Procedure : 2012/2035(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0235/2012

Ingediende teksten :

A7-0235/2012

Debatten :

PV 10/09/2012 - 26
CRE 10/09/2012 - 26

Stemmingen :

PV 11/09/2012 - 10.18
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0321

VERSLAG     
PDF 171kWORD 122k
6.7.2012
PE 487.914v02-00 A7-0235/2012

over de rol van vrouwen in de groene economie

(2012/2035(INI))

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteur voor advies: Mikael Gustafsson

PR_INI_art121

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de rol van vrouwen in de groene economie

(2012/2035(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 juni 2011 getiteld "Rio+20: naar een groene economie en betere governance" (COM(2011)0363),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 11 februari 2011 getiteld "Vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen - Jaarverslag 2010" (SEC(2010)0193),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met als titel "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–   gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5, Peking +10 en Peking +15 respectievelijk op 9 juni 2000,11 maart 2005 en 2 maart 2010 werden aangenomen,

–   gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–   gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid met als titel "Review of the Implementation in the EU of area K of the Beijing Platform for Action: Women and the Environment Gender Equality and Climate Change" ("Evaluatie van de uitvoering in de EU van gebied K van het actieprogramma van Peking: vrouwen en het milieu. Gendergelijkheid en klimaatverandering."),

–   gezien de gezamenlijke publicatie van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD) en het Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor de Minst Ontwikkelde Landen (UN-OHRLLS) van het rapport "Why a Green Economy Matters for the Least Developed Countries"(1), opgesteld voor de vierde Conferentie van de Verenigde Naties over de minst ontwikkelde landen (LDV-IV) in mei 2011,

–   gezien het UNEP-rapport van september 2008 getiteld "Green Jobs: Towards Decent Work in a Sustainable, Low-Carbon World"(2),

–   gezien het UN Women-rapport van 1 november 2011 met als titel "The Centrality of Gender Equality and the Empowerment of Women for Sustainable Development"(3), dat werd opgesteld ter voorbereiding van het slotdocument van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling (Rio+20), die in 2012 zal worden gehouden,

–   gezien de samenvattende standpuntenverklaring (Position Statement Summary) van de Women's Major Group Rio+20 van 1 november 2011(4),

–   gezien het standpuntendocument van de Women's Major Group van maart 2011 ter voorbereiding van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling in 2012 met als titel "A Gender Perspective on the "Green Economy"(5),

–   gezien de publicatie van het officiële regeringsrapport (Stockholm, Zweden) van 2005 met als titel "Bilen, Biffen, Bostaden: Hållbara laster – smartare konsumtion"(6),

–   gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over handel en klimaatverandering(7),

–   gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over vrouwen in politieke besluitvorming – kwaliteit en gelijkheid(8),

–   gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011(9),

–   gezien zijn resolutie van 29 september 2011 over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-standpunt voorafgaande aan de Conferentie van de Verenigde naties over duurzame ontwikkeling (Rio+20)(10),

–   gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(11),

–   gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over de genderaspecten van de economische neergang en de financiële crisis(12),

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0235/2012),

A. overwegende dat een groene economie wordt gedefinieerd als een duurzame economie, hetgeen sociale en ecologische duurzaamheid betekent; overwegende dat sociale duurzaamheid een maatschappelijke orde omvat die doordrongen is van gendergelijkheid en sociale rechtvaardigheid ongeacht geslacht, etniciteit, huidskleur, godsdienst, seksuele geaardheid, handicap of politieke overtuiging;

B.  overwegende dat klimaatveranderingen en het verlies van biodiversiteit de levensomstandigheden, welvaart en het welbevinden van vrouwen en mannen bedreigen; overwegende dat de bescherming van ons ecosysteem daarom een pijler is van een groene economie; overwegende dat de huidige generatie de verantwoordelijkheid om de hedendaagse milieuproblemen op te lossen niet kan overlaten aan volgende generaties; overwegende dat ecologische duurzaamheid onder meer het gebruik, het behoud en de verbetering van hulpbronnen van de gemeenschap behelst zodat ecologische processen waarvan het leven afhankelijk is, behouden blijven en de algehele levenskwaliteit nu en in de toekomst kan worden verbeterd;

C. overwegende dat vrouwen vanwege rollenpatronen het milieu op een andere manier beïnvloeden dan mannen, en dat de toegang van vrouwen tot hulpbronnen en hun mogelijkheden om met de omstandigheden om te gaan en zich aan te passen in veel landen ingeperkt worden als gevolg van structurele normen en discriminatie;

D. overwegende dat milieubeleid rechtstreeks van invloed is op de gezondheid en de sociaaleconomische positie van personen, en overwegende dat genderongelijkheid, in combinatie met een gebrek aan besef van de andere sociaaleconomische positie en behoeften van vrouwen, tot gevolg heeft dat vrouwen verhoudingsgewijs vaak meer last hebben van de aantasting van het milieu en inadequaat beleid op dit gebied;

E.  overwegende dat in sommige lidstaten de rol van de vrouw in de groene economie ondergewaardeerd blijft en wordt genegeerd, hetgeen leidt tot meerdere vormen van discriminatie in de zin van gemiste voordelen zoals sociale bescherming, zorgverzekering, passende salariëring en pensioenrechten;

F.  overwegende dat het de meest behoeftige mensen zijn, van wie naar schatting 70% vrouw is, die het hardst worden getroffen door de klimaatverandering en de verstoring van het ecosysteem;

G. overwegende dat de overgang naar een groene en duurzame economie noodzakelijk is om de effecten op het milieu te verminderen, sociale rechtvaardigheid te vergroten en een samenleving te creëren waarin vrouwen en mannen gelijke rechten en kansen hebben;

H. overwegende dat de overgang naar een groene economie voor vrouwen vaak gepaard gaat met specifieke moeilijkheden die verband houden met de integratie van vrouwen op de groene arbeidsmarkt, aangezien zij vaak geen passende technische opleiding hebben die noodzakelijk is om specialistische functies in de groene economie te kunnen vervullen;

I.   overwegende dat vrouwen duidelijk ondervertegenwoordigd zijn in milieuonderhandelingen en begrotingsdebatten, evenals bij de besluitvorming met betrekking tot de totstandbrenging van een groene economie;

J.   overwegende dat consumptie- en levenspatronen een substantieel effect op het milieu en het klimaat hebben; overwegende dat de consumptiepatronen van de rijke landen in de wereld, bijvoorbeeld op het gebied van levensmiddelen en vervoer, op termijn niet-duurzaam zijn, in het bijzonder gezien het feit dat alle vrouwen en mannen op aarde recht hebben op een goed leven met een fatsoenlijk welvaartsniveau;

K. overwegende dat er over het algemeen verschillen bestaan tussen de consumptiepatronen van vrouwen en mannen; overwegende dat vrouwen minder consumeren in vergelijking met mannen, ongeacht de sociaaleconomische status, maar ook in grotere mate bereid lijken te zijn om het milieu te beschermen door middel van consumptiekeuzen zoals minder vlees eten, minder autorijden en energie-efficiënter gedrag;

L.  overwegende dat vrouwen, als gevolg van de huidige op gender gebaseerde machtsstructuur, niet dezelfde macht over en toegang tot vervoerssystemen hebben als mannen; overwegende dat het, om de vervoersmogelijkheden van vrouwen te verbeteren, noodzakelijk is om efficiëntere openbaarvervoersmiddelen, meer wandel- en fietspaden en kortere afstanden naar dienstverlening te creëren, en om de kennis en innovatie met betrekking tot milieuvriendelijke vervoersmiddelen te ontwikkelen en te verbeteren;

M. overwegende dat vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van milieurisico's en klimaatverandering vanwege hun slechtere sociaaleconomische positie ten opzichte van mannen, hun traditioneel onevenredig grote aandeel in de huishoudelijke verantwoordelijkheden en het gevaar dat zij lopen om te worden blootgesteld aan geweld in conflictsituaties, die ontstaan of worden versterkt door de schaarste van natuurlijke hulpbronnen;

N. overwegende dat vrouwen ten volle moeten deelnemen aan de formulering van beleid, de besluitvorming en de tenuitvoerlegging van een groene economie; overwegende dat de participatie van vrouwen heeft geleid tot een betere reactie op noodsituaties, een betere biodiversiteit, een grotere voedselveiligheid, minder woestijnvorming en een betere bescherming van bossen;

O. overwegende dat er een gebrek is aan uitgebreide en vergelijkbare gegevens over het effect van een groene economie op de arbeidsmarkt;

Algemene beschouwingen

1.  benadrukt de noodzaak om de samenleving om te vormen tot een groene economie waarin milieubewustzijn hand in hand gaat met sociale duurzaamheid, dat wil zeggen een grotere mate van zowel gelijkheid als sociale rechtvaardigheid;

2.  wijst erop dat specifieke en belangrijke onderdelen van de groene economie gevolgen hebben voor het ecosysteem, de consumptie, voedsel, groei, vervoer, energie en de welzijnssector;

3.  betreurt dat de mededeling van de Commissie aan de instellingen van de EU getiteld "Rio+ 20: naar een groene economie en betere governance" geen genderperspectief bevat;

4.  roept de Commissie en de lidstaten op om leeftijds- en op basis van gender uitgesplitste gegevens te verzamelen wanneer programma's en begrotingsprojecten op het gebied van milieu en klimaat worden gepland, uitgevoerd en geëvalueerd, aangezien er zonder statistieken slechts beperkte mogelijkheden zijn om relevante maatregelen ter verbetering van de gelijkheid door te voeren;

5.  betreurt dat genderkwesties en -perspectieven niet goed worden geïntegreerd in het beleid en de programma's voor duurzame ontwikkeling; brengt in herinnering dat het ontbreken van genderperspectieven in het milieubeleid de genderongelijkheid doet toenemen en roept de Commissie en de lidstaten op om mechanismen in te stellen voor gendermainstreaming in het milieubeleid op internationaal, nationaal en regionaal niveau;

6.  dringt er bij de Commissie op aan om onderzoek te initiëren naar gender en de groene economie, alsmede naar de bijdrage van vrouwen aan de ontwikkeling van groene innovaties, diensten en producten;

7.  roept de Commissie en de lidstaten op om specifieke onderzoeken en studies te ondersteunen en te bevorderen met betrekking tot de vraag hoe de overgang naar een groene economie vrouwen en mannen in verschillende sectoren zal beïnvloeden, en met betrekking tot de essentiële rol van de vrouw bij de totstandbrenging van deze overgang; verzoekt de Commissie en de lidstaten om een genderperspectief op te nemen in milieubeschermings- en milieueffectbeoordelingen;

8.  erkent dat er dringend behoefte bestaat aan een internationale overeenkomst inzake een gemeenschappelijke definitie van de groene economie, gebaseerd op de pijlers van zowel maatschappelijke als ecologische duurzaamheid; benadrukt de belangrijke rol die is weggelegd voor het maatschappelijk middenveld - met name sociale bewegingen, milieuorganisaties en vrouwenrechtenorganisaties - bij de definiëring van het oogmerk en de doelstellingen van de groene economie;

9.  roept de Commissie op om systematisch een perspectief van gendergelijkheid op te nemen in de definiëring en de tenuitvoerlegging van en het toezicht op milieubeleid op alle niveaus, met inbegrip van lokale en regionale ontwikkeling, alsook in onderzoeksactiviteiten; dringt er bij de Commissie op aan de bevordering van gendermainstreaming te gebruiken en te ondersteunen als instrument voor goed bestuur;

10. dringt er bij de Commissie op aan om gendergelijkheid als een belangrijke kwestie te bevorderen bij de ontwikkeling van en de onderhandelingen over toekomstige regelgeving en programma's voor de Europese structuurfondsen (Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling), en bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid, in het bijzonder in het kader van maatregelen die verband houden met de overgang naar een groene economie;

11. merkt op dat hernieuwbare energiebronnen kunnen worden gebruikt in afgelegen en geïsoleerde gebieden waar geen elektriciteit voor handen is, en dat zij bijdragen aan het produceren van niet vervuilende energie; moedigt de lidstaten derhalve aan faciliteiten te ontwikkelen om hernieuwbare en milieuvriendelijke energie te benutten met behulp van het EFRO en het ESF;dringt bovendien aan op meer innovatie en op een grotere deelname van vrouwen en mannen aan de ontwikkeling van, bijvoorbeeld, hernieuwbare en milieuvriendelijke energie en architectuur;

12. verzoekt de Commissie om via haar voorlichtingscampagnes het bewustzijn te vergroten omtrent het belang van de overgang naar een groene economie en de positieve effecten van gendergevoelig milieubeleid;

Duurzame consumptie

13. roept de Commissie en de lidstaten op om doelstellingen inzake gendergelijkheid op te nemen in alle aan het milieu gerelateerde beleidsterreinen en op alle niveaus van de economische besluitvorming, waarbij deze doelstellingen moeten worden gedefinieerd in overleg met het maatschappelijk middenveld;

14. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om een nieuwe, maatschappelijke en klimaatvriendelijke indicator voor groei toe te passen, waarin niet-economische aspecten met betrekking tot welzijn worden opgenomen en waarin het accent voornamelijk ligt op kwesties die verband houden met duurzame ontwikkeling, zoals gendergelijkheid, armoedebestrijding en een lagere uitstoot van broeikasgassen;

15. wijst erop dat maatregelen om te beantwoorden aan de legitieme eisen van mensen op het gebied van huisvesting, voedsel, voorzieningen, energie en banen, altijd op dusdanige wijze moeten worden uitgevoerd dat ecosystemen behouden blijven en de klimaatverandering beperkt blijft, terwijl de hulpbronnen van de aarde moeten worden gebruikt op een manier die in overeenstemming is met mensenrechten en die resulteert in grotere gelijkheid en in een verdeling die is gebaseerd op de beginselen van gelijkheid op het gebied van milieu;

16. benadrukt dat goede levensomstandigheden voor kinderen en kleinkinderen moeten worden gewaarborgd en dat economische ontwikkeling moet beantwoorden aan de huidige behoeften zonder dat toekomstige generaties worden benadeeld;

17. onderstreept dat het bbp een meeteenheid voor productie is en niet voor ecologische duurzaamheid, het efficiënt gebruik van hulpbronnen, sociale integratie of sociale ontwikkeling in het algemeen; dringt aan op de ontwikkeling van duidelijke en meetbare indicatoren die rekening houden met klimaatverandering, biodiversiteit, hulpbronnenefficiëntie en sociale rechtvaardigheid;

18. roept de lidstaten op om fiscale maatregelen te treffen die de weg vrijmaken voor een groene economie, deels door een prijs te zetten op milieueffecten en deels door middelen te investeren ter stimulering van groene innovaties en duurzame infrastructuursystemen;

19. is van mening dat publieke middelen van de EU in veel grotere mate moeten worden gebruikt voor duurzame collectieve doeleinden;

20. dringt aan op de invoering van voorwaarden zodat EU-subsidies alleen worden toegekend voor activiteiten die bevorderlijk zijn voor het milieu en de sociale duurzaamheid;

Duurzaam vervoer

21. roept de Commissie en de lidstaten op om duurzame vervoerssystemen tot stand te brengen die in gelijke mate rekening houden met de vervoersbehoeften van vrouwen en mannen en die tegelijkertijd een gering effect op het milieu hebben;

22. verzoekt de Commissie haar onderzoeksfinanciering, een onontbeerlijk stimuleringsinstrument, hoofdzakelijk te richten op projecten voor de ontwikkeling van innovatieve en duurzame vervoersoplossingen;

23. dringt er bij de lidstaten op aan de milieu- en energie-effecten van de vervoerssector te reduceren en de gelijkheid te vergroten door te werken aan verbetering van de toegang tot IT-systemen en aan een vervoersefficiënte planning;

24. roept de Commissie en de lidstaten op om een vervoershiërarchie in te voeren die duidelijk aangeeft welke vervoerswijzen een hogere prioriteit moeten krijgen om algemene milieu- en vervoersdoelstellingen te kunnen verwezenlijken;

25. dringt erop aan om vóór er een vervoershiërarchie wordt uitgewerkt statistische gegevens te verzamelen, teneinde het milieueffect van publieke en particuliere vervoersmiddelen te meten in de reeks van verschillende lokale contexten, en verzoekt de betrokken overheden hierbij het goede voorbeeld te geven;

26. verzoekt de lidstaten om het effect van het vervoersgebruik door de overheidinstanties te laten opnemen in de controles van de overheidsfinanciën die worden uitgevoerd door de respectieve controleautoriteiten;

27. verzoekt de lidstaten het werken op afstand te bevorderen door middel van sociale en fiscale prikkels en door te voorzien in een beschermend juridisch kader voor werknemers;

28. dringt er bij de lidstaten op aan om het lokale openbaar vervoer aanzienlijk te versterken door de kwantiteit en de kwaliteit van vervoersdiensten te vergroten, de veiligheid, het comfort en de fysieke toegankelijkheid van vervoersmiddelen en -faciliteiten te verbeteren, en door te voorzien in geïntegreerde en aanvullenden vervoerssystemen, ook in kleine steden en plattelandsgebieden, zodat aldus het vermogen van vrouwen, gehandicapten en ouderen om te reizen wordt versterkt, hetgeen leidt tot betere sociale integratie en een verbetering van hun levensomstandigheden;

29. benadrukt dat bij investeringen in duurzame vervoerssystemen in aanmerking moet worden genomen dat vrouwen en mannen een andere perceptie van openbare ruimten hebben die is gebaseerd op verschillende risicobeoordelingen, hetgeen betekent dat veilige omgevingen binnen het vervoerssysteem prioriteit moeten krijgen voor zowel vrouwen als mannen;

De welzijnssector en groene banen

30. merkt op dat groene banen op het gebied van bijvoorbeeld landbouw, energie, vervoer, openbare voorzieningen, onderzoek, technologie, IT, de bouw en afval van groot belang zijn binnen de groene economie;

31. dringt er bij de lidstaten op aan het ondernemerschap van vrouwen in de groene economie te bevorderen en de toegang van vrouwen tot de groene economie te vereenvoudigen, door informatie te verstrekken en cursussen te geven, en door maatregelen in het leven te roepen die vrouwen helpen een evenwicht te bewerkstelligen tussen hun werk en privéleven; verzoekt de lidstaten om het ondernemerschap van vrouwen te bevorderen op het gebied van milieubescherming en in de ontwikkeling van milieuvriendelijke technologieën, bijvoorbeeld op het terrein van hernieuwbare energie, landbouw en toerisme, alsook in de ontwikkeling van groene innovaties, met name binnen de dienstensector; merkt op dat hernieuwbare energie nieuwe arbeidsmogelijkheden kan creëren voor vrouwelijke ondernemers op terreinen waar de werkloosheid van vrouwen bijzonder hoog is;

32. verzoekt de lidstaten om gepaste arbeidsomstandigheden voor vrouwen te waarborgen en ervoor te zorgen dat vrouwen toegang hebben tot gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting van een behoorlijk niveau, en dat zij een belangrijke stem hebben in maatschappelijke dialogen ter vereenvoudiging van de overgang naar nieuwe groene banen;

33. merkt op dat een duurzame economie "groen voor iedereen" moet zijn, waarbij behoorlijk werk en duurzame gemeenschappen worden gecreëerd en rijkdom eerlijker kan worden verdeeld;

34. merkt op dat niet alleen groene banen, maar alle banen met een gering milieueffect belangrijk zijn in een groene economie; wijst erop dat deze banen te vinden zijn in de particuliere sector, maar ook binnen de welzijnssector, bijvoorbeeld op scholen en in de zorg;

35. roept de lidstaten op om de gelijke vertegenwoordiging van vrouwen te waarborgen in politieke besluitvormingsinstanties, alsook in door de overheid aangewezen instanties en instellingen die zijn belast met de definiëring, planning en tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van milieu, energie en groene banen, zodat het genderperspectief hierin wordt opgenomen; verzoekt de lidstaten meer vrouwen te benoemen op leidinggevende posities en in besturen van ondernemingen binnen de sector van groene banen; benadrukt dat er, wanneer dit niet op vrijwillige basis kan worden verwezenlijkt, gerichte maatregelen moeten worden genomen, zoals de instelling van quota's of andere methoden, ten einde de gelijkheid en de democratie te versterken;

36. wijst erop dat de ecologische hervorming van de economie en de overgang naar een koolstofarme economie tot een grote vraag naar geschoolde werknemers zullen leiden; herinnert eraan dat vrouwelijke werknemers sterk ondervertegenwoordigd zijn in de sector van hernieuwbare energie, en met name in de wetenschappelijk- en technologie-intensieve banen; benadrukt in dit verband dat het met name belangrijk is dat de lidstaten actieplannen ontwikkelen om meer vrouwen aan te sporen opleidingen en carrières te kiezen op gebieden zoals techniek, natuurwetenschappen, IT en andere technologisch geavanceerde terreinen, aangezien veel groene banen hier in de toekomst op zullen zijn gericht;

37. roept de lidstaten op methoden toe te passen en te ontwikkelen om vrouwen aan te moedigen opleidingen en carrières te kiezen binnen de milieu-, vervoers- en energiesector, en om tegelijkertijd standvastig het stereotype te bestrijden dat een loopbaan in de natuurwetenschappen of toegepaste wetenschappen in de eerste plaats voor mannen is weggelegd;

38. wijst erop dat het noodzakelijk is om de toegang van vrouwen tot microkrediet voor kleine ondernemingen te ondersteunen en aan te moedigen;

39. roept de lidstaten op methoden toe te passen en te ontwikkelen om mannen aan te moedigen opleidingen en carrières met geringe gevolgen voor het milieu te kiezen in de welvaartssector;

40. verzoekt de lidstaten om opleidingen te ontwikkelen, met behulp van EU-programma's zoals het EFRO en het ESF, gericht op het vereenvoudigen van de toegang van vrouwen tot nieuwe groene banen en tot opkomende technologieën met een gering effect op het milieu, zowel in de particuliere als de publieke sector; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat vrouwelijke werknemers in grotere mate worden opgenomen in opleidingsprojecten en -programma's inzake ecologische omvorming, dat wil zeggen in de sector van hernieuwbare energie en in wetenschaps- en technologie-intensieve banen, en er hierbij met name voor te zorgen dat vrouwen, door middel van onderwijs en opleiding, de competenties en kwalificaties krijgen die zij nodig hebben om op gelijke voet met mannen te kunnen concurreren op het gebied van werkgelegenheid en individuele carrièreontwikkeling; merkt op dat mannen eenvoudiger toegang hebben tot de geavanceerde technologieën voor landbouwproductie en de bedrijfstechnologieën die vereist zijn om hoog gekwalificeerde functies te krijgen binnen de groene economie;

41. merkt op dat voor de participatie van vrouwen in de groene economie onder dezelfde voorwaarden als mannen meer kinderopvang- en ouderenzorgcentra nodig zijn, dat zowel vrouwen als mannen de mogelijkheid moeten hebben om gezins- en beroepsleven op elkaar af te stemmen en dat de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen moeten worden gewaarborgd; wijst er voorts op dat er in het beleid en de regelgeving in principe naar moet worden gestreefd ondersteuning te bieden voor sociale zekerheid, gezinsplanning en kinderopvang, aangezien vrouwen hun deskundigheid alleen kunnen inbrengen en alleen een gelijkwaardige bijdrage kunnen leveren aan bloeiende groene economieën in een maatschappij die aan deze vereisten voldoet;

42. wijst erop dat de vergroening van de economie inmiddels wordt beschouwd als een middel om economische ontwikkeling te stimuleren, met name tegen de achtergrond van de economische crisis en de EU 2020-strategie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om inspanningen ter "vergroening" van de economie te ondersteunen door investeringen en programma's aan te moedigen waarmee groene innovaties en banen worden bevorderd en die zijn gericht op degenen die deze het hardst nodig hebben; benadrukt nogmaals dat een genderperspectief cruciaal is om groter wordende ongelijkheden te vermijden;

43. roept de Commissie en de lidstaten op om naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen en te analyseren met betrekking tot de verdeling van financiële middelen in correlatie met sectoren waarin sprake is van een genderverdeling en groene innovaties, en om indicatoren te ontwikkelen om de potentiële uitgesplitste effecten van een groene economie op territoriale en sociale cohesie te meten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om een strategische koers en een reeks instrumenten te ontwikkelen waarmee effectief kan worden ingespeeld op de mogelijke veranderingen in de werkgelegenheidsniveaus en de structuur van de arbeidsmarkt;

Duurzaam beleid binnen internationale betrekkingen

44. verwacht dat de overgang naar bredere en duurzamere economische indicatoren, onder meer op het gebied van ontwikkelingsbeleid, zal leiden tot een grotere nadruk op sociale en milieudoelstellingen voor ontwikkelingslanden, terwijl met specifiek beleid en specifieke regelgeving de eigendomsrechten voor vrouwen en hun beheersing van natuurlijke hulpbronnen worden veiliggesteld; benadrukt dat het nodig is om de toegang van vrouwen tot dergelijke diensten te bevorderen, alsook tot nieuwe technologieën die nodig zijn voor het beheer en de exploitatie van energie en water, commerciële ondernemingen en landbouwproductie; onderstreept dat het noodzakelijk is om vrouwen in grotere mate te betrekken bij bedrijfs- en organisatorisch leiderschap;

45. roept de Commissie op om de meervoudige effecten van aantasting van het milieu op ongelijkheid, met name tussen vrouwen en mannen, volledig te erkennen en in dit verband maatregelen te treffen, en de bevordering van gelijke rechten voor vrouwen te waarborgen bij het opstellen van nieuwe beleidsvoorstellen op het gebied van klimaatverandering en duurzaamheid van het milieu;

46. roept de Commissie en de lidstaten op om indicatoren te ontwikkelen waarmee de genderspecifieke consequenties van projecten en programma's kunnen worden beoordeeld, en om een gender- en gelijkheidsperspectief te bevorderen binnen milieustrategieën voor de verwezenlijking van een groene economie;

47. verzoekt de Commissie in het bijzonder in aanmerking te nemen dat de toegang tot schoon water van groot belang is voor meisjes en vrouwen in grote delen van de wereld, aangezien het vaak hun verantwoordelijkheid is om water te halen en naar huis te vervoeren; benadrukt dat het tevens belangrijk is om de kennis die de inheemse vrouwelijke bevolking heeft van lokale ecosystemen te behouden;

48. roept de Commissie op om in het bijzonder aandacht te besteden aan het feit dat in veel ontwikkelingslanden de mogelijkheden voor vrouwen om een loopbaan na te streven in de groene economie nog zeer beperkt zijn als gevolg van sociale omstandigheden en patriarchale patronen, en dat vrouwen er niet in slagen toegang te krijgen tot de informatie, opleidingen en technologieën die nodig zijn om tot die sector toe te kunnen treden;

49. roept de Commissie op om met name rekening te houden met het feit dat miljarden mensen volledig afhankelijk zijn van biomassa als energiebron en dat kinderen en vrouwen aan gezondheidsproblemen lijden, omdat zij biomassa verzamelen, verwerken en gebruiken; benadrukt dat er derhalve investeringen nodig zijn in hernieuwbare en efficiëntere energiebronnen;

50. dringt aan op diepgaande effectanalyses, vanuit klimaat-, gender- en duurzaamheidsoogpunt, met betrekking tot de gevolgen van multilaterale en bilaterale handelsovereenkomsten tussen de EU en derde landen, en roept de Commissie op om uitdrukkelijk steun te verlenen voor maatregelen in verband met de beperking van de klimaatverandering als onderdeel van alle hulp-voor-handel, alsmede van alle andere relevante ontwikkelingshulp;

51. verzoekt de Commissie om programma's uit te werken voor de overdracht van moderne technologieën en expertise teneinde ontwikkelingslanden en -regio's in staat te stellen zich aan de klimaatverandering aan te passen;

52. benadrukt dat bij het opstellen van strategieën ter bestrijding van klimaatverandering rekening moet worden gehouden met de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen in de toegang tot middelen, zoals microleningen, krediet, informatie en technologie;

53. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1)

http://unctad.org/en/Docs/unep_unctad_un-ohrlls_en.pdf.

(2)

http://www.unep.org/labour_environment/features/greenjobs-report.asp.

(3)

http://www.unwomen.org/wp-content/uploads/2011/11/Rio+20-UN-Women-Contribution-to-the-Outcome-Document.pdf.

(4)

http://www.womenrio20.org/Women’s_MG_Rio+20_Summary.pdf.

(5)

http://www.wecf.eu/download/2011/March/greeneconomyMARCH6docx.pdf.

(6)

http://www.regeringen.se/content/1/c6/04/59/80/4edc363a.pdf.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0145.

(8)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0070.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0069.

(10)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0430.

(11)

PB C 308E van 20.10.2011, blz. 68.

(12)

PB C 236E van 12.8.2011, blz. 79.


TOELICHTING

In dit verslag wordt de groene economie gelijkgesteld aan een duurzame economie, die een in zowel sociaal als ecologisch opzicht duurzame economie omvat. Daarmee wordt natuurlijk ook de gelijke behandeling van vrouwen en mannen bedoeld. Een groene of duurzame economie is een systeem waarin de productiecapaciteit van het ecosysteem (de draagkracht van de planeet) behouden blijft, terwijl tegelijkertijd een samenleving wordt geschapen waarin aan de menselijke basisbehoeften van iedereen wordt voldaan. De economische ontwikkeling in een groene economie vindt derhalve plaats in het kader van wat de natuur kan verdragen en waarborgt een rechtvaardige verdeling van hulpbronnen tussen mensen, tussen vrouwen en mannen en tussen generaties.

De groene economie houdt in dat aan de behoeften van de planeet en de mensen de hoogste prioriteit wordt gegeven en dat het doel is om duurzame samenlevingen te creëren die energie-efficiënt en gezond zijn en waaraan alle mensen kunnen deelnemen ongeacht gender, leeftijd, etniciteit, huidskleur, seksuele geaardheid, handicap of levensovertuiging.

Er bestaat een groot gebrek aan evenwicht in de vertegenwoordiging van vrouwen en mannen binnen de politieke en economische besluitvorming. Een gebrekkig genderevenwicht ondermijnt de legitimiteit van de politieke besluitvorming, aangezien de democratie berust op het beginsel dat gekozen vertegenwoordigers een doorsnee van de bevolking vormen. Gelijke participatie in de politiek en de groene economie is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de belangen van vrouwen op dezelfde manier worden behartigd als de belangen van mannen op dit moment. Om dit gebrek aan evenwicht te herstellen moeten landen alle toepasselijke maatregelen treffen, met inbegrip van quota, die nodig zijn om een genderevenwicht te bewerkstelligen binnen de politiek en de groene economie.

Duurzame consumptie

Het huidige economische systeem houdt er geen rekening mee dat er een grens is aan de natuurlijke hulpbronnen. Continue groei wordt gezien als onvermijdelijk. Dit zal echter vroeger of later tot een ineenstorting leiden, aangezien voor alle geproduceerde en geconsumeerde producten en diensten verdere extractie van diverse natuurlijke hulpbronnen nodig is (water, energie, metalen, enz.). Deze productie en consumptie resulteert in emissies en verontreinigingen die uiteindelijk in ons ecosysteem terechtkomen. Het vermogen van het ecosysteem om emissies te bufferen en verwerken en zich aan te passen aan veranderende omstandigheden heeft een absolute grens. Als deze absolute grens wordt overschreden, kan de productie van belangrijke ecosysteemdiensten tot stilstand komen, diensten die essentieel zijn voor ons bestaan en onze welvaart. Het voorkomen van een dergelijk scenario vereist een verandering in het economische systeem waarbij de extractie van natuurlijke hulpbronnen plaatsvindt in een tempo dat herstel en nieuwe productie mogelijk maakt. Een verandering in de richting van een groene economie.

Echter, een groene economie vereist ook een duurzaam beheer van human resources en sociale duurzaamheid. Dit betekent bijvoorbeeld een betere balans tussen armen en rijken en tussen vrouwen en mannen. Op dit moment is het effect op de hulpbronnen van de aarde, de zogenaamde ecologische voetafdruk, aanzienlijk groter in rijke landen dan in arme landen. Als iedereen zou leven zoals bijvoorbeeld de burgers van Zweden, zouden drie aardbollen nodig zijn om de benodigde hulpbronnen te leveren. Deze wanverhouding is onredelijk.

Het economische systeem leidt tot verschillen soorten crises: financiële crises, ineenstortingen van ecosystemen, klimaatveranderingen, enz. Dit draagt vervolgens bij aan een verslechtering van het socialezekerheidsstelsel en het welzijn. Wanneer de samenleving getroffen wordt door crises, worden er vaak bezuinigingen in het welzijnswezen doorgevoerd die leiden tot een verslechtering van onderwijs, gezondheidszorg, sociale zorg en pensioenen alsmede tot woningnood. Degenen die het hardst door deze bezuinigingen worden getroffen, zijn de behoeftigen die geen mogelijkheid hebben om verliezen te compenseren met spaargeld, particuliere verzekeringen en dergelijke. 70% van de 1,3 miljard mensen die leven van minder dan 1 dollar per dag zijn vrouwen. Crises zorgen dus voor nog meer ongelijkheid in de samenleving.

Niettemin is het belangrijk om te benadrukken dat de ontwikkeling van de arme landen met een stijging van de consumptie en welvaart belangrijk is om een beter evenwicht te bereiken tussen 's werelds landen en bevolkingsgroepen. Een begrenzing van de ontwikkeling van de armste landen is geen optie. Een groene economie is derhalve niet duurzaam, tenzij de kwestie van mondiale verdeling serieus wordt genomen.

Vrouwen en mannen hebben verschillende consumptiepatronen vanwege verschillen in rollenpatronen en dragen op een andere manier bij aan de belasting van het milieu. Mannen consumeren bijvoorbeeld meer vlees en rijden veel meer auto. Het verschillende consumptiegedrag van vrouwen en mannen maakt deel uit van het creëren en versterken van onze genderidentiteit. Consumptie wordt vaak gelijkgesteld aan geluk, succes en verlangen en vertegenwoordigt daardoor een beloning voor de consument. Consumentenkeuzen zijn dus allesbehalve rationeel. In plaats daarvan worden attitudes gevormd op basis van een begeerte of verlangen om een bepaald soort identiteit te bereiken, die vaak verbonden is met seksualiteit en genderkenmerken.

Mannelijke consumptiegoederen zijn vaak energieverslindend en hoogtechnologisch. Bij vrouwen daarentegen staat kleding boven aan de consumptiegoederenlijst. Daarnaast berust een deel van de verschillen in consumptie op inkomstenverschillen. Mannen verdienen over het algemeen meer dan vrouwen en hebben daardoor een grotere mogelijkheid om meer te consumeren. Bij stijgende inkomsten en welvaart besteden individuen vaak meer geld aan dingen die tijd besparen, aangezien tijd een constante is. Dit heeft vaak gevolgen voor het milieu. In de afweging van de verschillende alternatieven wordt tijd derhalve tegen de kosten afgezet en aangezien de kosten van de belasting van het milieu het individu niet treft, resulteert de keuze vaak in een hogere belasting van het milieu.

Sommigen zijn van mening dat vrouwen van nature meer zorgzaam en milieuvriendelijk dan mannen zijn. Het hanteren van deze benadering bij de kwestie van genderverschillen wat betreft consumptie is problematisch, omdat het de mogelijkheid om oplossingen te zoeken ondermijnt.

Als het gaat om de groene en duurzame economie, maakt grotere gelijkheid integraal deel uit van de definitie. Gelijkheid is onderdeel van het concept van sociale duurzaamheid. Een inherente systeemfout van de huidige economie is dat bepaalde producten en diensten helemaal niet worden gewaardeerd. Dit zijn taken die vrouwen vaak uitvoeren. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om kinderopvang, voedselbereiding, voedselteelt, het halen van water, enz. Deze bezigheden zijn daarom "onzichtbaar" in de economie. Daarentegen herinvesteren vrouwen het grootste deel van wat zij verdienen in de lokale gemeenschap. De rollen van vrouwen zijn daarom belangrijk en moeten zichtbaar worden gemaakt. Er is derhalve behoefte aan gezinsplanning, uitbreiding van de kinderopvang en gedeeld ouderschap om vrouwen de kans te geven tijd vrij te maken en te participeren in sociale ontwikkeling.

Veel vrouwen zitten op dit moment vast in patriarchale systemen waarin de rechten van vrouwen veel slechter zijn dan die van mannen. Ze kunnen bijvoorbeeld geen land bezitten of leningen nemen en hebben geen toegang tot natuurlijke hulpbronnen, onderwijs, gezondheidszorg of diverse technologische oplossingen. Deze systemen ondermijnen iedere mogelijkheid voor deze vrouwen om uit hun situatie te komen.

Duurzaam vervoer

Het is belangrijk om een duurzaam vervoerssysteem te creëren dat in gelijke mate rekening houdt met de vervoersbehoeften van vrouwen en mannen en dat tegelijkertijd een gering milieueffect heeft. De lidstaten moeten de milieu- en energie-effecten van de vervoerssector verminderen en de gelijkheid vergroten door te werken aan een verbetering van de toegang tot IT en aan een vervoersefficiënte planning. Als we meer met behulp van IT kunnen communiceren zonder te hoeven reizen en als via ruimtelijke ordening compactere bebouwing wordt bereikt die milieuvriendelijk wordt beheerd, leidt dit tot een efficiënter vervoerssysteem en een energie-efficiënte samenleving. Dit zou betekenen dat meer mensen te voet tussen verschillende plaatsen kunnen reizen of de fiets nemen, wat gunstig is voor de vervoerswijzen van vrouwen en mensen met een laag inkomen.

Gedurende lange tijd waren velen het er in principe over eens dat we een meer duurzaam vervoerssysteem nodig hebben. In de praktijk is er echter heel weinig gebeurd. Daarom is het tijd om een vervoershiërarchie in te voeren die duidelijk aangeeft welke vervoerswijzen een hogere prioriteit moeten krijgen om algemene milieu- en vervoersdoelstellingen te kunnen verwezenlijken. Deze vervoershiërarchie gaat uit van het beginsel dat als mensen een vervoers- of communicatieprobleem moeten oplossen, ze altijd een keuze maken overeenkomstig de volgende volgorde: 1) IT en breedband, 2) vervoersefficiënte planning, 3) vervoer te voet of per fiets, 4) openbaar vervoer zoals bus, tram en trein die gebruikmaken van hernieuwbare brandstoffen of openbaar vervoer dat gebruikmaakt van fossiele brandstoffen, 5) zeevaart, 6) wegvervoer.

Een van de belangrijkste maatregelen in het streven naar een groene economie is een krachtige versterking van het lokale en regionale openbaar vervoer, waardoor tevens de levensomstandigheden van vrouwen en hun mobiliteitsmogelijkheden worden versterkt. Een versterking van het openbaar vervoer maakt het ook voor mannen mogelijk om meer gebruik te maken van een ecologisch duurzaam vervoerssysteem, hetgeen positief is, aangezien meer mannen dan nu het geval is hun gedragspatronen moeten doorbreken alsmede de traditie om de auto te gebruiken. Bij dit werk moet ook rekening worden gehouden met het feit dat er verschillen zijn in de perceptie die vrouwen en mannen hebben van openbare ruimten, wat berust op verschillen in risicobeoordeling. Derhalve moet er een einde worden gemaakt aan onveilige omgevingen binnen het vervoerssysteem, zoals donkere tunnels of passages, teneinde met name de veiligheid voor vrouwen te verhogen.

De welzijnssector en groene banen

De arbeidsmarkt is op dit moment niet gelijk voor vrouwen en mannen. Het risico bestaat dat vrouwen ondervertegenwoordigd zullen zijn in toekomstige groene banen. Er is daarom behoefte aan maatregelen om ervoor te zorgen dat vrouwen groene banen kunnen krijgen in bijvoorbeeld de vervoers-, bouw- en productiesector. In alle landen is het van groot belang dat de gelijkheid tussen vrouwen en mannen benadrukt wordt binnen het onderwijs en de competentieontwikkeling op het gebied van groene banen.

Het concept groene banen omvat tevens administratief werk en werk binnen de sector particuliere en publieke dienstverlening dat milieuvriendelijk is of een gering milieueffect heeft. Dit zijn gebieden waarbinnen op dit moment meer vrouwen dan mannen werkzaam zijn, wat aanleiding moet zijn om het aandeel van mannen in deze sectoren te verhogen. Hierbij kan het gaan om ambtelijke en bestuurlijke functies, maar ook om vele functies op scholen en binnen de zorg.

Onderwijs heeft altijd een belangrijke rol gespeeld als fundament voor sociale ontwikkeling. Het is daarom van groot belang dat het onderwijs wordt aangepast aan de sociale ontwikkeling. Onderwijs aan de huidige en toekomstige generaties over wat een duurzame samenleving inhoudt, is derhalve van doorslaggevend belang om een duurzame sociale ontwikkeling mogelijk te maken. In dit verband moet expertise centraal worden gesteld, evenals waarden zoals democratie, gelijkheid, en eerbiediging van de fundamentele mensenrechten en van de natuur.

Duurzaam beleid binnen internationale betrekkingen

De minst ontwikkelde landen hebben een groot succespotentieel en zijn zelfs pioniers op weg naar de groene economie. Dit heeft ermee te maken dat zij reeds op dit moment een koolstofarme productie hebben en een levensstijl die het milieu en het klimaat niet in zo'n mate beïnvloeden als in de rijke landen. De overgang naar een groene economie vereist politieke hervormingen e beleidsinstrumenten, financieringsmechanismen en handelsregels. Gelukkig nemen besluitvormers in vele van deze landen belangrijke en correcte besluiten met het oog op de totstandbrenging van een groene economie. Veel landen met lage en middelhoge inkomsten hebben in steeds grotere mate belastingstelsels ontwikkeld waarin belasting wordt geheven op activiteiten en producten die gevaarlijk zijn voor het milieu. Helaas gaat een groot deel van de buitenlandse investeringen naar activiteiten die schadelijk zijn voor het milieu zoals de winning van olie, gas en mineralen, en gaat heel weinig naar productie-industrieën en duurzame infrastructuurprojecten die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van deze landen. Het is derhalve een belangrijke stap om investeringen om te buigen naar projecten die op de lange termijn duurzaam zijn, dat wil zeggen overeenkomstig de ontwikkeling in de richting van een groene economie. In dit verband heeft het ontwikkelingsbeleid van de EU een belangrijke rol te spelen bij het aansturen op het bereiken van sociale en milieudoelstellingen.

Tijdens het overgangsproces moeten deze landen toegang krijgen tot de technologische vereisten die voortkomen uit de ontwikkeling tot een koolstofarme en milieuvriendelijke economie. Hierbij gaat het hoofdzakelijk om technologie die het werk vergemakkelijkt binnen de sectoren land- en bosbouw, veeteelt, energievoorziening, afvalverwerking en vervoer. Voor de meeste van deze gebieden zijn vrouwen verantwoordelijk. Door het werk in deze sectoren te vergemakkelijken kunnen derhalve de omstandigheden van deze vrouwen verbeterd worden, doordat tijd voor hen wordt vrijgemaakt om aan hun eigen welzijn te werken en te participeren in de samenleving.

Innovatie en toegang tot informatie zijn belangrijke pijlers voor de doelstelling om relevante technologieën mogelijk te maken en te ontwikkelen. De ontwikkeling en absorptie van alsmede de aanpassing aan groene technologie voor thuisgebruik en uiteindelijk ook de export naar de ontwikkelde wereld vereist internationale samenwerking, onderzoek en ontwikkeling. In dit verband is het ook belangrijk om de looptijd van octrooien te beperken en het vrijere gebruik van reeds beschikbare technologieën en innovaties mogelijk te maken.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.7.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Andrea Češková, Marije Cornelissen, Edite Estrela, Iratxe García Pérez, Zita Gurmai, Mikael Gustafsson, Mary Honeyball, Lívia Járóka, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Silvana Koch-Mehrin, Constance Le Grip, Astrid Lulling, Antonyia Parvanova, Raül Romeva i Rueda, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Marc Tarabella, Britta Thomsen, Angelika Werthmann, Marina Yannakoudakis, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Mariya Gabriel, Kent Johansson, Christa Klaß, Mojca Kleva, Kartika Tamara Liotard, Ana Miranda

Juridische mededeling - Privacybeleid