Procedure : 2012/2068(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0353/2012

Ingediende teksten :

A7-0353/2012

Debatten :

PV 19/11/2012 - 23
CRE 19/11/2012 - 23

Stemmingen :

PV 20/11/2012 - 6.17
CRE 20/11/2012 - 6.17
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0428

VERSLAG     
PDF 211kWORD 135k
24.10.2012
PE 486.198v02-00 A7-0353/2012

over de bescherming van kinderen in de digitale wereld

(2012/2068(INI))

Commissie cultuur en onderwijs

Rapporteur: Silvia Costa

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de bescherming van kinderen in de digitale wereld

(2012/2068(INI))

Het Europees Parlement,

–    gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–    gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(1),

–    gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen ter zake van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens,

–    gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

–    gezien Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(2),

–    gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(3),

–    gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn inzake elektronische handel")(4),

–    gezien Besluit 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007)(5),

–    gezien Aanbeveling 2006/952/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van kinderen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten(6),

–    gezien de conclusies van de Raad over de bescherming van kinderen in de digitale wereld(7),

–    gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 15 februari 2011, getiteld "Een EU-agenda voor de rechten van het kind" (COM(2011)0060),

–    gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's van 26 augustus 2010, getiteld "Een digitale agenda voor Europa" (COM(2010)0245/2),

–    gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 28 maart 2012, getiteld "De aanpak van criminaliteit in het digitale tijdperk – Oprichting van een Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (COM(2012)0140),,

–    gezien de strategie voor de rechten van het kind (2012-2015) van de Raad van Europa van 15 februari 2012,

–    gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 2 mei 2012, getiteld "Europese Strategie voor een beter internet voor kinderen" (COM(2012)0196),

–    gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 13 september 2011 over de toepassing van de aanbeveling van de Raad van 24 september 1998 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten -Bescherming van kinderen in de digitale wereld (COM(2011)0556),

–    gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik;

–    gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over een integrale aanpak van de bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie(8),

–    gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–    gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0353/2012),

A.  overwegende dat de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld op wetgevingsgebied moet worden aangepakt met efficiëntere maatregelen, onder meer door middel van zelfregulering, door de industrie zo ver te krijgen dat zij haar deel van de verantwoordelijkheid op zich neemt, en op het onderwijs- en opleidingsgebied door kinderen, ouders en leraren te leren hoe kan worden voorkomen dat minderjarigen toegang hebben tot illegale inhoud;

B.   overwegende dat alle vormen van illegale online inhoud moeten worden aangepakt, en dat het specifieke geval van seksueel misbruik van kinderen niet alleen als illegale inhoud moet worden beschouwd, maar ook als een van de meest verwerpelijke vormen van op het internet verspreide inhoud;

C.  overwegende dat een van de hoofddoelstellingen van een doeltreffende strategie ter bescherming van kinderen erin moet bestaan te waarborgen dat alle kinderen, jongeren en ouders en/of verzorgers over de nodige informatie en vaardigheden beschikken om zichzelf online te beschermen;

D.  overwegende dat de snelle ontwikkeling van de technologie vraagt om een snelle reactie in de vorm van zelf- en co-regulering, alsook door de oprichting van vaste instanties die een holistische aanpak voor de verschillende omgevingen kunnen vaststellen;

E.   overwegende dat de digitale wereld tal van onderwijs- en leermogelijkheden biedt; dat de onderwijssector bezig is zich aan te passen aan de digitale wereld, maar met een tempo en op een wijze die achterblijven bij de snelheid waarmee de technologie het leven van minderjarigen verandert, en dat dit problemen oplevert voor ouders en opvoeders wanneer zij proberen de kinderen te leren om de media kritisch te gebruiken, maar vaak in de marge van het virtuele leven van de kinderen blijven;

F.   overwegende dat minderjarigen in het algemeen heel handig zijn met het gebruiken van internet, maar dat zij moeten worden geholpen om het verstandig, verantwoord en veilig te gebruiken;

G.  overwegende dat kinderen niet alleen meer inzicht moeten krijgen in de potentiële gevaren waarmee zij op het internet worden geconfronteerd, maar dat ook het gezin, de school en het maatschappelijk middenveld samen verantwoordelijkheid moeten nemen voor de voorlichting van kinderen en er gezamenlijk voor moeten zorgen dat kinderen naar behoren worden beschermd wanneer zij gebruik maken van het internet en andere nieuwe media;

H.  overwegende dat onderwijs met betrekking tot de media en de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een belangrijke factor is voor de beleidsontwikkeling op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld en voor het waarborgen van een veilig, goed en kritisch gebruik van deze technologieën;

I.    overwegende dat de ontwikkeling van digitale technologieën een uitgelezen mogelijkheid biedt om kinderen en jongeren mogelijkheden aan de hand te doen om de nieuwe media en het internet doeltreffend te gebruiken op een wijze die hen in staat stelt om met anderen te communiceren en zo online en offline actief deel te nemen aan en een actievere rol te leren spelen in de samenleving;

J.    overwegende dat ook minderjarigen toegang moeten hebben tot pluralistische en veilige digitale instrumenten, diensten en inhoud om het burgerschap uit te oefenen en de daaruit voortvloeiende rechten, zoals deelname aan het culturele, sociale en democratische leven, te genieten;

K.  overwegende dat de maatregelen ter bescherming van minderjarigen niet alleen betrekking moeten hebben op de bestrijding van illegale en ongeschikte inhoud, preventie en interventie, maar ook een aantal andere bedreigingen moeten aanpakken, zoals pesten, discriminatie, beperking van de toegang tot diensten, online bewaking, inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de vrijheid van meningsuiting en informatie, en onduidelijkheid omtrent de doelen waarvoor persoonsgegevens worden verzameld;

L.   overwegende dat de nieuwe informatie- en communicatiemogelijkheden die de digitale wereld biedt, zoals computers, TV op verschillende platforms, mobiele telefoons, videogames, tablets, apps, alsook het verspreidingsniveau van verschillende media die in één digitaal systeem zijn ondergebracht, niet alleen een veelvoud aan mogelijkheden en kansen voor kinderen en jongeren bieden, maar ook risico's inhouden, zoals gemakkelijke toegang tot inhoud die illegaal is en ongeschikt of schadelijk voor de ontwikkeling van minderjarigen en de mogelijkheid dat gegevens worden verzameld om kinderen tot consumentendoelgroep te maken, met alle schadelijke en niet-gemeten gevolgen van dien;

M.  overwegende dat het welzijn van minderjarigen en de menselijke waardigheid in het kader van het vrije verkeer van audiovisuele diensten binnen de interne markt belangen zijn die bijzondere rechtsbescherming verdienen;

N.  overwegende dat de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om illegale online inhoud te voorkomen niet altijd doeltreffend zijn en onvermijdelijk leiden tot uiteenlopende benaderingen bij de bestrijding van schadelijke inhoud; dat illegale inhoud onmiddellijk moet worden verwijderd op basis van een deugdelijke rechtsgang;

O.  overwegende dat het feit dat persoonlijke informatie en persoonsgegevens van minderjarigen online kan leiden tot illegale gegevensverwerking, tot uitbuiting van minderjarigen of tot aantasting van hun persoonlijke waardigheid, waardoor hun identiteit, hun geestelijke vermogens en hun sociale inclusie enorme schade kunnen oplopen, vooral omdat die gegevens in verkeerde handen terecht kunnen komen;

P.   overwegende dat de snelle groei van sociale media bepaalde risico's met zich meebrengt voor de veiligheid van de persoonlijke levenssfeer, de persoonsgegevens en de persoonlijke waardigheid van minderjarigen;

Q.  overwegende dat bijna 15% van alle minderjarige internetgebruikers tussen de 10 en 17 jaar op de één of andere manier seksueel is benaderd en 34% van hen op seksueel materiaal stuit waar ze niet naar op zoek waren;

R.   overwegende dat de diverse gedragscodes die aanbieders van digitale inhoud en diensten hebben opgesteld niet altijd voldoen aan de vereisten van de Europese of nationale wetgeving inzake transparantie, onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid en verwerking van persoonsgegevens, en het gevaar kunnen inhouden dat er profielen worden gecreëerd voor commerciële doeleinden en andere vormen van uitbuiting, zoals seksueel misbruik en zelfs mensenhandel;

S.   overwegende dat op kinderen gerichte reclame verantwoord en gematigd moet zijn;

T.   overwegende dat minderjarigen moeten worden beschermd tegen de gevaren van de digitale wereld, in overeenstemming met hun leeftijd en hun ontwikkeling; dat de lidstaten moeilijkheden melden bij het coördineren van aspecten in verband met de vaststelling van indelingsklassen voor inhoud op basis van leeftijd en van het risiconiveau van de inhoud;

U.  overwegende dat minderjarigen in de digitale wereld weliswaar met tal van gevaren worden geconfronteerd, maar dat we wel de vele kansen moeten blijven aangrijpen die de digitale wereld biedt voor de ontwikkeling van de kennismaatschappij;

V.  overwegende dat de rol van de ouders bij de bescherming van hun kinderen tegen de gevaren van de digitale wereld zeer belangrijk is;

Een kader voor rechten en beheer

1.   wijst op het feit dat een nieuwe fase in de bescherming van de rechten van het kind in het EU-kader is begonnen met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in combinatie met het thans juridisch bindende Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat in artikel 24 bepaalt dat de bescherming van het kind een grondrecht is en dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen; wijst opnieuw op de noodzaak dat de EU de normen naleeft van de internationale instrumenten waarbij de EU als zodanig geen partij is, conform de oproep van het Europees Hof van Justitie in zaak C-540/03, Europees Parlement tegen Raad;

2.   dringt er bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie vlot en tijdig om te zetten en ten uitvoer te leggen; roept de lidstaten ertoe op hun inspanningen op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld zoveel mogelijk te harmoniseren;

3.   herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om – ingeval ze dit nog niet hebben gedaan – over te gaan tot het ondertekenen en ratificeren van de internationale instrumenten inzake de bescherming van kinderen, zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, het Derde Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag inzake de uitoefening van de rechten van het kind, en deze instrumenten om te zetten met inachtneming van de vereiste rechtszekerheid en helderheid, zoals de rechtsorde van de EU dit verlangt;

4.   verzoekt de Commissie de bestaande interne mechanismen te verbeteren om een coherente en gecoördineerde aanpak op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld te waarborgen; is verheugd over de door de Commissie voorgestelde Europese strategie voor een beter internet voor kinderen en vraagt de Commissie de bestaande interne mechanismen te verbeteren om een coherente en gecoördineerde aanpak op het gebied van onlineveiligheid van kinderen te waarborgen;

5.   benadrukt dat de rechten van kinderen een integraal onderdeel moeten worden van alle beleidsterreinen van de EU, waarbij het effect van de maatregelen op de rechten, de veiligheid en de lichamelijke en geestelijke integriteit van kinderen wordt geanalyseerd, en dat de Commissie ook met het oog daarop duidelijk geformuleerde voorstellen met betrekking tot de digitale wereld moet indienen;

6.   benadrukt dat alleen een alomvattende combinatie van wettelijke, technische en onderwijsmaatregelen, met inbegrip van preventie, ervoor kan zorgen dat passend kan worden gereageerd op de risico's waarmee kinderen online te maken hebben en dat de bescherming van kinderen in de online-omgeving wordt verbeterd;

7.   is verheugd over het nieuwe agentschap voor cyberveiligheid dat bij Europol is gevestigd, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het kinderbeschermingsteam van het nieuwe centrum over voldoende hulpmiddelen beschikt en doeltreffend samenwerkt met Interpol;

8.   hoopt dat het programma voor een veiliger internet wordt voortgezet en dat er voldoende middelen worden uitgetrokken om de activiteiten die in het kader van dat programma worden ontplooid volledig uit te kunnen voeren en het specifieke karakter ervan te behouden, en verzoekt de Commissie een verslag in te dienen bij het Parlement over de plus- en minpunten van het programma, zodat maximale doeltreffendheid in de toekomst kan worden verzekerd;

9.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om passende maatregelen te treffen, onder meer via het internet, zoals het opzetten, eventueel in samenwerking met de betrokken maatschappelijke organisaties, gezinnen, scholen, audiovisuele diensten, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden, van onderzoeks- en onderwijsprogramma's die tot doel hebben het gevaar dat kinderen het slachtoffer worden van internet te verkleinen;

10. neemt kennis van het feit dat op initiatief van de Commissie de CEO-coalitie is opgericht om de veiligheid van kinderen op het internet te verbeteren; roept in deze context op tot nauwe samenwerking met maatschappelijke verenigingen en organisaties die actief zijn op gebieden als bescherming van minderjarigen, gegevensbescherming en onderwijs, met vertegenwoordigers van ouders en opvoeders, ook op Europees niveau, en met de directoraten-generaal van de Commissie die belast zijn met consumentenbescherming en justitie;

Media en nieuwe media: toegang en educatie

11. wijst erop dat het internet kinderen en jongeren immens waardevolle hulpmiddelen biedt die ze kunnen gebruiken om hun denkbeelden duidelijk te maken en te doen gelden, om toegang te krijgen tot informatie en scholing en om hun rechten op te eisen, en uitgelezen kansen biedt voor een open kijk op de wereld en persoonlijke groei;

12. benadrukt niettemin dat de online omgeving en de sociale media grote risico's kunnen inhouden voor de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van kinderen, die tot de meest kwetsbare internetgebruikers behoren;

13. herinnert eraan dat internet kinderen ook blootstelt aan risico's vanwege verschijnselen als kinderpornografie, de uitwisseling van materiaal over geweld, cybercriminaliteit, intimidatie, pesten, kinderlokkerij online, de mogelijkheid voor kinderen om toegang te krijgen tot goederen en diensten waarvoor wettelijke beperkingen gelden of die ongeschikt zijn voor hun leeftijd of deze te kopen, blootstelling aan niet bij de leeftijd passende, agressieve of misleidende reclame, zwendelpraktijken, identiteitsdiefstal, oplichterij en soortgelijke gevaren van financiële aard die traumatische ervaringen kunnen opleveren;

14. steunt in dit verband de inspanningen van de lidstaten om stelselmatig educatie en training voor kinderen, ouders, opvoeders, leerkrachten en sociale werkers te bevorderen om hen in staat te stellen de digitale wereld te begrijpen en de gevaren te onderkennen die de lichamelijke of geestelijke integriteit van kinderen zouden kunnen schaden, om de risico's die de digitale media inhouden te verkleinen en informatie te verstrekken over meldpunten en over de wijze waarop minderjarige slachtoffers kunnen worden geholpen; wijst er tevens op dat kinderen moeten beseffen dat hun eigen gebruik van digitale technologie de rechten van anderen kan schaden of zelfs crimineel gedrag kan vormen;

15. acht het van het grootste belang dat er in een zo vroeg mogelijk stadium training in mediavaardigheden wordt gegeven, in het kader waarvan kinderen en jongeren leren bewust en kritisch te bepalen welke delen van het internet zij willen verkennen en welke liever niet, en waarbij fundamentele waarden betreffende het samenleven en wederzijds respect en tolerantie worden bevorderd;

16. ziet "media-educatie" als het essentiële instrument om minderjarigen in staat te stellen kritisch gebruik te maken van media en van de mogelijkheden van de digitale wereld, en roept de lidstaten op media-educatie op te nemen in hun leerplannen; herinnert de Commissie eraan dat ook "consumenteneducatie" van belang is vanwege de constante toename van digitale marketing;

17. wijst opnieuw op het belang van digitale en mediavaardigheden en -geletterdheid voor zowel minderjarigen als hun ouders; benadrukt tevens dat digitale geletterdheid, digitale vaardigheden en veiliger internetgebruik door minderjarigen als prioriteiten van het sociaal, onderwijs- en jeugdbeleid van de lidstaten en de Unie moeten worden beschouwd en als een cruciaal onderdeel van de Europa 2020-strategie;

18. moedigt een voortgezette digitale scholing aan voor opvoeders die voortdurend werken met leerlingen in de scholen;

19. onderstreept de noodzaak van een "educatief verbond" tussen gezinnen, school, maatschappelijk middenveld en betrokken partijen, waaronder partijen die betrokken zijn bij audiovisuele diensten, om een evenwichtige en proactieve dynamiek tussen de digitale wereld en minderjarigen te garanderen; moedigt de Commissie aan bewustmakingsinitiatieven te ondersteunen die gericht zijn op ouders en opvoeders, zodat zij kinderen zo goed mogelijk kunnen begeleiden bij het gebruik van de digitale instrumenten en diensten;

20. moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de gelijke toegang van minderjarigen tot een veilige en hoogwaardige pluralistische digitale inhoud in bestaande en nieuwe programma's en diensten ten behoeve van jongeren en onderwijs, cultuur en kunst, te ondersteunen;

21. verzoekt de lidstaten, de overheidsinstanties en de aanbieders van internettoegang om hun voorlichtingscampagnes te intensiveren om minderjarigen, jongeren, ouders en opvoeders bewust te maken van ongecontroleerde digitale risico's;

22. erkent de rol van de publieke media bij de bevordering van een veilige en betrouwbare online-omgeving voor minderjarigen;

23. dringt er bij de Commissie op aan om van de bescherming van kinderen tegen agressieve of misleidende tv- en internetreclame een van haar hoofdprioriteiten te maken;

24. benadrukt met name de verantwoordelijkheid van de particuliere sector, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden voor deze kwesties, alsook voor het als kindveilig aanmerken van webpagina's en voor het bevorderen van "nettiquette" voor kinderen; benadrukt dat dergelijke maatregelen volledig verenigbaar moeten zijn met de rechtsregels en de rechtszekerheid, rekening moeten houden met de rechten van eindgebruikers en in overeenstemming moeten zijn met bestaande wettelijke en gerechtelijke procedures, alsook met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Handvest van de grondvesten van de Europese Unie en de jurisprudentie van het EHvJ en het EHRM; verzoekt het bedrijfsleven de bestaande gedragscodes en soortgelijke initiatieven, zoals "EU-pledge" en de verklaring van Barcelona van het Forum voor consumentengoederen, volledig na te leven en in praktijk te brengen;

25. beklemtoont dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de online marketing van schadelijke stoffen als alcohol die jongeren kan bereiken; wijst erop dat het vanwege de aard en het bereik van online-marketingmethoden, bijvoorbeeld via sociale netwerken, voor de afzonderlijke lidstaten heel moeilijk is toezicht te houden op de online marketing van alcohol en dat optreden van de Commissie dus meerwaarde zou opleveren op dit gebied;

26. benadrukt de efficiëntie van formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en educatie door leeftijdsgenoten in de verspreiding van veilige praktijken en kennis over mogelijke gevaren (aan de hand van concrete voorbeelden) voor minderjarigen bij het gebruiken van het internet, sociale netwerken, videogames en mobiele telefoons, en moedigt "European Schoolnet" aan om mentorschap tussen studenten op dit gebied te bevorderen; benadrukt dat ook ouders moeten worden voorgelicht over veilige praktijken en gevaren;

27. verzoekt de Commissie en de lidstaten programma's op te zetten om kinderen en jongeren de nodige vaardigheden bij te brengen en ervoor te zorgen dat zij met kennis van zaken het internet en de nieuwe media gebruiken, en wijst in dit verband op het belang van het inbouwen van digitale-mediageletterdheid op alle niveaus van het formele en niet-formele onderwijs, met inbegrip van een concept van levenslang leren vanaf een zo vroeg mogelijk stadium;

Recht op bescherming

Bestrijding van illegale inhoud

28. benadrukt de uitdagingen waarvoor het strafrecht zich geplaatst ziet waar het gaat om het toepassen van de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatigheid, het vermoeden van onschuld, de rechten van het slachtoffer en de rechten van de verdachte in de online omgeving; wijst in dit verband op de uitdagingen uit het verleden bij het opstellen van duidelijke definities, zoals voor kinderlokkerij online en kinderpornografie, waarvoor bij voorkeur de term "materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen" wordt gebruikt;

29. roept de Commissie daarom op om in het kader van haar rapportageverplichting over de omzetting van Richtlijn 2011/92/EU nauwkeurige en heldere gegevens te verzamelen over het misdrijf kinderlokkerij online, waarbij tevens precies wordt aangegeven welke nationale bepalingen dit gedrag als een misdrijf aanmerken; verzoekt de lidstaten en de Commissie om gegevens over dit misdrijf te verzamelen, met name over aantallen strafrechtelijke procedures die aanhangig zijn gemaakt, aantallen veroordelingen en belangrijke nationale jurisprudentie, en beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van vervolging en bestraffing; verzoekt de Commissie ook om de manier waarop statistische gegevens worden verzameld en gepubliceerd sterk te verbeteren zodat een betere beleidsontwikkeling en -evaluatie mogelijk wordt;

30. onderkent in dit verband de zeer intensieve samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in de lidstaten, evenals tussen deze autoriteiten en Europol en Eurojust, op het gebied van misdrijven die met behulp van digitale media tegen kinderen worden begaan, waarbij operatie 'Icarus' in 2011 tegen netwerken voor het online delen van bestanden met kinderporno als voorbeeld kan worden genoemd;

31. benadrukt echter dat er, gezien de bestaande belemmeringen die volledige samenwerking en wederzijds vertrouwen in de weg staan, verdere verbeteringen mogelijk zijn in het kader van een verdergaande harmonisering van het strafrecht en de strafrechtelijke procedures in de lidstaten, met inbegrip van de procedurele rechten en de rechten op het gebied van gegevensbescherming van verdachten en eerbiediging van de grondrechten op basis van het EU-Handvest;

32. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om mogelijke wetgevingsmaatregelen te overwegen indien zelfregulering van de industrie onvoldoende resultaten oplevert;

33. benadrukt echter dat voorstellen voor EU-bepalingen inzake materieel strafrecht volledig in overeenstemming dienen te zijn met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel, alsook met algemene beginselen van het strafrecht, en aanwijsbaar bedoeld moeten zijn om meerwaarde te creëren dankzij een gemeenschappelijke EU-aanpak bij de bestrijding van zware grensoverschrijdende criminaliteit, zoals in de resolutie van het Parlement van 22 mei 2012 over een EU-aanpak van het strafrecht(9) wordt aangegeven;

34. verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om nauwer te gaan samenwerken met derde landen bij het onmiddellijk verwijderen van webpagina's die zich op servers op hun grondgebied bevinden en die illegale inhoud of illegale gedragingen bevatten of verspreiden, alsook bij het bestrijden van cybercriminaliteit; moedigt in dit verband internationale uitwisseling van expertise en beproefde praktijken aan, alsmede het bundelen van ideeën tussen regeringen, wetshandhavinginstanties, in de bestrijding van computercriminaliteit gespecialiseerde politie-eenheden, telefonische hulpdiensten, kinderbeschermingsorganisaties en de internetsector aan;

35. verzoekt in dit verband om volledige goedkeuring van alle maatregelen die worden genoemd in de routekaart van de Raad van 2009 ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures, evenals om een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van de toelaatbaarheid en de beoordeling van bewijs, om de beletsels voor het vrije verkeer van bewijs dat in een andere lidstaat is verzameld weg te nemen;

36. is voorstander van de invoering en verdere uitbreiding van telefonische-hulpdienstsystemen voor het melden van misdrijven en illegale inhoud en illegaal gedrag, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de ervaring van het Europese telefonische meldpunt voor vermiste kinderen, alsook met de nationale vroegtijdige waarschuwingssystemen en het European Child Alert Automated System; benadrukt echter dat bij elk onmiddellijk strafrechtelijk ingrijpen op basis van een aangifte een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds de rechten van de potentiële slachtoffers en de positieve verplichting van de lidstaat krachtens de artikelen 2 en 8 van het EVRM en, anderzijds, zoals reeds benadrukt in de jurisprudentie van het EVRM, de rechten van de verdachte; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dit verband te komen beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van het onderzoek naar en de strafrechtelijke vervolging van misdrijven tegen kinderen in de digitale wereld; herinnert eraan dat artikel 8 van het voorstel van de Commissie voor een algemene verordening inzake gegevensbescherming (COM(2012)0011) specifieke waarborgen bevat voor de verwerking van persoonsgegevens van kinderen, zoals de verplichte toestemming van de ouders voor het verwerken van de gegevens van kinderen jonger dan dertien jaar;

37. merkt op dat de procedures voor procedures voor kennisgeving en verwijdering ("notice and take down") in sommige lidstaten nog te traag zijn; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om ter zake een effectbeoordeling te publiceren en beveelt aan de doeltreffendheid van deze procedures te vergroten en deze in de lidstaten verder uit te bouwen om tot beproefde praktijken te komen;

38. verzoekt de Commissie om de doeltreffendheid van de samenwerking tussen de politiediensten op het vlak de bescherming van kinderen tegen online criminaliteit, telefonische hulpdiensten en bestaande overeenkomsten met aanbieders van internetdiensten te evalueren; verzoekt om de totstandbrenging van synergie met andere diensten die op dit gebied actief zijn, zoals politiediensten en jeugdrechtspraakstelsels om minderjarigen te beschermen tegen online criminaliteit, in het bijzonder door telefonische hulpdiensten en contactpunten te coördineren en te integreren;

39. moedigt de lidstaten aan om nationale telefonische meldpunten en andere contactpunten, zoals "safety buttons", die aan de INHOPE-normen voldoen, in stand te houden, de integratie tussen deze organisaties te verbeteren en aandachtig de bereikte resultaten te analyseren;

40. onderstreept dat het belangrijk is dat betrouwbare instrumenten, zoals waarschuwingspagina's of akoestische en optische waarschuwingssignalen, overal toegepast gaan worden, teneinde de rechtstreekse toegang van minderjarigen tot voor hen schadelijke inhoud te beperken;

41. vraagt de Commissie en de lidstaten om de informatie over telefonische meldpunten en andere contactpunten, zoals "safety buttons" voor kinderen en hun families, te verbeteren en het zo makkelijker maken om illegale inhoud te melden, en verzoekt de lidstaten om meer bekendheid te geven aan het bestaan van telefonische meldpunten waar beelden van seksueel misbruik van kinderen kunnen worden gemeld;

42. staat achter de toezegging van de aanbieders van digitale inhoud en diensten om conform de geldende regelgeving gedragscodes op te stellen voor het identificeren en voorkomen van illegale inhoud en het verwijderen ervan op basis van gerechtelijke besluiten; moedigt de Commissie en de lidstaten aan op dat gebied evaluaties uit te voeren;

43. verzoekt de Commissie en de lidstaten een nieuwe campagne te starten die gericht zal zijn op de ouders en hen zal helpen om inzicht te krijgen in het door hun kinderen gehanteerde digitale materiaal, en vooral in de manier waarop zij hun kinderen kunnen beschermen tegen illegaal, ongeschikt of gevaarlijk materiaal;

44. betreurt dat de overeenkomst die op 9 februari 2009 tussen de Commissie en 17 sociale netwerken op het internet, waaronder Facebook en Myspace, werd ondertekend en die de bescherming en veiligheid van minderjarigen op het internet moest bevorderen, niet wordt nageleefd;

45. wijst erop dat online criminaliteit vaak grensoverschrijdend is en dat internationale samenwerking tussen bestaande handhavingsinstanties daarom een wezenlijk onderdeel moet vormen van de bestrijding van deze misdrijven;

46. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om bewustmakingscampagnes gericht op kinderen, ouders en opvoeders te steunen en te lanceren om hen van de nodige informatie te voorzien om zich te wapenen tegen cybercriminaliteit en hen aan te moedigen verdachte websites en onlinegedragingen te melden;

47. verzoekt de lidstaten om de bestaande nationale en internationale procedures voor het verwijderen van websites waarop uitbuiting, dreigementen, misbruik, discriminatie of andere onwenselijke inhoud worden geëtaleerd, naar behoren toe te passen;

Strijd tegen schadelijke inhoud

48. verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe effectief de diverse systemen voor vrijwillige indeling van niet voor minderjarigen geschikte inhoud zijn en moedigt de Commissie, de lidstaten en de internetbedrijven aan om strategieën en normen te ontwikkelen om kinderen te trainen in het verantwoord gebruik van internet en om hen bewust te maken van en te beschermen tegen online- en offlineblootstelling aan voor hun leeftijd ongeschikte inhoud, zoals geweld, reclame die tot buitensporige uitgaven aanzet en de aanschaf van virtuele goederen of kredieten via hun mobiele telefoons;

49. is verheugd over technische innovaties waarmee het bedrijfsleven speciale online diensten aanbiedt die een veilig internetgebruik door kinderen mogelijk maken;

50. verzoekt verenigingen van aanbieders van audiovisuele en digitale diensten om, in samenwerking met andere betrokken verenigingen, de bescherming van minderjarigen op te nemen in hun statuten en bij hun diensten te vermelden voor welke leeftijdsgroep zij geschikt zijn;

51. moedigt de lidstaten aan tot voortzetting van de dialoog die moet leiden tot harmonisatie van de classificatie van digitale inhoud voor kinderen, in samenwerking met de betrokken marktdeelnemers en verenigingen en met derde landen;

52. moedigt de Commissie en de lidstaten aan om elektronische spellen met behulp van duidelijke symbolen in te delen naar leeftijdscategorie en vooral ook naar inhoud;

53. verzoekt de Commissie het "Europees kader voor een veiliger gebruik van mobiele telefoons" voort te zetten door gebruik te maken van de mogelijkheden die ouderlijke controle vergemakkelijken;

54. benadrukt dat maatschappelijke organisaties goed werk hebben verricht en moedigt deze organisaties aan om grensoverschrijdend samen te werken en als partners op te treden van wetshandhavingsinstanties, de overheid, aanbieders van internetdiensten en het publiek;

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer

55. wijst nogmaals op het belang van gegevensbescherming voor kinderen, met name gezien de snelle toename van het aantal sociale netwerken en chatrooms, waardoor steeds meer persoonsgegevens op digitale media circuleren en toegankelijk zijn;

56. is ingenomen met het nieuwe voorstel voor een gegevensbeschermingsverordening (COM(2012)0011) en de speciale bepalingen daarin over de toestemming van kinderen en het recht om te worden vergeten, waarmee het verboden wordt om online informatie te bewaren over persoonlijke gegevens van minderjarigen die een risico kunnen opleveren voor hun persoonlijk en beroepsleven, erop wijzend dat het bewaren van internetinformatie en gegevens over kinderen misbruikt kan worden en ten koste kan gaan van hun waardigheid en hun maatschappelijke integratie;

57. benadrukt dat deze bepalingen op een zodanige manier moeten worden verduidelijkt en uitgewerkt dat gewaarborgd wordt dat ze op het moment van goedkeuring van de nieuwe wetgeving duidelijk en volledig operationeel zijn en de internetvrijheid niet ondermijnen;

58. is tevens verheugd over het voornemen om een elektronisch systeem voor leeftijdsverificatie op te zetten;

59. is van mening dat eigenaars en beheerders van webpagina's duidelijk en zichtbaar moeten aangeven welk gegevensbeschermingsbeleid zij voeren en dat zij moeten zorgen dat ouderlijke toestemming verplicht is voor de verwerking van gegevens van kinderen van minder dan dertien jaar; vraagt om opvoering van de inspanningen om de ingebouwde privacy zoveel mogelijk te versterken, teneinde secundaire victimisatie van kinderen te voorkomen;

60. onderstreept dat het belangrijk is dat gebruikers bewust worden gemaakt van de wijze waarop aanbieders van diensten of sociale netwerken hun persoonsgegevens en gegevens over aan hen verbonden derden verwerken en van de rechtsmiddelen waarover zij beschikken wanneer hun gegevens worden gebruikt voor andere dan de legitieme doelen waarvoor zij door aanbieders en hun partners werden verzameld, en dat deze informatie verschijnt in een aan het profiel van de gebruiker aangepaste taal en vorm, met speciale aandacht voor minderjarige gebruikers; is van mening dat aanbieders bijzondere verantwoordelijkheden hebben op dit gebied en verzoekt hen de gebruikers op heldere, begrijpelijke wijze te informeren over hun bekendmakingsbeleid;

61. hoopt sterk dat in elke digitale sector technologische opties worden bevorderd waarmee het surfen van kinderen desgewenst binnen traceerbare grenzen kan worden gehouden en de internettoegang aan voorwaarden kan worden verbonden, zodat ouders over een doeltreffend controle-instrument beschikken; tekent daar echter bij aan dat zo'n maatregelen niet in de plaats mogen komen van grondige training in het gebruik van de media;

62. benadrukt dat het belangrijk is kinderen en jongeren al in een heel vroeg stadium te informeren over hun recht op privacy op het internet en hen te leren de soms subtiele methodes te herkennen waarmee wordt geprobeerd informatie van ze los te krijgen;

Recht op weerwoord in digitale media

63. verzoekt de lidstaten systemen te ontwikkelen en te harmoniseren betreffende het recht op weerwoord in digitale media en ook de efficiëntie van die systemen te verbeteren;

Recht op digitaal burgerschap

64. benadrukt dat de digitale wereld een belangrijk opleidingsinstrument op het gebied van burgerschap is aangezien hij de deelname van een groot aantal burgers uit decentrale gebieden mogelijk maakt, en met name van jongeren die nu de mogelijkheid krijgen online volledig gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting en communicatie;

65. verzoekt de lidstaten digitale platforms te beschouwen als een trainingsplaats voor democratische participatie van alle kinderen, met speciale aandacht voor de meest kwetsbare;

66. onderstreept de kansen die de nieuwe media bieden om via digitale diensten en inhoud het begrip en de dialoog tussen generaties, geslachten en culturele en etnische groeperingen te bevorderen;

67. herinnert eraan dat informatie en burgerschap op het internet nauw met elkaar verbonden zijn en dat de grootste bedreiging van de burgerlijke betrokkenheid van jongeren vandaag de dag wordt gevormd door de onverschilligheid voor informatie;

o

o        o

68. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 83 van 30.3.2010.

(2)

PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

(3)

PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.

(4)

PB L 178 van 17.07.2000, blz. 1.

(5)

PB L 327 van 24.11.06, blz. 12.

(6)

PB L 378 van 27.12.06, blz. 72.

(7)

PB C 372 van 20.12.2011, blz. 15.

(8)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0323.

(9)

1 Aangenomen teksten, P7_TA-PROV(2012)0208.


TOELICHTING

Per week brengen Europese jongeren tot 40 uur voor de televisie door. Per dag zijn ze 88 minuten online (2 uur voor de 15- en 16-jarigen). Gemiddeld zijn ze voor het eerst online op 9-jarige leeftijd, maar in vele gevallen gebeurt dat op veel jongere leeftijd, zelfs voor hun schoolplichtige leeftijd of voor ze leren schrijven.

Het eerste te behandelen onderwerp is nog altijd de digitale kloof die in de huidige economische situatie de minder beschermde categorieën bedreigt, waaronder de kinderen, en die een negatief effect heeft op hun economische, sociale en culturele toekomst. De toegang tot de digitale wereld en de vaardigheid van de taal ervan vergt een begeleiding die alleen een opvoedende samenwerking tussen gezin, school en maatschappij kan bieden.

Het huidige initiatiefrapport gaat uit van de antwoorden van de lidstaten op het onderzoek voorzien in punt 6 van aanbeveling 2006/956/EG en biedt een gezamenlijk overzicht van een onderwerp dat in enkele jaren tijd het leven van kinderen in de Europese Unie grondig heeft veranderd.

Internet is een belangrijk onderdeel van het leven van jongeren geworden, vaak nog belangrijker dan familie, school en vrienden. Tussen 9 en 16 jaar gebruiken jongeren de computer voor huiswerk en om te spelen (100%) en ook om filmpjes te bekijken (86%), om met anderen te spelen, films en muziek te downloaden en te delen (56%) en tot slot om bestanden te delen, en chatrooms, blogs en virtuele werelden te bezoeken (23%).

44% van de jonge gebruikers legt de nadruk op de positieve mogelijkheden van het internet, waarover ze zich heel tevreden verklaren. 38% van de jongeren in de leeftijdscategorie van 9 tot 12 jaar en 77% in de categorie van 15 tot 16 jaar is lid van een sociaal netwerk. In hun profiel stelt 16% zich voor met een fictieve identiteit en 27% van de 9 tot 12-jarigen verklaart ouder te zijn dan ze in werkelijkheid zijn. Het surfen gebeurt steeds vaker alleen, want 46% van de jongeren gaat online op hun eigen kamer, 33% met hun mobiele telefoon of tablet, 87% doet dit thuis en 63% op school. 50% van de jongeren tussen 11 en 16 jaar verklaart zich gemakkelijker te kunnen uitdrukken online dan in een echt gesprek.

Wanneer vrij wordt gesurft, zonder bescherming en toezicht, staan de onervaren en achteloze surfers, waaronder kinderen kunnen worden gerekend, bloot aan verschillende risico’s, zoals de schending van de privacy, het commerciële en functionele gebruik van hun profielen, gevaren voor de gezondheid, verslavingsverschijnselen of een verdraaid beeld van de werkelijkheid en de eigen identiteit.

Het online aanbieden van schadelijke inhoud met een sterke connotatie van geweld, discriminatie, seksisme en racisme die niet geschikt is voor kinderen, kan bij de onvoorbereide gebruiker de perceptie van de inbreuk op de menselijke waardigheid verminderen en de verspreiding onder kinderen van het gebruik van het internet met de min of meer bewuste bedoelingen die schadelijk zijn voor de eigen waardigheid (sexting) of die van anderen (cyberpesten), bevorderen. 55% van de jongeren verklaart zich bewust te zijn van het risico van het internet. 12% van de 9- tot 12-jarigen verklaart al gestoord te zijn geweest, voornamelijk door internetpesterij (40%) en door inhoud of benaderingen van seksuele aard (25%). De internetpesterij lijkt met name een uitbreiding te zijn van het pesten in het echte leven, wat bijdraagt tot het uitdragen van het fenomeen en het uitlokken van wederzijdse gedragingen.

Ouders en opvoeders hebben het vaak lastig en moeilijk om jongeren te begeleiden in hun positieve ontdekkingstocht van de digitale wereld en blijven aan de zijkant staan van hun “virtuele leven”, wat vaak de oorzaak of het gevolg kan zijn van een ontevredenheid in het echte leven. Ouderlijk toezicht, met behulp van standaardsignalen of een toegang onderhevig aan het gebruik van een krediet- en pinkaart, is een nuttig systeem gebleken voor broadcasting- en breedbandsystemen in verband met audiovisuele mediadiensten, maar niet aangepast en gedeeltelijk efficiënt voor het internet en elektronische communicatiekanalen vanwege de grenzeloze diversificatie van de diensten, de aanbieders en hun wereldwijde verspreiding.

De school is zich aan het aanpassen aan de digitale wereld en passen hardware, software en werkmethoden toe die operationeel worden in 23 landen van de Unie, met een tempo en modaliteiten die de wijzigingen die de technologie heeft teweeggebracht in het leven van kinderen, onvoldoende kunnen bijhouden. Scholen worden opgeroepen om kinderen te vormen op het vlak van het praktische en kritische gebruik van de digitale technologieën en het internet in samenwerking met de volwassenen evenals met de groep van leeftijdsgenoten, waarbij de culturele diversiteit die gepaard gaat met een openheid naar de wereld, wordt beschermd. De vorming moet jongeren een beheersing van digitale vaardigheden bijbrengen die worden erkend als een van de acht “fundamentele vaardigheden” die onmisbaar zijn voor wie leeft in een kennismaatschappij.

De maatschappij deelt met de school die verantwoordelijkheid en is zich bewust van de sociale en economische voordelen van een kritisch, actief en veilig gebruik van digitale media door kinderen, in tegenstelling tot een gebruik dat leidt tot verslaving, conformistische en angst opwekkende houdingen, passiviteit en agressiviteit.

De lidstaten blijven met een verschillende snelheid de digitale kloof dichten en de deelname van kinderen aan de digitale wereld verbeteren, met een beleid dat gericht is op toegang tot het internet, discipline voor de inhoud ervan, respect voor de privacy en de digitale identiteit en met de invoering van basisprogramma’s als optionele didactische module voor basis- en middelbare scholen.

De jongeren zelf, de gezinnen, de school, onderzoekers en de maatschappij zijn er zich steeds meer bewust van dat kwaliteitsnormen moeten worden opgelegd voor inhoud die aan kinderen is gericht, onafhankelijk van de verspreidingsvorm ervan, analoog of digitaal, online of offline, en van het gebruikte instrument (televisie, computer, telefoon, tablet). De fabrikanten van hardware en inhoud en hun verenigingen nemen in het algemeen deel aan deze gemeenschappelijke zoektocht, alleen al voor de bescherming van hun business. In toepassing van de Richtlijn Audiovisuele mediadiensten hebben in het bijzonder de openbare radio- en televisiediensten op meerdere platforms rechtstreeks en via de Europese Unie van omroepen al jarenlang goede praktijken en instrumenten voor toezicht op programma’s voor kinderen uitgewisseld en desondanks is de aanbieding van kwaliteitsvolle programma’s voor die leeftijdsgroep vaak beperkt, zowel daar waar de redactionele verantwoordelijkheid ligt als op het vlak van de televisie-uitzendingen.

De Europese Unie en de lidstaten hebben een regelgeving opgesteld en de zelfregulering aangemoedigd, wat nodig was aangezien een dergelijk fenomeen veel sociale aspecten met zich brengt waarvoor niet uitsluitend een juridische toetsing mogelijk is. Met co-financiering van de Europese Unie zijn zo geldige instrumenten ontstaan, waaronder in de eerste plaats het programma voor een Veiliger internet dat goed geworteld is in alle landen van de Unie, dat tot 2013 voor een coördinatie zorgt en dat positief werd beoordeeld in het tussentijds verslag.

In het ontwerpverslag wordt de nadruk gelegd op drie elementen op het vlak van de bescherming van kinderen in het digitale tijdperk:

-         toegang tot en onderwijs in media en nieuwe media,

-         bescherming, met een onderscheid in de strijd tegen illegale inhoud en die tegen ongepaste inhoud en gedragingen, de bescherming van de privacy en het recht op weerwoord,

-         digitaal burgerschap.

In de eerste plaats wordt een kader voor rechten en governance voorgesteld dat een einde maakt aan de versnippering van de wetgevingsmaatregelen en indicatoren voor de bescherming van kinderen in de digitale wereld die vandaag bestaan op het vlak van mensenrechten, privacy, strijd tegen seksueel misbruik, audiovisuele mediadiensten en e-commerce. Artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vraagt om een holistisch beleid voor kinderen: er is daarom een kaderrichtlijn nodig die de hele materie samenbundelt en reglementeert en een governance op meerdere niveaus die de aanpak in de lidstaten harmoniseert en een sterkere coördinatie tussen de lidstaten en de Europese Unie aanmoedigt.

Wij zijn ons bewust van de bestaande culturele en juridische verschillen tussen de lidstaten die het moeilijk maken om een grens te trekken tussen de te sanctioneren inhoud en gedragingen en de “grijze” zones. Wij stellen dan ook voor om een onderscheid te maken tussen illegale inhoud, zoals "grooming" (erkend als misdrijf in het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, maar nog niet goedgekeurd en geratificeerd door alle lidstaten), kinderpornografie, schending van de privacy, onlinekansspelen, commerciële oplichting, en gedragingen die ernstige gevolgen kunnen hebben, zoals cyberpesten en sexting en gedragingen die onaangepast zijn aan de leeftijd, zoals ongeschikte reclame, geweld, seks en andere die kunnen leiden tot schrik en angst.

Bovendien wordt rekening gehouden met enkele andere problemen van het huidige kader:

Het programma voor een Veiliger internet moet worden voortgezet en in ieder geval moet de verantwoordelijkheid voor de bescherming van kinderen tegen cybermisdrijven onder leiding staan van de ordediensten die op Europees vlak efficiënter moeten samenwerken. Acties in de strijd tegen de onlinemisdaad die kinderen schade toebrengen en die met succes door enkele lidstaten worden ontwikkeld en waarbij informatie wordt uitgewisseld met ISP en ESP, zullen worden aangemoedigd.

Zelfregulering is een nuttige piste gebleken, maar heeft ook grenzen aangetoond die gecorrigeerd zullen worden bij belangenconflicten.

De lidstaten moeten ook de kinderen in de digitale wereld beschermen door elke vorm voor de beheersing van de eigen regels te bevorderen, die onmisbaar zijn voor een vol en actief burgerschap, om de Europese burgers de mogelijkheid te bieden om de culturele en economische dimensie te vatten van alle soorten media die verbonden zijn met de digitale technologie en om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon die een kenniseconomie laat ontstaan en die de concurrentie aanwakkert.


MINDERHEIDSSTANDPUNT

ingediend overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Reglement

Minderheidsstandpunt van de ALDE-Fractie

Marietje Schaake, Hannu Takkula, Morten Løkkegaard, Nadja Hirsch

Wij zijn van mening dat kinderen beschermd moeten worden en dat criminaliteit moet worden aangepakt door middel van wetshandhaving. In het verslag wordt echter de nadruk gelegd op regeringscampagnes en op de uitbreiding van handhavingsmaatregelen tot aanbieders van internetdiensten en andere zelfreguleringsmechanismen en daarmee worden verkeerde prioriteiten gesteld en ontstaat het gevaar dat verantwoordelijkheden van staten geprivatiseerd worden, terwijl de rol van ouders in de opvoeding van hun kinderen wordt verkleind.

Met de in het verslag bepleite maatregelen wordt bovendien ten onrechte de nadruk gelegd op vermeende gevaren van het internet, waardoor de educatie- en innovatiemogelijkheden onvoldoende uit de verf komen. Wij zien liever dat de veerkracht en de onafhankelijkheid van jongeren worden vergroot. De inspanningen moeten erop gericht zijn om kinderen en jongeren, met hulp van hun ouders en leraren, te leren verantwoordelijkheid te dragen voor hun acties op internet en digitale vaardigheden te verwerven.

Wij beseffen dat vooruitgang op ICT-gebied het sociaal kapitaal kan vergroten door grondrechten als vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie te bevorderen. Wij zijn van oordeel dat de deelname van kinderen en jongeren aan de hedendaagse digitale maatschappij een essentieel aspect van hun ontwikkeling is.

Wij beseffen ten volle dat de wet doeltreffend moet worden gehandhaafd, en met name dat er een eind moet worden gemaakt aan ernstige misdrijven zoals kinderpornografie, maar helaas vinden wij de voorgestelde maatregelen te restrictief om er onze steun aan te kunnen geven.


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (25.7.2012)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

over de bescherming van kinderen in de digitale wereld

2012/2068 (INI).

Rapporteur voor advies: Anna Hedh

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst op het feit dat een nieuwe fase in de bescherming van de rechten van het kind in het EU-kader is begonnen met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in combinatie met het thans juridisch bindende Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat in artikel 24 bepaalt dat de bescherming van het kind een grondrecht is en bepaalt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen; wijst opnieuw op de noodzaak dat de EU de normen naleeft van de internationale instrumenten waarbij de EU als zodanig geen partij is, conform de oproep van het Europees Hof van Justitie in zaak C-540/03, Europees Parlement tegen Raad;

2.  dringt er bij de lidstaten op aan om Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie vlot en tijdig om te zetten en ten uitvoer te leggen; roept de lidstaten ertoe op hun inspanningen op het gebied van de bescherming van minderjarigen in de digitale wereld zoveel mogelijk te harmoniseren;

3.  herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om – ingeval ze dit nog niet hebben gedaan – over te gaan tot het ondertekenen en ratificeren van de internationale instrumenten inzake de bescherming van kinderen, zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, het Derde Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag inzake de uitoefening van de rechten van het kind, en deze instrumenten om te zetten met inachtneming van de vereiste rechtszekerheid en helderheid, zoals de rechtsorde van de EU dit verlangt; benadrukt dat de rechten van kinderen een integraal onderdeel moeten worden van alle beleidsterreinen van de EU, waarbij het effect van de maatregelen op de rechten, de veiligheid en de lichamelijke en geestelijke integriteit van kinderen worden geanalyseerd, en dat de Commissie ook met het oog daarop duidelijk geformuleerde voorstellen met betrekking tot de digitale wereld moet indienen; benadrukt dat digitale geletterdheid, digitale vaardigheden en een veilig internetgebruik prioriteiten van het Europese sociaal beleid moeten blijven;

4.  wijst erop dat het internet kinderen en jongeren immens waardevolle hulpmiddelen biedt die ze kunnen gebruiken om hun denkbeelden duidelijk te maken en te doen gelden, om toegang te krijgen tot informatie en scholing en hun rechten op te eisen, en een uitstekend communicatiemiddel vormt voor openstelling voor de wereld en persoonlijke groei; benadrukt niettemin dat de online omgeving en de sociale media grote risico's kunnen inhouden voor de persoonlijke levenssfeer en de waardigheid van kinderen, die in het algemeen erg handig zijn in het gebruiken van internet maar tot de meest kwetsbare gebruikers behoren;

herinnert eraan dat internet kinderen ook blootstelt aan risico's vanwege verschijnselen als kinderpornografie, de uitwisseling van materiaal over geweld, cybercriminaliteit, intimidatie, pesterijen, kinderlokkerij online, de mogelijkheid voor kinderen om toegang te krijgen tot goederen en diensten waarvoor wettelijke beperkingen gelden of die ongeschikt zijn voor hun leeftijd of deze te kopen, blootstelling aan niet bij de leeftijd passende, agressieve of misleidende reclame, zwendelpraktijken, identiteitsdiefstal, oplichterij en soortgelijke bedreigingen van financiële aard die traumatische ervaringen kunnen opleveren;

5.  benadrukt dat alleen een alomvattende combinatie van wettelijke, technische en onderwijsmaatregelen, met inbegrip van preventie, ervoor kan zorgen dat passend kan worden gereageerd op de risico's waarmee kinderen online te maken hebben en dat de bescherming van kinderen in de online-omgeving wordt verbeterd; dringt er in dit verband bij de Commissie en de lidstaten op aan om passende maatregelen te treffen, onder meer via het internet, zoals het opzetten, eventueel in samenwerking met de betrokken maatschappelijke organisaties, gezinnen, scholen, audiovisuele diensten, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden, van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes die tot doel hebben het besef te vergroten en het gevaar dat kinderen het slachtoffer worden van internet te verkleinen;

6.  steunt in dit verband de inspanningen van de lidstaten om stelselmatig voorlichting en training voor kinderen, ouders, opvoeders, leerkrachten en sociale werkers te bevorderen om hen in staat te stellen de digitale wereld te begrijpen en de gevaren te onderkennen die de lichamelijke of geestelijke integriteit van kinderen zouden kunnen schaden, om de risico's die de digitale media inhouden te verkleinen en informatie te verstrekken over meldpunten en over de wijze waarop minderjarige slachtoffers kunnen worden geholpen; wijst er tevens op dat kinderen moeten beseffen dat hun eigen gebruik van digitale technologie de rechten van anderen kan schaden of zelfs crimineel gedrag kan vormen;

7.  benadrukt de uitdagingen waarvoor het strafrecht zich geplaatst ziet waar het gaat om het toepassen van de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatigheid, het vermoeden van onschuld, de rechten van het slachtoffer en de rechten van de verdachte in de online omgeving; wijst in dit verband op de uitdagingen uit het verleden bij het opstellen van duidelijke definities, zoals voor kinderlokkerij online en kinderpornografie, waarvoor bij voorkeur de term "materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen" wordt gebruikt;

8.  beklemtoont dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de online marketing van schadelijke stoffen als alcohol die jongeren bereikt; wijst erop dat het vanwege de aard en het bereik van online-marketingmethoden, bijvoorbeeld via sociale netwerken, voor de afzonderlijke lidstaten heel moeilijk is toezicht te houden op de online marketing van alcohol en dat optreden van de Commissie dus meerwaarde zou opleveren op dit gebied;

9.  roept de Commissie daarom op om in het kader van haar rapportageverplichting over de omzetting van Richtlijn 2011/92/EU nauwkeurige en heldere gegevens te verzamelen over het misdrijf kinderlokkerij online, waarbij tevens precies wordt aangegeven welke nationale bepalingen dit gedrag als een misdrijf aanmerken; verzoekt de lidstaten en de Commissie om gegevens over dit misdrijf te verzamelen, met name over aantallen strafrechtelijke procedures die aanhangig zijn gemaakt, aantallen veroordelingen en belangrijke nationale jurisprudentie, en beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van vervolging en bestraffing; verzoekt de Commissie ook om de manier waarop statistische gegevens worden verzameld en gepubliceerd sterk te verbeteren zodat een betere beleidsontwikkeling en -evaluatie mogelijk wordt;

10. onderkent in dit verband de zeer intensieve samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in de lidstaten, evenals tussen deze autoriteiten en Europol en Eurojust, op het gebied van misdrijven die met behulp van digitale media tegen kinderen worden begaan, waarbij operatie 'Icarus' in 2011 tegen netwerken voor het online delen van bestanden met kinderporno als voorbeeld kan worden genoemd; benadrukt echter dat er, gezien de bestaande belemmeringen voor volledige samenwerking en wederzijds vertrouwen, verdere verbeteringen mogelijk zijn in het kader van een verdergaande harmonisering van het strafrecht en strafrechtelijke procedures in de lidstaten, met inbegrip van de procedurele rechten en de rechten op het gebied van gegevensbescherming van verdachten en eerbiediging van de grondrechten op basis van het EU-Handvest; benadrukt echter dat voorstellen voor EU-bepalingen inzake materieel strafrecht volledig in overeenstemming dienen te zijn met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel, alsook met algemene beginselen van het strafrecht, en duidelijk aantoonbare meerwaarde moeten opleveren voor een gemeenschappelijke EU-aanpak inzake de bestrijding van zware grensoverschrijdende criminaliteit, zoals in de resolutie van het Parlement van 22 mei 2012 over een EU-aanpak van het strafrecht(1) wordt aangegeven;

11. verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om nauwer te gaan samenwerken met derde landen bij het onmiddellijk verwijderen van webpagina's die zich op servers op hun grondgebied bevinden en die illegale inhoud of illegale gedragingen bevatten of verspreiden, alsook bij het bestrijden van cybercriminaliteit; moedigt in dit verband internationale uitwisseling van expertise en beproefde praktijken aan, alsmede het bundelen van ideeën tussen regeringen, wetshandhavinginstanties, in de bestrijding van computercriminaliteit gespecialiseerde politie-eenheden, telefonische hulpdiensten, kinderbeschermingsorganisaties en de internetsector aan;

12. verzoekt in dit verband om volledige goedkeuring van alle maatregelen die worden genoemd in de routekaart van de Raad van 2009 ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures, evenals om een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van de toelaatbaarheid en de beoordeling van bewijs, om de beletsels voor het vrije verkeer van bewijs dat in een andere lidstaat is verzameld weg te nemen;

13. is voorstander van de invoering en verdere uitbreiding van telefonische-hulpdienstsystemen voor het melden van misdrijven en illegale inhoud en illegaal gedrag, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de ervaring van het Europese telefonische meldpunt voor vermiste kinderen, alsook met de nationale vroegtijdige waarschuwingssystemen en het European Child Alert Automated System; benadrukt echter dat bij elk onmiddellijk strafrechtelijk ingrijpen op basis van een aangifte een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds de rechten van de potentiële slachtoffers en de positieve verplichting van de lidstaat krachtens de artikelen 2 en 8 van het EVRM en, anderzijds, zoals reeds benadrukt in de jurisprudentie van het EVRM, de rechten van de verdachte; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dit verband te komen beproefde praktijken uit te wisselen op het gebied van het onderzoek naar en de strafrechtelijke vervolging van misdrijven tegen kinderen in de digitale wereld; herinnert eraan dat artikel 8 van het voorstel van de Commissie voor een algemene verordening inzake gegevensbescherming (COM(2012)0011) specifieke waarborgen bevat voor de verwerking van persoonsgegevens van kinderen, zoals de verplichte toestemming van de ouders voor het verwerken van de gegevens van kinderen jonger dan dertien jaar;

14. benadrukt de rol van de particuliere sector, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden in de verantwoordelijkheid voor kwesties als op minderjarigen gerichte agressieve en misleidende TV- en online-reclame, alsook voor het als kindveilig aanmerken van webpagina's en voor het bevorderen van "nettiquette" voor kinderen; benadrukt dat dergelijke maatregelen volledig verenigbaar moeten zijn met de rechtsregels en de rechtszekerheid, rekening moeten houden met de rechten van eindgebruikers en in overeenstemming moeten zijn met bestaande wettelijke en gerechtelijke procedures, alsook met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Handvest van de grondvesten van de Europese Unie en de jurisprudentie van het EHvJ en het EHRM; verzoekt het bedrijfsleven de bestaande gedragscodes en soortgelijke initiatieven, zoals "EU-pledge" en de verklaring van Barcelona van het Forum voor consumentengoederen, volledig na te leven en in praktijk te brengen;

15. wijst nogmaals op het belang van gegevensbescherming voor kinderen, met name gezien de snelle toename van het aantal sociale netwerken en chatrooms, waardoor steeds meer persoonsgegevens op digitale media circuleren en toegankelijk zijn; is ingenomen met het nieuwe voorstel voor een gegevensbeschermingsverordening (COM(2012)0011) en de speciale bepalingen daarin over de toestemming van kinderen en het recht om te worden vergeten, eraan herinnerend dat het bewaren van internetinformatie en gegevens over kinderen misbruikt kan worden en ten koste kan gaan van hun waardigheid en hun maatschappelijke integratie; benadrukt dat deze bepalingen op een zodanige manier moeten worden verduidelijkt en uitgewerkt dat gewaarborgd wordt dat ze op het moment van goedkeuring van de nieuwe wetgeving duidelijk en volledig operationeel zijn en de internetvrijheid niet ondermijnen;

16. is in dit verband van mening dat eigenaars en beheerders van webpagina's duidelijk en zichtbaar moeten aangeven welk gegevensbeschermingsbeleid zij voeren en dat zij moeten zorgen dat ouderlijke toestemming verplicht is voor de verwerking van gegevens van kinderen van minder dan dertien jaar; vraagt om opvoering van de inspanningen om de ingebouwde privacy zoveel mogelijk te versterken, teneinde secundaire victimisatie van kinderen te voorkomen;

17. is verheugd over de aankondiging van de Europese Commissie om een Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit op te richten om criminaliteit op internet te bestrijden en is van mening dat de bescherming van kinderen een prioriteit moet zijn bij de acties en taken van dit Centrum.

(1)

1 Aangenomen teksten, P7_TA-PROV(2012)0208.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.10.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

3

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zoltán Bagó, Malika Benarab-Attou, Lothar Bisky, Piotr Borys, Jean-Marie Cavada, Silvia Costa, Santiago Fisas Ayxela, Lorenzo Fontana, Mary Honeyball, Cătălin Sorin Ivan, Petra Kammerevert, Morten Løkkegaard, Emilio Menéndez del Valle, Marek Henryk Migalski, Doris Pack, Chrysoula Paliadeli, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Marietje Schaake, Marco Scurria, Hannu Takkula, Helga Trüpel, Sabine Verheyen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Nadja Hirsch, Seán Kelly, Iosif Matula, Mitro Repo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Emer Costello, Jacky Hénin

Juridische mededeling - Privacybeleid