Procedure : 2010/2308(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0143/2012

Ingediende teksten :

A7-0143/2012

Debatten :

PV 21/05/2012 - 17
CRE 21/05/2012 - 17

Stemmingen :

PV 22/05/2012 - 6.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0207

VERSLAG     
PDF 165kWORD 104k
24.4.2012
PE 473.725v02-00 A7-0143/2012

over de interneveiligheidsstrategie van de Europese Unie

(2010/2308(INI))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Rita Borsellino

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de interne veiligheidsstrategie van de Europese Unie

((2010)2308(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien met name de artikelen 6, 7 en 8, artikel 10, lid 1, en de artikelen 11, 12, 21, 47 t/m 50, 52 en 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien met name artikel 2 en artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de hoofdstukken 1, 2, 4 en 5 van titel V (Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het besluit van de Raad van 25 februari 2010 tot oprichting van het Permanent Comité operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid (COSI)(1),

–   gezien "Het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste van de burger" en de mededeling van de Commissie met als titel "Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa - Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm" (COM(2010)0171),

–   gezien de door de Raad op 25 en 26 februari 2010 aangenomen interneveiligheidsstrategie van de Europese Unie ("Naar een Europees veiligheidsmodel"),

–   gezien de door de Raad op 30 november 2005 aangenomen terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met als titel "De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa" (COM(2010)0673),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met als titel "Eerste jaarverslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie" (COM(2011)0790),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad inzake de aanscherping van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire beveiliging in de Europese Unie – een CBRN-actieplan voor de EU (COM(2009)0273),

–   gezien de conclusies van de Raad van 24 en 25 februari 2011 over de mededeling van de Commissie betreffende de interneveiligheidsstrategie van de Europese Unie in actie,

–   gezien de conclusies van de Raad van 8 en 9 november 2010 over de totstandbrenging en uitvoering van een EU-beleidscyclus voor georganiseerde en zware internationale criminaliteit,

–   gezien de conclusies van de Raad inzake de vaststelling van de EU-prioriteiten ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit voor de periode 2011-2013,

–   gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) van 17 december 2010 over de mededeling van de Commissie met als titel "De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa",

–   gezien het verslag van Europol over de stand van zaken en de tendensen in verband met het terrorisme in Europa (TE-SAT 2011),

–   gezien het verslag van Europol over de dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit (OCTA 2011),

–   gezien de Europese veiligheidsstrategie voor 2003(2) en het desbetreffende uitvoeringsverslag uit 2008(3),

–   gezien zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met als titel "Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger – programma van Stockholm"(4),

–   gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie(5),

–   gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over de inspanningen van de EU ter bestrijding van corruptie(6),

–   gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(7),

–   gezien de relevante Europese jurisprudentie en de jurisprudentie van de nationale grondwettelijke hoven inzake het evenredigheidsbeginsel en het feit dat overheden in een democratische maatschappij dat beginsel moeten naleven,

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0143/2012),

A. overwegende dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht verder geconsolideerd is met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en tradities van de lidstaten; overwegende dat het beleid op dit gebied, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, een gedeelde bevoegdheid is van de Unie en de lidstaten;

B.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon het EU-veiligheidsbeleid op die manier onlosmakelijk verbonden heeft aan de specifieke EU-rechtsstaat en zo de grondslag gelegd heeft voor het ontwikkelen van een veiligheidsagenda die gedeeld wordt door de EU en haar lidstaten en die onder democratisch toezicht staat op zowel Europees als nationaal niveau; overwegende dat de versterking van dit beleid dient te gebeuren op grond van democratische waarden, de mensenrechten en de grondrechten;

C. overwegende dat eender welk veiligheidsbeleid een onderdeel preventie moet omvatten, dat in het bijzonder onmisbaar is in een periode waarin de economische en sociale ongelijkheden toenemen en de doeltreffendheid van de grondrechten bijgevolg in gevaar wordt gebracht;

D. overwegende dat er in het programma van Stockholm op gewezen werd dat er een EU-interneveiligheidsstrategie moet worden uitgewerkt om de veiligheid in de Unie te verhogen en zo de levens en de veiligheid van de burgers van de EU te beschermen en georganiseerde criminaliteit, terrorisme en andere dreigingen op een doeltreffende manier te bestrijden, met eerbiediging van de grondrechten, de beginselen van internationale bescherming en de rechtsstaat;

E.  overwegende dat noch de lidstaten, noch de Commissie het Parlement een rol in dit proces toebedacht hebben, ondanks de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon;

F.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling over de interneveiligheidsstratgie voor de periode 2010-2014 vijf prioriteitsgebieden heeft vastgelegd waarin de EU een toegevoegde waarde kan bieden, met name het bestrijden en voorkomen van zware en georganiseerde criminaliteit, terrorisme en cybercriminaliteit, het versterken van het beheer van de buitengrenzen en het vergroten van de veerkracht van de EU bij door mens en natuur veroorzaakte rampen;

G. overwegende dat in het eerste jaarverslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie erkend werd dat elk van de vijf doelstellingen die in 2010 werden vastgelegd, nog steeds geldt, en dat de huidige stand van zaken, de tot nu toe geboekte vooruitgang en de te volgen richting erin werden toegelicht;

H. overwegende dat conform het programma van Stockholm het ontwikkelen, monitoren en uitvoeren van de interneveiligheidsstrategie een van de prioritaire taken van het COSI dient te worden;

1.  is verheugd over het werk dat geleverd is om een interneveiligheidsstrategie uit te werken en om de beginselen die aan de basis liggen van het Europese veiligheidsmodel zoals ontwikkeld in de interneveiligheidsstrategie, vast te leggen, in het bijzonder ten aanzien van het sterkere verband tussen veiligheid, vrijheid en privacy en samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten; onderstreept dat de acties en samenwerking van de Europese Unie op het vlak van veiligheid moeten voldoen aan de verplichtingen die zij moet naleven op het vlak van de grondrechten en dat zij nadruk moeten leggen op maatregelen die gericht zijn op een repressief optreden en op het verstrekken van informatie waardoor de criminaliteit daadwerkelijk kan worden beperkt en terreuraanslagen kunnen worden verijdeld;

2.  benadrukt dat vrijheid, veiligheid en recht doelstellingen zijn die samen moeten worden nagestreefd, en is van mening dat de tenuitvoerlegging van het Europees Handvest van de grondrechten centraal moet staan in een alomvattende interneveiligheidsstrategie; brengt in herinnering dat veiligheid, om vrijheid en rechtvaardigheid te bereiken, altijd moet worden nagestreefd in overeenstemming met de in de verdragen opgenomen beginselen, de rechtsstaat en de verplichtingen van de Unie op het vlak van de grondrechten;

3.  neemt kennis van de vooruitgang die de lidstaten en de Commissie hebben geboekt in het kader van de EU-beleidscyclus betreffende de georganiseerde criminaliteit en zware internationale criminaliteit, met het oog op de tenuitvoerlegging van de algemene strategische doelstellingen via maatregelen die gestoeld zijn op intergouvernementele samenwerking op operationeel niveau; is echter van mening dat een duidelijke taakverdeling tussen de EU en het nationale niveau noodzakelijk is, dat het Parlement in het proces betrokken moet worden op het vlak van beleidsoriëntatie, tenuitvoerlegging en beoordeling van de resultaten, en dat er in 2013 een grondige beoordeling van de Europese beleidscyclus moet worden uitgevoerd; meent bovendien dat deze cyclus, gezien zijn aard, de nieuwe naam "operationele cyclus van de EU" dient te krijgen; roept de lidstaten op regelmatig te beoordelen of de nationale programma's ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit een aanvulling vormen op de programma's die op Europese schaal moeten worden uitgewerkt, en om de bereikte resultaten en de vooruitzichten te evalueren vanuit Europees strategisch en operationeel standpunt, met de betrokkenheid van de EU-instellingen, de relevante EU-agentschappen en de nationale parlementen;

4.  acht het eveneens van wezenlijk belang om in het meerjarig kader 2014-2020 te voorzien in toereikende financiële middelen om deze strategie ten uitvoer te leggen met behulp van het daartoe voorziene fonds;

5.  herinnert eraan dat de bevoegdheid voor het veiligheidsbeleid gedeeld wordt door de EU en de lidstaten en dat dit een gebied is waarop de subsidiariteit geëerbiedigd moet worden; is van mening dat het kader van de interneveiligheidsstrategie een toegevoegde waarde kan betekenen voor de inspanningen van alle EU-instellingen en van de lidstaten op dit gebied door middel van een alomvattende en samenhangende benadering;

6.  is van mening dat een alomvattende EU-analyse van de aan te pakken dreigingen op basis van feiten en kennis een essentiële voorwaarde is voor een doeltreffende interneveiligheidsstrategie en dat Europol een dergelijke EU-wijde analyse dient te verrichten op basis van een meer transparante en solide methodologie voor de beoordeling van dreigingen en gebruikmakend van omvattende bijdragen van de lidstaten;

7.  herinnert eraan dat het Europees Parlement nu een volwaardige institutionele speler is op het vlak van het veiligheidsbeleid en als dusdanig het recht heeft om actief deel te nemen aan het vastleggen van de kenmerken en prioriteiten van de interneveiligheidsstrategie en van het EU-veiligheidsmodel en aan het evalueren van die instrumenten, onder meer via regelmatige monitoring van de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie, die gezamenlijk moet worden uitgevoerd door het EP, de nationale parlementen en de Raad krachtens artikelen 70 en 71 van het VWEU en artikel 6, lid 2, van het besluit tot oprichting van het COSI;

8.  steunt in dit verband en op basis van de huidige samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen het idee van een "parlementaire beleidscyclus" – die nauw afgestemd moet worden op onder andere de jaarverslagen van de Commissie op dit gebied – die afgerond wordt met een parlementair jaarverslag over de huidige stand van zaken betreffende de interneveiligheidsstrategie;

9.  benadrukt het belang van samenhang en synergieën tussen de interne en externe aspecten van veiligheid, en onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de maatregelen en acties ter uitvoering van de interneveiligheidsstrategie in overeenstemming zijn met de verplichtingen van de Unie in verband met de grondrechten, in het bijzonder artikelen 2, 6 en 7 van het VEU, met de doelstellingen van het buitenlands beleid zoals beschreven in artikel 21 van het VEU, alsook met de internationale rechten van de mens en met het humanitair recht; neemt kennis van het gezamenlijk document betreffende de versterking van de banden tussen de actoren van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en justitie en binnenlandse zaken (JBZ) en de in het stappenplan opgenomen maatregelen; benadrukt het belang van passende informatie-uitwisseling, raadpleging en samenwerking met alle betrokken spelers, alsook van oplossingen die anticiperen op gebeurtenissen in plaats van erop te reageren; kijkt uit naar het resultaat van de in het kader van de tenuitvoerlegging van het programma van Stockholm uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot de complementariteit van de maatregelen van de lidstaten en de EU binnen de externe dimensie van JBZ, alsook naar verbintenissen om de EU-externeveiligheidsstrategie eventueel bij te werken;

10. onderstreept dat de gehele interneveiligheidsstrategie op lange termijn meer gericht moet zijn op het aantoonbare verband tussen externe dreigingen en het gebrek aan of het ondoeltreffende gebruik van strategieën en maatregelen die voor de veiligheid een sterke preventie van dreigingen kunnen vormen, zoals gerichte ontwikkelingshulp, strategieën om de armoede te bestrijden of herstelplannen voor door mens of natuur veroorzaakte rampen;

11. neemt nota van de vastlegging van de vijf prioriteitsgebieden waarvoor concrete maatregelen zijn voorgesteld op het niveau van de EU en van de lidstaten; is van mening dat deze doelstellingen niet volledig zijn en dat de volgorde van de prioriteiten beter gestructureerd had kunnen worden; benadrukt dat de strijd tegen terrorisme en georganiseerde criminaliteit een belangrijke prioriteit binnen de interneveiligheidsstrategie is en moet blijven; is van mening dat de kwestie van de veerkracht bij door mens en natuur veroorzaakte rampen, met inbegrip van het falen van vitale infrastructuur, eveneens dient te worden aangepakt; wijst er echter op dat het niet volledig gerechtvaardigd of gepast lijkt om in het kader van de interneveiligheidsstrategie maatregelen te treffen op het gebied van de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, waarover een specifiek en grondig debat wordt gevoerd;

12. is van mening dat georganiseerde misdaad in al zijn vormen, met inbegrip van de maffia, een steeds grotere bedreiging vormt voor vrijheid, veiligheid en recht van de burgers van de EU en dat de bestrijding ervan een prioriteit dient te blijven, in overeenstemming met de aanbevelingen zoals gedaan in zijn resolutie van 25 oktober 2011 over georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie, op basis van specifieke gegevens en informatie over de huidige samenwerking tussen de EU en de lidstaten in de strijd tegen de maffia, het witwassen van geld, corruptie, witteboordencriminaliteit en andere vormen van georganiseerde misdaad;

13. vraagt de Commissie en de Raad voorrang te geven aan de strijd tegen de corruptie in het kader van het programma van de Unie inzake veiligheid, en hier de passende financiële middelen aan toe te wijzen, overwegende dat het programma van Stockholm in punt 4.1 corruptie vermeldt als een van de transnationale dreigingen die de interne veiligheid van de Unie in gevaar blijven brengen en die een duidelijke en alomvattende reactie noodzakelijk maken;

14. herinnert aan het belang van de preventie en bestrijding van terrorisme en aanverwante activiteiten, met inbegrip van de financiering ervan, en ziet uit naar het voorstel voor een kader voor administratieve maatregelen, zoals de bevriezing van de middelen van personen die worden verdacht van terrorisme, in overeenstemming met artikel 75 van het VWEU; roept de Commissie en de lidstaten bovendien op om, buiten het specifieke kader van de interneveiligheidsstrategie, te overwegen specifieke wetgeving aan te nemen betreffende terrorismeslachtoffers, om het publieke karakter ervan te erkennen, en uitvoeriger bepalingen op te nemen die de slachtoffers passende bescherming, steun en erkenning garanderen;

15. acht het van het allergrootste belang milieucriminaliteit, economische criminaliteit en zakelijke criminaliteit op een krachtige manier te bestrijden, aangezien die vormen van criminaliteit bijzonder nadelige gevolgen hebben voor de levensomstandigheden van de Europese burgers, in het bijzonder in tijden van crisis; betreurt in dit verband de door bepaalde lidstaten getroffen maatregelen met het oog op de versoepeling van de straffen voor dergelijke misdrijven; onderstreept bovendien de kloof tussen de voorstellen op die gebieden en de stigmatisering van bepaalde minder zware vormen van delinquentie;

16. is verheugd over het feit dat de bestrijding van cybercriminaliteit een prioriteit is geworden in de interneveiligheidsstrategie en onderstreept dat het belangrijk is de nadruk te leggen op preventie; neemt kennis van en steunt de toezegging van de Commissie om in 2012 een overkoepelende Europese strategie voor internetbeveiliging te ontwikkelen; dringt er bij de lidstaten op aan de conventie van de Raad van Europa inzake cybercriminaliteit te ratificeren;

17. herhaalt dat het verbeteren van de politie- en justitiële samenwerking in de EU, onder meer via Europol en Eurojust alsook door middel van passende opleidingen, van wezenlijk belang is voor een degelijke interneveiligheidsstrategie en dat zowel de bevoegde autoriteiten in de lidstaten als de Europese instellingen en agentschappen daarbij betrokken moeten zijn; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op hier een prioriteit van te maken voor de interneveiligheidsstrategie; verzoekt eveneens om passende en consequente rechtsinstrumenten om het gebruik van bewijsmateriaal te vereenvoudigen;

18. benadrukt de bijdrage van GVDB-missies aan de bevordering van respect voor de rechtsstaat en de handhaving van vrede en veiligheid in de buurlanden van de EU en wereldwijd, wat er mede toe bijdraagt dat het falen van staten wordt voorkomen en dat wijkplaatsen voor transnationale criminele en terroristische activiteiten worden geëlimineerd;

19. betreurt in dit verband dat de interneveiligheidsstratgie nog steeds niet voorzien is van een gedegen "justitiële dimensie"; herinnert eraan dat, in overeenstemming met het programma van Stockholm, wederzijds vertrouwen versterkt dient te worden door geleidelijk een Europese justitiële cultuur te ontwikkelen die gebaseerd is op diversiteit van de rechtsstelsels en eenheid ingevolge het Europees recht, en dat de rechtsstelsels van de lidstaten op een coherente en doeltreffende manier samen moeten kunnen werken, met inachtneming van de nationale rechtstradities; is van mening dat het vastleggen van een reeks prioriteiten op het vlak van justitiële samenwerking moet bekeken worden in nauw verband met alle dimensies van de ruimte zoals vastgelegd in titel V van het VWEU, met name de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; benadrukt dat het belangrijk is dat met derde landen gesloten overeenkomsten inzake justitiële samenwerking correct ten uitvoer worden gelegd;

20. is van mening dat, met betrekking tot het verband tussen interne en externe veiligheid, de samenwerking van de EU met andere internationale instellingen zoals de NAVO en de OVSE verder dient te worden bevorderd;

21. benadrukt dat de strijd tegen terrorisme een prioriteit is voor de interneveiligheidsstrategie en dat de doelstellingen en instrumenten ervan terdege moeten worden geëvalueerd, zoals aangegeven in zijn resolutie van 14 december over "het EU-beleid inzake terrorismebestrijding: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen"; wijst erop dat het preventie- en beschermingsbeleid meer prioriteit moet krijgen, samen met vervolging en reactie; is in deze context van oordeel dat de aandacht beter moet worden gericht op gerichte wetshandhaving en op inlichtingen gebaseerde activiteiten die terreuraanslagen daadwerkelijk voorkomen, die worden uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van noodzaak en evenredigheid en die de grondrechten eerbiedigen, en die onderworpen zijn aan controle en aan de verplichting om rekenschap af te leggen; herinnert eraan dat dit van wezenlijk belang is indien de Europese Unie op geloofwaardige wijze de grondrechten, intern zowel als extern, wil aanmoedigen;

22. acht het van cruciaal belang preventiemechanismen te ontwikkelen, in het bijzonder om de vroegtijdige detectie van signalen van gewelddadige radicalisering of dreigingen mogelijk te maken, met inbegrip van dreigingen met betrekking tot gewelddadig of militant extremisme; herhaalt het belang van maatregelen die erop gericht zijn gewelddadige radicalisering tegen te gaan in kwetsbare bevolkingsgroepen, en kijkt uit naar de toekomstige werkzaamheden van het EU-netwerk voor voorlichting over radicalisering, dat tot doel heeft kennisuitwisseling en bewustmaking te vergemakkelijken en innovatieve oplossingen te identificeren;

23. erkent de aandacht die wordt besteed aan de beveiliging van grenzen in het kader van de interneveiligheidsstrategie, maar is van mening dat grensbeheer en de mobiliteit van personen kwesties zijn die niet enkel van belang zijn voor veiligheid, maar ook belangrijke elementen zijn van een ruimere politieke strategie die, naast de veiligheidsdimensie, ook het EU-beleid inzake immigratie, asiel en ontwikkeling bekijkt, alsook het beleid ter ondersteuning van economische, sociale en democratische ontwikkeling en ter bevordering van de mensenrechten in derde landen; beklemtoont echter het feit dat de veiligheid moet worden verzekerd met eerbiediging van de verwezenlijkingen van de Unie, namelijk de vrijheid van verplaatsing over de binnengrenzen;

24. bevestigt opnieuw dat het belangrijk is te zorgen voor coördinatie van de maatregelen die door de lidstaten worden genomen op het vlak van het beheer van de buitengrenzen, en onderstreept dat voor de vereenvoudiging van het vrije verkeer en een betere veiligheid aan de buitengrenzen een nauwe samenwerking met de buurlanden van de Europese Unie absoluut noodzakelijk is; benadrukt dat de geleidelijke invoering van geïntegreerd grensbeheer tot doel moet hebben reizen te vereenvoudigen;

25. is van mening dat de interneveiligheidsstrategie de visie van het programma van Stockholm duidelijker moet weerspiegelen en vindt het aangewezen om een parlementaire "tussentijdse" herziening van het programma van Stockholm uit te voeren vóór eind 2013 om de strategische, wetgevings- en financiële prioriteiten van het programma te evalueren; is eveneens van mening dat er een aanvullende beoordeling nodig is voor de relevante Europese agentschappen (Europol, Eurojust en het Europees Justitieel Netwerk) die momenteel onderworpen worden aan een "Lissabonisering", alsook voor andere agentschappen en organen; herhaalt dat de maatregelen en operaties van de agentschappen moeten stroken met hun mandaat dat is vastgelegd in de besluiten betreffende hun tenuitvoerlegging en werking, en de democratische waarden en beginselen alsook de vrijheden en grondrechten die zijn opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de EU dienen te eerbiedigen;

26. herinnert eraan dat de verwerking en vergaring van persoonsgegevens in het kader van de interneveiligheidsstrategie steeds moet voldoen aan de beginselen van de EU-gegevensbescherming, in het bijzonder de beginselen van noodzaak, evenredigheid en wettigheid, en aan de relevante EU-regelgeving op dit gebied; verheugt zich over de voorstellen inzake gegevensbescherming die op 25 januari 2012 door de Commissie werden ingediend, maar is van mening dat het voorstel voor een richtlijn op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en repressief optreden ambitieuzer moet zijn en steviger garanties moet bieden, in het bijzonder met betrekking tot profilering en geautomatiseerde verwerking;

27. wijst in dat verband nogmaals op de noodzaak van gedegen democratisch toezicht op en beoordeling van RVVR-agentschappen om te vermijden dat de grens "tussen beleidsadvies en eigenlijke beleidsvorming" met betrekking tot de RVVR-agentschappen vervaagt;

28. dringt er bij de ondervoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de Commissie op aan hun voorstel – gepland voor 2011 – betreffende de uitvoering van de solidariteitsclausule voor te leggen, waarbij genoemde clausule geen verdubbeling mag zijn van bestaande initiatieven maar wel het kader dient vast te stellen voor het gebruik en de coördinatie van beschikbare EU- en nationale instrumenten, waaronder het GVDB, in situaties zoals bedoeld in artikel 222 van het VWEU; is van mening dat de EU alleen dankzij het volledige scala aan mogelijkheden dat ontstaat door de uitvoering van de solidariteitsclausule tussen alle lidstaten klaar zal staan om dreigingen ten aanzien van de veiligheid van een of meer lidstaten te voorkomen en er op veilige en gecoördineerde wijze op te reageren;

29. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1)

PB L 52 van 3.3.2010, blz. 50.

(2)

"Een veilig Europa in een betere wereld – De Europese veiligheidsstrategie", goedgekeurd door de Europese Raad op 12 december 2003 te Brussel en opgesteld onder verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger van de EU Javier Solana.

(3)

"Verslag over de toepassing van de Europese veiligheidsstrategie - Veiligheid in een veranderende wereld", S407/08.

(4)

PB C 287 E van 21.10.2010, blz. 12.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0459.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0388.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0577.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (14.3.2012)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

over de interneveiligheidsstrategie van de Europese Unie

(2010/2308(INI))

Rapporteur: Ana Gomes

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken om onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de belangrijkste gemeenschappelijke bedreigingen, vastgelegd in de interneveiligheidsstrategie – in het bijzonder georganiseerde criminaliteit, terrorisme en radicalisering, cybercriminaliteit, corruptie en grensbeheer – zowel externe als interne dimensies hebben die onderling verband houden, en dat gecoördineerde en samenhangende actie op beide gebieden noodzakelijk is om welke reactie dan ook doeltreffend te laten zijn; bovendien hebben cruciale maatregelen voor ontwapening, non‑proliferatie, CBRN‑risico's (chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair) en illegale handel, die in hoofdzaak in de instrumenten voor externe samenwerking worden aangepakt, onmiskenbare gevolgen voor de interne veiligheid;

2.  roept de Commissie daarom op te werken aan een mededeling waarin richtsnoeren worden verstrekt over de optimale omzetting van de externe en interne dimensie van de Europese veiligheidsstrategie en de interneveiligheidsstrategie in horizontale doelstellingen en doeltreffende beleidsmaatregelen, en verwacht de neerslag hiervan terug te vinden in een herziene Europese veiligheidsstrategie; benadrukt dat samenhang en complementariteit tussen de interne en externe aspecten van de veiligheid van de EU van cruciaal belang zijn voor de geslaagde tenuitvoerlegging van onze veiligheidsdoelstellingen;

3.  benadrukt het belang van een globale aanpak van een EU-veiligheidsstrategie, gebaseerd op een holistisch concept van menselijke veiligheid dat verankerd is in mensenrechten, vrijheid, democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en vrede;

4.  benadrukt opnieuw dat de EU een brede aanpak van menselijke veiligheid dient te integreren in haar betrekkingen met derde landen, in het bijzonder ten aanzien van grensbeheer, migratie, maritieme beveiliging, bestrijding van georganiseerde criminaliteit, terrorisme en mensenhandel, en bestrijding van de kwetsbaarheid van staten of onderontwikkeling;

5.  onderstreept in de nasleep van de Arabische Lente nogmaals dat de interne veiligheid van de EU onlosmakelijk verbonden is met de veiligheidssituatie in haar buurlanden; benadrukt met name het belang van het Europees nabuurschapsbeleid (Unie voor het Middellandse Zeegebied, Oostelijk Partnerschap, Synergie voor het Zwarte Zeegebied) voor het externe beleid van de EU, en roept in dat verband de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op om synergieën te bevorderen tussen de EU en haar buurlanden teneinde onze gemeenschappelijke uitdagingen op veiligheidsgebied gezamenlijk aan te pakken;

6.  is van mening dat de samenwerking met andere internationale instellingen die zich bezighouden met veiligheidsstrategieën, zoals de NAVO en de OVSE, moet worden geïntensiveerd;

7.  erkent dat er vooruitgang geboekt is op het gebied van interne en externe veiligheidscoördinatie sinds de oprichting van de EDEO, via periodieke informele bijeenkomsten van afgevaardigden van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en het Permanent Comité operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid (COSI), werkmethoden voor nauwere samenwerking inzake interne en externe veiligheid, de conclusies van de Raad over interne en externe aspecten van het terrorismebestrijdingsbeleid, de gezamenlijke werkdocumenten van de Commissie en de EDEO over nauwere samenwerking tussen actoren van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (VVR) en over cyberspace, alsmede de oprichting van werkgroepen van verschillende diensten van de Commissie en de EDEO;

8.  roept desalniettemin de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de Raad en de Commissie op om de bestaande coördinatiemechanismen tussen de bevoegde comités, werkgroepen, diensten en agentschappen op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en de EDEO te versterken, en daarbij in het bijzonder profijt te trekken van de nieuwe vermogens van het Situatiecentrum van de Europese Unie, om zo te voorzien in gemeenschappelijke strategische analyses, dreigingsevaluaties en tijdige informatie aan alle betrokkenen;

9.  verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de Raad en de Commissie om te zorgen voor een snelle tenuitvoerlegging van het stappenplan voor het versterken van de banden tussen het GVDB en VVR, dat onlangs is aangenomen op de bijeenkomst van de leden van PVC en COSI;

10. wijst op de noodzaak te zorgen voor een doeltreffende en permanente koppeling tussen interne en externe dimensies van de Europese veiligheid in kwesties die relevant zijn voor activiteiten en prioriteiten in het kader van het GBVB, zoals wereldwijde ontwapening, non-proliferatie, CBRN-risico's binnen de EU en erbuiten, de strijd tegen terrorisme en radicalisering binnen en buiten de Europese grenzen en cyberbeveiliging; is dus van mening dat coördinatie in zowel de interne als de externe dimensies van de EU‑veiligheidsstrategie een nauwe en doeltreffende onderlinge afstemming moet inhouden van diensten, organen, regionale en thematische desks, op horizontale wijze, en tussen de betrokken diensten van de Commissie en de EDEO om de doeltreffendheid en samenhang ervan met het oog op het GBVB te verzekeren;

11. dringt er bij de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan om de algemene samenhang van het beleid binnen het GBVB/GVDB te waarborgen door de coördinatie tussen de betrokken diensten van de Commissie en de EDEO te bevorderen, teneinde overlapping van werkzaamheden en rollen te voorkomen, voornamelijk op gebieden die rechtstreeks verband houden met veiligheidskwesties binnen en buiten de EU;

12. dringt er bij de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op aan ervoor te zorgen dat interneveiligheidsdreigingen, onder andere degene die door de Raad zijn geïdentificeerd in de EU-beleidscyclus voor zware en georganiseerde criminaliteit, naar behoren worden meegenomen naar EU-instrumenten voor extern optreden en, waar gepast, hierdoor afdoende worden aangepakt; benadrukt dat regelmatige politieke veiligheidsbesprekingen met derde landen, de uitonderhandeling van clausules voor veiligheidssamenwerking in internationale overeenkomsten, regelingen voor beperkende maatregelen, strategische programmering van instrumenten voor externe bijstand, permanent voorzitterschap van de Raad Buitenlandse Zaken en de PVC, alsook alle werkgroepen van het GBVB, belangrijke hulpmiddelen zijn voor de onderlinge afstemming van de interne en externe veiligheid; roept de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger op om ervoor te zorgen dat Europese en internationale normen inzake mensenrechten, humanitair recht, democratie en de rechtsstaat naar behoren worden meegenomen in het extern optreden van de EU;

13. benadrukt de bijdrage van GVDB-missies aan de bevordering van respect voor de rechtsstaat en de handhaving van vrede en veiligheid in de buurlanden van de EU en wereldwijd, wat er mede toe bijdraagt dat het falen van staten wordt voorkomen en dat wijkplaatsen voor transnationale criminele en terroristische activiteiten worden geëlimineerd; dringt er bij de lidstaten op aan van hun waardering voor de bijdrage van het GVDB aan de interne veiligheid blijk te geven door in hun politieel en gerechtelijk apparaat nationale strategieën aan te nemen die de deelname aan GVDB-missies wanneer nodig waarborgen;

14. benadrukt dat de EDEO met Europol moet samenwerken om interneveiligheidsdeskundigen, in het bijzonder politie- en rechtsstaatdeskundigen, op te nemen en deze, in voorkomend geval, ook in EU-delegaties dient te plaatsen, als een doeltreffende manier om de behoefte aan betere coördinatie tussen de interne en externe dimensies van EU‑veiligheidsstrategieën in de praktijk in te vullen; onderstreept in dat opzicht dat de uitwisseling van informatie en het delen van middelen met de VVR‑diensten, te weten Europol, Eurojust en Frontex, uiterst nuttig zou zijn;

15. verzoekt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de Raad te voorzien in passende mechanismen zodat de EDEO kan bouwen op de ervaring van de werkgroep van de Raad voor externe aspecten van terrorismebestrijding (COTER), om zo te zorgen voor meer samenhang op het gebied van terrorismebestrijding, en te overwegen het voorzitterschap van de COTER in de toekomst over te dragen aan de EDEO; verzoekt in dat opzicht ook om nauwe samenwerking en nauw overleg tussen de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de coördinator voor terrorismebestrijding;

16. roept op tot een doeltreffender controle van het EP in het kader van de EU‑interneveiligheidsstrategie; roept in dit verband de rol in herinnering die het EP heeft gespeeld bij het aan het licht brengen van ernstige inbreuken op de veiligheid en wettigheid die voortvloeiden uit de samenwerking van EU-regeringen met het buitengewone uitleveringsprogramma zoals dat door de regering van George W. Bush werd gevoerd; onderstreept de belangrijke rol die het EP kan spelen bij de democratische controle op kwesties van interne en externe veiligheid van de EU in het algemeen, samen met de nationale parlementen;

17. is van mening dat een grotere mate van samenwerking is vereist tussen de inlichtingendiensten van de lidstaten, wat cruciaal kan blijken voor het tijdig invoeren van preventie- en reactiemechanismen in geval van een dreiging voor de veiligheid van de EU of een van de lidstaten; stelt in dit verband voor dat het Europees Parlement de oprichting zou overwegen van een speciale delegatie voor democratisch toezicht op de inlichtingenanalyse op EU-niveau, in samenspraak met de nationale parlementen;

18. is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor de vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) waartoe "militaire capaciteiten worden geïntegreerd in taken die uiteenlopen van civiele bescherming tot humanitaire hulp, grensbeheer of vredesmissies"; verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten om de geplande aan het plaatsen van opdrachten voorafgaande procedure verder te ontwikkelen om het verband tussen interne en externe veiligheid met substantiële en coherente civiele en militaire capaciteiten te versterken;

19. herhaalt zijn oproep tot versterking van het vermogen van de EU om het hoofd te kunnen bieden aan door mens en natuur veroorzaakte rampen, die van invloed kunnen zijn op de menselijke veiligheid en op kritieke infrastructuur, zowel binnen als buiten de EU, en is verheugd over de voorstellen van de Commissie om de EU-wetgeving inzake civiele bescherming hiertoe te herzien;

20. dringt er bij de ondervoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de Commissie op aan om hun voorstel – gepland voor 2011 – betreffende de uitvoering van de solidariteitsclausule voor te leggen, waarbij genoemde clausule geen verdubbeling mag zijn van bestaande initiatieven maar wel het kader dient vast te stellen voor het gebruik en de coördinatie van beschikbare EU- en nationale instrumenten, waaronder het GVDB, in situaties zoals bedoeld in artikel 222 van het VWEU; is van mening dat de EU alleen dankzij het volledige scala aan mogelijkheden dat ontstaat door de uitvoering van de solidariteitsclausule tussen alle lidstaten klaar zal staan om dreigingen ten aanzien van de veiligheid van een of meer lidstaten te voorkomen en er op veilige en gecoördineerde wijze op te reageren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.3.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

11

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Sir Robert Atkins, Bastiaan Belder, Frieda Brepoels, Elmar Brok, Jerzy Buzek, Mário David, Michael Gahler, Marietta Giannakou, Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Richard Howitt, Anna Ibrisagic, Liisa Jaakonsaari, Jelko Kacin, Ioannis Kasoulides, Tunne Kelam, Nicole Kiil-Nielsen, Evgeni Kirilov, Maria Eleni Koppa, Andrey Kovatchev, Paweł Robert Kowal, Eduard Kukan, Vytautas Landsbergis, Krzysztof Lisek, Sabine Lösing, Ulrike Lunacek, Mario Mauro, Kyriakos Mavronikolas, Francisco José Millán Mon, Alexander Mirsky, María Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Raimon Obiols, Kristiina Ojuland, Ria Oomen-Ruijten, Alojz Peterle, Bernd Posselt, Cristian Dan Preda, Libor Rouček, Tokia Saïfi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Nikolaos Salavrakos, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, Werner Schulz, Adrian Severin, Charles Tannock, Inese Vaidere, Kristian Vigenin, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Véronique De Keyser, Barbara Lochbihler, Monica Luisa Macovei, Carmen Romero López, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Hannes Swoboda, Indrek Tarand, Ivo Vajgl

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Philippe Boulland


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.4.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Sonia Alfano, Rita Borsellino, Simon Busuttil, Philip Claeys, Carlos Coelho, Rosario Crocetta, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Ioan Enciu, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Monika Flašíková Beňová, Kinga Göncz, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Juan Fernando López Aguilar, Monica Luisa Macovei, Svetoslav Hristov Malinov, Véronique Mathieu, Nuno Melo, Louis Michel, Claude Moraes, Jan Mulder, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Renate Sommer, Axel Voss, Renate Weber, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Tatjana Ždanoka, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Alexander Alvaro, Vilija Blinkevičiūtė, Birgit Collin-Langen, Cornelis de Jong, Franziska Keller, Ádám Kósa, Antonio Masip Hidalgo, Hubert Pirker, Kārlis Šadurskis, Carl Schlyter, Bogusław Sonik

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Giles Chichester, Zita Gurmai

Juridische mededeling - Privacybeleid