VERSLAG over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid

    24.11.2011 - (2011/2157(INI))

    Commissie buitenlandse zaken
    Rapporteurs: Marek Siwiec en Mário David

    Procedure : 2011/2157(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0400/2011
    Ingediende teksten :
    A7-0400/2011
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid

    (2011/2157(INI))

    Het Europees Parlement,

    –     gezien de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 25 mei 2011 over inspelen op de veranderingen in onze buurlanden (COM(2011)0303) en van 8 maart 2011 over een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied (COM(2011)0200),

    –     gezien de mededelingen van de Commissie van 11 maart 2003 met als titel "De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke buurlanden" (COM(2003)0104), van 12 mei 2004 over het Europees nabuurschapsbeleid – strategiedocument (COM(2004)0373), van 4 december 2006 betreffende de versterking van het Europees nabuurschapsbeleid (COM(2006)0726), van 5 december 2007 over een sterk Europees nabuurschapsbeleid (COM(2007)0774), van 3 december 2008 over het Oostelijk Partnerschap (COM(2008)0823), van 20 mei 2008 met als titel "Het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse Zeegebied" (COM(2008)0319), van 12 mei 2010 met als titel "Het Europees nabuurschapsbeleid: een balans" (COM(2010)0207) en van 24 mei 2011 over een dialoog over migratie, mobiliteit en veiligheid met de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied (COM(2011)0292),

    –     gezien de ontwikkeling van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) sinds 2004, en met name de voortgangsverslagen van de Commissie over de tenuitvoerlegging daarvan,

    –     gezien de actieplannen die gezamenlijk zijn aangenomen met Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse Autoriteit en Tunesië, alsmede met Armenië, Azerbeidzjan, Georgië en Moldavië, en de Associatieagenda EU-Oekraïne,

    –     gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over het ENB van 26 juli 2010 en 20 juni 2011 en de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken/Handel van 26 september 2011,

    –     gezien de conclusies van de ministers van Buitenlandse Zaken over het Oostelijk Partnerschap op hun vergadering van 13 december 2010,

    –     gezien de gezamenlijke verklaringen van de topontmoeting van het Oostelijk Partnerschap op 7 mei 2009 in Praag en de topontmoeting van het Oostelijk Partnerschap op 29 en 30 september 2011 in Warschau,

    –     gezien de verklaring van Barcelona, aangenomen op de Euromediterrane conferentie van ministers van Buitenlandse Zaken van 27 en 28 november 1995 in Barcelona, waarbij een Euromediterraan partnerschap werd ingesteld,

    –     gezien de goedkeuring van "Het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse Zeegebied" door de Europese Raad van 13 en 14 maart 2008,

    –     gezien de verklaring van de top van Parijs voor het Middellandse Zeegebied op 13 juli 2008,

    –     gezien de conclusies van de Associatieraad EU-Marokko van 13 oktober 2008, waarin Marokko een geavanceerde positie krijgt toegekend,

    –     gezien de conclusies van de Associatieraad EU-Jordanië van 26 oktober 2010, waarin Jordanië een geavanceerde positie krijgt toegekend,

    –     gezien Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI)[1],

    –     gezien zijn schriftelijke verklaring nr. 15/2011 van 27 september 2011 over het opzetten van Euromediterrane Erasmus- en Leonardo da Vinci-programma's,

    –     gezien speciaal verslag nr. 13/2010 van de Europese Rekenkamer, getiteld "Is het nieuwe Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument met succes van start gegaan en levert het resultaten op in de Zuid-Kaukasus (Armenië, Azerbeidzjan en Georgië)?",

    –     gezien Besluit 2011/424/GBVB van de Raad van 18 juli 2011 tot aanstelling van een speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied[2] en Besluit 2011/518/GBVB van de Raad van 25 augustus 2011 houdende benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië[3],

    –     gezien zijn eerdere resoluties over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid – de oostelijke dimensie, en over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid – de zuidelijke dimensie van 7 april 2011 (B7‑0198/2011 en B7‑0199/2011),

    –     gezien zijn eerdere resoluties van 19 januari 2006 over het Europees nabuurschapsbeleid (ENB)[4], van 15 november 2007 over de versterking van het Europees nabuurschapsbeleid[5], van 6 juli 2006 over het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument[6], van 5 juni 2008 over het jaarlijkse verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)[7], van 19 februari 2009 over de kritische evaluatie van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument[8], van 19 februari 2009 met als titel "Het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse Zeegebied[9], van 17 januari 2008 over een regionale beleidsaanpak voor het Zwarte-Zeegebied[10], van 20 januari 2011 over een EU-strategie voor het Zwarte-Zeegebied[11], van 20 mei 2010 over de Unie voor het Middellandse Zeegebied[12], van 20 mei 2010 inzake de noodzaak van een EU-strategie voor de zuidelijke Kaukasus[13], van 9 september 2010 over de toestand van de Jordaan, in het bijzonder de benedenloop[14], van 3 februari 2011 over de situatie in Tunesië[15], van 17 februari 2011 over de situatie in Egypte[16], van 10 maart 2011 over de zuidelijke nabuurschapslanden, in het bijzonder Libië, en onder meer de humanitaire aspecten[17], en van 7 juli 2011 over de toestand in Syrië, Jemen en Bahrein in de context van de gebeurtenissen in de Arabische wereld en Noord-Afrika, van 15 september 2011 en van 20 januari 2011 over de toestand in Belarus en al zijn eerdere resoluties over Belarus, en van 15 september 2011 over enerzijds de situatie in Libië[18] en anderzijds de situatie in Syrië[19],

    –     gezien de aanbevelingen die door de commissies van de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied zijn aangenomen tijdens de zevende plenaire zitting in Rome van 3 en 4 maart 2011,

    –     gezien het instellingsbesluit van de Parlementaire Vergadering voor het Oostelijk Nabuurschap (Euronest) van 3 mei 2011,

    –     gezien de conclusies van de oprichtingsvergadering van de Euromediterrane vergadering van lokale en regionale overheden (ARLEM) die op 21 januari 2010 in Barcelona gehouden werd,

    –     gezien zijn resolutie over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU (2010/2161(INI))[20],

    –     gezien de Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering (COM(2007)0242),

    –     gezien de artikelen 8 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

    –     gezien artikel 48 van zijn Reglement,

    –     gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A7‑0400/2011),

    A.   overwegende dat de eerbiediging en de bevordering van democratie en mensenrechten, en specifiek de rechten van vrouwen, kinderen en minderheden, de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrije meningsuiting, de vrijheid van geweten, godsdienst en geloof, de vrijheid van seksuele geaardheid, de vrijheid van vereniging en mediavrijheid, met inbegrip van de onbeperkte toegang tot informatie, communicatie en internet, de versterking van het maatschappelijk middenveld, de veiligheid, met inbegrip van vreedzame oplossing van conflicten en goede betrekkingen met de buurlanden, democratische stabiliteit en welvaart, een eerlijke verdeling van inkomen, rijkdom en kansen in de samenleving, sociale samenhang, de bestrijding van corruptie en de bevordering van goed bestuur en duurzame ontwikkeling, fundamentele beginselen en doelstellingen van de EU zijn, die moeten gelden als gemeenschappelijke waarden die centraal staan bij de herziening van het ENB;

    B.   overwegende dat het in het grootste belang van de EU is om ambitieus te zijn in haar economische samenwerking en een verantwoorde en flexibele strategie te hanteren die voor beide partijen winst oplevert en haar grondslag vindt in de steun aan democratische overgangsprocessen en de bescherming van de mensenrechten, waarbij geleerd wordt van de fouten en mislukkingen van het beleid van de EU en de lidstaten, in het bijzonder wat betreft de gemakzuchtige opstelling ten opzichte van de autoritaire regimes van de zuidelijke buurlanden, waaruit de les getrokken kon worden dat het totale ENB van de EU gebaseerd moet zijn op waarden;

    C.   overwegende dat de betrekkingen met de bovengenoemde landen in dit nieuwe kader een nieuwe impuls moeten krijgen met het oog op een samenwerking waarbij democratie en welvaart aan beide zijden van de Middellandse Zee vooropgesteld worden, en niet enkel veiligheid en het beheersen van de migratiestromen;

    D.   overwegende dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied ontstaan is met de ambitieuze doelstelling als permanent instrument te dienen om de betrekkingen met de buurlanden rond de Middellandse Zee te intensiveren, ter vervanging van het voormalige proces van Barcelona, met de bedoeling om dat proces te versterken en meer zichtbaarheid te geven;

    E.   overwegende dat de samenwerking in het kader van de parlementaire vergadering van EURONEST erop gericht is positieve gevolgen voort te brengen door te fungeren als platform voor het uitwisselen van visies, het bepalen van gemeenschappelijke standpunten over mondiale uitdagingen in onze tijd ten aanzien van democratie, politiek, economie, energiezekerheid en sociale zaken, en het versterken van de banden tussen de landen in de regio en met de EU;

    F.   overwegende dat in artikel 49 van het VWEU is opgenomen dat elke Europese staat die de waarden eerbiedigt waarop de EU gebaseerd is, namelijk democratie, de rechtsstaat, respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden en zich ertoe verbindt deze uit te dragen, kan verzoeken lid te worden van de Unie;

    G.   overwegende dat betere betrekkingen een heldere en bewezen betrokkenheid ten aanzien van hervorming vereisen, met als doel tastbare vooruitgang te boeken bij het verwezenlijken van vooraf gedefinieerde benchmarks,

    H.   overwegende dat de EU zichzelf moet voorzien van flexibele en voldoende gefinancierde instrumenten om aan haar ambities te kunnen voldoen en te kunnen inspelen op gebeurtenissen in de regio, waarbij zij bij voorkeur optimaal gebruik moet maken van de bestaande financiële instrumenten;

    I.    overwegende dat de gevolgen van de economische en financiële crisis boven op de bestaande politieke en sociale uitdagingen in de partnerlanden zijn gekomen, met name met betrekking tot het probleem van werkloosheid; overwegende dat het in het gemeenschappelijk belang van deze landen en de EU is om de werkloosheidscijfers in de regio te verlagen en de bevolking, met name vrouwen, jongeren en de plattelandsbevolking, hoop voor de toekomst te bieden;

    J.    overwegende dat het Europees Parlement via schriftelijke verklaring nr. 15/2011 van 27 september 2011 zijn steun heeft toegezegd aan het opzetten van Euromediterrane Erasmus- en Leonardo da Vinci-programma's;

    1.    is verheugd over de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met als titels "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden" en "Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied" en de daarin verwoorde benadering, in het bijzonder ten aanzien van de beginselen van wederzijdse verantwoordingsplicht en een gemeenschappelijke inzet voor de universele waarden van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, alsmede ten aanzien van conditionaliteit en een toegespitste benadering voor de partnerlanden, de bevordering van multilaterale en subregionale samenwerking, en het beginsel van het verder betrekken van de samenlevingen binnen het ENB;

    2.    erkent de Europese aspiraties en de Europese keuze voor bepaalde partners en hun inzet voor het opbouwen van echte en duurzame democratie en benadrukt de noodzaak van het tot stand brengen van nieuwe en onderscheidende betrekkingen tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap, waardoor hun inspanningen voor het bestendigen van duurzame democratieën en markteconomieën ondersteund worden;

    3.    dringt er echter op aan dat tastbare en geloofwaardige stimuleringsmaatregelen geboden moeten worden aan de buurlanden om hen te betrekken bij het gemeenschappelijke doel van het opbouwen van echte democratie en dat bij differentiatie op basis van de politieke, economische en sociale realiteit, de prestaties en de resultaten van ieder land wordt uitgegaan van helder gedefinieerde criteria en van meetbare en aan regelmatig toezicht onderworpen benchmarks voor ieder individueel partnerland; verzoekt de Commissie en de EDEO in dit opzicht de benchmarks in overweging te nemen die in de gezamenlijke mededeling zijn vastgesteld als te realiseren doelstellingen en dat, voor het beoordelen van de gemaakte vorderingen, deze doelstellingen specifiekere, beter meetbare en beter realiseerbare en meer tijdsgebonden benchmarks vereisen, waarbij het uitgangspunt voor het zuidelijke en het oostelijke nabuurschap verschillend is; is van mening dat er voor een resultaatgericht beleid een duidelijkere benchmarkmethodiek nodig is en benadrukt in dit verband het belang van het opzetten van de juiste vervolgmechanismen voor het beoordelen van de vorderingen van ENB-landen; onderstreept dat deze benadering haar weerslag moet vinden in de structuur van de ENB-actieplannen en in de desbetreffende jaarlijkse voortgangsverslagen;

    4.    is van oordeel dat de herziening van het Europees Nabuurschapsbeleid de EU de gelegenheid biedt haar in de artikelen 2, 3, 6, 8 en 21 van het VEU genoemde doelstellingen en waarden daadwerkelijk te realiseren respectievelijk in ere te houden;

    5.    onderstreept dat het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking weliswaar in de lijn ligt van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie en dus in casu van het Europees nabuurschapsbeleid, maar dat de Unie krachtens artikel 208, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de EU de constitutionele verplichting heeft om bij de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen die gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkelingslanden rekening te houden met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking; spoort derhalve de Commissie en de EDEO ertoe aan deze doelstellingen, met name het terugdringen en op termijn uitroeien van de armoede, altijd voor ogen te houden bij de tenuitvoerlegging van het Europees nabuurschapsbeleid, zowel in de partnerlanden van het oosterse nabuurschap als in die van het zuidelijke nabuurschap;

    6.    steunt de inbedding in het ENB van wat vroeger losse onderdelen van het buitenlands en het ontwikkelingsbeleid waren; wil komen tot een versterkt geheel van institutionele regelingen dat stabiel en kosteneffectief is en resoluut streeft naar meer economische integratie, politieke samenwerking tussen alle betrokkenen en de harmonisering van de waarden van de buurlanden met die van de Europese Unie in alle internationale fora, in het bijzonder binnen de Verenigde Naties;

    Duurzame democratie en partnerschap met samenlevingen

    7.    benadrukt dat het ENB, al wil de EU geen model of kant-en-klaar plan voor politieke hervormingen opleggen, uitgaat van gedeelde waarden, gemeenschappelijke eigendom, wederzijdse verantwoordingsplicht en respect en een gehechtheid aan democratie, eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, strijd tegen corruptie, markteconomie en goed bestuur;

    8.    benadrukt het belang van actieve en zelfstandige organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de sociale partners, voor de democratie; benadrukt het belang van dialoog met en adequate financiering vanuit het Europees Nabuurschapsinstrument voor de organisaties uit het maatschappelijk middenveld; benadrukt dat het partnerschap tussen de EU en de ENB-landen en het respectieve maatschappelijk middenveld versterkt moet worden om bij te dragen tot het opbouwen van functionerende democratieën, en om hervormingen en duurzame economische groei te bevorderen; benadrukt dat deze partnerschappen met het maatschappelijk middenveld inclusief moeten zijn, waarbij met name vertegenwoordigers van vrouwenorganisaties en minderheidsgroepen hierin begrepen moeten worden; dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan parlementen, lokale en regionale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld te ondersteunen bij hun pogingen de juiste rol te spelen bij het definiëren van ENB-strategieën, het ter verantwoording roepen van regeringen, het uitoefenen van toezicht op en beoordelen van prestaties uit het verleden en gerealiseerde resultaten;

    9.    onderstreept het belang van het opbouwen van partnerschappen met het maatschappelijk middenveld als middel om veranderingen en democratisering te bevorderen; neemt in deze context kennis van de toewijzing van 22 miljoen euro aan de Faciliteit voor het maatschappelijk middenveld (CSF) voor de periode 2011-2013 en ziet ernaar uit dat de faciliteit in de volgende meerjarige financiële vooruitzichten substantiëler gefinancierd zal worden; roept de EDEO en de Commissie ertoe op een betere uitleg te geven van het toepassingsgebied en de doelstellingen van een eventuele CSF en verzoekt om meer duidelijkheid over de CSF in de zin van complementariteiten met het EIDHR en het ENPI; wijst erop dat er ook instrumenten aangewezen moeten worden om religieuze en etnische minderheden in de gebieden waarvoor het initiatief geldt concreet te ondersteunen; beveelt aan deze faciliteit te gebruiken voor het verbeteren van de werkzaamheden van het Forum van het maatschappelijk middenveld binnen het Oostelijk Partnerschap en eventueel ook voor de zuidelijke partners een dergelijk forum op te bouwen;

    10.  verwelkomt het voorstel voor een European Endowment for Democracy (EED), dat een tijdig antwoord is op de roep om democratie onder de bevolkingen van onze buurlanden; benadrukt dat het een soepel, snel en doeltreffend steunmechanisme moet zijn en een aanvulling moet vormen op de reeds bestaande EU-instrumenten en het voorbeeldige werk van de gevestigde Europese politieke of niet-politieke instellingen en het maatschappelijk middenveld, waarbij met name tastbare resultaten een doelstelling van dit initiatief moeten zijn; dringt erop aan dat dit fonds niet in de weg staat aan of overlap oplevert met het werk dat reeds wordt verricht door deze instellingen of in het kader van bestaande Europese programma's, zoals het Europees instrument voor democratie en mensenrechten; beklemtoont dat het toepassingsbereik en de organisatorische structuur helder moeten worden gedefinieerd en dat de structuren en procedures eenvoudig en rechtlijnig moeten zijn; dringt er bij de EDEO, de Commissie en het Poolse Voorzitterschap op aan de taken van een toekomstige EED duidelijk te omlijnen met betrekking tot deze instrumenten en kaders; dringt erop aan dat het Europees Parlement recht op toezicht krijgt op en betrokken wordt bij de bestuursstructuur, om te helpen de jaarlijkse doelstellingen, prioriteiten, verwachte resultaten en financiële toewijzingen in brede zin te helpen vaststellen en deel te nemen aan het toezicht op de activiteiten; is enigszins bezorgd over het feit dat dit toekomstige fonds geheel of gedeeltelijk buiten de EU-begroting om zou kunnen worden gefinancierd en herbevestigt dat de begrotingsautoriteit het recht heeft om nauwgezet toezicht te houden op het gebruik van dit fonds; vraagt daarom dat de Commissie en de Raad deze kwestie ophelderen.

    11.  roept de EDEO en de Commissie op om alle politieke hervormingen te blijven stimuleren, rekening houdend met de behoeften en het economische en sociale ontwikkelingspeil van elk partnerland, op grond van een op prestaties gebaseerde methode van "meer voor meer"; roept de EDEO en de Commissie op om te zorgen voor een heldere en passende methodiek en gedetailleerde benchmarks om de staat van dienst van de ENB-landen met betrekking tot respect voor en het bevorderen van democratie en mensenrechten (waaronder met name begrepen de vrijheid van geweten en godsdienst, de vrijheid van vereniging en mediavrijheid) te meten, en om periodiek voldoende gedetailleerde verslagen op te stellen, die de basis moeten vormen van het toekennen van fondsen op grond van een op prestaties gebaseerde methode van "meer voor meer"; vraagt of deze beoordelingen kunnen worden opgenomen in de voortgangsverslagen over het ENB en jaarlijks kunnen worden voorgelegd aan de Commissie buitenlandse zaken; hecht zeer aan het belang om bij alle fasen van het beoordelingsproces stelselmatig organisaties uit het maatschappelijk middenveld te betrekken; is van mening dat deze op prestaties gebaseerde benadering ook "minder voor minder" betekent en herhaalt zijn oproep voor doeltreffende tenuitvoerlegging van de clausule over mensenrechten en democratie in EU-overeenkomsten met derde landen;

    12.  vraagt de EDEO en de Commissie meer informatie te verstrekken over de manier waarop het beginsel van wederzijdse verantwoordingsplicht wordt ingevoerd;

    13.  is van oordeel dat mensenrechtensituaties voortdurend moeten worden bijgehouden – vooral met betrekking tot de rechten van kinderen, vrouwen en minderheden – en dat voortdurend mensenrechtendialogen moeten worden gehouden met alle partnerlanden, en dat een jaarlijkse beoordeling van de situatie evenals de resultaten van de dialogen moeten worden opgenomen in de bijlage bij het jaarlijkse voortgangsverslag van elk partnerland, waarbij een duidelijk mechanisme in het leven wordt geroepen om de bilaterale samenwerking te heroverwegen of progressief te beperken indien blijkt dat de mensenrechten worden geschonden; benadrukt dat de benadering tegenover diverse partnerlanden ten aanzien van de mensenrechtensituatie geloofwaardig moet zijn;

    14.  roept de EU en haar lidstaten ertoe op hun samenwerking binnen het ENB te richten op het samenbrengen van democratische actoren in de EU zoals vakbonden, NGO's, relevante organisaties van werkgevers, landbouwers, vrouwen, deelnemers aan de religieuze dialoog, consumenten, jeugd, journalisten, leerkrachten, lokale overheidsinstanties, universiteiten, studenten, betrokkenen bij de klimaatverandering en hun opkomende tegenhangers in ENB-landen;

    15.  benadrukt dat vrijheid van meningsuiting en onafhankelijke, pluralistische media de hoekstenen vormen van een solide en een duurzame democratie en van gemeenschappelijke waarden; benadrukt het belang van onafhankelijke en duurzame publieke mediadiensten, die rekenschap afleggen, voor het leveren van hoogwaardige, pluralistische en diverse content en herinnert eraan dat vrije en onafhankelijke publieke media altijd een cruciale rol spelen voor het versterken van democratie, voor het zo sterk mogelijk betrekken van het maatschappelijk middenveld bij overheidszaken en om burgers meer macht te geven op het pad naar de democratie;

    16.  maakt zich sterk voor en roept op tot het bevorderen van een vrije informatiestroom, het waarborgen van omstandigheden waarin journalisten effectief en in alle vrijheid kunnen werken zonder politieke, economische of andere druk, en het aanleggen van infrastructuur die de ontwikkeling van moderne elektronische technologie mogelijk maakt; is verheugd over de verklaring van de VN van 6 juni 2011 over de toegang tot het internet als mensenrecht; dringt er in dit opzicht bij de EDEO en de Commissie op aan speciale instrumenten te ontwikkelen voor het bijstaan van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en individuele personen in de ENB-landen om ongehinderd toegang te hebben tot het internet en tot andere vormen van elektronische communicatietechnologieën;

    17.  benadrukt dat in de huidige processen van democratische overgang in de landen waar de Arabische lente heeft plaatsgevonden, de deelneming van vrouwen, jongeren en het maatschappelijk middenveld, en de werking van vrije en onafhankelijke media van cruciaal belang zullen zijn en dringt er bij de EU op aan de steun te verhogen voor het opleiden en organiseren van die belanghebbenden, onder andere door hen uit te nodigen verkiezingen en de werking van democratische instellingen binnen de EU te komen waarnemen;

    18.  geeft steun aan de gedachte om de volledige en daadwerkelijke eerbiediging van het recht op vrijheid van godsdienst (op individueel, collectief, publiek, privaat en institutioneel vlak) als prioriteit aan te merken, met name voor alle religieuze minderheden die in de regio wonen, en steunt de daaruit voortvloeiende noodzaak om deze groepen concreet te ondersteunen;

    19.  benadrukt met name het belang van het bevorderen van de rechten van het kind en het zeker stellen van kinderbescherming zoals is vastgelegd in het Verdrag van Lissabon;

    20.  dringt aan op het ondersteunen van de ontwikkeling van democratisch georiënteerde politieke partijen in die buurlanden die nog altijd naar democratie streven en op het opzetten van NGO's en van organisaties uit het maatschappelijk middenveld;

    21.  benadrukt het belang dat vrouwen goed vertegenwoordigd zijn in het parlement, in ministeries, in hoge posities in de regering, op besluitvormingsposities in het openbaar en lokaal bestuur en in het management van publieke bedrijven; moedigt de ENB-partnerlanden ertoe aan beleidsmaatregelen voor gendergelijkheid vast te stellen en te mainstreamen en actieplannen voor gendergelijkheid vast te stellen;

    22.  is verheugd over het werk van de EU-adviesgroep op hoog niveau voor de Republiek Armenië en de start van een soortgelijke groep voor Moldavië; moedigt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan om de nodige assistentie aan alle oostelijke partners te bieden om zeker te stellen, zoals ook met Armenië het geval is, dat de parlementaire dimensie wordt afgedekt; verzoekt om de aanpassing van dit EU-instrument en doet de aanbeveling dat de EDEO direct verantwoordelijk is voor het werven en managen van adviseurs teneinde de meest adequate overdracht van EU-kennis op de landen van het Oostelijk Partnerschap zeker te stellen;

    23.  roept de Commissie ertoe op de zichtbaarheid van de projecten ten aanzien van het Oostelijk Partnerschap en van de Unie voor het Middellandse Zeegebied in de partnerlanden te vergroten en deze begrijpelijker te maken voor de burgers van die landen zodat de meerwaarde van samenwerking met de EU wordt aangetoond;

    24.  herinnert eraan dat de EU haar betrekkingen met de buurlanden moet laten afhangen van hun democratische vooruitgang en respect voor mensenrechten; verzoekt de internationale gemeenschap derhalve haar financiële steun evenals die van de internationale financiële instellingen waarbij haar leden zijn aangesloten aan het regime in Belarus te bevriezen totdat alle vastgehouden en aangehouden oppositieleiders, journalisten, presidentskandidaten en hun medestanders zijn vrijgelaten, de aanklachten tegen hen zijn ingetrokken en zij gerehabiliteerd zijn;

    25.  onderschrijft de huidige officiële benadering van de EU om sancties op te leggen aan de autoriteiten van Belarus en tegelijkertijd te streven naar sterkere banden met het maatschappelijk middenveld en de mensen in Belarus; dringt er in dit opzicht bij de Europese Unie op aan zich te heroriënteren richting het maatschappelijk middenveld en de hulp aan Belarus op te voeren met het oog op de behoeften van de bevolking, de versterking van de financiële en technische ondersteuning aan de democratische oppositie, mensenrechtenverdedigers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld waaronder niet-geregistreerde organisaties, evenals aan studenten en vrije media;

    Duurzame economische en sociale ontwikkeling

    26.  benadrukt dat duurzame democratie, functionerende en niet-bureaucratische instellingen, de rechtstaat en hoogwaardig onderwijs niet alleen de politieke stabiliteit, het sociale welzijn en cohesie bevorderen, maar ook de economische groei stimuleren door de bedrijfsomgeving te verbeteren en investeringen aan te trekken, waardoor nieuwe kmo's kunnen ontstaan en handel, groene economie en toerisme worden bevorderd, hetgeen allemaal weer leidt tot nieuwe banen en nieuwe mogelijkheden; herinnert aan de behoefte om een gunstig kader te creëren voor investeringen, waarin stabiliteit, rechtszekerheid en de strijd tegen corruptie een belangrijke rol spelen; roept de Europese Unie in dat verband op om bij de begeleiding van democratische overgangsprocessen structurele economische, sociale en juridische hervormingen te stimuleren en wijst daarmee uitdrukkelijk op het feit dat democratische en sociaaleconomische ontwikkeling nauw met elkaar samenhangen; is verheugd over de vlaggenschipinitiatieven van de Commissie inzake kmo's en inzake regionale energiemarkten en efficiënt energiegebruik; is van mening dat deze pogingen hun weerslag moeten vinden in het meerjarig financieel kader;

    27.  benadrukt dat directe maatregelen, zoals cofinanciering van reeds aangewezen vlaggenschip- en proefprojecten of overige concrete economische projecten van strategisch belang die in de praktijk snel en met onomstotelijke tastbare resultaten kunnen worden uitgevoerd, terstond moeten worden genomen ter verlichting van de situatie van landen die momenteel te kampen hebben met een hevige sociaaleconomische crisis, met name wat betreft partnerlanden waar de overgang naar een democratie de economische moeilijkheden verergert; onderstreept dat dergelijke door de EU gefinancierde maatregelen uitsluitend mogen worden genomen op voorwaarde dat alle betrokken partijen zich in ieder concreet geval verplichten tot een controleerbare naleving van internationaal en in de EU geldende sociale, ecologische en arbeidsrechtelijke normen, en dat deze maatregelen gericht zijn op een directe verbetering van de sociale situatie van de burgers in de ENB-landen;

    28.  is voorstander van bevordering van subregionale samenwerking en grensoverschrijdende projecten en onderstreept het belang van de ontwikkeling van bilaterale en multilaterale complementaire economische samenwerking tussen de partners, hetgeen tastbare voordelen kan opleveren voor de burgers en het politieke klimaat in de regio kan verbeteren; benadrukt dat deze subregionale economische samenwerking in een breder integratieproject moet passen dat de ontwikkeling bevordert van subregionale projecten op het gebied van mobiliteit, sociale en milieubescherming, cultuur en onderwijs; benadrukt in het bijzonder dat het belangrijk is om de ontwikkeling van zuid-zuid- en oost-oosthandel en de economische integratie tussen de betrokken landen; is van mening dat verbeteringen in dergelijke samenwerking tussen de partners een signaal van betrokkenheid zouden zijn ten aanzien van de Europese waarden van goede betrekkingen tussen buurlanden en wederzijds nuttige partnerschappen;

    29.  vraagt de Commissie met klem steun te geven voor het opbouwen van administratieve structuren op de gebieden werkgelegenheid en sociale zaken, met bijzondere aandacht voor het opbouwen van capaciteit op het gebied van juridische diensten, die hervormingen voorbereiden en ten uitvoer leggen;

    30.  benadrukt het belang van vakbonden en sociale dialoog in het kader van de democratische ontwikkeling van de partnerlanden van het ENB; moedigt hen aan de arbeids- en vakbondsrechten te versterken; wijst op de belangrijke rol die sociale dialoog kan spelen met het oog op de sociaaleconomische uitdagingen in de regio's;

    31.  herinnert eraan dat het noodzakelijk is ervoor te zorgen dat de nationale minimumlonen werknemers en hun families een adequate levensstandaard bieden, en dat inhoudingen op lonen werknemers en diegenen die van hen afhankelijk zijn niet van hun middelen van bestaan beroven;

    32.  is van oordeel dat opzeggingstermijnen van arbeidscontracten voldoende lang moeten zijn, en dat rekening moet worden gehouden met het aantal dienstjaren van de betrokken werknemer;

    33.  wijst erop dat de Unie bijzonder belang moet toekennen aan een gedecentraliseerde samenwerking op lokaal niveau, die bestaat uit kleine projecten die de levenskwaliteit van de burgers in de buurlanden op een rechtstreekse en tastbare manier verbeteren, om zo de democratische vooruitgang in al die landen te consolideren;

    34.  verzoekt de Commissie de "Poverty Reduction Strategy Papers" te aanvaarden als hét richtinggevende beleidskader voor de middellange termijn voor economische groei en een billijke verdeling van de welvaart, in overeenstemming met de behoeften van de desbetreffende landen;

    Associatieovereenkomsten

    35.  benadrukt de mogelijkheid die onderhandelingen over associatieovereenkomsten bieden om hervormingen een impuls te geven; wijst erop dat alle componenten moeten worden gekoppeld, wil de EU haar betrekkingen op een uitgebreide en coherente manier kunnen verdiepen; gelooft dat deze daarom concrete voorwaarden, tijdsschema's en prestatiebenchmarks moeten bevatten, die regelmatig tegen het licht worden gehouden; benadrukt de noodzaak in deze overeenkomsten echte en tastbare stimulansen voor de partners op te nemen om het hervormingspad aantrekkelijker te maken;

    36.  stelt dat er differentiatie moet worden toegepast op de handel in goederen en diensten, roept de partnerlanden van het ENB op verder te gaan met het creëren van voorwaarden die de vestiging van diepe en brede vrijhandelsruimten mogelijk maken, en roept de EU op deze landen bij hun hervormingsinspanningen bij te staan haar interne markt dienovereenkomstig te openen, mits de veiligheids- en kwaliteitsvoorschriften naar Europees model worden geharmoniseerd, en samen met hen een proces op gang te brengen voor de geleidelijke en evenwichtige openstelling van de markt die beide partijen ten goede zal komen; benadrukt dat de EU in het licht van hun deelname aan toekomstige vrijhandelsruimten van elk land ook de politieke, sociale en ecologische omstandigheden moet beoordelen, en uiteindelijk geleidelijke stappen moet definiëren voor de tenuitvoerlegging van de vrijhandelsruimte en ervoor moet zorgen dat toezicht wordt uitgeoefend op internationale overeenkomsten over arbeidsrecht en kinderarbeid; benadrukt dat de handelsrelaties, met name in het kader van de diepe en brede vrijhandelsruimten, door hun vereisten, in het kader van het conditionaliteitsbeginsel gezien moeten worden als middel om de betrokkenheid van de ENB-landen ten aanzien van democratische waarden te verbeteren; ondersteunt parallel daaraan het volledig lidmaatschap van de WTO voor alle landen van het Oostelijk Partnerschap;

    37.  wijst erop dat een Europees perspectief, met inbegrip van artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de lidmaatschapsaspiraties van de landen van het Oostelijk Partnerschap krachtens artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, een drijvende kracht kan zijn voor hervormingen in deze landen en hun betrokkenheid ten aanzien van gedeelde waarden en grondslagen zoals democratie, de rechtsstaat, respect voor mensenrechten en goed bestuur kan versterken; gelooft dat het sluiten van associatieovereenkomsten een belangrijke stap voorwaarts kan zijn naar verdere politieke betrokkenheid en nauwere banden met Europa door de uitwisseling van goede praktijken en geconsolideerde politieke en economische dialoog;

    38.  bevestigt dat het doel voor het partnerschap met het zuidelijke nabuurschap erin bestaat de twee oevers van de Middellandse Zee dichter bij elkaar te brengen om een ruimte te creëren van vrede, democratie, veiligheid en welvaart voor de 800 miljoen inwoners en om de Europese Unie en haar partners een doeltreffend bilateraal en multilateraal kader te bieden om de democratische, sociale en economische uitdagingen aan te gaan, regionale integratie te bevorderen, in het bijzonder handelsintegratie, en een ontwikkeling te waarborgen waar iedereen wel bij vaart en om de partners bij te staan bij het opbouwen van democratische, pluralistische en seculiere staten, namelijk via programma's voor het opbouwen van institutionele capaciteit, evenals wederzijds nuttige, evenwichtige en ambitieuze overeenkomsten inzake handel in goederen en diensten, voorafgegaan door relevante effectbeoordelingen te ontwikkelen, die kunnen leiden tot diepe en brede vrijhandelsruimten, hetgeen zeker een eerste stap zal betekenen voor de vorming van een grote Euromediterrane economische ruimte en tevens kan bijdragen aan het afzwakken van de economische problemen van onze zuidelijke buurlanden en de zuid-zuidintegratie zal vergemakkelijken; verzoekt de Commissie en de Raad om de uitvoering te stimuleren van de zes maatregelenpakketten die vervat zijn in het document van de Commissie van 30 maart 2011 over de opvolging van initiatieven op het gebied van handel en investeringen ten behoeve van de partners ten zuiden van de Middellandse Zee;

    39.  wenst dat er objectieve en bindende criteria worden gedefinieerd voor de toekenning van de "geavanceerde status"-regeling; benadrukt dat we moeten verduidelijken wat de uit deze bilaterale overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten zijn voor de partnerlanden en voor de Europese Unie;

    40.  benadrukt dat de contractuele betrekkingen met alle landen van het ENB bepalingen behelzen met betrekking tot een regelmatig overleg om de mensenrechtenkwesties aan te kaarten, in de vorm van een subcommissie voor mensenrechten; verzoekt de EDEO deze bepalingen optimaal te benutten en de bestaande subcommissies bij alle onderhandelingen te betrekken;

    Sectorale samenwerking

    41.  benadrukt dat de EU de synergie tussen het buitenlandse en het binnenlandse beleid van de EU moet bevorderen, met name door harmonisatie van wetgeving die gericht is op het creëren van banen, armoedebestrijding, de modernisering van het werkgelegenheidsbeleid, energiezekerheid en -efficiëntie, de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en een duurzaam milieubeleid, betere sociale bescherming, het scheppen van welvaart en rechtvaardigheid en vereenvoudiging van de handel op basis van het differentiatiebeginsel;

    42.  is van mening dat het delen van een gemeenschappelijke ruimte een eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheden inhoudt en roept op tot betere samenwerking, in het bijzonder op het gebied van beleidsmaatregelen en problemen met een grensoverschrijdende dimensie; roept in dat verband op om de regionale en grensoverschrijdende dimensies van sectorale samenwerking aan te scherpen;

    43.  verwelkomt de toegenomen interactie van partnerlanden in EU-agentschappen op diverse gebieden; vraagt de Commissie een duidelijke en volledige lijst voor te leggen van relevante agentschappen en van programma's waaraan buurlanden zouden kunnen deelnemen, samen met een overzicht van de vorm, financiële bijdrage en methode van deze gedifferentieerde deelname;

    44.  steunt verdere samenwerking op terreinen als industrie, kmo's, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, ICT met inbegrip van de veiligheid van IT-systemen, ruimtevaart en toerisme, en wijst op de voordelen van initiatieven waarin de EU en haar buurlanden onderzoek gezamenlijk plannen; is verheugd over de voorstellen van de Commissie voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kennis- en innovatieruimte en een op ICT gebaseerde digitale economie, en verzoekt de lidstaten en buurlanden te bevestigen dat zij zich ervoor willen inzetten in die richting vooruitgang te boeken; wijst opnieuw op het belang van doeltreffende mechanismen om de handel en investeringen tussen de EU en haar buurlanden te faciliteren, teneinde handelspartnerschappen te versterken en de marktdeelnemers, met name kmo's, toegang te geven tot adequate, betrouwbare informatie over de handels- en investeringsvoorwaarden in partnerlanden;

    45.  is verheugd dat in het kader van het ENB de samenwerking op energiegebied wordt versterkt; onderstreept dat het van belang is de ervaringen in de EU met de hervormingen van de energiesector te delen met de buurlanden; acht het noodzakelijk de energie-efficiëntie en de bevordering van duurzame energie kracht bij te zetten; dringt aan op het veiligstellen van de energievoorziening door middel van diversifiëring van de energiebronnen en vraagbeheer, intensievere betrekkingen met de belangrijkste leveranciers en doorvoerlanden, alsook de coördinatie op het gebied van de nucleaire veiligheid, met name in gebieden met veel seismische activiteit, in combinatie met een grotere transparantie om ervoor te zorgen dat de volledige naleving van milieuconvenanten en internationale verdragen inzake de nucleaire veiligheid een prioriteit van het EU-energiebeleid blijft en dat de buurlanden in het oosten en in het zuiden een centrale plaats blijven innemen in het gecoördineerde externe energiebeleid van de EU; vraagt tevens om doeltreffende maatregelen om de toepassing van het solidariteitsbeginsel op energiegebied te waarborgen;

    46. is verheugd over het voorstel inzake de oprichting van een Europese Energiegemeenschap en is van mening dat dit een belangrijke stap kan vormen in de samenwerking met onze buurlanden; benadrukt dat de buurlanden rond de Middellandse Zee een belangrijke rol vervullen in de energievoorziening van verschillende lidstaten; wijst op de behoefte om de Euromediterrane onderlinge verbindingen in de aardgas- en de elektriciteitssector te bevorderen; benadrukt het strategisch belang van het Nabucco-project en van de snelle tenuitvoerlegging daarvan, evenals van het transport van vloeibaar aardgas uit hoofde van het AGRI-project; verzoekt de Commissie de aanleg, de verbetering en de ontwikkeling van slimme energienetwerken en infrastructuurknooppunten met de buurlanden van de EU te stimuleren, o.a. door middel van investeringen;

    47.  Wijst daarbij ook op de ondersteunende rol die de EU zou kunnen spelen bij het aanpakken van milieuproblemen in onze buurlanden, in het bijzonder bij het opruimen van grote voorraden 'obsolete pesticides', die tot chemische verontreiniging op grote schaal kunnen leiden;

    48.  ondersteunt verdere samenwerking in de vervoerssector, onder andere door de infrastructuurnetwerken van de EU en van partnerlanden nauwer met elkaar te verbinden om de uitwisseling van mensen en goederen te vereenvoudigen, wat gerealiseerd kan worden door een sterkere marktintegratie en verbeterde infrastructuurkoppelingen;

    49.  is van mening dat de internationale, regionale en interregionale culturele samenwerking, die gebaseerd is op een daadwerkelijke dialoog tussen de culturen en waar alle sectoren van de samenleving bij worden betrokken (overheden, instellingen organisaties en verenigingen in de culturele sector), van essentieel belang is; roept de EDEO en de Commissie ertoe op de strategische inzet van culturele aspecten van het extern beleid te coördineren en aansluiting te zoeken bij het extern cultuurbeleid van de lidstaten;

    50.  onderstreept met klem het verband tussen enerzijds de uitwisseling en samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs en sport tussen de Europese Unie en de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid, en anderzijds de ontwikkeling en versterking van een open maatschappelijk middenveld, de democratie en de rechtsstaat, alsook de verspreiding van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten; wijst erop dat samenwerking op deze vlakken meerwaarde heeft, zowel voor de Unie als voor de landen van het Europees nabuurschapsbeleid;

    51.  meent dat het stimuleren van deelname aan culturele programma's van de EU gunstig is voor de materiële en immateriële ontwikkeling in de ENB-landen en onderstreept daarom het belang van programma's als Media Mundus, van de projecten onder auspiciën van de Unie voor het Middellandse Zeegebied en van het cultureel programma van het oostelijk partnerschap; is van mening dat de culturele en mobiliteitsprogramma's ook gericht moeten zijn op de mobiliteit van kunstenaars en kunststudenten; pleit voor de invoering van een cultureel visum voor kunstenaars en andere beroepsbeoefenaars uit de culturele sector van de ENB-landen; verzoekt de Commissie tevens een initiatief op het gebied van visa voor kort verblijf voor te stellen, teneinde de hinderpalen voor mobiliteit in de culturele sector weg te nemen;

    52.  acht het, gezien de educatieve waarde van sport, van belang dat de samenwerking op sportief gebied met de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid wordt versterkt; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten zich in te zetten voor vrij verkeer van atleten overal ter wereld, om te beginnen met de atleten uit de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid;

    53.  dringt aan op een evaluatie van de bestaande programma's met het oog op waarborging van efficiënt gebruik van middelen, zodat de doelstellingen van de EU worden gehaald; dringt aan op het stroomlijnen van de interne operaties binnen de Commissie die betrekking hebben op het functioneren van de diverse bestaande programma's en projecten voor onderwijs en cultuur;

    54.  onderstreept dat het Tempus IV-programma meerwaarde heeft voor de bevordering van de samenwerking en voor de inspanningen met het oog op de modernisering van de onderwijsstelsels van de buurlanden van de Unie en verzoekt de Commissie het programma in kwestie in het volgende meerjarig financieel kader te steunen;

    55.  wenst dat de partnerlanden meer betrokken worden bij de werkzaamheden van de Europese Stichting voor opleiding en van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur;

    56.  merkt op dat het versterken van de jeugddimensie van het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor het Middellandse Zeegebied een belangrijke investering is in de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en het ENB en de komende jaren veel potentieel biedt en een belangrijke investering is in de democratisering van die partners en de harmonisatie van hun wetgeving met Europese normen; herhaalt dat aanvullende toewijzing van financiering aan Erasmus Mundus en Jeugd in Actie voor 2012 binnen de EU-begroting voor 2012 samenwerking moet bevorderen tussen instellingen voor hoger onderwijs, de uitwisseling van universitaire medewerkers en studenten moet verbeteren, en tot de opbouw van netwerken moet leiden waardoor de capaciteit van NGO's op het gebied van jongeren in Europa en landen die onder het Europees Nabuurschapsbeleid vallen verbetert;

    57.  is van mening dat de Euromediterrane universiteit (EMUNI) een uniek platform en een unieke mogelijkheid biedt voor het versterken van samenwerking op het gebied van hoger onderwijs en de mobiliteit van studenten met onze zuidelijke buren, op een tijdstip waarop het van zeer groot belang is dat de betrekkingen met de landen van het Zuidelijk Partnerschap verdiept worden, en dan met name met de jongere generaties in die landen; benadrukt in dit opzicht dat het potentieel van de Euromediterrane universiteit zo veel mogelijk ontwikkeld moet worden;

    58.  roept de Europese Commissie op om het voorstel over te nemen dat het Europees Parlement na het uitbreken de Arabische lente heeft ingediend om een Euromediterraan Erasmusprogramma in het leven te roepen en om dit initiatief, in geval van succes, tot het hele nabuurschap uit te breiden; betreurt in dit stadium het zwaktebod van de Europese Commissie die, ondanks haar aankondigingen van 27 september 2011, eigenlijk maar een erg kleine toename van het aantal Erasmus Mundus-beurzen heeft gepland;

    59.  roept de Europese Commissie op om het voorstel over te nemen dat het Europees Parlement na het uitbreken van de Arabische lente heeft ingediend om een Euromediterraan Leonardo da Vinci-programma in het leven te roepen, teneinde de mobiliteit te bevorderen van jonge stagiairs die een beroepsopleiding in het buitenland wensen te volgen, en dit om bij te dragen aan de strijd tegen de jeugdwerkeloosheid, wat ten zuiden van de Middellandse Zee een endemisch fenomeen is;

    60.  herhaalt groot voorstander te zijn van het door de EU gefinancierde project van ENB-studiebeurzen voor de houders van een universitair diploma van het ENB en de EU aan het Europees College; is van mening dat dit het mogelijk zal maken met het oog op EU-ENB-gerelateerde functies toekomstige gesprekspartners voor Europa en de buurlanden voor te bereiden die volledig en beroepsmatig op de hoogte zijn van de inhoud en de geest van EU-beleid, -wetgeving en -instellingen; dringt erop aan dat partnerlanden waarvan burgers een dergelijke beurs hebben gekregen hun kennis en ervaring gebruiken door ze in te zetten in het nationaal bestuur en hun toereikende arbeidsomstandigheden aan te bieden;

    61.  onderstreept de belangrijke rol die lokale autoriteiten spelen bij de democratische ontwikkeling van onze partnerlanden roept de Commissie daarom op de rol van TAIEX[21] en programma''s voor twinning tussen lokale overheden in de EU en de partnerlanden te intensiveren en uit te breiden;

    Mobiliteit

    62.  brengt in herinnering dat de EU het beheer van migratie moet verbeteren en de wederzijdse voordelen van migratie voor ontwikkeling moet maximaliseren, onder meer door te zorgen voor betere voorwaarden voor de vestiging van legale migranten in de EU en de hoofdoorzaken van illegale migratie in de partnerlanden aan te pakken; is van mening dat de EU legale arbeidsmigratie moet bevorderen door mobiliteitspartnerschappen te sluiten rekening houdend met het demografisch, sociologisch en professioneel evenwicht aan weerszijden, en door het stimuleren van uitwisselingen van specialisten tussen de EU en derde landen; verzoekt de lidstaten het mobiliteitsdebat te zien als belangrijk element van het nabuurschapsbeleid dat niet primair om veiligheidsoverwegingen draait; benadrukt dat het belangrijk is om illegale immigratie te voorkomen en de organisaties die verantwoordelijk zijn voor de smokkel van illegale immigranten te vervolgen;

    63.  gelooft dat de EU haar werkzaamheden met het oog op het sluiten van zowel visumversoepelingsovereenkomsten als terugnameovereenkomsten tegelijkertijd en in volstrekte transparantie moet versnellen, zulks met het oog op het geleidelijk instellen van een visumvrije regeling die geval per geval bekeken zal worden zodra aan alle voorwaarden wordt voldaan; vraagt ook om materiële voorwaarden voor visumverlening en -verlenging vast te stellen waarbij de rechten van de persoon meer in acht worden genomen; benadrukt in dit opzicht dat er prioriteit moet worden gegeven aan de mobiliteit van jeugd en studenten; benadrukt eveneens dat de landen van het Oostelijk Partnerschap in termen van tijdsplanning en inhoud van een bevoorrecht aanbod van de EU voor versoepeling van de visumregeling moeten profiteren; benadrukt dat de asielbepalingen volledig moeten overeenstemmen met internationale verplichtingen en verbintenissen, alsmede met EU-normen, met name op het vlak van mensenrechten;

    64.  herinnert er in dit verband aan dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement moeten naleven en er alles aan moeten doen om een toegankelijk, rechtvaardig en bescherming biedend Europees asielsysteem op te zetten;

    65.  verzoekt de lidstaten en de EU het Protocol te ratificeren tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, gehecht aan het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit; meent dat de herziening van het ENB gelegenheid biedt voor het nemen van specifieke maatregelen op deze gebieden; stemt in met hetgeen de Commissie constateert omtrent migratie om familiegerelateerde redenen en ziet belangstellend uit naar het komende groenboek hierover;

    66.  benadrukt de noodzaak om speciale aandacht te besteden aan de jongeren en onderstreept dat uitgebreidere synergieën tussen "Jeugd in beweging" en het Europees nabuurschapsbeleid noodzakelijk zijn; beklemtoont dat de EU de samenwerking op het vlak van hoger onderwijs en beroepsopleiding moet vergroten en per direct moet zorgen voor verdieping en uitbreiding van studiebeursregelingen en voor een grotere mobiliteit van studenten, afgestudeerden, leerkrachten en academici, door uitwisselingen tussen instellingen voor hoger onderwijs en beroepsopleiding, alsook publiek-private partnerschappen op het gebied van onderzoek en ondernemingen te bevorderen; acht het noodzakelijk om de procedures voor de verlening van een visum aan de begunstigden van deze programma's te versoepelen en te versnellen; wijst erop dat het belangrijk is het werk aan wederzijdse erkenning van kwalificaties en onderwijssystemen met ENB-partnerlanden te versnellen en in het bijzonder op het vlak van de aanpassing van hogeronderwijsdiploma's en normen aan de Europese ruimte voor hoger onderwijs; onderstreept het grote belang van een structureel voorlichtingsbeleid ten opzichte van burgers van de partnerlanden van het ENB met betrekking tot de mogelijkheid van deelname aan de EU-programma's;

    67.  verzoekt de Raad en de Commissie een gestructureerde dialoog met de autoriteiten van derde landen te organiseren om tot een win-winbenadering voor mobiliteit te komen, de visumformaliteiten te versoepelen, de mogelijkheden van de EU-visumcode beter te benutten en tegelijkertijd de toepassing ervan te verbeteren en te harmoniseren teneinde gelijke en eerlijke voorwaarden te garanderen voor aanvragers in alle lidstaten, en daarbij in het bijzonder te letten op de effecten van de interdependentie tussen ontwikkelingshulp, veiligheid, en reguliere en irreguliere migratie, zoals omschreven in de Globale aanpak van migratie; dringt erop aan speciaal erop toe te zien dat de partnerlanden niet te lijden krijgen onder brain drain;

    68.  verzoekt de Commissie de EU-subsidiëring van projecten gericht op voorlichting aan migranten over hun rechten en plichten, en op bescherming van hun rechten, te verhogen en te kanaliseren, met bijzondere aandacht voor de rechten van onbegeleide minderjarigen, vrouwen en andere kwetsbare groepen; vraagt de Commissie daarom aan het Parlement gedetailleerd verslag uit te brengen over de aanwending van voor de nabuurlanden gereserveerde EU-gelden, waaronder ook de middelen uit hoofde van het thematisch programma van de Commissie voor samenwerking met derde landen op het terrein van migratie en asiel;

    De regionale dimensie

    69.  herhaalt ervan overtuigd te zijn dat het Europees nabuurschapsbeleid slechts ten volle doeltreffend zal zijn als er een synergie is tussen de bilaterale en de multilaterale dimensie; vindt het dan ook noodzakelijk om de multilaterale dimensie van het ENB te versterken en om er aanzienlijk meer middelen uit het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument aan toe te kennen;

    70.  verwelkomt het voorstel om het multilaterale kader strategischer in te zetten ter bevordering van bilaterale betrekkingen tussen de partners, en verwacht concrete maatregelen om dit voorstel in de praktijk te brengen; kijkt in dit opzicht met veel interesse uit naar het door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie voor het eind van het jaar aangekondigde stappenplan met doelstellingen, instrumenten en maatregelen;

    71.  gelooft dat de multilaterale dimensie van het Oostelijk Partnerschap verder moet worden aangescherpt en ontwikkeld, met inbegrip van het Forum van het maatschappelijk middenveld; wijst op het belang van het tot stand brengen van een constructieve dialoog met Turkije en Rusland over regionale kwesties die van gemeenschappelijk belang zijn en met name voor zover het veiligheidskwesties betreft;

    72.  wijst erop dat regio's een cruciale rol spelen voor het succes van sociale en economische hervormingen op de lange termijn en voor stabiele groei; onderstreept dat het Europees nabuurschapsbeleid ruim moet worden opgevat, om de economische ontwikkeling van de aangrenzende gebieden te bevorderen; is van mening dat de principes inzake territoriale samenwerking ook gelden voor de buitengrenzen en een belangrijk instrument zijn om de economische ontwikkeling van de EU te bevorderen, alsmede om de algemene politieke doelstellingen van het Europees nabuurschapsbeleid te ondersteunen; stelt zich op het standpunt dat de nieuwe ENB-benadering ertoe moet leiden dat de macroregionale strategieën van de EU en het potentieel van de Europese macroregio's, waartoe ook buurlanden van de EU behoren, volledig worden benut met het oog op een betere coördinatie van prioriteiten en projecten van gemeenschappelijk belang voor de EU-lidstaten en de ENB-landen, teneinde resultaten te kunnen bereiken die voor beide zijden voordelen opleveren en een optimaal gebruik van geïnvesteerde middelen te waarborgen;

    73.  benadrukt het feit dat de Euregio's een belangrijke rol spelen voor het halen van de doelstellingen van het cohesiebeleid en moedigt de Commissie ertoe aan de ontwikkeling ervan te ondersteunen en te bevorderen, met name in grensregio's, om te bewerkstelligen dat de Euregio's een belangrijkere rol binnen het Europees nabuurschapsbeleid spelen;

    74.  benadrukt het grote potentieel van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) waarbij regio's buiten de buitengrenzen zijn betrokken; moedigt ertoe aan om met buurlanden van de Unie specifieke overeenkomsten te sluiten betreffende de invoering van nationale wetgeving die het mogelijk maakt dat lokale en regionale overheden, in overeenstemming met hun nationaal recht en bilaterale overeenkomsten, aan EGTS deelnemen;

    75.  is van oordeel dat het toekomstige ENB oog moet hebben voor de rol van de ultraperifere regio's in het EU-beleid op het gebied van de externe betrekkingen; wijst erop dat de ultraperifere regio's het externe beleid van de EU daadwerkelijk kunnen beïnvloeden aangezien zij de EU enerzijds in de gelegenheid stellen nauwere betrekkingen te onderhouden met een groot aantal derde landen en anderzijds complexe kwesties aan te pakken, zoals illegale migratie; roept de Commissie op voor grotere flexibiliteit te zorgen bij de mogelijkheden voor innoverende financiering van cohesiebeleidprojecten, teneinde deze mogelijk te maken in en van nut te laten zijn voor zowel Europese regio's, als regio's in derde landen;

    76.  benadrukt het belang van een bredere geografische en strategische benadering bij het vanuit een toekomstperspectief bekijken van het ENB, en herinnert eraan dat de EU, na de resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2006 over het ENB, in november 2007 specifiek beleid heeft vastgesteld over eilandstaten in de Atlantische regio die grenzen aan de ultraperifere gebieden van de EU in de nabijheid van het Europese vasteland, waar speciale vragen over geografische nabijheid, culturele en historische affiniteit en wederzijdse veiligheid relevant bleken te zijn; is verheugd over het hoge niveau van de bereikte resultaten en de dynamiek van het al ten uitvoer gelegde specifieke beleid, namelijk het speciaal partnerschap tussen de Europese Unie en Kaapverdië; en roept de EU ertoe op de dialoog en onderlinge afstemming van beleid met deze landen verder te versterken en hen te ondersteunen bij hun inspanningen om politieke, sociale en economische hervormingen te bestendigen;

    77.  begrijpt dat het DG Regionale ontwikkeling van de Commissie ruime ervaring heeft met het beheer van het EFRO en is ervan overtuigd dat de doelstellingen van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument ermee gediend zouden zijn, als met betrekking tot middelenbeheer het advies van het DG Regionale ontwikkeling zou worden ingewonnen; is daarom van mening dat het beheer van de financiële instrumenten in kwestie, wat programma's op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking betreft, moet worden teruggegeven aan het DG Regionale ontwikkeling, dat hiervoor in het verleden verantwoordelijk was;

    78.  verwelkomt de gezamenlijke verklaring van de topontmoeting van het Oostelijk Partnerschap op 30 september 2011 in Warschau evenals de verklaring over de toestand in Belarus, met name wat betreft de beginselen van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, de inzet voor diepere bilaterale betrokkenheid, zowel economisch als politiek, waaronder begrepen de bereidheid vooruitgang te realiseren in de onderhandelingen over associatieovereenkomsten, het versterken van de multilaterale samenwerking tussen partners en het bevorderen van mobiliteit en de verbintenis om de tenuitvoerlegging van het partnerschap te versnellen, met duidelijke voordelen voor de samenlevingen van partnerlanden;

    79.  is van mening dat de versterking van het Oostelijk Partnerschap van centraal belang zal zijn voor de ontwikkeling van de grensregio's van de EU; benadrukt dat het Oostelijk Partnerschap en regionale ontwikkeling hand in hand moeten gaan en bi- en multilaterale samenwerking, zoals vrijhandelsakkoorden, en naar behoren gefinancierde gezamenlijke projecten, zoals uitwisselingen op cultureel gebied of tussen maatschappelijke organisaties, dienen aan te moedigen;

    80.  benadrukt het belang van het verder bevorderen van regionale samenwerking in de regio rond de Zwarte Zee en het verder uitbreiden van de EU-strategie voor de Zwarte Zee; benadrukt hoe EU-beleid voor de Zwarte Zee en het Oostelijk Partnerschap complementair zijn aan elkaar; verzoekt de Commissie en de EDEO positief gebruik te maken van de verschillende benaderingen van de twee initiatieven en op alle niveaus duidelijk te maken hoe deze aanzienlijke mate van complementariteit goed benut wordt;

    81.  benadrukt het belang van de Unie voor het Middellandse Zeegebied als permanent forum voor dialoog en samenwerking en als instrument om de democratie te bevorderen; dringt er bij het komende covoorzitterschap van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied op aan zich te blijven inzetten voor de ambitieuze doelstellingen die hij haar oprichting zijn geformuleerd en bij te dragen tot de doeltreffende ontwikkeling van de mediterrane pijler van het Europees nabuurschapsbeleid; is van mening dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied een gezonde economische, sociale en democratische ontwikkeling moet bevorderen en een stevige gemeenschappelijke basis moet creëren voor nauwe regionale samenwerking tussen de EU en haar zuidelijke buurlanden; verwelkomt de door de Unie voor het Middellandse Zeegebied geboden kans om de complementariteit tussen bilaterale en regionale beleidsmaatregelen te vergroten, teneinde op basis van wederzijdse erkenning van gemeenschappelijke waarden de doelstellingen van de Euromediterrane samenwerking doeltreffender te verwezenlijken en een ruimte van vrede, veiligheid en welvaart te creëren; verwelkomt met name de toezegging van de nieuwe secretaris-generaal van de Unie voor het Middellandse Zeegebied om te gaan werken aan projecten van de Unie voor het Middellandse Zeegebied op het gebied van democratie en het maatschappelijk middenveld en dergelijke projecten naar voren te brengen; verwelkomt in dat opzicht alvast de verhoging van de enveloppe van de nabuurschapsinvesteringsfaciliteit;

    82.  herinnert aan het belang van de multilaterale dimensie van het ENB voor de ondersteuning van een snelle en doeltreffende tenuitvoerlegging van tastbare projecten van de Unie voor het Middellandse Zeegebied die bedoeld zijn om een gedeeld ontwikkelings- en integratieproces mogelijk te maken, in het bijzonder door de cofinanciering van haalbaarheidsstudies en steun voor de uitbreiding van concessieleningen;

    83.  verzoekt de Commissie en de EDEO de mogelijkheden te verkennen van een institutionele onderlinge verbinding tussen het ENB en het nabuurschapsbeleid van belangrijke regionale spelers, met name Turkije; roept de ambitie van Ankara in herinnering om aan te zetten tot en bijstand te verlenen bij de overgang naar democratie en sociaaleconomische hervormingen in de zuidelijke buurlanden; merkt op dat deelneming van Turkse instellingen en niet-gouvernementele organisaties in ENB-instrumenten unieke synergie-effecten zou genereren, met name op gebieden als het opbouwen van instellingen en het ontwikkelen van het maatschappelijk middenveld; is de mening toegedaan dat praktische samenwerking moet worden aangevuld door een gestructureerde dialoog tussen de EU en Turkije teneinde het nabuurschapsbeleid van de EU en Turkije op elkaar af te stemmen; doet de aanbeveling dat een soortgelijk aanbod tot samenwerking in het ENB-kader in beginsel zou moeten worden gedaan aan Rusland en andere belanghebbenden;

    De EU en het oplossen van conflicten

    84.  wijst erop dat vreedzame oplossing van regionale militaire conflicten, waaronder begrepen 'bevroren' conflicten, de essentiële voorwaarde is voor bestendiging van democratie, eerbiediging van mensenrechten, welvaart en economische groei en derhalve van het hoogste belang moet zijn voor de EU;

    85.  herinnert eraan dat de EU meer betrokken moet zijn en een actievere, meer coherente en constructievere rol moet spelen bij het oplossen van regionale conflicten, onder andere via de EDEO, door meer vertrouwenwekkende maatregelen, verzoening en bemiddeling te ontwikkelen, nieuwe pragmatische en innovatieve benaderingen te overwegen, zoals het lanceren van publieke communicatiestrategieën in partnerlanden, een Europees civiel vredeskorps en lokale bemiddelingsacties te bevorderen, de burgercultuur - in het bijzonder opleiding, onderzoek en participatie van kinderen en jongeren - en de dialoog tussen en binnen de gemeenschappen te ondersteunen, organisaties uit het maatschappelijk middenveld te betrekken, grensoverschrijdende projecten te ontwikkelen en te werken aan goede betrekkingen met de buurlanden; herinnert eraan dat het strategisch gezien belangrijk is om de politieke samenwerking op het gebied van veiligheid en bestrijding van terrorisme en extremisme te versterken;

    86.  gelooft dat interculturele en interreligieuze dialoog van essentieel belang is voor het verbeteren van wederzijds begrip, respect, solidariteit en tolerantie voor en tussen de partnerlanden voor nabuurschap; verzoekt om in de voorgestelde nieuw ENB-instrumenten specifiek aandacht te besteden aan het bevorderen daarvan;

    87.  onderstreept, in de context van de nasleep van de revoluties in het noorden van Afrika, het belang van het verlenen van steun aan de transitionele rechtsstaat en dringt er bij alle partnerlanden op aan samen te werken met de internationale justitie, te weten het Internationaal Strafhof;

    88.  benadrukt het belang om vast te houden aan een regionale aanpak en verwelkomt het besluit om een SVEU voor zowel de zuidelijk Kaukasus als het zuidelijke Middellandse Zeegebied te benoemen, alsmede een taakgroep voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied in te stellen; is van mening dat moet worden overwogen een soortgelijke taakgroep op te zetten voor de zuidelijke Kaukasus; benadrukt de noodzaak om te zorgen dat de proactieve rol van de EU in de 5+2 gesprekken over Transnistrië met voldoende middelen wordt ondersteund, met name gezien de beëindiging van het mandaat van de speciale EU-vertegenwoordiger;

    89.  benadrukt dat we regionale conflicten niet kunnen begrijpen zonder rekening te houden met de culturele context; roept op tot de uitvoering van een coherente strategie, zoals die van Blue Shield, waarin cultuur een rol speelt op het gebied van conflictpreventie en herstel van de vrede;

    90.  verwelkomt de werkzaamheden die internationale organisaties, met name de OVSE en VN-agentschappen, ter plaatse in conflict- en postconflictsituaties verrichten en daarnaast ontplooien ten aanzien van de bevordering van duurzame ontwikkeling door middel van nabuurschap, met name de langlopende inspanningen van de UNRWA ten behoeve van Palestijnse vluchtelingen;

    91.  ondersteunt de humanitaire acties en de maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling en de vrede die de Unie ontplooit in de oostelijke buurlanden, meer bepaald de belangrijke bijdrage van de Unie tot het werk van de UNRWA; betreurt echter dat deze acties nog steeds niet gepaard gaan met een versterking van het politieke leiderschap van de Unie in het Midden-Oosten; dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan niets onverlet te laten om de aanwezigheid en het optreden van de Unie in de regio een politiek gewicht te verlenen dat overeenstemt met haar doorslaggevend engagement op het vlak van humanitaire hulp en ontwikkelingshulp;

    Parlementaire dimensie

    92.  benadrukt dat het EP middels zijn parlementaire delegatie en zijn delegaties aan parlementaire vergaderingen een belangrijke rol speelt bij het aanscherpen van de politieke dialoog en het bevorderen van volledig ontwikkelde vrijheid, democratische hervormingen en de rechtstaat in de partnerlanden van het ENB, en onderstreept dat deze contacten ook een manier kunnen zijn om de verwezenlijking van toekomstige criteria te beoordelen en de bilaterale en multilaterale samenwerking aan te passen in het licht van nieuwe feiten en geboekte vooruitgang;

    93.  bevestigt nogmaals dat de multilaterale parlementaire vergaderingen, zoals Euronest en de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, cruciale middelen zijn bij het bouwen aan vertrouwen en coherentie tussen de EU en de partnerlanden en tussen de partnerlanden zelf, en derhalve een grote bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor het Middellandse Zeegebied; roept de EDEO en de Commissie ertoe op de leden van Euronest zoveel mogelijk te betrekken bij de multilaterale structuren en platforms van het Oostelijk Partnerschap; wijst op het belang om de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied te erkennen als legitieme parlementaire instelling van genoemde Unie; benadrukt dat een volledig uitgerust secretariaat zal zorgen voor grotere coherentie van de werkzaamheden van Euronest en de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied en voor consistentie met de ENB-programma's die gepland staan voor de oostelijke en zuidelijke regionale dimensie;

    94.  roept de Commissie ertoe op verbeterde financiële, technische en deskundigheidsondersteuning te verlenen aan het bestuur van de nationale parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap binnen het alomvattend programma voor institutionele opbouw teneinde hun efficiëntie, transparantie en rekenschap te versterken, hetgeen van cruciaal belang is om de parlementen de juiste rol in de democratische besluitvormingsprocessen te laten spelen;

    95.  bevestigt ervoor open te staan vertegenwoordigers van het parlement van Belarus te verwelkomen in Euronest, zodra parlementaire verkiezingen in Belarus door de internationale gemeenschap, waaronder begrepen de OVSE, als democratisch worden aangemerkt;

    Financiering

    96.  verwelkomt het voorstel voor het nieuwe Europees nabuurschapsinstrument en de verhoging van de financiering voor het ENB, zoals gevraagd in eerdere resoluties van het EP; is van oordeel dat de verdeling van fondsen flexibel en voor beide regio's adequaat moet zijn, waarbij het regionaal evenwicht gewaarborgd is en waarbij een aanpak wordt gehanteerd die uitgaat van prestaties, verbintenissen en vooruitgang van de hervormingen in de partnerlanden, maar ook van hun behoeften en van hun capaciteiten; merkt op dat grotere flexibiliteit en vereenvoudiging niet ten koste mogen gaan van democratisch toezicht en tevens vergezeld moeten gaan van meer toezicht op de uitgaven;

    97.  vindt dat het belangrijk is een weldoordacht evenwicht te handhaven tussen het oosten en het zuiden, in het bijzonder aangezien de oostelijke buurlanden van de EU bezig zijn de programma's en hervormingen die verband houden met het oostelijke partnerschap uit te voeren en op lange termijn het vooruitzicht hebben tot de EU toe te treden; meent niettemin dat dit evenwicht niet als een permanent vastgelegd gegeven mag worden beschouwd; steunt ten volle het beginsel van gedifferentieerde en flexibele, resultaatgerichte financiële steun die uitgaat van echte behoeften, benuttingsmogelijkheden en bereikte doelstellingen;

    98.  is van mening dat de herziening van het ENI coherent moet zijn met en moet worden uitgevoerd in het kader van de huidige evaluatie van het MFK 2007-2013 en de onderhandelingen over de periode vanaf 2013, zodat in 2012 en 2013 geen nieuwe onderhandelingen moeten worden geopend over de financiering van het nabuurschapsbeleid;

    99.  eist een aanzienlijke verhoging van het maximum van rubriek 4 van de EU-begroting voor het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, gezien het feit dat er de afgelopen jaren, ondanks enige vooruitgang bij het bevorderen van betere samenwerking en progressieve economische integratie tussen de Europese Unie en de partnerlanden, meer moet worden gedaan naarmate nieuwe uitdagingen en gebieden waarop kan worden samengewerkt naar voren komen;

    100. benadrukt dat de herschikking van kredieten die nodig zijn voor de toegenomen financiering voor het ENB gebaseerd moet worden op duidelijke prioriteiten en dat het enige instrument waarover de Unie beschikt om te reageren op een crisis en om vrede op te bouwen, het stabiliteitsinstrument, zoals voorgesteld door de Commissie, daaronder niet mag lijden; benadrukt dat de financiering van het ENB niet te lijden mag hebben van de huidige staatsschuldencrisis;

    101. betreurt dat een groot percentage van de beschikbare ENB-fondsen wordt besteed aan adviesdiensten en niet naar projecten en programma's gaat en verzoekt in dit opzicht om snel het evenwicht in het gebruik ervan in het kader van het nieuwe instrument te herstellen;

    102. acht het van groot belang dat in gevallen waar de EU humanitaire hulp heeft verleend, wordt gezorgd voor een passende overgang tussen herstel, wederopbouw en ontwikkeling, om de door de revoluties veroorzaakte schade aan te pakken;

    103. is van mening dat de CSF kan worden beschouwd als integraal onderdeel van het ENI; stelt voor om de gedachte te overwegen het beheer van de fondsen voor het ENI te herbestemmen, indien staten door ontoereikende prestaties niet aan de voorwaarden voor financiering weten te voldoen;

    104. benadrukt de cruciale rol van het ENI bij de ondersteuning van de macroregionale strategieën van de EU, zoals de EU-strategie voor het Oostzeegebied en de EU-strategie voor het Donaugebied, door middel van de verstrekking van middelen voor de buitenlandse dimensie van deze strategieën, vooral activiteiten waarbij EU-buurlanden betrokken zijn;

    105 benadrukt dat de verdeling van middelen in overeenstemming met de partnerlanden moet uitgaan van een beperkt aantal helder gedefinieerde prioriteiten en meetbare doelstellingen, die rekening houden met hun behoeften en uitdrukkelijk gebaseerd zijn op conditionaliteit en reeds behaalde vooruitgang; onderstreept dat budgettaire steun alleen moet worden aangewend als er garanties zijn voor gezond budgettair beheer, en dat het volledige bereik aan beschikbare middelen moet worden ingezet om beter aan de prioriteiten te voldoen; schetst, in deze context, de behoefte aan verbeterde wetgeving op openbare aanbestedingen en beter beheer van overheidsfinanciën voor de ENB-landen;

    106. benadrukt het belang van een consistente benadering voor de steun die in het kader van het ENB door elke individuele EU-lidstaat en de EU wordt verleend aan de buurlanden; is voorstander van elk mechanisme dat kan bijdragen aan het coördineren en stroomlijnen van de acties van verschillende EU-donoren in de ENB-landen, zonder dat er onnodige bureaucratische lagen worden toegevoegd;

    107. wijst erop dat, hoewel steun een hefboomwerking kan hebben voor ENB-landen, dit niet voldoende is om duurzame en blijvende ontwikkeling te garanderen; roept de ENB-landen er daarom toe op hun binnenlandse middelen te versterken en te mobiliseren, transparante belastingstelsels op te zetten, de private sector, lokale overheden en het maatschappelijk middenveld effectief te betrekken bij de ENB-agenda hetgeen tevens tot gevolg heeft dat zij zich meer verantwoordelijk voelen voor ENB-projecten;

    108. verwelkomt de beslissing van de G8-landen om de leningsfaciliteiten uit te breiden voor landen van het zuidelijk partnerschap die een begin hebben gemaakt met democratisering; is van oordeel dat de verbintenissen die op 27 mei 2001 zijn aangegaan in het kader van het 'Parterschap van Deauville' een stimulans kunnen zijn om financiële middelen in te zetten ten gunste van democratie en ontwikkeling in de partnerlanden van de Europese Unie;

    109. vraagt in de context van de Arabische lente en de achteruitgang van de democratie in een aantal oostelijke partnerschapslanden om een kritische beoordeling van de financiële instrumenten die in het verleden binnen het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument gebruikt zijn, en met name van hun functioneren op het vlak van democratie, mensenrechten, bestuur, corruptiebestrijding, institutionele opbouw en steun aan het maatschappelijk middenveld; is van mening dat de EU een modernere benadering moet hanteren die de samenwerking op het vlak van conflictpreventie stimuleert;

    110. is er vast van overtuigd dat ook de financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit en de UNWRA in het kader van deze herziening moet worden geëvalueerd en als een integrerend onderdeel van het nabuurschapsbeleid moet worden onderworpen aan langetermijnprogrammering; gaat niet akkoord met het argument dat de politieke instabiliteit in de regio en de specifieke eigenheden van het vredesproces alleen voorlopige programmering en eenmalige verhogingen toelaten;

    111. vraagt, gezien de huidige dringende noden, in het bijzonder in de zuidelijke nabuurschapslanden, dat het Europees Parlement en de Raad snel overeenstemming bereiken over het voorstel om het nabuurschapsinstrument voor 2012 en 2013 te versterken; roept de lidstaten er voorts toe op hun bilaterale verbintenissen jegens de landen in het zuidelijke Middellandse Zeegebied en van het oostelijke partnerschap zonder dralen na te komen;

    112. dringt bij de Raad aan op onverwijlde goedkeuring van het wetgevingsvoorstel tot wijziging van artikel 23 van de ENPI-verordening dat in mei 2008 door de Commissie werd ingediend en op 8 juli 2008 door het Parlement werd aangenomen, aangezien het hierdoor mogelijk wordt dat middelen die terugvloeien uit eerdere activiteiten, opnieuw worden geïnvesteerd; herinnert eraan dat deze maatregel reeds wordt beschouwd als een gegeven en zijn weerslag vindt in het voorstel voor financiering van de herziening van het ENB in de begroting voor de periode 2011-2013; roept de Commissie ertoe op na te denken over alternatieve manieren om te zorgen voor aanvullende risicokapitaalfondsen die onmiddellijk beschikbaar gesteld worden via de EIB voor zowel de zuidelijke als de oostelijke dimensies;

    113. verwelkomt de werkzaamheden van de Europese Investeringsbank, met name via de Europees-mediterrane investerings- en partnerschapsfaciliteit (FEMIP), en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en onderstreept het belang van en de behoefte aan meer synergie met overige nationale en internationale financiële instellingen die eveneens in deze landen actief zijn; ondersteunt de wijziging van de statuten van de EBWO met als doel dat de zuidelijke partnerlanden ook in aanmerking komen voor steun, en er tegelijkertijd op wordt toegezien dat de EIB en de EBWO, die beide voornamelijk Europees kapitaal beheren, vruchtbare betrekkingen onderhouden die in het teken staan van samenwerking en niet van wedijver;

    *

    *    *

    114. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/ vicevoorzitter van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ENB-landen, en de secretaris-generaal van de Unie voor het Middellandse Zeegebied.

    ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (8.11.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Michèle Striffler

    SUGGESTIES

    De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  onderstreept dat het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking weliswaar in de lijn ligt van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie en dus in casu van het Europees nabuurschapsbeleid, maar dat de Unie krachtens artikel 208, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de EU de constitutionele verplichting heeft om bij de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen die gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkelingslanden rekening te houden met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking; spoort derhalve de Commissie en de EDEO ertoe aan deze doelstellingen, met name het terugdringen en op termijn uitroeien van de armoede, altijd voor ogen te houden bij de tenuitvoerlegging van het Europees nabuurschapsbeleid, zowel in de partnerlanden van het oosterse nabuurschap als in die van het zuidelijke nabuurschap;

    2.  ondersteunt de humanitaire acties en de maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling en de vrede die de Unie ontplooit in de oostelijke buurlanden, meer bepaald de belangrijke bijdrage van de Unie tot het werk van de UNRWA; betreurt echter dat deze acties nog steeds niet gepaard gaan met een versterking van het politieke leiderschap van de Unie in het Midden-Oosten; dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan niets onverlet te laten om de aanwezigheid en het optreden van de Unie in de regio een politiek gewicht te verlenen dat overeenstemt met haar doorslaggevend engagement op het vlak van humanitaire hulp en ontwikkelingshulp;

    3.  vraagt dat het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied zou worden benut voor ontwikkelingsdoeleinden; meent immers dat hij een beslissende rol kan spelen om ervoor te zorgen dat de democratische vooruitgang gepaard gaat met substantiële resultaten op het gebied van ontwikkeling, en met name een verbetering van de sociale en economische situatie in deze landen;

    4.  wijst erop dat het Europees nabuurschapsbeleid verder moet worden gefinancierd ondanks de huidige economische crisis; onderstreept echter dat de kredieten van de Unie voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp onder geen enkel beding omgeleid mogen worden voor de financiering van het Europees nabuurschapsbeleid, waarvoor een specifiek instrument bestaat;

    5.  acht het van groot belang dat in gevallen waar de EU humanitaire hulp heeft verleend, wordt gezorgd voor een passende overgang tussen herstel, wederopbouw en ontwikkeling, om de door de revoluties veroorzaakte schade aan te pakken;

    6.  wijst erop dat het plaatselijk maatschappelijk middenveld, gestuwd door de wind van de vrijheid die tijdens de Arabische lente in de landen van het zuiden van de Middellandse Zee heeft gewaaid, pogingen heeft ondernomen om zich te bevrijden van het te zware juk van de gevestigde machten; dringt aan op nauwere subregionale samenwerking en ondersteunt deze emancipatiedrang in zoverre dat hij kan leiden tot een reële democratisering die de beste waarborgen biedt voor de bescherming van de gemeenschappelijke waarden (democratie en mensenrechten, in het bijzonder de rechten van de vrouw, het recht en de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden, onder meer vrijheid van meningsuiting, gewetensvrijheid, vrijheid van godsdienst en van vereniging, het recht op vrije media, veiligheid, democratische stabiliteit, welvaart, billijke beloning, de rechtvaardige verdeling van rijkdommen en kansen, goed bestuur en de strijd tegen corruptie); pleit in deze context ook voor de opbouw van een lokale democratie door middel van decentralisatie en een institutionele versterking van de plaatselijke autoriteiten;

    7.  onderstreept dat de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten, met inbegrip van sociale en economische rechten, de hoeksteen van het nabuurschapsbeleid moet zijn; verzoekt de EU een beleid uit te werken om het probleem van de kinderarbeid aan te pakken, in het licht van de overeenkomsten van de IAO betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces op 15 jaar en de meest schrijnende vormen van kinderarbeid, om een einde te maken aan de ergste vormen van kinderarbeid; onderstreept dat de toegang tot basisonderwijs en beroepsopleiding in overeenstemming met de MDG's moet worden gewaarborgd;

    8.  onderstreept dat in de ontwikkelings- en mensenrechtenprogramma's van de EU steun moet worden verleend aan het maatschappelijk middenveld, dat bij deze processen een voortrekkersrol speelt, met name vrouwen- en jongerenorganisaties; herinnert eraan dat na de verkiezingen van de komende maanden ook werk moet worden gemaakt van de versterking van de nationale parlementen die uit de stembusgang zijn gekomen, zodat deze hun toezichts- en controletaken naar behoren kunnen vervullen;

    9.  beklemtoont dat het democratiseringsproces moet streven naar het uitbouwen van een sterkere rechtsstaat en democratische instellingen, met inbegrip van een goed functionerend parlement waarin het politieke pluralisme tot uiting komt; onderstreept de cruciale rol die het maatschappelijk middenveld in dit proces speelt, en pleit voor een duidelijk en transparant mechanisme dat de actieve participatie van het maatschappelijk middenveld mogelijk maakt;

    10. onderstreept dat de betrekkingen tussen de Unie en haar buurlanden op het gebied van migratie niet gereduceerd mogen worden tot de veiligheidsprioriteiten van de Unie; dringt erop aan dat de EDEO en de Commissie in hun toekomstig beleid hun aandacht ook richten op de bescherming van de mensenrechten voor migranten en vluchtelingen alsook op het verband tussen migratie en de ontwikkeling van de zuidelijke en oostelijke partnerlanden.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    7.11.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    21

    1

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Thijs Berman, Leonidas Donskis, Charles Goerens, András Gyürk, Eva Joly, Franziska Keller, Miguel Angel Martínez Martínez, Norbert Neuser, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Alf Svensson, Patrice Tirolien, Ivo Vajgl, Anna Záborská

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Santiago Fisas Ayxela, Fiona Hall, Krzysztof Lisek, Isabella Lövin, Horst Schnellhardt, Giancarlo Scottà, Jan Zahradil

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    João Ferreira

    ADVIES van de Begrotingscommissie (8.11.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Göran Färm

    SUGGESTIES

    De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  is van mening dat een constructief en op lange termijn opgevat nabuurschapsbeleid van cruciaal belang is opdat de partnerlanden van de EU vooruitgang kunnen boeken op het vlak van vrede, democratie, stabiliteit en welvaart, en van strategisch belang is voor de Europese Unie, gezien het belang van de partnerlanden in het oosten en het zuiden voor onze gemeenschappelijke veiligheid, economische ontwikkeling en ons gemeenschappelijk milieu;

    2.  benadrukt dat bij de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (EBN) een goed gestructureerd, op de lange termijn en de toekomst gericht Europees nabuurschapsinstrument (ENI) moet worden uitgewerkt, met name in de huidige context van begrotingsbeperkingen, om al te grote schommelingen in de financiering en mogelijke overlappingen met bestaande instrumenten te vermijden; betreurt in dit verband de conclusie van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juni 2011 dat onverminderd met name het MFK tot een aanzienlijke verhoging van de financiële steun zal worden besloten;

    3.  vraagt in de context van de Arabische lente en de achteruitgang van de democratie in een aantal oostelijke partnerschapslanden om een kritische beoordeling van de financiële instrumenten die in het verleden binnen het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument gebruikt zijn, en met name van hun functioneren op het vlak van democratie, mensenrechten, bestuur, corruptiebestrijding, institutionele opbouw en steun aan het maatschappelijk middenveld; is van mening dat de EU een modernere benadering moet hanteren die de samenwerking op het vlak van conflictpreventie stimuleert;

    4.  is van mening dat de herziening van het ENI coherent moet zijn met en moet worden uitgevoerd in het kader van de huidige evaluatie van het MFK 2007-2013 en de onderhandelingen over de periode vanaf 2013, zodat in 2012 en 2013 geen nieuwe onderhandelingen moeten worden geopend over de financiering van het nabuurschapsbeleid;

    5.  is van mening dat financiële steunverlening in het kader van het nabuurschapsbeleid ook rekening moet houden met immigratie en asiel en acties moet ondersteunen die gericht zijn op de vermindering van de hersenvlucht, de organisatie van informatiecampagnes over de mogelijkheden voor legale migratie, de verlening van structurele hulp voor de opvang van asielzoekers en vluchtelingen, de opleiding van ambtenaren uit derde landen op het vlak van asiel en mensenrechten, en de bevordering van de herintegratie van repatrianten; acht het noodzakelijk dat het herziene ENI deze dimensie niet verwaarloost en in staat is snel ondersteuning te bieden aan en samen te werken met andere financiële instrumenten die betrekking hebben op vluchtelingen, zoals het Europees Vluchtelingenfonds, het Europees Terugkeerfonds en het Europees Buitengrenzenfonds;

    6.  acht het noodzakelijk de wisselwerking tussen het ENI en andere instrumenten zoals de EIB en de EBWO te verbeteren om de toegevoegde waarde ervan te vergroten, dubbele inspanningen en geldverspilling te vermijden en de impact van de steunverlening te optimaliseren; is van mening dat er moet worden overwogen een algemeen kader voor deze wisselwerking in te voeren;

    7.  is er vast van overtuigd dat ook de financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit en de UNWRA in het kader van deze herziening moet worden geëvalueerd en als een integrerend onderdeel van het nabuurschapsbeleid moet worden onderworpen aan langetermijnprogrammering; gaat niet akkoord met het argument dat de politieke instabiliteit in de regio en de specifieke eigenheden van het vredesproces alleen voorlopige programmering en eenmalige verhogingen toelaten;

    8.  vindt dat het belangrijk is een weldoordacht evenwicht te handhaven tussen het oosten en het zuiden, in het bijzonder aangezien de oostelijke buurlanden van de EU bezig zijn de programma's en hervormingen die verband houden met het oostelijke partnerschap uit te voeren en op lange termijn het vooruitzicht hebben tot de EU toe te treden; meent niettemin dat dit evenwicht niet als een permanent vastgelegd gegeven mag worden beschouwd; steunt ten volle het beginsel van gedifferentieerde en flexibele, resultaatgerichte financiële steun die uitgaat van echte behoeften, benuttingsmogelijkheden en bereikte doelstellingen;

    9.  benadrukt de cruciale rol van het ENI bij de ondersteuning van de macroregionale strategieën van de EU, zoals de EU-strategie voor het Oostzeegebied en de EU-strategie voor het Donaugebied, door middel van de verstrekking van middelen voor de buitenlandse dimensie van deze strategieën, vooral activiteiten waarbij EU-buurlanden betrokken zijn;

    10. verheugt zich over de verbintenis van de Commissie om een nieuwe impuls te geven aan de deelname van buurlanden aan de werkzaamheden van een aantal EU-agentschappen en voor derde landen openstaande EU-programma's; vraagt de Commissie een duidelijke en volledige lijst voor te leggen van relevante agentschappen en van programma's waaraan buurlanden zouden kunnen deelnemen, samen met een overzicht van de vorm, financiële bijdrage en methode van deze gedifferentieerde deelname;

    11. dringt aan op de noodzaak van duidelijk omschreven prioriteiten en doelstellingen om een buitensporige versnippering van de financiële steun te vermijden, aangezien dit slechts heel magere resultaten oplevert; meent dat een zelfopgelegde beperking van het aantal prioriteiten daarenboven een essentieel hulpmiddel is om de steunverlening aan voorwaarden te verbinden en beter te controleren; herhaalt daarom dat buurlanden en EU-instellingen er politiek en juridisch moeten op voorbereid zijn financiële steun op korte termijn te heroverwegen indien niet aan de opgelegde voorwaarden voldaan wordt;

    12. merkt op dat de herbenutting door de EIB van terugvloeiende middelen bijna 20% bedraagt van het totaalbedrag waarop de herziening betrekking heeft; doet nogmaals een oproep aan de Raad om het wetgevingsvoorstel tot wijziging van de ENPI-verordening snel goed te keuren, zodat een dergelijke herbenutting mogelijk is; beklemtoont dat er geen alternatief is voorgesteld voor het geplande bedrag van 244 miljoen euro voor het geval de Raad er na drie jaar nog altijd niet in slaagt om over deze kwestie een meerderheid te bereiken; beschouwt het totaalbedrag van 1,24 miljard euro als een minimumbedrag; meent dat het enige alternatief om de niet-herbenutting van terugvloeiende middelen van de EIB te compenseren, erin bestaat een beroep te doen op het in het IIA voorziene flexibiliteitsinstrument;

    13. benadrukt dat een betere coördinatie tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de EU bij de verlening van steun aan buurlanden een kernvoorwaarde is voor een efficiënt en coherent Europees steunbeleid; vraagt dat alle lidstaten zich daadwerkelijk bereid verklaren hun nationale belangen omwille van het welzijn van de partnerlanden af te stemmen op het Europees nabuurschapsbeleid;

    14. vraagt gezien de huidige dringende noden, in het bijzonder in de zuidelijke nabuurschapslanden, dat het Europees Parlement en de Raad snel overeenstemming bereiken over het voorstel om het nabuurschapsinstrument voor 2012 en 2013 te versterken; roept de lidstaten er voorts toe op hun bilaterale verbintenissen jegens de landen in het zuidelijke Middellandse Zeegebied en van het oostelijke partnerschap zonder dralen na te komen;

    15. neemt kennis van het voorstel voor een Europees Fonds voor Democratie; merkt op dat het kader, de details en financiering van dit fonds nog moeten worden vastgelegd, en waarschuwt dat overlappingen met bestaande instrumenten moeten worden vermeden; is enigszins bezorgd over het feit dat dit toekomstige fonds geheel of gedeeltelijk buiten de EU-begroting om zou kunnen worden gefinancierd en herbevestigt dat de begrotingsautoriteit het recht heeft om nauwgezet toezicht te houden op het gebruik van dit fonds; vraagt daarom dat de Commissie en de Raad deze kwestie ophelderen.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    7.11.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    25

    2

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Marta Andreasen, Francesca Balzani, Reimer Böge, Lajos Bokros, Isabelle Durant, James Elles, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazábal Rubial, Salvador Garriga Polledo, Carl Haglund, Lucas Hartong, Jutta Haug, Sidonia Elżbieta Jędrzejewska, Ivailo Kalfin, Jan Kozłowski, Alain Lamassoure, Vladimír Maňka, Barbara Matera, Nadezhda Neynsky, Dominique Riquet, László Surján, Derek Vaughan

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    François Alfonsi, Frédéric Daerden, Jürgen Klute, Georgios Stavrakakis

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Marisa Matias

    ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (9.11.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Sylvana Rapti

    SUGGESTIES

    De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A. overwegende dat duurzame economische groei alleen kan worden bereikt middels een alomvattende benadering die in het bijzonder aandacht besteedt aan werkgelegenheid en sociale bescherming,

    B.  overwegende dat het Europees nabuurschapsbeleid van cruciaal belang is voor de stabiliteit van de buurlanden van de EU en een bijdrage levert aan de veiligheid en vooruitgang van eenieder, en overwegende dat alle partijen belang hebben bij een democratische, stabiele, welvarende en vreedzame ruimte rond Europa,

    C. overwegende dat de EU in de hele wereld geldt als een model van sociale ontwikkeling en over veel kennis beschikt op het gebied van verantwoorde groei,

    D. overwegende dat het nieuwe Europees nabuurschapsbeleid voortdurend opnieuw beoordeeld wordt en moet worden op basis van de vooruitgang die in de buurlanden wordt bereikt, maar ook met betrekking tot kwesties van wederzijds belang, en dat het dienovereenkomstig (opnieuw) vorm moet worden gegeven, teneinde de evoluerende historische uitdagingen aan te pakken en prioriteit toe te kennen aan urgente situaties,

    E.  overwegende dat de inspanningen gericht op het initiëren van democratische veranderingen in Noord-Afrika gerealiseerd zijn door mensen, voornamelijk van de jongere generatie, die leven in samenlevingen met een ongelijke verdeling van de welvaart, een hoge werkloosheid en een gebrek aan sociale zekerheid, een gebrek aan onderwijs en maatschappelijke vooruitzichten of die zelfs onder de armoedegrens zitten en overleven dankzij de informele economie,

    F.  overwegende dat de regio van de landen van het zuidelijk partnerschap een van de laagste activiteitenpercentages in de wereld heeft en dat de gebeurtenissen van begin 2011 in een aantal partnerlanden nieuwe kansen bieden voor het aanpakken van de problemen bij het scheppen van nieuwe werkgelegenheid,

    G. overwegende dat het Europees nabuurschapsbeleid ook de problemen van de oostelijke en zuidelijke dimensies op het gebied van democratie, en sociaal-economische kwesties moet aanpakken,

    H. overwegende dat de demografische trends in de verschillende regio's van het Europees nabuurschapsbeleid onderling sterk verschillen,

    I.   overwegende dat de directe geografische nabijheid met de oostelijke en zuidelijke grenzen van strategisch belang is, en dat de instroom van migrerende werknemers, ten gevolg van culturele overeenkomsten en het verleden, en mogelijke toekomstige ontwikkelingen op het gebied van uitbreiding, onze prioritaire aandacht behoeven,

    1.  onderstreept dat het Europees nabuurschapsbeleid steun moet geven aan duurzame, structurele economische, sociale en onderwijshervormingen die doorgevoerd worden in een veilig en billijk juridisch kader en in overeenstemming met de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), gericht op het scheppen van banen en het tot stand brengen van sociale bescherming, en een passende modernisering van het arbeidsbeleid, met inbegrip van programma's voor opleiding en onderwijs, waarbij goede arbeidsnormen een voorwaarde vormen voor financiële steun; deze hervormingen moeten inzetten op sociale en economische groei, sociale uitsluiting en sociale dumping voorkomen, en het bedrijfsklimaat verbeteren en steun creëren voor kleine en middelgrote ondernemingen;

    2.  verzoekt de partners van het Europees nabuurschapsbeleid met klem de belangrijkste arbeidsverdragen van de ILO te ratificeren en hun nationale wetgevingen daaraan aan te passen;

    3.  onderstreept dat het Europees nabuurschapsbeleid nabuurschapslanden moet steunen bij hun inspanningen gericht op het aanpakken van urgente arbeidsmarktproblemen en moet zorgen voor langetermijnantwoorden op arbeidsmarktuitdagingen, zoals een niet op elkaar afgestemde vraag en aanbod-situatie, informele werkgelegenheid, slechte arbeidsomstandigheden, een alarmerend hoge jeugdwerkloosheid, een op genderoverwegingen stoelende ongelijkheid en uitsluiting van kwetsbare sociale groepen, met gebruikmaking van de expertise van en in samenwerking met de EU, in het bijzonder de Europese Stichting voor opleiding, en de internationale organisaties die zich bezighouden met hervorming van arbeidsmarkten en het ontwikkelen van socialee beleid; dringt aan op de oprichting van een uitwisselingsmechanisme voor goede praktijken op het gebied van arbeidshervormingen en werkgelegenheidsbeleid, alsook op het aanbieden van de noodzakelijke technische steun aan de landen van het Europees nabuurschapsbeleid;

    4.  onderstreept het belang van het scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen, die aangepast zijn aan de behoeften van de economie en de arbeidsmarkten, teneinde mensen kansen te bieden die ze ertoe brengen in hun eigen land te blijven; herhaalt dat de ontwikkeling en nauwe betrokkenheid van de privésector, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, belangrijke hefbomen zijn voor het scheppen van banen; herinnert er tegelijkertijd aan dat het essentieel is iets te doen aan de illegale migratie van kwetsbare migranten, die mogelijkerwijs gedwongen worden tot of blootgesteld worden aan het risico van illegaal gedrag of illegale situaties p^het grondgebied van de EU; herinnert in dit verband aan het belang van het verbeteren van de levensomstandigheden van alle migranten;

    5.  onderstreept dat het Europees nabuurschapsbeleid de basis moet vormen van een doeltreffende samenwerking voor het aanpakken van illegale migratie – gezien het feit dat de partnerlanden landen zijn waar illegale migranten vandaan komen of doorheen reizen – waarbij gezorgd wordt voor een doeltreffend beheer van grenzen, bestrijding van georganiseerde criminaliteit en, in het verlengde daarvan, bescherming van mensenrechten;

    6.  herinnert eraan dat het noodzakelijk is ervoor te zorgen dat de nationale minimumlonen werknemers en hun families een adequate levensstandaard bieden, en dat inhoudingen op lonen werknemers en diegenen die van hen afhankelijk zijn niet van hun middelen van bestaan beroven;

    7.  is van oordeel dat opzeggingstermijn van arbeidscontracten voldoende lang moeten zijn, en dat rekening moet worden gehouden met het aantal dienstjaren van de betrokken werknemer;

    8.  onderstreept het nut van gecontroleerde circulaire mobiliteit voor zowel derde landen, als de EU, en dringt aan op maatregelen om een potentiële braindrain te vermijden; vestigt in het bijzonder de aandacht op de noodzaak van voortzetting van de dialoog over steun voor toegang tot de EU-arbeidsmarkt, en van een betere verspreiding van informatie over de bestaande mogelijkheden voor legale mobiliteit en migratie, en over de mogelijkheden op het benutten van de op de arbeidsmarkt beschikbare en gevraagde vaardigheden; herinnert eraan dat het recht van een onderdaan van een derde land om zich op het grondgebied van een EU-lidstaat op te houden en daar werk te zoeken, geregeld is in Europese richtlijnen; is van oordeel dat negatieve effecten, zoals vervreemding van de familie, goed in kaart moeten worden gebracht; onderstreept dat economische migratie positieve gevolgen heeft voor het tot stand brengen van duurzame arbeidsmarkten;

    9.  is van oordeel dat bij assistentie aan de betrokken landen met het oog op de overgang op een sociale markteconomie en het binnen de perken houden van de negatieve effecten op hun arbeidsmarkten grensoverschrijdende projecten en financiële steun voor onderwijsprogramma's, zoals Erasmus, prioritaire aandacht verdienen;

    10. is verheugd over de initiatieven voor de uitwisseling van studenten en mensen die een beroepsopleiding volgen, zoals de onlangs goedgekeurde schriftelijke verklaring over de vaststelling van euromediterrane Erasmus- en Leonardo da Vinci-programma's;

    11. wijst op het belang van empowerment van individuen, gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld, en van het versterken van de sociale dialoog;

    12. vraagt de Commissie met klem middels verschillende instrumenten, waaronder financiële en technische steun, opleiding, het tot stand brengen van netwerken en maatregelen voor het opbouwen van capaciteit, bij te dragen aan het ontstaan en de verdere ontwikkeling van onafhankelijke sociale partners, aangezien zij onontbeerlijk zijn voor de totstandkoming van sociaal beleid;

    13. is van oordeel dat de lidstaten die grenzen delen met de landen van het Europees nabuurschapsbeleid van cruciaal belang zijn voor het geven van assistentie aan en het delen van kennis met die landen, in het bijzonder op het gebied van arbeids- en werkgelegenheidshervormingen; verzoekt de Commissie actief de dialoog aan te gaan en maatregelen te nemen met de nationale autoriteiten en de sociale partners in de buurlanden, teneinde de nabuurschapslanden te helpen bij het opzetten van netwerken en hen technische assistentie te geven voor het opbouwen van capaciteit en instellingen;

    14. herinnert aan het belang van het recht van eenieder om vakbonden op te richten en het recht van vakbonden om nationale federaties of confederaties op te richten, en dringt erop aan dit in de praktijk mogelijk te maken en te eerbiedigen; herinnert eraan dat het stakingsrecht een erkend grondrecht is en niet alleen kan worden geweigerd op basis van het feit dat het gaat om werk in een voor de gemeenschap essentiële sector zonder onderscheid tussen specifieke functies; dringt erop aan meer bekendheid te geven aan het recht op informatie en raadpleging op alle gebieden van wederzijds belang, gewaarborgd door sancties, en is van oordeel dat dit recht niet uitsluitend kan worden onthouden op basis van het feit dat het gaat om werk in overheidsdienst;

    15. vraagt de Commissie met klem steun te geven voor het opbouwen van administratieve structuren op de gebieden werkgelegenheid en sociale zaken, met bijzondere aandacht voor het opbouwen van capaciteit op het gebied van juridische diensten, die hervormingen voorbereiden en ten uitvoer leggen;

    16. onderstreept het belang van beleidscoördinatie tussen de EU en de lidstaten, teneinde op gebieden van wederzijds belang tot betere resultaten te komen, maar ook om conditionaliteitsnormen vast te stellen;

    17. verzoekt de Commissie de "Poverty Reduction Strategy Papers" te aanvaarden als hét richtinggevende beleidskader voor de middellange termijn voor economische groei en een billijke verdeling van de welvaart, in overeenstemming met de behoeften van de desbetreffende landen;

    18. verzoekt de Commissie met klem de resultaten van haar maatregelen en financiering, met name op het gebied van het werkgelegenheidsbeleid, jaarlijks in kaart te brengen en te evalueren, met inachtneming van de ILO-verdragen, en met de resultaten hiervan rekening te houden in haar vervolgmaatregelen.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    7.11.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    31

    3

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Edit Bauer, Jean-Luc Bennahmias, Pervenche Berès, Philippe Boulland, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Frédéric Daerden, Karima Delli, Frank Engel, Richard Falbr, Marian Harkin, Roger Helmer, Liisa Jaakonsaari, Ádám Kósa, Veronica Lope Fontagné, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Siiri Oviir, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Elisabeth Schroedter, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu, Andrea Zanoni

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Georges Bach, Raffaele Baldassarre, Edite Estrela, Julie Girling, Richard Howitt, Ria Oomen-Ruijten, Emilie Turunen

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Catherine Bearder

    ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (21.10.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Bogdan Kazimierz Marcinkiewicz

    SUGGESTIES

    De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  is verheugd dat in het kader van het ENB de samenwerking op energiegebied wordt versterkt; herinnert eraan dat het veiligstellen van de energievoorziening door middel van diversifiëring van de energiebronnen en vraagbeheersing en intensievere betrekkingen met de belangrijkste leveranciers en doorvoerlanden een prioriteit van het EU-energiebeleid blijft en dat de buurlanden in het oosten en in het zuiden een centrale plaats blijven innemen in het gecoördineerde externe energiebeleid van de EU; vraagt tevens om doeltreffende maatregelen om de toepassing van het solidariteitsbeginsel op energiegebied te waarborgen; is in dit verband verheugd over de mededeling van de Commissie over het externe energiebeleid en haar voorstel voor een besluit over het delen van informatie over intergouvernementele overeenkomsten;

    2.  vestigt de aandacht op het belang van het oostelijk partnerschap voor het waarborgen van de energievoorziening in de EU; onderstreept, gezien de aanleg van nieuwe verbindingen en pijpleidingen in de gassector, nieuwe verbindingen en netten in de elektriciteitssector, nieuwe infrastructuur en terminals voor LNG (vloeibaar aardgas) en nieuwe elektriciteitscentrales (op fossiele brandstoffen of hernieuwbare energie of nucleair), dat marktregels en transparante, eerlijke voorwaarden voor de doorvoer van en de handel in energie moeten worden vastgesteld, om voorspelbaarheid op lange termijn voor investeringen te creëren; onderstreept dat deze regels en voorwaarden bevorderlijk moeten zijn voor een hoog niveau van milieubescherming, democratische betrokkenheid en gezondheid en veiligheid;

    3.  is verheugd over het voorstel inzake de oprichting van een Europese Energiegemeenschap en is van mening dat dit een belangrijke stap kan vormen in de samenwerking met onze buurlanden;

    4.  is verheugd over de toetreding van Oekraïne en Moldavië tot het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap, aangezien dit potentieel een essentiële rol speelt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het energievoorzieningsbeleid van de EU en een bijdrage levert aan de veiligheid van die landen;

    5.  is verheugd over alle pogingen tot versterking van het oostelijk partnerschap, met name de vlaggenschipinitiatieven van de Commissie inzake kmo's en inzake regionale energiemarkten en efficiënt energiegebruik; is van mening dat deze pogingen hun weerslag moeten vinden in het meerjarig financieel kader;

    6.  verzoekt de Commissie de aanleg, de verbetering en de ontwikkeling van slimme energienetwerken en infrastructuurknooppunten met de buurlanden van de EU te stimuleren, o.a. door middel van investeringen; onderstreept dat het van belang is prioriteit toe te kennen aan projecten van EU-belang, zodat zij sneller kunnen worden ontwikkeld en uitgevoerd; wijst met name op het belang van de aanleg en ontwikkeling van LNG-infrastructuur;

    7.  verzoekt de Commissie de strategie van de EU ten aanzien van de Zwarte Zee verder te ontwikkelen, omdat dit gebied, gelet op zijn geostrategische rol, een belangrijk onderdeel vormt van de externe energiestrategie van de EU en aanzienlijke mogelijkheden biedt op het gebied van continuïteit van de energievoorziening en diversifiëring van de aanvoer;

    8.  wijst nog eens op het belang van conventionele energie (olie en gas), hernieuwbare energie en energie-efficiëntie als aanjagers van de economische ontwikkeling in de buurlanden zowel ten oosten als ten zuiden van de EU, want daardoor ontstaat een nieuwe bron van inkomsten en werkgelegenheid, worden nieuwe lokale energiebronnen aangeboord, wordt de netinfrastructuur versterkt en kan een nieuwe industriële sector worden opgezet voor de vervaardiging van onderdelen; beseft dat een breder gebruik van hernieuwbare energie vaak wordt belemmerd door het ontbreken van stimulansen en door de beperkte capaciteit van de netwerken, waardoor zij momenteel stroom uit hernieuwbare energiebronnen onvoldoende kunnen opnemen en distribueren; verzoekt de Commissie de ontwikkeling en bevordering van lokale deskundigheid op deze terreinen, de overdracht van technische kennis, de snelle uitrol van slimme technologie en de ontwikkeling van gezamenlijke onderzoeksprojecten te stimuleren door steun te geven aan opleidingsprogramma's voor technische faculteiten, onderzoekscentra voor hernieuwbare energie en regelgevende instanties;

    9.  onderstreept de noodzaak van grensoverschrijdende samenwerking in het Donaugebied, dat als poort naar de westelijke Balkan geldt, de rol van de EU-strategie voor het Donaugebied bij de verbetering van de nabuurschapsbetrekkingen in Midden- en Zuidoost-Europa, en het feit dat deze strategie een aanzienlijke meerwaarde oplevert voor het EU-beleid voor Oost-Europa en daarmee een uitstekend middel voor de gehele Unie is om de politieke en economische samenwerking op de Balkan aan te zwengelen en zo het Europese integratieproces in deze regio te verbreden en te consolideren;

    10. onderstreept dat het van belang is de ervaringen in de EU met de hervormingen van de energiesector te delen met de buurlanden, zoals Oekraïne, om aan de modernisering van hun gasdoorvoersysteem bij te dragen en transparante marktregels, milieubescherming en eerlijke voorwaarden voor de energiehandel te bevorderen;

    11. merkt op dat aan nucleaire beveiliging en veiligheid hoge prioriteit moet worden toegekend in de dialoog tussen de EU en haar buurlanden, met name in gebieden met veel seismische activiteit; is van mening dat de EU in multilateraal overleg, o.a. onder auspiciën van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA), dient te pleiten voor internationale, juridisch bindende kernveiligheidsnormen, en ernaar moet streven dat ook in de buurlanden van de EU kernveiligheidsbeoordelingen worden ingevoerd; wijst erop dat het delen van informatie op het gebied van nucleair onderzoek moet worden aangemoedigd, evenals de uitwisseling van technische en wetenschappelijke deskundigheid op dit gebied;

    12. is verheugd over het voornemen van de Commissie om het integratie- en liberaliseringsproces op de energiemarkt te versnellen door de verdere convergentie van de regelgevingskaders te stimuleren, uitgaande van het werk van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER); acht, niettegenstaande de terechte aandacht in het Energiegemeenschapsverdrag voor het risico van koolstoflekkage, verbreding en verdieping van de Energiegemeenschap noodzakelijk om een behoorlijke marktwerking en rechtszekerheid voor investeringen te waarborgen; stimuleert gezamenlijke regelgevingsprojecten, zoals MEDREG, en de bevordering van geharmoniseerde, transparante en niet-discriminerende marktregels en de uitwisseling van knowhow en ervaring;

    13. onderstreept dat in het Zwarte-Zeegebied de multilaterale samenwerking op energiegebied moet worden geconsolideerd, uitgaande van de leidende beginselen die zijn vastgesteld door de WTO en in het Verdrag inzake het Energiehandvest; pleit voor volledige integratie van de markten en het regelgevingskader op basis van de energie- en milieuwetgeving van de EU, en moedigt de landen in het ruimere Zwarte-Zeegebied aan tot toetreding tot het Verdrag inzake het Energiehandvest, terwijl het er ook voorstander van is dat de EU, de EIB en de EBWO steun verlenen voor de modernisering van de energie-infrastructuur in de ENB-landen;

    14. herinnert de bij het Energiehandvest aangesloten leden aan hun verplichtingen uit hoofde van het verdrag en de bijbehorende wijzigingen en protocollen; onderstreept dat uitspraken na een geschillenbeslechting volledig moeten worden geëerbiedigd en uitgevoerd; moedigt aan dat de Noord-Afrikaanse landen die momenteel de status van waarnemer hebben, een volledig lidmaatschap krijgen;

    15. is van mening dat de EU een betere samenwerking met de ENB-landen op energiegebied dient aan te moedigen om de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen en de regels van de interne markt van de EU uit te dragen;

    16. steunt verdere samenwerking op terreinen als industrie, kmo's, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, ICT met inbegrip van de veiligheid van IT-systemen, ruimtevaart en toerisme; is verheugd over de voorstellen van de Commissie voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kennis- en innovatieruimte en een op ICT gebaseerde digitale economie, en verzoekt de lidstaten en buurlanden te bevestigen dat zij zich ervoor willen inzetten in die richting vooruitgang te boeken; wijst opnieuw op het belang van doeltreffende mechanismen om de handel en investeringen tussen de EU en haar buurlanden te faciliteren, teneinde handelspartnerschappen te versterken en de marktdeelnemers, met name kmo's, toegang te geven tot adequate, betrouwbare informatie over de handels- en investeringsvoorwaarden in partnerlanden;

    17. wijst op de voordelen van initiatieven waarin de EU en haar buurlanden onderzoek gezamenlijk plannen; moedigt er met het oog daarop toe aan een sterkere coördinatie, samenwerking en synergie te bereiken tussen alle door de Middellandse Zeelanden gefinancierde nationale onderzoeksprogramma's en -activiteiten om de globale samenhang en doeltreffendheid van de activiteiten inzake milieuonderzoek in de regio te verbeteren, naar het voorbeeld van het gemeenschappelijke onderzoeksprogramma voor de Oostzee (BONUS 169);

    18. onderkent de prestaties van het BSI-project (Black Sea Interconnection) bij de totstandbrenging van een regionaal onderzoeks- en onderwijsnetwerk in de bredere Zwarte Zeeregio en de dwarsverbanden met GEANT, en roept de Commissie op om steun te blijven verlenen aan in het Zwarte Zeegebied opgezette onderzoeksprojecten, zoals HP-SEE, SEE-GRID, SCENE, CAREN en BSRN;

    19. ziet uit naar de voorstellen van de Commissie voor het nieuwe Europees nabuurschapsinstrument (ENI), is verheugd over het "meer voor meer"-ijkpunt van de Commissie en moedigt verdere differentiëring, flexibiliteit en conditionaliteit bij de steunverlening aan; pleit voor een "landenbenadering" die zou kunnen uitmonden in "gedifferentieerde partnerschapscontracten" binnen het ENB; merkt op dat de financiële regels van de EU weliswaar volledig in acht moeten worden genomen, maar dat de weg naar EU-steun – voornamelijk ter ondersteuning van concrete projecten en minder voor advisering – gemakkelijk te bewandelen moet zijn en dat een rigide kader het streven naar uitmuntendheid niet mag belemmeren;

    20. acht het van belang dat er gestreefd wordt naar een goed evenwicht tussen het oostelijke en het zuidelijke nabuurschap; verzoekt de Commissie het tempo te verhogen bij de afronding en uitvoering van associatieovereenkomsten, inclusief de DCFTA's (diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten);

    21. wijst erop dat het ENB moet worden gezien als een macroregionale strategie waarin de maatregelen van de EU en de lidstaten op regionaal niveau worden gecoördineerd; op Euromediterraan niveau zou een synergie kunnen worden gerealiseerd tussen een dergelijke strategie en de multilaterale projecten die in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied worden opgestart, zoals het mediterrane plan voor zonne-energie, de civiele veiligheid, snelle verbindingen over zee en de bestrijding van verontreiniging van de Middellandse Zee;

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    20.10.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    35

    0

    4

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Jean-Pierre Audy, Zigmantas Balčytis, Ivo Belet, Bendt Bendtsen, Jan Březina, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Adam Gierek, Norbert Glante, Jacky Hénin, Edit Herczog, Romana Jordan Cizelj, Krišjānis Kariņš, Lena Kolarska-Bobińska, Béla Kovács, Philippe Lamberts, Bogdan Kazimierz Marcinkiewicz, Judith A. Merkies, Jaroslav Paška, Herbert Reul, Jens Rohde, Francisco Sosa Wagner, Konrad Szymański, Ioannis A. Tsoukalas, Claude Turmes, Niki Tzavela, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Alejo Vidal-Quadras

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Maria Badia i Cutchet, Jolanta Emilia Hibner, Sajjad Karim, Bernd Lange, Markus Pieper, Hannu Takkula, Silvia-Adriana Ţicău, Catherine Trautmann, Hermann Winkler

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Judith Sargentini

    ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (19.10.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Lena Kolarska-Bobińska

    SUGGESTIES

    De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  is van mening dat de principes inzake territoriale samenwerking ook gelden voor de buitengrenzen en een belangrijk instrument zijn om de economische ontwikkeling van de EU te bevorderen, alsmede om de algemene politieke doelstellingen van het Europees nabuurschapsbeleid, inclusief de bevordering van de democratie, te ondersteunen; is van mening dat deze doelstellingen alleen kunnen worden gehaald met de medewerking van zowel het maatschappelijk middenveld, als de regionale en lokale overheden, teneinde praktische manieren te vinden om in te spelen op de concrete behoeften van burgers én om rekening te houden met de verscheidenheid aan territoriale omstandigheden binnen de ENB-landen, alsook ter bevordering van de beginselen van subsidiariteit en meerlagig bestuur; onderstreept dat de Commissie haar geïntegreerde aanpak moet uitbreiden, zodat de lokale en regionale overheden duidelijk worden ondersteund als een van de ENB-peilers en als hoeders van het algemeen belang;

    2.  is van oordeel dat het ENB, teneinde de ontwikkelingskloof en de spanningen tussen grensoverschrijdende gemeenschappen te verkleinen, steun moet verlenen aan door lokale en regionale overheden opgezette praktische projecten inzake duurzame wederzijdse ontwikkeling, sociaal-economische cohesie en een stevig regelgevend kader voor ondernemerschap/bedrijfsleven zonder corruptie; is van mening dat grensoverschrijdende lokale en regionale overheden moeten leren hun goede praktijken beter te coördineren en doeltreffender uit te wisselen met het oog op het benutten van gemeenschappelijke ontwikkelingskansen;

    3.  benadrukt het grote potentieel van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) waarbij regio's buiten de buitengrenzen zijn betrokken; moedigt ertoe aan om met buurlanden van de Unie specifieke overeenkomsten te sluiten betreffende de invoering van nationale wetgeving die het mogelijk maakt dat lokale en regionale overheden, in overeenstemming met hun nationaal recht en bilaterale overeenkomsten, aan EGTS deelnemen;

    4.  benadrukt het feit dat de Euregio's een belangrijke rol spelen voor het halen van de doelstellingen van het cohesiebeleid en moedigt de Commissie ertoe aan de ontwikkeling ervan te ondersteunen en te bevorderen, met name in grensregio's, om te bewerkstelligen dat de Euregio's een belangrijkere rol binnen het Europees nabuurschapsbeleid spelen;

    5.  is van oordeel dat het toekomstige ENB oog moet hebben voor de rol van de ultraperifere regio's in het EU-beleid op het gebied van de externe betrekkingen; wijst erop dat de ultraperifere regio's het externe beleid van de EU daadwerkelijk kunnen beïnvloeden aangezien zij de EU enerzijds in de gelegenheid stellen nauwere betrekkingen te onderhouden met een groot aantal derde landen en anderzijds complexe kwesties aan te pakken, zoals illegale migratie; roept de Commissie op voor grotere flexibiliteit te zorgen bij de mogelijkheden voor innoverende financiering van cohesiebeleidprojecten, teneinde deze mogelijk te maken in en van nut te laten zijn voor zowel Europese regio's, als regio's in derde landen;

    6.  stelt zich op het standpunt dat de nieuwe ENB-benadering ertoe moet leiden dat de macroregionale strategieën van de EU en het potentieel van de Europese macroregio's, waartoe ook buurlanden van de EU behoren, volledig worden benut met het oog op een betere coördinatie van prioriteiten en projecten van gemeenschappelijk belang voor de EU-lidstaten en de ENB-landen, teneinde resultaten te kunnen bereiken die voor beide zijden voordelen opleveren en een optimaal gebruik van geïnvesteerde middelen te waarborgen;

    7.  onderstreept het feit dat het ENB ruim moet worden opgevat, teneinde de economische ontwikkeling van de aangrenzende gebieden te bevorderen; benadrukt dat een versoepeling van de visumplicht een positieve impact heeft op de uitvoering van projecten voor grensoverschrijdende samenwerking, het lokale grensverkeer en de ontwikkeling van regionale markten, met name voor groepen als studenten, onderzoekers, zakenmensen, kunstenaars en journalisten; verzoekt de Commissie in dit verband de definitie van grensgebied, indien wenselijk en overeenkomstig de behoeften van de gebieden zelf, te wijzigen, ervoor te zorgen dat meer personen rechten op het gebied van lokale grensoverschrijdende verplaatsingen genieten en zich vrij kunnen verplaatsen in de hele grensregio;

    8.  begrijpt dat het DG Regionale ontwikkeling van de Commissie ruime ervaring heeft met het beheer van het EFRO en is ervan overtuigd dat de doelstellingen van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument ermee gediend zouden zijn, als met betrekking tot middelenbeheer het advies van het DG Regionale ontwikkeling zou worden ingewonnen; is daarom van mening dat het beheer van de financiële instrumenten in kwestie, wat programma's op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking betreft, moet worden teruggegeven aan het DG Regionale ontwikkeling, dat hiervoor in het verleden verantwoordelijk was;

    9.  wijst erop dat regio's een cruciale rol spelen voor het succes van sociale en economische hervormingen op de lange termijn en voor stabiele groei; is derhalve van oordeel dat de partnerlanden eigen middelen moeten gebruiken voor, en het maatschappelijk middenveld en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven moeten betrekken bij de tenuitvoerlegging van projecten, en hen meer verantwoordelijkheden moeten geven, teneinde positieve resultaten te boeken;

    10. is van mening dat de versterking van het Oostelijk Partnerschap van centraal belang zal zijn voor de ontwikkeling van de grensregio's van de EU; benadrukt dat het Oostelijk Partnerschap en regionale ontwikkeling hand in hand moeten gaan en bi- en multilaterale samenwerking, zoals vrijhandelsakkoorden, en naar behoren gefinancierde gezamenlijke projecten, zoals uitwisselingen op cultureel gebied of tussen maatschappelijke organisaties, dienen aan te moedigen;

    11. benadrukt dat, met name gezien de recente bemoedigende ontwikkelingen in Noord-Afrika, aan het Barcelona-proces en de Middellandse Zee-Unie een nieuwe impuls moet worden gegeven wat betreft de regionale ontwikkeling, waarbij passende bi- en multilaterale samenwerking, zoals vrijhandelsakkoorden en uitwisselingen op cultureel gebied of tussen maatschappelijke organisaties, moet worden aangemoedigd;

    12. benadrukt dat zowel het Oostelijk Partnerschap als de Middellandse Zee-Unie van vitaal belang is voor de regionale ontwikkeling; onderstreept dat deze beleidsonderdelen, niettegenstaande de belangrijke politieke gebeurtenissen, op evenwichtige wijze moeten worden gehanteerd, teneinde een goed uitgebalanceerde aanpak te waarborgen, met name waar het om financiële en institutionele aspecten gaat.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    6.10.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    40

    2

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    François Alfonsi, Luís Paulo Alves, Charalampos Angourakis, Catherine Bearder, Jean-Paul Besset, Victor Boştinaru, Philip Bradbourn, Zuzana Brzobohatá, John Bufton, Alain Cadec, Salvatore Caronna, Tamás Deutsch, Rosa Estaràs Ferragut, Brice Hortefeux, Danuta Maria Hübner, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Juozas Imbrasas, María Irigoyen Pérez, Seán Kelly, Mojca Kleva, Ramona Nicole Mănescu, Riikka Manner, Iosif Matula, Erminia Mazzoni, Jan Olbrycht, Monika Smolková, Georgios Stavrakakis, Nuno Teixeira, Michail Tremopoulos, Viktor Uspaskich, Lambert van Nistelrooij, Oldřich Vlasák, Kerstin Westphal, Joachim Zeller, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Jens Geier, Lena Kolarska-Bobińska, Maurice Ponga, Elisabeth Schroedter, Patrice Tirolien, Giommaria Uggias, Derek Vaughan, Sabine Verheyen

    ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (7.10.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Marek Henryk Migalski

    SUGGESTIES

    De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  dringt aan op rechtvaardige verdeling en afstemming van de huidige financiering van de mobiliteit en de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld uit hoofde van de financiële programma's van het Europees nabuurschapsbeleid, zodat de oostelijke en de zuidelijke regio's op een evenwichtige manier kunnen profiteren van de externe samenwerking van de EU naar gelang de uitdagingen waarmee ze worden geconfronteerd;

    2.  onderstreept met klem het verband tussen enerzijds de uitwisseling en samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs en sport tussen de Europese Unie en de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid, en anderzijds de ontwikkeling en versterking van een open maatschappelijk middenveld, de democratie en de rechtsstaat, alsook de verspreiding van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten; wijst erop dat samenwerking op deze vlakken meerwaarde heeft, zowel voor de Unie als voor de landen van het Europees nabuurschapsbeleid;

    3.  waardeert de huidige EU-programma's voor mobiliteit en regionale projecten, en bevestigt dat in het bijzonder de opleidingskansen voor jongeren aanzienlijk verbeterd zijn dankzij de EU-programma's voor jonge mensen; onderstreept dat uitwisselingen en samenwerking op cultureel en onderwijsgebied het maatschappelijk middenveld kunnen versterken, de democratisering in de hand kunnen werken en het wederzijds begrip tussen volkeren kunnen stimuleren; verzoekt de lidstaten daarom – voor zover mogelijk – de beste studenten uit partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid toegang te verschaffen tot onderwijs en opleidingen en hen in aanmerking te laten komen voor beurzen waarmee zij in de EU kunnen studeren;

    4.  dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan de volgende generatie mobiliteits-, onderwijs- en jeugdprogramma's vanaf 2014 voor de buurlanden van de EU open te stellen om die landen de mogelijkheid te bieden aan deze programma's deel te nemen; dringt erop aan dat de Commissie het aanbod aan mobiliteitsprogramma's uitbreidt, door onder meer een uitwisselingsprogramma op te nemen bestemd voor het maatschappelijk middenveld en werknemers van sociale ondernemingen; verzoekt de lidstaten opleidingsinitiatieven (o.a. het leren van de taal van de buurlanden) en twinninginitiatieven voor ambtenaren aan te moedigen;

    5.  acht het van belang dat in de uitwisselingsprogramma's het wederkerigheidsbeginsel wordt nageleefd, zodat jongeren uit de EU ook de mogelijkheid krijgen een opleiding te volgen in de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid;

    6.  onderstreept dat het Tempus IV-programma meerwaarde heeft voor de bevordering van de samenwerking en voor de inspanningen met het oog op de modernisering van de onderwijsstelsels van de buurlanden van de Unie en verzoekt de Commissie het programma in kwestie in het volgende meerjarig financieel kader te steunen;

    7.  is ingenomen met de invloed van de Euromediterrane universiteit, pleit ervoor dit succes onder de aandacht te brengen, en is daarom van mening dat een soortgelijk initiatief moet worden genomen voor de regio van het oostelijk partnerschap;

    8.  acht het wenselijk dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de ervaringen op onderwijsgebied van de lidstaten die het concept van het Europees nabuurschapsbeleid al uitvoeren, waaronder initiatieven als het centrum voor Oost-Europese studies in Warschau; herinnert de EU en de lidstaten er in dit verband aan hoe belangrijk het is belemmeringen voor het vrij verkeer van personen uit de weg te ruimen en benadrukt dat de visumregelingen voor studenten en jongeren in oostelijke partnerschapslanden die graag in EU-landen willen studeren, geliberaliseerd moeten worden; moedigt de lidstaten aan gratis visa te introduceren voor studenten van de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid;

    9.  benadrukt dat uitgebreidere synergieën tussen Youth on the Move en het Europees nabuurschapsbeleid noodzakelijk zijn, zodat de mobiliteit van studenten tussen de EU en haar buurlanden meer kansen krijgt, waar zowel de EU als de jongeren uit deze landen belang bij hebben; onderstreept dat dit hand in hand moet gaan met stimulering van deze projecten door de media in de buurlanden van de EU;

    10. verzoekt de Commissie meer partnerschapsakkoorden inzake mobiliteit met buurlanden te sluiten; wijst er in dit verband op dat rekening moet worden gehouden met de inkomensverschillen tussen de inwoners van de Europese Unie en die van de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid, en dat moet worden nagedacht over verbetering van het beurzenstelsel;

    11. dringt erop aan dat de Commissie aandacht besteedt aan de mobiliteit van studenten, academici, onderzoekers en zakenmensen door voldoende middelen uit te trekken, de bestaande beurzenprogramma's te versterken en uit te breiden, en door te zorgen voor gestructureerde samenwerking op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek, bevordering van uitwisselingen tussen universiteiten en publiek-private onderzoekspartnerschappen;

    12. acht het, gezien de educatieve waarde van sport, van belang dat de samenwerking op sportief gebied met de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid wordt versterkt; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten zich in te zetten voor vrij verkeer van atleten overal ter wereld, om te beginnen met de atleten uit de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid;

    13. is van mening dat de internationale, regionale en interregionale culturele samenwerking, die gebaseerd is op een daadwerkelijke dialoog tussen de culturen en waar alle sectoren van de samenleving bij worden betrokken (overheden, instellingen organisaties en verenigingen in de culturele sector), van essentieel belang is; roept de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid ertoe op het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen te ondertekenen en te ratificeren;

    14. meent dat het stimuleren van deelname aan culturele programma's van de EU gunstig is voor de materiële en immateriële ontwikkeling in de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid, en dat cultuur ook een grote rol speelt bij de bevordering van innovatie, democratie, eerbiediging van de mensenrechten, ondernemerschap en creativiteit; onderstreept daarom het belang van programma's als Media Mundus, van de projecten onder auspiciën van de Unie voor het Middellandse Zeegebied en van het cultureel programma van het oostelijk partnerschap; steunt de Commissie in haar plan om de bijzondere actie van het programma Cultuur een vervolg te geven, en zegt zijn steun toe aan de openstelling van het volgende cultuurprogramma (2014-2020) voor de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid;

    15. wijst er voorts op dat de procedures voor de indiening, evaluatie en financiering van projecten vereenvoudigd moeten worden opdat het maatschappelijk middenveld in de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid een duidelijk beeld krijgt van alle mogelijkheden en deze in volledige transparantie kan benutten;

    16. is van mening dat de culturele en mobiliteitsprogramma's ook gericht moeten zijn op de mobiliteit van kunstenaars en kunststudenten, waarmee creatieve en culturele verrijking en uitwisseling wordt gestimuleerd;

    17. pleit voor de invoering van een cultureel visum voor kunstenaars en andere beroepsbeoefenaars uit de culturele sector uit de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid; verzoekt de Commissie tevens een initiatief op het gebied van visa voor kort verblijf voor te stellen, teneinde de hinderpalen voor mobiliteit in de culturele sector weg te nemen;

    18. roept de EDEO en de Commissie ertoe op de strategische inzet van culturele aspecten van het extern beleid te coördineren en zo cultuur consequent en systematisch te integreren in de externe betrekkingen van de EU, en aansluiting te zoeken bij het extern cultuurbeleid van de lidstaten;

    19. dringt aan op een evaluatie van de bestaande programma's met het oog op waarborging van efficiënt gebruik van middelen, zodat de doelstellingen van de EU worden gehaald; dringt aan op het stroomlijnen van de interne operaties binnen de Commissie die betrekking hebben op het functioneren van de diverse bestaande programma's en projecten voor onderwijs en cultuur;

    20. benadrukt hoe belangrijk netwerken van plaatselijke overheden (in het bijzonder stedenbanden), openbare actoren van de EU en begunstigde partnerlanden van het ENB zijn voor de toename van politieke, economische en culturele uitwisselingen met deze landen; dringt in dat opzicht aan op betere informatievoorziening aan en begeleiding van de initiatiefnemers van projecten en de begunstigden van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI); spoort aan tot het creëren van Europese platforms voor uitwisseling van informatie en beste praktijken;

    21. onderstreept dat de fundamentele vrijheden, met name de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en het recht om contacten te leggen en te communiceren (online en offline) essentiële voorwaarden zijn voor culturele uitingen, uitwisselingen en dialoog; dringt er daarom op aan dat de Commissie en de lidstaten deze vrijheden, waaronder het vrije internet, zowel binnen de EU als daarbuiten naleven en bevorderen;

    22. verzoekt de EDEO te zorgen voor een constructieve uitwisseling met de overheden van de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid en met de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van culturele actoren, om de dialoog over de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te intensiveren, en in het bijzonder toe te zien op de naleving van de vrijheid van de media en meer in het algemeen de vrijheid van meningsuiting en de vrije toegang tot informatie;

    23. verzoekt de EDEO het maatschappelijk middenveld, onafhankelijke media en non-gouvernementele organisaties politiek en financieel te steunen in hun streven naar een democratisch bestel en een rechtsstaat in alle partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid waar fundamentele vrijheden en mensenrechten worden geschonden;

    24. verzoekt de EDEO voorts de stijgende toepassing van censuur en het groeiende toezicht op het internetgebruik door repressieve regimes te veroordelen; toont zich bezorgd over en veroordeelt de inperking van de vrijheid van meningsuiting en de intimidatie van de oppositie in bijvoorbeeld Wit-Rusland; verzoekt de Commissie consequent te blijven eisen dat gevangen journalisten worden vrijgelaten;

    25. onderstreept de noodzaak om culturele en onderwijsprogramma's op te starten, uit te voeren en te ondersteunen met als doel de verspreiding en bevordering van de fundamentele waarden van de participatieve democratie, in het bijzonder de naleving van de mensenrechten en de rechten van de minderheden; merkt op dat deze programma's zowel voor individuen toegankelijk moeten zijn als voor culturele en onderwijsinstellingen van de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    5.10.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    26

    0

    2

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Magdi Cristiano Allam, Maria Badia i Cutchet, Malika Benarab-Attou, Lothar Bisky, Jean-Marie Cavada, Santiago Fisas Ayxela, Mary Honeyball, Cătălin Sorin Ivan, Petra Kammerevert, Morten Løkkegaard, Marek Henryk Migalski, Katarína Neveďalová, Doris Pack, Chrysoula Paliadeli, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Marietje Schaake, Marco Scurria, Hannu Takkula, Sampo Terho, László Tőkés, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Milan Zver

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Heinz K. Becker, Ivo Belet, Luigi Berlinguer, Nessa Childers, Seán Kelly, Iosif Matula, Georgios Papanikolaou

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Jacky Hénin

    ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (18.10.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Hélène Flautre

    SUGGESTIES

    De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  acht het van essentieel belang dat de EU via haar herziene nabuurschapsbeleid de aspiraties ondersteunt van degenen die zich sterk maken voor democratie, rechtsstatelijkheid, sociale rechtvaardigheid en mensenrechten, en onderstreept dat mobiliteit een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van de nieuwe nabuurschapstrategie; roept in dit verband de EU op al haar steun aan het democratiseringsproces te geven door niet alleen humanitaire hulp te bieden maar ook hulp bij de politieke, sociale, economische en culturele hervormingen;

    2.  herinnert er in dit verband aan dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement moeten naleven en er alles aan moeten doen om een toegankelijk, rechtvaardig en bescherming biedend Europees asielsysteem op te zetten;

    3.  is van oordeel dat de herziening van het ENB de EU de gelegenheid biedt haar in de artikelen 2, 3, 6 en 8 van het VEU genoemde doelstellingen en waarden daadwerkelijk te realiseren respectievelijk in ere te houden;

    4.  verzoekt de Raad en de Commissie een gestructureerde dialoog met de autoriteiten van derde landen te organiseren om tot een win-winbenadering voor mobiliteit te komen, de visumformaliteiten te versoepelen, de mogelijkheden van de EU-visumcode beter te benutten, voort te maken met de liberalisering van het visumbeleid, en de bestaande mobiliteitspartnerschappen te evalueren, en daarbij in het bijzonder te letten op de effecten van de interdependentie tussen ontwikkelingshulp, veiligheid, en reguliere en irreguliere migratie, zoals omschreven in de Globale aanpak van migratie; dringt erop aan speciaal erop toe te zien dat de partnerlanden niet te lijden krijgen onder brain drain;

    5.  verzoekt de lidstaten en de EU het Protocol te ratificeren tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, gehecht aan het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit; meent dat de herziening van het ENB gelegenheid biedt voor het nemen van specifieke maatregelen op deze gebieden; stemt in met hetgeen de Commissie constateert omtrent migratie om familiegerelateerde redenen en ziet belangstellend uit naar het komende groenboek hierover;

    6.  is van oordeel dat het in het kader van een samenhangende langetermijnstrategie noodzakelijk is de dieperliggende oorzaken van de migrantenstromen te onderzoeken, opdat voor wat betreft het recht op mobiliteit passender antwoorden kunnen worden geboden;

    7.  verzoekt de Commissie de EU-subsidiëring van projecten gericht op voorlichting aan migranten over hun rechten en plichten, en op bescherming van hun rechten, te verhogen en te kanaliseren, met bijzondere aandacht voor de rechten van onbegeleide minderjarigen, vrouwen en andere kwetsbare groepen; vraagt de Commissie daarom aan het Parlement gedetailleerd verslag uit te brengen over de aanwending van voor de nabuurlanden gereserveerde EU-gelden, waaronder ook de middelen uit hoofde van het thematisch programma van de Commissie voor samenwerking met derde landen op het terrein van migratie en asiel;

    8.  is sterk voorstander van partnerschappen met maatschappelijke organisaties en vraagt de Commissie en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger dan ook hiertoe de nodige mechanismen in het leven te roepen, zoals met name een mechanisme dat het middenveld betrekt bij zowel de vaststelling van doelstellingen en criteria als bij de uitvoering van en het toezicht op alle overeenkomsten met partners, een voortdurende transparante dialoog met democratisch gekozen autoriteiten en nationale parlementen over JBZ-aangelegenheden, en een intensievere controle van het EP op de eerbiediging van de democratie binnen alle mechanismen, dialogen en overeenkomsten over migratie;

    9.  verzoekt de Commissie en de Raad de vluchtelingencrisis zonder dralen aan te pakken door een onderzoek in te stellen naar schipbreuken met bootvluchtelingen en daarmee verband houdende gevallen van hulpverzuim op zee, in samenwerking met de commissaris voor de Mensenrechten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, door de EU-lidstaten te vragen hun afspraken met derde landen openbaar te maken, door steun te bieden aan de betrokken landen, en in het bijzonder door de mogelijkheden te verkennen om een humanitaire corridor in te richten en door onverwijld de onderhandelingen over het gemeenschappelijk hervestigingsprogramma van de EU te deblokkeren; roept de lidstaten op, in partnerschap met de UNHCR, een nieuwe vestigingsplaats te bieden aan de vluchtelingen uit Libië, die nog steeds vastzitten in de kampen aan de grenzen met Tunesië en Egypte en bij terugkeer in Libië hun leven riskeren wegens de agressie tegen mensen uit landen van beneden de Sahara; verzoekt de Europese Commissie nader toe te lichten onder welke precieze omstandigheden de lidstaten die een "onevenredig grote toestroom van ontheemden" te verduren hebben, zich kunnen beroepen op de bepalingen van richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden; vraagt de Commissie en de Raad erop toe te zien dat de mededeling van de Commissie "Evaluatie van de EU-overnameovereenkomsten" de nodige vervolgaandacht krijgt, met name waar het gaat om eerbiediging van de grondrechten bij de tenuitvoerlegging van deze overeenkomsten.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    17.10.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    35

    2

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Jan Philipp Albrecht, Rita Borsellino, Simon Busuttil, Philip Claeys, Carlos Coelho, Tanja Fajon, Hélène Flautre, Kinga Gál, Kinga Göncz, Ágnes Hankiss, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Lívia Járóka, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Juan Fernando López Aguilar, Baroness Sarah Ludford, Monica Luisa Macovei, Véronique Mathieu, Claude Moraes, Jan Mulder, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Rui Tavares, Kyriacos Triantaphyllides, Axel Voss, Auke Zijlstra

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Edit Bauer, Anna Maria Corazza Bildt, Dimitrios Droutsas, Ana Gomes

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Albert Deß, Mikael Gustafsson, Gabriele Zimmer

    ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (25.10.2011)

    aan de Commissie buitenlandse zaken

    inzake de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid
    (2011/2157(INI))

    Rapporteur voor advies: Andrew Duff

    SUGGESTIES

    De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  steunt de inbedding in het ENB van wat vroeger losse onderdelen van het buitenlands en het ontwikkelingsbeleid waren; wil komen tot een versterkt geheel van institutionele regelingen dat stabiel en kosteneffectief is en resoluut streeft naar meer economische integratie, politieke samenwerking tussen alle betrokkenen en de harmonisering van de waarden van de buurlanden met die van de Europese Unie in alle internationale fora, in het bijzonder binnen de Verenigde Naties;

    2.  benadrukt het belang van een gedecentraliseerd ENB met het oog op een grotere betrokkenheid van de samenlevingen van de buurlanden; is daarom verheugd over de toezegging van de Commissie om met behulp van instrumenten als de Faciliteit voor het maatschappelijk middenveld partnerschappen met samenlevingen op te zetten;

    3.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om overlapping te vermijden, om zich binnen de multilaterale fora van het ENB op strategische aangelegenheden te concentreren en om subregionale en bilaterale contacten aan te wenden om specifieke investeringsprojecten en samenwerkingsprogramma's op te zetten; dringt erop aan dat bestaande financieringsinstrumenten zo worden ingezet dat hun potentieel ten volle wordt benut; benadrukt het belang van de uitbouw van doeltreffende subregionale partnerschappen in het ruimere Middellandse Zeegebied en van het voortzetten van gelijkaardige initiatieven binnen het oostelijk partnerschap;

    4.  erkent dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied voor grote uitdagingen staat, aangezien ze heeft haar opdracht tot nu toe niet heeft vervuld en niet heeft gezorgd voor meer samenwerking in het ruimere Middellandse Zeegebied; staat helemaal achter de huidige pogingen tot revitalisering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, benadrukt ook dat er een belangrijke rol voor haar weggelegd is in het democratiseringsproces ten zuiden van de Middellandse Zee; meent dat dit proces om bijzondere aandacht en betrokkenheid van de Unie vraagt en dat er acties nodig zijn om de regionale samenwerking te bevorderen; verzoekt daarom de bestaande structuren voor regionale samenwerking te herbekijken en ze aan te passen aan de uit de nieuwe situatie voortkomende behoeften, en dit door het potentieel van de Europese Dienst voor extern optreden ten volle te benutten; dringt er met name op aan dat het Europese onderdeel van het partnerschap volledig wordt geïntegreerd in het conventionele EU-kader onder auspiciën van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter en de Europese Dienst voor extern optreden;

    5.  benadrukt dat de parlementaire dimensie van het ENB ondanks de bestaande uitdagingen zeer belangrijk blijft, aangezien ze de uitwisseling van zowel ervaringen als ideeën mogelijk maakt en dit het parlementair systeem in de betrokken landen ten goede komt; beveelt met het oog op de goede werking van deze dimensie aan de praktische regelingen voor Euronest en de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering systematisch te evalueren en waar mogelijk te verbeteren;

    6.  is verheugd over het feit dat het ENB voortaan focust op alomvattende institutionele opbouw; zou meer duidelijkheid willen over de betekenis daarvan en over de relevantie voor de differentiatie tussen de ENP-landen met een 'geavanceerde status';

    7.  beveelt een strikte scheiding aan tussen de intergouvernementele en niet-gouvernementele functies van respectievelijk het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten van de EU en het Europees Fonds voor democratie, die complementair moeten zijn; wijst erop dat de EU snelle en flexibele subsidiëringsmethoden moet uitwerken om pluralistische samenlevingen – met als exponent daarvan democratische politieke partijen – te helpen bij de uitbouw van een diepgewortelde, stabiele en seculiere democratie.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    24.10.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    15

    1

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Andrew Henry William Brons, Carlo Casini, Andrew Duff, Roberto Gualtieri, Zita Gurmai, Stanimir Ilchev, Constance Le Grip, David Martin, Paulo Rangel, György Schöpflin, József Szájer, Rafał Trzaskowski

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Sandrine Bélier, Zuzana Brzobohatá, Marietta Giannakou, Helmut Scholz, Alexandra Thein

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    17.11.2011

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    57

    0

    5

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Gabriele Albertini, Pino Arlacchi, Bastiaan Belder, Elmar Brok, Arnaud Danjean, Mário David, Michael Gahler, Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Takis Hadjigeorgiou, Anna Ibrisagic, Anneli Jäätteenmäki, Jelko Kacin, Othmar Karas, Ioannis Kasoulides, Nicole Kiil-Nielsen, Maria Eleni Koppa, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Vytautas Landsbergis, Krzysztof Lisek, Sabine Lösing, Ulrike Lunacek, Mario Mauro, Kyriakos Mavronikolas, Francisco José Millán Mon, Alexander Mirsky, María Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Norica Nicolai, Raimon Obiols, Pier Antonio Panzeri, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Bernd Posselt, Hans-Gert Pöttering, Cristian Dan Preda, Fiorello Provera, Tokia Saïfi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Nikolaos Salavrakos, Jacek Saryusz-Wolski, Werner Schulz, Marek Siwiec, Hannes Swoboda, Kristian Vigenin, Boris Zala

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Charalampos Angourakis, Véronique De Keyser, Andrew Duff, Göran Färm, Hélène Flautre, Roberto Gualtieri, Doris Pack, Helmut Scholz, György Schöpflin, Alf Svensson, Traian Ungureanu, Ivo Vajgl

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Marije Cornelissen, Rui Tavares, Ramon Tremosa i Balcells