Procedure : 2010/2310(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0144/2012

Ingediende teksten :

A7-0144/2012

Debatten :

PV 21/05/2012 - 18
CRE 21/05/2012 - 18

Stemmingen :

PV 22/05/2012 - 6.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0208

VERSLAG     
PDF 162kWORD 103k
24.4.2012
PE 454.679v03-00 A7-0144/2012

over een EU-aanpak van het strafrecht

(2010/2310(INI))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Cornelis de Jong

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over een EU-aanpak van het strafrecht

(2010/2310(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name het derde deel, titel V, hoofdstuk 4, getiteld 'Justitiële samenwerking in strafzaken',

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name titel VI inzake justitie,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 met als titel "Werken aan een strafrechtbeleid van de EU: de effectieve uitvoering van EU-beleid waarborgen door middel van strafrecht" (COM(2011)0573),

–   gezien de conclusies van de Raad van 30 november 2009 over modelbepalingen, die als aanzet moeten dienen voor de beraadslagingen van de Raad over het strafrecht,

–   gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie(1),

–   gezien zijn aanbeveling van 7 mei 2009 aan de Raad over de ontwikkeling van een EU‑ruimte voor strafrechtspleging(2),

–   gezien zijn studies over "Harmonisatie van het strafrecht in de EU"(3) en over "Ontwikkeling van een EU-ruimte voor strafrechtspleging"(4),

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0144/2012),

A. overwegende dat de Unie haar burgers – aldus artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) - een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen biedt, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot onder andere voorkoming en bestrijding van criminaliteit;

B.  overwegende dat het Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 83 VWEU minimumvoorschriften kunnen vaststellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties;

C. overwegende dat artikel 83, lid 3, VWEU tevens voorziet in een noodremprocedure voor het geval dat een lid van de Raad van oordeel is dat de voorgestelde wetgevende maatregel afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, waarmee wordt onderkend dat het strafrecht vaak de weerspiegeling vormt van de elementaire waarden, gewoontes en keuzes binnen een gegeven samenleving, al moet daarbij wel het internationale mensenrechtenrecht in acht worden genomen;

D. overwegende dat de subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginselen, zoals genoemd in artikel 5 van het VEU, daarom in het bijzonder relevant zijn voor wetgevingsvoorstellen die het strafrecht regelen;

E.  overwegende dat de strafrechts- en strafprocesrechtsstelsels van de lidstaten zich gedurende eeuwen hebben ontwikkeld, dat elke lidstaat zijn geheel eigen uitwerkingen en kenmerken heeft, en dat kerngebieden van het strafrecht bijgevolg aan de lidstaten moeten worden overgelaten;

F.  overwegende dat het beginsel van wederzijdse erkenning op steeds meer beleidsterreinen ingang vindt, met name op het punt van vonnissen en rechterlijke beslissingen, en dit beginsel wederzijds vertrouwen vereist, waarvoor invoering van minimum beschermingsnormen op het hoogst mogelijke niveau noodzakelijk is;

G. overwegende dat de harmonisering van het strafrecht in de EU dient bij te dragen tot een gemeenschappelijke EU-rechtscultuur waar het gaat om misdaadbestrijding, welke cultuur naast maar niet in de plaats van nationale rechtstradities moet komen, en positief moet uitwerken op het wederzijdse vertrouwen tussen de rechtsstelsels van de EU-lidstaten;

H. overwegende dat het strafrecht een samenhangend wetgevingsstelsel moet vormen dat gestoeld is op een aantal basisbeginselen en normen van goed bestuur met volledige inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en andere internationale mensenrechtenverdragen waarbij de lidstaten partij zijn;

I.   overwegende dat vanwege de eraan inherente mogelijkheid om bepaalde mensenrechten en basisvrijheden in te perken van personen die verdacht, beschuldigd of veroordeeld zijn, naast het mogelijke stigmatiserende effect van strafrechtelijk onderzoek, en in acht nemende dat overdreven gebruik van strafwetgeving tot afname van de effectiviteit leidt, het strafrecht pas als uiterste redmiddel (ultima ratio) dient te worden toegepast om duidelijk bepaalde en begrensde handelingen aan te pakken, die niet doeltreffend kunnen worden aangepakt door minder zware maatregelen en die aanzienlijke schade toebrengen aan individuen of de samenleving;

J.   overwegende dat het strafrecht van de EU in het algemeen alleen sancties mag opleggen voor handelingen die opzettelijk zijn gepleegd of, in uitzonderlijke gevallen, voor handelingen uit grove nalatigheid, en gestoeld moet zijn op het beginsel van de individuele schuld (nulla poena sine culpa), ofschoon er in sommige gevallen reden kan zijn om voor sommige soorten delicten een strafrechtelijke aansprakelijkheid voor rechtspersonen in te voeren;

K  overwegende dat overeenkomstig het lex certa-vereiste de bestanddelen van een strafbaar feit precies moeten worden beschreven om de voorspelbaarheid wat betreft de toepassing, de reikwijdte en de betekenis ervan te waarborgen;

L.  overwegende dat aangaande richtlijnen de lidstaten een bepaalde beoordelingsvrijheid hebben om bepalingen om te zetten in nationale wetgeving, wat inhoudt dat om te voldoen aan het lex certa-vereiste, niet alleen de EU-wetgeving zelf, maar ook de omzetting in nationale wetgeving van de hoogste kwaliteit dient te zijn;

M. overwegende dat de invoering van EU-strafrechtbepalingen zich niet zal beperken tot de terreinen vrijheid, veiligheid en recht, maar betrekking kan hebben op een groot aantal beleidsterreinen;

N. overwegende dat de Europese Unie tot dusver dikwijls op ad-hocbasis strafrechtbepalingen heeft ontwikkeld, en derhalve een behoefte heeft gecreëerd aan grotere cohesie;

O. overwegende dat het Parlement zijn eigen procedures dient op te stellen om, samen met de medewetgever, te zorgen voor een samenhangend strafrechtstelsel van de hoogste kwaliteit;

P.  overwegende dat er voor het vergemakkelijken van de samenwerking op het gebied van het strafrecht tussen de Commissie, de Raad en het Parlement een interinstitutionele overeenkomst geboden is;

Q. overwegende dat artikel 67, lid 1, VWEU bepaalt dat de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand brengt waar de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en –tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd.

1.  onderstreept dat voorstellen voor EU-bepalingen inzake materieel strafrecht volledig dienen te voldoen aan de subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginselen;

2.  herinnert eraan dat het strafrecht de grondrechten van verdachte, beschuldigde of veroordeelde personen ten volle moet eerbiedigen;

3.  benadrukt dat op dit punt niet kan worden volstaan met verwijzing naar abstracte begrippen of symbolische gevolgen, maar dat de noodzaak van nieuwe materiële strafbepalingen moet worden aangetoond met het nodige feitelijke bewijs waaruit blijkt dat:

–   de strafrechtbepalingen zich toespitsen op gedragingen die aanzienlijke financiële of niet-financiële schade toebrengen aan de samenleving, individuen of een groep van individuen,

–   er geen andere, minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn om dit soort handelen aan te pakken,

–   het bewuste delict een internationale dimensie heeft en van een zeer ernstige aard is, of een direct negatief effect heeft op de doeltreffende tenuitvoerlegging van EU-beleid in een domein waarop harmonisatiemaatregelen zijn toegepast,

–   de noodzaak bestaat om het bewuste strafbare feit op gemeenschappelijke basis te bestrijden, d.w.z. dat een gemeenschappelijke EU-benadering praktische meerwaarde heeft, waarbij in acht wordt genomen hoe wijdverbreid en frequent het delict in de lidstaten is, en

–   overeenkomstig artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de voorgestelde strafmaat niet onevenredig is ten opzichte van het strafbare feit;

4.  erkent het belang van andere algemene beginselen die betrekking hebben op het strafrecht, zoals:

–   het beginsel van de individuele schuld (nulla poena sine culpa), oftewel het opleggen van sancties voor handelingen die opzettelijk zijn gepleegd, of in uitzonderlijke gevallen voor handelingen uit grove nalatigheid,

–   het beginsel van de rechtszekerheid (lex certa): de beschrijving van de bestanddelen van een strafbaar feit dienen precies te worden geformuleerd, opdat een individu in staat is te voorspellen voor welke handelingen hij/zij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld,

–   het non-retroactiviteitsbeginsel en het beginsel van de lex mitior: uitzonderingen op het retroactiviteitsbeginsel zijn uitsluitend toegestaan indien deze ten voordele zijn van de dader;

–   het beginsel ne bis in idem : iemand die in een lidstaat bij definitief vonnis is veroordeeld of vrijgesproken, mag in een andere lidstaat niet wegens hetzelfde feit worden vervolgd of bestraft,

–   het vermoeden van onschuld, wat betekent dat iedere persoon die van een stafbaar feit wordt beschuldigd, als onschuldig te beschouwen is totdat zijn schuld wettelijk bewezen is;

5   is verheugd dat de Commissie in haar recente mededeling betreffende een strafrechtbeleid van de EU erkent dat de eerste stap bij het ontwikkelen van strafrechtwetgeving altijd moet zijn om te beslissen of er überhaupt bepalingen inzake materieel strafrecht dienen te worden aangenomen;

6.  moedigt de Commissie aan om maatregelen voor te stellen die een consequentere en beter samenhangende handhaving van bestaande EU-strafrechtbepalingen op nationaal vlak mogelijk maken, zonder afbreuk te doen aan de beginselen van noodzakelijkheid en subsidiariteit;

7.  benadrukt dat harmoniseringsmaatregelen in eerste instantie voorgesteld dienen te worden om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in de praktijk te bevorderen en niet alleen om het toepassingsbereik van geharmoniseerd EU-strafrecht uit te breiden;

8.  moedigt de Commissie aan om in haar effectbeoordelingen gebruik te blijven maken van noodzakelijkheids- en evenredigheidstoetsing, de goede praktijken van lidstaten met een hoog peil aan processuele waarborgen over te nemen, een evaluatie aan de hand van haar grondrechten grondrechtenchecklist, en bovendien een toetsing in te voeren die nagaat in hoeverre haar voorstellen beantwoorden aan bovengenoemde algemene strafrechtelijke beginselen ;

9.  onderstreept dat er uniforme minimumnormen moeten worden ingevoerd, met het oog op een bescherming op het hoogst mogelijke niveau ten behoeve van verdachten en aangeklaagden in strafrechtelijke procedures, ter versterking van het wederzijds vertrouwen;

10. moedigt de Commissie en de lidstaten aan om ook andere dan wetgevende maatregelen in aanmerking te nemen die het vertrouwen tussen de verschillende rechtsstelsels van de lidstaten versterken, de cohesie verbeteren en de totstandkoming bevorderen van een gemeenschappelijke EU-rechtscultuur op het punt van misdaadbestrijding;

11 benadrukt de noodzaak voor meer cohesie en hoogstaande kwaliteit in de EU-benadering van het strafrecht en betreurt de fragmentarische benadering waarvoor tot dusver is gekozen;

12. is verheugd over het bestaan van een gemeenschappelijke coördinatiegroep inzake strafrecht binnen de Commissie en verzoekt de Commissie om het Parlement meer informatie te verstrekken over het mandaat en de werking ervan;

13. pleit voor een duidelijke coördinerende autoriteit binnen de Commissie voor alle voorstellen die strafrechtelijke bepalingen bevatten, zodat een coherente benadering gewaarborgd is;

14. is verheugd over het bestaan van een werkgroep van de Raad inzake materieel strafrecht en verzoekt de Raad om het Parlement van specifieke informatie te voorzien over de wijze waarop deze zich verhoudt tot andere werkgroepen van de Raad die zich bezighouden met strafrechtbepalingen op andere beleidsterreinen dan justitie en binnenlandse zaken;

15. dringt aan op een interinstitutionele overeenkomst betreffende de beginselen en methoden voor het opstellen van voorstellen voor toekomstige materiële EU-bepalingen inzake materieel strafrecht en vraagt de Commissie en de Raad een interinstitutionele werkgroep in te stellen met behulp waarvan deze instellingen en het Parlement een dergelijke overeenkomst kunnen opstellen en algemene aangelegenheden kunnen bespreken gericht op het waarborgen van de cohesie binnen het EU-strafrecht;

16. meent dat deze interinstitutionele werkgroep de juiste reikwijdte en toepassing van strafrechtelijke sancties op EU-niveau moet helpen bepalen, en de bestaande wetgeving moet nazien om de versnippering en rechtsconflicten tegen te gaan die zo kenmerkend zijn voor de huidige aanpak.

17. besluit na te gaan hoe een coherente benadering van EU-wetgeving inzake materieel strafrecht het beste binnen het Parlement kan worden gewaarborgd en wijst wat dit betreft op het ontbreken van een coördinerende commissie en op de belangrijke rol die zijn Juridische Dienst mogelijk kan vervullen;

18. onderstreept het belang van een op te richten informatiedienst voor het Parlement die de individuele leden steun kan geven bij hun dagelijkse werkzaamheden, waarmee de kwaliteit van het werk van het Parlement als medewetgever zou zijn gewaarborgd; waarborgt;

19. wijst erop dat een coherente benadering vereist dat het Parlement, alvorens een voorstel voor wetgeving inzake materieel strafrecht aan te kunnen nemen, de beschikking dient te hebben over een juridische analyse van het voorstel, waarin wordt aangegeven of aan alle voorschriften van deze resolutie is voldaan, of welke verbeteringen nog dienen te worden aangebracht;

20. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0459.

(2)

PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 116.

(3)

http://www.europarl.europa.eu/committees/en/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=30499.

(4)

http://www.europarl.europa.eu/committees/en/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=30168.


TOELICHTING

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is afscheid genomen van de pijlerstructuur en is de basis gelegd voor de ontwikkeling van het strafrecht als onderdeel van het EU-gemeenschapsrecht. In aanmerking genomen dat in het verleden het strafrecht lange tijd werd gezien als de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten en dat er pas door het Verdrag van Maastricht van 1992 een opening is ontstaan voor de ontwikkeling van een EU-strafrecht, kan dit als een belangrijk besluit worden gezien.

Dat het Verdrag nu een basis voor nieuwe EU-strafrechtbepalingen bevat, wil niet zeggen dat het strafrecht minder gevoelig is geworden. Het Verdrag voorziet namelijk in een noodremprocedure, indien een lidstaat van mening is dat de voorgestelde wetgeving afbreuk doet aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel. Dit is een uitzonderingsprocedure in het Verdrag.

Bovendien is het strafrecht anders dan andere juridische domeinen, omdat het per definitie de mensenrechten of fundamentele vrijheden van de beschuldigde en/of veroordeelde persoon inperkt. In veel gevallen wordt de bewegingsvrijheid beperkt, maar zelfs als vanwege het delict alleen een boete kan worden opgelegd, wordt in ieder geval het eigendomsrecht ingeperkt. Dergelijke inperkingen zijn in principe legaal en legitiem, maar ze vereisen wel een "noodzakelijkheidstoetsing". Zelfs als een persoon niet wordt veroordeeld, kan alleen een strafrechtelijk onderzoek al een stigmatiserend effect hebben: anderen kunnen denken dat er geen rook is zonder vuur.

Bovendien dient er ook aan de praktische kant te worden gedacht. Een hausse aan nieuwe EU-initiatieven op het gebied van materieel strafrecht kan leiden tot overbelasting bij de nationale regeringen. De voorstellen horen van een dusdanige kwaliteit te zijn dat ze volledig kunnen worden uitgevoerd en toegepast. De middelen van de nationale bevoegde autoriteiten zijn beperkt, vooral tijdens de huidige economische crisis. Het gevaar bestaat dat de goedkeuring van nieuwe wetgeving niet zal leiden tot betere handhaving, waardoor zowel de geloofwaardigheid als de doeltreffendheid van het materieel strafrecht van de EU worden aangetast.

Dit zijn allemaal redenen waarom de EU een zeer zorgvuldige benadering dient te hanteren bij het ontwikkelen van aanvullende of het herzien van bestaande strafrechtbepalingen. De resultaten ervan zijn niet perfect, zoals doeltreffend is aangetoond door een groep academici, die zich hebben verenigd in het Initiatief Europees strafrechtbeleid. Zij noemden onder andere het gebruik van vele verwijzingen in juridische teksten een overtreding van het lex certa-beginsel: wetgeving dient duidelijk te zijn en eenvoudig te begrijpen, zodat iedereen kan voorspellen wanneer een handeling wel of niet neerkomt op een strafbaar feit. Dit geldt nog meer voor richtlijnen, aangezien deze in nationale wetgeving moeten worden omgezet, en ieder gebrek aan duidelijkheid kan leiden tot interpretatieverschillen, waardoor de verwarring eerder zal toenemen in plaats van afnemen.

Er is geen aparte EU-ruimte gecreëerd voor strafrechtbepalingen. Sommige zijn opgenomen in instrumenten gerelateerd aan justitie en binnenlandse zaken, maar andere zijn weer opgenomen in een groot aantal andere beleidsterreinen van de EU. In haar recente mededeling over EU-strafrechtbeleid noemde de Commissie bijvoorbeeld de financiële sector (marktmanipulatie of handel met voorkennis), fraude, vervalsing, ernstige overtredingen van sociale, technische, veiligheids- en marktregels van de EU voor vervoer voor rekening van derden, ernstige schendingen van EU-regels voor gegevensbescherming, douane- en milieuovertredingen, illegale, niet-geregistreerde en niet-gereguleerde visvangst en aspecten van het internemarktbeleid.

De vraag rijst op welke manier samenhang en hoogwaardige kwaliteit kunnen worden gewaarborgd in een juridisch domein dat in zoveel verschillende beleidsterreinen de kop opsteekt. Op nationaal niveau komt het vaak voor dat een afdeling binnen het ministerie van Justitie verantwoordelijk is voor de overkoepelende coördinatie van het strafrecht. Dit betekent dat, onafhankelijk van het feit welk ministerie het initiatief voor nieuwe wetgeving heeft genomen, er altijd een eindcontrole wordt uitgevoerd door deze centrale afdeling, alvorens de nationale regering het wetsontwerp goedkeurt.

De situatie ligt anders bij de EU-instellingen. De Commissie heeft een gemeenschappelijke coördinatiegroep voor strafrecht in het leven geroepen waaraan naar verluidt dezelfde rol is toebedeeld als aan bovengenoemde centrale afdeling binnen het ministerie van Justitie op nationaal niveau. Het is echter nog niet duidelijk wat het mandaat van deze groep is, en wat er gebeurt als er geen overeenstemming kan worden bereikt. Het is duidelijk dat een aantal Commissarissen gedeeltelijke verantwoordelijkheid draagt, maar er ontbreekt een coördinerende Commissaris.

Binnen de Raad proberen de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken de coördinatie van wetgevingsvoorstellen inzake strafrechtbepalingen te waarborgen. Zij hebben een speciale werkgroep inzake materieel strafrecht ingesteld, die niet alleen de gebruikelijke voorstellen over justitie en binnenlandse zaken bespreekt, maar in de praktijk ook bevoegdheid heeft over andere strafrechtbepalingen, ongeacht het onderwerp. Niettemin kon met deze structuur niet worden voorkomen dat de huidige versnippering is ontstaan en dat sommige EU-strafrechtbepalingen van slechte kwaliteit zijn.

Helaas lijkt het Parlement zelf het minst ontwikkelde systeem te hebben. Toegegeven, het Parlement heeft een speciale commissie die aangelegenheden inzake justitie en binnenlandse zaken behandelt, namelijk de commissie Burgerlijke vrijheden, maar dit is geen coördinerende commissie en zij heeft geen bevoegdheid over alle wetgevingsvoorstellen die strafrechtbepalingen bevatten.

Tijdens de hoorzitting op 8 december 2011 over een EU-benadering van het strafrecht verklaarde de Juridische dienst van het Parlement in theorie zijn diensten te kunnen aanbieden om het Parlement van juridisch advies te voorzien over de kwaliteit en cohesie van voorgestelde wetgeving gerelateerd aan het strafrecht. Dit zou echter een aanvullende, dat wil zeggen nieuwe taak betekenen, aangezien de Juridische Dienst dergelijke werkzaamheden momenteel niet op structurele basis uitvoert. Indien een dergelijke taak aan de Juridische dienst wordt toegewezen, zal deze ook aanvullende middelen nodig hebben.

Om de samenhang en hoogwaardige kwaliteit van de EU-benadering van het strafrecht te kunnen waarborgen, dient niet alleen de interne structuur van ieder van de drie genoemde EU-instellingen te worden verbeterd, maar dienen deze drie instellingen ook onderling overeenstemming te bereiken over de relevante beginselen en methoden.

In 2009 heeft de Raad conclusies aangenomen over modelbepalingen die als aanzet moeten dienen voor de beraadslagingen van de Raad over het strafrecht. In 2011 bracht de Commissie een mededeling uit met haar mening over deze kwestie. In de onderhavige resolutie zal het Parlement aangeven welke beginselen van belang zijn voor zijn eigen beraadslagingen. We zijn dus spoedig bij de situatie aanbeland waarin de instellingen alle drie hun standpunt hebben aangegeven, maar slechts in zoverre dat dit betrekking heeft op hun eigen interne wetgevingsprocedures.

Om de samenwerking in de toekomst te kunnen verbeteren, lijkt het cruciaal dat de instellingen overeenstemming bereiken over een soort gemeenschappelijk kader. Het zou nuttig zijn als een dergelijk kader een reeks beginselen omvat die op elk strafrechtinstrument van toepassing is. Bovendien kunnen er modelbepalingen worden toegevoegd, zoals bij de conclusies van de Raad van november 2009. Een dergelijk kader kan dienen als basis voor de effectbeoordelingen die de Europese Commissie opstelt, en het kan ondersteuning bieden bij het ontwikkelen van de correcte juridische analyses voor de Raad en het Parlement. Bovendien kan een kader nauwkeurige richtlijnen bevatten voor de interne procedures van iedere instelling met als doel het waarborgen van een coherente benadering.

In theorie kunnen vooral ook de beginselen worden gecodificeerd door middel van een meer formele wetgevende methode, gebaseerd op een voorstel van de Commissie gevolgd door een formele goedkeuring door de Raad en het Parlement. Omdat overeenkomsten over interne werkmethoden echter niet geschikt zijn voor een dermate formeel instrument, zou dit ertoe kunnen leiden dat het kader in verschillende delen uiteenvalt. Alleen al vanwege praktische redenen is het daarom beter om een interinstitutioneel kader op een minder formele basis te vormen door middel van een interinstitutionele werkgroep.

De rapporteur is van mening dat strafrechtbepalingen maar al te vaak worden voorgesteld omwille van hun zogenaamde symbolische en afschrikkende werking: ze hebben dan als doel om de bezorgdheid van de Europese burgers weg te nemen met als boodschap dat de EU hun veiligheid serieus neemt en om duidelijk te maken aan potentiële misdadigers dat ze streng zullen worden gestraft. Het is echter in de praktijk niet een strafrechtbepaling zelf die leidt tot afname van het aantal misdaden in de EU. Handhaving van het strafrecht is net zo belangrijk, of misschien zelfs belangrijker: alleen het feit dat de EU nieuwe wetgeving heeft aangenomen, zal niet leiden tot afname van het aantal misdaden. Alleen als de wettelijke bepalingen volledig duidelijk zijn en overeenkomen met de bestaande nationale stelsels, kan handhaving doeltreffend zijn. Het combineren van strafrechtbepalingen en handhaving ervan heeft normaal gesproken wel een effect op misdaden.

Tot slot kan niet vaak genoeg worden benadrukt hoe belangrijk het is om bij het opstellen van nieuwe strafrechtbepalingen het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en andere internationale mensenrechtenverdragen volledig in acht te nemen. Het toetsen aan de mensenrechten is altijd een vereiste, omdat men hier te maken heeft met een van de meest ingrijpende maatregelen die een regering haar burgers kan opleggen. De noodzaak voor deze toetsing is in dit verslag niet uitdrukkelijk genoemd, maar er is voor kennisgeving aangenomen dat binnen de context van de genoemde beginselen een dergelijke toetsing consistent dient te worden uitgevoerd.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.4.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Sonia Alfano, Mario Borghezio, Rita Borsellino, Simon Busuttil, Philip Claeys, Carlos Coelho, Rosario Crocetta, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Ioan Enciu, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Monika Flašíková Beňová, Kinga Göncz, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Juan Fernando López Aguilar, Monica Luisa Macovei, Svetoslav Hristov Malinov, Véronique Mathieu, Nuno Melo, Louis Michel, Claude Moraes, Jan Mulder, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Renate Sommer, Axel Voss, Renate Weber, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Tatjana Ždanoka, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Alexander Alvaro, Vilija Blinkevičiūtė, Birgit Collin-Langen, Cornelis de Jong, Franziska Keller, Ádám Kósa, Antonio Masip Hidalgo, Hubert Pirker, Kārlis Šadurskis, Carl Schlyter, Bogusław Sonik

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Giles Chichester, Zita Gurmai

Juridische mededeling - Privacybeleid