Procedure : 2010/0253(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0367/2011

Ingediende teksten :

A7-0367/2011

Debatten :

PV 14/11/2011 - 16
CRE 14/11/2011 - 16

Stemmingen :

PV 16/11/2011 - 6.8
CRE 16/11/2011 - 6.8
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0503

VERSLAG     ***I
PDF 1054kWORD 878k
19.10.2011
PE 456.628v02-00 A7-0367/2011

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van één Europese spoorwegruimte (herschikking)

(COM(2010)0475 – C7‑0268/2010 – 2010/0253(COD))

Commissie vervoer en toerisme

Rapporteur: Debora Serracchiani

(Herschikking – artikel 87 van het Reglement)

PR_COD_1recastingam

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van één Europese spoorwegruimte (herschikking)

(COM(2010)0475 – C7‑0268/2010 – 2010/0253(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2010)0475),

–   gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0268/2011),

–   gezien artikel 14 en protocol nr. 26 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de diensten van algemeen belang,

–   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over de uitvoering van het eerste spoorwegpakket(1),

–   gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid werd ingediend door het Luxemburgse parlement (Chambre des Députés), en waarin het ontwerpwetgevingsbesluit in strijd met het subsidiariteitsbeginsel werd geacht,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 maart 2011(2),

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's van 28 januari 2011(3),

–   gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(4),

–   gezien de brief van 26 mei 2011 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie vervoer en toerisme, conform artikel 87, lid 3, van zijn Reglement,

–   gezien de artikelen 87 en 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0367/2011),

A. overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement  1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis) Het aandeel van de spoorwegsector in het vervoer is het laatste decennium niet toegenomen, ondanks de doelstellingen van het spoorwegpakket van 2001, zodat duidelijk is dat de bestaande wetgeving verder moet worden verbeterd om de sector te ondersteunen. Dit toont aan dat deze herziening noodzakelijk is.

Motivering

De ontwikkeling van het vervoer per spoor sinds de goedkeuring van het eerste spoorwegpakket heeft niet voldaan aan de verwachting dat de sector zich zou herstellen. Tussen 1996 en 2008 is het aandeel van het vrachtvervoer per spoor afgenomen met 2% tot 10,6%, terwijl dat van het vrachtvervoer over de weg is toegenomen van 42,1 tot 45,9%. De EU moet dringend haar wetgeving verbeteren om het spoor te ondersteunen, verdere congestie van de wegen te voorkomen en haar milieusituatie te verbeteren.

Amendement  2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 ter) Uit het grote aantal tegen de lidstaten geopende inbreukprocedures blijkt duidelijk dat de huidige wetgeving ruimte laat voor verschillende interpretaties en dat het eerste spoorwegpakket opgehelderd en verbeterd dient te worden om de daadwerkelijke openstelling van de Europese spoorwegmarkt te waarborgen.

Amendement  3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 quater) Er wordt nog steeds te weinig in de ontwikkeling en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur geïnvesteerd om de sector te ontwikkelen en concurrerender te maken.

Motivering

Het gebrek aan investeringen is een fundamenteel probleem dat met deze herziening moet worden aangepakt.

Amendement  4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 quinquies) De richtlijnen waarin het eerste spoorwegpakket is vervat, hebben niet verhinderd dat een bonte verscheidenheid is ontstaan wat de structuur en de hoogte van de rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en wat de vorm en de duur van de procedures voor capaciteitstoewijzing betreft.

Motivering

De infrastructuurrechten en de manier waarop deze worden berekend, variëren binnen de EU nog steeds sterk. Hierdoor wordt het internationale vervoer per spoor gecompliceerd. Hetzelfde geldt voor de toewijzing van spoorwegtrajecten. De bestaande wetgeving moet voort worden verbeterd.

Amendement  5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 sexies) De onvoldoende transparantie van de marktomstandigheden vormt een duidelijke belemmering voor de ontwikkeling van concurrerende spoorwegdiensten.

Motivering

Het gebrek aan transparantie maakt het voor ondernemingen moeilijk om de markt te betreden, wat ten koste gaat van het concurrentievermogen van de sector.

Amendement  6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis) Het binnen de lidstaten naast elkaar bestaan van verschillende sociale stelsels in de spoorwegsector brengt het risico van oneerlijke concurrentie met zich mee tussen nieuwe en gevestigde spoorwegondernemingen, en vraagt om harmonisatie met inachtneming van de specifieke eigenschappen van de sector en de lidstaten.

Amendement  7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 ter) De adequate uitoefening van de toezichthoudende opdracht door de toezichthoudende instanties moet worden gegarandeerd om te waarborgen dat er geen discriminatie tussen spoorwegondernemingen plaatsvindt, de heffingsbeginselen correct worden toegepast en de boekhoudkundige scheiding volledig wordt nageleefd.

Motivering

Het feit dat een adequate uitoefening van deze taak niet is gegarandeerd is een van de factoren die een verbetering van het concurrentievermogen van de spoorwegsector in de weg staan.

Amendement  8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 quater) Voor de voltooiing van de Europese spoorwegmarkt is de volledige interoperabiliteit van het spoorwegsysteem op Europees niveau noodzakelijk. Het Europees Spoorwegbureau dient de gepaste bevoegdheden en middelen te krijgen om deze doelstelling versneld te bereiken, onder andere inzake het ontwikkelen van gemeenschappelijke standaarden voor de certificering van rollend materieel en veiligheid- en signalisatiesystemen.

Amendement  9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4) Regionale, stads- en voorstadsdiensten en de vervoersverrichtingen van de pendeldiensten door de Kanaaltunnel moeten buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

(4) Regionale, stads- en voorstadsdiensten en de vervoersverrichtingen van de pendeldiensten door de Kanaaltunnel moeten buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Historische en museumspoorlijnen op eigen netwerken moeten van de toepassing van deze richtlijn worden vrijgesteld.

Amendement  10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6) Om de toekomstige ontwikkeling en een efficiënte exploitatie van het spoorwegnet te verzekeren, dient de exploitatie van de vervoerdiensten te worden gescheiden van het beheer van de infrastructuur. Derhalve dient voor beide genoemde activiteiten in alle gevallen in een afzonderlijk beheer en een afzonderlijke boekhouding te worden voorzien.

(6) Om de toekomstige ontwikkeling en een efficiënte exploitatie van het spoorwegnet te verzekeren, dient de exploitatie van de vervoerdiensten te worden gescheiden van het beheer van de infrastructuur. Derhalve dient voor beide genoemde activiteiten in alle gevallen op transparante wijze in een afzonderlijk beheer en een afzonderlijke boekhouding te worden voorzien om te voorkomen dat staatsmiddelen voor de financiering van andere commerciële activiteiten kunnen worden gebruikt.

Motivering

Dit is de enige manier om transparant te werk te gaan bij het ontwikkelen van een meer concurrerende en toegankelijke markt.

Amendement  11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis) Er moet worden gezorgd voor een strikte boekhoudkundige scheiding tussen de infrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming. Overheidsmiddelen die aan een van deze activiteitengebieden worden toegekend, mogen niet voor een ander activiteitengebied worden gebruikt. Dit verbod moet duidelijk tot uitdrukking komen in de boekhoudkundige regels voor elk van de activiteitengebieden. De lidstaten en de nationale regelgevende instanties dienen voor een doeltreffende handhaving van dit verbod te zorgen.

Motivering

Er is meer transparantie nodig met betrekking tot de overdracht van overheidsmiddelen tussen de infrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming..

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 ter) Ongeacht hun bedrijfsmodel moeten alle spoorwegondernemingen de wetgeving op het gebied van sociale bescherming en gezondheid eerbiedigen om sociale dumping en oneerlijke concurrentie te voorkomen.

Motivering

De concurrentie op de spoorwegmarkt mag niet ten koste gaan van de arbeidsomstandigheden en de sociale bescherming van werknemers. De eerbiediging van nationale wetgeving op het gebied van sociale bescherming en gezondheid moet voor alle spoorwegondernemingen worden gegarandeerd, ongeacht hun bedrijfsmodel.

Amendement  13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 quater) Om ervoor te zorgen dat het spoorwegverkeer met het wegverkeer kan concurreren, moeten de verschillende nationale voorschriften, zoals de verkeersveiligheidsvoorschriften voor de spoorwegen, de standaardisering en het gebruik van geleidedocumenten, de regels voor de treinsamenstelling en hun documentatie, de normalisatie van de seinen en kentekens voor de besturing van de trein, de standaardisering van maatregelen en controles voor transporten van gevaarlijke stoffen en de uniforme registratie en controles van het vervoer van afval, worden geharmoniseerd.

Amendement  14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis) De Unie moet zoeken naar alternatieve bronnen om de Europese spoorwegprojecten te financieren, met innoverende financiële instrumenten, bijvoorbeeld Unie-projectobligaties, om privé-investeringen aan te moedigen en de toegang tot risicokapitaal te verbeteren. Tevens moet de spoorwegmarkt middels duidelijke, transparante wetgevingskaders aantrekkelijk worden gemaakt voor alternatieve, particuliere investeerders.

Motivering

Gebrek aan financiering is een van de belangrijkste redenen voor de moeilijke situatie van de Europese spoorwegen. Alternatieve strategieën en financieringsbronnen moeten worden ontwikkeld. Met name de financiering van infrastructuur moet worden opgedreven. Lidstaten die middelen uittrekken voor hun infrastructuur moeten de garantie hebben dat deze gelden uitsluitend worden gebruikt voor infrastructurele doeleinden.

Amendement  15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 ter) De lidstaten en de infrastructuurbeheerders moeten investeringen in infrastructuur ook anders dan alleen door rechtstreekse staatssteun kunnen financieren, bijvoorbeeld middels investeringen door de particuliere sector.

Motivering

Er moet op de mogelijkheid worden gewezen dat infrastructuurbeheerders worden opgericht of opereren middels alternatieve financieringsmodellen via welke zij particuliere investeringen kunnen aantrekken. Dit is van essentieel belang om de bestaande financieringsmechanismen in de lidstaten te verzekeren.

Amendement  16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11) Een efficiënt goederenvervoer, met name wanneer dit grensoverschrijdend is, vereist maatregelen voor de openstelling van de markt.

(11) Een efficiënt passagiers- en goederenvervoer, met name wanneer dit grensoverschrijdend is en waar afwijkende spoorbreedten nog steeds een fysieke belemmering voor concurrentie vormen, vereist snelle maatregelen voor de openstelling van de markten en voor het tot stand brengen van concurrentie.

Motivering

Zo vormt bijvoorbeeld het verschil in spoorbreedte tussen Frankrijk en Spanje, naast de toch al grote regelgevingsobstakels in de spoorwegsector, een concrete fysieke belemmering voor concurrentie. Op Europees niveau is de spoorwegsector een van de weinige sectoren waarbinnen de interne markt nog niet is verwezenlijkt. De openstelling van de markt moet dus worden aangevuld met de liberalisering van het binnenlands vervoer. Voor een efficiënt goederenvervoer is concurrentie in de markt nodig.

Amendement  17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14) De invoering van deze nieuwe open en internationale passagiersdiensten met tussenstops mag niet leiden tot de openstelling van de markt voor binnenlandse passagiersvervoerdiensten, maar moet enkel gericht zijn op stops die het internationale traject ondersteunen. De nieuwe diensten moeten hoofdzakelijk zijn bedoeld om passagiers te vervoeren op een internationaal traject. Bij de beoordeling of dat het hoofddoel van de dienst is, moet rekening worden gehouden met criteria zoals het aandeel van de omzet en van het volume dat gegenereerd wordt door het vervoer van hetzij binnenlandse, hetzij internationale passagiers, alsmede met de lengte van de dienst. De beoordeling van het hoofddoel van de dienst moet gebeuren door de onderscheiden toezichthoudende instantie, op verzoek van de belanghebbende partijen.

(14) De invoering van deze nieuwe open en internationale passagiersdiensten met tussenstops moet gericht zijn op stops die het internationale traject ondersteunen. Deze diensten moeten hoofdzakelijk zijn bedoeld om passagiers te vervoeren op een internationaal traject. Bij de beoordeling of dat het hoofddoel van de dienst is, moet rekening worden gehouden met criteria zoals het aandeel van de omzet en van het volume dat gegenereerd wordt door het vervoer van hetzij binnenlandse, hetzij internationale passagiers, alsmede met de lengte van de dienst. De beoordeling van het hoofddoel van de dienst moet gebeuren  door de onderscheiden toezichthoudende instantie, op verzoek van de belanghebbende partijen.

Motivering

Dit amendement is bedoeld om de tekst opener te maken en te actualiseren.

Amendement  18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 bis) Verordening (EG) nr. 1370/2007 staat lidstaten toe werknemers te waarborgen dat zij, in het kader van de scheiding tussen de exploitatie van de vervoersdiensten en het beheer van de infrastructuur, met een overgang van ondernemingen als mogelijk gevolg, hun sociale rechten behouden.

Amendement  19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16) De openstelling van internationale passagiersvervoerdiensten voor concurrentie, kan gevolgen hebben voor de organisatie en de financiering van passagiersvervoerdiensten per spoor die worden verricht uit hoofde van een openbaredienstcontract. De lidstaten moeten de keuze hebben om dit recht op toegang tot de markt te beperken wanneer het economische evenwicht van deze openbaredienstcontracten door dit recht in gevaar komt, en wanneer daartoe door de in artikel 55 van deze richtlijn bedoelde toezichthoudende instantie(s) toestemming is gegeven op basis van een objectieve economische analyse, in aansluiting op een verzoek van de bevoegde autoriteiten die het openbaredienstcontract hebben gegund.

(16) De openstelling van internationale passagiersvervoerdiensten voor concurrentie, kan gevolgen hebben voor de organisatie en de financiering van passagiersvervoerdiensten per spoor die worden verricht uit hoofde van een openbaredienstcontract. De lidstaten moeten de keuze hebben om dit recht op toegang tot de markt te beperken wanneer het economische evenwicht van deze openbaredienstcontracten door dit recht in gevaar komt, en wanneer daartoe door de in artikel 55 van deze richtlijn bedoelde toezichthoudende instantie(s), en, in voorkomend geval, door het in artikel 57 van deze richtlijn omschreven netwerk van toezichthoudende instanties, toestemming is gegeven op basis van een objectieve economische analyse, in aansluiting op een verzoek van de bevoegde autoriteiten die het openbaredienstcontract hebben gegund.

Motivering

Dit amendement heeft tot doel de werkingssfeer van de bepaling uit te breiden tot de nationale passagiersvervoersdiensten. Daarnaast beoogt dit amendement ook het netwerk van toezichthoudende instanties de mogelijkheid geven zo nodig in te grijpen.

Amendement  20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 bis) De ontwikkelingen op de markt hebben aangetoond dat een versterking van de rol van de toezichthoudende instanties van cruciaal belang is. Indien deze instanties een centrale rol wordt toebedeeld bij het garanderen van een eerlijk concurrentieklimaat met gelijke toegangsvoorwaarden, moeten zij de nodige financiële, personele en logistieke middelen krijgen om deze rol te kunnen vervullen.

Amendement  21

Ontwerpwetgevingsresolutie

Overweging 18 ter (nieuw)

Ontwerpwetgevingsresolutie

Amendement

 

(18 ter) De nationale toezichthoudende instantie moet een onafhankelijke toezichthoudende instantie zijn, die over initiatief- en onderzoeksbevoegdheden beschikt, en in staat moet zijn adviezen te verstrekken en uitvoerbare beslissingen te nemen, zodat een open markt zonder belemmeringen wordt gewaarborgd, waarbinnen vrije en onvervalste mededinging plaatsvindt.

Amendement   22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19) Deze instantie moet op zodanige wijze te werk gaan, dat belangenverstrengeling of enige betrokkenheid bij de gunning van het openbaredienstcontract ter zake vermeden wordt. De bevoegdheid van de toezichthoudende instantie dient te worden verruimd om de beoordeling van het doel van een internationale dienst en, in voorkomend geval, de potentiële economische gevolgen voor bestaande openbaredienstcontracten mogelijk te maken.

(19) Deze instantie moet op zodanige wijze te werk gaan, dat belangenverstrengeling of enige betrokkenheid bij de gunning van het openbaredienstcontract ter zake vermeden wordt, waarbij de mogelijkheid om de instantie uit de algemene begroting van de lidstaat of uit aan de spoorwegsector opgelegde heffingen te financieren moet blijven bestaan en deze informatie openbaar moet zijn. De bevoegdheid van de toezichthoudende instantie dient te worden verruimd om de beoordeling van het doel van een internationale dienst en, in voorkomend geval, de potentiële economische gevolgen voor bestaande openbaredienstcontracten mogelijk te maken.

Motivering

In de richtlijn wordt verwezen naar de instelling van onafhankelijke toezichthoudende instanties, maar wordt niet ingegaan op de financiering daarvan. Om redenen van transparantie moet in de tekst een expliciete verwijzing worden opgenomen naar de mogelijke financieringsbronnen, die staatsmiddelen of aan de sector opgelegde heffingen kunnen zijn. Deze informatie moet openbaar zijn.

Amendement  23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 bis) De nationale toezichthoudende instantie moet met betrekking tot haar organisatie, financieringsbeslissingen, rechtsvorm en besluitvorming volledig onafhankelijk zijn van de infrastructuurbeheerders, de heffingsinstanties, de toewijzende instanties en de aanvragers. De nationale toezichthoudende instantie moet over de nodige administratieve capaciteiten in de vorm van personele en andere middelen beschikken om een open en transparante spoorwegmarkt te garanderen. Het personeelsbestand moet rechtstreeks zijn afgestemd op de marktbehoeften en moet hieraan telkens worden aangepast. De toezichthoudende instantie neemt beslissingen over klachten, handelt op eigen initiatief, stelt in het geval van geschillen een onderzoek in en volgt de ontwikkelingen op de markt. Hierbij dient zij te worden ondersteund door een toezichthoudende dienst van de Commissie. Voorts houdt de nationale toezichthoudende instantie een databank van haar ontwerpbesluiten bij, die toegankelijk is voor de Commissie.

Motivering

Deze overweging houdt verband met de voorgestelde amendementen op de artikelen 55 tot en met 57, die erop zijn gericht de rol en de bevoegdheden van de toezichthoudende instantie te versterken. This proposal to set up a regulatory department within the European Commission (DG MOVE, DG COMP, ideally a combination of both) so as to advise, guide and coach the national regulatory bodies in their task and with obtaining the necessary resources (human, financial, intellectual).

Amendement  24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21) De nationale toezichthoudende instanties moeten informatie uitwisselen en, wanneer dit in afzonderlijke gevallen nodig is, de beginselen en praktijken coördineren, die zij hanteren om te beoordelen of het economische evenwicht van een openbaredienstcontract in gevaar komt. Zij moeten geleidelijk op basis van hun ervaringen richtsnoeren opstellen.

(21) De nationale toezichthoudende instanties moeten onder de auspiciën van de Commissie een netwerk creëren om hun samenwerking te intensiveren via de ontwikkeling van gemeenschappelijke principes en de uitwisseling van beste praktijken en informatie. Zij moeten ook, wanneer dit in afzonderlijke gevallen nodig is, de beginselen en praktijken coördineren, die zij hanteren om te beoordelen of het economische evenwicht van een openbaredienstcontract in gevaar komt. Zij moeten geleidelijk op Europees niveau gemeenschappelijke op basis van hun ervaringen richtsnoeren opstellen.

Motivering

Deze overweging sluit aan bij de amendementen die worden voorgesteld op de artikelen 55-57 en die bedoeld zijn om de rol en onafhankelijkheid van de toezichthoudende instantie te vergroten en voor meer samenwerking tussen de nationale toezichthoudende instanties te zorgen.

Amendement  25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21) De nationale toezichthoudende instanties moeten informatie uitwisselen en, wanneer dit in afzonderlijke gevallen nodig is, de beginselen en praktijken coördineren, die zij hanteren om te beoordelen of het economische evenwicht van een openbaredienstcontract in gevaar komt. Zij moeten geleidelijk op basis van hun ervaringen richtsnoeren opstellen.

(21) De nationale toezichthoudende instanties moeten informatie en goede praktijken uitwisselen en, wanneer dit in afzonderlijke gevallen nodig is, de beginselen en praktijken coördineren, die zij hanteren om te beoordelen of het economische evenwicht van een openbaredienstcontract in gevaar komt. Zij moeten geleidelijk op basis van hun ervaringen richtsnoeren opstellen. Op basis van de ervaring van het netwerk van toezichthoudende instanties moet de Commissie een wetgevingsvoorstel indienen voor de oprichting van een Europese toezichthoudende instantie.

Amendement  26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(22) Om een billijke mededinging tussen spoorwegondernemingen te waarborgen, moet een onderscheid worden gemaakt tussen het aanbieden van vervoersdiensten en de exploitatie van voorzieningen. In het licht hiervan is het noodzakelijk dat deze twee soorten activiteiten afzonderlijk worden beheerd, door juridisch gescheiden entiteiten. In het kader van deze scheiding moet voor elke voorziening een afzonderlijke instantie of onderneming worden opgericht.

(22) Om een billijke mededinging tussen spoorwegondernemingen te waarborgen, moet het beheer inzake het aanbieden van vervoersdiensten en de exploitatie van voorzieningen op transparante en niet-discriminerende wijze worden ingericht. De toezichthoudende instantie ziet erop toe dat dit beheer op transparante en niet-discriminerende wijze plaatsvindt overeenkomstig de bepalingen zoals omschreven in deze richtlijn.

Motivering

De volledige scheiding van de vervoersdiensten betekent niet per definitie dat er een evenwichtige concurrentie tussen deze activiteiten tot stand komt. Integendeel, deze scheiding brengt extra organisatorische rompslomp en meer bureaucratie met zich mee en doet de administratieve kosten stijgen. Dit zal negatieve gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van de spoorwegen ten opzichte van andere vervoerswijzen.

Amendement  27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 23

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(23) Met het oog op een betrouwbare en adequate dienstverlening dient te worden gewaarborgd, dat de spoorwegondernemingen te allen tijde aan sommige eisen inzake goede naam, financiële gezondheid en beroepsbekwaamheid voldoen.

(23) Met het oog op een betrouwbare en adequate dienstverlening dient te worden gewaarborgd, dat de spoorwegondernemingen te allen tijde aan sommige eisen inzake goede naam, financiële gezondheid, sociale normen en beroepsbekwaamheid voldoen.

Amendement  28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(24) Met het oog op de bescherming van de cliënten en derden dient te worden gewaarborgd, dat de spoorwegondernemingen voldoende verzekerd zijn tegen aansprakelijkheidsrisico's.

(24) Met het oog op de bescherming van de cliënten en derden is het essentieel dat is gewaarborgd, dat de spoorwegondernemingen voldoende verzekerd zijn tegen aansprakelijkheidsrisico's. Deze aansprakelijkheidsrisico's bij ongevallen kunnen eveneens worden gedekt door garanties die worden verstrekt door banken of andere ondernemingen, voor zover een dergelijke dekking tegen marktvoorwaarden wordt aangeboden, geen staatssteun inhoudt en niet leidt tot discriminatie van andere spoorwegondernemingen.

Motivering

Spoorwegondernemingen kunnen voor uiteenlopende oplossingen voor aansprakelijkheidsrisico's kiezen, aangezien er voor de verschillende spoorwegnetten verschillende risiconiveaus gelden. In tal van lidstaten worden met succes kapitaalvereisten of bankgaranties toegepast om aansprakelijkheidsrisico's te dekken.

Amendement  29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(25) Een spoorwegonderneming moet voorts gehouden zijn tot de inachtneming van de op niet-discriminerende wijze opgelegde nationale en Unievoorschriften inzake de exploitatie van spoorwegdiensten die ten doel hebben deze onderneming in staat te stellen haar activiteiten op specifieke trajecten in alle veiligheid en met inachtneming van de gezondheids- en sociale voorschriften en de rechten van werknemers en consumenten uit te oefenen.

(25) Alle spoorwegondernemingen moeten voorts gehouden zijn tot de inachtneming van zowel de op niet-discriminerende wijze opgelegde nationale als de Unievoorschriften inzake de exploitatie van spoorwegdiensten die ten doel hebben hen in staat te stellen hun activiteiten op specifieke trajecten in alle veiligheid en met volledige inachtneming van de bestaande verplichtingen op het gebied van de sociale voorschriften, de gezondheidsvoorschriften en de rechten van werknemers en consumenten uit te oefenen.

Motivering

De bestaande gezondheidsvoorschriften, de rechten van werknemers en de sociale voorschriften moeten door de spoorwegondernemingen volledig worden nageleefd.

Amendement  30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(25) Een spoorwegonderneming moet voorts gehouden zijn tot de inachtneming van de op niet-discriminerende wijze opgelegde nationale en Unievoorschriften inzake de exploitatie van spoorwegdiensten die ten doel hebben deze onderneming in staat te stellen haar activiteiten op specifieke trajecten in alle veiligheid en met inachtneming van de gezondheids- en sociale voorschriften en de rechten van werknemers en consumenten uit te oefenen.

(25) Een spoorwegonderneming moet voorts gehouden zijn tot de inachtneming van de op niet-discriminerende wijze opgelegde nationale en Unievoorschriften inzake de exploitatie van spoorwegdiensten die ten doel hebben deze onderneming in staat te stellen haar activiteiten op alle trajecten in alle veiligheid en met inachtneming van de gezondheids- en sociale voorschriften en de rechten van werknemers en consumenten uit te oefenen.

Motivering

Het lijkt duidelijk dat de genoemde voorschriften in alle gevallen moeten worden nageleefd.

Amendement  31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(26 bis) Nog te vaak wordt het verlenen van een vergunning voor rollend materieel van spoorwegondernemingen onterecht bemoeilijkt, waardoor de toegang tot de markt verstoord wordt. Een sterk mandaat voor het Europees Spoorwegbureau hieromtrent is daarom aangewezen. Vandaar dat de Commissie wordt gevraagd om, in het kader van de herziening van Verordening (EG) nr. 881/2004, te onderzoeken of de bevoegdheid van het Europees Spoorwegbureau op dit punt kan worden uitgebreid.

Motivering

Het is voor spoorwegondernemingen niet altijd eenvoudig om toegang te krijgen tot een spoormarkt van een lidstaat. Het Europees Spoorwegbureau zou, in het kader van de geplande herziening van de Spoorwegbureauverordening, meer bevoegheid moeten krijgen om strenger toe te zien op lidstaten, die met hun vergunningsbeleid onrechtsreeks de toegang tot de markt blokkeren, en om hiertegen ook te kunnen optreden. A call for the Commission to investigate this possibility is also included.

Amendement  32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 27

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(27) Teneinde transparantie en niet-discriminerende toegang tot spoorweginfrastructuur en spoorgebonden diensten voor alle spoorwegondernemingen te waarborgen, moet alle informatie die nodig is om van het recht op toegang gebruik te kunnen maken, in een netverklaring openbaar worden gemaakt.

(27) Teneinde transparantie en niet-discriminerende toegang tot spoorweginfrastructuur en spoorgebonden diensten voor alle spoorwegondernemingen te waarborgen, moet alle informatie die nodig is om van het recht op toegang gebruik te kunnen maken, in een netverklaring openbaar worden gemaakt, in vormen die toegankelijk zijn voor personen met een handicap of beperkte mobiliteit.

Motivering

It is important, in the interests of consistency with the decisions adopted under other initiatives, to ensure multi-format accessibility and thus prevent any discrimination against people with disabilities.

Amendement  33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(35) Een gebruiksrechtenregeling zal aan de gebruikers economische signalen geven. Het is belangrijk, dat die signalen aan spoorwegondernemingen consistent zijn en deze ertoe aanzetten, rationele beslissingen te nemen.

(35) Een gebruiksrechtenregeling zal aan de gebruikers economische signalen geven. Het is belangrijk, dat die signalen aan spoorwegondernemingen consistent en duidelijk zijn en deze ertoe aanzetten, rationele en duurzame beslissingen te nemen.

Amendement  34

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 40 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(40 bis) Aanvragers die diensten voor wagenladingvervoer aanbieden, moeten worden gesteund teneinde de potentiële markt voor nieuwe spoorklanten te vergroten. Opdat zij volledig kunnen profiteren van dit wetgevingskader en om het aandeel van nieuwe sectoren in de spoorwegmarkt te vergroten, is het belangrijk dat de infrastructuurbeheerder bij de capaciteitstoewijzing rekening houdt met deze aanvragers.

Amendement  35

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 50

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(50) Het is belangrijk, zorg te dragen voor een betere coördinatie van de toewijzingsregelingen, teneinde de aantrekkingskracht van het spoor te verhogen, voor verkeer dat van de netten van verscheidene infrastructuurbeheerders gebruikmaakt, en met name voor het internationale verkeer.

(50) Het is belangrijk, zorg te dragen voor een betere coördinatie van de toewijzingsregelingen, teneinde de aantrekkingskracht van het spoor te verhogen, voor verkeer dat van de netten van verscheidene infrastructuurbeheerders gebruikmaakt, en met name voor het internationale verkeer. In die context lijkt de oprichting van een Europese toezichthoudende instantie op termijn wenselijk.

Motivering

Dit amendement benadrukt het belang om op termijn een Europese toezichthoudende instantie op te richten.

Amendement  36

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 53

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(53) Investeringen in spoorweginfrastructuur zijn noodzakelijk en regelingen voor infrastructuurrechten dienen de infrastructuurbeheerders te stimuleren om passende investeringen te doen die economisch aantrekkelijk zijn.

(53) Grotere investeringen in spoorweginfrastructuur – met name in bestaande infrastructuur – zijn noodzakelijk en regelingen voor infrastructuurrechten dienen de infrastructuurbeheerders te stimuleren om passende investeringen te doen die economisch aantrekkelijk en vanuit milieuoogpunt duurzaam zijn.

Amendement  37

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 58 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(58 bis) Met het oog op het verhogen van het aandeel van het vervoer via de spoorwegen van goederen en passagiers, ten opzicht van andere vervoersmodi, is het aangewezen dat bij het internaliseren van externe kosten de lidstaten ervoor zorgen dat de gedifferentieerde heffingen geen negatieve gevolgen hebben voor het financieel evenwicht van de infrastructuurmanager. Indien de infrastructuurmanager toch verlies zou leiden door deze differentiering, wordt aangeraden dat de lidstaten dit verschil bijpassen, met inachtneming van de staatssteunregels.

Amendement  38

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 59

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(59) Voor de ontwikkeling van het spoorvervoer dient met name gebruik te worden gemaakt van de beschikbare Unieinstrumenten, onverminderd de reeds vastgestelde prioriteiten.

Schrappen

Motivering

Met het oog op betere wetgeving die leesbaar is voor de Europese burger, kan een groot deel van de overwegingen worden geschrapt.

Amendement  39

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 61

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(61) Het is wenselijk, dat de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder worden gestimuleerd, het optreden van verstoringen van het net tot een minimum te beperken.

Schrappen

Motivering

Met het oog op betere wetgeving die leesbaar is voor de Europese burger, kan een groot deel van de overwegingen worden geschrapt.

Amendement  40

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 62

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(62) De toewijzing van capaciteit gaat gepaard met kosten voor de infrastructuurbeheerder, die hem dienen te worden vergoed.

Schrappen

Motivering

Met het oog op betere wetgeving die leesbaar is voor de Europese burger, kan een groot deel van de overwegingen worden geschrapt.

Amendement  41

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 63

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(63) Ten behoeve van het efficiënte beheer en het billijke en niet‑discriminerende gebruik van spoorweginfrastructuur, moet een toezichthoudende instantie worden ingesteld, die toeziet op de toepassing van de voorschriften van deze richtlijn en als beroepsinstantie optreedt, onder voorbehoud van rechterlijke toetsing.

(63) Ten behoeve van het efficiënte beheer en het billijke en niet-discriminerende gebruik van spoorweginfrastructuur, moeten nationale toezichthoudende instanties worden ingesteld, die toezien op de toepassing van de voorschriften van deze richtlijn en als beroepsinstantie optreden, onder voorbehoud van rechterlijke toetsing.

Motivering

This amendment clarifies the text

Amendement  42

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 65

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(65) De Commissie dient de bevoegdheid te krijgen om de bijlagen bij deze richtlijn aan te passen. Daar het hierbij gaat om maatregelen van algemene strekking die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, moeten ze overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden aangenomen als gedelegeerde handelingen.

(65) Om voor de verstrekking van bepaalde informatie voor het toezicht op de spoorwegmarkt te zorgen, bepaalde details van de netverklaring vast te stellen, de directe kosten van een treindienst te bepalen, bepaalde criteria voor op basis van de geluidsemissies gedifferentieerde infrastructuurheffingen vast te stellen, bepaalde criteria voor een tijdelijke verlaging voor treinen die met het ETCS zijn uitgerust, vast te stellen, bepaalde criteria van een prestatieregeling vast te stellen, de details te bepalen van de criteria waaraan moet worden voldaan met betrekking tot de vaststelling van eisen voor aanvragers, het tijdschema vast te stellen voor het proces van de capaciteitstoewijzing, de details vast te stellen van de verplichte rekeningen die aan de toezichthoudende instantie moeten worden verstrekt en gemeenschappelijke criteria en praktijken voor de besluitvorming van toezichthoudende instanties overeenkomstig deze richtlijn te ontwikkelen, moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot de criteria en de procedure aangaande reikwijdte van het markttoezicht, bepaalde elementen van de netverklaring, bepaalde heffingsbeginselen, de tijdelijke verlaging van de infrastructuurheffingen voor treinen die met het ETCS zijn uitgerust, bepaalde elementen van de prestatieregeling, de criteria waaraan moet worden voldaan met betrekking tot de eisen voor aanvragers van infrastructuur, het tijdschema voor het toewijzingsproces, de verplichte rekeningen en gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de besluitvorming die door de toezichthoudende instanties worden ontwikkeld. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

Motivering

Bedoeling met dit amendement is een strakker kader vast te stellen voor de bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie, wat de wijziging van niet-essentiële onderdelen van de richtlijn voor beperkte tijd betreft. De tekst komt overeen met de interinstitutionele consensus van 2011.

Amendement 43

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 66

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(66) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(5).

(66) Om voor eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 4, artikel 14, lid 2, en artikel 17, lid 5, van deze richtlijn te zorgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie te worden verleend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend volgens Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.

Motivering

Invoeging van een verwijzing naar de nieuwe verordening inzake uitvoeringshandelingen die recent in werking is getreden.

Amendement 44

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 71 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(71 bis) Wat de resoluties van het Europees Parlement van 12 juli 2007 en 11 juni 2010, en de toepassing van Richtlijn 2001/12 betreft, moet de Commissie voor het eind van 2012 een wetgevingsvoorstel over de scheiding van de infrastructuurmanager en de infrastructuurexploitant voorleggen. Aangezien de spoorwegsector vooralsnog niet volledig open is, moet de Commissie voor die datum ook een wetgevingsvoorstel over de opening van de markt presenteren.

Amendement  45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Wat het tijdschema voor de capaciteitstoewijzing betreft, kunnen de lidstaten andere perioden en tijdslimieten dan degene waarin is voorzien in artikel 43, lid 2, bijlage VIII, punt 4, onder b), en bijlage IX, punt 3, 4 en 5, vaststellen, in het geval van internationale treinpaden die moeten worden toegewezen in samenwerking met de infrastructuurbeheerders van derde landen op een net met een andere spoorbreedte dan het hoofdspoornet in de Unie.

Motivering

Om te zorgen voor meer flexibiliteit wat de capaciteitstoewijzing betreft, in het geval van internationale treinpaden die worden toegewezen in samenwerking met derde landen op netten met een andere spoorbreedte dan het hoofdspoornet in de EU. Dit betreft vooral de Baltische staten.

Amendement  46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis) De lidstaten kunnen voertuigen die worden geëxploiteerd of bestemd zijn om te worden geëxploiteerd vanuit of naar derde landen op een spoornet waarvan de spoorbreedte verschillend is van die van het hoofdspoorwegnet van de Unie, uitsluiten van de toepassing van artikel 31, lid 5.

Amendement  47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2) "infrastructuurbeheerder": een instantie of onderneming die met name belast is met de aanleg, het beheer en het onderhoud van spoorweginfrastructuur, met inbegrip van het verkeersbeheer en de besturing en seingeving. De taken van de infrastructuurbeheerder op een net of een deel van een net kunnen aan verschillende instanties of ondernemingen worden toegewezen;

(2) "infrastructuurbeheerder": een instantie of onderneming die met name belast is met de aanleg, het beheer en het onderhoud van spoorweginfrastructuur, met inbegrip van het verkeersbeheer en de besturing en seingeving, met inachtneming van de toepasselijke veiligheidsregels. De essentiële taken van de infrastructuurbeheerder zijn: besluitvorming inzake treinpadtoewijzing, waaronder zowel de omschrijving als de beoordeling van de beschikbaarheid en de capaciteitstoewijzing voor afzonderlijke treinpaden, besluitvorming inzake de heffingen van rechten voor het gebruik van de infrastructuur, met inbegrip van de vaststelling en heffing van de rechten, en investeringen in infrastructuur;

Amendement  48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis) "toezichthoudende instantie": een instantie die in een lidstaat toezicht houdt op correcte toepassing van de relevante regelgeving, op geen enkele wijze bij beleidsvorming wordt betrokken, en volstrekt los staat van ondernemingen, met name de ondernemingen in de leden 1 en 2;

Amendement  49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3) "spoorweginfrastructuur": alle elementen welke bedoeld zijn in bijlage I, deel A, van Verordening (EEG) nr. 2598/70 van de Commissie van 18 december 1970 betreffende de vaststelling van de inhoud van de verschillende posten van de boekhoudkundige schema's bedoeld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad van 4 juni 1970(6), die ter wille van de duidelijkheid in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen;

(3) "spoorweginfrastructuur": alle elementen welke bedoeld zijn in bijlage I bij deze richtlijn;

Motivering

Na schrapping van de verwijzing naar Verordening (EEG) nr. 2598/70 wordt bijlage I de lijst waarmee de term "spoorweginfrastructuur" voor deze richtlijn wordt gedefinieerd.

Amendement  50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7) "regionale vervoersdiensten": vervoersdiensten die gericht zijn op de vervoerbehoeften van een regio;

(7) "regionale vervoersdiensten": vervoersdiensten die gericht zijn op de vervoerbehoeften van één regio of van grensregio's;

Motivering

The notion of ‘region’ must be interpreted in its geographic sense.

Amendement  51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis) De infrastructuurbeheerder beheert zijn eigen informatica-diensten, dit om ervoor te zorgen dat commercieel gevoelige informatie afdoende beschermd wordt.

Motivering

Om echte onafhankelijkheid tegenover een overkoepelende organisatie, en andere maatschappijen, te garanderen, is het belangrijk dat elke infrastructuurbeheerder beschikt over zijn eigen IT-dienst.

Amendement  52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 ter) De lidstaten zorgen er eveneens voor dat zowel de spoorwegondernemingen als de infrastructuurbeheerders, die niet volledig onafhankelijk van elkaar zijn, verantwoordelijk zijn voor hun eigen personeelsbeleid.

Motivering

Aangezien een infrastructuurbeheerder onafhankelijk beslissingen moet kunnen nemen, moet hij ook volledig verantwoordelijk zijn voor zijn eigen personeelsbeleid. Onvolledige onafhankelijkheid in het personeelsbeleid, brengt dit in het gedrang.

Amendement  53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 6

Artikel 6

Gescheiden rekeningen

Transparante scheiding van rekeningen

1. De lidstaten zorgen ervoor, dat gescheiden verlies- en winstrekeningen en balansen worden opgesteld en gepubliceerd voor de activiteiten met betrekking tot de levering van vervoersdiensten door spoorwegondernemingen enerzijds, en voor de activiteiten betreffende het beheer van de spoorweginfrastructuur anderzijds. Overheidsmiddelen die voor een van deze twee activiteiten worden verstrekt, mogen niet worden overgedragen naar de andere activiteit.

1. De lidstaten zorgen ervoor, dat gescheiden verlies- en winstrekeningen en balansen worden opgesteld en gepubliceerd voor de activiteiten met betrekking tot de levering van vervoersdiensten door spoorwegondernemingen enerzijds, en voor de activiteiten betreffende het beheer van de spoorweginfrastructuur anderzijds. Overheidsmiddelen die voor een van deze twee activiteiten worden verstrekt, mogen niet worden overgedragen naar de andere activiteit.

2. De lidstaten kunnen voorts bepalen, dat deze scheiding tot uitdrukking komt in het bestaan van afzonderlijke afdelingen binnen eenzelfde onderneming of dat de infrastructuur en de vervoersdiensten door afzonderlijke entiteiten worden beheerd.

2. De lidstaten kunnen voorts bepalen, dat deze scheiding tot uitdrukking komt in het bestaan van afzonderlijke afdelingen binnen eenzelfde onderneming of dat de infrastructuur en de vervoersdiensten door afzonderlijke entiteiten worden beheerd, teneinde te zorgen voor het ontstaan van concurrentie, continu investeringen en kosten-efficiëntie van de door de spoorwegsector geleverde diensten.

3. De lidstaten zorgen ervoor, dat voor de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de exploitatie van hun goederenvervoersdiensten enerzijds en voor de activiteiten in verband met de exploitatie van personenvervoersdiensten anderzijds, afzonderlijke winst- en verliesrekeningen, alsmede balansen worden opgesteld en gepubliceerd. Openbare financiële middelen voor activiteiten die betrekking hebben op het verrichten van vervoersdiensten in het kader van een opdracht van openbare dienst, moeten voor elk openbaredienstcontract afzonderlijk in de desbetreffende rekeningen worden opgevoerd en mogen niet worden overgedragen naar activiteiten met betrekking tot andere vervoersdiensten of andere bedrijfsactiviteiten.

3. De lidstaten zorgen ervoor, dat voor de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de exploitatie van hun goederenvervoersdiensten enerzijds en voor de activiteiten in verband met de exploitatie van personenvervoersdiensten anderzijds, afzonderlijke winst- en verliesrekeningen, alsmede balansen worden opgesteld en gepubliceerd. Openbare financiële middelen voor activiteiten die betrekking hebben op het verrichten van vervoersdiensten in het kader van een opdracht van openbare dienst, moeten voor elk openbaredienstcontract afzonderlijk in de desbetreffende rekeningen worden opgevoerd en mogen niet worden overgedragen naar activiteiten met betrekking tot andere vervoersdiensten of andere bedrijfsactiviteiten.

4. De wijze waarop de boekhoudingen van de verschillende in de leden 1 en 3 bedoelde activiteiten worden gevoerd moet het mogelijk maken toe te zien op het verbod op de overdracht van openbare financiële middelen van het ene activiteitengebied naar het andere.

4. Om volledige transparantie van de infrastructuurkosten te waarborgen, worden de boekhoudingen van de verschillende in de leden 1 en 3 bedoelde activiteiten gevoerd op een wijze die het mogelijk maakt toe te zien op de naleving van de vorige leden en op het gebruik van inkomsten uit infrastructuurheffingen, overschotten uit andere commerciële activiteiten van en aan de infrastructuurbeheerder toegewezen openbare en particuliere financiële middelen. De inkomsten van de infrastructuurbeheerder mogen onder geen enkele voorwaarde worden gebruikt door een spoorwegonderneming of een instantie of een bedrijf dat een meerderheidsbelang in een spoorwegonderneminge heeft, aangezien dit zijn marktpositie kan versterken of hem in staat kan stellen economische voordelen te realiseren ten opzichte van andere spoorwegondernemingen De bepaling verhindert niet, en hierop wordt toezicht uitgeoefend door de in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie, dat het door de instantie of bedrijf met een meerderheidsbelang in de spoorwegonderneming ter beschikking gestelde kapitaal aan de infrastructuurbeheerder wordt terugbetaald, inclusief marktconforme interesten.

Amendement  54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 7

Artikel 7

Independence of essential functions of an infrastructure manager 

Independence of essential functions of an infrastructure manager 

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de in bijlage II vermelde taken die voor billijke en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur bepalend zijn, worden toevertrouwd aan instanties of ondernemingen die zelf geen spoorvervoersdiensten verlenen. Aangetoond moet worden dat deze doelstelling is bereikt, ongeacht de organisatiestructuur.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de taken die voor billijke en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur bepalend zijn, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, worden toevertrouwd aan instanties of ondernemingen die zelf geen spoorvervoersdiensten verlenen. Aangetoond moet worden dat deze doelstelling is bereikt, ongeacht de organisatiestructuur.

Bijlage II kan in het licht van de opgedane ervaringen worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

 

De lidstaten kunnen de spoorwegondernemingen of elke andere instantie evenwel belasten met de verantwoordelijkheid bij te dragen tot de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, bijvoorbeeld door middel van investeringen, onderhoud en financiering.

De lidstaten kunnen de spoorwegondernemingen of elke andere instantie evenwel belasten met de verantwoordelijkheid bij te dragen tot de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, bijvoorbeeld door middel van investeringen, onderhoud en financiering.

2. Is de infrastructuurbeheerder in juridisch of organisatorisch opzicht of wat de besluitvorming betreft, niet onafhankelijk van de spoorwegondernemingen, dan worden de in hoofdstuk IV, afdelingen 3 en 4 beschreven taken verricht door respectievelijk een tariferingsinstantie en een toewijzingsinstantie die in juridisch en organisatorisch opzicht en wat de besluitvorming betreft onafhankelijk zijn van de spoorwegondernemingen.

2. Is de infrastructuurbeheerder in juridisch of organisatorisch opzicht of wat de besluitvorming betreft, niet onafhankelijk van de spoorwegondernemingen, dan worden de in hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3 beschreven taken verricht door respectievelijk een tariferingsinstantie en een toewijzingsinstantie die in juridisch en organisatorisch opzicht en wat de besluitvorming betreft onafhankelijk zijn van de spoorwegondernemingen.

3. De verwijzingen in de bepalingen van hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3, naar de essentiële taken van een infrastructuurbeheerder zijn van toepassing op de respectieve bevoegdheden van de tariferingsinstantie of de toewijzingsinstantie.

3. De verwijzingen in de bepalingen van hoofdstuk IV, afdelingen 2 en 3, naar de essentiële taken van een infrastructuurbeheerder zijn van toepassing op de respectieve bevoegdheden van de tariferingsinstantie of de toewijzingsinstantie.

 

(3 bis) Uiterlijk op 31 december 2012 presenteert de Commissie een voorstel voor een richtlijn houdende bepalingen betreffende de scheiding van infrastructuurbeheer en exploitatie van vervoersdiensten, alsmede een voorstel voor het openen van de binnenlandse markt voor het vervoer van passagiers over het spoor dat geen afbreuk doet aan de kwaliteit van de spoorvervoersdiensten en de openbaredienstverplichtingen eerbiedigt.

Amendement 55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 8

Artikel 8

Gezonde financiering van de infrastructuurbeheerder

Gezonde financiering van de infrastructuurbeheerder

1. De lidstaten ontwikkelen de nationale spoorweginfrastructuur waarbij zij, zo nodig, de algemene behoeften van de Unie in aanmerking nemen. Hiertoe publiceren zij uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn een meerjarenplan voor de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur om aan de toekomstige mobiliteitsbehoeften te voldoen, dat is gebaseerd op een gezonde en duurzame financiering van het spoorwegsysteem. De strategie bestrijkt een periode van ten minste vijf jaar en is hernieuwbaar.

1. De lidstaten ontwikkelen de nationale spoorweginfrastructuur waarbij zij, zo nodig, de algemene behoeften van de Unie in aanmerking nemen. Hiertoe publiceren zij uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, en na overleg met alle betrokken partijen, in het bijzonder met de werknemers- en werkgeversorganisaties van de bedrijfstak en met de vertegenwoordigers van de gebruikers, een meerjarenplan voor de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur om aan de toekomstige mobiliteitsbehoeften te voldoen, dat is gebaseerd op een gezonde en duurzame financiering van het spoorwegsysteem. De strategie bestrijkt een periode van ten minste zeven jaar en is hernieuwbaar.

2. Met inachtneming van de artikelen 93, 107 en 108 van het Verdrag, kunnen de lidstaten de infrastructuurbeheerder financiële middelen verstrekken die voldoende zijn in verhouding tot zijn taken, de omvang van de infrastructuur en de financiële behoeften, met name om nieuwe investeringen te dekken.

2. Indien de inkomsten niet volstaan om de financiële behoeften van de infrastructuurbeheerder te dekken, verstrekken de lidstaten, onverminderd het heffingskader van de artikelen 31 en 32 van deze richtlijn en met inachtneming van de artikelen 93, 107 en 108 van het Verdrag, de infrastructuurbeheerder financiële middelen die voldoende zijn in verhouding tot zijn taken, de omvang van de infrastructuur en de financiële behoeften, met name om nieuwe investeringen te dekken.

3. In het kader van het door de overheid vastgestelde algemene beleid, en rekening houdend met het in lid 1 bedoelde meerjarenplan voor de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, stelt de infrastructuurbeheerder een bedrijfsplan vast dat ook investerings- en financiële programma's bevat. Het plan moet zodanig worden opgesteld, dat wordt gewaarborgd dat gebruik , aanbod en ontwikkeling van de infrastructuur optimaal en efficiënt zijn, en tevens een financieel evenwicht wordt bereikt en in de middelen voor de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt voorzien. De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor, dat de aanvragers worden geraadpleegd voordat het bedrijfsplan wordt goedgekeurd. De in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie brengt een niet-bindend advies uit over de mate waarin het bedrijfsplan bijdraagt tot de verwezenlijking van deze doelstellingen.

3. In het kader van het door de overheid vastgestelde algemene beleid, en rekening houdend met het in lid 1 bedoelde meerjarenplan voor de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, stelt de infrastructuurbeheerder een bedrijfsplan vast dat ook investerings- en financiële programma's bevat. Het plan moet zodanig worden opgesteld, dat wordt gewaarborgd dat gebruik , aanbod en ontwikkeling van de infrastructuur optimaal en efficiënt zijn, en tevens een financieel evenwicht wordt bereikt en in de middelen voor de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt voorzien. De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor, dat de aanvragers op niet-discriminerende wijze worden geraadpleegd wat de voorwaarden voor toegang en gebruik, alsmede de aard, de terbeschikkingstelling en de ontwikkeling van de infrastructuur betreft, voordat het investeringsplan wordt goedgekeurd. De in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie brengt een niet-bindend advies uit over de vraag of het bedrijfsplan tussen de aanvragers discrimineert.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat, onder normale zakelijke omstandigheden en over een periode van niet meer dan drie jaar in de boeken van een infrastructuurbeheerder de inkomsten uit infrastructuurrechten, overschotten uit andere commerciële activiteiten en overheidsfinanciering enerzijds en infrastructuuruitgaven anderzijds, ten minste in evenwicht zijn, waaronder begrepen voorschotten van de staat, indien van toepassing.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat, onder normale zakelijke omstandigheden en over een periode van niet meer dan twee jaar in de boeken van de infrastructuurbeheerder de inkomsten uit infrastructuurrechten, overschotten uit andere commerciële activiteiten, niet-terugbetaalbare privésubsidies en overheidsfinanciering, waaronder begrepen voorschotten van de staat, indien van toepassing, enerzijds en infrastructuuruitgaven, inclusief duurzame financiering van de vernieuwing van voorzieningen op de lange termijn, anderzijds, ten minste in evenwicht zijn.

Onverminderd de eventuele doelstelling op lange termijn dat voor alle takken van vervoer de infrastructuurkosten worden gedekt door de gebruiker op basis van een eerlijke en niet-discriminerende concurrentie tussen de onderscheidene takken, wanneer het spoorwegvervoer concurrerend is met andere takken van vervoer, kan een lidstaat in het kader van de heffingsregeling van de artikelen 31 en 32 van de infrastructuurbeheerder verlangen, dat zijn begroting zonder overheidsfinanciering sluitend is.

Onverminderd de eventuele doelstelling op lange termijn dat voor alle takken van vervoer de infrastructuurkosten worden gedekt door de gebruiker op basis van een eerlijke en niet-discriminerende concurrentie tussen de onderscheidene takken, wanneer het spoorwegvervoer concurrerend is met andere takken van vervoer, kan een lidstaat in het kader van de heffingsregeling van de artikelen 31 en 32 van de infrastructuurbeheerder verlangen, dat zijn begroting zonder overheidsfinanciering sluitend is.

Amendement  56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de schulden en intresten op schulden die de ondernemingen hebben aangegaan na 15 maart 2001 of, voor de lidstaten die na 15 maart 2001 tot de Unie zijn toegetreden, na de datum van toetreding tot de Unie.

(3) De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de schulden en intresten op schulden die de ondernemingen zijn aangegaan na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

Motivering

Het is nog altijd van wezenlijk belang dat we de spoorwegondernemingen op een financieel gezond fundament zetten en bevrijden van historisch gegroeide schulden. Dit is ondanks de al in 1991 vastgestelde bepalingen (Richtlijn 91/440/EEG) in talrijke landen niet gebeurd. Om de spoorwegsector effectief te stimuleren moeten de schulden worden weggewerkt. De hiervoor vastgelegde datum, 15 maart 2001, en bij nieuwe lidstaten de datum van toetreding, is te vroeg.

Amendement  57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – lid 2 – alinea 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

In geen geval mogen de voorwaarden voor de toegang tot de spoorweginfrastructuur leiden tot de onmogelijkheid voor de passagiers tot het verkrijgen van informatie en het kopen van een vervoerbewijs om van de ene naar de andere plaats te reizen, ongeacht hoeveel exploitanten van spoorvervoer geheel of gedeeltelijk de passagiersvervoersdiensten tussen die twee plaatsen verlenen.

Motivering

In geen geval mogen de voorwaarden voor de toegang tot de spoorweginfrastructuur leiden tot de onmogelijkheid voor de passagiers tot het verkrijgen van informatie en het kopen van een vervoerbewijs om van de ene naar de andere plaats te reizen, ongeacht hoeveel exploitanten van spoorvervoer geheel of gedeeltelijk de passagiersvervoersdiensten tussen die twee plaatsen verlenen.

Amendement  58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – lid 2 – alinea 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen, waarin de voor de toepassing van dit lid te volgen procedure en criteria nader worden bepaald. Deze maatregelen, die tot doel hebben de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringshandelingen.

De Commissie stelt op basis van de ervaring die is opgedaan door de toezichthoudende instanties uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn uitvoeringsmaatregelen vast, waarin de voor de toepassing van dit lid te volgen procedure en criteria nader worden bepaald. Deze maatregelen, die tot doel hebben de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringshandelingen.

Motivering

De Commissie moet optreden binnen 18 maanden na de inwerkingtreding, een periode die lang genoeg moet zijn om ervaring op te doen wat de omgang met de verlening van toegang tot spoorweginfrastructuur betreft.

Amendement  59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 2 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De bevoegde autoriteiten en de spoorwegondernemingen die de openbare diensten verrichten, delen aan de bevoegde toezichthoudende instantie de informatie mee die redelijkerwijs nodig is om tot een besluit te komen. De toezichthoudende instantie onderzoekt de verstrekte informatie en pleegt daarbij, indien nodig, overleg met alle betrokken partijen; binnen een vooraf bepaalde redelijke termijn, en stelt, in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van alle relevante informatie, de betrokken partijen in kennis van haar met redenen omklede besluit.

De bevoegde autoriteiten en de spoorwegondernemingen die de openbare diensten verrichten, delen aan de bevoegde toezichthoudende instantie de informatie mee die redelijkerwijs nodig is om tot een besluit te komen. De toezichthoudende instantie onderzoekt de verstrekte informatie en pleegt daarbij, indien nodig, overleg met alle betrokken partijen; binnen een maand na ontvangst van de klacht, stelt zij de betrokken partijen in kennis van haar met redenen omklede besluit.

Amendement  60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen, waarin de voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel te volgen procedure en criteria nader worden bepaald. Deze maatregelen, bedoeld om de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringsbesluiten.

4. De Commissie stelt op basis van de ervaring die is opgedaan door de toezichthoudende instanties uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn uitvoeringsmaatregelen vast, waarin de voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel te volgen procedure en criteria nader worden bepaald. Deze maatregelen, bedoeld om de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringsbesluiten.

Motivering

Met dit amendement wordt de Commissie verplicht om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen met de procedure en de criteria voor de bepalingen die betrekking hebben op de beperking van het recht van toegang voor diensten die geheel of gedeeltelijk worden verstrekt in het kader van openbaredienstcontracten en op de aanvragen die worden toegezonden aan de toezichthoudende instanties. De Commissie moet optreden binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn.

Amendement  61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De Commissie maakt een vergelijkende analyse van de methoden voor het vastleggen van de hoogte van de heffingen in de lidstaten, om te komen tot een uniforme methode voor het berekenen van de hoogte van de heffingen.

Amendement  62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 13

Artikel 13

Voorwaarden voor de toegang tot diensten

Voorwaarden voor de toegang tot diensten

1. De spoorwegondernemingen hebben op een niet-discriminerende basis recht op het in bijlage III, punt 1, vastgestelde minimumtoegangspakket.

1. De infrastructuurbeheerders voorzien alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende basis van het in bijlage III, punt 1, vastgestelde minimumtoegangspakket.

2. De in bijlage III, punt 2 bedoelde diensten worden door alle aanbieders van dienstvoorzieningen op een niet-discriminerende wijze verleend.

2. Aanbieders van dienstvoorzieningen geven alle spoorwegondernemingen toegang tot de in Bijlage III, punt 2 bedoelde voorzieningen, waaronder infrastructuur, en tot de in deze voorzieningen geleverde diensten op een niet-discriminerende wijze onder het in artikel 56 bedoelde toezicht van de toezichthoudende instantie.

Wanneer de exploitant van de dienstvoorziening behoort tot een onderneming of entiteit die ook actief is en over een machtspositie beschikt op tenminste één van de markten voor spoorwegvervoersdiensten waarvoor de voorziening wordt gebruikt, is de exploitant op zodanige wijze georganiseerd, dat hij juridisch, organisatorisch en wat de besluitvorming aangaat, onafhankelijk is van deze onderneming of entiteit.

Wanneer de exploitant van een in bijlage III, punt 2, bedoelde dienstvoorziening behoort tot een onderneming of entiteit die ook op nationaal niveau  actief is en daar  over een machtspositie beschikt op tenminste één van de markten voor spoorwegvervoersdiensten waarvoor de voorziening wordt gebruikt, is de exploitant op zodanige wijze georganiseerd, dat hij organisatorisch en wat de besluitvorming aangaat, onafhankelijk is van deze onderneming of entiteit. De exploitant van een dienstvoorziening en deze onderneming of entiteit houden afzonderlijke boekhoudingen, met inbegrip van afzonderlijke balansen en winst- en verliesrekeningen.

De verzoeken van de spoorwegondernemingen om toegang tot de dienstvoorziening mogen slechts worden afgewezen, wanneer er levensvatbare alternatieven zijn die hen in staat stellen, de betrokken goederen- of passagiersdienst op hetzelfde traject onder economisch aanvaardbare voorwaarden te exploiteren. De bewijslast voor het bestaan van een levensvatbaar alternatief ligt bij de exploitant van de dienstvoorziening.

De verzoeken van de spoorwegondernemingen om toegang tot de dienstvoorziening worden binnen een door de nationale toezichthoudende instantie vastgestelde termijn beantwoord en mogen slechts worden afgewezen, wanneer er levensvatbare alternatieven zijn die hen in staat stellen, de betrokken goederen- of passagiersdienst op hetzelfde traject onder economisch aanvaardbare voorwaarden te exploiteren. Wanneer de exploitant van de dienstvoorziening een verzoek om toegang tot zijn dienstvoorziening afwijst, is hij verplicht een economisch en technisch levensvatbaar alternatief voor te stellen en zijn weigering schriftelijk te motiveren. Dit houdt voor de exploitant van de dienstvoorziening niet de verplichting in om te investeren in middelen of voorzieningen teneinde aan alle verzoeken van spoorwegondernemingen tegemoet te kunnen komen.

Wanneer de exploitant van de dienstvoorziening een conflict vaststelt tussen verschillende verzoeken, tracht hij die verzoeken zo goed mogelijk met elkaar te verzoenen. Wanneer geen levensvatbaar alternatief beschikbaar is en het op basis van aantoonbare behoeften onmogelijk is aan alle verzoeken om capaciteit voor de betrokken voorziening tegemoet te komen, neemt de in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie uit eigen beweging of op grond van een klacht de nodige maatregelen om ervoor te zorgen, dat een passend deel van de capaciteit wordt voorbehouden aan andere spoorwegondernemingen dan die welke deel uitmaken van de onderneming of de entiteit waartoe de exploitant van de voorziening ook behoort. Nieuwe voorzieningen en technische installaties die specifiek voor een nieuw type rollend materieel zijn ontworpen, kunnen gedurende een periode van vijf jaar vanaf de start van de exploitatie worden voorbehouden voor één spoorwegonderneming.

Wanneer de exploitant van de dienstvoorziening een conflict vaststelt tussen verschillende verzoeken, tracht hij die verzoeken zo goed mogelijk met elkaar te verzoenen. Wanneer geen levensvatbaar alternatief beschikbaar is en het op basis van aantoonbare behoeften onmogelijk is aan alle verzoeken om capaciteit voor de betrokken voorziening tegemoet te komen, neemt de in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie uit eigen beweging of op grond van een klacht van een indiener van een verzoek de nodige maatregelen, met inachtneming van de behoeften van alle betrokken partijen, om ervoor te zorgen, dat een passend deel van de capaciteit wordt voorbehouden aan andere spoorwegondernemingen dan die welke deel uitmaken van de onderneming of de entiteit waartoe de exploitant van de voorziening behoort. Nieuwe voorzieningen en technische installaties die voor een nieuw type rollend materieel voor hogesnelheidsverkeer zijn ontworpen, zoals bedoeld in Beschikking 2008/232/EG van de Commissie, kunnen gedurende een periode van tien jaar vanaf de start van de exploitatie worden voorbehouden voor één spoorwegonderneming.

Wanneer de dienstvoorziening gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, biedt de eigenaar de exploitatie van de voorziening aan voor leasing of verhuring.

Wanneer de dienstvoorziening gedurende ten minste één jaar niet is gebruikt en spoorwegondernemingen aan de exploitant van de voorziening hun belangstelling te kennen hebben gegeven op basis van aantoonbare behoeften, biedt de eigenaar de exploitatie van de voorziening aan voor leasing of verhuring voor activiteiten die met de spoorwegsector verband houden, tenzij de exploitant van deze voorziening aantoont dat de voorziening onderworpen is aan een transformatieproces dat het gebruik ervan door een spoorwegonderneming in de weg staat.

3. Indien de infrastructuurbeheerder een van de in bijlage III, punt 3, als "aanvullende diensten" vermelde diensten aanbiedt, verricht hij deze op verzoek op niet discriminerende wijze aan een spoorwegonderneming.

3. Indien de exploitant van de dienst een van de in bijlage III, punt 3, als "aanvullende diensten" vermelde diensten aanbiedt, verricht hij deze op verzoek op niet-discriminerende wijze aan een spoorwegonderneming.

4. De spoorwegondernemingen mogen de infrastructuurbeheerder of andere leveranciers om een bijkomende reeks in bijlage III, punt 4, opgenomen "ondersteunende diensten" verzoeken. De infrastructuurbeheerder is niet verplicht deze diensten te verlenen.

4. De spoorwegondernemingen mogen de infrastructuurbeheerder of andere exploitanten van dienstvoorzieningen om een bijkomende reeks in bijlage III, punt 4, opgenomen "ondersteunende diensten" verzoeken. De infrastructuurbeheerder is niet verplicht deze diensten te verlenen. The infrastructure manager is not obliged to supply these services.

5. Bijlage III kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

 

 

_____________

 

1 PB L 84 van 26.3.2008, blz. 132.

Amendement  63

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Alle bepalingen in grensoverschrijdende overeenkomsten tussen lidstaten die discrimineren tussen spoorwegondernemingen of die de vrijheid van de spoorwegondernemingen beperken om grensoverschrijdende diensten te exploiteren, worden hierbij opgeschort.

De lidstaten dienen zich ervan te vergewissen dat er in de grensoverschrijdende overeenkomsten die zij afsluiten geen sprake is van discriminatie van bepaalde spoorwegondernemingen of van beperking van de vrijheid van de spoorwegondernemingen om grensoverschrijdende diensten te exploiteren.

Motivering

De grensoverschrijdende overeenkomsten moeten tot de autonome bevoegdheid van de lidstaten blijven behoren. De Europese Unie moet zich hierin alleen mengen indien de doelstellingen niet op afdoende wijze door de lidstaten zelf kunnen worden bereikt en beter door de Europese Unie kunnen worden bewerkstelligd.

Amendement  64

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 – lid 2 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen tot nadere bepaling van de voor de toepassing van dit lid te volgen procedure. Deze maatregelen, bedoeld om de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringsbesluiten.

De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen om de voorschriften van de in de vorige alinea genoemde samenwerkingsprocedure te specificeren. Deze uitvoeringsmaatregelen, bedoeld om de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden vastgesteld als uitvoeringsbesluiten overeenkomstig de in artikel 64, lid 2, bedoelde adviesprocedure.

Motivering

Met dit amendement wordt verder gespecificeerd waarvoor de uitvoeringsmaatregelen die de Commissie kan vaststellen, zijn bedoeld.

Amendement  65

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 15

Artikel 15

Reikwijdte van het markttoezicht

Reikwijdte van het markttoezicht

1. De Commissie treft de nodige maatregelen voor het toezicht op de technische en economische omstandigheden en de marktontwikkelingen van het Europese spoorvervoer.

1. De Commissie treft de nodige maatregelen voor het toezicht op de technische, sociale en economische omstandigheden en de marktontwikkelingen, inclusief de ontwikkeling van de werkgelegenheid, alsmede de naleving van de relevante Unie-wetgeving van het Europese spoorvervoer.

2. De Commissie betrekt in dit kader vertegenwoordigers van de lidstaten en van de betrokken sectoren, met inbegrip van de gebruikers, nauw bij haar werkzaamheden, zodat zij beter in staat zijn, toezicht te houden op de ontwikkelingen in de spoorwegsector en de evolutie van de markt, de effecten van de aangenomen maatregelen te beoordelen en de impact van de door de Commissie voorgenomen maatregelen te analyseren.

2. De Commissie betrekt in dit kader vertegenwoordigers van de lidstaten, inclusief vertegenwoordigers van de in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instanties, en van de betrokken sectoren, met inbegrip van de betrokken plaatselijke en regionale autoriteiten, de sociale partners en de gebruikers van de spoorsector, nauw bij haar werkzaamheden, zodat zij beter in staat zijn, toezicht te houden op de ontwikkelingen in de spoorwegsector en de evolutie van de markt, de effecten van de aangenomen maatregelen te beoordelen en de impact van de door de Commissie voorgenomen maatregelen te analyseren. De Commissie betrekt indien nodig ook het Europees Spoorwegbureau bij de zaak.

3. De Commissie ziet toe op het gebruik van de netten en de ontwikkeling van de kadervoorwaarden in de spoorwegsector, met name de heffingen op het gebruik van infrastructuur, capaciteitstoewijzing, investeringen in spoorweginfrastructuur, ontwikkelingen inzake de prijzen en de kwaliteit van de spoorvervoersdiensten, vervoersdiensten op grond van openbaredienstcontracten, vergunningverlening en de mate van harmonisatie die tussen de lidstaten tot stand komt. Zij zorgt voor actieve samenwerking tussen de bevoegde toezichthoudende instanties in de lidstaten.

3. De Commissie ziet toe op het gebruik van de netten en de ontwikkeling van de kadervoorwaarden in de spoorwegsector, met name de heffingen op het gebruik van infrastructuur, capaciteitstoewijzing, investeringen in spoorweginfrastructuur, ontwikkelingen inzake de prijzen en de kwaliteit van de spoorvervoersdiensten, vervoersdiensten op grond van openbaredienstcontracten, vergunningverlening, de mate van marktopening, de arbeids- en sociale omstandigheden en de mate van harmonisatie, met name op het gebied van sociale rechten, die tussen en binnen de lidstaten tot stand komt.

4. De Commissie rapporteert regelmatig aan het Europees Parlement en de Raad over:

4. De Commissie rapporteert om de twee jaar aan het Europees Parlement en de Raad over:

a) de ontwikkeling van de interne markt in de spoorwegdiensten,

a) de ontwikkeling van de interne markt in de spoorwegdiensten en de spoorweggerelateerde diensten, met inbegrip van de mate van openstelling van de markt;

b) de kadervoorwaarden, met inbegrip van die voor de passagiersvervoersdiensten over het spoor,

b) de kadervoorwaarden, met inbegrip van die voor de passagiersvervoersdiensten over het spoor,

 

b bis) de ontwikkeling van de werkgelegenheid, en de arbeids- en sociale omstandigheden in de sector;

c) de stand van zaken met betrekking tot het Europese spoorwegnet,

c) de stand van zaken met betrekking tot het Europese spoorwegnet,

d) het gebruik van toegangsrechten,

d) het gebruik van toegangsrechten,

e) belemmeringen voor efficiëntere spoorwegdiensten,

e) belemmeringen voor efficiëntere spoorwegdiensten,

f) infrastructuurbeperkingen,

f) infrastructuurbeperkingen,

g) de behoefte aan wetgeving.

g) de behoefte aan wetgeving.

5. Met het oog op het markttoezicht door de Commissie delen de lidstaten jaarlijks de in bijlage IV genoemde inlichtingen alsmede andere door de Commissie gevraagde gegevens mee.

5. Met het oog op het markttoezicht door de Commissie delen de lidstaten jaarlijks de volgende en in bijlage IV genoemde inlichtingen, alsmede andere door de Commissie gevraagde gegevens mee.

 

a) de beoordeling van de geleverde vervoersprestaties en de compensatie voor openbaredienstverplichtingen (ODV);

 

b) de mate van openstelling van de markten en de concurrentiesituatie in de lidstaten; het aandeel van de spoorwegondernemingen in de totale vervoersprestatie;

 

c) de middelen en activiteiten van de toezichthoudende instanties in verband met hun functie als beroepsinstantie;

 

d) belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de herstructurering van de traditionele spoorwegondernemingen en aanneming/uitvoering van het nationale vervoersbeleid tijdens het voorgaande jaar;

 

e) de belangrijke opleidingsinitiatieven en -maatregelen die een lidstaat het jongste jaar heeft genomen in verband met het spoorvervoer;

 

f) de werkgelegenheid en de sociale omstandigheden bij spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en andere ondernemingen die actief zijn in de spoorwegsector op het einde van het voorgaande jaar;

 

g) de investeringen in het hogesnelheidsspoorwegnet tijdens het voorgaande jaar;

 

h) de lengte van het spoornet op het einde van het voorgaande jaar;

 

i) de spoortoegangsheffingen tijdens het vorige jaar;

 

j) het bestaan van een overeenkomstig artikel 35 van deze richtlijn ingestelde prestatieregeling;

 

k) het aantal geldige vergunningen dat is afgegeven door de bevoegde nationale instantie;

 

l) de stand van de invoering van het ERTMS;

 

m) het aantal incidenten, ongevallen, en ernstige ongevallen, volgens de definities in Richtlijn 2004/49/EG, die op het net hebben plaatsgehad tijdens het voorgaande jaar;

 

n) andere relevante ontwikkelingen;

 

o) de ontwikkeling van de onderhoudsmarkten en de mate van opening van de onderhoudsmarkten.

Bijlage IV kan in het licht van de opgedane ervaringen worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Bijlage IV kan in het licht van de opgedane ervaringen worden gewijzigd om de voor het toezicht op de spoormarkt vereiste informatie te actualiseren, overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Amendement  66

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen waarin de voor de toepassing van dit artikel te volgen procedure nader wordt omschreven, met inbegrip van het gebruik van een gemeenschappelijk model voor de vergunning. Deze maatregelen, bedoeld om de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringsbesluiten.

5. De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast waarin de procedurevoorschriften worden gespecificeerd die moeten worden nageleefd voor de afgifte van vergunningen en de vaststelling van een gemeenschappelijk model voor de vergunning, overeenkomstig de voorschriften in afdeling 2. Deze uitvoeringsmaatregelen, bedoeld om de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden vastgesteld als uitvoeringsbesluiten overeenkomstig de in artikel 64, lid 2, bedoelde adviesprocedure.

Motivering

Met dit amendement wordt het toepassingsgebied van de uitvoeringsmaatregelen die de Commissie kan vaststellen, verder gespecificeerd.

Amendement  67

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 19 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d) niet zijn veroordeeld wegens ernstige of herhaalde inbreuken op verplichtingen die voortvloeien uit het sociaal recht of uit het arbeidsrecht, met inbegrip van verplichtingen uit de wetten inzake arbeidsbescherming, of, in het geval van ondernemingen die grensoverschrijdend goederenvervoer wensen te verrichten waarvoor douaneprocedures gelden, uit de douaneregelgeving.

(d) niet zijn veroordeeld wegens inbreuken op verplichtingen die voortvloeien uit het sociaal recht of uit het arbeidsrecht, met inbegrip van verplichtingen uit de wetten inzake veiligheid, arbeidsbescherming, of, in het geval van ondernemingen die grensoverschrijdend goederenvervoer wensen te verrichten waarvoor douaneprocedures gelden, uit de douaneregelgeving.

Motivering

Bedoeling met dit amendement is de naleving van de veiligheids- en de arbeidswetgeving te verbeteren, door van deze naleving een essentiële vereiste inzake goede naam te maken waaraan spoorwegondernemingen moeten voldoen, wanneer zij een vergunning aanvragen.

Amendement  68

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Aan de eisen inzake financiële draagkracht is voldaan indien de vergunningaanvragende spoorwegonderneming kan aantonen dat zij gedurende een periode van twaalf maanden haar op realistische onderstellingen gebaseerde, bestaande en potentiële verbintenissen kan nakomen.

Aan de eisen inzake financiële draagkracht is voldaan indien de vergunningaanvragende spoorwegonderneming kan aantonen dat zij gedurende een periode van twaalf maanden haar op realistische onderstellingen gebaseerde, bestaande en potentiële verbintenissen kan nakomen. De vergunningverlenende autoriteiten onderzoeken de financiële draagkracht aan de hand van de jaarrekeningen van de spoorwegonderneming en, voor ondernemingen die een vergunning aanvragen en deze jaarrekeningen niet kunnen overleggen, aan de hand van de jaarbalans.

Motivering

Met dit amendement wordt tekst van bijlage V, die als een essentieel tekstonderdeel wordt beschouwd, verplaatst naar het bepalende gedeelte.

Amendement  69

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Hiertoe verstrekt de aanvrager van een vergunning ten minste de gegevens vermeld in bijlage V.

Hiertoe verstrekt de aanvrager van een vergunning gedetailleerde gegevens over het volgende:

 

a) beschikbare financiële middelen, met inbegrip van bankdeposito's, toegestane voorschotten op lopende rekeningen en leningen;

 

b) kapitalen en activabestanddelen die als garantie kunnen dienen;

 

c) exploitatiekapitaal;

 

d) specifieke kosten, met inbegrip van kosten voor de aanschaf van en voorschotten op voertuigen, terreinen, gebouwen, installaties en rollend materieel;

 

e) lasten die op het vermogen van de onderneming drukken;

 

f) belastingen en socialezekerheidsbijdragen.

Motivering

Deze tekst is verplaatst uit bijlage V, die als een essentieel tekstonderdeel wordt beschouwd. De aanvragers moeten ook gedetailleerde informatie verstrekken over de belastingen die zij betalen en over hun socialezekerheidsbijdragen.

Amendement  70

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De vergunningverlenende autoriteiten zijn van mening dat een aanvragende onderneming niet over de vereiste financiële draagkracht beschikt, als aanzienlijke achterstallige bedragen aan belastingen of sociale bijdragen uit hoofde van de activiteit van de onderneming zijn verschuldigd.

Motivering

Deze tekst is verplaatst uit bijlage V, die als een essentieel tekstonderdeel wordt beschouwd.

Amendement  71

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – alinea 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De autoriteit kan met name de overlegging van een deskundigenrapport en van passende documenten van een bank, een openbare spaarkas, een financieel commissaris of een beëdigd accountant eisen. Deze documenten dienen gegevens over de in lid 2, onder a) tot f), van dit artikel genoemde elementen te bevatten.

Motivering

Deze tekst is verplaatst uit bijlage V, die als een essentieel tekstonderdeel wordt beschouwd.

Amendement  72

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – alinea 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bijlage V kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Schrappen

Motivering

Bijlage V wordt als een essentieel tekstonderdeel beschouwd. Daarom wordt de tekst ervan volledig verplaatst naar artikel 20.

Amendement  73

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid is voldaan, indien de vergunningaanvragende spoorwegonderneming kan aantonen, dat zij beschikt of zal beschikken over een bestuurlijke organisatie die de nodige kennis of ervaring bezit om de operationele controle en het toezicht op de in de vergunning omschreven activiteiten op veilige en betrouwbare wijze te kunnen uitoefenen.

Aan de eisen inzake beroepsbekwaamheid is voldaan, indien de vergunningaanvragende spoorwegonderneming kan aantonen, dat zij beschikt of zal beschikken over een bestuurlijke organisatie die de nodige kennis of ervaring bezit om de operationele controle en het toezicht op de in de vergunning omschreven activiteiten op veilige en betrouwbare wijze te kunnen uitoefenen. De onderneming toont op het moment van de aanvraag ook aan dat zij in het bezit is van een veiligheidscertificaat als gedefinieerd in artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG.

Amendement  74

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Onverminderd hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad, is een spoorwegonderneming voldoende verzekerd om, ter toepassing van de nationale en internationale wetgeving, haar aansprakelijkheid bij ongeval, met name ten aanzien van vracht, post en derden te dekken.

Onverminderd hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad, is een spoorwegonderneming voldoende verzekerd of heeft hij, indien de toezichthouder zulks toestaat, voor gelijkwaardige garanties of regelingen gezorgd om, ter toepassing van de nationale en internationale wetgeving, haar aansprakelijkheid bij ongeval, met name ten aanzien van vracht, post en derden te dekken.

Motivering

Er moet rekening worden gehouden met historische spoorlijnen die, behoudens goedkeuring door de nationale toezichthouder, gebruik maken van het nationale spoornet.

Amendement  75

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De infrastructuurbeheerder stelt na overleg met de belanghebbenden, onder wie de toezichthoudende instantie als bedoeld in artikel 55, een netverklaring op en maakt deze verklaring bekend, te verkrijgen tegen betaling van een vergoeding die de kosten van publicatie ervan niet mag overschrijden. De netverklaring wordt gepubliceerd in ten minste de drie werktalen van de Commissie. De netverklaring wordt gepubliceerd in tenminste twee officiële talen van de Unie. Dit amendement moet ervoor zorgen dat de geraamde gebruiksrechten in de meerjarencontracten worden opgenomen, opdat spoorwegondernemingen enige duidelijkheid op middellange termijn kan worden verschaft.

1. De infrastructuurbeheerder stelt na overleg met de belanghebbenden, onder wie de toezichthoudende instantie als bedoeld in artikel 55, een netverklaring op en maakt deze verklaring bekend, te verkrijgen tegen betaling van een vergoeding die de kosten van publicatie ervan niet mag overschrijden. De netverklaring wordt gepubliceerd in ten minste de drie werktalen van de Commissie. De netverklaring wordt gepubliceerd in tenminste twee officiële talen van de Unie, waarvan er één het Engels is. Dit amendement moet ervoor zorgen dat de geraamde gebruiksrechten in de meerjarencontracten worden opgenomen, opdat spoorwegondernemingen enige duidelijkheid op middellange termijn kan worden verschaft.

Motivering

Gebruik van een internationale taal als het Engels moet het begrip van de inhoud van de netverklaring vergemakkelijken.

Amendement  76

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 27 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De netverklaring beschrijft de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur. Zij bevat ook gegevens over de voorwaarden voor toegang tot de spoorweginfrastructuur en de dienstvoorzieningen. De inhoud van de netverklaring is opgenomen in bijlage VI.

2. De netverklaring beschrijft de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur. Zij bevat ook de volgende gegevens over de voorwaarden voor toegang tot de spoorweginfrastructuur en de dienstvoorzieningen:

 

a) een gedeelte waarin de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur en de voor toegang tot de spoorweginfrastructuur geldende voorwaarden worden beschreven;

 

b) een gedeelte waarin de heffingsbeginselen en de tarieven opgenomen zijn;

 

c) een gedeelte over de criteria en voorschriften voor capaciteitstoewijzing. De exploitanten van voorzieningen die niet onder de infrastructuurbeheerder ressorteren, stellen de infrastructuurbeheerder in kennis van de inlichtingen over de tarieven voor de toegang tot de voorziening en de aangeboden diensten en van de inlichtingen inzake de technische toegangsvoorwaarden die in de netverklaring moet worden opgenomen;

 

d) een gedeelte over de informatie in verband met de toepassing van de in artikel 25 bedoelde vergunning en de overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG afgegeven spoorwegveiligheidscertificaten1;

 

e) een gedeelte met inlichtingen over de geschillenbeslechtings- en beroepsprocedures in verband met de toegang tot de spoorweginfrastructuur en -diensten en de in artikel 35 bedoelde prestatieregeling;

 

f) een afdeling met inlichtingen over de toegang tot en de tarieven voor de in bijlage III bedoelde voorzieningen;

 

g) een modelovereenkomst voor de sluiting van kaderovereenkomsten tussen een infrastructuurbeheerder en een aanvrager overeenkomstig artikel 42 van deze richtlijn.

 

De informatie in de netverklaring wordt jaarlijks bijgewerkt en is in overeenstemming met of verwijst naar de overeenkomstig artikel 35 van de Interoperabiliteitsrichtlijn 2008/57/EG te publiceren infrastructuurregisters. Als infrastructuur niet naar behoren is onderhouden en de kwaliteit ervan afneemt, wordt dit tijdig aan gebruikers gemeld.

 

De informatie onder a) tot g) kan door de Commissie worden gewijzigd en gespecificeerd overeenkomstig bijlage VI in het licht van de ervaring, volgens de in artikel 60 bedoelde procedure.

 

_____________________

 

1 PB L 164 van 30.04.04, blz. 44.

Motivering

De lijst van de onderdelen van de netverklaring wordt beschouwd als een essentieel element van de richtlijn. De specifieke details van elk onderdeel kunnen door de Commissie worden gewijzigd, ter wille van de flexibiliteit. Daarnaast moet, als de kwaliteit van de infrastructuur afneemt, dit worden gemeld aan de gebruikers, bij wijze van systeem voor vroegtijdige waarschuwing.

Amendement  77

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 29 – lid 2 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor, dat de vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders wier heffingsbesluiten gevolgen hebben voor andere infrastructuren, samenwerken om de heffingen te coördineren of om rechten te heffen op het gebruik van de betrokken infrastructuur op internationaal niveau.

De lidstaten zorgen ervoor, dat de vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders wier heffingsbesluiten gevolgen hebben voor andere infrastructuren, samenwerken om gezamenlijk de heffingen te coördineren of om rechten te heffen op het gebruik van de betrokken infrastructuur op internationaal niveau.

Motivering

Met dit amendement wordt de idee versterkt dat de infrastructuurbeheerders sterkere onderlinge coördinatiestructuren moeten creëren.

Amendement  78

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 30

Artikel 30

Infrastructuurkosten en boekhouding

Infrastructuurkosten en boekhouding

1. De infrastructuurbeheerders worden met inachtneming van de veiligheid en van de handhaving en verbetering van de kwaliteit van de infrastructuurdienst aangemoedigd, de kosten van het verstrekken van infrastructuur alsmede de hoogte van de toegangsrechten te verminderen.

1. De infrastructuurbeheerders worden met inachtneming van de veiligheid en van de handhaving en verbetering van de kwaliteit van de infrastructuurdienst aangemoedigd, de kosten van het verstrekken van infrastructuur alsmede de hoogte van de toegangsrechten te verminderen.

2. De lidstaten dragen ervoor zorg, dat aan lid 1 uitvoering wordt gegeven met een overeenkomst van ten minste vijf jaar tussen de bevoegde autoriteit en de infrastructuurbeheerder, waarin de overheidsfinanciering wordt geregeld.

2. De lidstaten dragen er voor zorg, dat aan lid 1 uitvoering wordt gegeven met een overeenkomst van ten minste zeven jaar tussen de bevoegde autoriteit en de infrastructuurbeheerder, waarin de overheidsfinanciering wordt geregeld.

3. De bepalingen van de overeenkomst en de structuur van de betalingen om de infrastructuurbeheerder te financieren, worden vooraf voor de gehele duur van de overeenkomst overeengekomen.

3. De bepalingen van de overeenkomst en de structuur van de betalingen om de infrastructuurbeheerder te financieren, worden vooraf voor de gehele duur van de overeenkomst overeengekomen.

De basisbeginselen en parameters van deze overeenkomsten zijn uiteengezet in bijlage VII, die in het licht van de opgedane ervaring kan worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

De basisbeginselen en parameters van deze overeenkomsten zijn uiteengezet in bijlage VII.

De lidstaten raadplegen uiterlijk één maand voor de ondertekening van de overeenkomst de belanghebbende partijen en publiceren de overeenkomst één maand na haar ondertekening.

De lidstaten raadplegen uiterlijk één maand voor de ondertekening van de overeenkomst de belanghebbende partijen en publiceren de overeenkomst één maand na haar ondertekening.

De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor, dat zijn ondernemingsplan overeenstemt met het bepaalde in de overeenkomst.

De infrastructuurbeheerder zorgt ervoor, dat zijn ondernemingsplan overeenstemt met het bepaalde in de overeenkomst.

De in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie beoordeelt, of de geraamde inkomsten van de infrastructuurbeheerder op middellange en lange termijn volstaan om de overeengekomen prestatiedoelstellingen te bereiken, en formuleert, uiterlijk één maand voor de ondertekening van de overeenkomst, aanbevelingen ter zake.

 

Wanneer de bevoegde autoriteit van deze aanbevelingen afwijkt, stelt zij de toezichthoudende instantie in kennis van de redenen hiervan.

 

4. De infrastructuurbeheerders leggen een inventaris aan, en houden deze bij, van de door hen beheerde activa, waarin de huidige waarde alsmede gedetailleerde gegevens over de uitgaven voor de vernieuwing en verbetering van de infrastructuur zijn opgenomen.

4. De infrastructuurbeheerders leggen een inventaris aan, en houden deze bij, van de door hen beheerde activa, waarin de huidige waarde alsmede gedetailleerde gegevens over de uitgaven voor de vernieuwing en verbetering van de infrastructuur zijn opgenomen.

5. De infrastructuurbeheerders en de exploitanten van de dienstvoorzieningen stellen een methode vast voor de toerekening van de kosten aan de verschillende overeenkomstig bijlage III aangeboden diensten en aan de verschillende types spoorvoertuigen, op basis van de beste beschikbare kennis inzake kostentoewijzing en de in artikel 31 bedoelde heffingsbeginselen. De lidstaten kunnen verlangen, dat deze methode vooraf wordt goedgekeurd. De methode wordt op gezette tijden aangepast aan de beste internationale praktijk.

5. De infrastructuurbeheerders en de exploitanten van de dienstvoorzieningen stellen een methode vast voor de toerekening van de kosten aan de verschillende overeenkomstig bijlage III aangeboden diensten en aan de verschillende types spoorvoertuigen, op basis van de beste beschikbare kennis inzake kostentoewijzing en de in artikel 31 bedoelde heffingsbeginselen. De lidstaten kunnen verlangen, dat deze methode vooraf wordt goedgekeurd. De methode wordt op gezette tijden aangepast aan de beste internationale praktijk.

Amendement  79

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 31

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 31

Artikel 31

Heffingsbeginselen

Heffingsbeginselen

1. De rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en de dienstvoorzieningen worden aan de infrastructuurbeheerder en de exploitant van de voorziening betaald, die ze aanwenden om hun ondernemingen van middelen te voorzien.

1. De rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en de dienstvoorzieningen worden aan de infrastructuurbeheerder en de exploitant van de voorziening betaald, die ze aanwenden om hun ondernemingen van middelen te voorzien.

2. De lidstaten verlangen, dat de infrastructuurbeheerder en de exploitanten van de dienstvoorzieningende toezichthoudende instantie alle nodige gegevens over de opgelegde heffingen verstrekken. De infrastructuurbeheerder en de exploitanten van de dienstvoorzieningen moeten daartoe aan elke spoorwegonderneming kunnen aantonen, dat de rechten voor het gebruik van de infrastructuur en de dienstvoorzieningen daadwerkelijk, overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 37, aan de spoorwegondernemingen in rekening worden gebracht, voldoen aan de methode en, voorschriften en, indien van toepassing, schalen van de netverklaring.

2. De lidstaten verlangen, dat de infrastructuurbeheerder en de exploitanten van de dienstvoorzieningende toezichthoudende instantie alle nodige gegevens over de opgelegde heffingen verstrekken. De infrastructuurbeheerder en de exploitanten van de dienstvoorzieningen moeten daartoe aan elke spoorwegonderneming kunnen aantonen, dat de rechten voor het gebruik van de infrastructuur en de dienstvoorzieningen daadwerkelijk, overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 37, aan de spoorwegondernemingen in rekening worden gebracht, voldoen aan de methode en, voorschriften en, indien van toepassing, schalen van de netverklaring.

3. Onverminderd de leden 4 en 5 van dit artikel en artikel 32, wordt, overeenkomstig bijlage VIII, punt 1, voor het minimumtoegangspakket een heffing vastgesteld die gelijk is aan de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien.

3. Onverminderd de leden 4 en 5 van dit artikel en artikel 32, wordt, overeenkomstig bijlage VIII, punt 1, voor het minimumtoegangspakket een heffing vastgesteld die gelijk is aan de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien.

Bijlage VIII, punt 1, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Bijlage VIII, punt 1, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

4. De heffing van infrastructuurrechten kunnen een heffing omvatten voor het capaciteitsgebrek van gespecificeerde infrastructuursegmenten tijdens periodes van overbelasting.

4. De heffing van infrastructuurrechten kunnen een heffing omvatten voor het capaciteitsgebrek van gespecificeerde infrastructuursegmenten tijdens periodes van overbelasting.

5. Wanneer de Uniewetgeving voor het vrachtvervoer over de weg heffingen mogelijk maakt voor de kosten van geluidshinder, worden de infrastructuurrechten overeenkomstig bijlage VIII, punt 2, gewijzigd, teneinde rekening te houden met de door de exploitatie van treinen veroorzaakte kosten van geluidshinder.

5. De infrastructuurrechten worden overeenkomstig bijlage VIII, punt 2, gewijzigd, teneinde rekening te houden met de door de exploitatie van treinen veroorzaakte kosten van geluidshinder. Met deze wijziging van de rechten voor het gebruik van de infrastructuur kunnen de investeringen worden gecompenseerd die zijn gedaan om de spoorrijtuigen uit te rusten met de vanuit economisch oogpunt meest haalbare geluidsarme remmen. De lidstaten zorgen ervoor dat de invoering van deze gedifferentieerde heffingen geen negatieve gevolgen heeft voor het financiële evenwicht van de infrastructuurbeheerder.

Bijlage VIII, punt 2, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd, overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure, met name wat de differentiëring van de infrastructuurheffingen betreft.

Bijlage VIII, punt 2 kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd, overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure, met name wat de differentiëring van de infrastructuurheffingen betreft, mits dit niet leidt tot concurrentievervalsing binnen de spoorvervoersector of met de wegvervoersector in het nadeel van het spoorwegvervoer.

De heffingen van rechten voor het gebruik van de infrastructuur kunnen worden gewijzigd in verband met de kosten van andere dan de in bijlage VIII, punt 2, bedoelde milieueffecten van de treinexploitatie. Deze wijzigingen, waarbij de externe kosten van door de exploitatie van treinen veroorzaakte luchtverontreiniging kunnen worden geïnternaliseerd, variëren naargelang de omvang van het veroorzaakte effect.

De heffingen van rechten voor het gebruik van de infrastructuur kunnen worden gewijzigd in verband met de kosten van andere dan de in bijlage VIII, punt 2, bedoelde milieueffecten van de treinexploitatie. Deze wijzigingen, waarbij de externe kosten van door de exploitatie van treinen veroorzaakte luchtverontreiniging kunnen worden geïnternaliseerd, variëren naargelang de omvang van het veroorzaakte effect.

Een heffing voor de andere milieukosten waaruit een verhoging van de totale inkomsten van de infrastructuurbeheerder resulteert, wordt echter uitsluitend toegestaan indien deze in de Uniewetgeving ook is toegestaan voor het goederenvervoer over de weg. Wanneer de Uniewetgeving niet toestaat deze milieukosten ten aanzien van het goederenvervoer over de weg in rekening te brengen, mogen dergelijke wijzigingen geen gevolgen hebben voor de totale inkomsten van de infrastructuurbeheerder.

Een heffing voor de andere milieukosten waaruit een verhoging van de totale inkomsten van de infrastructuurbeheerder resulteert, wordt echter uitsluitend toegestaan indien deze op basis van de Uniewetgeving ook wordt toegepast in het goederenvervoer over de weg. Wanneer de Uniewetgeving niet toestaat deze milieukosten ten aanzien van het goederenvervoer over de weg in rekening te brengen,  mogen dergelijke wijzigingen geen gevolgen hebben voor de totale inkomsten van de infrastructuurbeheerder.

Indien milieuheffingen extra inkomsten opleveren, bepalen de lidstaten voor welke doeleinden deze inkomsten moeten worden gebruikt. De bevoegde autoriteiten houden de nodige gegevens bij, om ervoor te zorgen, dat de oorsprong van de milieuheffingen en het gebruik ervan, kunnen worden achterhaald. De lidstaten delen de Commissie die gegevens op regelmatige tijdstippen mee.

Indien milieuheffingen extra inkomsten opleveren, bepalen de lidstaten voor welke doeleinden deze inkomsten moeten worden gebruikt ten gunste van de vervoerssystemen. De bevoegde autoriteiten houden de nodige gegevens bij, om ervoor te zorgen, dat de oorsprong van de milieuheffingen en het gebruik ervan, kunnen worden achterhaald. De lidstaten delen de Commissie die gegevens op regelmatige tijdstippen mee.

6. De in de leden 3, 4 en 5, bedoelde gebruiksrechten mogen worden uitgedrukt als gemiddelde, berekend over een voldoende aantal treindiensten en tijden, teneinde ongewenste onevenredige schommelingen te vermijden. Toch dient de relatieve omvang van de infrastructuurrechten te worden gerelateerd aan de kosten die aan de diensten moeten worden toegeschreven.

6. De in de leden 3, 4 en 5, bedoelde gebruiksrechten mogen worden uitgedrukt als gemiddelde, berekend over een voldoende aantal treindiensten en tijden, teneinde ongewenste onevenredige schommelingen te vermijden. Toch dient de relatieve omvang van de infrastructuurrechten te worden gerelateerd aan de kosten die aan de diensten moeten worden toegeschreven.

7. Dit artikel is niet van toepassing op de levering van de in bijlage III, punt 2, genoemde diensten. In geen geval mogen de voor deze diensten geïnde heffingen hoger liggen dan de kosten voor de levering daarvan, vermeerderd met een redelijke winst.

7. Dit artikel is niet van toepassing op de levering van de in bijlage III, punt 2, genoemde diensten. In geen geval mogen de voor deze diensten geïnde heffingen hoger liggen dan de kosten voor de levering daarvan, vermeerderd met een redelijke winst.

8. Indien diensten die in bijlage III, punten 3 en 4, als "aanvullende" of "ondersteunende" diensten zijn opgenomen, slechts door één leverancier worden aangeboden, mogen de voor deze diensten geheven rechten niet hoger zijn dan de kosten die nodig zijn om de diensten te verrichten, vermeerderd met een redelijke winst

8. Indien diensten die in bijlage III, punten 3 en 4, als "aanvullende" of "ondersteunende" diensten zijn opgenomen, slechts door één leverancier worden aangeboden, mogen de voor deze diensten geheven rechten niet hoger zijn dan de kosten die nodig zijn om de diensten te verrichten, vermeerderd met een redelijke winst

9. Voor capaciteit die voor infrastructuuronderhoud wordt gebruikt, kunnen rechten worden geheven. Deze rechten mogen niet hoger zijn dan het als gevolg van het onderhoud door de infrastructuurbeheerder geleden netto-inkomensverlies.

9. Voor capaciteit die voor infrastructuuronderhoud wordt gebruikt, kunnen rechten worden geheven. Deze rechten mogen niet hoger zijn dan het als gevolg van het onderhoud door de infrastructuurbeheerder geleden netto-inkomensverlies.

10. De exploitant van de voorziening voor het verrichten van de in bijlage III, punten 2, 3 en 4, bedoelde diensten deelt de infrastructuurbeheer de inlichtingen betreffende de heffingen mee, die ingevolge artikel 27 in de netverklaring moeten worden opgenomen.

10. De exploitant van de voorziening voor het verrichten van de in bijlage III, punten 2, 3 en 4, bedoelde diensten deelt de infrastructuurbeheer de inlichtingen betreffende de heffingen mee, die ingevolge artikel 27 in de netverklaring moeten worden opgenomen.

Amendement  80

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 32

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 32

Artikel 32

Uitzonderingen op de heffingsbeginselen

Uitzonderingen op de heffingsbeginselen

1. Om de volledige dekking van de door de infrastructuurbeheerder gemaakte kosten te verkrijgen, kan een lidstaat, zo de markt dit aankan, extra heffingen toepassen op basis van efficiënte, transparante en niet-discriminerende beginselen, waarbij een optimale concurrentiepositie, met name van het internationale goederenvervoer per spoor, wordt gewaarborgd. De heffingsregeling moet productiviteitsstijgingen die de spoorwegondernemingen hebben verwezenlijkt, respecteren.

1. Om de volledige dekking van de door de infrastructuurbeheerder gemaakte kosten te verkrijgen, kan een lidstaat de infrastructuurbeheerder toestaan om, zo de markt dit aankan, extra heffingen toe te passen op basis van efficiënte, transparante en niet-discriminerende beginselen, waarbij een optimale concurrentiepositie van de spoorwegsector wordt gewaarborgd. De heffingsregeling moet productiviteitsstijgingen die de spoorwegondernemingen hebben verwezenlijkt, respecteren.

Het niveau van de heffingen mag echter niet uitsluiten, dat van de infrastructuren gebruik wordt gemaakt door marktsegmenten die op zijn minst de rechtstreeks uit de exploitatie van de spoorwegdiensten voortvloeiende kosten kunnen dekken, plus een rendement dat de markt kan verdragen.

Het niveau van de heffingen mag echter niet uitsluiten, dat van de infrastructuren gebruik wordt gemaakt door marktsegmenten die op zijn minst de rechtstreeks uit de exploitatie van de spoorwegdiensten voortvloeiende kosten kunnen dekken, plus een rendement dat de markt kan verdragen.

 

Alvorens goedkeuring te verlenen voor het toepassen van dergelijke extra heffingen zorgen de lidstaten ervoor dat de infrastructuurbeheerder evalueert wat hun relevantie voor specifieke marktsegmenten is. De lijst van marktsegmenten die door de infrastructuurbeheerders wordt opgesteld, omvat ten minste de volgende drie segmenten: goederenvervoer, passagiersvervoer in het kader van een openbaredienstcontract en overig passagiervervoer. De infrastructuurbeheerders kunnen verdere marktsegmenten onderscheiden.

 

Eveneens worden de marktsegmenten bepaald waarin spoorwegondernemingen thans niet actief zijn, maar waarin zij mogelijkerwijs diensten zullen aanbieden gedurende de geldigheidsduur van de heffingsregeling. De infrastructuurbeheerders nemen voor deze marksegementen geen extra heffingen in de heffingsregeling op.

 

De lijst van marktsegmenten wordt in de netverklaring bekendgemaakt en ten minste om de vijf jaar herzien.

Deze marktsegmenten worden bepaald overeenkomstig de in bijlage VIII, punt 3, vastgestelde criteria, afhankelijk van de voorafgaande goedkeuring door de toezichthoudende instantie. Voor marktsegmenten waarin geen verkeer is, worden geen extra heffingen in de heffingsregeling opgenomen.

Extra marktsegmenten worden bepaald overeenkomstig de in bijlage VIII, punt 3, vastgestelde procedure.

Bijlage VIII, punt 3, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

 

 

1 bis. Op goederenvervoer van en naar derde landen via een spoorwegnet met een andere spoorwijdte dan die van het hoofdspoornet in de Unie, kunnen infrastructuurbeheerders hogere rechten heffen om de kosten volledig te recupereren.

2. Voor toekomstige investeringsprojecten of specifieke investeringsprojecten die na 1988 zijn voltooid, kan de infrastructuurbeheerder op basis van de langetermijnkosten van dergelijke projecten hogere heffingen bepalen of blijven bepalen indien deze de doeltreffendheid of kosteneffectiviteit of beide vergroten en anders niet konden of hadden kunnen plaatsvinden. Deze heffingsregeling kan ook overeenkomsten omvatten over het delen van het risico dat aan nieuwe investeringen verbonden is.

2. Voor toekomstige investeringsprojecten of specifieke investeringsprojecten die na 1988 zijn voltooid, kan de infrastructuurbeheerder op basis van de langetermijnkosten van dergelijke projecten hogere heffingen bepalen of blijven bepalen indien deze de doeltreffendheid of kosteneffectiviteit of beide vergroten en anders niet konden of hadden kunnen plaatsvinden. Deze heffingsregeling kan ook overeenkomsten omvatten over het delen van het risico dat aan nieuwe investeringen verbonden is.

3. Treinen met het European Train Control System (ETCS) die op met nationale besturings- en seingevingssystemen uitgeruste lijnen rijden, genieten overeenkomstig bijlage VIII, punt 5 een tijdelijke vermindering van de infrastructuurrechten.

3. Treinen met het European Train Control System (ETCS) die op met nationale besturings- en seingevingssystemen uitgeruste lijnen rijden, genieten overeenkomstig bijlage VIII, punt 5 een tijdelijke vermindering van de infrastructuurrechten. De infrastructuurbeheerder is in staat te garanderen dat deze vermindering niet tot een verlies aan inkomsten leidt. De vermindering wordt gecompenseerd door de verhoging van de rechten op dezelfde lijn voor treinen die niet met het ETCS zijn uitgerust.

Bijlage VIII, punt 5, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Bijlage VIII, punt 5, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure, om het ERTMS verder te promoten.

4. Om discriminatie te voorkomen, wordt ervoor gezorgd dat de gemiddelde en de marginale rechten van elke infrastructuurbeheerder voor gelijkwaardig gebruik van zijn infrastructuur vergelijkbaar zijn en dat voor vergelijkbare diensten in hetzelfde marktsegment dezelfde rechten gelden. De infrastructuurbeheerder toont in zijn netverklaring, dat de tariferingsregeling aan deze voorschriften voldoet, voor zover zulks mogelijk is onder naleving van het zakengeheim.

4. Om discriminatie te voorkomen, wordt ervoor gezorgd dat de gemiddelde en de marginale rechten van elke infrastructuurbeheerder voor gelijkwaardig gebruik van zijn infrastructuur vergelijkbaar zijn en dat voor vergelijkbare diensten in hetzelfde marktsegment dezelfde rechten gelden. De infrastructuurbeheerder toont in zijn netverklaring, dat de tariferingsregeling aan deze voorschriften voldoet, voor zover zulks mogelijk is onder naleving van het zakengeheim.

5. Indien een infrastructuurbeheerder de essentiële onderdelen van de tariferingsregeling, als bedoeld in lid 1, wenst te wijzigen, dan maakt hij die ten minste drie maanden voor de termijn voor de bekendmaking van de netverklaring overeenkomstig artikel 27, lid 4, openbaar.

5. Indien een infrastructuurbeheerder de essentiële onderdelen van de tariferingsregeling, als bedoeld in lid 1, wenst te wijzigen, dan maakt hij die ten minste drie maanden voor de termijn voor de bekendmaking van de netverklaring overeenkomstig artikel 27, lid 4, openbaar.

 

De lidstaten kunnen besluiten dat het heffingskader en de heffingsregels die specifiek zijn ingesteld voor internationale vrachtdiensten van en naar derde landen op een net waarvan de spoorwijdte verschilt van die van het hoofdspoorwegnet in de Unie, worden bekendgemaakt met andere instrumenten en termijnen dan die bedoeld in artikel 29, lid 1, indien zulks nodig is om een billijke mededinging te waarborgen.

Amendement  81

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 35 – lid 2 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De grondbeginselen van de prestatieregeling bedoeld in bijlage VIII, punt 4, gelden voor het gehele net.

 

 

(a) Teneinde de overeengekomen dienstverleningskwaliteit te bereiken zonder de economische levensvatbaarheid van een dienst in gevaar te brengen, bepaalt de infrastructuurbeheerder, na goedkeuring door de toezichthoudende instantie, in overleg met de aanvragers de belangrijkste parameters van de prestatieregeling en met name de kosten van vertragingen, de betalingsdrempels op grond van de prestatieregeling voor zowel individuele treinritten als alle treinritten van een spoorwegonderneming gedurende een bepaalde periode;

 

(b) De infrastructuurbeheerder stelt de spoorwegondernemingen tenminste vijf dagen voor de treinrit in kennis van de dienstregeling op basis waarvan de vertragingen worden berekend;

 

(c) Onverminderd de bestaande beroepsprocedures en het bepaalde in artikel 50 wordt voor geschillen in verband met de prestatieregeling een regeling ingesteld om dergelijke geschillen onverwijld te beslechten. Bij de toepassing van deze regeling wordt binnen tien werkdagen uitspraak gedaan;

 

(d) Eenmaal per jaar maakt de infrastructuurbeheerder op basis van de belangrijkste parameters die in de prestatieregeling zijn vastgesteld de gemiddelde jaarlijkse kwaliteitsprestaties bekend van de verschillende spoorwegondernemingen.

 

De grondbeginselen van de prestatieregeling omvatten de volgende elementen, die gelden voor het gehele net.

Motivering

Deze punten zijn identiek met de punten a), b), g) en h) van bijlage VIII, punt 4. Zij worden beschouwd als essentiële elementen van de richtlijn, aangezien hierin de belangrijkste parameters en procedureaspecten met betrekking tot de prestatieregeling worden bepaald.

Amendement  82

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 35 – lid 2 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bijlage VIII, punt 4, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Bijlage VIII, punt 4, waarin verdere elementen met betrekking tot de prestatieregeling zijn opgenomen, kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Motivering

Na de verplaatsing van de belangrijkste elementen van bijlage VIII, punt 4, naar het dispositieve gedeelte bevat de bijlage gedetailleerdere elementen met betrekking tot de prestatieregeling die door de Commissie kunnen worden gewijzigd. Zo is voldoende soepelheid gewaarborgd.

Amendement  83

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 36 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De infrastructuurbeheerders mogen voor toegewezen, maar niet-gebruikte capaciteit een passende heffing toepassen. Die heffing dient om een efficiënt capaciteitsgebruik aan te moedigen. Wanneer er bij de jaarlijkse opstelling van de dienstregeling meer dan één aanvrager is voor een toe te wijzen treinpad, wordt een reserveringsheffing opgelegd.

De infrastructuurbeheerders mogen voor toegewezen, maar niet-gebruikte capaciteit een passende heffing toepassen. Die heffing dient om een efficiënt capaciteitsgebruik aan te moedigen. Wanneer er bij de jaarlijkse opstelling van de dienstregeling twee of meer aanvragers verzoeken indienen om toewijzing van overlappende treinpaden, wordt een reserveringsheffing opgelegd aan aanvragers aan wie het treinpad geheel of gedeeltelijk is toegekend, maar die er geen gebruik van maken.

Motivering

Wanneer er meer aanvragers voor hetzelfde treinpad zijn, wordt alleen een reserveringsheffing opgelegd indien het treinpad wordt toegewezen aan een aanvrager die er geen gebruik van maakt.

Amendement  84

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 41 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De aanvragen om infrastructuurcapaciteit kunnen worden ingediend door aanvragers in de zin van deze richtlijn.

1. De aanvragen om infrastructuurcapaciteit kunnen worden ingediend door aanvragers. Om deze infrastructuurcapaciteit te gebruiken wijzen de aanvragers een spoorwegonderneming aan voor het sluiten van een overeenkomst met de infrastructuurbeheerder overeenkomstig artikel 28.

Motivering

In dit amendement wordt de formulering overgenomen van Verordening (EU) nr. 913/2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer.

Amendement  85

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 40 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor, dat de vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders wier toewijzingsbeslissingen gevolgen hebben voor andere infrastructuurbeheerders, samenwerken bij de coördinatie van de toewijzing van, of bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit op internationaal niveau, onverminderd de specifieke bepalingen in de Uniewetgeving inzake netten voor het goederenvervoer. De vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders van derde landen kunnen eveneens bij deze procedure worden betrokken.

De lidstaten zorgen ervoor, dat de vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders wier toewijzingsbeslissingen gevolgen hebben voor andere infrastructuurbeheerders, samenwerken bij de coördinatie van de toewijzing van, of bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit op internationaal niveau, onverminderd de specifieke bepalingen in de Uniewetgeving inzake netten voor het goederenvervoer. Degenen die aan deze samenwerking deelnemen, dragen ervoor zorg dat het lidmaatschap, de werkwijzen en alle gehanteerde criteria voor de beoordeling en de toewijzing van infrastructuurcapaciteit openbaar worden gemaakt. De vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders van derde landen kunnen eveneens bij deze procedure worden betrokken.

Motivering

Met dit amendement wordt lid 4 van artikel 40 in lid 1 van datzelfde artikel opgenomen.

Amendement  86

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 40 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De Commissie en de vertegenwoordigers van de toezichthoudende instanties die overeenkomstig artikel 57 samenwerken, worden op de hoogte gehouden van en uitgenodigd op alle vergaderingen waar de gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit worden ontwikkeld. Wanneer de toewijzing gebeurt met behulp van IT-systemen, ontvangen de toezichthoudende instanties voldoende informatie over de systemen om hen in staat te stellen hun toezichthoudende opdracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 56 te vervullen.

2. De Commissie en de vertegenwoordigers van de toezichthoudende instanties die overeenkomstig artikel 57 samenwerken, worden op de hoogte gehouden van de gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit. Wanneer de toewijzing gebeurt met behulp van IT-systemen, ontvangen de toezichthoudende instanties voldoende informatie over de systemen om hen in staat te stellen hun toezichthoudende opdracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 56 te vervullen.

Motivering

Binnen het in de Europese Unie geldende rechtskader kunnen ondernemingen hun activiteiten in vrijheid organiseren, zonder de verplichting om waarnemers uit te nodigen. De Commissie en de toezichthoudende instanties worden op de hoogte gehouden van de besluiten die door de ondernemingen genomen worden.

Amendement  87

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 41 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen waarin de voor de toepassing van lid 2 te volgen procedure nader wordt bepaald. Deze maatregelen, bedoeld om de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringsbesluiten.

3. De nadere voorschriften met betrekking tot de voor de toepassing van lid 2 te volgen procedure kunnen worden gewijzigd in het licht van de ervaring, overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Motivering

De oorspronkelijke formulering, "waarin de ... procedure nader wordt bepaald", suggereert dat deze bepaling betrekking heeft op een aanvulling van de handeling. Dit vereist een bevoegdheidsdelegatie, om de Commissie hiertoe in staat te stellen.

Amendement  88

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 43 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Voor het overleg over de ontwerpdienstregeling begint, komen de infrastructuurbeheerders met de andere betrokken infrastructuurbeheerders overeen welke internationale treinpaden in de dienstregeling moeten worden opgenomen. Slechts indien absoluut noodzakelijk, worden wijzigingen aangebracht.

2. Voor het overleg over de ontwerpdienstregeling begint, komen de infrastructuurbeheerders met de andere betrokken infrastructuurbeheerders overeen welke internationale treinpaden in de dienstregeling moeten worden opgenomen. Slechts indien absoluut noodzakelijk, worden wijzigingen aangebracht, die naar behoren worden gemotiveerd.

Motivering

Ten behoeve van een grotere transparantie in het beheer.

Amendement  89

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 47 – lid 4 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Om de ontwikkeling van adequate vervoersdiensten in dit kader te waarborgen, in het bijzonder om aan de eisen van de openbare dienst tegemoet te komen of om de ontwikkeling van het goederenvervoer per spoor te bevorderen, kunnen de lidstaten onder niet-discriminerende voorwaarden de noodzakelijke maatregelen nemen, opdat deze diensten bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit voorrang krijgen.

Om de ontwikkeling van adequate vervoersdiensten in dit kader te waarborgen, in het bijzonder om aan de eisen van de openbare dienst tegemoet te komen of om de ontwikkeling van het goederenvervoer per spoor te bevorderen, met name het internationaal vervoer, kunnen de lidstaten onder niet-discriminerende voorwaarden de noodzakelijke maatregelen nemen, opdat deze diensten bij de toewijzing van infrastructuurcapaciteit voorrang krijgen.

Motivering

Als het gebruik van het spoor op Europees niveau moet worden gestimuleerd, moeten de internationale spoordiensten prioriteit krijgen.

Amendement  90

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 47 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5. Het belang van goederendiensten, vooral van internationale goederenvervoersdiensten, weegt de vaststelling van de prioriteitscriteria voldoende mee.

5. Het belang van goederendiensten, vooral van internationale goederenvervoersdiensten, is een van de prioriteitscriteria.

Motivering

De uitdrukking "weegt voldoende mee" is te algemeen en te vaag. Als de Commissie het goederenvervoer over het spoor wil bevorderen, en in het bijzonder het internationale vervoer, moet dat expliciet worden verklaard.

Amendement  91

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 51 – lid 2 – alinea 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het plan kan worden onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de lidstaat. De in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie brengt een advies uit over de mate waarin de in het plan opgenomen acties passend zijn.

Het plan kan worden onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de lidstaat. De in artikel 55 bedoelde toezichthoudende instantie houdt toezicht op het raadplegingsproces, om ervoor te zorgen dat hierbij niet wordt gediscrimineerd.

Motivering

De toezichthoudende instantie mag zich niet hoeven te mengen in zakelijke besluiten van de infrastructuurbeheerder, aangezien dit haar positie als objectieve scheidsrechter kan aantasten.

Amendement  92

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 51 – lid 2 – alinea 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Indien een trans-Europees netwerk of een treinpad overbelast is en deze overbelasting grote gevolgen heeft voor een of meerdere trans-Europese netwerken, kan het netwerk van toezichthoudende instanties zoals bedoeld in artikel 57 een advies uitbrengen over de mate waarin de in het plan opgenomen acties passend zijn.

Motivering

Met dit amendement wordt erin voorzien dat het advies van het netwerk van toezichthoudende instanties kan worden ingewonnen in geval van overbelasting die grote gevolgen heeft voor één of meerdere trans-Europees netwerken.

Amendement  93

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 53 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De infrastructuurbeheerder stelt de belanghebbende partijen tijdig in kennis van niet-geplande onderhoudswerkzaamheden.

3. De infrastructuurbeheerder stelt de belanghebbende partijen ten minste een week van tevoren in kennis van niet-geplande onderhoudswerkzaamheden.

Motivering

Het lijkt logisch dat de belanghebbende partijen worden geïnformeerd over het begin van niet-geplande onderhoudswerkzaamheden, zodat ze de nodige voorzieningen kunnen treffen.

Amendement  94

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 54 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis. De infrastructuurbeheerders beschikken over protocollen waarin is vastgelegd hoe te handelen in geval van ongevallen of technische storingen.

Motivering

Het zou een goede zaak zijn als infrastructuurbeheerders over protocollen zouden beschikken waarin is vastgelegd hoe te handelen in geval van ongevallen of technische storingen. Deze protocollen zouden bijdragen tot een doelmatigere en snellere planning bij noodgevallen en zouden als goede praktijken moeten worden gedeeld met alle andere infrastructuurbeheerders.

Amendement  95

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 54 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De lidstaten kunnen eisen dat de spoorwegondernemingen zelf betrokken worden bij de handhaving en controle van de inachtneming van de veiligheidsnormen en andere voorschriften.

3. Behalve in geval van overmacht, met inbegrip van dringende en onvoorziene werkzaamheden die essentieel zijn voor de veiligheid, kan een krachtens dit artikel aan een goederenvervoersactiviteit toegewezen treinpad niet minder dan twee maanden voor de geplande treinrit, zoals vastgelegd in de dienstregeling, worden ingetrokken zonder instemming van de betrokken aanvrager. In een dergelijk geval tracht de betrokken infrastructuurbeheerder de aanvrager een treinpad van vergelijkbare kwaliteit en betrouwbaarheid aan te bieden, dat de aanvrager kan aanvaarden of weigeren. In dat laatste geval heeft de aanvrager ten minste recht op restitutie van de hiermee gemoeide heffing.

Motivering

Dit amendement bepaalt dat in geval van intrekking van een treinpad, behalve in gevallen van overmacht, minimaal een alternatieve oplossing of restitutie van de heffing dient te worden aangeboden. In dit amendement is de formulering uit de verordening betreffende corridors voor het goederenvervoer per spoor (Verordening (EU) nr. 913/2010) overgenomen en gecompleteerd.

Amendement  96

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 55

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 55

Artikel 55

Toezichthoudende instantie

Nationale toezichthoudende instanties

1. Alle lidstaten stellen een toezichthoudende instantie in voor de spoorwegsector. Deze instantie, die het inzake vervoer bevoegde ministerie of een ander lichaam kan zijn, is een afzonderlijke instantie die organisatorisch, functioneel, hiërarchisch en wat de besluitvorming betreft, juridisch gescheiden en onafhankelijk is van alle andere overheidsinstanties. Zij is tevens met betrekking tot haar organisatie, financieringsbeslissingen, rechtsvorm en besluitvorming onafhankelijk van de infrastructuurbeheerders, de heffingsinstanties, de toewijzende instanties of de aanvragers. Voorts is zij voor haar werking onafhankelijk van alle bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de gunning van openbaredienstcontract.

1. Alle lidstaten stellen een toezichthoudende instantie in voor de spoorwegsector. Deze instantie, die het inzake vervoer bevoegde ministerie of een ander lichaam kan zijn, is een afzonderlijke instantie die organisatorisch, functioneel, hiërarchisch en wat de besluitvorming betreft, juridisch gescheiden en onafhankelijk is van alle andere overheidsinstanties. Zij is tevens met betrekking tot haar organisatie, financieringsbeslissingen, rechtsvorm en besluitvorming onafhankelijk van de infrastructuurbeheerders, de heffingsinstanties, de toewijzende instanties of de aanvragers. Voorts is zij voor haar werking onafhankelijk van alle bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de gunning van openbaredienstcontract. De toezichthoudende instantie beschikt over de noodzakelijke organisatorische capaciteit in termen van personeel en materiële middelen voor het niveau van activiteiten van de spoorwegsector van de lidstaat, zoals het vervoersvolume, en voor de omvang van het netwerk, teneinde de haar krachtens artikel 56 toegewezen taken te vervullen.

2. De lidstaten kunnen toezichthoudende instanties instellen die voor verschillende aan toezicht onderworpen sectoren bevoegd zijn, op voorwaarde dat deze geïntegreerde toezichthoudende instanties voldoen aan de in lid 1 vastgesteld eisen inzake onafhankelijkheid.

2. De lidstaten kunnen toezichthoudende instanties instellen die voor verschillende aan toezicht onderworpen sectoren bevoegd zijn, op voorwaarde dat deze geïntegreerde toezichthoudende instanties voldoen aan de in lid 1 vastgesteld eisen inzake onafhankelijkheid.

3. De voorzitter en de raad van bestuur van de toezichthoudende instantie voor de spoorwegsector worden op grond van duidelijke regels die hun onafhankelijkheid waarborgen, benoemd voor een vaste en hernieuwbare termijn. Zij worden gekozen uit personen die gedurende drie jaar voorafgaande aan hun benoeming en gedurende hun ambtstermijn, noch direct noch indirect, een beroepsfunctie of beroepsverantwoordelijkheid in de aan toezicht onderworpen ondernemingen of instanties hebben uitgeoefend, of er een belang in of een zakelijke relatie mee hebben gehad. Na hun ambtstermijn mogen zij gedurende een periode van ten minste drie jaar geen beroepsfunctie of beroepsverantwoordelijkheid uitoefenen in een van de aan toezicht onderworpen ondernemingen of instanties, of hierin een belang of hiermee een zakelijke relatie hebben. Zij zijn verantwoordelijk voor de aanwerving en het beheer van het personeel van de toezichthoudende instantie.

3. De voorzitter en de raad van bestuur van de toezichthoudende instantie voor de spoorwegsector worden op grond van duidelijke regels die hun onafhankelijkheid waarborgen, door de nationale parlementen benoemd voor een vaste en hernieuwbare termijn. Zij worden gekozen uit personen die beschikken over kennis van en ervaring met toezicht op de spoorwegsector, of kennis van en ervaring met toezicht op andere sectoren, en bij voorkeur uit personen die gedurende een periode van ten minste twee jaar, of een langere, overeenkomstig de nationale wetgeving vastgestelde periode voorafgaande aan hun benoeming en gedurende hun ambtstermijn, noch direct noch indirect, een beroepsfunctie of beroepsverantwoordelijkheid in de aan toezicht onderworpen ondernemingen of instanties hebben uitgeoefend, of er een belang in of een zakelijke relatie mee hebben gehad. Zij leggen in dit verband een passende belangenverklaring af. Na hun ambtstermijn mogen zij gedurende een periode van tenminste twee jaar of een langere, overeenkomstig de nationale wetgeving vastgestelde periode geen beroepsfunctie of beroepsverantwoordelijkheid uitoefenen in een van de aan toezicht onderworpen ondernemingen of instanties, of hierin een belang of hiermee een zakelijke relatie hebben. Zij zijn verantwoordelijk voor de aanwerving en het beheer van het personeel van de toezichthoudende instantie. Zij dienen volkomen onafhankelijk te opereren en ze mogen in geen enkel geval beïnvloed worden door aanwijzingen van een regering of een publiek- of privaatrechtelijke onderneming.

Amendement  97

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 56

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 56

Artikel 56

Taken van de toezichthoudende instantie

Taken van de nationale toezichthoudende instanties

1. Onverminderd artikel 46, lid 6, kan een aanvrager wanneer hij van mening is dat hij oneerlijk behandeld, gediscrimineerd of op enigerlei andere wijze benadeeld is, zich tot de toezichthoudende instantie wenden, met name om beroep in te stellen tegen beslissingen van de infrastructuurbeheerder of, indien van toepassing, de spoorwegonderneming of de exploitant van een dienstvoorziening, ten aanzien van:

1. Onverminderd artikel 46, lid 6, kan een aanvrager, wanneer hij van mening is dat hij oneerlijk behandeld, gediscrimineerd of op enigerlei andere wijze benadeeld is, zich tot de toezichthoudende instantie wenden, met name om beroep in te stellen tegen beslissingen van de infrastructuurbeheerder of, indien van toepassing, de spoorwegonderneming of de exploitant van een dienstvoorziening, ten aanzien van:

a) de netverklaring;

a) de netverklaring;

b) de daarin opgenomen criteria;

b) de daarin opgenomen criteria;

c) de toewijzingsprocedure en het resultaat daarvan;

c) de toewijzingsprocedure en het resultaat daarvan;

d) de heffingsregeling;

d) de heffingsregeling;

e) de hoogte of de structuur van de infrastructuur  heffingen  tot betaling waarvan hij verplicht is of kan zijn;

e) de hoogte of de structuur van de infrastructuur  heffingen  tot betaling waarvan hij verplicht is of kan zijn;

f) de regelingen voor toegang overeenkomstig de artikelen 10, 11 en 12;

f) de regelingen voor toegang overeenkomstig de artikelen 10, 11 en 12;

g) de toegang tot en de heffingen voor het gebruik van diensten overeenkomstig artikel 13.

g) de toegang tot en de heffingen voor het gebruik van diensten overeenkomstig artikel 13.

 

g bis) besluiten inzake vergunningen, in gevallen waar de toezichthoudende instantie niet ook de instantie is die vergunningen afgeeft overeenkomstig artikel 16.

 

1 bis. De toezichthoudende instantie beslist over klachten en neemt de nodige maatregelen om de situatie binnen één maand na ontvangst van alle gegevens te verhelpen en onderneemt actie op eigen initiatief. Indien beroep wordt ingesteld tegen en weigering capaciteit te verlenen, of tegen de voorwaarden van een capaciteitsaanbod, besluit de toezichthoudende instantie ofwel dat er geen wijziging van het besluit van de infrastructuurbeheerder nodig is, ofwel dat het betwiste besluit overeenkomstig haar instructies wordt gewijzigd.

 

De Commissie stelt op eigen initiatief onderzoek in naar de toepassing en handhaving van de bepalingen betreffende het mandaat van de toezichthoudende instanties en de door hen gehanteerde termijn voor het nemen van beslissingen, overeenkomstig de in artikel 63, lid 2, bedoelde procedure.

2. De toezichthoudende instantie heeft ook de bevoegdheid, toezicht te houden op de mededinging op de markt voor spoorwegdiensten en om lid 1, punten a) tot en met g), uit eigen beweging te beoordelen, teneinde discriminatie tussen de aanvragers te voorkomen. Zij gaat met name na, of de netverklaringen discriminerende bepalingen bevatten en of deze beslissingsbevoegdheden voor de infrastructuurbeheerder scheppen, die kunnen worden gebruikt om de aanvragers te discrimineren. De toezichthoudende instantie bezit de nodige organisatorische middelen om deze taken uit te oefenen.

2. De toezichthoudende instantie heeft de bevoegdheid, toezicht te houden op de mededinging, een eind te maken aan discriminatie en marktverstorende ontwikkelingen op de markt voor spoorwegdiensten en om lid 1, punten a) tot en met g bis), uit eigen beweging te beoordelen, teneinde discriminatie tussen de aanvragers te voorkomen, inclusief met passende corrigerende maatregelen. Zij gaat met name na, of de netverklaringen discriminerende bepalingen bevatten en of deze beslissingsbevoegdheden voor de infrastructuurbeheerder scheppen, die kunnen worden gebruikt om de aanvragers te discrimineren. Hiertoe werkt de toezichthoudende instantie ook nauw samen met de nationale veiligheidsautoriteit die belast is met de beoordeling van de overeenstemming of de geschiktheid voor het gebruik van de interoperabiliteitsonderdelen of met het onderzoek ten behoeve van de EG-verificatieprocedure van de subsystemen overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG. Op verzoek van indieners van aanvragen in het kader van procedures voor de nationale veiligheidsautoriteit die mogelijkerwijs gevolgen voor markttoegang hebben, informeert de nationale veiligheidsautoriteit de toezichthoudende instantie van de relevante aspecten van de procedure. De toezichthoudende instantie doet aanbevelingen. Wanneer de nationale veiligheidsautoriteit van deze aanbevelingen afwijkt, stelt zij de toezichthoudende instantie in kennis van de redenen hiervan.

3. De toezichthoudende instantie ziet erop, toe dat de door de infrastructuurbeheerders vastgestelde gebruiksrechten in overeenstemming zijn met hoofdstuk IV, afdeling 2, en dat zij niet-discriminerend zijn. De onderhandelingen tussen de aanvragers en een infrastructuurbeheerder betreffende de hoogte van infrastructuurrechten worden slechts toegestaan wanneer zij onder toezicht van de toezichthoudende instantie plaatsvinden. Deze instantie grijpt onmiddellijk in indien het waarschijnlijk is dat de onderhandelingen in strijd zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.

3. De toezichthoudende instantie ziet erop, toe dat de door de infrastructuurbeheerders vastgestelde gebruiksrechten in overeenstemming zijn met hoofdstuk IV, afdeling 2, en dat zij niet-discriminerend zijn. De onderhandelingen tussen de aanvragers en een infrastructuurbeheerder betreffende de hoogte van infrastructuurrechten worden slechts toegestaan wanneer zij onder toezicht van de toezichthoudende instantie plaatsvinden. Deze instantie grijpt onmiddellijk in indien het waarschijnlijk is dat de onderhandelingen in strijd zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.

 

3 bis. De toezichthoudende instantie ziet erop toe dat de boekhouding van de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerders voldoet aan de bepalingen inzake gescheiden boekhoudingen in artikel 6.

 

3 ter. De toezichthoudende instantie bepaalt, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, overeenkomstig artikel 10, lid 2, of het het hoofddoel van een dienst is, passagiers tussen stations in verschillende lidstaten te vervoeren, en, overeenkomstig artikel 11, lid 2, of het economische evenwicht van een openbaredienstcontract in het gedrang is als gevolg van verbindingen overeenkomstig artikel 10 tussen een vertrekpunt en een bestemming waarvoor een of meer openbaredienstcontracten zijn gesloten.

 

3 quater. De toezichthoudende instantie stelt de Commissie in kennis van alle klachten in verband met besluiten van een toezichthoudende instantie in verband met de leden 1 tot 3 ter. Ten laatste twee weken na ontvangst van de klacht verzoekt de Commissie, indien noodzakelijk, om wijziging van het desbetreffende besluit, teneinde ervoor te zorgen dat dit strookt met de Uniewetgeving. De toezichthoudende instantie wijzigt haar besluit, rekening houdend met de door de Commissie gevraagde wijzigingen.

 

3 quinquies. Ten minste één keer per jaar raadpleegt de toezichthoudende instantie de vertegenwoordigers van de gebruikers van spoorwegdiensten op het gebied van passagiers- en goederenvervoer over hun mening met betrekking tot de spoorwegmarkt, met inbegrip van de prestaties van de dienstverlening, de infrastructuurheffingen en de hoogte en transparantie van de prijzen voor spoorwegdiensten, teneinde daarmee rekening te houden.

Amendement  98

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 56 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 56 bis

 

Bevoegdheden van de nationale toezichthoudende instanties

 

1. Om de in artikel 56 opgelijste taken uit te oefenen heeft de regulerende instantie de bevoegdheid:

 

(a) om haar besluiten ten uitvoer te leggen door middel van passende sancties, waaronder boetes. De besluiten van de toezichthoudende instantie zijn bindend voor alle betrokken partijen en zijn niet onderworpen aan toezicht door een andere bestuursrechtelijke instantie.

 

(b) om nuttige informatie op te vragen bij de infrastructuurbeheerder, de aanvragers en elke belanghebbende derde partij in de betrokken lidstaat en deze verzoeken af te dwingen met passende sancties, waaronder boetes. De aan de toezichthoudende instantie te verstrekken informatie omvat alle gegevens waarom de toezichthoudende instantie verzoekt in het kader van haar functies van beroepsinstantie en toezichthoudster op de mededinging op de markten voor spoorwegdiensten. Dit omvat informatie die nodig is voor statistische en marktwaarnemingsdoeleinden. Gevraagde informatie moet zonder onnodige vertraging worden verstrekt.

 

(c) om audits uit te voeren of externe audits te laten uitvoeren bij een infrastructuurbeheerder en, zo nodig, spoorwegondernemingen om de naleving van de in artikel 6 voorgeschreven boekhoudkundige scheiding te controleren.

 

2. De lidstaten waarborgen, dat de besluiten van de regulerende instantie voor rechterlijke toetsing openstaan. Een beroep tegen een besluit van de toezichthoudende instantie heeft geen schorsende werking.

 

2 bis. Ingeval van geschillen over beslissingen van de toezichthoudende instanties die toezien op grensoverschrijdende vervoersdiensten, kunnen de betrokkenen beroep instellen bij de Europese Commissie teneinde ten laatste een maand na ontvangst van het beroep een bindend besluit te verkrijgen over de verenigbaarheid van de beslissing in kwestie met het recht van de Unie.

 

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de besluiten van de regulerende instantie worden gepubliceerd.

 

4. De lidstaten zorgen ervoor, dat de infrastructuurbeheerders en alle ondernemingen of andere entiteiten die verschillende types spoorvervoer of infrastructuurbeheer uitvoeren, met inbegrip van exploitanten van de dienstvoorzieningen, als bedoeld in artikel 6, gedetailleerde gereglementeerde rekeningen aan de toezichthoudende instantie verstrekken, zodat zij haar verschillende taken kan uitoefenen. In deze gereglementeerde rekeningen moeten tenminste de in bijlage X genoemde elementen zijn opgenomen. De toezichthoudende instantie mag aan de hand van deze rekeningen ook conclusies trekken inzake gevallen van staatssteun en deelt die gevallen zo nodig mee aan de daarvoor bevoegde autoriteiten.

 

Bijlage X kan in het licht van de opgedane ervaring worden gewijzigd overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

Amendement  99

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 57

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 57

Artikel 57

Samenwerking tussen toezichthoudende instanties

Samenwerking tussen nationale toezichthoudende instanties en bevoegdheden van de Europese Commissie

1. De nationale toezichthoudende instanties wisselen informatie uit over hun werk en hun besluitvormingsbeginselen en -praktijk en werken samen met het doel hun besluitvorming over de gehele Unie te coördineren. Daartoe werken zij samen in een werkgroep die met regelmatige tussenpozen samenkomt. De Commissie staat de toezichthoudende instanties daarin bij.

1. De nationale toezichthoudende instanties wisselen informatie uit over hun werk en hun besluitvormingsbeginselen en -praktijk en werken samen met het doel hun besluitvorming over de gehele Unie te coördineren. Daartoe werken zij samen in een formeel vastgesteld kader dat op uitnodiging van en onder voorzitterschap van de Commissie met regelmatige tussenpozen samenkomt. Hiertoe zorgt de Commissie voor actieve samenwerking tussen de toezichthoudende instanties en neemt zij maatregelen indien toezichthoudende instanties hun taken niet vervullen.

 

De vertegenwoordigers van de Commissie omvatten vertegenwoordigers van de diensten belast met vervoer én mededinging.

 

De Commissie stelt een gegevensbank in waarin de nationale toezichthoudende instanties gegevens inbrengen over alle klachtenprocedures, bijvoorbeeld de data van de klachten, de start van initiatiefprocedures, alle ontwerp- en definitieve besluiten,de betrokken partijen, de belangrijkste elementen van de procedures, problemen met de interpretatie van het spoorwegrecht, en op eigen initiatief gestarte onderzoeken betreffende bijvoorbeeld toegang tot of heffingen voor internationale spoorwegdiensten.

2. De toezichthoudende instanties zijn in staat nauw samen te werken, onder meer door middel van werkafspraken, om elkaar wederzijdse bijstand te verlenen bij hun taken inzake markttoezicht, klachtenbehandeling en onderzoeken.

2. De toezichthoudende instanties zijn in staat nauw samen te werken, onder meer door middel van werkafspraken, om elkaar wederzijdse bijstand te verlenen bij hun taken inzake markttoezicht, klachtenbehandeling en onderzoeken.

3. Bij een klacht of een onderzoek uit eigen beweging inzake toegang of heffingen betreffende een internationaal treinpad, alsmede in het kader van het toezicht op de mededinging op de markt voor internationale spoorvervoersdiensten, raadpleegt de betrokken toezichthoudende instantie de toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten waardoor het internationale treinpad loopt en verzoekt zij hen om de nodige inlichtingen alvorens een besluit te nemen.

3. Bij een klacht of een onderzoek uit eigen beweging inzake toegang of heffingen betreffende een internationaal treinpad, alsmede in het kader van het toezicht op de mededinging op de markt voor internationale spoorvervoersdiensten, informeert de betrokken toezichthoudende instantie de Commissie, raadpleegt zij de toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten waardoor het internationale treinpad loopt en verzoekt zij hen om de nodige inlichtingen alvorens een besluit te nemen. In een dergelijk geval brengt ook het netwerk van toezichthoudende instanties een advies uit.

4. De overeenkomstig lid 3 geraadpleegde toezichthoudende instanties verstrekken alle inlichtingen die zij zelf krachtens hun nationale wetgeving mogen vragen. Deze inlichtingen mogen alleen worden gebruikt voor de behandeling van de klacht of het onderzoek bedoeld in lid 3.

4. De overeenkomstig lid 3 geraadpleegde toezichthoudende instanties verstrekken alle inlichtingen die zij zelf krachtens hun nationale wetgeving mogen vragen. Deze inlichtingen mogen alleen worden gebruikt voor de behandeling van de klacht of het onderzoek bedoeld in lid 3.

5. De toezichthoudende instantie die een klacht ontvangt of uit eigen beweging een onderzoek voert, deelt de relevante inlichtingen mee aan de bevoegde toezichthoudende instantie, zodat die instantie maatregelen kan treffen ten aanzien van de betrokken partijen.

5. De toezichthoudende instantie die een klacht ontvangt of uit eigen beweging een onderzoek voert, deelt de relevante inlichtingen mee aan de bevoegde toezichthoudende instantie, zodat die instantie maatregelen kan treffen ten aanzien van de betrokken partijen.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 40, lid 1, bedoelde vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders onverwijld alle inlichtingen verstrekken die voor de behandeling van de klacht of het onderzoek als bedoeld in lid 3 van dit artikel worden gevraagd door de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de betrokken vertegenwoordiger is gevestigd. Deze bevoegde instantie heeft het recht, de inlichtingen betreffende het betrokken internationaal treinpad mee te delen aan de in lid 3 bedoelde toezichthoudende instanties.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 40, lid 1, bedoelde vertegenwoordigers van de infrastructuurbeheerders onverwijld alle inlichtingen verstrekken die voor de behandeling van de klacht of het onderzoek als bedoeld in lid 3 van dit artikel worden gevraagd door de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de betrokken vertegenwoordiger is gevestigd. Deze bevoegde instantie heeft het recht, de inlichtingen betreffende het betrokken internationaal treinpad mee te delen aan de in lid 3 bedoelde toezichthoudende instanties.

 

6 bis. De Commissie kan op eigen initiatief aan de activiteiten die staan opgelijst in artikel 57, lid 2 tot 6, deelnemen en zij houdt het in lid 1 bedoelde netwerk van toezichthoudende instanties op de hoogte.

7. De toezichthoudende instanties ontwikkelen gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor besluitvorming waarvoor zij krachtens deze richtlijn bevoegd zijn. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen, waarin deze gemeenschappelijke beginselen en praktijken zijn neergelegd. Deze maatregelen, die tot doel hebben de eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden overeenkomstig artikel 63, lid 3, vastgesteld als uitvoeringsbesluiten.

7. Het overeenkomstig lid 1 opgerichte netwerk van toezichthoudende instanties ontwikkelt gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de besluitvorming waarvoor deze instanties krachtens deze richtlijn bevoegd zijn. De Commissie kan deze gemeenschappelijke beginselen en praktijken vaststellen en aanvullen overeenkomstig de in artikel 60 bedoelde procedure.

De toezichthoudende instanties beoordelen ook de besluiten en praktijken in het kader van de in artikel 40, lid 1, bedoelde samenwerking tussen de infrastructuurbeheerder die de deze richtlijn ten uitvoer te leggen of het internationale spoorvervoer anderszins vergemakkelijken.

Het netwerk van toezichthoudende instanties beoordeelt ook de besluiten en praktijken in het kader van de in artikel 40, lid 1, bedoelde samenwerking tussen de infrastructuurbeheerder die de deze richtlijn ten uitvoer te leggen of het internationale spoorvervoer anderszins vergemakkelijken.

Amendement  100

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 57 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 57 bis

 

Europese toezichthoudende instantie

 

Met inachtneming van de ervaringen die met het netwerk van toezichthoudende instanties worden opgedaan, presenteert de Commissie ten laatste twee jaar na de bekendmaking van deze richtlijn een wetgevingsvoorstel houdende de oprichting van een Europese toezichthoudende instantie. Deze instantie heeft een toezichthoudende en bemiddelende taak in verband met grensoverschrijdende en internationale problemen, en behandelt beroepen die tegen besluiten van nationale toezichthoudende instanties zijn ingesteld.

Amendement  101

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 59 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 59 bis

 

Delegatie van bevoegdheden

 

De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 60 met betrekking tot de reikwijdte van het markttoezicht overeenkomstig artikel 15, bepaalde elementen van de netverklaring overeenkomstig artikel 27, bepaalde heffingsbeginselen overeenkomstig artikel 31, de tijdelijke verlaging van de infrastructuurheffingen voor treinen die met het ETCS zijn uitgerust overeenkomstig artikel 32, lid 3, bepaalde elementen van de prestatieregeling overeenkomstig artikel 35, de criteria waaraan moet worden voldaan met betrekking tot de eisen voor aanvragers van infrastructuur overeenkomstig artikel 41, het tijdschema voor het toewijzingsproces overeenkomstig artikel 43, de verplichte rekeningen overeenkomstig artikel 56 bis en gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de besluitvorming die door de toezichthoudende instanties worden ontwikkeld overeenkomstig artikel 57.

Motivering

Op grond van de nieuwe interinstitutionele consensus van 2011 inzake gedelegeerde handelingen is het gebruik verplicht van standaardclausules, die hier worden ingevoegd ter vervanging van de formulering van het Commissievoorstel.

Amendement  102

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 60

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 60

Schrappen

Exercise of delegation

 

1. Powers to adopt the delegated acts referred to in Articles 7(1) second subparagraph, 13(5) second subparagraph, 15(5) second subparagraph, 20 third paragraph, 27(2), 30(3) second subparagraph, 31(5) second subparagraph, 32(1) third subparagraph, 32(3), 35(2), 43(1) and 56(8) third subparagraph shall be conferred on the Commission for an indeterminate period of time.

 

2. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan tegelijkertijd in kennis.

 

3. Powers to adopt delegated acts are conferred on the Commission subject to the conditions laid down in Articles 61 and 62.

 

Motivering

Op grond van de nieuwe interinstitutionele consensus van 2011 inzake gedelegeerde handelingen is het gebruik verplicht van standaardclausules, die worden ingevoegd in artikel 60 ter vervanging van de formulering van het Commissievoorstel.

Amendement  103

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 60 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 60 bis

 

Uitoefening van de delegatie

 

De in artikel 15, lid 5, artikel 27, lid 2, artikel 31, lid 3 en lid 5, artikel 32, lid 3, artikel 35, lid 2, artikel 41, lid 3, artikel 43, lid 1, artikel 56 bis, lid 6, en artikel 57, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie geldt voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het basiswetsbesluit. De Commissie stemt uiterlijk negen maanden vóór het verstrijken van de periode van vijf jaar een verslag op over de gedelegeerde bevoegdheden. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met perioden van gelijke duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk drie maanden vóór afloop van iedere periode tegen een dergelijke verlenging bezwaar maken.

 

3. De in artikel 15, lid 5, artikel 27, lid 2, artikel 31, lid 3 en lid 5, artikel 32, lid 3, artikel 35, lid 2, artikel 41, lid 3, artikel 43, lid 1, artikel 56 bis, lid 6, en artikel 57, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt in werking op de dag volgend op de bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

 

4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan tegelijkertijd in kennis.

 

5. Elke handeling die in overeenstemming met artikel 15, lid 5, artikel 27, lid 2, artikel 31, lid 3 en lid 5, artikel 32, lid 3, artikel 35, lid 2, artikel 41, lid 3, artikel 43, lid 1, artikel 56 bis, lid 6, en artikel 57, lid 7, is vastgesteld treedt pas in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad geen verzet heeft aangetekend of indien het Europees Parlement en de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie ervan in kennis hebben gesteld dat zij geen verzet wensen aan te tekenen. De termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Motivering

Op grond van de nieuwe interinstitutionele consensus van 2011 inzake gedelegeerde handelingen is het gebruik verplicht van standaardclausules, die hier worden ingevoegd ter vervanging van de formulering van het Commissievoorstel.

Amendement  104

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 61

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 61

Schrappen

Intrekking van de delegatie

 

1. De in artikel 60, lid 1, bedoelde delegatie van bevoegdheden kan door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.

 

2. De instelling die een interne procedure heeft ingeleid om te besluiten of de delegatie van bevoegdheden moet worden ingetrokken, stelt de andere wetgever en de Commissie daarvan in kennis uiterlijk een maand voor het definitieve besluit wordt genomen, met vermelding van de gedelegeerde bevoegdheden die zouden kunnen worden ingetrokken en de redenen van die intrekking.

 

3. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheden. Het besluit wordt onmiddellijk van kracht of op een in dat besluit bepaalde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds in werking getreden gedelegeerde handelingen onverlet. Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

 

Motivering

Overeenkomstig de interinstitutionele consensus van 2011 moet dit artikel worden geschrapt, aangezien de inhoud ervan is verplaatst naar artikel 60 bis.

Amendement  105

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 62

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 62

Schrappen

Bezwaren tegen gedelegeerde handelingen

 

1. Het Europees Parlement en de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar maken binnen twee maanden na de datum van kennisgeving. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze periode met een maand worden verlengd.

 

2. Wanneer bij het verstrijken van deze periode het Europees Parlement en de Raad geen bezwaar hebben gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of indien vóór die datum zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie hebben meegedeeld, dat zij hebben besloten geen bezwaren te maken, treedt de gedelegeerde handeling in werking op de daarin vastgestelde datum.

 

3. Wanneer het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt tegen een vastgestelde gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar maakt, vermeldt de redenen voor haar bezwaar tegen de gedelegeerde handeling.

 

Motivering

Overeenkomstig de interinstitutionele consensus van 2011 moet dit artikel worden geschrapt, aangezien de inhoud ervan is verplaatst naar artikel 60 bis.

Amendement  106

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 63 – lid 2 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De Commissie stelt op verzoek van een lidstaat of uit eigen beweging in specifieke gevallen een onderzoek in naar de toepassing en naleving van bepalingen van deze richtlijn en besluit binnen twee maanden na de ontvangst van een dergelijk verzoek volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure, of de betrokken maatregel verder kan worden toegepast. De Commissie deelt haar besluit mee aan het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten.

De Commissie stelt op verzoek van een nationale toezichthoudende instantie dan wel andere bevoegde nationale autoriteiten of uit eigen beweging in specifieke gevallen een onderzoek in naar de toepassing en naleving van bepalingen van deze richtlijn. De nationale toezichthoudende instanties houden een databank van hun ontwerpbesluiten bij die toegankelijk is voor de Europese Commissie. Binnen twee maanden na de ontvangst van een dergelijk verzoek besluit de Europese Commissie volgens de in artikel 64, lid 2, bedoelde procedure, of de betrokken maatregel verder kan worden toegepast. De Commissie deelt haar besluit mee aan het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten.

Motivering

Ter verduidelijking van het verband tussen de rol van de nationale toezichthoudende instantie en de toezichthoudende rol van de Europese Commissie.

Amendement  107

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 63 – lid 2 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Onverminderd artikel 258 van het Verdrag, kan iedere lidstaat het besluit van de Commissie binnen een maand na de datum van het besluit aan de Raad voorleggen. De Raad kan in uitzonderlijke omstandigheden binnen een maand na de voorlegging van het besluit met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

De Commissie stelt op verzoek van een lidstaat of uit eigen beweging in specifieke gevallen een onderzoek in naar de toepassing en naleving van de bepalingen van deze richtlijn en stelt hierover een besluit vast volgens de in artikel 64, lid 3, bedoelde procedure.

Motivering

Met dit amendement wordt dit lid dichter bij de standaardprocedure voor uitvoeringshandelingen gebracht. De verwijzing naar artikel 64, lid 3, met betrekking tot de onderzoeksprocedure, komt dicht bij de inhoud van de oorspronkelijke tekst van artikel 63, lid 2.

Amendement  108

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 63 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De maatregelen die tot doel hebben een eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden door de Commissie vastgesteld als uitvoeringsbesluiten volgens de in artikel 64 , lid 3, bedoelde procedure.

3. De maatregelen die overeenkomstig artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 4, artikel 14, lid 2, en artikel 17, lid 5, tot doel hebben een eenvormige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren, worden door de Commissie vastgesteld als uitvoeringsbesluiten volgens de in artikel 64 , lid 3, bedoelde procedure.

Motivering

Dit amendement dient om duidelijker te specificeren voor welke artikelen de Commissie uitvoeringshandelingen kan vaststellen.

Amendement  109

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 64 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

1. De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat bij deze richtlijn wordt opgericht. Het betreft een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Motivering

Dit is een technisch amendement om de tekst aan te passen aan de recentste wijzigingen in de wetgeving met betrekking tot de uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden door de Commissie en om een precisering aan te brengen met betrekking tot het comité dat in dit lid wordt genoemd.

Amendement  110

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 64 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Motivering

Dit is een technisch amendement om de tekst aan te passen aan de recentste wijzigingen in de wetgeving met betrekking tot de uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden door de Commissie.

Amendement  111

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 64 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Motivering

Dit is een technisch amendement om de tekst aan te passen aan de recentste wijzigingen in de wetgeving met betrekking tot de uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden door de Commissie.

Amendement  112

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 66 – lid 1 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [...] aan de artikelen [...] en de bijlagen [...] te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan de artikelen [...] en de bijlagen [...] te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Motivering

Dit is een HERSCHIKKING van drie richtlijnen die de lidstaten reeds ten uitvoer hadden moeten leggen. Vandaar het grote aantal lopende inbreukprocedures. Een termijn van 12 maanden is meer dan genoeg. 647

Amendement  113

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – streepje 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

– wegen op spoorwegterreinen ten dienste van reizigers- en goederenvervoer, met inbegrip van de toegangswegen;

– wegen op spoorwegterreinen ten dienste van reizigers- en goederenvervoer, met inbegrip van voor voetgangers en de toegangswegen;

Amendement  114

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage II

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

BIJLAGE II

Schrappen

Essentiële taken van een infrastructuurbeheerder

 

(bedoeld in artikel 7)

 

Lijst van essentiële taken bedoeld in artikel 7:

 

– besluitvorming inzake treinpadtoewijzing, waaronder zowel de omschrijving als de beoordeling van de beschikbaarheid en de deze capaciteitstoewijzing voor afzonderlijke treinpaden;

 

– besluitvorming inzake de heffingen van rechten voor het gebruik van de infrastructuur met inbegrip van de vaststelling en heffing van de rechten.

 

Motivering

Bijlage II is geïntegreerd in artikel 7, omdat de inhoud ervan wordt beschouwd als een essentieel onderdeel van de tekst.

Amendement  115

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage III

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

BIJLAGE III

BIJLAGE III

Aan de spoorwegondernemingen te verlenen diensten

Aan de spoorwegondernemingen te verlenen diensten

1. Het minimumtoegangspakket omvat:

1. Het minimumtoegangspakket omvat:

a) behandeling van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit;

a) behandeling van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit;

b) het recht gebruik te maken van de toegewezen capaciteit;

b) het recht gebruik te maken van de toegewezen capaciteit;

c) gebruik van de aansluitingen en wissels op het net;

c) gebruik van de aansluitingen en wissels op het net;

d) treinbeheer met inbegrip van seinen, regeling, treindienstleiding en de overdracht en levering van gegevens over treinbewegingen;

d) treinbeheer met inbegrip van seinen, regeling, treindienstleiding en de overdracht en levering van gegevens over treinbewegingen;

e) in voorkomend geval het gebruik van elektrische voedingsinstallaties ten behoeve van de tractie;

e) in voorkomend geval het gebruik van elektrische voedingsinstallaties ten behoeve van de tractie;

f) installaties voor brandstofbevoorrading;

 

g) alle andere gegevens die nodig zijn om de dienst waarvoor capaciteit aangevraagd is, tot stand te brengen of te exploiteren.

g) alle andere gegevens die nodig zijn om de dienst waarvoor capaciteit aangevraagd is, tot stand te brengen of te exploiteren.

2. Eveneens wordt toegang verleend tot de dienst voorzieningen en tot de verlening van diensten in de volgende voorzieningen:

2. Eveneens wordt toegang verleend tot de volgende dienstvoorzieningen, indien voorhanden, en tot de diensten die in deze voorzieningen worden aangeboden:

a) passagiersstations, de gebouwen en andere voorzieningen daarvan, met inbegrip van de kaartverkoop- en inlichtingensystemen;

a) passagiersstations, de gebouwen en andere voorzieningen daarvan, met inbegrip van de reisinformatiediensten en een passende locatie voor ticketverkoopdiensten;

b) vrachtterminals;

b) vrachtterminals;

c) rangeerstations;

c) rangeerstations;

d) vormingsstations;

d) vormingsstations;

e) remisestations;

e) remisestations;

f) onderhouds- en andere technische infrastructuur;

f) onderhouds- en andere technische infrastructuur;

g) met de spooractiviteiten verbonden havenfaciliteiten;

g) met de spooractiviteiten verbonden havenfaciliteiten;

h) hulp- en ondersteuningsfaciliteiten, waaronder slepen.

h) hulp- en ondersteuningsfaciliteiten, waaronder slepen.

 

h bis) tanksinstallaties en levering van brandstof in deze installaties, waarvan de prijs op de factuur afzonderlijk van de vergoeding voor het gebruik van de tankinstallaties wordt vermeld.

3. De aanvullende diensten kunnen omvatten:

3. De aanvullende diensten kunnen omvatten:

a) tractiestroom, waarvan de prijs op de factuur afzonderlijk van de vergoeding voor het gebruik van de elektrische voedingsinstallatie wordt vermeld;

a) tractiestroom, waarvan de leverancier vrijelijk door een spoorwegonderneming kan worden gekozen; indien de leverancier van tractiestroom dezelfde is als de exploitant van de faciliteit, wordt de prijs van tractiestroom afzonderlijk van de vergoeding voor het gebruik van de elektrische voedingsinstallatie vermeld;

b) voorverwarmen van passagierstreinen;

b) voorverwarmen van passagierstreinen;

c) levering van brandstof, waarvan de prijs op de factuur afzonderlijk van de vergoeding voor het gebruik van de tankinstallaties wordt vermeld;

 

d) speciaal opgestelde overeenkomsten voor:

d) speciaal opgestelde overeenkomsten voor:

– de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen,

– de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen,

– ondersteuning bij het laten rijden van speciale treinen.

– ondersteuning bij het laten rijden van speciale treinen.

4. Ondersteunende diensten kunnen omvatten:

4. Ondersteunende diensten kunnen omvatten:

a) toegang tot het telecommunicatienet;

a) toegang tot het telecommunicatienet;

b) levering van aanvullende informatie;

b) levering van aanvullende informatie;

c) technische keuring van het rollende materieel.

c) technische keuring van het rollende materieel.

Amendement  116

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage IV – lid 16 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

16 bis. de incidenten, ongevallen en ernstige ongevallen, volgens de definities in Richtlijn 2004/49/EG, die hebben plaatsgehad tijdens het voorgaande jaar.

Motivering

De informatie die moet worden verzameld en aan de Commissie toegestuurd, wat de ontwikkeling van de spoormarkt betreft, moet ook gegevens omvatten over de veiligheidsituatie van het spoor in de EU-lidstaten.

Amendement  117

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage V

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

BIJLAGE V

Schrappen

Financiële draagkracht

 

(bedoeld in artikel 20)

 

1. De financiële draagkracht wordt onderzocht aan de hand van de jaarrekeningen van de spoorwegonderneming en, voor ondernemingen die een vergunning aanvragen en deze jaarrekeningen niet kunnen overleggen, aan de hand van de jaarbalans. Voor dit onderzoek moeten gedetailleerde gegevens over met name de volgende punten worden verstrekt:

 

a) beschikbare financiële middelen, met inbegrip van bankdeposito's, toegestane voorschotten op lopende rekeningen en leningen;

 

b) kapitalen en activabestanddelen die als garantie kunnen dienen;

 

c) exploitatiekapitaal;

 

d) specifieke kosten, met inbegrip van kosten voor de aanschaf van en voorschotten op voertuigen, terreinen, gebouwen, installaties en rollend materieel;

 

e) lasten die op het vermogen van de onderneming drukken.

 

2. De aanvragende onderneming beschikt niet over de vereiste financiële draagkracht wanneer aanzienlijke achterstallige bedragen aan belastingen of sociale bijdragen uit hoofde van de activiteit van de onderneming zijn verschuldigd.

 

3. De autoriteit kan met name de overlegging van een deskundigenrapport en van passende documenten van een bank, een openbare spaarkas, een financieel commissaris of een beëdigd accountant eisen. Deze documenten dienen gegevens over de onder punt 1 genoemde punten te bevatten.

 

Motivering

Bijlage II is geïntegreerd in artikel 20, omdat de inhoud ervan wordt beschouwd als een essentieel onderdeel van de tekst.

Amendement  118

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De in artikel 27 bedoelde netverklaring bevat de volgende gegevens:

De in artikel 27 bedoelde afdelingen van de netverklaring bevatten de volgende gegevens:

Motivering

Aangezien de belangrijkste elementen van bijlage VI zijn verplaatst naar artikel 27, moet de inleidende formule worden aangepast.

Amendement  119

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. een gedeelte waarin de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur en de voor toegang tot de spoorweginfrastructuur geldende voorwaarden worden beschreven. De informatie in dit deel dient in overeenstemming te zijn met of te verwijzen naar de overeenkomstig artikel 35 van de Interoperabiliteitsrichtlijn 2008/57/EG te publiceren infrastructuurregisters;

Schrappen

Motivering

Dit deel van bijlage VI is verplaatst naar artikel 27.

Amendement  120

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. een gedeelte waarin de heffingsbeginselen en de tarieven opgenomen zijn. Dit zal de nodige details over het heffingsstelsel bevatten, alsmede voldoende gegevens over gebruiksrechten en alle andere relevante informatie in verband met de toegang tot de in bijlage III genoemde diensten die door één leverancier worden verschaft. De voor de toepassing van artikel 31, leden 4 en 5, en de artikelen 32 tot en met 36 gebruikte methode, voorschriften en, indien van toepassing, schalen voor de bepaling van de kosten en heffingen worden nader omschreven. Voorts bevat dit gedeelte informatie over de reeds vastgestelde of de in de loop van de vijf volgende jaren verwachte wijzigingen van de gebruiksrechten;

2. het gedeelte waarin de heffingsbeginselen en de tarieven opgenomen zijn, zal de nodige details over het heffingsstelsel bevatten, alsmede voldoende gegevens over gebruiksrechten en alle andere relevante informatie in verband met de toegang tot de in bijlage III genoemde diensten die door één leverancier worden verschaft. De voor de toepassing van artikel 31, leden 4 en 5, tot en met 36 gebruikte methode, voorschriften en, indien van toepassing, schalen voor de bepaling van de kosten en heffingen worden nader omschreven. Voorts bevat dit gedeelte informatie over de reeds vastgestelde of de in de loop van de vijf volgende jaren verwachte wijzigingen van de gebruiksrechten;

Motivering

De tekst moet worden aangepast, omdat delen van bijlage VI zijn verplaatst naar artikel 27.

Amendement  121

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – lid 3 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

een gedeelte over de criteria en voorschriften voor capaciteitstoewijzing. Dit bevat de algemene kenmerken van de infrastructuurcapaciteit die voor spoorwegondernemingen beschikbaar is, en alle beperkingen met betrekking tot het gebruik daarvan, met inbegrip van vermoedelijke beperkingen in verband met onderhoud. In dit gedeelte worden tevens de procedures en termijnen met betrekking tot de capaciteitstoewijzing gepreciseerd. Verder zijn daarin specifieke criteria vervat die bij de capaciteitstoewijzing worden gehanteerd, zoals:

het gedeelte over de criteria en voorschriften voor capaciteitstoewijzing bevat de algemene kenmerken van de infrastructuurcapaciteit die voor spoorwegondernemingen beschikbaar is, en alle beperkingen met betrekking tot het gebruik daarvan, met inbegrip van vermoedelijke beperkingen in verband met onderhoud. In dit gedeelte worden tevens de procedures en termijnen met betrekking tot de capaciteitstoewijzing gepreciseerd. Verder zijn daarin specifieke criteria vervat die bij de capaciteitstoewijzing worden gehanteerd, zoals:

Motivering

De tekst moet worden aangepast, omdat delen van bijlage VI zijn verplaatst naar artikel 27.

Amendement  122

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – leden 4 en 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. een afdeling over de informatie in verband met de toepassing van de in artikel 25 bedoelde vergunning en de overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG afgegeven spoorwegveiligheidscertificaten;

Schrappen

5. een afdeling met inlichtingen over de geschillenbeslechtings- en beroepsprocedures in verband met de toegang tot de spoorweginfrastructuur en -diensten en de in artikel 35 bedoelde prestatieregeling;

 

Motivering

Deze delen van bijlage VI zijn verplaatst naar artikel 27.

Amendement  123

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6. een afdeling met inlichtingen over de toegang tot en de tarieven voor de in bijlage III bedoelde voorzieningen. De exploitanten van voorzieningen die niet onder de infrastructuurbeheerder ressorteren, stellen de infrastructuurbeheerder in kennis van de inlichtingen over de tarieven voor de toegang tot de voorziening en de aangeboden diensten en van de inlichtingen inzake de technische toegangsvoorwaarden die in de netverklaring moet worden opgenomen;

Schrappen

Motivering

Dit deel van bijlage VI is verplaatst naar artikel 27.

Amendement  124

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VI – lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7. een modelovereenkomst voor de sluiting van kaderovereenkomsten tussen een infrastructuurbeheerder en een aanvrager overeenkomstig artikel 42 van deze richtlijn.

Schrappen

Motivering

Dit deel van bijlage VI is verplaatst naar artikel 27.

Amendement  125

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VII

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

BIJLAGE VII

BIJLAGE VII

Basisbeginselen en parameters voor overeenkomsten tussen bevoegde instanties en infrastructuurbeheerders

Basisbeginselen en parameters voor overeenkomsten tussen bevoegde instanties en infrastructuurbeheerders

(bedoeld in artikel 30)

(bedoeld in artikel 30)

In de overeenkomst worden de in artikel 30 genoemde aspecten vastgesteld, en met name:

In de overeenkomst worden de in artikel 30 genoemde aspecten vastgesteld, en met name:

1. de infrastructuur en de voorzieningen waarop de overeenkomst van toepassing is, overeenkomstig de structuur van bijlage III. Voorts worden ook alle aspecten in verband met de ontwikkeling van de infrastructuur, waaronder het onderhoud en de vernieuwing van de bestaande infrastructuur, beschreven. De bouw van nieuwe infrastructuur kan als afzonderlijk onderdeel worden opgenomen;

1. de infrastructuur en de voorzieningen waarop de overeenkomst van toepassing is, overeenkomstig de structuur van bijlage III. Voorts worden ook alle aspecten in verband met het onderhoud en de vernieuwing van de bestaande infrastructuur beschreven. De bouw van nieuwe infrastructuur kan als afzonderlijk onderdeel worden opgenomen;

2. de structuur van de overeengekomen vergoedingen voor de in bijlage III opgesomde infrastructuurdiensten, voor onderhoud, voor de bouw van nieuwe infrastructuur en voor het wegwerken van de bestaande onderhoudsachterstand;

2. de structuur van de overeengekomen vergoedingen, met inbegrip van indicatieve ramingen van de verwachte hoogte, voor de in bijlage III opgesomde infrastructuurdiensten, voor onderhoud, inclusief vernieuwing en modernisering, en voor het wegwerken van de bestaande onderhoudsachterstand; betalingen voor nieuwe infrastructuur kunnen als afzonderlijk onderdeel worden opgenomen;

3. gebruikersgerichte prestatiedoelstellingen in de vorm van indicatoren en kwaliteitscriteria inzake:

3. gebruikersgerichte prestatiedoelstellingen in de vorm van indicatoren en kwaliteitscriteria inzake:

a) treinprestaties en klantentevredenheid,

a) treinprestaties en klantentevredenheid, met name het effect van de kwaliteit van de infrastructuur op de betrouwbaarheid van de treinen,

b) netcapaciteit,

b) netcapaciteit en de beschikbaarheid van de infrastructuur,

c) beheer van activa,

c) beheer van activa,

d) omvang van de activiteiten,

d) omvang van de activiteiten,

e) veiligheidsniveaus,

e) veiligheidsniveaus,

f) milieubescherming;

f) milieubescherming;

4. de omvang van de onderhoudsachterstand, de uitgaven om die weg te werken en de activa die buiten bedrijf zullen worden gesteld en waardoor financiële middelen vrijkomen;

4. de omvang van de onderhoudsachterstand, de uitgaven om die weg te werken en de activa die buiten bedrijf zullen worden gesteld en waardoor financiële middelen vrijkomen;

5. de stimulansen overeenkomstig artikel 30, lid 1;

5. de stimulansen overeenkomstig artikel 30, lid 1;

6. verslaggevingsverplichtingen voor de infrastructuurbeheerder met opgave van de inhoud en de rapporteringsfrequentie, met inbegrip van de jaarlijks te publiceren informatie;

6. verslaggevingsverplichtingen voor de infrastructuurbeheerder met opgave van de inhoud en de rapporteringsfrequentie, met inbegrip van de jaarlijks te publiceren informatie;

7. een mechanisme om ervoor te zorgen dat een aanzienlijk deel van de kostenreductie de gebruikers ten goede komt in de vorm van lagere heffingen;

7. een mechanisme om ervoor te zorgen dat een aanzienlijk deel van de kostenreductie de gebruikers ten goede komt in de vorm van lagere heffingen, overeenkomstig de voorschriften van artikel 30, lid 1, zonder het in artikel 8, lid 4, bedoelde evenwicht in de boeken van de infrastructuurbeheerder in gevaar te brengen;

8. de overeengekomen duur van de overeenkomst, die wordt afgestemd op de looptijd van het ondernemingsplan van de infrastructuurbeheerder, de concessie of vergunning en het door de lidstaat ingestelde heffingskader en de heffingsregels;

8. de overeengekomen duur van de overeenkomst, die wordt afgestemd op de looptijd van het ondernemingsplan van de infrastructuurbeheerder, de concessie of vergunning en het door de lidstaat ingestelde heffingskader en de heffingsregels;

9. regels voor de afhandeling van ernstige storingen en noodsituaties, met inbegrip van een eventuele minimumdienstverlening bij stakingen, de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst en informatie voor de gebruikers;

9. regels voor de afhandeling van ernstige storingen en noodsituaties, de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst en tijdige informatie voor de gebruikers;

10. te nemen herstelmaatregelen wanneer een van de partijen zijn contractuele verplichtingen niet nakomt. Dit omvat de voorwaarden en procedures voor nieuwe onderhandelingen en de vroegtijdige beëindiging alsmede de rol van de toezichthoudende instantie.

10. remedial measures to be taken if either of the parties is in breach of its contractual obligations; this includes conditions and procedures for renegotiation and early termination, including the role of the regulatory body.

Amendement  126

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VIII – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

BIJLAGE VIII

BIJLAGE VIII

Eisen inzake infrastructuurkosten en -heffingen

Eisen inzake infrastructuurkosten en -heffingen

(bedoeld in artikel 31(3) 32(1) and (3) and Article 35)

(referred to in Articles 31(3) and (5); 32(1) and (3) and Article 35)

1. In de directe kosten van de treindienst als bedoeld in artikel 31, lid 3, in verband met de slijtage aan de infrastructuur, worden de volgende aspecten niet in rekening gebracht:

1. In de directe kosten van de treindienst als bedoeld in artikel 31, lid 3, in verband met de slijtage aan de infrastructuur, worden de volgende aspecten niet in rekening gebracht:

a) overheadkosten voor het hele net, met inbegrip van lonen en pensioenen;

a) overheadkosten voor het hele net;

b) kapitaalintresten;

b) kapitaalintresten;

c) meer dan een tiende van de kosten voor de planning, de toewijzing van het treinpad, het verkeersbeheer, de dispatching en de seingeving van een treinrit;

 

d) de afschrijving van informatie-, communicatie- of telecommunicatieapparatuur;

d) de afschrijving van informatie-, communicatie- of telecommunicatieapparatuur;

e) kosten in verband met het beheer van vaste activa en met name de aankoop, de verkoop, de ontmanteling, de sanering, het herstel of de huur van gronden of ander vastgoed;

e) kosten in verband met het beheer van vaste activa en met name de aankoop, de verkoop, de ontmanteling, de sanering, het herstel of de huur van gronden of ander vastgoed;

f) sociale diensten, scholen, crèches en restaurants;

f) scholen, crèches;

g) kosten voor gevallen van overmacht, ongevallen en gestoord bedrijf.

g) kosten voor gevallen van overmacht, ongevallen en gestoord bedrijf.

Wanneer de directe kosten voor het volledige net hoger liggen dan 35% van de op basis van het aantal afgelegde treinkilometers berekende kosten voor het onderhoud, het beheer en de vernieuwing van het net, verstrekt de infrastructuurbeheerder de toezichthoudende instantie hiervoor een gedetailleerde verantwoording. De hierboven onder e), f) of g) bedoelde elementen worden niet in rekening gebracht bij de in dat kader berekende gemiddelde kosten.

When direct costs exceed, on a network-wide average, 35 % of average costs of maintaining, managing and renewing the network calculated on the basis of a train kilometer run, the infrastructure manager shall justify this in detail to the regulatory body. The average costs calculated for this purpose shall exclude cost elements referred to in points (e), (f) or (g).

Amendement  127

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VIII – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De infrastructuurbeheerder toont ten aanzien van de toezichthoudende instantie aan dat voor een treindienst overeenkomstig artikel 32, lid 1, extra heffingen kunnen worden toegepast wanneer elke onder de volgende elementen opgesomde diensten tot een verschillend marktsegment behoren:

3. De infrastructuurbeheerder bepaalt homogene marktsegmenten en toepasselijke extra heffingen in de zin van artikel 32, lid 1, op basis van een marktstudie en na raadpleging van de aanvragers. Met uitzondering van de artikel 32, lid 1, onder a), bedoelde wagons, toont de infrastructuurbeheerder ten aanzien van de toezichthoudende instantie aan dat voor een treindienst overeenkomstig artikel 32, lid 1, extra heffingen kunnen worden toegepast. Ingeval de infrastructuurbeheerder extra heffingen toepast, stelt hij een lijst op van marktsegmenten die vooraf door de toezichthoudende instantie moet worden goedgekeurd.

a) passagiers- vs. goederenvervoer;

 

b) treinen die gevaarlijke goederen vervoeren vs. andere goederentreinen;

 

c) binnenlands vs. internationaal vervoer;

 

d) gecombineerd vervoer vs. rechtstreekse treinen;

 

e) stedelijke of regionale treinen vs. tussenstedelijke passagiersdiensten;

 

f) bloktreinen vs. treinen met losse wagons;

 

g) reguliere vs. occasionele treindiensten.

 

Amendement  128

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VIII – lid 4 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a) Teneinde de overeengekomen dienstverleningskwaliteit te bereiken zonder de economische levensvatbaarheid van een dienst in gevaar te brengen, bepaalt de infrastructuurbeheerder, na goedkeuring door de toezichthoudende instantie, in overleg met de aanvragers de belangrijkste parameters van de prestatieregeling en met name de waarde van vertragingen, de betalingsdrempels op grond van de prestatieregeling voor zowel individuele treinritten als alle treinritten van een spoorwegonderneming gedurende een bepaalde periode.

Schrappen

Motivering

De geschrapte delen van bijlage VIII zijn verplaatst naar artikel 35, lid 2.

Amendement  129

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VIII – lid 4 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b) De infrastructuurbeheerder stelt de spoorwegondernemingen tenminste vijf dagen voor de treinrit in kennis van de dienstregeling op basis waarvan de vertragingen worden berekend.

Schrappen

Motivering

De geschrapte delen van bijlage VIII zijn verplaatst naar artikel 35, lid 2.

Amendement  130

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VIII – lid 4 – letter g

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

g) Onverminderd de bestaande beroepsprocedures en het bepaalde in artikel 50 wordt voor geschillen in verband met de prestatieregeling een regeling ingesteld om dergelijke geschillen onverwijld te beslechten. Bij de toepassing van deze regeling wordt binnen tien werkdagen uitspraak gedaan.

Schrappen

Motivering

De geschrapte delen van bijlage VIII zijn verplaatst naar artikel 35, lid 2.

Amendement  131

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VIII – lid 4 – letter h

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

h) Eenmaal per jaar maakt de infrastructuurbeheerder op basis van de belangrijkste parameters die in de prestatieregeling zijn vastgesteld de gemiddelde jaarlijkse kwaliteitsprestaties bekend van de verschillende spoorwegondernemingen.

Schrappen

Motivering

De geschrapte delen van bijlage VIII zijn verplaatst naar artikel 35, lid 2.

Amendement  132

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage VIII – punt 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5. De tijdelijke vermindering van de infrastructuurrechten voor treinen die met ETCS zijn uitgerust, als bedoeld in artikel 32, lid 3, wordt als volgt berekend:

5. De tijdelijke vermindering van de infrastructuurrechten voor treinen die met ETCS zijn uitgerust, als bedoeld in artikel 32, lid 3, wordt als volgt berekend:

Voor goederentreinen:

Voor goederentreinen:

Jaar

Korting

Jaar

Korting

2015

5%

2015

20%

2016

5%

2016

20%

2017

5%

2017

20%

2018

5%

2018

15%

2019

5%

2019

10%

2020

5%

2020

8%

2021

4%

2021

6%

2022

3%

2022

4%

2023

2%

2023

3%

2024

1%

2024

3%

Voor passagierstreinen:

Voor passagierstreinen:

Jaar

Korting

Jaar

Korting

 

 

2015

10%

 

 

2016

10%

 

 

2017

10%

 

 

2018

10%

 

 

2019

10%

2020

5%

2020

8%

2021

5%

2021

6%

2022

5%

2022

5%

2023

5%

2023

4%

2024

5%

2024

2%

Amendement  133

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage X – punt 1 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c) houden een overzicht in van de kosten en individuele winstposten, zodat kan worden nagegaan of er, overeenkomstig de eisen van de toezichthoudende instantie, sprake is van kruissubsidiëring tussen de verschillende activiteiten;

c) houden een overzicht in van de kosten en individuele winstposten, zodat kan worden nagegaan of er, overeenkomstig de eisen van artikel 6, sprake is van kruissubsidiëring tussen de verschillende activiteiten die door de toezichthoudende instantie noodzakelijk en evenredig wordt geacht;

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0240.

(2)

PB C ...

(3)

PB C 104 van 2.4.2011, blz. 53.

(4)

PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(5)

              PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)

              PB L 278 van 23.12.1970, blz. 1.


TOELICHTING

1. Achtergrond

Het eerste spoorwegpakket, dat in 2001 is goedgekeurd, was de eerste ernstige poging om de gestage neergang van het vervoer per spoor te stoppen en het Europese regelgevingskader te hervormen. Het pakket was gericht op integratie en vergroting van de aantrekkelijkheid van de sector in vergelijking met andere vervoerswijzen.

Tien jaar later moet worden vastgesteld dat deze eerste hervorming de situatie van de spoorwegen niet significant heeft kunnen verbeteren: het vervoer per spoor heeft geen aansluiting bij de andere vervoerswijzen, met name het vervoer over de weg, kunnen vinden. Tussen 1996 en 2008 is het aandeel van het vrachtvervoer per spoor afgenomen met 2% tot 10,8%, terwijl dat van het vrachtvervoer over de weg is toegenomen van 42,1 tot 45,9%. Deze ontwikkeling is extra zorgwekkend tegen de achtergrond van een gestage groei van het vrachtvervoer als geheel met ongeveer 2,3% per jaar: de spoorsector heeft niet kunnen profiteren van de gunstige omstandigheden. Terwijl vrachtwagens en vliegtuigen probleemloos grenzen overschrijden, stoten transnationale spoordiensten op talrijke technische, wettelijke en politieke belemmeringen. Met name het vervoer over de weg vertoont evenwel steeds meer tekenen van oververzadiging, terwijl het vervoer per spoor nog groeipotentieel heeft. Bovendien kan het een sleutelrol spelen ter ondersteuning van de doelstellingen van de EU om de CO2-emissies te verminderen en haar economie efficiënter te laten omspringen met hulpbronnen. De Commissie kent het vervoer per spoor daarom in haar witboek van 2011 terecht een belangrijke rol toe om de doelstellingen van een duurzamer en groener vervoerssysteem voor Europa te halen.

Een van de belangrijkste redenen voor de statische situatie van de spoorwegen zijn de vele verschillen tussen de nationale regels. De regelgeving varieert meer dan gezond is voor de sector. Dit probleem wordt verergerd door de gebrekkige uitvoering van het eerste spoorwegpakket in vele lidstaten. Na de resolutie van het Parlement van 11 juni 2010 hierover heeft de Commissie 13 lidstaten voor het Europese Hof van Justitie gedaagd wegens "een verkeerde uitvoering van verschillende onderdelen van het eerste spoorwegpakket". Deze inbreukprocedures maken in elk geval duidelijk dat de wetgeving moet worden verduidelijkt en verbeterd. Een andere reden voor bezorgdheid is het gebrek aan investeringen van de lidstaten in de infrastructuur, waarvan de kwaliteit in grote mate het concurrentievermogen van de sector bepaalt. Vele lidstaten hebben de financiering van het spoor verwaarloosd en maximale ondersteuning gegeven aan de wegeninfrastructuur.

2. Opmerkingen en voorstellen van de rapporteur

Om alle bovenstaande redenen moet, om het aandeel van de spoorsector te vergroten, de wetgeving grondig worden herzien. Aangezien de tekortkomingen van het bestaande systeem zijn gebleken, moeten de regels worden aangescherpt en geharmoniseerd en moeten nieuwe elementen worden toegevoegd, om het spoor als vervoerswijze aantrekkelijker te maken zowel voor passagiers als voor vracht.

Met de herschikking moet een omvattende en geïntegreerde Europese spoorwegruimte tot stand worden gebracht. De rapporteur steunt deze doelstelling, die door het Parlement al tijdens de debatten over de vorige spoorwegpakketten is ondersteund. De huidige hervorming moet de grenzen van de nationaal gedefinieerde belangen in de spoorsector overschrijden. De tijd is nu gekomen voor de totstandbrenging van een waarlijk Europese spoorwegruimte, waar passagiers en goederen zonder moeite grenzen kunnen overschrijden.

De rapporteur wil graag een aantal amendementen voorstellen:

a) Scheiding van infrastructuurbeheer en exploitatie van vervoersvoorzieningen

Het gebrek aan onafhankelijkheid van het infrastructuurbeheer belemmert de ware transnationale integratie van de spoorwegnetten, die nog altijd worden beheerd op grond van nationale overwegingen, waarbij de belangen van de gevestigde spoorwegondernemingen vaak dominant zijn. Hierdoor wordt de aantrekkelijkheid van het spoor voor nieuwe exploitanten, nieuwe diensten en uiteindelijk klanten beperkt. Gevolg is een beperking van de mogelijkheden op het gebied van grensoverschrijdend vervoer, dat van cruciaal belang is om ervoor te zorgen dat het spoor concurrerend wordt met de weg (voor vracht) en de lucht (voor passagiers). Door de omvang van de EU-lidstaten moeten bij vele verbindingen over middellange afstand (300 km) al een of meer grenzen tussen lidstaten worden overschreden.

In het witboek van de Commissie van 2011 wordt bij de belangrijkste initiatieven gewezen op de noodzaak om "een reële en niet-discriminerende toegang tot het spoornet [te] waarborgen". De Commissie heeft zich met andere woorden vast voorgenomen om de spoorwegmarkt in de nabije toekomst verder open te stellen. Als de spoorwegmarkt wordt geliberaliseerd, is het ook essentieel dat bij de voorwaarden om op de open markt te opereren, sprake is van zo weinig mogelijk discriminatie en zo veel mogelijk transparantie. Het Parlement heeft dit erkend in zijn resolutie van juni 2010, waar het stelt dat de onafhankelijkheid van de infrastructuurbeheerders "een noodzakelijke voorwaarde is voor een eerlijke, transparante en niet-discriminerende behandeling van alle exploitanten" (paragraaf 7). Om tot dit gelijke speelveld te komen, moet een scheiding van het infrastructuurbeheer en de exploitatie van spoordiensten worden ingevoerd, zoals ook de Commissie in haar witboek erkent. De rapporteur wil dit gelijke speelveld voorbereiden vóór de spoorwegmarkt verder opgesteld wordt. Anders kan de openstelling van de markt leiden tot negatieve ontwikkelingen, waarbij sterke gevestigde spoorwegexploitanten hun al te nauwe band met het infrastructuurbeheer voort ten nadele van concurrenten kunnen blijven misbruiken.

Bij de huidige herschikking worden ook de delen van de wetgeving aangepakt waarover opnieuw zou moeten worden onderhandeld, als de ontvlechting later aan bod zou komen. Tijd en middelen kunnen worden bespaard, als het Parlement als cowetgever besluit nu op te treden en de nodige wijzigingen aan te brengen.

Om deze redenen stelt de rapporteur een vorm van volledige scheiding voor, om te komen tot een controle van de infrastructuur die onafhankelijk is van de exploitatie van spoorwegdiensten en om ervoor te zorgen dat het natuurlijke monopolie dat het net is, in het voordeel van alle exploitanten van spoorwegdiensten wordt beheerd. Zo kan de basis worden gelegd voor meer mededinging, investeringen en betere dienstverlening. Als de EU het aandeel van het vervoer per spoor wil vergroten en één Europese spoorwegruimte tot stand wil brengen, heeft zij spoorstelsels nodig die op coherente wijze zijn ontvlochten.

b) De toezichthoudende instantie

De rapporteur is voorstander van de aanpak van de Commissie om de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van de nationale toezichthoudende instanties uit te breiden en acht de intensivering van het wettelijke toezicht van vitaal belang voor de spoorwegsector: efficiënt wettelijk toezicht op nationaal en Europees niveau biedt een waarborg voor de naleving van de regels van een eerlijke, niet-discriminerende spoorwegmarkt, en is daarom een absolute voorwaarde voor de totstandbrenging van verdere integratie van nationale spoorwegmarkten.

De Europese dimensie van het wettelijke toezicht moet worden vergroot. Er worden amendementen ingediend die moeten leiden tot de totstandbrenging van een Europees netwerk van toezichthoudende instanties, dat de weg moet bereiden voor een Europese regulator.

c) Financiering van de infrastructuur en heffing van rechten

De rapporteur steunt het plan van de Commissie om van de meerjarenovereenkomst de standaardprocedure te maken om de financiering die de lidstaten aan infrastructuurbeheerders verstrekken, te formaliseren. De looptijd van deze overeenkomst moet worden verlengd van vijf tot zeven jaar, om voor een stabieler planningskader voor de sector te zorgen.

Het Parlement heeft diverse malen kritiek uitgeoefend op het uitblijven van investeringen in en financiering van de spoorwegsystemen door de lidstaten, vooral met betrekking tot het TEN-V-netwerk, hoewel in Richtlijn 2001/12 specifieke bepalingen zijn opgenomen over de financiering van infrastructuur en de schulden van spoorwegen.

Wat de modulatie van de infrastructuurheffingen op basis van het geluidsniveau van treinen betreft, is de rapporteur van mening dat de internalisering van de externe kosten tussen de verschillende vervoerswijzen moet worden gecoördineerd om eerlijke voorwaarden voor intramodale en intermodale mededinging te creëren. Zij stelt amendementen voor om deze voorwaarde kracht bij te zetten, in het bijzonder met betrekking tot het wegvervoer, en voert een bonussysteem in om de investeringsstimulans te vergroten. Daarnaast wordt een bonus-malussysteem voorgesteld om het gebruik van ETCS-uitrusting aan te moedigen, waarbij met het ETCS uitgeruste treinen een verlaging van de heffingen krijgen, die gecompenseerd wordt door hogere heffingen voor treinen zonder het ETCS. Het systeem moet voor de infrastructuurbeheerder inkomensneutraal zijn.

Een van de doelstellingen van het eerste pakket was ook de harmonisering van de heffingen, om de heffingssystemen te vereenvoudigen. Het is belangrijk overeenstemming te bereiken over gemeenschappelijke normen voor de heffingen; de details hiervan worden vooral gespecificeerd in bijlage VIII.

d) Voorwaarden voor de toegang tot diensten en dienstvoorzieningen

De Commissie stelt voor de dienstvoorzieningen juridisch en organisatorisch van dominante spoorwegondernemingen te scheiden. Gemakkelijke toegang tot dienstvoorzieningen is essentieel om nieuwkomers die hun diensten op het net aanbieden, te helpen. De rapporteur steunt de benadering van de Commissie op dit punt: de exploitanten van dienstvoorzieningen moeten klanten van alle vervoersexploitanten kunnen aantrekken.

e) Bijlagen en toepassingsgebied van de gedelegeerde handelingen

Volgens de Commissie kunnen negen van de twaalf bijlagen bij het voorstel worden gewijzigd met gedelegeerde handelingen. De rapporteur heeft begrip voor het feit dat de Commissie voldoende flexibiliteit nodig heeft om regelgeving te kunnen aanpassen aan juridische, politieke en technologische ontwikkelingen. Toch moet de richtlijn voorzien in regelgeving die een stevige basis biedt en die duidelijk aangeeft welke richting de Commissie bij haar optreden moet uitgaan. De rapporteur is van mening dat de bijlagen II tot VIII essentiële elementen van de richtlijn bevatten en daarom geheel of gedeeltelijk moeten worden gewijzigd volgens de gewone wetgevingsprocedure. Voorts moet wegens de veranderingen als gevolg van het Verdrag van Lissabon en een nieuwe interinstitutionele consensus over de precieze formulering van de bepalingen betreffende gedelegeerde handelingen een aantal technische amendementen worden ingediend. Er moeten ook aanpassingen worden aangebracht in de bepalingen betreffende de uitvoeringshandelingen: een aantal hiervan moet veeleer vallen onder de regeling voor gedelegeerde handelingen.

f) Werkomstandigheden

Om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de werkomstandigheden in de spoorwegsector een prominentere plaats in de wetgeving krijgen, heeft de rapporteur een aantal amendementen voorbereid, bijvoorbeeld om van de eerbiediging van het arbeidsrecht en de regelgeving inzake veiligheid op het werk een nog belangrijkere voorwaarde te maken voor een spoorwegonderneming die een vergunning aanvraagt. De autoriteiten worden ook verplicht volledigere gegevens over de werkgelegenheid te verzamelen. De sociale partners moeten nauwer bij de toezichtactiviteiten van de Commissie worden betrokken.

g) Veiligheid

Een aantal verschrikkelijke ongevallen heeft aangetoond dat, hoewel vervoer per spoor een zeer veilige vervoerswijze is, de veiligheidsregels zo streng mogelijk moeten zijn. Voldoening aan de vereisten op het gebied van veiligheid moet daarom een grotere rol spelen, wanneer spoorwegexploitanten een vergunning aanvragen. Er moeten gegevens over de incidenten in de lidstaten worden verzameld en deze gegevens moeten aan de Commissie worden doorgegeven.


PROCEDURE

Titel

Europese spoorwegruimte (herschikking)

Document- en procedurenummers

COM(2010)0475 – C7-0268/2010 – 2010/0253(COD)

Datum indiening bij EP

17.9.2010

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

TRAN

23.9.2010

 

 

 

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

JURI

23.9.2010

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Debora Serracchiani

27.9.2010

 

 

 

Behandeling in de commissie

25.1.2011

12.4.2011

24.5.2011

21.6.2011

 

11.7.2011

31.8.2011

10.10.2011

 

Datum goedkeuring

11.10.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Antonio Cancian, Michael Cramer, Ryszard Czarnecki, Spyros Danellis, Philippe De Backer, Luis de Grandes Pascual, Saïd El Khadraoui, Ismail Ertug, Carlo Fidanza, Knut Fleckenstein, Jacqueline Foster, Mathieu Grosch, Dieter-Lebrecht Koch, Jaromír Kohlíček, Georgios Koumoutsakos, Werner Kuhn, Marian-Jean Marinescu, Gesine Meissner, Mike Nattrass, Hubert Pirker, David-Maria Sassoli, Vilja Savisaar-Toomast, Olga Sehnalová, Debora Serracchiani, Brian Simpson, Keith Taylor, Silvia-Adriana Ţicău, Thomas Ulmer, Peter van Dalen, Dominique Vlasto, Artur Zasada, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Isabelle Durant, Michael Gahler, Dominique Riquet, Laurence J.A.J. Stassen, Ramon Tremosa i Balcells

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Jaroslav Paška, Peter Simon

Datum indiening

19.10.2011

Juridische mededeling - Privacybeleid