VERSLAG over de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015

    26.6.2012 - (2012/2043(INI))

    Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
    Rapporteur: Marit Paulsen


    Procedure : 2012/2043(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0216/2012
    Ingediende teksten :
    A7-0216/2012
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015

    (2012/2043(INI))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 19 januari 2012 over een strategie van de EU voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015 (COM(2012)0006),

    –   gezien artikel 7 en 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

    –   gezien zijn resolutie van 12 oktober 2006 over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010[1],

    –   gezien zijn resolutie van 22 mei 2008 over een nieuwe strategie voor diergezondheid voor de Europese Unie (2007-2013)[2],

    –   gezien zijn resolutie van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren bij het doden[3],

    –   gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over de evaluatie en beoordeling van het actieplan inzake het welzijn van dieren 2006-2010[4],

    –   gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over antibioticaresistentie[5],

    –   gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over de EU-landbouw en internationale handel[6],

    –   gezien zijn schriftelijke verklaring 0049/2011 van 15 maart 2012 over de vaststelling van een maximale reisduur van acht uur voor slachtdieren die binnen de Europese Unie worden vervoerd[7];

    –   gezien zijn schriftelijke verklaring nr. 0026/2011 van 13 oktober 2011 betreffende het beheer van de hondenpopulatie in de Europese Unie[8],

    –   gezien de conclusies van de Landbouw- en Visserijraad van 29 november 2010 inzake het welzijn van honden en katten,

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2011 over een actieplan tegen antimicrobiële resistentie (COM(2011)0748),

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 10 november 2011 over de gevolgen van Verordening nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (COM(2011)0700),

    –   gezien het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 2 december 2010 betreffende het welzijn van dieren tijdens het vervoer[9],

    –   gezien het wetenschappelijk advies van EFSA van 13 december 2011 betreffende richtsnoeren voor risicobeoordeling inzake dierenwelzijn[10],

    –   gezien de definitie van dierenwelzijn van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE)[11],

    –   gezien de twaalf door het Welfare Quality Project ontwikkelde aanvullende beginselen en criteria voor goed dierenwelzijn[12],

    –   gezien Besluit 78/923/EEG van de Raad van 19 juni 1978 betreffende de sluiting van het Europese Verdrag inzake de bescherming van landbouwhuisdieren[13],

    –   gezien het Europees Verdrag inzake de bescherming van gezelschapsdieren[14],

    –   gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn[15],

    –   gezien Richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen[16],

    –   gezien Richtlijn 2010/63/EU van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt[17],

    –   gezien de mededeling van de Commissie over de integratie van duurzame ontwikkeling in het EU-beleid en over de toetsing 2009 van de strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling (COM(2009)0400),

    –   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Opties voor etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een Europees netwerk van referentiecentra voor de bescherming en het welzijn van dieren" COM(2009)0584,

    –   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie verzoekschriften (A6-0216/2012),

    A. overwegende dat een hoog niveau van dierenwelzijn, dat een onderdeel van duurzame ontwikkeling is, belangrijk is om de gezondheid van het dier te beschermen en om de productiviteit te garanderen, hoewel het bijkomende operationele kosten met zich mee brengt die niet proportioneel verdeeld zijn over de gehele voedselketen;

    B.  overwegende dat de achteruitgang van de gezondheid van wilde dieren, waarvan de aantallen in de meeste lidstaten toenemen, zou kunnen leiden tot een toename in de verspreiding van besmettelijke ziektes bij huisdieren en, tegelijkertijd, een nadelige uitwerking kan hebben op de volksgezondheid;

    C. overwegende dat de EU-regels en nationale regels inzake dierenwelzijn, gezien hun complexe aard en uiteenlopende interpretaties, zorgen voor juridische onzekerheid en voor producenten in bepaalde lidstaten een aanzienlijk nadeel creëren bij mededinging; overwegende ten aanzien van de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving, dat de mededinging wordt scheefgetrokken door gebrekkige naleving, niet-geharmoniseerde normen en het gemis van ontbreken van juridische mijlpalen, waardoor een ongelijk speelveld ontstaat;

    D. overwegende dat nationale regels inzake dierenwelzijn niet in strijd mogen zijn met de beginselen van de Europese interne markt;

    E.  overwegende dat de benadering van dierenwelzijn op degelijk wetenschappelijk bewijs en de beste wetenschappelijke kennis moet berusten, waarbij gelet moet worden op de noodzaak van vereenvoudiging, kostenefficiëntie, hanteerbaarheid van normen en de samenhang met vooral het milieu- en volksgezondheidsbeleid;

    F.  overwegende dat de moderne consument er redelijkerwijs van uitgaat dat dieren in de veehouderij dezelfde levensbehoeften moeten krijgen als de mens: goede voeding, goede leefomstandigheden en passende medische zorg;

    G. overwegende dat normen inzake diergezondheid van vitaal belang zijn voor het veeteeltbeheer in Europa, wat steeds meer van invloed is op het concurrentievermogen van landbouwbedrijven;

    1.  is ingenomen met de brede strategie voor dierenwelzijn voor de EU in 2012-2015;

    2.  herinnert eraan dat artikel 13 van het Verdrag algemeen toepasselijk is en als zodanig even belangrijk is als de bepalingen inzake milieu of consumentenbescherming, en juridisch voorrang heeft boven alle vormen van internemarktbeleid;

    3.  wijst erop dat dierenwelzijn een complexe en veelzijdige kwestie is die gevolgen heeft voor het internationaal en binnenlands beleid en belangrijke ethische, wetenschappelijke, economische, culturele en politieke dimensies kent;

    4.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om het probleem van de naleving van de wetgeving inzake dierenwelzijn als een prioriteit te behandelen;

    5.  is ingenomen met het feit dat in het strategiedocument een beleid wordt uitgezet waarin de keuze van de consument consumentenmarkten openstelt voor diervriendelijke producten en de voordelen van de interne markt benut ten bate van het welzijn van boerderijdieren;

    6.  betreurt dat sommige acties uit het actieplan voor 2006-2010 niet konden worden voltooid en verzoekt de Commissie de streefdata voor de nieuwe acties op de wettelijke termijnen af te stemmen;

    7.  betreurt dat de strategie de financiële steun die het Parlement in zijn resolutie van 5 mei 2010 had gevraagd, niet heeft gekregen; verzoekt de Commissie deze steun op te voeren door hieraan weer prioriteit te geven en door te zorgen voor een meer coherente integratie van dierenwelzijn in andere beleidsterreinen van de EU, zoals consumentenbeleid, onderzoeksprogramma's en het GLB, voorzover van toepassing;

    8.  is ingenomen met de hervormingsvoorstellen van de Commissie en haar toezegging wat betreft dierenwelzijn; benadrukt het belang van een goede ondersteuning van landbouwers die de normen en goede praktijken inzake dierhouderij naleven en investeren in betere veeteeltfaciliteiten; onderstreept het belang van voldoende financiering voor het toekomstige GLB, aangezien we een begroting nodig hebben die past bij ons ambitieniveau;

    9.  onderstreept dat landbouwers tegenwoordig met verschillende uitdagingen, waaronder de klimaatverandering, te maken hebben en aan vele eisen moeten voldoen, waarvan een goed dierenwelzijn er slechts één is; verzoekt de Commissie daarom te zorgen voor een samenhangend beleid in overeenstemming met artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de EU;

    10. verzoekt de lidstaten beter gebruik te maken van de mogelijkheden voor ondersteuning door de Europese fondsen voor plattelandsontwikkeling en het zevende kaderprogramma (2007-2013) van DG Onderzoek, om toegepast onderzoek te promoten en te investeren in vernieuwende en moderne oplossingen op het gebied van dierenwelzijn; verzoekt de lidstaten en de Commissie meer te investeren in onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe technieken en technologieën op het gebied van dierenwelzijn;

    11. betreurt dat de strategie de kansen die er liggen in duurzame consumptie en productie, groene overheidsopdrachten en sociale ondernemingsverantwoordelijkheid om een hoog dierenwelzijnsniveau te bevorderen, niet weet te benutten;

    12. dringt er bij de Commissie op aan meer ambitie op te brengen om de wederkerigheid van normen aangaande dierenwelzijn als non-trade concern op te nemen en tot prioriteit te maken in het handelsbeleid en de onderhandelingen over multilaterale en bilaterale internationale handelsovereenkomsten, en om dierenwelzijn in derde landen te stimuleren door voor ingevoerde dieren en producten gelijkwaardige welzijnsnormen te laten gelden, vergezeld van strenge controles;

    13. verzoekt de Commissie om de normen inzake dierenwelzijn die in derde landen worden toegepast te evalueren en hiervan verslag te doen voordat wordt aangevangen met de onderhandelingen over handelsovereenkomsten; vraagt de Commissie om dit onverwijld ook te doen in landen waar momenteel handelsbesprekingen plaatsvinden;

    14. verzoekt de Commissie om voortaan geen vrijhandelsovereenkomsten meer aan het Europees Parlement voor te leggen waarin niet gegarandeerd wordt dat dezelfde regels inzake dierenwelzijn evengoed gelden voor ingevoerde producten als voor Europese producten;

    15. is ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om te onderzoeken hoe dierenwelzijn beter geïntegreerd kan worden in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid;

    16. verzoekt de Commissie om er bij de WHO op aan te dringen om snel niet-commerciële belangen op te nemen in de strategie voor de wereldhandel om te voorkomen dat de mededinging tussen de lidstaten – gebonden als zij zijn aan de strengste normen voor dierenwelzijn in de wereld - en derde landen;

    17. is van mening dat het verplicht moet zijn om consumenten op de hoogte te brengen als een ingevoerd product of een product dat een ingevoerd product bevat gemaakt is van dieren die gehouden werden onder andere omstandigheden dan wat door de Europese regels inzake dierenwelzijn wordt vereist;

    18. betreurt dat het belang van diergezondheid voor het welzijn van dieren en het verband tussen diergezondheid en volksgezondheid in de strategie niet tot hun recht komen; verzoekt de Commissie het "One Health"-beginsel op deze strategie toe te passen en een efficiënte coördinatie met de strategie inzake dierenwelzijn zeker te stellen, aangezien goede veehouderijpraktijken de verspreiding van ziektes en antimicrobiële resistentie mede helpen voorkomen;

    19. wijst erop dat het Parlement in zijn resolutie van 12 mei 2011 over antibioticaresistentie benadrukt hoe belangrijk het is om een goed beeld te verkrijgen van wanneer, waar, hoe en op welke dieren antimicrobiële stoffen momenteel worden gebuikt, en is van mening dat dergelijke gegevens onverwijld verzameld, geanalyseerd en openbaar gemaakt moeten worden door de Commissie;

    20. constateert dat in de EU noodvaccinatie en soms preventieve vaccinatie is toegestaan, maar dat regelgeving de internationale afzet van producten van gevaccineerde dieren nog altijd belemmert; constateert dat deze beperkingen onvoldoende rekening houden met voortschrijdende vaccintechnologie en diagnostiek; verzoekt de Commissie handelsbeperkende maatregelen die het gebruik van vaccinatie nodeloos beperken waar mogelijk op te heffen;

    21. verzoekt de Commissie voldoende aandacht te besteden aan de risico's voor de volksgezondheid die wilde dieren met zich mee brengen; is van mening dat een groot aantal van de opkomende infectieziekten zoönoses zijn (die overgedragen worden onder wilde dieren, huisdieren en mensen) en erkent dat de handel in wilde dieren en veranderingen in bodemgebruik en landbeheer kunnen leiden tot nieuwe of andere interacties tussen de mens, huisdieren en wilde dieren die de overdracht van ziektes kunnen bevorderen; benadrukt het belang van samenhang tussen dierengezondheid, dierenwelzijn en het handelsbeleid;

    22. vraagt de Commissie tegen 2015 een rapport uit te brengen over de staat van de gezondheid van wilde dieren en het risico van besmetting van huisdieren en mensen;

    23. vraagt de Commissie de regels inzake dierenwelzijn actief en voortdurend te verbeteren in het kader van Verordening (EG) nr. 338/97 over de handel in wilde dieren (als gewijzigd)[18] ;

    24. wijst erop dat de honden- en kattenpopulatie in de EU op zo'n honderd miljoen dieren geraamd wordt en dat er geen EU-wetgeving bestaat inzake het welzijn van gezelschapsdieren;

    25. vraagt dat een verslag over zwerfdieren met aanbevelingen voor concrete en duurzame oplossingen voor de lidstaten en een beoordeling van een gecoördineerd systeem voor de registratie en elektronische identificatie van gezelschapsdieren aan de lijst met acties wordt toegevoegd;

    26. wijst erop dat verplichte identificatie van katten en honden, uitsluitend in combinatie met een doelmatig en betrouwbaar registratiesysteem, resulteert in traceerbaarheid en van essentieel belang is voor een succesvol beheer van de gezondheid en het welzijn van dieren, doordat er een bijdrage mee wordt geleverd aan het bevorderen van verantwoordelijk eigenaarschap en de bescherming van de volksgezondheid;

    27. verzoekt de Europese Unie en de lidstaten de Europese overeenkomst inzake de bescherming van kleine huisdieren te ratificeren en de bepalingen ervan om te zetten in nationaal recht;

    28. verzoekt de lidstaten alomvattende strategieën voor het beheer van de hondenpopulatie aan te nemen, waaronder maatregelen als toezicht op honden en wetten tegen mishandeling, steun voor veterinaire procedures – waaronder vaccinatie tegen rabiës en zo nodig sterilisatie – om het aantal ongewenste honden te beheersen, en het bevorderen van verantwoordelijk huisdiereigenaarschap, overeenkomstig het verzoek in de door het Europees Parlement aangenomen schriftelijke verklaring nr. 0026/2011;

    29. dringt er bij de Commissie op aan om in haar 2014-studie over het welzijn van katten en honden die voor commerciële doeleinden worden gebruikt, concrete oplossingen voor te stellen die moeten voorkomen dat katten en honden worden gefokt en verhandeld op een manier die hun welzijn hoogstwaarschijnlijk niet ten goede komt;

    Handhaving eerst

    30. is het met de Commissie eens dat er vandaag nog steeds tekortkomingen in verband met de naleving van voorschriften inzake dierenwelzijn bestaan, ook al is er op verschillende terreinen vooruitgang geboekt; herinnert de Commissie eraan dat de huidige wetgeving inzake dierenwelzijn voor een groot deel al toereikend is, maar in alle lidstaten nog niet voldoende wordt toegepast; verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de wetgeving inzake dierenwelzijn in alle lidstaten wordt nageleefd;

    31. betreurt dat Richtlijn 1999/22/EG van de Raad betreffende het behoud van wilde flora en fauna in dierentuinen [19], zeven jaar na de volledige toepassing ervan nog steeds niet helemaal ten uitvoer is gelegd in alle lidstaten; herinnert eraan dat de omstandigheden en het welzijn van dieren die in dierentuinen worden gehouden specifiek worden vermeld in deze richtlijn en ten uitvoer gelegd moeten worden.

    32. is ingenomen met de voorkeurscode van goede praktijken voor dierentuinen van de Commissie en verzoekt de Commissie om hierin begeleiding in de vorm van beste praktijken inzake het houden van dieren of wilde soorten in gevangenschap op te nemen.

    33. noemt als gebied waar betere handhaving nodig is het dierentransport, dat weliswaar een kortstondig moment uitmaakt in het hele leven van een dier maar toch verbetering behoeft gezien de wetenschappelijke gegevens die de EFSA overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1/2005 heeft verzameld[20];

    34. benadrukt dat het gehele corpus van de bestaande wetgeving inzake dierenwelzijn in alle EU-lidstaten volledig moet worden uitgevoerd en gehandhaafd. is evenwel van mening dat niet-naleving geen beletsel mag zijn voor nieuwe wetgeving op gebieden waar de wetgeving moet worden bijgewerkt in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten of in geval van leemten;

    35. herinnert eraan dat er sprake is van onevenwichtigheden in de voedselketen, die nadelig werken voor de primaire producenten, en dat deze situatie de investeringen in dierenwelzijn op het niveau van landbouwbedrijven beperkt;

    36. wijst nadrukkelijk op de kosten die producenten moeten betalen en de mogelijke daling van het concurrentievermogen tengevolge van de aanneming van nieuwe en veranderde normen inzake dierenwelzijn; merkt op dat het vaak voorkomt dat deze kosten niet terug te zien zijn in de prijzen die landbouwers krijgen;

    37. is ingenomen met het voorstel om consumenten beter te informeren over de bestaande EU-regels inzake dierenwelzijn; verzoekt de Commissie om landbouwers doeltreffender te betrekken bij onderzoeksprojecten en -campagnes; onderstreept de noodzaak om consumenten meer bewust te maken van de bijkomende kosten die veroorzaakt worden door een beter dierenwelzijn en om deze kosten gelijkwaardig over de voedselketen te verspreiden;

    38. dringt er bij de Commissie op aan om, daar waar er sprake is van duidelijk wetenschappelijk bewijs dat problemen op gebied van dierenwelzijn en het vervoer van dieren aantoont, beleidsinstrumenten aan te passen of nieuwe beleidsinstrumenten in te voeren om die problemen op te lossen, met inachtneming van een betere verdeling van de kosten van dierenwelzijn over de voedselketen; denkt bij dergelijke instrumenten aan bijvoorbeeld soortspecifieke wetgeving en resultaatgerichte dierenwelzijnsindicatoren, en criteria die verband houden met een risicobeoordelingssysteem, zoals ook op het gebied van voedselveiligheid worden toegepast;

    39. benadrukt dat in samenwerking met alle belanghebbenden moet worden gewerkt aan terdege onderbouwde "juridische mijlpalen" voor de overgangsperiode in toekomstige wetgeving rond dierenwelzijn;

    40. verzoekt om de opzet van een nieuw omvattend systeem voor vroegtijdig ingrijpen om naleving te garanderen; onderstreept dat de lidstaten die moeite hebben met het halen van de omzettingstermijn vroegtijdig moeten worden gesignaleerd dankzij een nieuwe procedure die nauwe samenwerking met de Commissie vereist; bepleit dat er forums voor beste praktijken worden opgezet om de Commissie, de lidstaten en de desbetreffende belanghebbenden in staat te stellen informatie uit te wisselen over de beste manier om deze termijnen te halen, dat de lidstaten een plan voor de tenuitvoerlegging uitwerken, met mijlpalen en doelstellingen waarmee in stappen naar de tijdslimiet wordt toegewerkt, en dat een studie wordt opgezet om de mogelijkheden aan te wijzen waardoor de Europese autoriteiten de volle naleving van de dierenwelzijnswetgeving kunnen helpen verzekeren;

    41. benadrukt dat de Commissie, en in het bijzonder het Voedsel- en Veterinair Bureau, extra middelen moet krijgen – al naar gelang de EU-begrotingsaanbevelingen en –bevoegdheden - om door de lidstaten uitgevoerde dierenwelzijnsinspecties adequaat te kunnen controleren, wat voor een deel met onaangekondigde controles zou moeten gebeuren, en inbreuken aan te pakken; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat er voldoende goed opgeleide dierenwelzijnsinspecteurs zijn, met geharmoniseerde prestatiemetingen om consistente controles in alle lidstaten te garanderen en om te overwegen meer verantwoordelijkheid en zeggenschap te geven aan producentenorganisaties;

    42. verzoekt de EU-lidstaten erop toe te zien dat overtredingen van de Europese regels inzake dierenwelzijn doeltreffend en evenredig bestraft worden en dat elke sanctie vergezeld gaat van uitgebreide informatie van en begeleiding door de bevoegde autoriteiten, alsmede van passende corrigerende maatregelen;

    43. wijst op het feit dat het Europees Parlement zich heeft uitgesproken tegen het gebruik van gecontracteerde private keuringsassistenten in slachthuizen voor de sector van rood vlees; is van oordeel dat hygiëne-inspecties in deze sector door onafhankelijke vleeskeurders zouden moeten worden uitgevoerd.

    44. neemt nota van de uiterste termijn van maart 2013 na afloop waarvan de verkoop van nieuwe, op dieren geteste cosmetica niet meer is toegestaan; staat achter deze termijn en verzoekt de Commissie die niet te verlengen

    45. wijst op de plicht van de Commissie om, als er gegronde reden tot bezorgdheid bestaat, controles te verrichten op de nationale inspecties, om de naleving te verifiëren van Richtlijn 2010/63/EU over dierproeven[21];

    46. roept de Commissie op onderzoek naar testmethoden waarbij minder proefdieren nodig zijn te blijven stimuleren en daar waar mogelijk de toepassing ervan te bevorderen; roept in dat kader de Commissie op om de "extended one" test in de zin van REACH te erkennen en te hanteren;

    47. roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat het onderzoeksprogramma Horizon 2020 in voldoende mogelijkheden voorziet voor onderzoek op het gebied van biodiversiteitsbehoud, handel in wilde dieren, de ontwikkeling en validering van niet-dierlijke alternatieven en de gevolgen van opkomende technologieën;

    48. verzoekt de Commissie om dierenwelzijn op te nemen als doelstelling voor het toekomstige zevende milieuactieprogramma, en er in het bijzonder voor te zorgen dat deze strategieën en maatregelen omvat die erop gericht zijn het gebruik van dieren voor onderzoek te beperken;

    49. wijst op de bezorgdheid bij de Europese burgers, die blijkt uit hun verzoekschriften aan het Parlement, over het misbruik van de uitzonderingen voor onverdoofd slachten in de EU; maakt zich vooral zorgen over het feit dat in sommige lidstaten in hoge mate misbruik wordt gemaakt van de huidige uitzondering rond onverdoofd slachten, wat nadelig is voor het dierenwelzijn, de landbouwers en de consumenten; zet de Commissie ertoe aan haar evaluatie van de etikettering van vlees afkomstig van dieren die zonder verdoving werden geslacht te versnellen en haar verslag voor 2013 uit te brengen, volgende op haar toezegging om deze evaluatie in 2011 uit te voeren; benadrukt dat de kwestie van consumenten die niet te weten komen of het vlees dat zij kopen al dan niet afkomstig is van dieren die zonder verdoving werden geslacht een kwestie is van groot algemeen belang om redenen van transparantie en dierenleed; onderstreept echter dat etikettering geen alternatief is voor goede handhaving, aangezien etiketten de consument enkel wegwijs kunnen maken als de verstrekte informatie gecontroleerd en correct is;

    50. wijst op de noodzaak om doeltreffendere beschermingsmaatregelen in te stellen voor dieren die voor de slacht vanuit de EU naar derde landen worden uitgevoerd;

    51. is van mening dat de dierenwelzijnswetgeving van de EU vergezeld moet gaan van geharmoniseerde richtsnoeren die moeten zorgen voor een uniforme toepassing en uitvoering van de wetgeving voor kwesties als bijvoorbeeld geschiktheid om te worden vervoerd en watervoorziening voor en tijdens het vervoer, bij tussenstops en op de bestemming;

    52. erkent dat alle ernstige tekortkomingen in de tenuitvoerlegging vaak te wijten zijn aan wettelijke bepalingen die niet in de praktijk kunnen worden gebracht;

    53. wijst erop dat Europese burgers regelmatig verzoekschriften indienen bij het Parlement over het feit dat lidstaten er niet in slagen de bepalingen van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn te handhaven[22];

    54. herinnert de Commissie en de lidstaten aan hun verplichting om vergelijkbare dierenwelzijnsinformatie te verstrekken, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 882/2004; verzoekt de Commissie effectieve maatregelen te nemen in het geval van niet-naleving;

    55. verzoekt alle grote Europese detailhandelaren zich middels een gezamenlijke publieke verklaring te verplichten uitsluitend producten te verkopen die in overeenstemming zijn met of verder gaan dan de normen in de Europese wetgeving inzake dierenwelzijn;

    Communicatie en onderwijs

    56. benadrukt dat het belangrijk is dat informatie en onderwijs worden aangepast en op regionaal en lokaal niveau beschikbaar worden gemaakt, bijvoorbeeld door middel van regionale werkgroepen en het gebruik van moderne technieken, en dat informatie over nieuwe wetgeving en wetenschappelijke vorderingen alle dierenverzorgers bereikt; herinnert aan de rol die een door de EU gecoördineerd netwerk van dierenwelzijnscentra op dit vlak zou kunnen vervullen;

    57. is van mening dat het Europees netwerk van referentiecentra de lidstaten en andere belanghebbenden passende, hoogwaardige, professionele en consistente ondersteuning moet bieden met betrekking tot beste praktijken op het gebied van dierenwelzijn;

    58. verzoekt de Commissie bestaande richtsnoeren inzake dierenwelzijn en andere vrijwillige initiatieven te promoten door een webportaal op te zetten waarop dergelijke documenten na goedkeuring kunnen worden verzameld en verspreid;

    59. verzoekt de lidstaten beter gebruik te maken van de bepalingen rond grensoverschrijdende overdracht van kennis over dierenwelzijn, fokmethodes en ziektebestrijding, in het kader van de door de EU gefinancierde programma's voor regionale en plattelandsontwikkeling;

    60. is van mening dat eisen inzake dierenwelzijn verplicht moeten worden gesteld in toekomstige programma's voor plattelandsontwikkeling; is voorts van mening dat de Europese meerwaarde van een goed dierenwelzijn terug te zien moet zijn in het percentage voor medefinanciering;

    61. herinnert de Commissie eraan dat er een verband bestaat tussen dierenwelzijn en het welzijn van producenten; verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in projecten voor onderzoek naar en ontwikkeling van methoden om welzijn te promoten onder producenten, om vervangende diensten te ontwikkelen en om de gezondheidszorg voor producenten te verbeteren;

    Kaderwet

    62. is ingenomen met de opname in de strategie van een Europese kaderwet voor dierenwelzijn, zoals het Parlement had voorgesteld, en verzoekt de Commissie haar voorstel in te dienen samen met de voor 2013 voorziene herziening van Richtlijn 98/58/EG; is van mening dat een dergelijke kaderwet duidelijk geschreven moet zijn, moet worden voorbereid na raadpleging van alle belanghebbenden, gericht moet zijn op zowel input als output en een beter dierenwelzijn moet opleveren;

    63. wijst erop dat een dergelijke kaderwet ingezet moet kunnen worden voor het vereenvoudigen en stroomlijnen van bestaande wetgeving inzake dierenwelzijn; merkt op dat het voornaamste doel van de kaderwet is om tot een betere naleving van de bestaande wetgeving inzake dierenwelzijn te komen;

    64. herinnert eraan dat producenten overbelast worden met administratieve vereisten en dat, in de voortdurende zoektocht naar administratieve vereenvoudiging, deze Europese kaderwetgeving deze last niet verder mag vergroten;

    65. herinnert eraan dat het Parlement van oordeel is dat deze kaderwet op gevalideerde wetenschappelijke inzichten en beproefde ervaring moet berusten, en alle huisdieren en verlaten dieren moet omvatten, evenals zwerfdieren van gedomesticeerde soorten; herinnert eraan dat het Parlement voor de dieren die zijn bestemd voor de voedselproductie gevraagd heeft het "Animal Welfare Quality Project" verder te ontwikkelen met het oog op vereenvoudiging en praktische toepassing ervan;

    66. is van mening dat een kaderwet die nauw samenhangt met de definities en aanbevelingen van de OIE, de concurrentiekracht van houders en eigenaars van dieren en vee in de EU op de internationale markt zou versterken en daarnaast voor eerlijke concurrentie op de interne markt zou zorgen;

    67. is van mening dat de Europese kaderwet voor dierenwelzijn een gemeenschappelijk basisniveau voor dierenwelzijn in de Europese Unie tot stand moet brengen als een essentiële voorwaarde voor vrije en eerlijke mededinging op de interne markt, zowel voor nationale producten als voor producten die worden ingevoerd uit derde landen; is niettemin van mening dat de lidstaten en regio's in staat moeten zijn om individuele producenten of groepen van producenten toe te staan vrijwillige systemen met diepgaandere gevolgen op te zetten, waarbij concurrentieverstoring wordt voorkomen en de concurrentiepositie van Europa op internationale markten wordt beschermd;

    68. herinnert aan het standpunt van het Parlement dat deze kaderwet de producenten niet mag beletten vrijwillige systemen in te voeren die verder gaan dan de EU-regels, en dat dergelijke systemen ook een wetenschappelijke basis dienen te hebben en bevorderd kunnen worden door gecertificeerde en cohesieve etiketten; verzoekt de Commissie voort te bouwen op haar mededeling COM(2009)0584 door een studie te overleggen, al naar het geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen, over etiketteringsregelingen in alle EU-landen voor vlees- en zuivelproducten om consumenten te informeren over de gebruikte veehouderijmethode en de gevolgen daarvan voor het welzijn van de dieren, voor optimaal effectieve en consistente transparantie en communicatie naar consumenten;

    69. is van oordeel dat de Europese kaderwet dierenwelzijn het volgende moet omvatten:

    a)  een gemeenschappelijke op de OIE gebaseerde definitie en interpretatie van dierenwelzijn, en algemene wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen,

    b)  het beginsel van zorgplicht voor alle eigenaars en houders van dieren, waarbij zwerfdieren in de eerste plaats onder verantwoordelijkheid vallen van de eigenaar en uiteindelijk van de autoriteiten van de lidstaten, gezien de risico's voor de volksgezondheid en openbare veiligheid,

    c)  bewustmakingsinstrumenten en richtsnoeren voor personeelsleden van overheidsinstanties, over de wijze waarop zij bij de uitoefening van hun functie problemen met dierenwelzijn kunnen signaleren,

    d)  indien nodig een bekwaamheidsvereiste, met erkenning van kennis en vaardigheden die al zijn opgedaan middels praktijkervaring of een theoretische opleiding, voor alle personen die bij de uitoefening van hun beroep met dieren in contact komen, met toereikende opleidingsvereisten voor specifieke verantwoordelijkheden inzake dierenwelzijn,

    e)  een verplichting voor de lidstaten om de Commissie om de twee jaar een verslag over de tenuitvoerlegging van de dierenwelzijnswetgeving van de EU te bezorgen, inclusief een routekaart voor de daaropvolgende twee jaar, en de verplichting voor de Commissie om die verslagen, vergezeld van een samenvatting, onverwijld te publiceren,

    f)   effectieve en tijdige maatregelen tegen lidstaten die geen verslagen indienen of hun verplichting om controles en inspecties uit te voeren niet nakomen,

    g)  de oprichting van een gecoördineerd Europees netwerk voor dierenwelzijn, gebaseerd op de ervaringen van het proefproject X/2012, dat informatie- en opleidingscampagnes zal ondersteunen, vereisten inzake dierenwelzijn op basis van de meest recente en onderling getoetste wetenschappelijke kennis zal evalueren, en een EU-systeem voor het uittesten van nieuwe technologieën zal coördineren, naar het voorbeeld van de bestaande programma's die door de Commissie en haar agentschappen en comitées worden gestimuleerd,

    h)  een structuur voor wetenschappelijk onderbouwde sectorspecifieke wetgevende en niet-wetgevende maatregelen,

    i)   een herzieningsclausule zodat de kaderwet regelmatig aan nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen kan worden aangepast, onder respectering van de nodige rechtszekerheid en met mederekening van de economische levensduur van de investering;

    70. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

    • [1]  PB C 308E van 16.12.2006, blz. 170.
    • [2]  PB C 279E van 19.11.2009, blz. 89.
    • [3]  PB C 212E van 6.5.2009, blz. 326.
    • [4]  PB C 81E van 15.3.2011, blz. 25.
    • [5]  Aangenomen teksten P7_TA(2011)0238.
    • [6]  Aangenomen teksten P7_TA(2011)0083.
    • [7]  Aangenomen teksten P7_TA(2012)0096.
    • [8]  Aangenomen teksten P7_TA(2011)0444.
    • [9]  EFSA Journal 2011; 9(1)1966.
    • [10]  EFSA Journal 2012; 10(1):2513.
    • [11]  Gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, artikel 7.1.1. (2011). http://www.oie.int/index.php?id=169&L=0&htmfile=chapitre_1.7.1.htm.
    • [12]  www.welfarequality.net/everyone/43395/7/0/22.
    • [13]  PB L 323 van 17.11.1978, blz. 12.
    • [14]  ETS 125 – Bescherming van gezelschapsdieren, 13.XI.1987.
    • [15]  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.
    • [16]  PB L 94 van 9.4.1999, blz. 24.
    • [17]  PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33.
    • [18]  PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1
    • [19]  PB L 94 van 9.4.1999, blz. 24.
    • [20]  PB L 3 van 5.1.2006, blz. 1.
    • [21]  PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33.
    • [22]  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

    TOELICHTING

    Dierenwelzijn vandaag

    De mededeling van de Commissie COM(2012)0006 over de strategie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015 wordt zeer gewaardeerd, vooral omdat veel punten uit de resolutie van het Parlement van 5 mei 2010 zijn overgenomen. De mededeling kan gezien worden als een open deur die, als we ze correct gebruiken, kan leiden tot een duidelijk en gelijkwaardig niveau van dierenwelzijn binnen de EU.

    Een hoog niveau van dierenwelzijn maakt deel uit van duurzame ontwikkeling en is belangrijk om de gezondheid van mens en dier en de productiviteit en concurrentiekracht van de veehouderij in Europa te beschermen. De ingewikkelde Europese en nationale regels inzake dierenwelzijn en de gebrekkige informatie hieromtrent zorgen echter voor juridische onzekerheid, terwijl het gebrek aan naleving en juridische mijlpalen de mededinging vervalsen. Daarom moet dierenwelzijn op een nieuwe manier worden benaderd. Die nieuwe benadering moet gebaseerd zijn op tijdens de afgelopen jaren verkregen wetenschappelijke inzichten en beproefde ervaring. Bovendien moet de wetgeving makkelijk te begrijpen en te controleren zijn.

    Ingewikkelde en uiteenlopende regelgeving inzake dierenwelzijn

    Hoewel er nog altijd geen wetgeving bestaat inzake specifieke aspecten van dierenwelzijn, bijvoorbeeld met betrekking tot gezelschapsdieren of melkkoeien, is er vandaag geen gebrek aan dierenwelzijnswetgeving in het algemeen. Bovendien gelden er momenteel ontelbare en uiteenlopende nationale wettelijke voorschriften. Er bestaan echter geen gemeenschappelijke definities en door de complexe regels en voorschriften is het voor de individuele houder of eigenaar van dieren moeilijk een goed begrip te krijgen van goede veehouderijpraktijken. Bijgevolg zijn er wat dierenwelzijn betreft momenteel grote verschillen in de EU tussen de landen en de diersoorten.

    Gebrekkige naleving en handhaving

    Hoewel er op verschillende terreinen al vooruitgang is geboekt, worden bepaalde wettelijke voorschriften inzake dierenwelzijn nog altijd onvoldoende nageleefd. De huidige regelgeving die in lange overgangs- en tenuitvoerleggingsperiodes maar niet in "juridische mijlpalen" voorziet, heeft ertoe geleid dat bijvoorbeeld Richtlijn 1999/74/EG van de Raad inzake de bescherming van legkippen niet goed wordt nageleefd. Het gevaar bestaat nu dat hetzelfde zal gebeuren met Richtlijn 2008/120/EG van de Raad inzake de bescherming van varkens en Richtlijn 76/768/EEG ("de cosmeticarichtlijn"). Een ander voorbeeld waarbij dierenwelzijn niet wordt beschermd, is het misbruik van de uitzondering rond onverdoofd slachten voor religieuze of rituele doeleinden. Dat leidt tot onnodig dierenleed en is misleidend voor de consument.

    Het is duidelijk dat de capaciteit en de middelen van de Commissie onvoldoende zijn om een correcte handhaving van de regels te garanderen. De Commissie moet evenwel zelf ook de regelgeving naleven. Sommige acties uit het actieplan voor 2006-2010, zoals de twee verslagen over varkens, werden niet voltooid. Voorts moet het tijdschema voor de nieuwe acties worden aangepast aan de termijnen die in de bestaande wetgeving zijn vastgelegd[1].

    De nieuwe strategie

    Toepassingsgebied

    De brede benadering van de Commissie wordt ten zeerste gewaardeerd. Bij een brede benadering is er ook ruimte voor verbetering van het welzijn van bijvoorbeeld gezelschapsdieren, maar we mogen niet vergeten dat in Europa ongeveer 95% van alle gedomesticeerde dieren afhankelijk is van landbouwers, alsook van vervoerders, inspecteurs, dierenartsen enz.

    Het is echter betreurenswaardig dat de Commissie het verband tussen dierenwelzijn en volksgezondheid niet weergeeft. De "One Health"-benadering moet ook op deze strategie van toepassing zijn, want goede praktijken voor het houden van alle dieren, ook gezelschapsdieren, vormen een instrument om de verspreiding van ziektes en antimicrobiële resistentie terug te dringen.

    Beleidscoherentie en financiële coördinatie

    Een andere tekortkoming van de nieuwe strategie is het gebrek aan een behoorlijke begroting voor de genoemde acties. In zijn resolutie van 5 mei 2010 heeft het Parlement uitdrukkelijk gevraagd dat de nieuwe strategie voldoende financiële steun zou krijgen. Daarom is het uitermate belangrijk dat de Commissie, via beleidscoherentie, al het nodige doet om de middelen die in Europa voor dierenwelzijn beschikbaar zijn, op te trekken.

    Zo moet bijvoorbeeld in het consumentenbeleid van de EU, in de kaderprogramma's voor onderzoek en in het GLB meer aandacht worden besteed aan dierenwelzijn, indien dat relevant is (natuurlijk zou het niet relevant zijn om het GLB te laten betalen voor katten en honden in stedelijke gebieden). Investeringen in dierenwelzijn zijn duur en daarom is het zeer belangrijk ervoor te zorgen dat gebouwen, technologie enz. geschikt zijn en vele jaren kunnen meegaan. Er bestaan ook nog altijd onevenwichtigheden in de voedselketen, die nadelig werken voor de primaire producent, en als gevolg van die onevenwichtigheden worden de investeringen in dierenwelzijn op het niveau van landbouwbedrijven beperkt. Hiermee moet in de nieuwe strategie rekening worden gehouden.

    Misschien is het hier belangrijk aan te halen dat beleidscoherentie voortvloeit uit artikel 7 van het Verdrag, en dus geen politieke keuze is. Aangezien artikel 13 van het Verdrag de EU en de lidstaten verplicht om ten volle rekening te houden met het welzijn van dieren, is het verplicht op andere beleidsterreinen acties in overweging te nemen die dierenwelzijn kunnen stimuleren en negatieve gevolgen van ander beleid voor dieren kunnen vermijden.

    Zo is het belangrijk dat de Commissie ervoor zorgt dat dierenwelzijn een prioriteit blijft binnen het handelsbeleid en bij bilaterale en internationale handelsovereenkomsten, en dat dierenwelzijn in derde landen wordt gestimuleerd door aan ingevoerde producten normen op te leggen die gelijkwaardig zijn aan de EU-normen.

    Dierenwelzijn morgen

    Exacte wetenschappen

    Het laatste decennium is het onderzoek naar dierenwelzijn, zowel binnen de EU als elders, toegenomen. Een voorbeeld hiervan is het Welfare Quality Project. Die steeds toenemende wetenschappelijke kennis is de meest logische basis voor de dierenwelzijnsstrategie en -wetgeving. Het is belangrijk dat die kennis op alle mogelijke terreinen in praktijk wordt gebracht: de ontwikkeling van nieuwe technologieën, het bouwen van dierenaccommodatie, onderzoek vooraf, toezicht op en controle van dierenwelzijn in de Unie.

    Handhaving

    Zoals eerder al gezegd, is het belangrijkste probleem voor dierenwelzijn in Europa de gebrekkige naleving en handhaving van de wetgeving. De toekomstige wetgeving moet in de overgangsperiodes "juridische mijlpalen" voorzien, zodat de Commissie de kans krijgt de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging te evalueren en indien nodig proactief op te treden. Wachten op een inbreuk en de zaak dan behandelen bij het Hof van Justitie van de EU volstaat niet.

    Bovendien hebben onze dieren een soort "FBI" nodig die controleert hoe de lidstaten hun eigen inspecties uitvoeren. Daarom moet het VVB bijkomende middelen krijgen om door de lidstaten uitgevoerde dierenwelzijnsinspecties adequaat te controleren en bij niet-naleving een onderzoek op te starten en sancties op te leggen. De hoofdverantwoordelijkheid voor goede handhaving ligt echter bij de lidstaten. Zij moeten ervoor zorgen dat ze voldoende goed opgeleide dierenwelzijnsinspecteurs hebben.

    Een ander belangrijk instrument is transparantie. De Commissie en de lidstaten zijn, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 882/2004, verplicht om vergelijkbare informatie over dierenwelzijn in de EU te verstrekken en die informatie openbaar te maken. In de verordening staat duidelijk dat de lidstaten meerjarencontroleplannen moeten uitwerken en jaarlijks een verslag aan de Commissie moeten voorleggen. Deze verordening is niet volledig toegepast en de Commissie moet nadenken over hoe zij bij niet-naleving effectieve maatregelen wil nemen, bijvoorbeeld aan de hand van een systeem voor publiekelijke terechtwijzing.

    Communicatie

    Om een gemeenschappelijke dierenwelzijnsnorm in de EU te verwezenlijken is het belangrijk correcte, concrete en begrijpelijke opleiding, informatie en richtsnoeren te verstrekken die de mensen die dagelijks met dieren in contact komen, bereiken. Die informatie moet zowel de wetgeving omvatten als de wetenschap die aan de basis ervan ligt.

    Om ervoor te zorgen dat de mensen die dagelijks met dieren in contact komen, toegang hebben tot die informatie en ze goed begrijpen, moet ze worden aangepast en op regionaal en lokaal niveau beschikbaar worden gemaakt. Een Europees gecoördineerd netwerk van dierenwelzijnscentra kan hierin een belangrijke rol spelen.

    Europese kaderwet dierenwelzijn

    In haar mededeling heeft de Commissie de visie van het Parlement over een Europese kaderwet dierenwelzijn opgenomen. De basisconcepten van zulke wet zijn duidelijkheid, vereenvoudiging en toepasbaarheid in de praktijk, en een wetenschappelijke basis.

    Dankzij zulke wet zou het concurrentievermogen, zowel op de interne markt als in de handel met derde landen, toenemen en zou de kwaliteit van de dierlijke producten verbeteren. Als er binnen Europa een gemeenschappelijk dierenwelzijnsniveau bestaat dat goed wordt toegepast, kan de EU mogelijk makkelijker eisen dat uit derde landen ingevoerde producten aan gelijkwaardige normen moeten voldoen.

    In 2013 zal Richtlijn 98/58/EG van de Raad worden herzien en dat is een perfecte gelegenheid om de richtlijn te verbreden, verduidelijken en versterken door ze tot een kaderwet om te vormen. Zoals de Commissie aangaf in haar mededeling, moet de nadruk worden gelegd op maatregelen die op resultaten zijn gebaseerd. Die benadering wordt ten zeerste gewaardeerd, maar het is belangrijk dat zulke indicatoren worden gebruikt ter aanvulling en niet ter vervanging van bepalingen over welzijnsinput of de kwaliteit van input. Inputs, zoals accommodatie en voldoende beschikbare ruimte, mogen niet worden genegeerd, want als die van slechte kwaliteit zijn, zijn goede resultaten met betrekking tot welzijn nooit mogelijk.

    Aan de hand van een gemeenschappelijke definitie en interpretatie van het concept dierenwelzijn creëert een kaderwet gelijke concurrentievoorwaarden. Net als de algemene levensmiddelenwetgeving (Verordening (EG) nr. 178/2002) zou die een gemeenschappelijke basis bieden. Dat betekent echter niet dat producenten geen vrijwillige systemen mogen invoeren die verder gaan dan de EU-regels, op voorwaarde dat die systemen ook een wetenschappelijke basis hebben.

    Het is logisch om de kaderwet te beginnen met een algemene definitie van dierenwelzijn, zoals beschreven door de OIE1.

    Naast algemene op wetenschap gebaseerde doelstellingen moet de kaderwet ook een beginsel van zorgplicht omvatten. Het is essentieel dat voor elk dier in de kaderwet en tijdens elke fase in de keten een natuurlijke of rechtspersoon verantwoordelijk is. De autoriteiten van de lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor verlaten dieren, alsook zwerfdieren van gedomesticeerde soorten, want die dieren vormen ook een risico voor de volksgezondheid (bv. hondsdolheid).

    Er zou een bekwaamheidsvereiste moeten komen voor iedereen die bij de uitoefening van zijn beroep met dieren in contact komt, alsook een toereikende opleiding indien nodig. Personen, zoals landbouwers of vervoerders van dieren, die – zonder relevante ervaring – een zaak willen opstarten, zouden over een certificaat of ander bekwaamheidsbewijs moeten beschikken. Daarnaast zou er een systeem moeten worden uitgewerkt om vergunningen voor de bouw of verbouwing van ruimtes waar dieren verblijven, vooraf te onderzoeken.

    Net als in de Controleverordening ((EG) nr. 882/2004) zouden de lidstaten jaarlijks een verslag over de tenuitvoerlegging van de Europese dierenwelzijnswetgeving aan de Commissie moeten bezorgen, inclusief een routekaart voor het daaropvolgende jaar. De Commissie moet die verslagen dan onverwijld openbaar maken, vergezeld van een verslag waarin de informatie van de lidstaten wordt samengevat.

    Naleving is vooral een taak voor de lidstaten. Zij moeten afschrikkende en doeltreffende sancties invoeren. In de kaderwet moet de Commissie echter ook de nodige instrumenten krijgen om effectieve maatregelen te kunnen nemen tegen lidstaten die hun verslagen niet indienen of hun verplichtingen niet nakomen.

    In de kaderwet moeten de voorwaarden staan voor de oprichting van een gecoördineerd Europees dierenwelzijnsnetwerk. Dat netwerk mag de taken die nu reeds worden uitgevoerd door de Commissie en haar agentschappen, zoals EFSA, niet overnemen of overdoen. Op basis van de ervaringen van het proefproject in 2012 zou het netwerk met informatie en opleiding ondersteuning moeten bieden, de dierenwelzijnsvereisten op basis van de meest recente wetenschappelijke kennis moeten evalueren, en een EU-systeem voor voorafgaand onderzoek van nieuwe technologïeën moeten coördineren.

    De kaderwet moet worden gevolgd door categoriespecifieke of verticale wetgeving om hiaten in de wetgeving op te vullen, zoals het geval is bij melkkoeien, gezelschapsdieren enz. Die wetgeving moet eveneens een wetenschappelijke basis hebben en moet gemakkelijk te begrijpen en in de praktijk toe te passen zijn.

    Het is ook belangrijk dat de kaderwet regelmatig wordt herzien en aan nieuwe relevante wetenschappelijke bevindingen wordt aangepast. Tegelijkertijd moet de rechtszekerheid gegarandeerd blijven. De overkoepelende doelstelling is de vereisten omtrent dierenwelzijn in Europa te wijzigen, vereenvoudigen en verduidelijken.

    • [1]  Bijvoorbeeld: volgens Richtlijn 2007/43/EG inzake vleeskuikens is de einddatum voor het opstellen van een verslag over het welzijn van vleeskuikens, inclusief de ontwikkeling van welzijnsindicatoren, 30 juni 2012 – niet 2015 zoals voorgesteld in de strategie.
      "Dierenwelzijn wijst op de toestand van een dier in bepaalde levensomstandigheden. Een dier bevindt zich in een goede staat van welzijn als het (zoals blijkt uit wetenschappelijke bevindingen) gezond en goed gevoed is, in een aangename en veilige omgeving verblijft, natuurlijk gedrag vertoont en niet lijdt aan ongemakken, zoals pijn, angst of stress. Goed dierenwelzijn houdt het volgende in: ziektepreventie, behandeling door een dierenarts, gepaste accommodatie, beheer, voeding, humane behandeling en humane slachting/doding. Dierenwelzijn verwijst naar de toestand van het dier; de behandeling die een dier krijgt, wordt aangeduid met andere termen zoals dierenverzorging, veehouderijpraktijken en humane behandeling."

    ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (5.6.2012)

    aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

    inzake de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015
    (2012/2043(INI))

    Rapporteur voor advies: Kartika Tamara Liotard

    SUGGESTIES

    De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling om onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  herinnert eraan dat artikel 13 van het Verdrag algemeen toepasselijk is en als zodanig even belangrijk is als het milieu of consumentenbescherming en juridisch van het grootste belang is voor alle beleid op de interne markt; benadrukt dat dientengevolge de EU-strategie voor dierenwelzijn initiatieven, maatregelen en instrumenten moet omvatten om te garanderen dat het welzijn van dieren in alle beleidsterreinen wordt opgenomen;

    2.  is verheugd over de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015, betreurt echter dat in deze strategie de betekenis van gezonde dieren voor de volksgezondheid, zoals gesteund door het concept "Animals + Humans = One Health", en het verband tussen de gezondheid van dieren en het dierenwelzijn niet worden vermeld;

    3.  betreurt ten stelligste dat de Commissie er niet in geslaagd is te komen met nieuwe wetsvoorstellen die het dierenwelzijn in de EU als onderdeel van de strategie verbeteren; erkent dat verbeterde handhaving een cruciaal element is voor een beter dierenwelzijn in de EU, maar dringt erop aan dat nieuwe wetgeving wordt voorgesteld om de huidige normen voor dierenwelzijn te verbeteren;

    4.  benadrukt dat een beter dierenwelzijn in verband staat met voedselveiligheid en resulteert in economische voordelen voor de voedselketen;

    5.  is ingenomen met het feit dat in deze strategie een Europese kaderwet inzake dierenwelzijn is opgenomen op voorwaarde dat een dergelijk rechtskader de bestaande nationale regelingen niet mag afzwakken en het subsidiariteitsbeginsel zorgvuldig gecontroleerd wordt; wijst er eens te meer op dat een dergelijke kaderwet gebaseerd moet zijn op actuele gevalideerde wetenschap en zich zou moeten uitstrekken over alle dieren, of dit nu huis- of zwerfdieren zijn, alsmede wilde dieren die in dierentuinen en aquaria worden gehouden, en invasieve uitheemse soorten; is verder verheugd dat wordt erkend dat een betere voorlichting van het grote publiek over dierenbescherming noodzakelijk is;

    6.  benadrukt de noodzaak om het dierenwelzijn te verbeteren door het behoud en de ontwikkeling van beleidsmaatregelen en wettelijke normen op het gebied van veeteelt, het vervoer van levende dieren (ook levende uitvoer genoemd), de bescherming van wilde dieren en dieren die in onderzoek en voor testen gebruikt worden;

    7.  dringt er bij de Commissie op aan om, daar waar er sprake is van duidelijk wetenschappelijk bewijs dat problemen op gebied van dierenwelzijn en dierentransport aantoont, beleidsinstrumenten aan te passen of nieuwe beleidsinstrumenten in te voeren, zoals soortspecifieke wetgeving en resultaatgerichte dierenwelzijnsindicatoren en criteria die verband houden met een risicobeoordelingssysteem, zoals ook op het gebied van voedselveiligheid wordt toegepast, teneinde deze problemen op te lossen, met inachtneming van een betere verdeling van de kosten van dierenwelzijn over de voedselketen, waaronder met name de kwesties van melkvee, slachtvee, konijnen, kweekvissen en het vervoer van levende dieren; hierbij dienen de wetenschappelijke adviezen van de EFSA in acht genomen te worden;

    8.  betreurt dat de strategie er niet in slaagt hoge dierenwelzijnsnormen te bevorderen door de mogelijkheden in de beleidsmaatregelen voor duurzame consumptie en productie, groene overheidsopdrachten en de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven te benutten;

    9.  benadrukt dat de lijst van maatregelen die in de strategie zijn opgenomen opgesteld moet worden met inbegrip van:

    –   herziening van Verordening (EG) nr. 1/2005, mede via een voorstel om het vervoerstrajecten voor landbouwhuisdieren tot 8 uur te beperken, zoals wordt verzocht door onder andere schriftelijke verklaring 49/2011, vastgesteld op 15 maart 2011, en door de meer dan 1 100 000 ondertekenaars van de 8-uurspetitie, en door reële aanstalten te maken met vereenvoudiging van de geldende wetgeving en verlaging van de administratieve kosten, hetgeen de marktdeelnemers meer flexibiliteit zal opleveren,

    –   een wetgevingsvoorstel voor het invoeren van een verbod op klonen en het in de handel brengen van producten van klonen en hun nakomelingen,

    –   – een wetgevingsvoorstel voor het invoeren van een verbod op de genetische modificatie van dieren en het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde dieren en hun nakomelingen,

    –   wetgevingsvoorstellen die minimumnormen ter bescherming van zowel vee als konijnen opleggen,

    –   de invoering van normen voor het vermelden op etiketten van informatie over de slachtmethode van het dier, ten behoeve van de consument,

    –   de invoering van EU-richtsnoeren of uitvoeringsregels inzake de bescherming van dieren bij het doden,

    –   toepassing van de Europese Verklaring over alternatieven voor de chirurgische castratie van varkens;

    10. is van mening dat de Europese kaderwet inzake dierenwelzijn de kwestie van zwerfdieren, die met name ernstig is in de zuidelijke en oostelijke lidstaten van de EU, moet aanpakken door doeltreffende sterilisatiemaatregelen in te voeren; roept de Europese Unie en de lidstaten op de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren te ratificeren;

    11. is van mening dat de Europese kaderwet inzake dierenwelzijn maatregelen moet bevatten die ernaar streven het probleem van het bezit van wilde vogels die gevangen of gekweekt zijn en die in sommige lidstaten, in onnatuurlijke omstandigheden, gebruikt worden als lokdieren bij de jacht op trekvogels, op te lossen;

    12. moedigt de Commissie aan zo snel mogelijk een voor de hele EU geldende strategie goed te keuren voor het ontwikkelen en gebruiken van alternatieve testmethoden zonder dierproeven, in de context van de herziening van EU-wetgeving en van nieuwe technologieën zoals, maar niet beperkt tot, nanotechnologie en klonen; herinnert er echter aan dat de veiligheid van de consument prioritair moet blijven; steunt de einddatum van maart 2013 om de verkoop van nieuwe, op dieren geteste cosmetica te verbieden en roept de Commissie op deze datum niet te verlengen en om geen uitzonderingen toe te staan;

    13. roept de Commissie op de relevante strategiebepalende en onderzoekstaken van het EU-referentielaboratorium (het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek) actief te ondersteunen met als doel prioriteitsgebieden te bepalen voor de vervanging van onderzoekstechnieken waarbij dieren worden gebruikt, onder meer door de identificatie van humane toxiciteit en ziekteverlopen, en de ontwikkeling van voor de mens relevante in-vitro- en computermodellen van ziekten;

    14. roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat het onderzoeksprogramma Horizon 2020 in voldoende mogelijkheden voorziet voor onderzoek op het gebied van biodiversiteitsbehoud, handel in wilde dieren, de ontwikkeling en validering van niet-dierlijke alternatieven en de gevolgen van opkomende technologieën, zoals, maar niet beperkt tot, nanotechnologie en klonen;

    15. dringt er bij de Commissie op aan om een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar het effect van de huidige niet-duurzame productiemethoden in de veehouderij op de gezondheid van mens en dier en op het milieu, en om ervoor te zorgen dat de geplande synergieën met het GLB, opgenomen in de strategie, zullen leiden tot bredere steun voor duurzame productiesystemen met verbeterd dierenwelzijn, wat ook helpt bij het voorkomen van de verspreiding van ziekten en antimicrobiële resistentie; daarbij dient de opgedane praktijkervaring benut te worden – dit moet een verslag omvatten waarin de mate van het routineuze profylactische, niet-therapeutische gebruik van antibiotica in de landbouw en ook de bestaande systemen voor toezicht en verslaggeving over deze kwestie in alle lidstaten van de EU worden beoordeeld;

    16. dringt er bij de Raad op aan een substantiële verbetering van het dierenwelzijn te garanderen door middel van plattelandsontwikkeling, met name door te voorzien in toereikende financiering om dierenwelzijn te betalen en door ervoor te zorgen dat alle programma's voor plattelandsontwikkeling voor de periode 2014-2020 maatregelen inzake dierenwelzijn omvatten;

    17. benadrukt dat het GLB na 2013 landbouwers moet steunen die hogere normen inzake dierenwelzijn hanteren dan de cross-compliance, en dat het specifieke maatregelen moet aannemen zodat de EU-landbouw van industriële veeteelt overschakelt naar duurzamere, milieuvriendelijkere, humanere vormen van veehouderij;

    18. roept de Commissie en de lidstaten op de cross-compliance te gebruiken als een middel om de handhaving van de EU-wetgeving inzake dierenwelzijn te verbeteren; gelooft in dit verband dat alle EU-normen voor de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren in de cross-compliance opgenomen moeten worden en dat de sancties hoog genoeg en ontradend moeten zijn;

    19. benadrukt het duidelijke verband tussen de gezondheid van dieren, de gezondheid van mensen en de bescherming van het milieu en verzoekt de Commissie om dierenwelzijn op te nemen als doelstelling voor het toekomstige zevende milieuactieprogramma, en er in het bijzonder voor te zorgen dat deze strategieën en maatregelen omvat die erop gericht zijn het gebruik van dieren voor onderzoek te beperken, wilde dieren te beschermen, biodiversiteit op doeltreffende wijze te beschermen en te verbeteren, en om duurzame veehouderij te bevorderen;

    20. roept de Europese Commissie en de lidstaten op om de noodzakelijke maatregelen te nemen om belanghebbenden in te lichten over de vereisten voor het houden van wilde diersoorten in gevangenschap, en te zorgen voor het doeltreffend gebruik van een soortspecifiek verrijkingsprogramma dat in de nodige geestelijke en lichamelijke stimulatie voorziet om het welzijn van wilde dieren die momenteel in gevangschap gehouden worden, te verbeteren; roept op tot een dringende en grondige toepassing van de dierentuinrichtlijn en verzoekt ervoor te zorgen dat met de handhaving belaste ambtenaren en dierenartsen in dierentuinen naar behoren opgeleid en gekwalificeerd zijn;

    21. staat achter het principe van het etiketteren van voedselproducten die in overeenstemming zijn met normen inzake dierenwelzijn die strenger zijn dan wat wettelijk vereist is; roept de Commissie op voort te bouwen op haar verslag COM (2009)584 door te komen met wetgevingsvoorstellen inzake etiketteringsstelsels voor de hele EU voor vlees- en zuivelproducten en eieren in verwerkte producten, om de consument te informeren over de gebruikte houderijmethoden en de gevolgen daarvan voor het welzijn van dieren, en te komen tot een zo doeltreffend en samenhangend mogelijke communicatie met de consument;

    22. verzoekt de Commissie etikettering voor vlees van slacht zonder verdoving in te voeren;

    23. verzoekt de Commissie om een uitgebreide voorlichtingscampagne op touw te zetten om de consumenten te informeren over de Europese regelgeving op het gebied van dierenwelzijn en om daarbij steeds te wijzen op de veranderingen die de Europese producenten moeten doorvoeren, opdat zij begrijpen waar de prijsverhogingen vandaan komen en opdat de inspanningen van de producenten meer zichtbaarheid krijgen en de toegevoegde waarde van hun producten toeneemt;

    24. herinnert aan de rol die een gecoördineerd netwerk van centra voor dierenwelzijn in de EU zou kunnen spelen bij het verlenen van wezenlijke, kwaliteitsvolle, professionele en consistente steun aan lidstaten en andere belanghebbenden wat betreft beste praktijken in dierenwelzijn;

    25. is verheugd over het voornemen van de Commissie om het probleem van de naleving van de wetgeving inzake dierenwelzijn als een prioriteit te behandelen; moedigt de Commissie aan in elk wetgevingsvoorstel op dit gebied op te nemen dat de lidstaten verplicht zijn om uitvoeringsplannen op te stellen en moedigt haar aan te voorzien in systemen voor de vroegtijdige identificatie van lidstaten die worstelen met het halen van de termijnen, waarbij interventie mogelijk is indien termijnen niet worden gehaald;

    26. roept de Commissie op de hoogste prioriteit te geven aan dierenwelzijn in het kader van onderhandelingen in de WTO (Wereldhandelsorganisatie) en bilaterale overeenkomsten;

    27. dringt er bij de Europese Commissie op aan om bij de uitonderhandeling van bilaterale handelsovereenkomsten met derde landen van die landen te eisen dat zij de Europese regelgeving inzake dierenwelzijn naleven bij de uitvoer van zowel vee als vleesproducten naar de EU-markt.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    30.5.2012

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    33

    16

    11

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Kriton Arsenis, Sophie Auconie, Pilar Ayuso, Paolo Bartolozzi, Sergio Berlato, Lajos Bokros, Milan Cabrnoch, Martin Callanan, Chris Davies, Esther de Lange, Anne Delvaux, Bas Eickhout, Edite Estrela, Jill Evans, Karl-Heinz Florenz, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Matthias Groote, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Jolanta Emilia Hibner, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Holger Krahmer, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Kartika Tamara Liotard, Zofija Mazej Kukovič, Linda McAvan, Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Andres Perello Rodriguez, Mario Pirillo, Pavel Poc, Anna Rosbach, Oreste Rossi, Dagmar Roth-Behrendt, Kārlis Šadurskis, Carl Schlyter, Richard Seeber, Theodoros Skylakakis, Bogusław Sonik, Salvatore Tatarella, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Glenis Willmott, Sabine Wils

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Inés Ayala Sender, Gaston Franco, James Nicholson, Justas Vincas Paleckis, Vittorio Prodi, Britta Reimers, Michèle Rivasi, Alda Sousa, Bart Staes, Marita Ulvskog, Andrea Zanoni

    ADVIES van de Commissie verzoekschriften (10.5.2012)

    aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

    inzake de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015
    (2012/2043(INI))

    Rapporteur voor advies: Victor Boştinaru

    SUGGESTIES

    De Commissie verzoekschriften verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  betreurt dat, hoewel de agenda voor dierenwelzijn door middel van specifieke wetgevingsinstrumenten vooruitgang heeft geboekt, er nog steeds te veel gebieden zijn waarop er geen specifieke EU-wetgeving bestaat;

    2.  wijst erop dat dierenwelzijn een complexe en veelzijdige kwestie is die gevolgen heeft voor het internationaal en binnenlands beleid en belangrijke ethische, wetenschappelijke, economische, culturele en politieke dimensies kent;

    3.  vestigt de aandacht op het almaar stijgende aantal verzoekschriften van Europese burgers uit alle lidstaten waarin verzocht wordt om de doelgerichte en gedetailleerde regelgeving inzake dierenbescherming en dierenwelzijn, met name binnen dierenparken, tuinen en dierentuinen, te verstrengen om de talrijke bestaande achterpoortjes weg te werken;

    4.  is ingenomen met de doelstelling van de Commissie om de haalbaarheid te bestuderen van de invoering van een vereenvoudigd EU-wetgevingskader met dierenwelzijnsbeginselen voor alle dieren die in het kader van een economische activiteit worden gehouden, waaronder, in voorkomend geval, gezelschapsdieren; is echter van mening dat allereerst de naleving van de bestaande regelingen ten behoeve van dierenwelzijn moet worden gegarandeerd en wijst erop dat tijdens de overgangsperiode in toekomstige wetgeving inzake dierenwelzijn "juridische mijlpalen" moeten worden verwezenlijkt;

    5.  merkt op dat sommige Europese burgers in hun verzoekschriften duidelijk bezwaar maken tegen stierengevechten en andere spektakels waarbij dieren onnodig worden blootgesteld aan stress of gewond raken en/of gedood worden;

    6.  wijst erop dat de honden- en kattenpopulatie in de EU op zo'n honderd miljoen dieren geraamd wordt en dat er geen EU-wetgeving bestaat inzake het welzijn van gezelschapsdieren; verzoekt de Commissie daarom, in overeenstemming met de conclusies van de Raad van 2010 inzake het welzijn van katten en honden, om het welzijn van gezelschapsdieren te bevorderen door minimumnormen vast te leggen voor hun behandeling en bescherming en om registratie en een microchipsysteem verplicht te maken;

    7.  wijst erop dat verplichte identificatie van gezelschapsdieren, uitsluitend in combinatie met een doelmatig en betrouwbaar registratiesysteem, resulteert in traceerbaarheid en van essentieel belang is voor een succesvol beheer van de gezondheid en het welzijn van dieren, doordat er een bijdrage mee wordt geleverd aan het bevorderen van verantwoordelijk eigenaarschap en de bescherming van de volksgezondheid;

    8.  is van mening dat de Europese kaderwet inzake dierenwelzijn maatregelen dient te omvatten om het probleem met zwerfdieren op te lossen, dat bijzonder ernstig is in de zuidelijke en oostelijke lidstaten van de EU, en dringt erop aan dat er EU-middelen beschikbaar worden gesteld voor de uitvoering van doeltreffende sterilisatie- en castratiemaatregelen; verzoekt de Europese Unie en de lidstaten de Europese overeenkomst inzake de bescherming van kleine huisdieren te ratificeren en de bepalingen ervan om te zetten naar nationaal recht;

    9.  verzoekt de lidstaten alomvattende strategieën voor het beheer van de hondenpopulatie aan te nemen, waaronder maatregelen als toezicht op honden en wetten tegen mishandeling, steun voor veterinaire procedures waaronder vaccinatie tegen rabiës en zo nodig sterilisatie om het aantal ongewenste honden te beheersen, en het bevorderen van verantwoordelijk huisdiereigenaarschap, overeenkomstig het verzoek in de door het Europees Parlement aangenomen schriftelijke verklaring nr. 0026/2011;

    10. roept de Commissie en de lidstaten op de nodige maatregelen te nemen om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/22/EG van de Raad betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen;

    11. wijst op de noodzaak om doeltreffendere beschermingsmaatregelen in te stellen voor dieren die voor de slacht vanuit de EU naar derde landen worden uitgevoerd;

    12. verzoekt de lidstaten om een doeltreffendere tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten te verzekeren;

    13. wijst op de bezorgdheid bij de Europese burgers, die blijkt uit hun verzoekschriften aan het Parlement, over het misbruik van de uitzonderingen voor onbedwelmd slachten in de EU; verzoekt de lidstaten een doeltreffendere handhaving van de wetgeving te verzekeren en onbedwelmd slachten uitsluitend om aantoonbare religieuze redenen en in overeenstemming met strikte uitzonderingsbepalingen toe te staan;

    14. verzoekt om betere informatie aan de consumenten over de productiemethodes voor dierlijke producten of dierlijke bijproducten en hun gevolgen voor het welzijn van dieren, in de vorm van transparante en correcte etiketten en bijsluiters en de verplichting informatie bij te sluiten over het land van herkomst van dieren en de identificatie van producten;

    15. wijst erop dat Europese burgers regelmatig verzoekschriften indienen bij het Parlement over het feit dat lidstaten er niet in slagen de bepalingen van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn te handhaven; verzoekt de Commissie daarom doeltreffend op te treden wanneer er niet-naleving wordt vastgesteld;

    16. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om dierenwelzijn op te nemen in bilaterale handelsovereenkomsten en samenwerkingsfora en dringt erop aan dat dergelijke bepalingen verplicht moeten worden gesteld in het kader van de mechanismen ter beslechting van geschillen van vrijhandelsovereenkomsten; is ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om te onderzoeken hoe dierenwelzijn beter geïntegreerd kan worden in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid;

    17. verzoekt om een verplichting om in de mate van het mogelijke gebruik te maken van alternatieve methoden waarbij geen dieren gebruikt worden, waar dat wetenschappelijk mogelijk is, om het aantal experimenten waarbij dieren ernstig en langdurig lijden tot een minimum te beperken overeenkomstig de richtlijn betreffende dierproeven (2010/63/EU);

    18. verzoekt de Commissie om uitbreiding van de bevoegdheden betreffende de coördinatie en bevordering van de ontwikkeling en toepassing van alternatieven voor dierproeven voor fundamenteel en toegepast onderzoek en voorgeschreven proeven, overeenkomstig bijlage VII van richtlijn 2010/63/EU, door actieve ondersteuning van relevante strategiebepalingen en onderzoekstaken van het EU-referentielaboratorium (het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek) om prioritaire gebieden vast te stellen voor de vervanging van technieken voor proeven met dieren.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    8.5.2012

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    17

    0

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Elena Băsescu, Heinz K. Becker, Victor Boştinaru, Simon Busuttil, Ágnes Hankiss, Iliana Malinova Iotova, Carlos José Iturgaiz Angulo, Peter Jahr, Erminia Mazzoni, Judith A. Merkies, Ana Miranda, Nikolaos Salavrakos

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Daniel Caspary, Kinga Göncz, Cristian Dan Preda, Keith Taylor

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Krzysztof Lisek

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    19.6.2012

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    34

    3

    4

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Liam Aylward, José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Vasilica Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Hynek Fajmon, Iratxe García Pérez, Julie Girling, Béla Glattfelder, Sergio Gutiérrez Prieto, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Elisabeth Köstinger, George Lyon, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, Mariya Nedelcheva, Wojciech Michał Olejniczak, Georgios Papastamkos, Marit Paulsen, Britta Reimers, Ulrike Rodust, Alfreds Rubiks, Giancarlo Scottà, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith, Janusz Wojciechowski

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Luís Paulo Alves, Salvatore Caronna, María Auxiliadora Correa Zamora, Spyros Danellis, Jill Evans, Sylvie Goulard, Christa Klaß, Giovanni La Via, Anthea McIntyre, Petri Sarvamaa, Milan Zver