenemende noodzaak om haar duurzaamheid te beschermen, te behouden en te bevorderen via passende voorlichtings- en financieringsprogramma's;

29. roept de Commissie op om op creatieve en efficiënte wijze het imkersvak en het opleiden van nieuwe imkers te stimuleren;

30. benadrukt dat voorlichting over de bijenteelt zich moet uitstrekken tot buiten de sectoren bijenhouderij en landbouw, zodat overheden zich ook in stedelijke gebieden gaan inzetten voor het creëren van habitats waar bijen zich kunnen vestigen en voedsel kunnen vinden;

31. acht het van groot belang bijentelers in alle lidstaten meer scholing te bieden, aangezien zij degenen zijn die zich bezighouden met het beheer van honingbijen, en een goed beheer van de bijenteelt, in het bijzonder door de toepassing van goede praktijken en naleving van de geldende regelgeving, fundamenteel is voor de gezondheid van bijen;

32. roept de Commissie op om maatregelen te nemen tegen oneerlijke concurrentie van bijenproducten die van buiten de EU naar de gemeenschappelijke markt worden geïmporteerd;

33. dringt, gezien het feit dat van de 700 000 bijentelers die in Europa actief zijn 97% amateur is en dat deze groep 67% van alle bijenkasten bezit, aan op de ontwikkeling van een gids met goede praktijken op het gebied van bijenhouderij en bijengezondheid, in samenwerking met het EU-referentielaboratorium in Sophia Antipolis en met de nationale instituten, waarbij wordt gelet op de specifieke aspecten van de bijenteelt, de verscheidenheid van de betrokken partijen en de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit; benadrukt de noodzaak om de verwoesting van bijenhabitats te beperken en in de steden en op het platteland meer natuurgebieden te behouden; benadrukt tevens dat de Commissie oog moet hebben voor de relevante sociaaleconomische aspecten en voor het feit dat de bedrijfstak concurrerend moet blijven op de wereldmarkt;

34. onderstreept dat gerichte regelgevingsmaatregelen ertoe kunnen bijdragen dat lokale en regionale overheden worden gestimuleerd betere foerageerhabitats in het wild tot stand te brengen;

35. benadrukt dat het belangrijk is om maatregelen te bevorderen die erop gericht zijn de biodiversiteit te stimuleren omdat de toegang tot een mix van stuifmeel van verschillende planten de gezondheid van de bijen ten goede komt;

36. onderstreept dat het aantal soorten bestuivers wereldwijd alarmerend afneemt, hetgeen onder andere te wijten is aan het gebruik van pesticiden en genetisch veranderde organismen die een schadelijke uitwerking hebben op de bijenpopulaties;

37. benadrukt dat er steeds meer wetenschappelijk bewijs is dat bijen die toegang hebben tot een mix van stuifmeel van verschillende planten gezonder zijn dan hun soortgenoten die zich met slechts één type stuifmeel voeden; verzoekt de Commissie de ontwikkelingen op dit gebied nauwlettend te volgen en onderzoek ter zake te steunen; benadrukt dat nader onderzoek moet worden verricht teneinde te waarborgen dat genetisch gemodificeerde organismen geen schade toebrengen aan de bijenpopulatie; erkent dat alle vormen van monocultuur leiden tot een geringere biodiversiteit en dus tot een afname van de voor bijen beschikbare hoeveelheid honingdragende planten, hetgeen van invloed kan zijn op de bijenstand; verzoekt de Commissie binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid duurzame landbouwpraktijken een centrale plaats te geven; stelt dat het belangrijk is duurzaam beheer van land en andere agrarische milieumaatregelen(3) te stimuleren, met het oog op de beschikbaarheid van honingdragende planten voor bijen en een grotere biodiversiteit;

38. is een groot voorstander van zorgvuldige EU-wetgeving en grondige wetenschappelijke risicobeoordelingen ten aanzien van genetisch gemodificeerde organismen; wijst erop dat monocultuur kan leiden tot onvoldoende bestuiving en leidt tot de verdwijning van honingdragende planten;

39. verzoekt de Commissie te bevorderen dat nader onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek wordt verricht naar de langetermijneffecten van genetisch gemodificeerde gewassen, met name de verspreiding van biotechnologische toxines via stuifmeel op honingbijen en wilde bestuivers in het algemeen, alsmede naar de synergie tussen verschillende gewasbeschermingsmiddelen en de synergie tussen pathologie en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen; verzoekt om een moratorium op de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen indien dit onderzoek negatieve effecten op de gezondheid van bijen aan het licht brengt;

40. onderstreept dat we weliswaar niet kunnen vaststellen dat genetisch gemodificeerde organismen een belangrijke verklaring zijn voor de daling van het aantal bijenkolonies, maar dat het essentieel is om de problemen op te lossen waarmee de bijentelers te kampen hebben, te weten de verspreiding van het stuifmeel door haalbijen en de kans op pollencontaminatie;

41. herinnert aan de nieuwe bepalingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en de werkzame stoffen die deze middelen bevatten, niet alleen ten aanzien van hun acute effecten maar ook ten aanzien van hun chronische effecten op het overleven en de ontwikkeling van bijenvolken, rekening houdend met de effecten op honingbijlarven en het gedrag van honingbijen; wijst er echter op:

     a)  dat de gegevensvereisten, die op grond van de verordening nog gewijzigd moeten worden, pas op zijn vroegst eind 2013 van toepassing zullen zijn,

     b)  dat intussen nog toereikende testprotocollen moeten worden ontwikkeld, en

     c)  dat de nieuwe bepalingen slechts zullen worden toegepast op de goedkeuring van nieuwe stoffen of op de vernieuwing van bestaande goedkeuringen en op de toelating van nieuwe gewasbeschermingsmiddelen of de vernieuwing van dergelijke toelatingen, zodat bestaande goedkeuringen en toelatingen nog jarenlang niet op passende wijze zullen worden beoordeeld tenzij ze specifiek worden herzien;

42. verzoekt de Commissie de goedkeuring van alle werkzame stoffen die ervan worden verdacht bij te dragen aan de aantasting van bijenvolken, opnieuw te toetsen aan de hand van de nieuwe bepalingen en gegevensvereisten van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zodra deze nieuwe gegevensvereisten van toepassing zijn;

43. verwelkomt de bepaling dat een onafhankelijke evaluatie van het recentelijk verplicht gestelde onderzoek moet worden uitgevoerd door deskundigen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA);

44. verzoekt de EFSA bij de onafhankelijke evaluatie van de nieuwe gegevensvereisten voor bijenveiligheid en testmethodieken voor pesticiden die plaatsvindt voorafgaand aan een vergunningverlening, rekening te houden met de van het EU-referentielaboratorium afkomstige onderzoeksresultaten en gegevens;

45. benadrukt het belang van duurzame landbouw en duurzaam gebruik van pesticiden en pleit voor de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/128/EG inzake duurzaam gebruik van pesticiden, die gericht is op de totstandbrenging van een duurzaam gebruik van pesticiden door vermindering van de risico's en gevolgen van pesticidengebruik voor het milieu, met inbegrip van honingbijen, en met name waar het gaat om maatregelen ter bevordering van de opleiding en voorlichting van boeren en de samenwerking met bijenhouders;

46. herinnert aan Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden, met name aan artikel 14, waarin alle boeren verplicht worden om vanaf 2014 op hun boerderij de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming toe te passen, en artikel 9, dat een algeheel verbod op sproeien vanuit de lucht behelst;

47. steunt ten volle de toepassing van het voorzorgsbeginsel bij het gebruik van pesticiden en is het met de Commissie eens dat het gebruik van pesticiden in de landbouw moet worden beschouwd als een van de factoren die van invloed zijn op de gezondheid van bijen; is van mening dat in ieder geval gekeken moet worden of en in hoeverre het gebruik van pesticiden invloed heeft op de gezondheid van bijen; benadrukt dat speciale aandacht moet uitgaan naar het gebruik van pesticiden van de familie der neonicotinoïden die mogelijkerwijs tot verstoring van de spijsvertering en de hormoonhuishouding leiden; benadrukt dat de langetermijneffecten van systemische pesticiden worden onderschat en deels verantwoordelijk kunnen zijn voor de teloorgang van bijenpopulaties;

48. verzoekt de Commissie het voorzorgsbeginsel na te leven en het gebruik van neonicotinoïde pesticiden in de hele EU te verbieden zolang uit onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek nog niet is gebleken dat het gebruik van deze middelen niet leidt tot chronische toxische blootstelling van de honingbij, of tot schade aan milieu of volksgezondheid;

49. bevestigt dat de Commissie de honingbij als gedomesticeerde soort beschouwt en dat het houden van bijen dus valt onder de sector dierhouderij, waardoor het mogelijk is betere gezondheids-, welzijns- en beschermingsmaatregelen(4) te nemen en de informatievoorziening over de bescherming van wilde bestuivers te verbeteren; verzoekt dan ook een strategie vast te stellen om de gezondheid van bijen te beschermen en om de bijensector op te nemen in de landbouw- en veterinaire wetgeving en daarbij rekening te houden met de specifieke kenmerken van de bijenhouderij, en met name een regeling te treffen voor compensatie voor bijentelers die te maken hebben met bijensterfte;

50. wenst dat in de begroting van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2013-2020 subsidie voor biologische landbouwers wordt opgenomen;

51. onderstreept het belang van de huidige EU-financiering voor de stimulering van de productie en marketing van producten van de bijenteelt, maar benadrukt dat het noodzakelijk is om te waarborgen dat elke lidstaat deze financiering toepast zoals zij bedoeld is;

52. onderstreept de noodzaak van meer financiering voor agrarische milieuprogramma's ter bevordering van de biodiversiteit, zoals programma's voor het aanplanten van bepaalde plantensoorten om honingbijen aan te trekken;

53. herinnert aan zijn resolutie van 8 maart 2011 over het proteïnetekort in de EU: welke oplossing voor een allang bestaand probleem?(5), en met name aan overweging AF van die resolutie waarin het volgende wordt gesteld: "overwegende dat, naast het verbouwen van graan en maïs voor voedsel- en energieproductie, het gebruik van meer uitgebreide vruchtwisselingsystemen, op de boerderij gemengde gewassen en gras-klavermengsels moet worden bevorderd, wat aanzienlijke ecologische en agronomische voordelen kan opleveren omdat het verbouwen van peulvruchten als onderdeel van een vruchtwisselingsysteem ziektes kan voorkomen, de bodem herstelt en goed is voor de bestuiverspopulatie", en herinnert tevens aan het belang van het behoud van vruchtwisseling als een belangrijk element van de zogenoemde groene component van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot 2020;

54. verzoekt de Commissie duurzame landbouwpraktijken een centrale plaats te geven in het gemeenschappelijk landbouwbeleid door alle boeren in de EU te vragen vanaf 2014 een eenvoudig pakket agronomische praktijken (waaronder vruchtwisseling, blijvend grasland, bodembedekkende gewassen, groene infrastructuurgebieden) toe te passen en de speciaal op de bijenhouderij gerichte agrarische milieuprogramma's te versterken en te ontwikkelen in de geest van de nieuwe biodiversiteitsstrategie van de EU en boeren aan te moedigen agrarische milieumaatregelen te treffen om "bijvriendelijk" grasland aan de randen van velden te creëren, een ruime vruchtwisseling met peulvruchten toe te passen en gebruik te maken van niet-chemische alternatieven;

55. verzoekt de Commissie en de lidstaten om te werken aan sensibilisatie- en voorlichtingsmaatregelen met betrekking tot bijenziekten en beschikbare preventiemaatregelen en behandelingen, teneinde de bevoegde autoriteiten en producenten bewuster en meer verantwoordelijk te maken;

56. verzoekt een strategie vast te stellen voor de voedselvoorziening van bijen teneinde de beschikbaarheid en de nabijheid van gevarieerde, aangepaste en hoogwaardige voeding te bevorderen door middel van een beter beheer van landbouw- en niet-landbouwgronden, bijvoorbeeld door in de groene en blauwe infrastructuur rekening te houden met de voedselbehoeften van bijen, door te voorzien in weidegronden voor bijen en te zorgen voor bloeiende heggen, honingdragende tussengewassen en bloeiende akkerranden, en door in de landbouwsector de expertise te ontwikkelen om landbouw en biodiversiteit met elkaar te verzoenen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.7.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

17

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Kriton Arsenis, Sophie Auconie, Pilar Ayuso, Paolo Bartolozzi, Sandrine Bélier, Nessa Childers, Bairbre de Brún, Esther de Lange, Anne Delvaux, Bas Eickhout, Edite Estrela, Karl-Heinz Florenz, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Julie Girling, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Jolanta Emilia Hibner, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Linda McAvan, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Antonyia Parvanova, Andres Perello Rodriguez, Sirpa Pietikäinen, Mario Pirillo, Pavel Poc, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Anna Rosbach, Dagmar Roth-Behrendt, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Salvatore Tatarella, Åsa Westlund, Glenis Willmott, Sabine Wils, Marina Yannakoudakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Matthias Groote, Romana Jordan Cizelj, Riikka Manner, Marisa Matias, Miroslav Mikolášik, James Nicholson, Alojz Peterle, Michèle Rivasi, Crescenzio Rivellini, Giommaria Uggias

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

José Bové, Lorenzo Fontana

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0440.

(2)

De EU referentielaboratoria zijn cruciale hulpmiddelen voor risicomanagement op het gebied van diergezondheid, en vervullen een belangrijke rol op het punt van wetenschappelijke en technische ondersteuning op het gebied van diergezondheid (bv. ziektebewaking). Er is door de Commissie een EU-referentielaboratorium voor bijengezondheid aangewezen voor een periode van vijf jaar, met ingang van 1 april 2011.

(3)

Agrarische milieumaatregelen richten zich op de verbetering van houtwalbeheer, een uitbreiding van de peulvruchtenteelt en op verbetering van de verhouding tussen bijenhouders en boeren.

(4)

Door initiatieven als de EU-strategie voor diergezondheid (2007-2013) die een enkel en duidelijk regelgevingskader moet bieden voor diergezondheid, komt er verbetering in de coördinatie en het doelmatig gebruik van hulpmiddelen door betrokken Europese agentschappen, en wordt het belang van behoud en verbetering van diagnosteringscapaciteit nog eens benadrukt.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0084.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.10.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Richard Ashworth, Liam Aylward, José Bové, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Lorenzo Fontana, Iratxe García Pérez, Béla Glattfelder, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Agnès Le Brun, Mairead McGuinness, James Nicholson, Rareş-Lucian Niculescu, Georgios Papastamkos, Marit Paulsen, Ulrike Rodust, Alfreds Rubiks, Giancarlo Scottà, Csaba Sándor Tabajdi, Marc Tarabella, Janusz Wojciechowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Luís Paulo Alves, Spyros Danellis, Bas Eickhout, Ismail Ertug, Giovanni La Via, Astrid Lulling, Hans-Peter Mayer, Dimitar Stoyanov

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

George Sabin Cutaş, Pablo Zalba Bidegain

Juridische mededeling - Privacybeleid