VERSLAG over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, afdeling I – Europees Parlement

10.4.2012 - (COM(2011)0473 – C7‑0257/2011 – 2011/2202(DEC))

Commissie begrotingscontrole
Rapporteur: Bogusław Liberadzki


Procedure : 2011/2202(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A7-0120/2012

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, afdeling I – Europees Parlement

(C7‑0257/2011 – 2011/2202(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010[1],

–   gezien de jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010 (COM(2011)0473 – C7-0257/2011)[2],

–   gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer - afdeling I - Europees Parlement - Begrotingsjaar 2010[3],

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur over het begrotingsjaar 2010,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2010, tezamen met de antwoorden van de instellingen[4],

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2010[5] waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[6], en met name de artikel 145, 146 en 147,

–   gezien artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement[7],

–      gezien artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, dat van alle EU-instellingen verlangt dat zij alles in het werk stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2010 - Afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII en IX[8],

–   gezien zijn resolutie van 5 mei 2009 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2010[9],

–   gezien artikel 77 en artikel 80, lid 3, van en bijlage VI bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0120/2012),

A. overwegende dat de Rekenkamer heeft verklaard dat, wat de administratieve uitgaven in 2010 betreft, alle instellingen op bevredigende wijze de krachtens het Financieel Reglement verplichte toezichts- en controlesystemen hebben toegepast en dat 93% van de 58 gecontroleerde betalingen geen materiële fouten vertoonde,

B.  overwegende dat de secretaris-generaal op 16 juni 2011 heeft bevestigd dat er redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van goed financieel beheer en dat het controlesysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de rechtmatigheid en regelmatigheid van de onderliggende operaties,

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2010;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, afdeling I – Europees Parlement

(C7‑0257/2011 – 2011/2202(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010[10],

–   gezien de jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010 (COM(2011)0473 – C7-0257/2011)[11],

–   gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer - afdeling I - Europees Parlement - Begrotingsjaar 2010[12],

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur over het begrotingsjaar 2010,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2010, tezamen met de antwoorden van de instellingen[13],

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2010[14] waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[15], en met name de artikel 145, 146 en 147,

–   gezien artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement[16],

–   gezien artikel 147, lid 1, van het Financieel Reglement, dat van alle EU-instellingen verlangt dat zij alles in het werk stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2010 - Afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII en IX[17],

–   gezien zijn resolutie van 5 mei 2009 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2010[18],

–   gelet op artikel 77 en artikel 80, lid 3, van en bijlage VI bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0120/2012),

A. overwegende dat de Rekenkamer heeft verklaard dat, wat de administratieve uitgaven in 2010 betreft, alle instellingen op bevredigende wijze de krachtens het Financieel Reglement verplichte toezichts- en controlesystemen hebben toegepast en dat 93% van de 58 gecontroleerde betalingen geen materiële fouten vertoonde,

B.  overwegende dat de secretaris-generaal op 16 juni 2011 heeft bevestigd dat er redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van goed financieel beheer en dat het controlesysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de rechtmatigheid en regelmatigheid van de onderliggende operaties,

C. overwegende dat tijdens het debat in de Commissie begrotingscontrole over de kwijting voor 2010 enkele kwesties aan de orde zijn gesteld die het specifieke kader 'kwijting 2010' overschrijden (en dat deze kwesties onderdeel uitmaken van het waaier van door de Commissie gestelde vragen), maar dit verslag desalniettemin hoofdzakelijk betrekking heeft op de uitvoering van de begroting en de kwijting voor het begrotingsjaar 2010, erop wijzend dat uitvoerige discussies over verschillende benaderingen van begrotingskwesties in andere fora thuishoren,

Uitdagingen bij de uitvoering van de begroting voor 2010

1.      wijst erop dat de uitvoering van de begroting voor 2010 een uitdaging was, aangezien 2010 het eerste volledige jaar van operaties was na de Europese verkiezingen in 2009, en de uitvoering plaatsvond tegen de achtergrond van de aanhoudende financiële problemen in de Unie;

2.      merkt op dat de begroting van het Parlement (totale kredieten ten belope van 1 616 760 399 EUR, in vergelijking met 1 529 970 930 EUR in 2009) net iets minder bedroeg dan eenvijfde (19,99%; 19,67% in 2009, dat wil zeggen onder het gebruikelijke aandeel van 20%) van Rubriek V (Administratieve uitgaven) van de algemene begroting van de Europese Unie voor 2010;

3.      neemt kennis van het antwoord van het secretariaat-generaal van het Parlement volgens welk de jaarlijkse kosten van de zetel van het Parlement in Straatsburg in 2010 exact 51,5 miljoen EUR bedroegen, verdeeld als volgt: 33,5 miljoen EUR aan infrastructuurkosten en 18 miljoen EUR aan functioneringskosten voor de 12 vergaderperiodes; merkt op dat deze officiële cijfers ver onder de eerder genoemde ramingen liggen die variëren van 169 tot 203 miljoen EUR;

4.      wijst erop dat de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de bevoegdheden, activiteiten en hoeveelheid wetgevingswerk heeft doen toenemen, waardoor de organisatorische opzet en werkmethoden van de instelling grondig moesten worden hervormd, teneinde de kwaliteit van de wetgeving te kunnen handhaven en door te kunnen gaan met de voorbereidingen voor de uitbreiding van de Unie met Kroatië; geeft verder aan dat de nieuwe uitdagingen het noodzakelijk maakten maatregelen te nemen ter verbetering van de kostenefficiëntie, zoals verbetering van de productiviteit, personeelsverschuivingen en verbeterde werkmethoden;

5.      brengt onder de aandacht dat de goedkeuring van een gewijzigde begroting (nr. 1/2010 van 19 mei 2010) ten belope van 9 397 164 EUR nodig was voor het financieren van aanvullende uitgaven die rechtstreeks voortvloeiden uit de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; wijst er verder op dat deze gewijzigde begroting in het bijzonder twee begrotingsposten (post 1 2 0 0 "Salaris en toelagen" en post 4 2 2 0/01 "Assistentie aan de leden: plaatselijke medewerkers") ten goede kwam, teneinde de assistentie aan de leden bij hun toegenomen wetgevingstaken te verbeteren;

6.      wijst erop dat in 2010 de administratie is geconsolideerd en verder gemoderniseerd, waarbij een grotere nadruk is komen te liggen op kernactiviteiten, herstructurering van diensten, een beter gebruik van moderne technologieën en een verbeterde interinstitutionele samenwerking;

7.      wijst erop dat 2010 het jaar was waarin zowel het nieuwe Statuut van de leden, als het Statuut van medewerkers (beide in werking getreden op 14 juli 2009) volledig werd toegepast, in combinatie met een aantal wijzigingen aan de uitvoeringsbepalingen voor beide statuten, zoals voorgesteld door de tijdelijke evaluatiegroep, en dat hieruit voor de administratie van het Parlement een flink aantal nieuwe taken voortvloeide;

8.      wijst op de goedkeuring door het Bureau op 24 maart 2010 van een ict-strategie voor de middellange termijn (in het bijzonder het Knowledge Management System - KMS - dat er onderdeel van uitmaakt) en van een gebouwenstrategie voor de middellange termijn, die beide ook een aanzienlijke financiële dimensie hebben;

Verslag over het begrotings- en financieel beheer

9.      wijst erop dat het Parlement in 2010 inkomsten had ten belope van 243 094 204 EUR (in vergelijking met 141 250 059 EUR in 2009), waaronder 110 298 523 EUR aan bestemmingsontvangsten;

Presentatie van de rekeningen van het Parlement

10.    neemt kennis van de onderstaande cijfers, op grond waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2010 werden gesloten:

(a) Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2010

1 616 760 399

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2009

10 100 000

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2009

180 265 823

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2010

110 298 523

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2009

20 637 870

Totaal:

1 938 062 615

(b) Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2010 (EUR)

vastleggingen:

1 772 219 308

verrichte betalingen:

1.506.555.191

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

341.046.482

niet-automatisch overgedragen kredieten:

9 240 000

geannuleerde kredieten:

80 650 726

(c) Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2010

243 094 204

(d) Totale balans op 31 december 2010 (EUR)

1 612 914 353

11.    wijst erop dat in 2010 96% (93% in 2009) van de definitieve kredieten waren vastgelegd, met een annuleringspercentage van 4% (6,7% in 2009), en dat net als in voorgaande jaren een zeer hoog niveau van begrotingsuitvoering werd bereikt;

12.    wijst overigens op de vele overdrachten naar 2010 (190 365 823 EUR) die in belangrijke mate het gevolg waren van het feit dat 2009 een bijzonder jaar was (Europese verkiezingen), en dringt wat toekomstige Europese verkiezingen aan op een verbeterde planning van de uitgaven;

13.    geeft aan dat dit in het algemeen hoge niveau van uitvoering ten dele toe te schrijven is aan twee, vlak voor het eind van het begrotingsjaar 2010 doorgevoerde overschrijvingen (9 240 000 EUR voor de aankoop van een Huis van Europa in Sofia en 10 923 000 EUR voor vier grote IT-projecten) ; is verheugd over het feit dat tussen 2010 en 2011 voor de tweede keer geen zogenaamde 'mopping-up'-overschrijvingen hebben plaatsgevonden; verzoekt de administratie evenwel met klem in de toekomst voor een betere en overzichtelijkere begrotingsplanning en -discipline te zorgen, en wijst erop dat het in de begroting opnemen van uitgaven voor gebouwen en IT, alsook van alle andere belangrijke uitgavenposten, voor volledige financiële duidelijkheid zou zorgen; is van oordeel dat alle aanzienlijke uitgaven in de jaarlijkse begroting volledig moeten worden gepland en niet het resultaat moeten zijn van 'mopping-up'-procedures in het geval van onderbenuttingen;

Verklaring van betrouwbaarheid van de secretaris-generaal

14.    is verheugd over de verklaring van de secretaris-generaal van 16 juni 2011, in zijn hoedanigheid als gedelegeerd hoofdordonnateur, betreffende de activiteitenverslagen voor 2010 van de ordonnateurs, waarin hij bevestigt redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de begroting van het Parlement is uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer en dat de controleregelingen de noodzakelijke garanties bieden voor wat betreft de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

Jaarverslag over de toekenning van contracten

15.    wijst erop dat de centrale diensten op basis van informatie van de ordonnateursdiensten het jaarverslag[19] over toegekende contracten 2010 hebben opgesteld, en wijst daarnaast op de uitsplitsing van alle in 2009 en 2010 toegekende contracten:

Type contract

2010

2009

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Diensten

Benodigdheden

Werken

Gebouwen

143

40

27

4

67 %

19 %

12 %

2 %

157

56

34

5

62 %

22 %

14 %

2 %

Totaal

214

100 %

252

100 %

Type contract

2010

2009

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Diensten

Benodigdheden

Werken

Gebouwen

149 463 916

45 467 211

22 128 145

22 269 303

63 %

19 %

9 %

9 %

415 344 963

34 980 727

36 045 314

70 394 138

75 %

6 %

6 %

13 %

Totaal

239 328 575

100 %

556 765 142

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement toegewezen contracten, 2010, blz. 5)

16.    neemt kennis van onderstaande onderverdeling naar type van gebruikte procedure van de in 2010 en 2009 gegunde contracten:

Soort procedure

2010

2009

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Open

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

72

5

137

34 %

2 %

64 %

73

13

166

29 %

5 %

66 %

Totaal

214

100 %

252

100 %

Soort procedure

2010

2009

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Open

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

143 603 024

2 129 576

93 595 975

60 %

1 %

39 %

415 996 418

9 458 434

131 310 290

75 %

2 %

23 %

Totaal

239 328 575

100 %

556 765 142

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement toegewezen contracten, 2010, blz. 6-7)

Buitengewone onderhandelingsprocedures

17.    is verheugd over het feit dat, in 2010 voor het eerst, alle directoraten-generaal in een bijlage bij hun jaarlijkse activiteitenverslagen gedetailleerde informatie verstrekken over de middels de buitengewone onderhandelingsprocedure toegekende contracten en de redenen waarom van deze procedure gebruik is gemaakt, naast de andere informatie zoals bedoeld in paragraaf 50 van de resolutie van 5 mei 20101 over de kwijting in verband met de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2008, Afdeling I - Europees Parlement;

18.    erkent als positief de omgekeerde tendens in 2010 (in vergelijking met 2009 en de daaraan voorafgaande jaren) bij het aantal buitengewone onderhandelingsprocedures, ten aanzien van alle contracten met een waarde groter dan 25 000 EUR1, zoals blijkt uit de onderstaande opsplitsing:

Directoraat-generaal

2010

2009

Aantal

% totale aantal contracten van het DG

Aantal

% totale aantal contracten van het DG

DG PRES

5

50,00 %

14

53,85 %

DG IPOL

2

5,56 %

0

0,00 %

DG EXPO

0

0,00 %

1

50,00 %

DG COMM

8

14,81 %

29

42,03 %

DG PERS

0

0,00 %

1

16,67 %

DG INLO

24

30,00 %

37

38,14 %

DG Vertolking en conferenties (INTE)

3

27,27 %

3

21,43 %

DG TRAD

0

0,00 %

0

0,00 %

DG ITEC

7

53,85 %

4

36,36 %

DG FINS

0

0,00 %

0

0,00 %

Juridische dienst

0

0,00 %

0

0,00 %

Parlement, totaal

49

22,90 %

89

35,32 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement toegewezen contracten, 2010, blz. 11)

19.    verzoekt de directoraten-generaal die nog altijd een groot aantal buitengewone onderhandelingsprocedures vertonen, in het bijzonder DG INLO, het aantal/aandeel daarvan te reduceren; dringt er bij zijn administratie op aan nauwlettend op deze procedures te blijven toezien, met name met betrekking tot mogelijke belangenconflicten, en om strengere en ontmoedigende sancties op te leggen wanneer onregelmatigheden worden geconstateerd;

20.    is verheugd dat DG PRES binnen de eenheid Planning, begrotingsbeheer en contracten een afdeling Aanbestedingen in het leven heeft geroepen, aangezien dit de transparantie van de procedures voor openbare aanbestedingen zal vergroten;

Jaarverslag van de Rekenkamer voor 2010

Algemene bevindingen

21.    is verheugd over het feit dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat noch bij de betalingen, noch bij de toepassing van de toezicht- en controlesystemen (naleving van de regels van het Financieel Reglement) materiële fouten zijn gemaakt;

Beheer van de subsidieregeling voor bezoekersgroepen

22.    wijst op de conclusie van de Rekenkamer dat de in 2010 gehanteerde procedures, waarbij geen bewijsstukken met betrekking tot de daadwerkelijk gemaakte reiskosten hoefden te worden gepresenteerd en cashbetalingen aan groepsleiders plaatsvonden, het risico in zich droegen van te hoge betalingen en voldoende interne controles op dergelijke betalingen onmogelijk maakten, en neemt nota van de aanpassingen die onlangs aan het systeem zijn aangebracht; merkt evenwel op dat leden nog altijd cashbetalingen van bezoekersgroepen kunnen verlangen; verzoekt de secretaris-generaal de Rekenkamer te vragen een advies over de gewijzigde regels uit te brengen;

Indienstneming van arbeidscontractanten

23.    wijst teleurgesteld op de conclusie van de Rekenkamer dat in vier van de vijf gecontroleerde gevallen, d.w.z. in niet minder dan 80%, de documentatie met betrekking tot de beoordeling van de aanvragen, het verloop van de interviews en de besluiten betreffende de selectie van arbeidscontractanten tekortschoten, zonder negatieve gevolgen voor de betrokken personeelsleden en derhalve zonder prikkels voor hen om de situatie te verbeteren; sluit zich aan bij de aanbeveling van de Rekenkamer dat vanaf nu voor internecontroledoeleinden altijd voor volledige documentatie moet worden gezorgd;

Aanbesteding

24.    betreurt dat de Rekenkamer in de gecontroleerde aanbestedingsprocedures van het Parlement fouten, inconsistenties en andere onvolkomenheden heeft vastgesteld; wijst erop dat er onlangs maatregelen zijn genomen om deze procedures te verbeteren en spoort de administratie aan door te gaan met het verbeteren van het systeem van aanbestedingen; is verheugd over de ontwikkeling (in 2010) van het IT-instrument Webcontracts, dat het mogelijk maakt contractwerk online te verrichten;

25.    verzoekt het Bureau alle controlemechanismen voor openbare aanbestedingen nog eens tegen het licht te houden, teneinde te waarborgen dat de meest concurrerende prijzen voor de geboden goederen en diensten worden betaald;

Organisatie en werking van de fracties

26.    neemt nota van de conclusies van de Rekenkamer met betrekking tot de overdracht van ongebruikte kredieten door fracties en de opsplitsing van Europese verkiezingsjaren in twee helften voor het berekenen van de toegestane overdrachten; is van oordeel dat, om problemen zoals aan het begin van 2010 in de toekomst te vermijden, altijd het hele verkiezingsjaar moet worden gebruikt voor het berekenen van de overdrachten van fracties die ook na de verkiezingen nog in het Parlement actief zijn;

Follow-up door de secretaris-generaal van de kwijtingsresolutie voor 2009

27.    stemt met tevredenheid vast dat snel en inhoudelijk schriftelijk is gereageerd op de resolutie over de kwijting 2009 in de Commissie begrotingscontrole op 6 oktober 2011 en is verheugd over de kwaliteit van de gedachtewisseling met de secretaris-generaal in de Commissie begrotingscontrole tijdens het follow-updebat over de kwijting 2009 op 11 oktober 2011;

28.    verwelkomt de verschillende antwoorden op een aantal verzoeken in de hierboven vermelde resolutie en kijkt uit naar de afronding van de follow-up bij de onderstaande verzoeken in de resolutie:

(i)          het verzoek betreffende een alomvattende beoordeling van de veranderingen op personeelsvlak, alsook van de ontwikkeling van de kosten in alle diensten die te maken krijgen met de gevolgen van de invoering van de nieuwe statuten (van de leden en de medewerkers), en het verzoek deze beoordeling, samen met een actieplan en een evaluatie van de directe en indirecte financiële gevolgen voor de begroting van het Parlement voor de komende vijf jaar, inclusief de voorziening voor eventuele extra kantoorruimte, verhuizingen en renovaties/aanpassingen (paragraaf 7), voor te leggen aan de bevoegde commissies;

(ii)         het verzoek om informatie - in het eerstvolgende activiteitenverslag - over de kosten van het externaliseren van de rekencentra in vergelijking met de kosten van de oude situatie (paragraaf 37);

(iii)         een formeel besluit over de afschaffing van de prijs voor journalistiek (paragraaf 93);

(iv)         het verzoek om informatie over het totale bedrag aan besparingen dat is gerealiseerd, inclusief die ten gevolg van de verdere rationalisering van de dienstreizen tussen de drie vestigingsplaatsen (paragraaf 102);

29.    verzoekt de secretaris-generaal ten laatste op 31 oktober 2012 verslag uit te brengen aan de bevoegde commissie van het Parlement over de genomen of geplande maatregelen;

Jaarverslag van de intern controleur

30.    is verheugd over het feit dat een bedrijf van externe controleurs heeft bevestigd dat de interne controledienst de hoogste mate van conformiteit met de "International Standards for the Professional Practice of Internal Auditing" bereikt;

31.    wijst erop dat de intern controleur op 24 januari 2012 in de bevoegde commissie zijn op 15 januari 2011 ondertekende jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft uitgelegd dat hij de administratie van het Parlement in 2010 aan de onderstaande controles heeft onderworpen:

-       follow-up van de controles van de individuele rechten van het personeel;

-       controle van de bezoekersgroepen;

-       follow-up van de controle van de uitgaven voor dienstreizen van het personeel;

-       follow-up van de herziening van de interne controles van langetermijncontracten;

-       follow-up van de herziening van IT-governance - planning en organisatie;

-       controle van de invoering van Payroll;

-       controle van de procedures voor openbare aanbestedingen en van de uitvoering van contracten in DG ITEC;

-       follow-up van de controle van de uitgaven voor parlementaire medewerkers;

32.    neemt nota van en sluit zich aan bij de opmerkingen van de intern controleur met betrekking tot de noodzaak om:

–       zo snel mogelijk te komen tot afronding van alle maatregelen (en in het bijzonder de meest urgente) voor het verbeteren van de managementprocessen in DG Personeel, en van het controleklimaat en de controleactiviteiten op het gebied van de individuele rechten van het personeel, en tot voltooiing van de vier lopende maatregelen op het gebied van de uitgaven voor dienstreizen van het personeel zoals in kaart gebracht in het interne controleverslag 10/04 van 6 mei 2011 over de follow-up van de oorspronkelijke controle van 2008; wijzigingen aan te brengen in de financiële bepalingen van de interne regels betreffende de ontvangst van bezoekersgroepen, teneinde de financiering beter te laten aansluiten bij de daadwerkelijk door de bezoekers gemaakte kosten;

-       te komen tot afronding van de 20 maatregelen op het gebied van IT-governance;

Aard en doel van interne controleverslagen

33.  verwijst naar zijn opmerkingen over interne controleverslagen in vorige kwijtingsresoluties; onderkent dat interne controleverslagen een instrument zijn voor verbeteringen aan systemen en prestatie, en alleen goed kunnen worden geïnterpreteerd na doorvoering van de in de verslagen opgenomen aanbevelingen; geeft evenwel aan dat de continu herziening van het Financieel Reglement betrekking heeft op de kwestie van de beschikbaarheid (op verzoek) van deze verslagen, tegen de achtergrond van de uitspraak van het Europees Hof van Justitie hierover;

MANAGEMENT VAN DE ADMINISTRATIE VAN HET PARLEMENT

Activiteitenverslagen van de directeuren-generaal

34. stelt met tevredenheid vast dat alle directeuren-generaal zonder voorbehouden verklaringen van betrouwbaarheid hebben afgegeven voor de uitvoering van de begroting door hun diensten in 2010; is zich ervan bewust dat de activiteitenverslagen een intern managementinstrument zijn, waarvan het voornaamste doel is de secretaris-generaal een helder beeld te geven van het functioneren van de administratie en, in het bijzonder, van eventuele problemen;

Risicobeheerder

35. neemt met tevredenheid kennis van het feit dat de risicobeheerder op 1 juni 2010 zijn werkzaamheden is begonnen en rechtstreeks verslag uitbrengt aan de secretaris-generaal; is verheugd over de publicatie (op 16 december 2011) van een handboek risicobeheer, en herhaalt zijn verzoek betreffende toezending van het activiteitenverslag van de risicobeheerder voor 2010, alsook van informatie over ontwikkelingen op het vlak van de implementatie van het nieuwe risicobeheerbeleid van het Parlement aan de bevoegde commissie;

36. verzoekt dat zijn bevoegde commissie voor eind september 2012 op de hoogte wordt gesteld van de maatregelen die zijn genomen met betrekking tot het identificeren en beheren van gevoelige posten;

DG PRES

Beveiliging

37. stelt vast dat het budget voor beveiliging gering is afgenomen van 45 980 000 EUR in 2009 naar 45 590 000 in 2010; is verheugd over de permanente dalende trend bij de uitgaven voor beveiliging op de begroting 2011 (totale kredieten 42 830 000 EUR) ten opzichte van 2010 en over de goedkeuring door het Bureau in juli 2011 van het Global Security Concept, dat voorziet in een moderner en doeltreffender beveiligingssysteem voor het Parlement;

38. herhaalt zijn verzoek aan de secretaris-generaal de leden te verplichten bij het betreden en verlaten van de gebouwen van het Parlement hun badge te tonen; stelt voor de badges van de leden ook aan een elektronische controle te onderwerpen;  

39.  merkt op dat het verzoek van het Parlement aan de administratie de verantwoordelijke veiligheidsbeheerder naar een nieuwe post over te plaatsen, is genegeerd, aangezien de persoon die directeur was op het moment van de diefstallen in 2009 en 2010 nog altijd dezelfde functie bekleedt;

40.  benadrukt dat de diefstallen plaatsvonden in de bureaus van de leden terwijl deze waren afgesloten, hetgeen duidt op een laag niveau van beveiliging van de bureaus; verzoekt de secretaris-generaal op zo kort mogelijke termijn maatregelen te nemen om de huidige situatie te verbeteren;

41.  maakt zich zorgen over het lage beveiligingsniveau in de parkeergarages van het Parlement; merkt op dat meerdere auto's opzettelijk zijn beschadigd in de parkeergarage in Brussel; verzoekt het Bureau passende maatregelen te nemen om de situatie te verbeteren;

42.  herhaalt zijn verzoekt aan de secretaris-generaal om uiterlijk op 30 juni 2012 voorstellen te presenteren voor een doeltreffender, veilig en fraudebestendig systeem voor het 'tekenen' (met inbegrip van suggesties voor openingstijden voor het 'tekenen'), en in het bijzonder voorstellen voor een mogelijk toekomstig elektronisch systeem voor het 'tekenen' voor de leden, zowel voor het tekenen van documenten (zoals amendementen), als voor het melden van hun aanwezigheid door middel van een digitale handtekening, hoewel het weet dat de kostenimplicaties en/of besparingen hiervan minimaal zullen zijn;

43. is verheugd over het feit dat na het besluit van het Bureau van 5 juli 2010 de internalisering van de accrediteringsdiensten nu bijna is afgerond; gaat ervan uit dat het nieuwe accrediteringssysteem voor een betere en meer doeltreffende dienstverlening zal zorgen; is van oordeel dat de beveiliging van het Parlement verder moet worden verbeterd en gemoderniseerd, d.w.z. op passende wijze moet worden geprofessionaliseerd, in het bijzonder middels specifieke selectie- en aanwervingsprocedures en de noodzakelijke 'in-house' na- en bijscholing; kijkt met belangstelling uit naar de ontwikkeling van het nieuwe globale beveligingsconcept, in het bijzonder de differentiatie tussen 'zoning'-gebieden, dat een aanzienlijke verbetering van de beveiligingsituatie tot gevolg zal hebben, niet in de laatste plaats wat de kantoren van de leden betreft;

Herstructurering

44. geeft aan dat DG PRES in 2010 grondig is hervormd; stemt in met de centralisering van de financiële functies, van de planning en het beheer van aanbestedingen, en van beveiliging binnen het in maart 2010 in het leven geroepen directoraat Middelen;

DG Intern Beleid (DG IPOL) en Extern Beleid (DG EXPO)

45.  erinnert aan het politieke belang van delegaties voor het werk van het Parlement binnen en buiten de Unie; wijst tegelijkertijd evenwel op de enorme verschillen bij de kosten per lid per dag (uiteenlopend van 1 400 EUR tot 5 300 EUR) tussen delegaties, met name die voor buiten de Unie; verzoekt het Bureau samen met alle betrokken DG's regels te ontwikkelen voor een kostenefficiëntere en meer uniforme kostenstructuur voor bezoeken van delegaties, en daarbij in het bijzonder rekening te houden met hun politieke belang en duur, en de optimale verhouding tussen leden en personeel; dringt aan op de ontwikkeling van een systeem voor de consolidering van het IT-budget met gedetailleerde informatie over de begroting van elke delegatie en resulterend in een verbetering van het beheer van de uitgaven;

DG COMM

46.  maakt zich zorgen over het feit dat begrotingslijn 3 2 4 2 (publicatie, voorlichting en deelneming aan openbare evenementen), met uitzondering van de kosten voor het wetgevingsobservatorium, onvoldoende transparant is; is van oordeel dat met name de uitgaven onder 3 2 4 2/01 nader moeten worden uitgesplitst om de transparantie in de komende begrotingsjaren te vergroten;

Bezoekerscentrum (Parlementarium)

47.  wijst erop dat de vastleggingen onder post 3 2 4 3 ("Bezoekerscentrum") ten opzichte van 2009 - toen niet alles werd uitgegeven - enorm (227%) zijn toegenomen en in totaal 12 725 985 EUR bedroegen; wijst op het grote probleem van de veiligheid van de verlaagde plafonds, waardoor het hele project in 2010 vertraging opliep en dat de administratie dwong een bedrag van 1 000 000 EUR te annuleren, dat vervolgens automatisch van 2009 naar 2010 werd overgedragen; merkt op dat de totale geraamde kosten 20 530 000 EUR bedragen, een stijging met 15,3% ten opzichte van 2007; dringt aan op waarborgen die garanderen dat zich bij andere miljoenenplannen geen vergelijkbare stijgingen zullen voordoen;

48.  is blij met de opening (aanvankelijk gepland voor de Europese verkiezingen van 2009) van het bezoekerscentrum op 14 oktober 2011; betreurt evenwel de flinke vertraging en de aanzienlijke budgetoverschrijding; dringt erop aan de werking van het bezoekerscentrum na de eerste twaalf maanden te evalueren, teneinde de reactie van het publiek, de sterke/zwakke punten en de kosten/baten ervan te beoordelen, en voor kosten-batenefficiëntie te zorgen;

Huis van de Europese geschiedenis

49.  wijst erop dat het Bureau op 5 juli 2010 goedkeuring heeft gehecht aan de bijgewerkte communicatiestrategie, inclusief het project betreffende het Huis van de Europese geschiedenis, dat in september 2010 door een internationale jury is bekeken; wijst er verder op dat geen gebruik is gemaakt van begrotingshoofdstuk 1 0 6 ("Reserve voor prioritaire projecten in ontwikkeling") voor dit project, aangezien alle kredieten onder dat hoofdstuk (5 000 000 EUR) zijn overgeschreven naar hoofdstuk 2 1 0 ("Informatica en telecommunicatie"); dringt er met klem op aan alle financiële implicaties van het project openbaar te maken, in het bijzonder gezien het feit dat de rivier de Maalbeek onder de fundamenten van het gebouw doorstroomt en de complicaties die dat oplevert; herhaalt dat het van oordeel is dat het kostenplaatje in het business plan moet worden gerespecteerd;

50.  betreurt dat de besluiten van het Bureau en andere organen met betrekking tot het Huis van de Europese geschiedenis niet stoelden op de 'geraamde' definitieve kosten van een volledig operationeel project; adviseert het Bureau en de Quaestoren in de toekomst geen goedkeuring meer te hechten aan projecten of initiatieven die niet vergezeld gaan van een volledige financiële raming van de directe en indirecte kosten;

Bezoekersgroepen

51.  erkent dat de bezoekersregeling belangrijk is voor het bekendmaken van het Parlement en het wetgevingswerk; neemt kennis van de sinds 2010 doorgevoerde wijzigingen in het betalingssysteem voor bezoekersgroepen en dringt erop aan het nieuwe betalingssysteem en de vergoedingsregeling te evalueren, teneinde vast te stellen wat de kostenontwikkeling is geweest en in hoeverre de betalingen een goede afspiegeling vormen van de daadwerkelijk door de groepen gemaakte kosten; verzoekt de Rekenkamer hier voor follow-up te zorgen en is benieuwd naar de opmerkingen van de interne controleur over de implementatie van het nieuwe systeem;

52.  verzoekt de administratie van het Parlement aan te geven welke globale ervaringen zijn opgedaan na de wijziging van de regelingen inzake de omvang van officiële bezoekersgroepen, en specifiek uiteen te zetten wat de impact van deze regels op de organisatie en de benutting van het personeel is geweest;

53.  is er om voor de hand liggende redenen van veiligheid en ter wille van het imago van het Parlement over bezorgd dat het Parlement aan personen die verantwoordelijk zijn voor bezoekersgroepen aanzienlijke bedragen contant uitbetaalt;

WebTV

54.  betreurt het feit dat EuroparlTV, op basis van het zeer lage aantal rechtstreekse individuele gebruikers (dus exclusief kijkers die het kanaal volgen via partnerschapsovereenkomsten met regionale tv-zenders) en ondanks de aanzienlijke financiering die het in 2010 heeft ontvangen, in totaal zo'n 9 000 000 EUR (post 3 2 4 6), niet echt een succesverhaal kan worden genoemd; verwelkomt het feit dat ernaar gestreefd wordt dit budget in 2011 en de daaropvolgende jaren met 14% (naar 8 000 000 EUR) te verlagen; stelt evenwel tot zijn spijt vast dat verdere subsidiëring niet kan worden gerechtvaardigd en dringt er bij de secretaris-generaal op aan voorstellen aan de ter zake bevoegde commissie voor te leggen voor beëindiging van het project;

Prijzen

55.  wijst erop dat de kosten in verband met de LUX-prijs in 2010 380 666,18 EUR bedroegen; maakt zich zorgen over het feit dat de kosten in 2011 opliepen tot 573 722,08 EUR (een stijging van meer dan 50%), en verwacht dat deze trend vanaf 2012 zal worden omgebogen; dringt er in het bijzonder op aan de volgende activiteiten in te perken teneinde de kosten te beteugelen:

- dure interne reclamecampagnes in de gebouwen van het Parlement,

- promotieactiviteiten op internationale filmfestivals,

- de hoge kosten in verband met de organisatie van "mini-LUX" evenementen in de lidstaten;

56. Wijst op de uitgaven voor prijzen gedurende de periode 2009-2011:

 

2009

2010

2011

PRIJS VOOR JOURNALISTIEK

€105 000

€118 059

€154 205

De Sacharovprijs

€300 000

€654 542

€652 348

Karel de Grote-prijs voor jongeren

€24 000

€34 000  

€35 000

LUX-prijs

€320 000

€380 666

€573 722

Totaal:

€749 000

€1 187 267

€1 415 275

57.  wijst erop dat de uitgaven voor prijzen tussen 2009 en 2011 met 89% zijn gestegen en is van mening dat de hiervoor gebruikte middelen beter aan iets anders hadden kunnen worden besteed; dringt erop aan de toekomstige uitgaven voor prijzen terug te brengen naar het niveau van 2009;

58.  wijst erop dat de kosten in verband met de prijs voor journalistiek in 2010 118 059 EUR bedroegen, een stijging met 18% ten opzichte van 2009; maakt zich zorgen over het feit dat de kosten voor deze prijs in 2011 met meer dan 25% zijn gestegen, en dringt er- nu deze prijs is afgeschaft - op aan een alomvattende kosten-batenanalyse te houden voordat gewerkt wordt aan alternatieve initiatieven op dit gebied van de betrekkingen met de media of op enig ander terrein;

59.  is van mening dat de toekenning van prijzen niet tot de kerntaken van het Parlement behoort en dringt aan op uitvoering van een kosten-batenanalyse alvorens nieuwe prijsinitiatieven worden ontplooid, teneinde rekening te houden met de voortdurend verslechterende financiële en economische situatie in alle lidstaten;

Informatiebureaus/Europahuizen

60. wijst op het feit dat in 2010 een directoraat Middelen in het leven is geroepen, dat zich onder andere bezighoudt met de gedecentraliseerde coördinatie van openbare aanbestedingen, hetgeen erin resulteert dat de gedecentraliseerde informatiebureaus nu minder te lijden hebben onder de praktijk waarbij sleutelpersoneel van gevoelige posten wordt verwijderd;

61.  wijst erop dat de kosten voor de 978 dienstreizen vanuit de 32 voorlichtingsbureaus van het Parlement naar Brussel en Straatsburg in het totaal 944 330 EUR bedroegen, hetgeen neerkomt op gemiddeld 701 EUR voor een dienstreis naar Brussel en 1 064 EUR voor een dienstreis naar Straatsburg; merkt op dat een dienstreis vanuit Luxemburg naar Brussel gemiddeld 250 EUR en vanuit Luxemburg naar Straatsburg gemiddeld 630 EUR kost; verzoekt in de toekomst eveneens informatie te krijgen over de gemiddelde kosten per dienstreis (bladzijde 68 van de vragenlijst);

Verbindingsbureau Washington

62.  wijst op de opening (in april 2010) van het verbindingsbureau van het EP in Washington en op het in oktober 2010 ingevoerde systeem waarbij vier ambtenaren voor een periode van een jaar het bureau bemannen; neemt nota van het feit dat voor de oprichting van dit verbindingsbureau in Washington weliswaar geen nieuwe posten hoefden te worden gecreëerd, maar dat er wel andere kosten zijn gemaakt; zou graag geïnformeerd worden over de hoogte van deze kosten voor 2011 en 2012; verzoekt een overzicht van de structuur, activiteiten en kosten van het verbindingsbureau over te leggen aan het Bureau en een kopie hiervan te doen toekomen aan de ter zake bevoegde commissies;

DG Personeel (DG PERS)

63.  is verheugd over het feit dat het DG zijn prestatie door middel van het uitbesteden van bepaalde taken (bijvoorbeeld het beheer van de crèche) heeft kunnen verbeteren, en over het grotere gebruik van IT-instrumenten bij het beheer van de personeelsdossiers; verwelkomt de tenuitvoerlegging van IT-instrument Streamline;

64. neemt nota van de impact van het besluit van de Raad van december 2009 om een jaarlijkse salarisaanpassing van slechts 1,85% toe te kennen in plaats van de door de Commissie voorgestelde aanpassing van 3,7%, dat erin heeft geresulteerd dat onder post 1 2 0 0 ("Salaris en toelagen") bijna 6 000 000 EUR (1,4%) aan vastleggingen niet is uitgevoerd;

65. wijst erop dat het organigram van het Parlement 6 285 posten omvat: 5 348 posten (85,1%) in het secretariaat en 937 posten (14,9%) bij de fracties, hetgeen neerkomt op een toename van 3,35% (204 posten) tussen 2009 en 2010, en dat dit voornamelijk is toe te schrijven aan het feit dat het takenpakket van het Parlement met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is uitgebreid;

66.  neemt nota van de wijzigingen in de opzet van het secretariaat, door het Bureau goedgekeurd in 2009 en in werking getreden aan het begin van 2010 vóór het begin van de nieuwe zittingsperiode, met als doel het verbeteren van de dienstverlening aan de leden; wijst erop dat deze wijzigingen in het bijzonder neerkwamen op een herstructurering van DG PRES, DG PERS en DG INLO, en op de oprichting van directoraten Middelen in DG PRES, DG IPOL, DG EXPO en DG COMM, dat wil zeggen de vier directoraten-generaal met een hoofdzakelijk politiek takenpakket;

67. wijst op het feit dat op 31 december 2010 de meerderheid van het personeel in het secretariaat (58,4%) en in de functiegroep administrateurs (51,7%) vrouw was; is verheugd dat - op het niveau van het midden- en het hoger management - het aandeel vrouwen zowel bij directeuren-generaal, als afdelingshoofden is toegenomen in 2010 (naar 36,4%, dat wil zeggen vier op elf, respectievelijk 26,2%);

68.  wijst op de moeilijkheden die worden ondervonden bij het aanwerven van ambtenaren uit bepaalde lidstaten, waaronder Duitsland, het VK, Oostenrijk en Nederland, waarvan het personeelsaandeel in het secretariaat van het Parlement aanzienlijk kleiner is dan de 'democratische weging' van het desbetreffende land in de Unie[20], en neemt nota van het feit dat een relatief groot aantal personeelsleden de Belgische of de Luxemburgse nationaliteit heeft (13,6%, respectievelijk 2,3%) vanwege het feit dat het Parlement in die landen vestigingsplaatsen heeft; verzoekt het Bureau om de wervingsprocedures en -vereisten te evalueren om na te gaan wat het aandeel hiervan is in de moeilijkheden bij de werving van personeelsleden;

Dienstreizen naar de drie vestigingsplaatsen/Kosten voor dienstreizen

69.  wijst erop dat er in 2010 33 200 dienstreizen hebben plaatsgevonden (in totaal 98 629 dienstreisdagen), en dat het in de overgrote meerderheid van de gevallen ging om verplaatsingen tussen de drie vestigingsplaatsen van het Parlement; herhaalt dat onnodige reizen tussen de drie vestigingsplaatsen en de daaraan verbonden kosten moeten worden vermeden, en dat hiervoor moet worden teruggegrepen op strengere en stelselmatiger toegepaste regels inzake de overlegging van bewijsstukken, en op betere controles; verzoekt de secretaris-generaal in zijn verslag - als onderdeel van de kwijtingsprocedure - inzicht te verschaffen in besparingen die door middel van een verdere rationalisering worden verwezenlijkt en informatie te verstrekken over verdere genomen of geplande initiatieven die de vermindering van het aantal dienstreizen beogen; is voorts van mening dat commissievergaderingen over het algemeen niet in Straatsburg dienen plaats te vinden, met uitzondering van vergaderingen (van commissies) waarvan de agenda rechtstreeks verband houdt met de verslagen of debatten op de agenda van de vergaderperiode van die week; spoort de Rekenkamer aan om de bestaande procedures voor dienstreizen nader te analyseren en met aanbevelingen te komen om de efficiëntie ervan te verbeteren; dringt er meer in het bijzonder bij de secretaris-generaal op aan de buiten Brussel gevestigde posten te evalueren, met name ten aanzien van personeelsleden die veel dienstreizen naar Brussel maken, teneinde na te gaan of zij moeten worden verplaatst; suggereert dat het wellicht nodig is de overeenkomst met de Luxemburgse autoriteiten te herzien, waarin het aantal personeelsleden van het Parlement in Luxemburg is vastgelegd zonder dat hierbij rekening is gehouden met de veranderende behoeften van het Parlement;

Statuten van de leden en de medewerkers

70.  stelt met tevredenheid vast dat de overgang op dit nieuwe systeem van arbeidsbetrekkingen in grote lijnen begrotingsneutraal is geweest, gezien het feit dat ongeveer 15 personeelsleden het beheer van de dossiers van ongeveer 1 400 medewerkers voor hun rekening nemen, en verzoekt in het bezit te worden gesteld van een kopie van het verslag over de implementatie van het nieuwe systeem van arbeidsbetrekkingen en de totale directe en indirecte kosten daarvan, met inbegrip van de door de Commissie betaalde werkloosheidsuitkeringen;

71. merkt op dat nog niet adequaat is gereageerd op de bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot onvolkenheden in de documentatie betreffende en de traceerbaarheid van kosten in verband met dienstreizen per privé-auto van medewerkers; versoekt de administratie van het Parlement met klem hiervoor op zo kort mogelijke termijn een transparante en controleerbare oplossing te vinden;

DG Infrastructuur en Logistiek (DG INLO)

Gebouwenbeleid

72.    neemt nota van het door het Bureau op 24 maart 2010 goedgekeurde gebouwenbeleid (gebouwenstrategie) voor de middellange en lange termijn, en van de belangrijkste kenmerken daarvan:

(i)     koop in plaats van huur, overeenkomstig de aanbevelingen van de Rekenkamer;

(ii)     vroegtijdige betaling van kosten in verband met het gebouwenbeleid (d.w.z. het zo snel mogelijk afbetalen van leningen);

(iii)    geografische concentratie van gebouwen in de drie vestigingsplaatsen;

(iv)    bijzondere aandacht voor onderhoud en renovatie;

(v)    een zo groot mogelijke integratie van het Parlement in de stedelijke omgeving;

(vi)    realisering van een zo groot mogelijke toegankelijkheid van het Parlement voor personen met een handicap en implementatie van de hoogste normen inzake veiligheid, gezondheid en welzijn;

(vii)   realisering van een zo milieuvriendelijk mogelijk Parlement;

73.    wijst erop dat de kosten voor onderhoud, exploitatie en reiniging van de gebouwen in de drie vestigingsplaatsen zijn gestegen van 33 700 000 EUR in 2009 naar 38 700 000 EUR in 2010, en dat ramingen uitgaan van een verdere stijging voor de jaren 2011-2013, met uitzondering van een kleine daling voor de kosten voor Luxemburg in 2013; wijst er verder op dat ook de kosten voor energie en bijvoorbeeld waterverbruik in dezelfde periode zullen blijven stijgen, zij het minder dramatisch;

74.    geeft aan dat de erfpachtbetalingen in 2010 aanzienlijk zijn gedaald (5 700 000 EUR, in vergelijking met 58 600 000 EUR in 2008 - het hoogste bedrag van de afgelopen jaren), en wijst op de minder extreme fluctuaties in de huurkosten (25 300 000 EUR in 2010, in vergelijking met 31 200 000 EUR, het hoogste bedrag, in 2006, en 19 900 000 EUR, het laagste bedrag, in 2007) en op het feit dat de voor gebouwen uitgegeven bedragen in het algemeen sterk variëren, van 165 900 000 EUR in 2006, tot nul EUR in 2009, tot 20 200 000 EUR in 2010;

75.    stelt op basis van de antwoorden op de vragen in de vragenlijst met betrekking tot de kwijting met tevredenheid vast dat, indien het Parlement al zijn gebouwen had gehuurd, het op zijn begroting voor 2010 naar schatting voorzieningen had moeten treffen voor extra kosten ten belope van 163 000 000 EUR, hetgeen gelijk is aan 10% van zijn begroting; steunt derhalve het in gang gezette beleid van kopen in plaats van huren, waarop door de Rekenkamer reeds enkele jaren werd aangedrongen, voor het laatst in zijn Speciaal Verslag nr. 2/2007 over uitgaven voor onroerend goed;

76.    wijst erop dat de kosten voor het verwijderen van asbest uit drie gebouwen in Straatsburg in 2010, een bedrag van 2 464 701 EUR, grotendeels (2 015 000 EUR) door de stad Straatsburg zijn vergoed;

77.    wijst erop dat de Belgische staat het Parlement op 27 januari 2010 een bedrag van 85 987 000 EUR heeft betaald als vergoeding voor de kosten van de grond onder de Willy Brandt- en József Antall-gebouwen, en de kosten voor het dak van het Luxemburg-station in Brussel; wijst erop dat dit bedrag overeenkomstig het Financieel Reglement als 'bestemmingsontvangsten' in de boeken is opgenomen en gebruikt is voor het financieren van onroerendgoedprojecten;

78.    wijst op de koop van het REMARD-gebouw in Brussel in 2010 (11 000 000 EUR) en op het besluit om het Europahuis is Sofia te kopen (9 240 000 EUR); betreurt dat de kosten voor onderhoud, renovatie en koop vanwege de specificiteit van de (kleine) markt in Sofia onnodig hoog zijn, en dat het moeilijk is de vertrouwelijkheid van onderhandelingen te handhaven; is van oordeel dat het voorstel voor een vereiste in het Financieel Reglement op grond waarvan de instellingen hun plannen ten aanzien van gebouwen een aantal jaren van tevoren bekend moeten maken, zou resulteren in aanzienlijke kosten voor de instellingen en de belastingbetaler;

79.    is van oordeel dat een bepaling in het Financieel Reglement die rechtstreekse financiering van gebouwen mogelijk zou maken een positief effect zou hebben, aangezien het Parlement in dat geval leningen zou kunnen nemen zonder een beroep op derde partijen te hoeven doen, hetgeen de kosten zou drukken en de transparantie zou vergroten; wijst erop dat dit reeds gebeurt in het geval van het KAD-gebouw in Luxemburg, waarvoor een partnerschap is aangegaan met de Europese Investeringsbank (voor 50% van de financiering);

80.    dringt in dat verband aan op een gedetailleerde staat van de al gemaakte en de voor de komende 20 jaar te verwachten kosten voor het KAD-gebouw in Luxemburg, alsook de gedetailleerde publicatie van de verwachte totale kosten van de bouw, de geraamde huishoudelijke en andere uitgaven die verband houden met de bouw en de exploitatie;

81.    verwelkomt de verzekering van de secretaris-generaal dat er geen kantoren meer beschikbaar worden gesteld aan lobbyisten of stichtingen, maar wijst erop dat de stichting Pegasus en de Kangaroo Group tot 31 december 2011 wel degelijk over kantoren beschikten in de gebouwen van het Parlement;

82.    betreurt dat er in 2010 kantoorruimte beschikbaar werd gesteld aan geaccrediteerde lobbyorganisaties, hetgeen betekent dat deze organisaties een voorkeursbehandeling genoten op kosten van de Europese belastingbetalers;

Cateringfaciliteiten

83.    dringt nogmaals aan op een gevarieerder cateringaanbod in de gebouwen van het Parlement door, na afloop van de huidige contracten, niet langer een monopoliepositie te verlenen aan één cateraar;

DG Vertaling (DG TRAD) en DG Vertolking (DG INTE)

84.    wijst erop dat in 2010 in totaal 1 721 191 bladzijden zijn vertaald (waarvan 1 033 176, oftewel 60%, intern), en is verheugd over het feit dat DG TRAD alle voor de stemmingen bedoelde documenten op tijd heeft geleverd en dat 90% van alle vertalingen vóór de deadline klaar was, ondanks het feit dat 65% van de verzoeken om vertaling te laat werd ingediend (d.w.z. minder dan tien werkdagen dagen van tevoren, zoals bepaald in de gedragscode inzake meertaligheid);

85.    stelt met tevredenheid vast dat de productiviteit binnen DG TRAD toeneemt en dat het DG de ter beschikking staande middelen steeds doeltreffender gebruikt, en er tegelijkertijd voor zorgt dat meertaligheid is gegarandeerd; onderstreept in dit verband dat de productiviteit is toegenomen van 1 500 naar 1 800 bladzijden per jaar; zou prijs stellen op openbaarmaking van de productiviteitscijfers per taalafdeling;

86.    stelt evenwel vast dat nadat de mate van naleving van de gedragscode inzake meertaligheid tussen 2008 en 2009 (het eerste jaar van tenuitvoerlegging) met 10% was toegenomen, zij tussen 2009 en 2010 is gedaald1; dringt er bij de commissies, delegaties en fracties op aan de in de gedragscode vastgelegde termijnen strikt in acht te nemen;

87.    is verheugd dat DG INTE, na het in 2010 gestarte proefproject, de leden nu de nieuwe dienst 'interpretation ad personam' (IAP) aanbiedt;

DG Financiën (DG FINS)

88.    stelt met tevredenheid vast dat de termijn voor het betalen van rekeningen in 2010 gedaald in tot gemiddeld 21 dagen;

Vervoerskosten

89.    wijst erop dat de reiskosten van de leden in 2010 zo'n 107 000 000 EUR bedroegen (oftewel 6,6% van alle uiteindelijke kredieten), en dat nu een daling van 5% van kracht is; is van oordeel dat geprobeerd moet worden de kosten verder te verlagen door het poolen van airmiles;

Reisbureau

90.    wijst erop dat de definitieve kredieten voor het reisbureau in 2010 1 438 000 EUR bedroegen, met een hoog vastleggingspercentage (94%); wijst er daarnaast op dat het reisbureau onderhandelde prijzen van luchtvaartmaatschappijen krijgt, hetgeen betekent dat er een gemiddelde prijs is voor de beste dienstverlening; onderstreept evenwel dat dit niet betekent dat het niet mogelijk is voor een bepaalde dag of een bepaald reistraject een betere prijs te krijgen door rechtstreeks bij een touroperator te boeken; dringt aan op een onafhankelijk onderzoek ter financiële doorlichting van het reisbureau, haar opzet en functioneren; dringt er bij de huidige exploitant van het reisbureau op aan zich harder in te spannen om ervoor te zorgen dat de leden en het personeel altijd de goedkoopste opties krijgen aangeboden; dringt er voorts bij het bevoegde directoraat op aan toe te zien op het niveau van de door het reisbureau geleverde diensten en op de prijs/kwaliteitverhouding ervan, en hierover voor eind 2012 verslag uit te brengen aan de ter zake bevoegde commissie van het Parlement;

91.    betreurt dat het reisbureau in sommige gevallen niet de beste prijs biedt in vergelijking met andere (online) reisbureaus; verzoekt DG Financiën een adequaat controlemechanisme te ontwikkelen waarmee de beste prijs/kwaliteitverhouding wordt gewaarborgd;

92.    is van oordeel dat we behoefte hebben aan vergelijkbare ticketprijsgegevens om te kunnen bepalen wat de beste prijs voor een bepaalde vlucht is;

93.    is van mening dat het Parlement, voor zover mogelijk, geen monopolistische contracten meer moet gunnen en dat de leden en medewerkers zouden kunnen profiteren van lagere kosten en een betere dienstverlening wanneer zij meer dan één reisbureau tot hun beschikking zouden hebben;

'Mopping-up'-overschrijvingen

94.    is verheugd over het feit dat aan het eind van 2010 geen gebruik is gemaakt van de 'mopping-up'-procedure, zoals de afgelopen jaren was verzocht door de Commissie begrotingscontrole, waarmee een groot verschil tussen de geplande begroting en de daadwerkelijk ten uitvoer gelegde begroting, zoals in vorige jaren het geval was, is vermeden, en is van oordeel dat alle instellingen van de Unie het toezicht en de kwijtingsprocedure in de toekomst zouden kunnen vereenvoudigen indien zij hun uitgaven voor gebouwen op een transparante wijze - via de begrotingsprocedure - zouden plannen;

Pensioenfondsen

95.    wijst erop dat de waarde van de activa van het vrijwillig pensioenfonds in 2010 met 13,3% is toegenomen ten gevolg van het zich voortzettende herstel van de beleggingsmarkten na de mondiale financiële crisis van 2008, maar dat het fonds op 31 december 2010 toch een tekort van 178 960 000 EUR vertoonde, hetgeen aanleiding is tot bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-nakoming van betalingsverplichtingen door het fonds; brengt in herinnering dat het Parlement garant staat voor de uitbetaling van de pensioenrechten van alle voormalige en enkele huidige leden die bij dit vrijwillige pensioenfonds zijn aangesloten, wanneer en indien dit fonds niet in staat blijkt aan zijn verplichtingen te voldoen; wenst te worden geïnformeerd over de vraag hoe het Parlement zijn verplichtingen in dit geval zal nakomen en uit welke begrotingslijn dit zal worden gefinancierd;

96.    erkent dat twee derde van de betalingen aan het fonds rechtstreeks door het Parlement en niet door individuele leden werd verricht; herinnert leden van het fonds eraan dat hun bijdragen vrijwillig waren en herhaalt dat het Parlement geen verdere financiële bijdrage moet leveren aan de nakoming van betalingsverplichtingen of beperking van het tekort van een fonds dat van het begin af aan wellicht niet op deugdelijke wijze is georganiseerd;

97.    wijst er verder op dat verplichtingen uit hoofde van de Regeling kosten en vergoedingen voor overlevenden- en invaliditeitspensioenen (Bijlage II) een bedrag beliepen van 28 950 000 EUR; geeft aan dat er een bedrag van 195 640 000 EUR gebruikt is ter dekking van verschillen op basis van uiteenlopende nationale en EP-pensioenfondsbepalingen – in hoofdzaak betreffende Italiaanse en Franse leden - (Bijlage III), en een bedrag van 152 210 000 EUR van de regeling in het nieuwe statuut (dit laatste bedrag zal van jaar tot jaar nog verder oplopen); wijst erop dat er geen middelen beschikbaar zijn om deze uitgaven te financieren;

DG Innovatie en Technologische Ondersteuning (DG ITEC)

98.    wijst op de besluiten van het Bureau van 17 juni 2009 en 18 oktober 2010 om de ruimten met toegang tot het Wi-Fi-netwerk in het Parlement uit te breiden met de plenaire vergaderzaal, commissiezalen, de kantoren van de leden en openbare ruimten in zowel Brussel, als Straatsburg (eerste fase van het project: 7 878 000 EUR); verzoekt DG ITEC het voor individuele leden mogelijk te maken te vragen geen papieren documenten meer te ontvangen voor commissievergaderingen waarbij gebruik wordt gemaakt van e-commissie; is van mening dat dit het welslagen van het project kan versnellen;

99.    is verheugd over het feit dat de EP-website nu opnieuw wordt vormgegeven, na het besluit van het Bureau van 22 november 2010 getiteld "Strategie voor de toekomstige online-aanwezigheid van het Europees Parlement - Het opnieuw vormgeven van de website van het EP"; dringt aan op verbetering van de ondersteuning voor de website, met name door deze geregeld te testen;

100.  is verheugd over het in 2010 geïntroduceerde AT4AM-systeem dat het voor leden eenvoudiger maakt om voorgestelde wetgevende en niet-wetgevende teksten te amenderen;

101.  is verheugd over de verbeteringen die sinds 2010 op IT-vlak zijn aangebracht, die hebben geleid tot: een grotere capaciteit om belangrijke aspecten 'in house' te kunnen doen, het proces van internalisering van activiteiten, de oprichting van belangrijke corporate governance-organen (comité voor de ict-innovatiestrategie en stuurgroep voor ict-innovatie), de instelling van de functie IT-planning, en het systeem voor rapportage over de status van projecten op het gebied van IT-ontwikkeling en de ontwikkeling van een transparante methodologie voor kortetermijnplanning; is verheugd over het feit dat dit DG op grote schaal gebruik maakt van prestatie-indicatoren; maakt zich zorgen over het groter wordende risico van illegale toegang tot en manipulatie van de ict-systemen van het Parlement, en is van oordeel dat op zo kort mogelijke termijn een doeltreffende langetermijnstrategie ter bescherming daarvan moet worden ontwikkeld; vraagt de secretaris-generaal blijvend te worden geïnformeerd over de maatregelen die met het oog hierop worden genomen;

Openbare aanbestedingen in DG ITEC

102.  dringt er bij DG ITEC op aan zijn procedures voor aanbestedingen beter voor te bereiden, met name in het geval van kadercontracten (die vaak erg ingewikkeld zijn), door in de contracten geen misverstanden te laten bestaan over de verlangde prestaties en resultaten, en zich dus niet te beperken tot het vermelden van de 'output', en door de behoeften en doelstellingen van het Parlement duidelijker te verwoorden; is van oordeel dat het beter is om, in plaats van sanctieclausules in contracten op te nemen, van leveranciers en/of dienstverleners te eisen dat zij voor compensatie zorgen indien zij de contractvoorwaarden niet naleven, of, in het geval van kadercontracten, te dreigen met het verspelen van contracten in de toekomst;

Nieuwe stemapparatuur en vertolkingsfaciliteiten

103.  merkt op dat de nieuwe stemapparatuur in het Halfrond 2 135 623 EUR heeft gekost en volledig met kredieten van 2010 is gefinancierd; merkt daarnaast op dat de kosten voor onderhoud en technische ondersteuning voor de stemapparatuur in 2010 147 149 EUR bedroegen;

Fracties (begrotingspost 4 0 0 0)

104.  merkt op dat de voor 2010 op begrotingspost 4 0 0 0 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt:

Groep

2010

2009

Jaarlijkse kredieten*:

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikma-kingsper-centage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikma-kingsper-centage van de jaarlijkse kredieten

Naar de volgende periode (2010) overge-dragen bedragen

PPE (ex PPE-DE)

19.990

2.392

20.662

103,36 %

1.720

19.715

7.782

25.314

128,40 %

2.182

S&D (ex PSE)

14.011

4.629

13.359

95,35 %

5.281

14.235

6.999

16.750

117,67 %

4.483

ALDE

6.262

2.240

6.160

98,37 %

2.342

6.441

3.065

7.328

113,77 %

2.178

Verts/ALE

3.896

1.188

3.893

99,92 %

1.191

3.360

1.055

3.235

96,28 %

1.179

GUE/NGL

2.531

1.065

2.525

99,76 %

1.071

2.673

1.487

3.102

116,05 %

1.057

UEN

-

 

 

 

 

1.417

1.452

2.552

180,10 %

0

IND/DEM

-

 

 

 

 

775

1.023

1.048

135,23 %

0

ECR

3.648

398

3.362

92,16 %

684

1.788

3

1.415

79,14 %

376

EFD

2.201

419

1.799

81,74 %

821

1.113

1

701

62,98 %

413

Niet-fractiegebonden leden

1.234

248

828

67,10 %

409

1.169

348

925

79,13 %

248

Totaal

53.773

12.579

52.588

97,80 %

13.519

52.686

23.215

62.370

118,38 %

12.116

 

* alle bedragen x 1000 euro

** 2009 bestond in verband met de Europese verkiezingen in juni van dat jaar uit twee begrotingsjaren. De bedragen voor 2009 in de tabel zijn de som van de bedragen voor 2009_1 and 2009_2.

Na de Europese verkiezingen hielden de groepen UEN en IND/DEM op te bestaan en kwamen er twee nieuwe groepen, ECR en EFD, bij.

105.  is verheugd over de belofte van de administratie van het Parlement, genoemd in het verslag van de Rekenkamer, om voor het berekenen van de overdrachten van de fracties aan het eind van verkiezingsjaren over te stappen van een systeem met twee afzonderlijke halve jaren op een systeem met één heel kalenderjaar; verwelkomt de klaarblijkelijke verbetering in de financiële planning, die blijkt uit het gegevens dat de fracties geen in 2010 ongebruikte kredieten hebben teruggegeven;

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

106.  merkt op dat de voor 2010 op de begrotingsposten 4 0 2 0 en 4 0 3 0 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt[21]:

Partij

Afkorting

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85%)

Ontvangsten-overschot (overgedragen naar reserves) of -verlies

Europese Volkspartij

PPE

1.413

4.959

6.372

85 %

429

Europese Socialistische Partij

PES

914

3.395

4.310

80 %

2

Europese Liberale en Democratische Partij

ELDR

379

1.554

1.933

85 %

77

Europese Groenen

VERT

365

1.055

1.420

85 %

170

Alliance of European Conservatives and Reformists

AECR

58

327

386

85 %

0

Partij van Europees Links

EL

200

708

908

71 %

-90

Europese Democratische Partij

EDP/PDE

95

424

519

85 %

12

Europese Vrije Alliantie

OVI

77

339

416

85 %

17

EUDemocraten

EUD

35

176

211

85 %

-17

European Christian Political Movement

ECPM

55

208

264

85 %

3

Totaal

 

3.591

13.145

16.739

83 %

603

(*) alle bedragen x 1000 euro

Grondslag

Afkorting

Affiliated to party

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85%)

Centrum voor politiestudies

CES

PPE

615

2.928

3.543

83 %

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PES

366

2.136

2.502

85 %

European Liberal Forum

ELF

ELDR

117

658

775

85 %

Green European Foundation

MMF

VERT

119

674

794

85 %

Transform Europe

TE

EL

87

475

562

85 %

Institute of European Democrats

IED

PDE

36

197

233

85 %

Foundation for EU Democracy

FEUD

EUD

20

122

142

85 %

Centre Maurits Coppieters

CMC

OVI

27

156

183

85 %

New Direction

ND

AECR

92

404

496

84 %

Totaal

 

 

1.479

7.750

9.230

84 %

(*) alle bedragen x 1000 euro

107.  wijst op wijzigingen sinds 2010, inclusief managementbezoeken, in de zin dat steekproeven worden genomen met betrekking tot onder andere de begroting, de aanwerving van personeel en aanbestedingen;

Milieuvriendelijk Parlement

108.  neemt nota van het door het Bureau in 2010 goedgekeurde CO2-actieplan; is ingenomen met het feit dat het energieverbruik in de gebouwen in Straatsburg tussen 2006 en 2010 significant is verminderd (met 74%); betreurt het evenwel dat de CO2-voetafdruk van 'Straatsburg', uitgedrukt in energieverbruik in 2010, 1 533 ton CO2 bedroeg;

109.  is van oordeel dat bekeken moet worden op welke wijze tegelijkertijd milieuverbeteringen én besparingen kunnen worden gerealiseerd door middel van andere werkmethoden die zowel groener, als goedkoper zijn en toch niets afdoen aan het werk van het Parlement, waaronder teleconferenties;

110.  is verheugd dat in december 2010 een systeem van 'derde betalers' voor NMBS/SNCB[22]-jaarabonnementen in Brussel is geïntroduceerd, dat erop neerkomt dat het Parlement 50% van de kosten van een individueel jaarabonnement van zijn personeelsleden vergoedt; spoort zijn administratie aan de nodige regelingen te treffen om ook personeelsleden te vergoeden die de trein en het stedelijk openbaar vervoer combineren; is van oordeel dat het gebruik van het openbaar vervoer verder zou bevorderen en de CO2-voetafdruk van het Parlement zou verkleinen;

111.  is verheugd over de in 2010 in het kader van het actieplan van EMAS gehouden proefprojecten op het vlak van logistiek (bijvoorbeeld de aanschaf van voertuigen met lage emissies - EURO 5-norm, opleidingen milieuvriendelijk rijden voor chauffeurs en verhuizers, en het delen van verhuiskisten voor het vervoer van werkdocumenten, waardoor de desbetreffende CO2-emissies met 33% zijn gereduceerd);

112.  is verheugd over het feit dat het Bureau op 10 november 2010 goedkeuring heeft gehecht aan het voorstel van de werkgroep Gebouwen, Vervoer en Groen Parlement houdende wijziging van de regels betreffende het gebruik van dienstauto's door de leden, op basis waarvan het Parlement zijn wagenpark heeft kunnen vernieuwen en vervangen door minder vervuilende auto's, en groepsvervoer met VIP-minibusjes van en naar de vliegvelden in Brussel en Straatsburg kan organiseren.

Afzonderlijk debat in de plenaire vergadering over de kwijting van het Parlement

113.  verzoekt de Conferentie van voorzitters een debat over de kwijting van het Parlement te plannen op een ander tijdstip dan het debat over de overige kwijtingsverslagen, zodat de leden in staat worden gesteld de kwijting van hun eigen instelling de exclusieve aandacht te geven die zij verdient;

114.  adviseert het Bureau een debat over de kwijtingsresolutie op zijn agenda te zetten, na goedkeuring ervan door de plenaire vergadering.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.3.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marta Andreasen, Inés Ayala Sender, Andrea Češková, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Gerben-Jan Gerbrandy, Ingeborg Gräßle, Iliana Ivanova, Bogusław Liberadzki, Monica Luisa Macovei, Jan Mulder, Eva Ortiz Vilella, Aldo Patriciello, Crescenzio Rivellini, Petri Sarvamaa, Bart Staes, Georgios Stavrakakis, Søren Bo Søndergaard, Michael Theurer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Philip Bradbourn, Zuzana Brzobohatá, Christofer Fjellner, Edit Herczog, Ivailo Kalfin, Marian-Jean Marinescu, Véronique Mathieu, Olle Schmidt, Barbara Weiler

  • [1]  PB L 64 van 12.3.2010.
  • [2]  PB C 332 van 14.11.2011, blz. 1.
  • [3]  PB C 167 van 07.06.11, blz. 1.
  • [4]  PB C 326 van 10.11.11, blz. 1.
  • [5]  PB C 332 van 14.11.2011, blz. 134.
  • [6]  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1
  • [7]  PE 349.540/Bur/ann/def.
  • [8]  PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 327.
  • [9]  PB C 212 E van 05.08.10, blz. 244.
  • [10]  PB L 64 van 12.3.2010.
  • [11]  PB C 332 van 14.11.2011, blz. 1.
  • [12]  PB C 167 van 07.06.11, blz. 1.
  • [13]  PB C 326 van 10.11.11, blz. 1.
  • [14]  PB C 332 van 14.11.2011, blz. 134.
  • [15]  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1
  • [16]  PE 349.540/Bur/ann/def.
  • [17]  PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 327.
  • [18]  PB C 212 E van 05.08.10, blz. 244.
  • [19]  Beschikbaar op: http://www.europarl.europa.eu/document/activities/cont/201109/20110913ATT26546/20110913ATT26546EN.pdf
  • [20]  Verhouding personeel/verhouding demografisch gewicht: Duitsland: 6,4% / 16,3%; het VK: 4,4% / 12,4%; Oostenrijk: 1% / 1,67%; Nederland: 2,7% / 3,3 %,
    Bronnen: Sociaal Verslag 2010 EP, december 2011 en Eurostat.
  • [21]  Bron: Notulen van het Bureau, 12 september 2011, punt 12 (nota secretaris-generaal D(2011)32179, PE469.487/BUR).
  • [22]  Belgische nationale spoorwegmaatschappij.