VERSLAG over een agenda voor verandering: de toekomst van het ontwikkelingsbeleid van de EU

    16.7.2012 - (2012/2002(INI))

    Commissie ontwikkelingssamenwerking
    Rapporteur voor advies: Charles Goerens
    PR_INI_art121

    Procedure : 2012/2002(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0234/2012
    Ingediende teksten :
    A7-0234/2012
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over een agenda voor verandering: de toekomst van het ontwikkelingsbeleid van de EU

    (2012/2002(INI))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011, getiteld "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering" (COM(2011)0637 – SEC(2011)1172 – SEC(2011)1173),

    –   gezien de conclusies van de Raad betreffende "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering"[1],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011, getiteld "De toekomstige strategie inzake EU-begrotingssteun aan derde landen" (COM(2011)0638),

    –   gezien de conclusies van de Raad betreffende "De toekomstige strategie inzake EU-begrotingssteun aan derde landen"[2],

    –   gezien de conclusies van de Raad betreffende "De coherentie van het ontwikkelingsbeleid"[3],

    –   gezien de gezamenlijke mededeling van 12 december 2011 met als titel "Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU – voor een meer doeltreffende aanpak" (COM(2011)0886),

    –   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie van 20 december 2005 betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie, getiteld "De Europese consensus"[4],

    –   gezien de verklaring van Parijs van 2 maart 2005 inzake de doeltreffendheid van steun, getiteld "Ownership, harmonisatie, onderlinge aanpassing, resultaten en wederzijdse verantwoording"[5],

    –   gezien het actieprogramma van Accra van 4 september 2008[6],

    –   gezien het partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking overeengekomen op 1 december 2011[7],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 28 februari 2007, getiteld "EU-gedragscode inzake de taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid" (COM(2007)0072),

    –   gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijk stelsel van belasting op financiële transacties en tot wijziging van Richtlijn 2008/7/EG, (COM(2011)0594),

    –   gezien de verbintenissen die de internationale gemeenschap is aangegaan op het gebied van ontwikkeling en samenwerking in het kader van de VN en andere bevoegde internationale organisaties, waarmee de EU en de lidstaten hebben ingestemd,

    –   gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over 'de vorderingen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling: tussentijdse herziening ter voorbereiding op de VN-bijeenkomst op hoog niveau in september 2010'[8],

    –   gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over Verordening (EG) nr. 1905/2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking: geleerde lessen en toekomstperspectieven[9],

    –   gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over het trefzekerder maken van het EU-ontwikkelingsbeleid[10],

    –   gezien zijn resolutie van 27 september 2011 betreffende een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen[11],

    –   gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over het vierde Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp[12],

    –   gezien de intercollegiale toetsing van het DAC-beleid en de DAC-programma's voor ontwikkelingssamenwerking in de EU, gepubliceerd op 24 april 2012 door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO[13],

    –   gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over de toekomst van EU-begrotingssteun aan ontwikkelingslanden[14],

    –   gezien het advies van het Comité van de Regio's van 16 februari 2012 [15],

    –   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0234/2012),

    A. overwegende dat volgens het Verdrag van Lissabon de armoedebestrijding en de uiteindelijke uitroeiing ervan de hoofddoelstelling van het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking is,

    B.  overwegende dat de door de Commissie, de Raad en het Parlement ondertekende Europese consensus voor ontwikkeling een verworvenheid is, en herinnerend aan het belang en bereik van dit document dat de Europese routekaart is geworden op het gebied van ontwikkeling, alsmede de verworvenheden en de richtsnoeren die hieruit voortvloeien,

    C. overwegende dat 2015 het streefjaar is voor het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling,

    D. overwegende dat de agenda voor verandering voor oplossingen moet zorgen in een wereld die wezenlijk is veranderd en waarin de kloof tussen rijk en arm in alle landen steeds breder wordt, met name in ontwikkelingslanden,

    E.  overwegende dat de globalisering, hoewel zij met name in midden-inkomenslanden een belangrijke bron van welvaart is, niet voldoende heeft bijgedragen aan het wegnemen van de onzekerheid of zelfs maar de armoede, iets wat goed wordt geïllustreerd door de wereldwijde toename in absolute aantallen van mensen die lijden aan honger en ondervoeding, ook in veel midden-inkomenslanden,

    F.  overwegende dat de in de mededeling van de Commissie genoemde mensenrechten en behoorlijk bestuur nog steeds noodzakelijke voorwaarden zijn voor ontwikkeling; overwegende dat hieronder ook de noodzaak valt om gepaste maatregelen en voorwaarden te vinden voor de omstandigheden in de afzonderlijke landen, terwijl tegelijkertijd de vorm en het niveau van ontwikkelingssamenwerking worden afgestemd op de specifieke situatie van elk afzonderlijk partnerland, inclusief het vermogen van het land om hervormingen door te voeren,

    G. overwegende dat ontwikkelingssamenwerking bestaat uit het stimuleren van menselijke ontwikkeling en de zelfontplooiing van de mens in al zijn dimensies, met inbegrip van de culturele dimensie,

    H. overwegende dat een versterking van de synergieën en een strategische verbinding tussen humanitaire hulp en ontwikkelingshulp noodzakelijke voorwaarden zijn voor de ontwikkeling van de veerkracht en de totstandbrenging van een duurzaam ontwikkelingsproces in instabiele en overgangslanden waar de bevolking het armst en het meest kwetsbaar is,

    I.   overwegende dat het overeenkomstig artikel 2, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie een van de doelen van de Europese Unie is om een duurzame sociale markteconomie te bevorderen en dat deze benadering van toepassing is op zowel het ontwikkelingsbeleid als het nabuurschapsbeleid,

    J.   overwegende dat, in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon, de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid samenhangend moet zijn en dat de maatregelen ter bevordering van de economische groei in ontwikkelingslanden in de eerste plaats moeten bijdragen aan de strijd tegen armoede en uitsluiting, met name via de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg,

    K. overwegende dat het noodzakelijk is om elke poging te verwerpen om de definitie van ODA op te rekken door er de onlangs door de Commissie voorgestelde "gehele-Unie-benadering" en het begrip "ODA plus" in op te nemen, alsmede elementen die niet bijstandsgerelateerd zijn, zoals financiële stromen, militaire uitgaven, schuldkwijtschelding en met name de kwijtschelding van schulden in verband met exportkredieten, en uitgaven in Europa ten behoeve van studenten en vluchtelingen,

    L.  herinnerend aan de bereidheid van de Commissie de ODA te beëindigen ten behoeve van midden-inkomenslanden in het kader van het differentiatiebeleid als voorzien in de agenda voor verandering,

    M. overwegende dat de doelstelling van de agenda voor verandering als voorgesteld door de Commissie, namelijk een sterkere impact van de huidige ontwikkelingspolitiek, de realisatie van de Europa-2020 strategie en andere belangen van de Europese Unie op het gebied van extern optreden, moet worden ontwikkeld in samenhang met de doelstellingen van de ontwikkelingspolitiek van de Europese Unie,

    N. overwegende het democratisch tekort van de besluitvormingsstructuren op internationale schaal, met name de G20, gebaseerd op een vorm van bestuur waarvan de armste ontwikkelingslanden zijn uitgesloten,

    O.  gelet op het onderzoek van de Commissie naar de huidige tekortkomingen van het ontwikkelingsbeleid (versnippering van hulp en duplicatie veroorzaakt door de verre van optimale werkverdeling tussen de donateurs),

    P.  overwegende dat de nieuwe agenda voorziet in een beperkt aantal prioriteiten die het mogelijk maken beter in te spelen op nieuwe uitdagingen, met name de financiële crisis, de klimaatverandering, de energieproblematiek en de terugkomende voedselcrises,

    1.  is van mening dat de agenda voor verandering vernieuwend omdat deze onder andere gericht is op het gebruik van begrotingssteun, het combineren van subsidies en leningen en op de stimulering van de particuliere sector; is van mening dat de gebruikmaking van deze mechanismen er in wezen toe moet bijdragen dat de burgers van ontwikkelingslanden uit armoede en hulpafhankelijkheid worden gehaald en dat de beginselen van goed overheidsbestuur en goed financieel bestuur worden verspreid en toegepast;

    2.  complimenteert de Raad ermee dat in zijn conclusies van 14 mei 2012 zowel rekening is gehouden met de basisbeginselen die ten grondslag liggen aan de ontwikkelingssamenwerking van de EU, als met een aantal door het Parlement in recente resoluties ingenomen standpunten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking;

    3.  betreurt het gebrek aan politieke dialoog tussen interinstitutionele actoren, iets wat met name nadelig is voor de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD); betreurt in dit verband dat er in de mededeling van de Commissie geen voorstellen zijn gedaan voor het in de praktijk ten uitvoer leggen van de beleidscoherentie voor ontwikkeling door ontwikkelingshulp te koppelen aan andere beleidsterreinen van de EU, met name het handelsbeleid, landbouwbeleid en visserijbeleid van de Unie; stemt in dit opzicht in met de constatering van de Raad dat "een nauwe samenwerking tussen de Europese dienst voor extern optreden en de Europese Commissie noodzakelijk is om een grotere samenhang te verzekeren tussen het externe optreden van de EU en de PCD";

    4.  merkt op dat het systeem voor de combinatie van steunvormen, in de huidige vorm, is voorgesteld om overheidssteun te combineren met leningen van financiële instellingen en andere mechanismen voor risicodeling, wat in een tijd van financiële crisis neerkomt op budgettaire beperkingen voor ontwikkelingshulp; verzoekt de Commissie daarom duidelijk toe te lichten hoe dit mechanisme in dienst staat van een ontwikkelingsbeleid dat is gebaseerd op de ODA-criteria en hoe de controlebevoegdheid van het Parlement zal worden ingezet;

    5.  neemt kennis van het voornemen van de Commissie om "een inclusieve en duurzame groei ten dienste van menselijke ontwikkeling" te bevorderen, maar betreurt dat in het rapport geen verwijzingen zijn opgenomen naar de noodzaak van het bevorderen van een betere herverdeling; onderstreept dat dit nieuwe instrument, vanuit ontwikkelingsoogpunt, geen ander doel mag hebben dan de strijd tegen de armoede en de ongelijkheid; waarschuwt dat exclusieve aandacht voor economische groei en een excessief vertrouwen in de automatische herverdelingseffecten van ontwikkeling in de particuliere sector kunnen leiden tot een onevenwichtige en niet-inclusieve groei, zonder dat zij daadwerkelijk leiden tot de terugdringing van armoede; verzoekt de EU dit beleid te herzien ten gunste van beleid voor duurzame ontwikkeling en eerlijke handel, herverdeling van welvaart en sociale gerechtigheid teneinde de leef- en werkomstandigheden van de gehele bevolking, zowel in stedelijke als in landelijke gebieden, te verbeteren;

    6.  is van mening dat vanuit financieel, regulatief, bestuurlijk en maatschappelijk oogpunt de opzet van micro-ondernemingen en kmo's in ontwikkelingslanden van essentieel belang is om het ondernemerschap en de ontwikkeling van de particuliere sector een stimulans te geven en voor het scheppen van een gunstig bedrijfsklimaat in ontwikkelingslanden; is van mening dat de EU zich moet richten op het opheffen van excessieve regelgevingslasten voor kmo's en micro-ondernemingen en in dit kader de toegang tot microkrediet en microfinanciering moet bevorderen en versterken;

    7.  is van mening dat de agenda voor verandering moet leiden tot een daadwerkelijke beleidsverandering door gericht te zijn op de naleving van de individuele en collectieve rechten van de bevolking in ontwikkelingslanden zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten of de Verklaring inzake het recht op ontwikkeling alsook in de verdragen inzake milieubescherming;

    8.  is van mening dat effectieve landrechtssystemen in ontwikkelingslanden essentieel zijn voor de uitroeiing van de armoede en voor de totstandkoming van een eerlijke en inclusieve maatschappij; om dit te bereiken moet een van de doelstellingen van de agenda voor verandering zijn te waarborgen dat in ontwikkelingslanden betrouwbare landrechtssystemen bestaan en dat zij dienovereenkomstig worden gecontroleerd;

    9.  herinnert in dit verband aan zijn streven naar sociale integratie alsook aan het besluit om ten minste 20% van de EU-steun volledig aan elementaire sociale dienstverlening toe te kennen, zoals vastgelegd door de VN in de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG);

    10. stelt vast dat rond de 82% van de mensen met een handicap in ontwikkelingslanden onder de armoedegrens leeft; vindt het daarom van essentieel belang dat artikel 32 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Gehandicaptenverdrag), dat al is ondertekend door de EU en waarin de noodzaak wordt onderkend om internationale samenwerking toegankelijk te maken voor mensen met een handicap en hen hierbij niet uit te sluiten, wordt opgenomen in de agenda voor verandering;

    11. nodigt vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de EU-lidstaten uit structureel opgezette jaarlijkse vergaderingen met het Europees Parlement te houden teneinde coherentie bij de uitgaven aan ontwikkelingshulp te verzekeren en de samenhang in het ontwikkelingsbeleid te versterken;

    12. neemt er nota van dat de Commissie in haar nieuwe "differentiatiebeleid" armoede een centraal thema maakt; stelt echter vast dat 70% van de mensen van wie het inkomen onder de armoedegrens ligt in midden-inkomenslanden wonen, waarvan er veel fragiel en kwetsbaar blijven, met name de kleine eilandstaten in ontwikkeling (SIDS), en betreurt het derhalve dat de armen in die landen verstoken blijven van toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en andere voordelen van de interne economische groei waarvoor de verantwoordelijkheid bij deze staten ligt; roept de Commissie op om voor de tenuitvoerlegging van het differentiatiebeginsel kwetsbaarheidscriteria vast te stellen in de gemeenschappelijke programmeringsrichtsnoeren van het nieuwe financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het elfde EOF waarover momenteel wordt gediscussieerd, en om niet alleen rekening te houden met het nationale BNI maar ook met de realiteit van armoede, menselijke ontwikkeling en ongelijkheden binnen een land;

    13. roept de Commissie en de EDEO op hun belofte na te komen van een op mensenrechten gebaseerde benadering van het volledige ontwikkelingssamenwerkingsproces;

    14. benadrukt de verantwoordelijkheid van alle statelijke en niet-statelijke actoren om hun strategie te richten op het uitbannen van armoede; benadrukt aan de ene kant de verantwoordelijkheid van de EU om de doelstelling van 0,7% voor 2015 te behalen, en aan de andere kant de essentiële aard van de strijd tegen de armoede in de opkomende economieën met middelen die relevant zijn voor hun interne solidariteit; verwelkomt in dit opzicht de conclusies van de Raad waarin de Unie wordt aangezet om "de politieke dialoog met de meer ontwikkelde landen over het terugbrengen van armoede en de strijd tegen ongelijkheid voort te zetten";

    15. benadrukt het belang van solidariteit tussen generaties; nodigt daarom de Commissie uit om family mainstreaming op te nemen als universeel leidend beginsel voor het bereiken van de ontwikkelingsdoelstellingen van de EU;

    16. roept op tot de verdere ontwikkeling van een heldere koppeling tussen hulp, herstel en ontwikkeling, met name in het licht van de aanhoudende voedselcrisis en benadrukt de behoefte aan effectieve en duurzame steun middels een combinatie van publieke-private partnerschappen en maatschappelijk verantwoord ondernemerschap; herhaalt de oproep van het Parlement en de Raad aan de Commissie om te zorgen voor een meer heldere en meer gerichte voedselstrategie waarbij het voedselveiligheidsbeheer en het terugdringen van de voedselprijsvolatiliteit tegen het eind van 2012 zijn aangepakt;

    17. is van mening dat een oplossing bieden voor ondervoeding van doorslaggevend belang is omdat ondervoeding nog steeds een ernstige gezondheidsbelasting is in ontwikkelingslanden; roept in dit verband op tot specifieke investeringen in voedsel, gezondheid en voeding en onderkent dat de verbetering van de voeding van moeders en kinderen de sleutel vormt tot het uitbannen van armoede en het bereiken van duurzame groei.

    18. is van mening dat het essentieel is dat de midden-inkomenslanden een steeds groter deel van hun inkomsten aan sociale doeleinden besteden, met name door middel van de ontwikkeling van belastingstelsels en andere interne stelsels voor herverdeling en sociale bescherming, waardoor de EU in staat wordt gesteld om haar nog lopende ontwikkelingsprogramma's geleidelijk af te bouwen ten bate van de armste landen, terwijl tegelijkertijd een hecht partnerschap tussen de EU en midden-inkomenslanden, met name op het gebied van sociaal beleid, behouden blijft;

    19. keurt het concept van differentiatie goed; nodigt de Commissie niettemin uit in het geval van midden-inkomenslanden te onderhandelen over een stappenplan voor de geleidelijke vermindering van officiële ontwikkelingshulp (ODA) en deze landen in toenemende mate te betrekken bij driehoekssamenwerking (noord-zuid-zuid). verzoekt tevens om de inachtneming van het beginsel van de voorspelbaarheid van de ontwikkelingshulp in alle gevallen van uitvoering van deze geleidelijke vermindering; roept daarnaast de EU op directe samenwerkingsvormen te overwegen met regio's in midden-inkomenslanden waar de armoede zich concentreert;

    20. acht het juist de behoefte aan een internationale conferentie waaraan de BRICS-landen deelnemen te onderzoeken, die enerzijds gericht zal zijn op de toekomstige financiering van de MDG en anderzijds op de bevordering van driehoekssamenwerking met een donor uit het noorden, een opkomend land en een ontwikkelingsland; wijst erop dat het concept van "doeltreffendheid van ontwikkeling" niet alleen nuttig is voor de beoordeling van de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) maar ook een mogelijkheid biedt tot verdieping van de dialoog met de BRICS-landen, gezien het feit dat dit concept de voorkeur heeft van de opkomende donoren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking;

    21. is verheugd over het speciale belang dat in de agenda voor verandering wordt toegekend aan de mensenrechten, de democratie en de rechtsstatelijkheid; dringt erop aan dat de EU extra inspanningen levert teneinde mensenrechten en democratie op een meer effectieve manier te integreren in ontwikkelingssamenwerking en te verzekeren dat EU-ontwikkelingsprogramma's ertoe bijdragen dat partnerlanden de verplichtingen op het gebied van mensenrechten nakomen;

    22. steunt de wens van de Commissie om begrotingssteun te verlenen aan een partnerland wanneer dit land zich ertoe verplicht om, in het kader van een politieke dialoog, zijn begrotingsprioriteiten opnieuw te richten op ontwikkelingsdoelstellingen in basale sociale sectoren; is van mening dat begrotingsondersteuning sterker moet worden gekoppeld aan de mensenrechtenomstandigheden en de bestuurlijke situatie in ontvangende landen; herhaalt zijn oproep voor meer gedetailleerde criteria op dit gebied bij de toekenning van begrotingsondersteuning;

    23. erkent het verband tussen veiligheid en ontwikkeling maar is er tevens van overtuigd dat het EU-budget voor ontwikkeling gescheiden moet blijven van de financiering van militaire veiligheidsgerelateerde kwesties, die een binnenlandse aangelegenheid zijn;

    24. verzoekt de Commissie het verband tussen ontwikkeling en migratie te verduidelijken; benadrukt dat ontwikkelingsbudgetten op dit gebied een geïntegreerd regionaal ontwikkelingsplan moeten ondersteunen voor de voornaamste immigratiegerelateerde kwesties, zoals het scheppen van werkgelegenheid, de aanleg van infrastructuur voor drinkwater, elektriciteit, gezondheidscentra, scholen, enz.;

    25. is van mening dat de nieuwe strategie inzake mensenrechten, die is gericht op economische, sociale en culturele rechten alsook op de rechten die zijn opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, van invloed moet zijn op de wijze van begrotingsondersteuning; spreekt zich op dit vlak uit voor een evenwichtige en positieve conditionaliteit -gebaseerd op een dynamische benadering, met aandacht voor het behoud van de verworvenheden die zijn verkregen na jaren partnerschap-,die gestalte krijgt in het kader van een partnerschap dat is verankerd in een politieke dialoog over het gebruik van de verschillende methoden van uitvoering van financiële steun van de EU;

    26. roept de Commissie, de Europese Raad en de lidstaten op om in het bijzonder aandacht te schenken aan de rechten van minderheden, en dringt erop aan dat absoluut geldende mensenrechten- en non-discriminatiebepalingen in ontwikkelingsprogramma's worden opgenomen, onder meer met betrekking tot discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd, seksuele geaardheid en discriminatie die mensen met hiv/aids treft;

    27. schaart zich achter de oproep van de Raad voor een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkeling, waarmee de EU met name het recht erkent op universele en non-discriminatoire toegang tot basisdiensten, deelname aan politieke en democratische processen, transparantie en verantwoordelijkheid, het recht en de rechtsstatelijkheid, met de nadruk op de arme en kwetsbare groepen;

    28. betreurt echter dat de mensenrechten in de mededelingen van de Commissie voornamelijk voorkomen als deel van een bredere conditionaliteit met betrekking tot goed bestuur die slechts van instrumentele waarde lijkt voor ontwikkeling; wijst erop dat een op mensenrechten gebaseerde benadering van ontwikkeling niet beperkt kan blijven tot conditionaliteit en dat een geïntegreerd begrip van mensenrechten nodig is, waarbij gelijke aandacht uitgaat naar civiele, culturele, economische, politieke en sociale rechten en waarbij onder ontwikkeling in de eerste plaats menselijke ontwikkeling wordt verstaan;

    29. herinnert in deze context aan het belang van de erkenning van het recht op ontwikkeling van deze partnerlanden door de EU en de verplichtingen voor de donateurlanden die uit dit recht voortvloeien;

    30. roept de Commissie op om, in lijn met het actieprogramma dat is aangenomen op de internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) in Cairo in 1994, door te gaan met de ondersteuning van een op mensenrechten gebaseerde benadering van de bevolkings- en ontwikkelingsagenda, met name door middel van de samenwerking met maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen zoals de UNFPA;

    31. moedigt de Raad aan een gevolg te geven aan het voorstel van de Commissie voor een goed ontworpen, effectieve, financiële transactiebelasting, die is ontworpen om inkomsten op te leveren teneinde de inclusieve prioriteiten ten aanzien van mondiale ontwikkeling te behalen;

    32. wijst de Commissie en de lidstaten er nadrukkelijk op dat ODA de ruggengraat moet blijven van het Europese ontwikkelingssamenwerkingsbeleid dat is gericht op het uitbannen van armoede; onderstreept daarom dat indien innovatieve bronnen voor ontwikkelingsfinanciering sterk worden toegejuicht, zij wel aanvullend moeten zijn, moeten worden gebruikt op basis van een benadering ten behoeve van de armen en in geen geval als vervanging van ODA kunnen dienen;

    33. is van mening dat het opleggen van voorwaarden voor het gebruik van de verschillende wijzen van uitbetaling van de officiële ontwikkelingshulp en begrotingssteun hand in hand moet gaan met gezonde uitvoerende instellingen en een democratische controle van de begrotingen door de parlementen, de rekenkamers, het maatschappelijk middenveld alsook door de regionale en lokale overheden in de ontvangende landen, en ook gepaard moet gaan met garanties van de EU met betrekking tot de continuïteit en voorspelbaarheid van de steun die de Unie verleent; is verheugd over het feit dat de Raad deze aanbevelingen in zijn conclusies heeft opgenomen; onderstreept de noodzaak om het systeem van "MDG-contracten" voort te zetten en op grote schaal toe te passen;

    34. is van mening dat de officiële publicatie van de ODA een incompleet beeld geeft van de op dit gebied werkelijk beschikbare middelen;

    35. benadrukt de noodzaak van het versterken van de politieke dialoog met name tussen de drie EU-instellingen teneinde de huidige consensusniveaus en betrokkenheid te versterken ten aanzien van de goedkeuring van "Europese consensus inzake ontwikkeling" in 2005, die het dogmatisch kader moet blijven voor de coherentie van het ontwikkelingsbeleid (PCD); is derhalve van mening dat de nieuwe agenda slechts een instrument kan zijn dat in overeenstemming is met de "consensus" en dat leidt tot een doeltreffender ontwikkelingsbeleid dat bijdraagt aan de overkoepelende doelstelling van de EU, namelijk de uitbanning van armoede -met name door inspanningen om de milleniumdoelstellingen voor ontwikkeling te behalen en door de rol die gezondheid en onderwijs spelen- tegen een achtergrond van duurzame ontwikkeling;

    36. wenst het consensuele karakter van alle EU-instellingen ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking zoals vastgelegd op 20 december 2005 te bewaren, en nodigt in deze geest ook de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid uit haar handtekening te zetten onder de Europese consensus inzake het ontwikkelingsbeleid, daar de Europese Dienst voor extern optreden waarvan zij het hoofd is grote verantwoordelijkheid draagt op het gebied van de programmering;

    37. is van mening dat de Unie de verantwoordelijkheid die zij als ‘s werelds grootste donor van ontwikkelingshulp heeft volledig op zich moet nemen en haar politieke potentieel beter moet gebruiken, terwijl zij tegelijkertijd haar leidende rol op internationaal niveau met betrekking tot ontwikkelingszaken verder ontwikkelt, met name door de verspreiding van de beginselen van goed bestuur en de opleiding van lokale actoren en door resoluut gebruik te maken van de bevoegdheden die uit hoofde van artikel 210 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan haar zijn verleend om alle dienstige initiatieven te nemen om de coördinatie van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU en de lidstaten te bevorderen en om hun hulpprogramma's te synchroniseren;

    38. betreurt dat de Commissie haar agenda voor verandering alleen aan de Raad ter goedkeuring heeft voorgelegd, ondanks het feit dat de democratische controle, zoals bedoeld in het Verdrag van Lissabon, volledig moet worden toegepast op het gebied van de tenuitvoerlegging van het ontwikkelingsbeleid; benadrukt dat, zodat zij operationeel kunnen worden, over alle wijzigingen in de geografische, thematische en sectoriële ontwikkelingsprioriteiten van de Unie, door het Parlement en de Raad overeenkomstig de medebeslissingsprocedure moet worden beslist in het kader van de financieringsinstrumenten voor ontwikkelingssamenwerking die onder de gewone wetgevingsprocedure vallen;

    39. is verheugd over de aandacht voor een nauwere coördinatie tussen lidstaten door middel van de ontwikkeling van gezamenlijke programmering, afzonderlijke EU-contracten voor begrotingssteun en gemeenschappelijke EU-kaders voor het meten en communiceren van resultaten en voor de mensenrechtenvoorwaarden;

    40. is van mening dat het handhaven van hoge financieringsniveaus voor ontwikkelingseducatie van essentieel belang is omdat het de nodige maatschappelijke bewustwording over ontwikkelingskwesties bevordert;

    41. is verheugd over de voornemen van de Commissie dat "de EU ernaar moet streven landen in kwetsbare situaties te helpen"; merkt niettemin op dat een bilaterale relatie hiervoor misschien niet volstaat gezien het nieuwe begrotingskader en het feit dat het landen in dergelijke situaties vaak ontbreekt aan een functionerende regering of een functionerend rechtssysteem; roept daarom de EU op tot samenwerking met derde landen in een bepaalde regio teneinde de ontwikkeling en het functioneren van instellingen, de rechtsstatelijkheid en rechtsstelsels van het partnerland te ondersteunen;

    42. verzoekt de Commissie de nodige hulpmiddelen te ontwikkelen om een strategische verbinding te garanderen tussen humanitaire hulp en ontwikkelingshulp in onstabiele situaties, crisissituaties en post-crisissituaties om de veerkracht van de betrokken landen en bevolkingen te vergroten;

    43. herinnert eraan dat wat betreft het voorstel van de elfde EOF elke nieuwe beleidsoriëntatie die volgt op de aanname van de agenda voor verandering in letter en geest verenigbaar moet zijn met de Overeenkomst van Cotonou;

    44. acht het noodzakelijk dat de nadruk wordt gelegd op de comparatieve voordelen van het EU-ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en nodigt ten aanzien hiervan de Commissie uit om met hulp van de OESO een methode vast te stellen waarmee de invloed kan worden bepaald van het eigen beleid en waarmee een vergelijking kan worden gemaakt met het beleid van andere actoren, in het bijzonder de zogenaamde opkomende economieën;

    45. wijst andermaal op de noodzaak van een gecoördineerde benadering door de 28 actoren die nu al verenigd zijn onder de Consensus en dringt aan op een gemeenschappelijke lezing van de situatie en een gemeenschappelijke kijk op de strategische vraagstukken; is van mening dat hiervoor een strategische denktank op EU-niveau onmisbaar kan zijn;

    46. verzoekt om de oprichting van een onafhankelijke, bestuurlijk aan de Commissie verbonden denktank met als doelstelling de ontwikkeling van analytische en raadgevende bekwaamheden voor alle Europese actoren op het gebied van samenwerking teneinde de toegevoegde waarde van een goed gecoördineerd en consequent beleid te waarborgen ;

    47. ondersteunt de Commissie in haar streven de door de EU geleide activiteiten in elk partnerland te richten op een beperkt aantal prioritaire sectoren, maar herinnert eraan dat deze prioriteiten, om de beste resultaten te behalen, moeten worden vastgesteld in het partnerschapskader en dat het "ownership" en de prioriteiten van de partner volledig moeten worden gerespecteerd;

    48. steunt de herinnering van de Raad dat "het Verdrag ertoe noopt rekening te houden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking in het beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelinglanden, en deze doelstellingen na te streven in het algemeen kader van het externe optreden van de Unie";

    49. onderstreept het belang van het bevorderen en beschermen van goed bestuur; verzoekt de Commissie in dit opzicht om scholingsprogramma's voor juridische professionals en programma's voor wetgevingsmodernisering, met name op het vlak van landgebruik, te ondersteunen;

    50. is van mening dat duurzame ontwikkeling een effectieve binnenlandse belastinginning met zich meebrengt, evenals automatische openbaarmaking van de winst en belastingafdracht van transnationale ondernemingen in het ontwikkelingsland waar zij actief zijn en het bestrijden van misbruik van belastingparadijzen, belastingontduiking en illegale kapitaalvlucht; is in dit opzicht verheugd over de ontwerpwetgeving van de EU inzake de rapportage per land en per project, die moet worden opgenomen in het beleid ten aanzien van de EU-agenda voor verandering;

    51. is van mening dat de EU-Hulp voor Handel en handelsbevorderingsinstrumenten, die momenteel alleen gericht zijn op de exportsectors, moeten worden veranderd om de handel op lokale en regionale markten te vergemakkelijken;

    52. herinnert eraan dat een actief maatschappelijk middenveld, zowel in de noordelijke als in de zuidelijke landen, de beste garantie is voor een goed democratisch bestuur, de bescherming van kwetsbare groepen (met name gehandicapten en minderheden), de verantwoordelijkheid van de particuliere sector, alsmede voor een verbeterd vermogen om de voordelen van de economische groei te verdelen;

    53. betreurt dat de Commissie de genderdimensie van armoede niet afdoende benadrukt; is van mening dat de EU moet investeren in de specifieke behoeften van vrouwen en sociale beschermingspakketten moet ontwikkelen die een antwoord bieden op de uitdagingen waarmee vrouwen worden geconfronteerd; benadrukt dat gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen (GEWE) essentieel zijn voor het behalen van internationale ontwikkelingsdoelstellingen; benadrukt het feit dat de versterking van de economische en politieke rol van vrouwen niet alleen een drijvende kracht is achter gendergelijkheid, maar ook van fundamenteel belang is voor het bereiken van algehele economische groei in ontwikkelingslanden en het terugbrengen van de armoede; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat gendergelijkheid en de versterking van de rol van vrouwen in het gehele ontwikkelingsbeleid en in alle ontwikkelingsprogramma's van de EU worden opgenomen middels het genderactieplan 2010;

    54. wenst dat de agenda voor verandering de belangrijke en onafhankelijke rol van regionale en lokale autoriteiten en het maatschappelijk specificeert, niet alleen bij de uitvoering van ontwikkelingsprogramma's en -projecten, maar ook als sleutelactoren in het ontwikkelingsproces van empirisch onderbouwd ontwikkelingsbeleid; benadrukt het belang van het verbeteren van de samenwerking met deze actoren en roept op tot een regelmatige dialoog en raadplegingen van hen bij de beleidsvorming; benadrukt in dit opzicht het belang van de opzet van een dialoog tussen de EU en maatschappelijke organisaties en regionale en lokale autoriteiten;

    55. roept op tot een grotere bewustwording in de nieuwe lidstaten van het belang van ontwikkelingshulp;

    56. hoopt dat ontwikkelingssamenwerking een belangrijker thema zal worden in de loop van 2015, een cruciaal jaar waarin een diepgaande reflectie nodig zal zijn, met name ten aanzien van het vervolg op de MDG; wenst dat de Commissie 2015 doopt tot "Europees jaar van de ontwikkeling";

    57. wijst erop dat een beter begrip van de impact van niet-ontwikkelingsbeleid op ontwikkeling belangrijk is voor de totstandbrenging en controle van een effectief ontwikkelingskader; acht het daarom van essentieel belang dat de agenda voor verandering een empirisch onderbouwde beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) bevordert;

    58. verlangt dat alle steun aan de particuliere sector in de vorm van ODA binnen het kader van nationale plannen en/of strategieën van de partnerlanden valt, en dat de toegekende bedragen worden gericht op de ontwikkeling van menselijk kapitaal, fatsoenlijk werk, duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en de ontwikkeling van kwalitatief goede inclusieve openbare diensten ten behoeve van de bevolking; pleit voor waarborgen om te verzekeren dat particuliere ondernemingen de mensenrechten respecteren, fatsoenlijke banen aanbieden en hun belasting betalen in de landen waar zij actief zijn;

    59. is verheugd over de voorstellen uit de agenda voor verandering betreffende de doeltreffendheid van steun met het oog op de verbetering van de levenskwaliteit, het verminderen van armoede in ontvangende landen en de verwezenlijking van de MDG en dringt in dit opzicht aan op meer resolute actie van de EU; benadrukt het belang van een vlotte tenuitvoerlegging van het partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking; is van mening dat een succesvolle verschuiving van het concept van doeltreffende steun naar dat van samenwerking voor doeltreffende ontwikkeling om sterke betrokkenheid van de EU en haar internationale partners vraagt; hoopt op een snelle internationale consensus over de werkafspraken voor het mondiale partnerschap;

    60. is van mening dat bepaalde nieuwe uitdagingen, met name klimaatverandering en de universele toegang tot energie, onvoldoende worden gedekt door de steunsectoren in het voorstel van de Commissie;

    61. herhaalt zijn eis dat de taken en verplichtingen van buitenlandse investeerders die in ontwikkelingslanden actief zijn om de mensenrechten, milieunormen en de fundamentele IAO-arbeidsnormen te respecteren, worden opgenomen in de agenda voor verandering; is van mening dat bedrijven uit de EU in hun thuislanden wettelijk aansprakelijk moeten zijn voor de schending van deze taken en verplichtingen door hun dochterondernemingen in het buitenland en de entiteiten waarover zij controle hebben;

    62. doet een beroep op de EU om het recht van ontwikkelingslanden om investeringen te reguleren te erkennen, de voorkeur te geven aan investeerders die de ontwikkelingsstrategie van het partnerland steunen en een preferentiële behandeling te geven aan binnenlandse en regionale investeerders teneinde de regionale integratie te bevorderen;

    63. betreurt het dat de kwestie van het pachten van land in ontwikkelingslanden, dat een bedreiging vormt voor de lokale voedselzekerheid, niet in de agenda voor verandering aan de orde is gesteld; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het huidige fenomeen van verwerving van landbouwgrond door door de overheid gesteunde buitenlandse investeerders, onder meer uit de EU, dat het risico van ondermijning van het EU-beleid voor armoedebestrijding met zich meebrengt;

    64. benadrukt de noodzaak om rekening te houden met de sectoroverschrijdende dimensie van cultuur en het belang van het opnemen hiervan in het externe beleid van de EU in het algemeen, en in het ontwikkelingsbeleid in het bijzonder;

    65. is van mening dat de Commissie het monopolie moet behouden over de programmering op het gebied van het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid;

    66. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EDEO en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

    • [1]  3166e zitting van de Raad Buitenlandse Zaken, Brussel, 14 mei 2012
    • [2]  3166e zitting van de Raad Buitenlandse Zaken, Brussel, 14 mei 2012
    • [3]  3166e zitting van de Raad Buitenlandse Zaken, Brussel, 14 mei 2012
    • [4]  PB L 46 van 24.2.2006, blz. 1.
    • [5]  http://www.oecd.org/dataoecd/11/41/34428351.pdf
    • [6]  http://www.oecd.org/dataoecd/11/41/34428351.pdf
    • [7]  Slotverklaring van het vierde forum op hoog niveau inzake de doeltreffendheid van steun, Busan, Zuid-Korea, 29 november – 1 december 2011.
    • [8]  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0210.
    • [9]  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0261.
    • [10]  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0320.
    • [11]  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0410.
    • [12]  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0460.
    • [13]  http://www.oecd.org/dataoecd/61/46/50155818.pdf
    • [14]  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0317.
    • [15]  Document CIVEX-V-025, aangenomen na de 94e zitting, 15 en 16 februari 2012.

    TOELICHTING

    Het ontwikkelingsbeleid en de dynamiek van de veranderingen

    Sinds de goedkeuring van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in 2000 zijn de veranderingen, die in die tijd al zichtbaar waren, alleen maar groter geworden.

    Op het economische vlak leidt de indrukwekkende vlucht die China, India en Brazilië hebben genomen, tot een verplaatsing van het economische zwaartepunt van landen met een volgroeide economie naar de opkomende landen. Ondanks de indrukwekkende economische groei van deze landen, hebben zij armoede nog niet onder controle. De globalisering, die gestimuleerd wordt door een meer geliberaliseerde wereldhandel en die een indrukwekkende bron van schepping van rijkdom is geworden, leidt namelijk tot een ander zeer eigenaardig verschijnsel:aan de ene kant zorgt globalisering ervoor dat de verschillen tussen de landen kleiner worden, aan de andere kant worden deze binnen de landen zelf juist vergroot; iets wat voor vrijwel alle, al dan niet geïndustrialiseerde, landen geldt.

    Op het demografische vlak zal, als men de groeicurven verlengt, de bevolking van onze planeet – die in minder dan 10 jaar al van 6 naar 7 miljard is gegaan – in 2030 de 9 miljard overschrijden, ondanks de tendens tot een demografische inkrimping in de miljardenlanden. Door deze bevolkingsgroei wordt in deze landen een groot deel van de economische groei geneutraliseerd.

    Hoewel de grenzen uiteraard meer openstaan voor de import van producten, lijken ze voor mensen uit ontwikkelingslanden die naar geïndustrialiseerde landen willen reizen, onoverkoombaar te worden.

    Op het Afrikaanse continent kan er over het geheel genomen een echte wil tot verandering vastgesteld worden. Voorbeelden daarvan zijn de grote institutionele platforms, die door de Afrikaanse Unie zowel op continentaal als op regionaal vlak zijn ingesteld. Intra-Afrikaanse samenwerkingsverbanden, die voor een groot gedeelte geïnspireerd zijn door de Europese integratie, hebben tot doel om oplossingen te vinden voor regionale problemen op het gebied van veiligheid, economie en politiek. Steeds meer Afrikaanse landen bezuiden de Sahara houden vrije verkiezingen en aanvaarden het principe van wisseling van de macht. Terwijl de instabiliteit van de basisvoedselprijzen voor hele samenlevingen een destabiliserende factor wordt, is er op het vlak van de toegang tot de gezondheidszorg een reële vooruitgang geboekt. Desalniettemin blijft de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor 2015 nog onrealistisch.

    De mededeling van de Commissie

    In zijn toespraak over 'een agenda voor verandering' kondigde commissaris Piebalgs op het gebied van de Europese benadering van ontwikkelingssamenwerking grote veranderingen aan, echter zonder afstand te doen van de praktijken, de benaderingen en de beginselen die in het verleden hun nut hebben bewezen. Het valt in het bijzonder te prijzen dat de Commissie achter de basisprincipes van de Europese consensus voor ontwikkeling blijft staan.

    Met de 'agenda voor verandering' wil de Commissie de bijzondere nadruk leggen op de kwaliteit van de steun. Bovendien is de Commissie van mening dat er bij de keuze van partnerlanden een strengere selectie moet plaatsvinden. Dat zou ertoe leiden dat opkomende landen uiteindelijk van de lijst van begunstigden van officiële ontwikkelingshulp (ODA) zouden verdwijnen, gezien het feit dat hun probleem niet meer de schepping van rijkdom is, maar veeleer de verdeling ervan.

    Met de 'agenda voor verandering' beoogt de EU naast de belangrijkste, ook de beste donor te worden. Daarom wijst commissaris Piebalgs drie gebieden aan waarin de EU moet uitmunten: bestuur, de 'duurzame en inclusieve economische ontwikkeling' en de ontwikkeling van sociale zekerheidssystemen in ontwikkelingslanden. Tot slot wil de Commissie een voorstel doen voor een meer gemeenschappelijke programmering aan andere donors.

    Voorstellen

    Met de goedkeuring van het verslag 'over het trefzekerder maken van het EU-ontwikkelingsbeleid' van Filip Kaczmarek heeft het Europees Parlement zich al over tal van aspecten van de toekomstige samenwerking tussen de EU en ontwikkelingslanden heel gedetailleerd uitgesproken.

    Het doel van dit verslag is om het debat opnieuw te richten op enkele prioritaire aspecten die noodzakelijk zijn om het EU-ontwikkelingsbeleid te laten slagen.

    1) Betrouwbare cijfers: een verzoek om eerlijkheid

    De middelen die aan de bestrijding van armoede worden toegekend, komen in aanmerking voor de ODA. Uitgaven die voor andere doeleinden worden gemaakt, zouden er daarentegen niet voor in aanmerking mogen komen.

    Dit betekent dat een nog uitstaande lening aan een ontwikkelingsland die door het donorland ingetrokken wordt, alleen maar in de ODA opgenomen zou moeten worden als een achteraf uitgevoerde evaluatie kan bevestigen dat de bewuste lening is ingezet ter bestrijding van armoede. In de huidige praktijk worden de statistieken met betrekking tot de ODA echter kunstmatig aangedikt, waardoor een donorland zijn daadwerkelijke financieringsvermogen voor ontwikkelingszaken onjuist beoordeelt.

    2) Inclusieve groei: ja, maar ...

    Hetzelfde verzoek om eerlijkheid brengt ons er ook toe het punt van de financiële stimulansen voor de steun aan de inclusieve groei aan te snijden. De 'agenda voor verandering' dringt terecht aan op de rol van de economische groei in ontwikkelingslanden als potentiële drijvende kracht achter sociale vooruitgang. Sommigen vrezen echter dat het waarschijnlijk is dat de middelen die voor de inclusieve groei zijn gereserveerd, indien nodig voor andere doeleinden dan de bestrijding van armoede zullen worden gebruikt. Vanwege dat risico lijkt het verstandig om voor waarborgen te zorgen. In de eerste plaats zou elk project dat veel middelen reserveert voor de inclusieve groei moeten worden beoordeeld, zodat we op de hoogte worden gesteld van wat het werkelijke effect ervan in termen van de bestrijding van armoede. De meeste van de armste burgers van ontwikkelingslanden zijn ervan afhankelijk om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De inclusieve groei mag dus geen hindernis voor de informele economie worden.

    3) De EU: haar comparatieve voordelen

    Er moet ook bijzondere aandacht uitgaan naar de nieuwe spelers op de markt – met name China en India – waar het gaat om het effect dat zij hebben op de situatie van de arme mensen in de landen in het Zuiden. Daar het ontwikkelingsbeleid van de EU en de lidstaten nu al is onderworpen aan talrijke controles en evaluaties, zullen we eindelijk in staat zijn om de comparatieve voordelen van de verschillende partners op waarde te schatten, ingeval het handelen van opkomende landen ook aan een kritisch onderzoek wordt onderworpen.

    4) Bespiegeling over de nataliteit

    Een ander probleem houdt verband met de zeer hoge geboortecijfers in ontwikkelingslanden. Niger, dat een jaarlijkse bevolkingsgroei kent van 3,3%, heeft een zeer hoog economisch groeipercentage nodig, aangezien het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking slechts hoger kan worden wanneer de economische groei hoger is dan dit percentage. Geboortebeperking blijft echter een delicaat onderwerp. De middelen voor gezinsplanning moeten waar nodig gepaard gaan met een bepaald aantal voorzorgsmaatregelen dat de menselijke waardigheid en de individuele rechten van elke burger eerbiedigt. Bij de aanpak van de bevolkingsgroeiproblematiek moeten, met gepaste omzichtigheid, oplossingen worden gezocht in een dialoog met actoren die zich in het verleden vanwege hun ervaring, knowhow en tact hebben bewezen, zoals bijvoorbeeld het geval is voor het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA).

    5) Voor een onafhankelijke strategische reflectie

    Om al deze redenen draagt de EU, als leider op dit gebied, een bijzondere verantwoordelijkheid binnen de internationale donorgemeenschap. De EU moet met haar methoden haar stempel drukken op de algehele internationale samenwerking met ontwikkelingslanden. Daar zij van alle ontwikkelingsactoren niet alleen de belangrijkste, maar ook de beste wil zijn, moet de EU ook de middelen kiezen die bij die ambities passen. Daarom moet de EU zich uitrusten met de beste adviezen op het gebied van de benadering ter plaatse en de capaciteit voor een strategische reflectie ontwikkelen. In het kort is uw rapporteur van mening dat er niet kan worden afgezien van de oprichting van een onafhankelijke denktank die voor alle actoren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking werkt, maar die – alleen administratief – verantwoording verschuldigd is aan de Commissie. Deze denktank zou als missie hebben om een toegevoegde waarde te bieden voor alle relevante organisaties in de lidstaten van de EU. Er zij op gewezen dat de missie van een dergelijke denktank erin zou bestaan om voortdurend de analyse- en adviesvermogens van de ontwikkelingsactoren te ontwikkelen, zodat daaruit de toegevoegde waarde kan worden gegenereerd met behulp van een goed gecoördineerd beleid op EU-niveau.

    6) Een institutioneel systeem dat voor verbetering vatbaar is

    Elke aanpassing heeft tijd nodig en vereist een nieuw politiek evenwicht, dat echter nog lang niet is bereikt. De eisen van coherentie, efficiëntie en duurzaamheid van de samenwerking vragen van elke actor - de Commissie en evengoed de lidstaten - een grote inzet, een vooruitziende blik en geschikte werkmethoden. Een van de twee wetgevende machten van de EU, namelijk de Raad, die de lidstaten vertegenwoordigt, is ook verantwoordelijk voor het nastreven van complementariteit van het nationale beleid met de Commissie. Hoewel meer dan 80% van de tenuitvoerlegging van de ODA van de EU nog steeds onder de directe verantwoordelijkheid van de lidstaten valt, blijft het onzeker of een goede coördinatie van inspanningen, waaronder die van de Commissie, mogelijk is, aangezien een grotere betrokkenheid van de lidstaten bij het Europese ontwikkelingsbeleid ontbreekt.

    In 2005 hebben de Commissie, het Parlement en de Raad de hoofdlijnen van het EU-ontwikkelingsbeleid in het kader van de Europese consensus voor ontwikkeling volledig bepaald. Alles wat de kloof tussen de Europese ontwikkelingssamenwerking en deze vastgestelde beginselen neigt te vergroten, dient met behoedzaamheid te worden bekeken. Het vermogen van de EU om de situatie te analyseren en voorstellen ten dienste van dit beleid te doen, wordt bij voortduring uitgedaagd door pogingen om de ontwikkelingsactiviteit van de EU af te leiden van hun hoofddoelstelling, namelijk de bestrijding van armoede. Het centrum van de EU-ontwikkeling - de Commissie, de Raad en het Europees Parlement - moet in staat zijn om deze pogingen te verijdelen, in het bijzonder na de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO).

    Door sommigen vergeleken met integratie en door anderen met supervisie: de verdwijning van de ontwikkelingsdiensten van de Commissie in de Europese dienst voor extern optreden – die volgens mevrouw Ashton nog steeds in de maak is– is geen onbelangrijke zaak. Uw rapporteur acht het noodzakelijk om alert te blijven, zo lang de andere afdelingen van het buitenlands beleid van de EU begerige blikken in deze richting werpen. In een vrije openhartige en open dialoog moet onder andere het Europees Parlement in staat zijn om elk risico op het afdrijven van de zaak, in een vroeg stadium aan het licht te brengen. In het huidige tempo van een ontmoeting per jaar van de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement met de hoge vertegenwoordiger voor het buitenlands beleid van de EU, zit men er ver naast. Hoewel er geen redenen zijn om de eerlijkheid van de vertegenwoordigers van de EDEO, die actief aan alle vergaderingen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking deelnemen, in twijfel te trekken, wordt de werkelijke politieke dimensie van de dialoog tussen deze dienst en het Europees Parlement slechts verleend door de aanwezigheid van de Hoge Vertegenwoordiger die niet echt in excessieve mate druk uitoefent.

    Wat de vergaderingen van de Raad betreft, onderscheidt de aanwezigheid van drie of vier ministers met ontwikkelingssamenwerking in hun portefeuille die nog de moeite doen om naar de genoemde vergaderingen in Brussel te gaan, die in theorie niet langer dan drie uur duren, deze vergaderingen van die van het Comité van permanente vertegenwoordigers (COREPER). Met gemiddeld meer dan twintig gevallen van ministeriële afwezigheid tijdens de vergaderingen van de Raad, grenst dit aan een complete afwezigheid van politiek engagement.

    Het heeft geen zin om deze structurele zwaktes in het besluitvormingsproces van het EU-ontwikkelingsbeleid te verbloemen, maar het is wel belangrijk om er een oplossing voor te vinden, teneinde Europa in staat te stellen om te handelen, in overeenstemming met zijn ambitie om de belangrijkste donor ter wereld ook de beste te laten worden.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    10.7.2012

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    19

    3

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Thijs Berman, Michael Cashman, Ricardo Cortés Lastra, Véronique De Keyser, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Eva Joly, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Bill Newton Dunn, Maurice Ponga, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Eleni Theocharous, Patrice Tirolien, Ivo Vajgl, Anna Záborská, Iva Zanicchi

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Eric Andrieu, Judith Sargentini

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Jean-Paul Besset, Ioan Enciu