Procedure : 2011/2212(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0100/2012

Ingediende teksten :

A7-0100/2012

Debatten :

PV 10/05/2012 - 9
CRE 10/05/2012 - 9

Stemmingen :

PV 10/05/2012 - 12.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0156

VERSLAG     
PDF 237kWORD 173k
3.4.2012
PE 475.759v02-00 A7-0100/2012

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010

(COM(2011)0471 – C7‑0273/2011 – 2011/2212(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Martin Ehrenhauser

AMENDEMENTEN
1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010

(COM(2011)0471 – C7‑0273/2011 – 2011/2212(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien het verslag van de Commissie over de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2009 (COM(2011)0736) en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SEC(2011)1350 en SEC(2011)1351),

–   gezien de financiële memoranda en de inkomsten- en uitgavenrekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010 (COM(2011)0471 – C7–0273/2011),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie van 27 april 2011 over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds in 2010,

–   gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2011)0334),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de door het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde activiteiten met betrekking tot het begrotingsjaar 2010, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(1), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de aanbevelingen van de Raad van 21 februari 2012 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010 (05458/2012 - C7‑0047/2012, 05459/2012 - C7-0048/2012, 05460/2012 - C7‑0049/2012),

–   gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000(3) en herzien in Luxemburg op 25 juni 2005(4),

–   gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ("LGO-besluit")(5) zoals gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG van de Raad van 19 maart 2007(6),

–   gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-Overeenkomst(7),

–   gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–   gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-Overeenkomst(9),

–   gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(10),

–   gezien artikel 142 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(11),

–   gezien artikel 76 en artikel 77, derde streepje, en bijlage VI van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0100/2012),

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen betreffende de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010

(COM(2011)0471 – C7‑0273/2011 – 2011/2212(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien het verslag van de Commissie over de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2009 (COM(2011)0736) en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SEC(2011)1350 en SEC(2011)1351),

–   gezien de financiële memoranda en de inkomsten- en uitgavenrekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010 (COM(2011)0471 – C7–0273/2011),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie van 27 april 2011 over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds in 2010,

–   gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2011)0334),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de door het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde activiteiten met betrekking tot het begrotingsjaar 2010, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(12), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer(13) waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de aanbevelingen van de Raad van 21 februari 2012 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010 (05458/2012 - C7‑0047/2012, 05459/2012 - C7-0048/2012, 05460/2012 - C7‑0049/2012),

–   gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000(14) en herzien in Luxemburg op 25 juni 2005(15),

–   gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap ("LGO-besluit")(16) zoals gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG van de Raad van 19 maart 2007(17),

–   gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-Overeenkomst(18),

–   gezien artikel 32 van het intern akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(19),

–   gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-Overeenkomst(20),

–   gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(21),

–   gezien artikel 142 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(22),

–   gezien artikel 76 en artikel 77, derde streepje, en bijlage VI van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0100/2012),

1.  merkt op dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds overeenkomen met Tabel 2 van het jaarverslag van de Rekenkamer;

2.  geeft zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010

(COM(2011)0471 – C7‑0273/2011 – 2011/2212(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien het verslag van de Commissie over de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2009 (COM(2011)0736) en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SEC(2011)1350 en SEC(2011)1351),

–   gezien de financiële memoranda en de inkomsten- en uitgavenrekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010 (COM(2011)0471 – C7–0273/2011),

–   gezien het jaarverslag van de Commissie van 27 april 2011 over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds in 2010,

–   gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2011)0334),

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de door het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde activiteiten met betrekking tot het begrotingsjaar 2010, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(23), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer(24) waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de aanbevelingen van de Raad van 21 februari 2012 inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de verrichtingen van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010 (05458/2012 - C7‑0047/2012, 05459/2012 - C7-0048/2012, 05460/2012 - C7‑0049/2012),

–   gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000(25) en herzien in Luxemburg op 25 juni 2005(26),

–   gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap ("LGO-besluit")(27) zoals gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG van de Raad van 19 maart 2007(28),

–   gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-Overeenkomst(29),

–   gezien artikel 32 van het intern akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(30),

–   gezien zijn resoluties van 5 juli 2011 over het trefzekerder maken van het EU-ontwikkelingsbeleid(31) en over de toekomst van EU-begrotingssteun aan ontwikkelingslanden(32),

–   gezien zijn resolutie van 22 mei 2008 over het vervolg op de Verklaring van Parijs van 2005 over de doeltreffendheid van de hulp(33),

–   gezien zijn resolutie van 28 september 2006 over meer en beter samenwerken: het pakket voor 2006 over de doeltreffendheid van de EU-ontwikkelingshulp(34),

–   gezien het verslag van het Comité ontwikkelingshulp (DAC) van de OESO over de doeltreffendheid van de hulp: tussentijds verslag over de uitvoering van de Verklaring van Parijs, van juni 2009,

–   gezien de consensus van Tunis met het oog op doeltreffende ontwikkeling van 4-5 november 2010 met betrekking tot de Afrikaanse agenda voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp,

–   gezien het slotdocument van de OESO-bijeenkomst op hoog niveau over de doeltreffendheid van hulp te Busan in december 2011,

–   gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-Overeenkomst(35),

–   gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(36),

–   gezien artikel 142 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(37),

–   gezien artikel 76 en artikel 77, derde streepje, en bijlage VI van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0100/2012),

A. overwegende dat de hoofddoelstelling van de Overeenkomst van Cotonou als kader voor de betrekkingen van de Unie met de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en de landen en gebieden overzee (LGO) is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te roeien, in overeenstemming met de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van de ACS-landen en de LGO in de wereldeconomie;

B.  overwegende dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) het belangrijkste financiële instrument is waarover de Unie beschikt voor de ontwikkelingssamenwerking met de ACS-landen;

C. overwegende dat de Commissie, ondanks het herhaalde verzoek van het Parlement om het EOF op te nemen in de begroting, in haar mededeling "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2020)0500) voor de periode 2014-2020 een EOF heeft voorgesteld buiten de begroting van de Unie, zodat het erbij blijft dat de EOF's niet overeenkomstig het algemene Financieel Reglement, maar volgens specifieke financiële regels worden uitgevoerd;

D. overwegende dat het totale hulpbedrag via het EOF aanzienlijk stijgt, aangezien de hoeveelheid EU-hulp in het kader van het tiende EOF voor de periode 2008-2013 is vastgesteld op 22 682 000 000 EUR, hetgeen een nominale toename van 37% per jaar betekent ten opzichte van de middelen in het negende EOF, en dat de EOF-uitbetalingen tussen 2000 ent 2010 weliswaar zijn verdubbeld, maar dat het probleem van de absorptiecapaciteit blijft bestaan;

E.  overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), die met de Commissie de verantwoordelijkheid deelt voor het beheer van de Europese ontwikkelingshulp, een jaar na de oprichting ervan is bekritiseerd om zijn inefficiëntie, alsmede ernstige structurele en overgangsproblemen in de delegaties van de Unie;

F.  overwegende dat het ontwikkelingshulplandschap voortdurend evolueert en dat ontwikkelingshulp deel uitmaakt van een ruimere context waarin handel, overschrijvingen en andere inkomstenbronnen tegenwoordig voor vele ontwikkelingslanden een belangrijkere rol spelen dan de totale officiële ontwikkelingshulp;

G. overwegende dat transparantie en verantwoordingsplicht – enerzijds tussen donors en partnerlanden en anderzijds tussen de partnerstaat en zijn burgers – onontbeerlijk zijn voor doeltreffende hulp; overwegende dat donors en deelnemende landen in de Verklaring van Parijs en de actieagenda van Accra voor doeltreffendheid van de hulp (AAA) overeengekomen zijn tijdig gedetailleerde informatie over huidige en toekomstige hulpstromen te verstrekken, zodat ontwikkelingslanden hun begroting nauwkeuriger kunnen opstellen en hun rekeningen nauwkeuriger kunnen controleren;

H. overwegende dat ontwikkelingshulp vaak wordt verstrekt in een context van zwakke staatsinstellingen, een sterke mate van corruptie en ontoereikende interne controlesystemen in het ontvangende land en dat de controle van de ontwikkelingsbegroting van de Unie derhalve van bijzonder groot belang is;

I.   overwegende dat de mondiale ontwikkelingssamenwerking in 2010 ernstig op de proef werd gesteld, o.a. door de mondiale financiële schuldencrisis, de stijgende voedselprijzen en de aardbeving in Haïti;

1.  herinnert eraan dat het EOF wordt uitgevoerd via projecten en begrotingsondersteuning, waarbij in 2010 66 % van de middelen naar projecten ging en 34 % werd besteed via begrotingsondersteuning; herinnert eraan dat in 2010 49 % van de betalingen uit het EOF werd beheerd via gecentraliseerd beheer, d.w.z. dat de Commissie de hulpactiviteiten rechtstreeks uitvoerde, 11 % van de betalingen werd beheerd via gezamenlijk beheer, d.w.z. via internationale organisaties als de Verenigde Naties en de Wereldbank, en 40 % van de betalingen werd beheerd via gedecentraliseerd beheer, d.w.z. dat de Commissie bepaalde uitvoeringstaken toevertrouwde aan de autoriteiten van de begunstigde landen;

2.  neemt er met voldoening kennis van dat de brutobetalingen een recordhoogte hebben bereikt en dat het vastleggingspercentage halverwege de looptijd van het tiende EOF ongeveer 50% bedraagt, waardoor de doelstelling om dit fonds tegen het einde van 2013 volledig te hebben vastgelegd haalbaar blijft; toont zich echter bezorgd over de zeer lage vastleggingspercentages van de begrotingslijnen voor de regio's (20%) en de landen en gebieden overzee (3%) halverwege de looptijd van het tiende EOF; verzoekt de Commissie met klem de uitvoering van de regionale indicatieve programma's en de programma's voor de landen en gebieden overzee te bespoedigen;

3.  vindt het nog steeds problematisch dat het Parlement de activiteiten van het EOF niet op dezelfde manier mag controleren als het dat mag met andere steuninstrumenten, zoals het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking; verzoekt de Commissie concrete voorstellen te formuleren om de democratische controle van het Parlement op het EOF te vergroten door de procedures af te stemmen op die van het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking; benadrukt tevens dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een belangrijke rol speelt in het toezicht op het EOF;

Opneming van het EOF in de begroting

4.  bevestigt zijn standpunt dat het voorstander is van de opname van het EOF in de begroting; is er sterk van overtuigd dat deze stap onontbeerlijk is om de democratische controle, de verantwoordingsplicht en de transparantie van de financiering te vergroten en het beleid van de Unie ten aanzien van de ACS-landen coherenter te maken; benadrukt dat opneming in de begroting zou leiden tot verlaging van de transactiekosten en dat dit de verslagleggingsvereisten en boekhoudkundige regels zou vereenvoudigen doordat er maar één reeks administratieve regels en besluitvormingsstructuren zou zijn in plaats van twee; verwacht dat de Commissie erop toeziet dat opneming in de begroting niet ten koste gaat van de voorspelbaarheid van de ACS-financiering;

5.  betreurt het ten zeerste dat de Commissie in haar mededeling ‘Een begroting voor Europa 2020’ niet heeft voorgesteld het EOF in de begroting van de Unie op te nemen in het financieel kader voor 2014-2020; dringt erop aan dat het EOF zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2020, wanneer de Overeenkomst van Cotonou afloopt, in de begroting van de Unie wordt opgenomen; moedigt de Commissie ten zeerste aan de opneming van de samenwerking met de ACS-landen in de begroting onverwijld voor te bereiden;

6.  roept de Raad en de lidstaten op om positief te reageren op het voorstel van de Commissie en ermee in te stemmen om het EOF vanaf 2020 volledig op te nemen in de EU-begroting; is van mening dat deze maatregel al veel eerder had moeten worden genomen; verwacht dat de Commissie deze toezegging nakomt en dat zij alle maatregelen treft die nodig zijn om deze opneming in de begroting voor te bereiden;

7.  benadrukt dat de opneming van het EOF in de begroting van de Unie niet impliceert dat de totale uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking mogen worden verlaagd;

Betrouwbaarheidsverklaring

Betrouwbaarheid van de rekeningen

8.  verwelkomt het oordeel van de Rekenkamer dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende en tiende EOF een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF's per 31 december 2010 geeft;

9.  herinnert aan de verklaring van de Rekenkamer, waarin wordt gesteld dat coderingsfouten nog steeds vaak voorkomen; neemt kennis van de vaststelling van de Rekenkamer dat, hoewel deze fouten geen materiële gevolgen hebben gehad voor de jaarrekeningen in 2010, zij de betrouwbaarheid kunnen aantasten van de gegevens van EuropeAid inzake het financieel beheer;

10. neemt kennis van het actieplan van EuropeAid om de kwaliteit van de informatie over contracten in zijn systeem voor beheersinformatie en boekhouding (CRIS) te verbeteren, alsmede van het boekhoudkundige initiatief waarbij gebruikers worden geholpen om boekhoudkundige informatie correct te coderen en te rangschikken; wacht de start in 2012 af van de herziening van de auditmodule van het CRIS; verzoekt de Commissie verslag uit te brengen bij de bevoegde commissies van het Parlement over de vraag of de verwachte vermindering van de persistente coderingsfouten en de verdere verbetering van de kwaliteit van de gegevensinvoering er zijn gekomen;

11. stelt met tevredenheid vast dat de invoering van het nieuwe boekhoudkundige systeem met periodetoerekening (ABAC-EDF) zo goed als voltooid is; merkt op dat dankzij het nieuwe boekhoudkundige systeem de boekhoudkundige omgeving wordt versterkt en de kwaliteit van de codering omhoog gaat;

Regelmatigheid van de verrichtingen

12. stelt met voldoening vast dat de ontvangsten en vastleggingen volgens de Rekenkamer geen materiële onjuistheden bevatten, maar is zeer bezorgd over de aanzienlijke frequentie van niet-kwantificeerbare fouten bij de vastleggingen, wat de naleving van de aanbestedingsregels en de wettelijke termijnen voor de ondertekening van contracten betreft;

13. is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer in zijn verklaring over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen moet vaststellen dat de betalingen materiële fouten vertonen; herinnert eraan dat de raming door de Rekenkamer van het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor de betalingen van het achtste, negende en tiende EOF 3,4% is, hetgeen boven de materialiteitsdrempel van 2% ligt, en aan het feit dat bij alle typen projecten, behoudens leveringscontracten, kwantificeerbare en niet-kwantificeerbare fouten zijn aangetroffen;

14. merkt op dat voor het overige de voornaamste soorten in projectbetalingen ontdekte kwantificeerbare fouten de volgende zijn: a) nauwkeurigheid: rekenfouten; b) documentatie: ontbreken van facturen of andere bewijsstukken voor verleende diensten of geleverde goederen; c) subsidiabiliteit: uitgaven die werden gedaan buiten de uitvoeringsperiode of die betrekking hadden op posten waarin het contract niet voorzag, onverschuldigde btw-betalingen of niet-toepassing van verplichte sancties;

15.  is vooral bezorgd over het stijgende aantal slecht presterende projecten in 2010 (12,6% tegenover 11% in 2009)(38) en over het feit dat in de vastleggingen onder gedecentraliseerd beheer veel fouten blijven voorkomen;

16. betreurt de blijvend hoge frequentie van niet-kwantificeerbare fouten bij betalingen; merkt op dat de niet-kwantificeerbare fouten vooral betrekking hadden op uitvoeringsgaranties, de niet-naleving van autorisatie- en contractprocedures voor administratieve uitgaven, onvoldoende bewijsstukken en inconsistenties tussen contractbepalingen;

17. merkt op dat de niet-kwantificeerbare fouten volgens de Commissie geen financiële gevolgen hebben gehad; neemt kennis van de aanzienlijke uitbreiding van het online-cursusaanbod door EuropeAid, alsmede van de aan uitzending voorafgaande seminars voor nieuwe delegatiehoofden enz., als strategie om het aantal niet-kwantificeerbare fouten terug te dringen; verwacht dat de Commissie laat zien of dit resulteert in een daling van het aantal niet-kwantificeerbare fouten; verzoekt de Commissie de controles vooraf te verbeteren om niet-kwantificeerbare fouten en mogelijke verliezen door de niet-naleving van de regels inzake bankgaranties te voorkomen;

Restfouten

18. wijst erop dat EuropeAid nog steeds werkt aan een essentiële indicator voor de geschatte financiële impact van restfouten nadat alle controles vooraf en achteraf van verrichtingen zijn uitgevoerd; merkt op dat de Commissie stelt dat haar nettorestfoutenpercentage lager ligt dan het foutenpercentage dat wordt geraamd door de Rekenkamer; herinnert aan de verklaring van de Rekenkamer dat zijn controle geen bevestiging oplevert van de bewering van de directeur-generaal van EuropeAid dat hij redelijke zekerheid heeft verkregen dat de door EuropeAid uit de EOF's verrichte betalingen naar alle waarschijnlijkheid geen materiële fouten vertonen;

19. betreurt het feit dat de raming door de Rekenkamer van het waarschijnlijkste foutenpercentage op basis van het door haar uitgevoerde jaarlijkse onderzoek en de momenteel gehanteerde methode enerzijds en de praktijk van de Commissie om te verwijzen naar het nettorestfoutenpercentage over een periode van meer dan één jaar anderzijds, niet met elkaar verenigbaar zijn; is van mening dat de aanpak op basis van het restfoutenpercentage in zijn huidige vorm geen vergelijkbare gegevens voor de jaarlijkse kwijtingsprocedure oplevert; stelt met tevredenheid vast dat de Commissie het met de Rekenkamer eens is dat bijkomende gekwantificeerde gegevens moeten worden gevonden; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van de essentiële indicator om de financiële impact van restfouten te schatten, binnen de hiervoor uitgetrokken periode te voltooien, d.w.z. uiterlijk in 2013;

Algemene beoordeling van de doeltreffendheid van de toezichts- en controlesystemen

20. betreurt het dat de Rekenkamer heeft moeten vaststellen dat de algemene toezichts- en controlesystemen voor de EOF's die door de Commissie worden beheerd, slechts gedeeltelijk doeltreffend zijn; merkt op dat het toezicht en de controle door de centrale diensten van EuropeAid doeltreffend waren, terwijl zij bij de delegaties van de Unie ten dele doeltreffend waren;

21. betreurt het feit dat de problemen met de toezichts- en controlesystemen van de delegaties van de Unie een terugkerend karakter hebben; herinnert eraan dat de vaststellingen van de Rekenkamer onder andere betrekking hadden op slecht gedocumenteerde en ondoeltreffende controles bij de meeste bureaus van de nationale ordonnateurs in de begunstigde EOF-landen, een gebrek aan institutionele capaciteit, beperkte middelen en een groot personeelsverloop in de delegaties van de Unie; dringt derhalve aan op versterking van de institutionele capaciteit in de administratie van de nationale ordonnateurs door middel van bijkomende financiële opleiding en gerichte begeleiding, teneinde de zwakke punten in de systemen voor financieel beheer weg te werken;

22. merkt op dat er in de laatste drie jaarverslagen van de Rekenkamer over de EOF's melding is gemaakt van personeelstekorten en ongeschikt personeel, wat een negatieve impact kan hebben op de controleprocessen van de Unie ; is uitermate bezorgd over dit terugkerende probleem;

23. benadrukt dat voldoende en gekwalificeerd personeel onontbeerlijk is voor een efficiënte tenuitvoerlegging en kwalitatief hoogwaardig toezicht op en follow-up van de ontwikkelingshulp van de Unie; dringt er in dit verband bij de Commissie en de EDEO op aan voldoende prioriteit toe te kennen aan de HR-aspecten van hun organisaties, alsmede aan kostenefficiëntie om geen afbreuk te doen aan de toezichthoudende en controlecapaciteit van de delegaties;

24. neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de controles vooraf, zowel degene die worden uitgevoerd door de ordonnateurs van de centrale diensten van EuropeAid als degene die worden uitgevoerd in de delegaties van de Unie, slechts gedeeltelijk doeltreffend waren; herinnert eraan dat bij de controles vooraf van EuropeAid grotendeels vertrouwd wordt op de certificaten van externe toezichthouders of op externe audits en uitgavenverificaties; betreurt het feit dat de Rekenkamer als gevolg van het hoge foutenpercentage moest concluderen dat de zekerheid die zo kan worden verkregen, beperkt is; merkt op dat de Commissie een verplichte standaardtaakomschrijving voor controleurs heeft ingevoerd om deze kwestie aan te pakken;

25. merkt met tevredenheid op dat het controleklimaat zowel van de centrale systemen van EuropeAid als van de delegaties van de Unie volgens de vaststellingen doeltreffend was; is bezorgd door de terugkerende tekortkomingen in de controle- en toezichtssystemen van de delegaties van de Unie, zoals ontbrekende of ontoereikende documentatie en de toepassing van onjuiste procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten door uitvoerende organisaties; merkt op dat het instrument voor financieel beheer ten behoeve van ontvangers van EU-middelen voor externe acties is voltooid en verspreid om de kennis van de regels inzake financieel beheer en subsidiabiliteit bij uitvoerende organisaties te verbeteren;

26. merkt op dat de Commissie haar inspanningen voortzet om de toezichts- en controlesystemen van EuropeAid te verbeteren, en verwacht dat de huidige herziening van de controlesystemen van EuropeAid (het actieplan van EuropeAid voor een versterking van de controlepyramide) positieve resultaten oplevert wat verantwoordingsplicht, efficiëntie en kosteneffectiviteit betreft; verzoekt de Commissie de bevoegde commissies van het Parlement te informeren over de maatregelen die zij neemt om bovengenoemde problemen op te lossen;

27. is ermee ingenomen dat in juni 2010 een nieuwe formule werd ingevoerd voor de jaarlijkse verslaglegging van de delegaties over de hervormingen van het beheer van overheidsfinanciën in ontvangende landen, en verzoekt de delegaties deze formule consequent toe te passen;

28. is tevreden met de vaststelling van de Rekenkamer dat het jaarlijkse activiteitenverslag duidelijk en informatief is, met name dankzij het gebruik van kwantitatieve indicatoren, en een getrouw beeld geeft van de toepassing en resultaten;

29. verzoekt de Commissie om meer informatie over de uitvoering van het EOF op nationaal en regionaal niveau in de ACS-landen en om een betere communicatie over alle buitenlandse projecten die de EU financiert;

Bevoegdheden van de Commissie en de EDEO met betrekking tot de uitvoering van de ontwikkelingshulp van de Unie

30. merkt op dat 2010 het jaar was waarin de EDEO vorm kreeg en operationeel werd; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de aanvankelijke verdeling van de bevoegdheden tussen het personeel van de Commissie en dat van de EDEO in de delegaties van de Unie aanleiding heeft gegeven tot verwarring en terechte kritiek;dringt aan op verbetering van de doeltreffendheid van de Europese ontwikkelingshulp om een einde te maken aan de gefragmenteerde manier waarop deze hulp wordt beheerd;

31. verzoekt de Commissie voor follow-up te zorgen wat de werking van het nieuwe systeem betreft en hier verslag over uit te brengen; merkt op dat de kwesties tussen de EDEO en de Commissie die verduidelijking behoefden, worden geregeld in de werkafspraken tussen de Commissiediensten en de EDEO met betrekking tot kwesties in verband met externe betrekkingen ("Working Arrangements between Commission services and the EEAS in relation to external relations issues"); verzoekt de Commissie dit document zodra het definitief is voor te leggen aan de bevoegde commissies van het Parlement, samen met een samenvatting van de onopgeloste kwesties tussen de Commissie en de EDEO en de strategie om deze te regelen, alsmede een formele verduidelijking van de mogelijke flexibiliteit met betrekking tot de inzet van personeel in de delegaties van de Unie;

Begrotingssteun

32. herinnert eraan dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over de EOF's voor het begrotingsjaar 2010 heeft vastgesteld dat de betalingen voor begrotingssteun in 2010 veel niet-kwantificeerbare fouten vertoonden (35%, even hoog als in 2009), waarmee het foutenpercentage bij deze betalingen opnieuw hoog was; merkt op dat de Commissie om deze kwestie aan te pakken haar voorzieningen op het gebied van opleiding heeft versterkt en het instrument voor financieel beheer ten behoeve van ontvangers van EU-middelen voor externe acties heeft ingevoerd; verzoekt de Commissie te zorgen voor een follow-up van de kwestie en verslag uit te brengen over de vraag of bovengenoemde maatregelen de situatie verbeteren;

33. herinnert eraan dat begrotingssteun al bijna twee decennia door de Commissie als hulpverleningsmiddel wordt gebruikt; merkt op dat er nog steeds ruimte is voor verbetering van aspecten, zoals het ontwerp, de efficiëntie en de doeltreffendheid van de uitvoering, de controle en de verslaglegging;

34. erkent de potentiële voordelen van begrotingssteun; is evenwel van mening dat dit niet de juiste oplossing is voor elke situatie; is van mening dat dit hulpverleningsmiddel alleen zin heeft, als er sprake is van voldoende transparantie, verantwoordingsplicht en doeltreffendheid;

35. erkent de inspanningen die door de Commissie geleverd zijn en de verbeteringen die zijn aangebracht om op een beter geformaliseerde en gestructureerde wijze vast te stellen of een land in aanmerking komt voor begrotingssteun, bijv. door invoering van het gewijzigd kader voor beoordeling van de vooruitgang op het gebied van het beheer van de overheidsfinanciën of de richtsnoeren voor begrotingssteun aan zwakke staten;

36. roept de Commissie op om zich te concentreren op de doeltreffendheid van de programma's door de resultaten af te meten aan de hand van indicatoren, om de voorwaarden en prestatie-indicatoren te publiceren in landenstrategiedocumenten en om ervoor te zorgen dat de verslagen van de delegaties een gestructureerd en geformaliseerd beeld geven van de vooruitgang in het beheer van de overheidsfinanciën, door duidelijk de criteria aan te geven waaraan de vooruitgang moet worden afgemeten, alsmede de geboekte vooruitgang en de redenen waarom het hervormingsprogramma mogelijk niet volgens plan is uitgevoerd;

37. is verheugd over de bevinding van de Rekenkamer dat het vroegere hoge aantal niet-kwantificeerbare fouten in het aantonen van de vooruitgang in het beheer van de overheidsfinanciën aanzienlijk is gedaald na de invoering van het gewijzigd kader voor het toezicht en de verslaglegging inzake vooruitgang op het gebied van het beheer van de overheidsfinanciën in juni 2010; dringt er bij de Commissie op aan ernaar te blijven streven om het aantal niet-kwantificeerbare fouten blijvend te verlagen;

38. neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011 over “De toekomstige strategie inzake EU-begrotingssteun aan derde landen” (COM(2011)0638), waarin bijvoorbeeld wordt gesteld dat de Commissie een nieuw subsidiabiliteitscriterium zal invoeren met betrekking tot “budgettaire transparantie en toezicht”;

39. brengt in herinnering dat, conform artikel 25, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1905/2006(39), begrotingssteun kan worden verleend als het partnerland het beheer van de overheidsuitgaven op voldoende transparante, verantwoordelijke en doeltreffende wijze controleert; spreekt in verband hiermee zijn bezorgdheid uit over de risico's die inherent zijn aan de "dynamische" interpretatie door de Commissie van de subsidiabiliteitscriteria; roept de Commissie op om door te gaan met haar inspanningen ter onderbouwing van de besluiten met betrekking tot wie in aanmerking komt voor begrotingssteun, en om ervoor te zorgen dat alle financieringsovereenkomsten een volledige en heldere basis bieden voor de beoordeling van de naleving van de betalingsvoorwaarden; verzoekt de Commissie de aan de afzonderlijke programma's voor begrotingssteun toe te wijzen bedragen op een beter onderbouwde en doorzichtiger wijze vast te stellen;

40. benadrukt de dubbele verantwoordingsplicht voor begrotingssteun: tussen de donor en het partnerland en tussen de partnerstaat en zijn burgers; benadrukt derhalve het gemeenschappelijke belang van de belastingbetalers in de EU en de partnerlanden bij transparante en correcte controles en de blijvende noodzaak van versterkte steun voor de opbouw van de eigen controlecapaciteit van de partnerlanden;

41. herinnert eraan dat het beheer van de overheidsfinanciën een van de criteria is voor de verlening van begrotingssteun aan de 102 landen die daarvan momenteel profiteren(40); verzoekt de Commissie de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van de redenen die verklaren waarom er op de website van de Commissie slechts 28 PEFA-verslagen (overheidsuitgaven en financiële verantwoording) te vinden zijn(41);

42. verwacht van de Commissie en de lidstaten dat zij een openbaar register creëren waarin de overeenkomsten en procedures voor begrotingssteun alsook de ontwikkelingsindicatoren op transparante wijze worden vastgelegd(42);

43. verzoekt de Commissie geregeld verslag uit te brengen over het halen van de doelstellingen die voor begrotingssteun van de Unie zijn vastgesteld, en over specifieke problemen die zich in bepaalde ontvangende landen voordoen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de begrotingssteun wordt verminderd of geschrapt, wanneer duidelijke doelstellingen niet worden gehaald;

44. is van mening dat het in 2010 gepubliceerde groenboek(43) een positieve bijdrage levert aan het debat over de vraag hoe begrotingssteun op een meer efficiënte en doelmatige manier kan worden ingezet bij armoedebestrijding;

45. herhaalt zijn dringende verzoek aan de Commissie om de partnerlanden te ondersteunen bij de ontwikkeling van hun parlementaire controle- en auditcapaciteit en bij hun streven naar meer transparantie en een betere toegang tot informatie, met name wanneer bijstand wordt verleend in de vorm van begrotingssteun, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 25, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1905/2006; verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang;

Speciaal verslag nr. 11/2010 van de Rekenkamer over het beheer door de Commissie van de algemene begrotingssteun in landen van de ACS, Latijns-Amerika en Azië

46. is ingenomen met de controle van de Rekenkamer en de opbouwende aanbevelingen die deze bevat;

47. is van mening dat algemene begrotingssteun (ABS), indien juist gebruikt, een zeer waardevol instrument voor hulpverlening is, aangezien het de participatie en de verantwoordelijkheid van begunstigde regeringen kan vergroten alsmede de noodzaak van strengere controle door parlementen en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in de begunstigde landen, terwijl tegelijkertijd de basis voor en de noodzaak van een sterkere politieke dialoog tussen de EU en de begunstigde landen wordt versterkt;

48. is ernstig bezorgd door de vaststelling van de Rekenkamer dat de Commissie de belangrijkste risico's voor de effectieve verlening van ABS niet naar behoren beheert, twintig jaar nadat zij met de verstrekking van hulp via dit instrument is gestart; dringt er bij de Commissie op aan de aanbevelingen van de Rekenkamer te volgen om haar risicobeheer te verbeteren, door de fiduciaire en ontwikkelingsrisico’s behoorlijk te beoordelen en in het bijzonder door de reeds beschikbare informatie beter te gebruiken;

49. deelt de mening van de Commissie dat een "dynamische aanpak" van ABS in sommige gevallen tot belangrijke politieke resultaten kan leiden, namelijk wanneer begrotingssteun wordt verleend aan landen die een systeem voor het beheer van de overheidsfinanciën hebben dat zwakke punten vertoont, maar die hun best doen om hervormingen uit te voeren en hierin ook vooruitgang laten zien; is echter ernstig bezorgd over het feit dat twaalf van de niet-kwetsbare ACS-landen die volgens de landenstrategiedocumenten van het tiende EOF ABS zullen ontvangen en vijf landen met een ABS-programma in Latijns-Amerika in de editie 2009 van de door Transparency International gepubliceerde Corruption Perception Index zijn voorzien van de beoordeling "rampant corruption" (algemeen heersende corruptie), wat betekent dat zij lager dan drie scoorden op een schaal van 10 (zeer correct) tot 0 (zeer corrupt); spoort de Commissie aan om adequate, strenge en transparante monitoringmethoden te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat de EU-delegaties over voldoende en adequate leden beschikken, voordat wordt overgaan tot ABS in begunstigde landen met een dergelijk hoog fiduciair risico; verzoekt in dit verband de EDEO om zijn politieke rol ten volle uit te oefenen door actief deel te nemen aan de ontwikkeling van de politieke doelen van de begunstigde landen op het gebied van corruptiebestrijding en de vorderingen bij de verwezenlijking van die doelen te controleren;

50. is bezorgd over de conclusies van de Rekenkamer dat er onvoldoende aandacht is besteed aan de noodzaak van versterking van toezichtsorganen als parlementen en maatschappelijke organisaties in de ontvangende landen, terwijl de versterking van parlementair toezicht en de verbetering van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld essentiële onderdelen zijn van de capaciteitsopbouwdoelstellingen inzake ABS; dringt er bij de Commissie op aan om meer te investeren in de verbetering van de instellingen, de rechtstaat, de democratie en goed bestuur in de begunstigde landen;

51. verzoekt de Commissie om voor haar ABS-programma’s doelstellingen op te stellen die aansluiten bij de specifieke omstandigheden van het partnerland, aangezien het de overkoepelende doelstelling van ABS-programma’s is de uitvoering van de nationale ontwikkelingsstrategie van een land te ondersteunen;

52. verzoekt de Commissie en de lidstaten:

–   eensgezind het voornemen te tonen om ten volle een krachtige politieke rol te spelen in het kader van hun dialoog met de begunstigde landen, aangezien deze rol van essentieel belang is voor het welslagen van de ABS, met name wanneer er sprake is van de enorme potentiële impact van een gemeenschappelijk beleid van de Unie dat door alle lidstaten wordt gedeeld,

–   hun coördinatie met betrekking tot de procedures te verbeteren,

–   hun engagement voor de doelstellingen van ABS te versterken,

–   geen gemengde signalen af te geven aan de begunstigde landen, ook als dit de lidstaten en de Commissie even moeilijk toeschijnt als het is voor de landen die ABS ontvangen om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen betreffende goed bestuur en de rechtstaat;

53. is bezorgd door de vaststelling van de Rekenkamer dat het ontwerp en de uitvoering van de vier onderdelen van de ABS-programma's – financiering, steun voor capaciteitsopbouw, voorwaarden en dialoog – niet de optimale impact van die onderdelen garanderen; verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen door de aan afzonderlijke ABS-programma’s toe te kennen bedragen op een beter onderbouwde en doorzichtiger manier vast te stellen, haar capaciteitsopbouw toe te spitsen op prioritaire behoeften, haar beheer van prestatiegerichte voorwaarden wat betreft algemene subsidiabiliteitsvoorwaarden en specifieke uitbetalingsvoorwaarden te versterken, en door haar aanpak van de dialoog te versterken;

54. verzoekt de Commissie om meer systematisch met begunstigde landen in dialoog te gaan over alle aspecten van ABS, en spoort de Commissie aan de expertise bij de delegaties van de Unie te verbeteren zodat deze dialoog kan worden versterkt; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het personeel van de delegaties van de Unie dat de ABS uitvoert, adequate toegang heeft tot personele middelen en informatie;

55. dringt er bij de Commissie op aan om haar rapportage over de doeltreffendheid van haar ABS-programma’s te verbeteren, door middel van een behoorlijke kwantitatieve evaluatiemethodologie en systematische monitoring van de vooruitgang aan de hand van duidelijke indicatoren en meetbare doelstellingen;

56. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie een jaarverslag op te stellen over het gebruik van begrotingssteun om de sterke en zwakke punten van lopende begrotingssteunprogramma’s beter te kunnen vaststellen;

57. spoort de Commissie en andere donoren aan samen te werken aan periodieke gezamenlijke evaluaties om de doeltreffendheid van steunverlening via ABS-programma’s op het gebied van armoedebestrijding te beoordelen;

Ontwikkelingsprioriteiten, ontwikkelingssamenwerking met meer impact

58. benadrukt het feit dat goed bestuur, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en armoedebestrijding geïntegreerde doelstellingen moeten zijn van de uitvoerende organisaties in de landen waar EOF-hulp wordt verleend;

59. herinnert aan de gebeurtenissen van de Arabische Lente in 2011 en dat bij alle ontwikkelingshulp de nadruk moet liggen op de democratische beginselen en ondersteuning van de opbouw van de democratie;

60. herhaalt dat het zich inzet voor doeltreffende hulp op basis van echt partnerschap, zoals gedefinieerd in de Verklaring van Parijs en de AAA;

61. neemt met tevredenheid kennis van de mededeling van de Commissie "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering" (COM(2011)0637) van 13 oktober 2011, waarin wordt bepaald dat er voortgezette steun wordt geboden voor maatschappelijke integratie en menselijke ontwikkeling; dringt erop aan dat ten minste 20% van de hulp van de Unie wordt bestemd voor basis- en middelbaar onderwijs en basisgezondheidszorg; dringt er bij de Commissie op aan meer aandacht te besteden aan de gezondheid van moeders, aangezien met betrekking tot deze millenniumdoelstelling de vooruitgang teleurstellend is geweest;

62. roept de Commissie nogmaals op om prioriteit te verlenen aan steun ter verbetering van de gezondheidszorg, met name gericht op de allerarmsten, ter verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en ten behoeve van een beleidskader dat gunstig is voor de armen en rekening houdt met gendervraagstukken; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een betere zichtbaarheid van door de Unie gefinancierde overzeese projecten;

63. is verheugd dat ontwikkelingshulp niet meer de overheersende bron van inkomsten is voor veel van de armste landen ter wereld; benadrukt dat arme landen, wil hulp doeltreffend zijn, hun nationale inkomsten moeten kunnen aanwenden en betreurt dat illegale kapitaalvlucht vanuit ontwikkelingslanden van bedragen die de kapitaalinstroom in die landen te boven gaan, bijvoorbeeld door corruptie en grootschalige belastingontduiking, een acuut en substantieel probleem is dat de armoedebestrijding belemmert en de afhankelijkheid van hulp bestendigt;

64. benadrukt verder dat voor sociale en economische ontwikkeling op de lange termijn andere duurzame inkomstenbronnen nodig zijn dan hulp; acht in dit verband gezonde en goed functionerende handelsbetrekkingen in overeenstemming met de WHO-beginselen van cruciaal belang voor ontwikkelingslanden en dringt er derhalve bij de Commissie, de Raad en de ACS-landen op aan oplossingen aan te dragen voor de resterende problemen met betrekking tot de voorgestelde economische partnerschapsovereenkomsten en de vrijhandel tussen Europa en de ACS-regio;

65. is bezorgd over de controleprocedures van de Commissie voor gevallen waarin middelen van de Unie via internationale organisaties worden beheerd in het kader van een regeling met gezamenlijk beheer; wijst erop dat er bij de bepalingen betreffende en de uitvoering van de controle en de follow-up van middelen van de Unie onder gezamenlijk beheer sprake is van ernstige tekortkomingen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat al haar partners haar op gemakkelijke en onbureaucratische wijze toegang verlenen tot hun interne controleverslagen;

66. herinnert aan het geval van Afghanistan, waar de veiligheidssituatie uitzonderlijk moeilijk is, met als gevolg dat het Commissiepersoneel zich niet langer vrij kan verplaatsen, hetgeen aanzienlijke beperkingen oplevert voor de uitvoering van een aantal standaardprocedures in het kader van de interne controle;

67. wijst op het belang van samenhang van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling (linking relief, rehabilitation and development - LRRD) om de samenhang tussen noodhulp, herstel en ontwikkeling te versterken en een vlotte overgang van humanitaire hulp naar ontwikkelingshulp te waarborgen; benadrukt dat er nog veel werk moet worden verricht om te komen tot een betere coördinatie, efficiëntie, doeltreffendheid en samenhang van LRRD;

68. dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat EOF-financiering gecoördineerd wordt met andere instrumenten (voedselfaciliteit, het thematische programma voedselzekerheid, het Europees instrument voor de democratie en de rechten van de mens, het thematisch programma niet-overheidsactoren/lokale autoriteiten, het stabiliteitsinstrument, het proefproject rurale microfinanciering); verzoekt de Commissie te zorgen voor meer samenhang en complementariteit tussen humanitaire hulp en ontwikkelingshulp, zowel op beleidsniveau als in de praktijk, en meer nadruk te leggen op beperking van het rampenrisico en op rampenparaatheid, alsmede het herstellingsvermogen van de bedreigde bevolking te vergroten;

69. wijst erop dat de EU een breed scala aan instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking nodig heeft die zijn afgestemd op verschillende contexten omdat er geen pasklare formules bestaan voor ontwikkelingshulp; benadrukt met name dat er specifieke instrumenten en werkmethodes nodig zijn om met mislukte staten of zeer ondemocratische landen om te gaan, zoals Eritrea dat hulp aan zijn bevolking weigert ondanks een ernstige voedselcrisis;

70. is van mening dat de huidige acute voedselcrisis in de Hoorn van Afrika tevens het tragische gevolg is van het ontbreken van samenhang en complementariteit tussen internationale humanitaire hulp en ontwikkelingshulp alsmede de funeste speculatie met levensmiddelen; wijst erop dat, in tegenstelling tot natuurrampen, dit een traag begonnen crisis is die geleidelijk geëscaleerd is tot een humanitaire ramp; herinnert eraan dat droogte en voedseltekort in de Hoorn van Afrika jammer genoeg een chronisch karakter hebben en dat de capaciteit van de lokale boeren om in hun eigen behoeften te voorzien moet worden versterkt omwille van de duurzaamheid;

71. merkt op dat het tussentijdse beoordelingsproces nog niet voor alle partnerlanden is afgesloten(44), ondanks het feit dat het was gepland voor 2010-2011; verwacht dat de Commissie dit proces zo spoedig mogelijk afrondt en op haar officiële website informatie verstrekt over de resultaten ervan(45).

Hulp van de Unie aan Haïti

72. herinnert aan de aardbeving in Haïti en de rampzalige gevolgen ervan; betreurt de ontoereikende coördinatie tussen humanitaire hulp en ontwikkelingshulp (koppeling van noodhulp aan wederopbouw en ontwikkeling); is van mening dat aan de verlening van humanitaire hulp een exitstrategie ten grondslag moet liggen; is van mening dat de Commissie haar inspanningen en financiële middelen moet concentreren op wederopbouw en ontwikkeling;

73. betreurt de ontoereikende coördinatie tussen de delegatie van de Unie en de vertegenwoordiging van ECHO; steunt een versterkte coördinatie tussen alle actoren van de Unie in Haïti; dringt er derhalve bij de Commissie op aan te zorgen voor meer samenhang en complementariteit tussen humanitaire hulp en ontwikkelingshulp, zowel op beleidsniveau als in de praktijk;

74. betreurt de gebrekkige duurzaamheid van sommige projecten en benadrukt dat de projecten hoofdzakelijk gericht moeten zijn op het creëren van werkgelegenheid en duurzame groei, zodat de eigen inkomsten van de Haïtiaanse overheid kunnen stijgen waardoor het land minder afhankelijk wordt van buitenlandse hulp; verzoekt de Commissie derhalve het Parlement een lijst van projecten voor te leggen die gedurende de afgelopen 15 jaar in Haïti zijn uitgevoerd met een gedetailleerde beoordeling van de huidige situatie om te zien hoe duurzaam zij zijn;

75. wijst op de gebrekkige zichtbaarheid van de hulp van de Unie aan Haïti; is van mening dat ter vergroting van de zichtbaarheid niet alleen de vlag, maar ook de naam van de Europese Unie in pr-materiaal moet verschijnen en niet alleen die van de Commissie of DG ECHO, die voor de gemiddelde Haïtiaanse burger veel minder herkenbaar zijn;

Speciaal verslag nr. 12/2010 van de Rekenkamer over EU-ontwikkelingshulp voor elementair onderwijs in Afrika bezuiden de Sahara en Zuid-Azië

76. is tevreden met dit uitstekende verslag van de Rekenkamer, waarin een uitgebreide analyse wordt gemaakt van wat er met de hulp van de Unie voor elementair onderwijs is verwezenlijkt; wijst evenwel ook op de tekortkomingen van het programma, die slechts ten dele het gevolg zijn van de acties die door de Commissie zijn ondernomen;

77. is zich volledig bewust van de moeilijkheden waarmee de Commissie bij de uitvoering van dit programma te maken krijgt, wanneer zij werkt in een aantal van de armste landen in de regio's in kwestie en daar vaak probeert de armste bevolkingsgroepen te bereiken; is het ermee eens dat het een opmerkelijke prestatie is dat 45% van de indicatoren is gehaald en dat voor 30% van de indicatoren duidelijk vooruitgang is geboekt; wil graag dat de Commissie aangeeft of deze cijfers inmiddels nog verder zijn verbeterd;

78. steunt volledig de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer en heeft kennis genomen van de antwoorden van de Commissie;

79. herinnert aan zijn eerdere kwijtingsresoluties waarin erop wordt gewezen dat een groot probleem bij de uitvoering van specifieke ontwikkelingsprogramma's bestaat in het gebrek aan bevoegd personeel in de delegaties van de Unie en de ondersteuning vanuit het hoofdkantoor van de Commissie; verzoekt de Commissie deze kwestie met de bevoegde commissies van het Parlement te bespreken, om een meer permanente oplossing voor het probleem te vinden;

80. verzoekt de Commissie de door de Rekenkamer gesignaleerde tekortkomingen op systematische wijze aan te pakken; wil graag worden geïnformeerd over het volgende:

a)  wat betreft de kwaliteit van het onderwijs (thema van een werkdocument van de Commissiediensten van februari 2010 - SEC(2010)0121): kan de Commissie, afgezien van het feit dat het aan de late kant is gelet op de begindatum van het programma, aangeven welke andere maatregelen worden genomen om de kwaliteit van het onderwijs te bewaken en te verbeteren?

b)  in sommige van de in speciaal verslag nr. 12/2010 behandelde landen worden gevallen genoemd van fraude en wanbeheer met betrekking tot overheidsmiddelen, waaronder "spookdocenten"; welke steun verstrekt de Commissie om deze landen te helpen deze vormen van fraude uit te bannen?

c)  een van de basisinstrumenten/-hulpmiddelen voor de uitvoering van een succesvol programma is de beschikbaarheid van behoorlijke statistieken en beoordelingen van het bestaande onderwijssysteem; de Rekenkamer verklaart dat deze statistieken en beoordelingen er in een aantal landen niet zijn of dat zij niet bijgewerkt zijn; welke maatregelen heeft de Commissie genomen om dit probleem te verhelpen?

d)  zoals de Rekenkamer aangeeft, is de deelname van meisjes aan het basisonderwijs afhankelijk van een groot aantal maatregelen die niet met onderwijs te maken hebben, zoals gescheiden sanitaire voorzieningen enz., hoewel er in een aantal landen vooruitgang is geboekt; welke specifieke maatregelen heeft de Commissie in elk van deze landen genomen om ervoor te zorgen dat meer meisjes basisonderwijs gaan volgen, en in welke van deze landen worden meisjesscholen beschouwd als een mogelijke oplossing?

De Investeringsfaciliteit

81. herinnert eraan dat uit het tiende EOF 1 530 000 000 EUR voor de ACS-landen en de LGO is toegewezen aan de Investeringsfaciliteit; merkt op dat de ondertekende verrichtingen uit de portefeuille van de Investeringsfaciliteit in het begrotingsjaar 2010 in totaal goed waren voor 374 230 000 EUR; herinnert eraan dat de Investeringsfaciliteit, een uit het EOF gefinancierd roterend risicodragend instrument dat bedoeld is om particuliere investeringen te bevorderen, met name in de ACS-landen, wordt beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB);

82. betreurt het feit dat de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer en de kwijtingsprocedure van het Parlement geen betrekking hebben op de Investeringsfaciliteit, hoewel de activiteiten door de EIB worden uitgevoerd namens en voor risico van de Unie, met gebruikmaking van EOF-middelen; acht dit politiek en verantwoordingstechnisch onwenselijk; benadrukt het feit dat de regeling op dit gebied de omvang van de kwijtingsbevoegdheid van het Parlement beperkt, met name gezien het feit dat de EOF-middelen bestaan uit overheidgeld, dat afkomstig is van de Europese belastingbetalers;

83. benadrukt dat alle EIB-operaties die uit het EOF worden gefinancierd, volledig moeten voldoen aan artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin staat dat vermindering en uitroeiing van armoede het voornaamste doel is van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie; is van mening dat alleen een ontwikkelingsbeleid ten behoeve van de armen effectief en duurzaam kan zijn;

84. is van mening dat een beleid gericht op economische groei niet kan slagen zonder bevordering van de sociale en de milieunormen en zonder toepassing van mechanismen inzake sociale bescherming;

85. verzoekt de EIB om zijn financieringsprojecten directer te koppelen aan de vermindering van armoede, het halen van de millenniumdoelstellingen, en aan mensenrechten, maatschappelijk verantwoord ondernemen, fatsoenlijk werk, milieubeginselen, democratie, goed bestuur en het starten van nieuwe ondernemingen, en wel via de tenuitvoerlegging van Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad(46);

86. verzoekt de EIB het due diligence-onderzoek naar de sociale aspecten (met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten) in zijn projectcyclus te bevorderen, door middel van ex-ante-analyses, maar vooral via controles tijdens de uitvoering en voltooiing van een project; vraagt om een definitie van "prestatie-indicatoren" teneinde de meerwaarde en de impact van EIB-verrichtingen beter te kunnen bepalen, en om verbetering van de juiste expertise onder het personeel op het gebied van duurzame ontwikkeling, mensenrechten en sociale en genderkwesties;

87. merkt op dat uit een onafhankelijke tussentijdse evaluatie van de Investeringsfaciliteit van de EIB en de activiteiten in de ACS-landen met eigen middelen van de EIB blijkt dat de inspanningen van de EIB om de tenuitvoerlegging van projecten te controleren, en de plaatselijke aanwezigheid en de follow-up van ecologische en sociale aspecten te waarborgen, nog altijd onvoldoende lijken; verzoekt de EIB zijn controlemechanismen te verbeteren;

88. stelt met tevredenheid de vooruitgang vast die volgens het jaarverslag 2010 van de EIB met de Investeringsfaciliteit is geboekt, wat de focus op resultaten betreft; is evenwel van mening dat er in de jaarverslagen nog steeds veel verbetering mogelijk is, wat de presentatie betreft van volledige, relevante en objectieve informatie over de resultaten, de doelstellingen die waren bepaald, de doelstellingen die zijn gehaald en de redenen voor eventuele afwijkingen, alsmede de beoordelingen die zijn uitgevoerd en een samenvatting van de beoordelingsresultaten, inclusief de zwakke punten en de kwesties die moeten worden aangepakt; is tevreden met de samenwerkingsbereidheid van de EIB tijdens het voorbereidende werk voor deze kwijtingsresolutie;

89. herinnert eraan dat 14% van de middelen van de Investeringsfaciliteit (390 000 000 EUR) wordt besteed via Europese financiële instellingen voor bilaterale ontwikkelingssamenwerking of joint ventures;

90. betreurt het gebrek aan transparantie met betrekking tot de uiteindelijke begunstigden van de middelen van de Investeringsfaciliteit; verzoekt de EIB om strikte aangescherpte due diligence-regels toe te passen en toe te zien op passende lokale openbare raadpleging met betrekking tot de ontwikkelingsgerelateerde aspecten van projecten die door een garantie van de Unie worden gedekt, vóór de goedkeuring van de projecten, inclusief wat de prestaties van de financiële tussenpersonen bij het gebruik van de EIB-lening met betrekking tot deze aspecten betreft; is van mening dat de EIB bij leningen aan ontwikkelingslanden strikte aangescherpte due diligence-regels moet toepassen, overeenkomstig gestandaardiseerde procedures, volgens de internationale beste praktijken, met betrekking tot de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;

91. neemt kennis van berichten van een niet-gouvernementele organisatie over gevallen waarin EIB-geld naar bedrijven zou zijn gegaan met bestuursleden tegen wie een onderzoek liep of die beschuldigd waren van corruptie en het witwassen van geld; wenst door de EIB op de hoogte te worden gebracht van wat er waar is van dergelijke berichten;

92. merkt op dat de EIB zorgt voor de complementariteit van de projecten die worden gefinancierd door de Bank en de projecten die worden gefinancierd door de Commissie door in een vroeg stadium met de Commissie overleg te plegen, alvorens met zijn due diligence voor projecten te starten; herinnert eraan dat de Commissie een niet-stemgerechtigd lid is van het Comité van de Investeringsfaciliteit en advies uitbrengt over elk specifiek voorstel;

93. verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van de Investeringsfaciliteit van nabij te blijven volgen en controleren en geregeld verslag over haar bevindingen uit te brengen aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement;

94. herinnert eraan dat de rol van de Rekenkamer bij het controleren van de door de EIB beheerde EOF's is omschreven in de driepartijenovereenkomst tussen de Commissie, de EIB en de Rekenkamer; verzoekt de Rekenkamer een speciaal verslag op te stellen over de effectiviteit en de efficiëntie van de door de EIB beheerde EOF's uit het oogpunt van de terugdringing van de armoede;

95. merkt op dat de EIB zijn personeel variabele vergoedingen betaalt in de vorm van jaarlijkse bonussen; verzoekt de EIB jaarlijks gedetailleerde informatie op zijn website te publiceren over het bedrag van de jaarlijkse bonussen van zijn kaderpersoneel, inclusief die van elk lid van de raad van bestuur, het bestuurscomité en het controlecomité;

96. merkt verder op dat de huidige raad van bestuur van de EIB bestaat uit zeven vrouwen en 19 mannen; moedigt de lidstaten aan vrouwelijke kandidaten voor te dragen om de twee vacante plaatsen te bezetten met het oog op een evenwichtigere vertegenwoordiging in de raad van bestuur;

1.3.2012

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het 8e, 9e en 10e Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2010

(COM(2011)0471 – C7-0273/2011 – 2011/2212(DEC))

Rapporteur voor advies: Thijs Berman

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   neemt er met voldoening kennis van dat de brutobetalingen een recordhoogte hebben bereikt en dat het vastleggingspercentage halverwege de looptijd van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) ongeveer 50% bedraagt, waardoor de doelstelling om dit fonds tegen het einde van 2013 volledig te hebben vastgelegd haalbaar blijft; toont zich echter bezorgd over de zeer lage vastleggingspercentages van de begrotingslijnen voor de regio's (20%) en de landen en gebieden overzee (3%) halverwege de looptijd van het tiende EOF; verzoekt de Commissie met klem de uitvoering van de regionale indicatieve programma's en de programma's voor de landen en gebieden overzee te bespoedigen;

2.   verzoekt de Commissie om meer informatie over de uitvoering van het EOF op nationaal en regionaal niveau in de ACS-landen en om een betere communicatie over alle buitenlandse projecten die de EU financiert;

3.   toont zich bezorgd over een aantal bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot het jaar 2010(47), met name dat de toezicht- en controlesystemen alweer slechts gedeeltelijk doeltreffend waren in het waarborgen van de regelmatigheid van de betalingen uit het EOF en dat er, anders dan in 2009, materiële fouten werden vastgesteld in de betalingen voor projecten en voor begrotingssteun (het foutenpercentage werd geraamd op 3,4%, wat hoger is dan in 2009); verzoekt de Commissie met klem om een oplossing te vinden voor de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen en om te blijven investeren in de verbetering van haar verslagleggings- en controlenormen;

4.   is vooral bezorgd over het stijgende aantal slecht presterende projecten in 2010 (12,6%, tegenover 11% in 2009)(48) en over het feit dat in de vastleggingen onder gedecentraliseerd beheer veel fouten blijven voorkomen; meent dat het van cruciaal belang is om de institutionele capaciteit van de administratie van de nationale ordonnateurs te versterken door middel van bijkomende financiële opleiding en gerichte begeleiding teneinde de zwakke punten in de systemen voor financieel beheer en controle van het EOF weg te werken;

5.   toont zich, in de wetenschap dat begrotingssteun 34% uitmaakt van de in 2010 door het EOF uitgevoerde betalingen, bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat de betalingen voor begrotingssteun in de eerste helft van 2010 veel niet-kwantificeerbare fouten vertoonden bij gebrek aan een structurele beoordeling van de voortgang van de hervormingen van het beheer van overheidsfinanciën door ontvangende regeringen; is er in dit verband mee ingenomen dat in juni 2010 een nieuwe formule werd ingevoerd voor de jaarlijkse verslaglegging van de delegaties over de hervormingen van het beheer van overheidsfinanciën in ontvangende landen, en verzoekt de delegaties deze formule consequent toe te passen; verzoekt de Commissie de overblijvende tekortkomingen met betrekking tot de methodologie en het beheer van haar programma's voor algemene begrotingssteun weg te werken, met name de afwezigheid van een betrouwbaar kader voor risicobeheer en van een methode om het effect van de betalingen op de armoedebestrijding(49) te meten, alsook het gebrek aan coördinatie met de lidstaten op het gebied van contracten en betalingen voor begrotingssteun; is van mening dat het in 2010 gepubliceerde groenboek een interessante bijdrage levert aan het debat over de vraag hoe begrotingssteun op een meer efficiënte en doeltreffende manier kan worden ingezet bij armoedebestrijding.

6.   herhaalt zijn dringende verzoek aan de Commissie om de partnerlanden te ondersteunen bij de ontwikkeling van hun parlementaire controle- en auditcapaciteit en bij hun streven naar meer transparantie en een betere toegang tot informatie, met name wanneer bijstand wordt verleend in de vorm van begrotingssteun, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 25, lid 1, onder b), van de verordening betreffende het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(50) (IOS-verordening), en vraagt dat de Commissie regelmatig verslag uitbrengt over de geboekte vorderingen;

7.   is tevreden dat de Commissie gepast heeft gereageerd op de aardbeving in Haïti van 12 januari 2010 en op de in oktober van dat jaar uitgebroken cholera-epidemie door meteen de nodige middelen vrij te maken voor humanitaire hulp, waarbij voor het einde van 2010 in totaal 122 miljoen euro werd toegekend;

8.   betreurt dat het door DG ECHO gebruikte systeem van "checks and balances" de Commissie niet in staat stelt om de hoge normen inzake verantwoordingsplicht en controle die zij hanteert voor projecten in gecentraliseerd beheer ook toe te passen op projecten in gezamenlijk beheer met internationale organisaties, terwijl die wel 46,4 procent van de in 2010 ondertekende contracten uitmaken; verzoekt de Commissie om samen met de betrokken VN-organisaties te blijven streven naar een oplossing voor de overblijvende problemen, zoals de moeilijke toegang tot interne controleverslagen en het gebrek aan feedback over de resultaten, opdat de kwijtingsautoriteit voldoende informatie heeft over het financieel beheer van de via internationale organisaties verleende steun;

9.   neemt kennis van de herziene partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de ACS-landen (Overeenkomst van Cotonou), die sinds 1 november 2010 voorlopig wordt toegepast; spoort de Commissie aan om dringend een uitvoerig debat op gang te brengen over de prioriteiten, de structuur en de voorwaarden van de samenwerking tussen de EU en de ACS-landen na 2020; herinnert eraan dat het Parlement al jaren pleit voor de opneming van het EOF in de begroting van de Unie teneinde de procedures te vereenvoudigen, de coördinatie van de steuninstrumenten van de Unie te verbeteren en het toezicht door het Parlement te versterken, wat zou leiden tot meer samenhangende, efficiënte en verantwoordelijke uitgaven voor de ontwikkeling van de ACS-landen; is ermee ingenomen dat de Commissie heeft toegezegd om voor te stellen het EOF in de begroting op te nemen vanaf 2020, wanneer de Overeenkomst van Cotonou verstrijkt(51); verwacht dat de Commissie deze toezegging nakomt en dat zij alle maatregelen treft die nodig zijn om deze opneming in de begroting voor te bereiden;

10. benadrukt dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een belangrijke rol speelt in het toezicht op het EOF;

11.  vindt het nog steeds problematisch dat het Parlement de activiteiten van het EOF niet op dezelfde manier mag controleren als het dat mag met andere steuninstrumenten, zoals het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking; verzoekt de Commissie concrete voorstellen te formuleren om de democratische controle van het Parlement op het EOF te vergroten door de procedures af te stemmen op die van het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.2.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Ricardo Cortés Lastra, Nirj Deva, Leonidas Donskis, Filip Kaczmarek, Franziska Keller, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Bill Newton Dunn, Maurice Ponga, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Eleni Theocharous, Patrice Tirolien, Ivo Vajgl, Daniël van der Stoep, Anna Záborská, Iva Zanicchi, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Enrique Guerrero Salom, Isabella Lövin, Gesine Meissner, Cristian Dan Preda, Bart Staes, Patrizia Toia

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Joseph Cuschieri, Zita Gurmai, Claudiu Ciprian Tănăsescu

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.3.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marta Andreasen, Inés Ayala Sender, Andrea Češková, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Gerben-Jan Gerbrandy, Ingeborg Gräßle, Iliana Ivanova, Bogusław Liberadzki, Monica Luisa Macovei, Jan Mulder, Eva Ortiz Vilella, Aldo Patriciello, Crescenzio Rivellini, Petri Sarvamaa, Bart Staes, Georgios Stavrakakis, Søren Bo Søndergaard, Michael Theurer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Amelia Andersdotter, Philip Bradbourn, Zuzana Brzobohatá, Christofer Fjellner, Edit Herczog, Ivailo Kalfin, Marian-Jean Marinescu, Véronique Mathieu, Olle Schmidt, Barbara Weiler

(1)

PB C 326 van 10.11.2011, blz. 251.

(2)

PB C 326 van 10.11.2011, blz. 262.

(3)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)

PB L 287 van 28.10.2005, blz. 4.

(5)

PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1, en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.

(6)

PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33.

(7)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(8)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(9)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(10)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(11)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(12)

PB C 326 van 10.11.2011, blz. 251.

(13)

PB C 326 van 10.11.2011, blz. 262.

(14)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(15)

PB L 287 van 28.10.2005, blz. 4.

(16)

PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1, en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.

(17)

PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33.

(18)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(19)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(20)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(21)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(22)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(23)

PB C 326 van 10.11.2011, blz. 251.

(24)

PB C 326 van 10.11.2011, blz. 262.

(25)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(26)

PB L 287 van 28.10.2005, blz. 4.

(27)

PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1, en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.

(28)

PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33.

(29)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(30)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(31)

Aangenomen teksten, P7_TA (2011)0320.

(32)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0317.

(33)

PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 100.

(34)

PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 373.

(35)

         PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(36)

        PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(37)

        PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(38)

         Jaarverslag over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds in 2010, blz. 11.

(39)

         Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41).

(40)

         Antwoord op schriftelijke vraag 23, gericht aan commissaris Piebalgs in het kader van de EOF-kwijting 2010, voor de hoorzitting op 12 januari 2012.

(41)

         http://ec.europa.eu/europeaid/what/economic–support/public–finance/pefa_assesments_en.htm.

(42)

         Zoals gevraagd in de resolutie over de toekomst van EU-begrotingssteun aan ontwikkelingslanden, Aangenomen teksten P7_TA(2011)0317, paragraaf 52.

(43)

            Groenboek: De toekomst van EU-begrotingssteun aan derde landen (COM(2010)0586).

(44)

         Antwoord op schriftelijke vraag 31, gericht aan Commissaris Piebalgs in het kader van de EOF-kwijting 2010, voor de hoorzitting op 12 januari 2012.

(45)

         http://www.acp-programming.eu/wcm/en/programming-process/the-acp-mid-term-review.html.

(46)

         Besluit 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen en leninggaranties voor projecten buiten de Unie en houdende intrekking van Besluit nr. 633/2009/EG (PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1).

(47)

Jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds, PB C 326 van 10.11.2011.

(48)

Jaarverslag over het financieel beheer van het 8e, 9e en 10e Europees Ontwikkelingsfonds in 2010, COM(2011)0471, blz. 11.

(49)

Het beheer door de Commissie van de algemene begrotingssteun in landen van de ACS, Latijns-Amerika en Azië (Speciaal verslag nr. 11/2010 van de Rekenkamer).

(50)

Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41).

(51)

Een begroting voor Europa 2020, COM(2011)500 van 29.6.2011, blz. 20.

Juridische mededeling - Privacybeleid