Procedure : 2012/2098(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0017/2013

Ingediende teksten :

A7-0017/2013

Debatten :

PV 05/02/2013 - 14
CRE 05/02/2013 - 14

Stemmingen :

PV 06/02/2013 - 7.10
CRE 06/02/2013 - 7.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0049

VERSLAG     
PDF 262kWORD 229k
28.1.2013
PE 500.415v02-00 A7-0017/2013

over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei

(2012/2098(INI))

Commissie juridische zaken

Rapporteur voor advies: Raffaele Baldassarre

Rapporteur voor advies (*):

Richard Howitt, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken(*)
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei

2012/2098(INI)

Het Europees Parlement,

–   gezien de resolutie van de Raad van 3 december 2001 betreffende de follow-up van het Groenboek over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen(1),

–   gezien de resolutie van de Raad van 6 februari 2003 inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen(2),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie - Een actieplan" (COM(2003)0284) (Actieplan corporate governance),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Pakket verantwoordelijke ondernemingen" (COM(2011)0685),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Initiatief voor sociaal ondernemerschap – Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie" (COM(2011)0682),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–   gezien zijn resolutie van 30 mei 2012 over het Groenboek van de Commissie "De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven"(3),

–   gezien zijn resolutie van 13 mei 2003 over de mededeling van de Commissie over de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven: een bijdrage van het bedrijfsleven aan duurzame ontwikkeling(4),

–   gezien zijn resolutie van 13 maart 2007 inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap(5),

–   gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité van 24 mei 2012 over de mededeling van de Commissie met als titel "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen(6),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681),

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0017/2013),

Naar een moderne opvatting over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO): enkele overwegingen vooraf

1. onderstreept dat bedrijven de taken van de overheid op het vlak van de bevordering en de uitvoering van en de controle op de sociale en milieuvoorschriften niet kunnen overnemen;

2. benadrukt dat de huidige wereldwijde economische crisis is voortgekomen uit fundamentele fouten met betrekking tot transparantie, controleerbaarheid, verantwoordelijkheid en kortetermijndenken, en dat de EU de plicht heeft ervoor te zorgen dat iedereen hier lering uit trekt; toont zich verheugd over het voornemen van de Commissie om Eurobarometer-enquêtes uit te voeren met betrekking tot het vertrouwen in ondernemingen; dringt erop aan dat de resultaten van deze enquêtes door alle belanghebbenden volledig worden besproken en opgevolgd; is een warm voorstander van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en is van mening dat MVO - indien dit door alle en niet alleen door grote ondernemingen wordt toegepast - een grote bijdrage kan leveren aan het herstel van het verloren vertrouwen, hetgeen noodzakelijk is voor een duurzaam economische herstel, en de sociale gevolgen van de economische crisis kan verlichten; wijst erop dat wanneer ondernemingen verantwoordelijkheid voor de maatschappij, het milieu en werknemers nemen, dit een win-winsituatie creëert die kan zorgen voor het vertrouwen dat noodzakelijk is voor economisch succes; is van mening dat het opnemen van maatschappelijk verantwoord ondernemen in een duurzame bedrijfsstrategie zowel in het belang van de onderneming als in dat van de gehele maatschappij is; beklemtoont dat veel ondernemingen - met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) - op dit gebied een uitstekend voorbeeld hebben neergezet;

3. is van mening dat het bedrijfsleven kan bijdragen aan de totstandkoming van een sociale markteconomie en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie door het scheppen van banen en het bevorderen van economisch herstel;

4. is van mening dat het debat over maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden geplaatst in een bredere context, die weliswaar het in eerste instantie vrijwillige karakter van MVO garandeert maar tegelijkertijd, waar nodig, ruimte biedt voor een dialoog over regelgevende maatregelen;

5. gaat akkoord met de nieuwe, door de Commissie voorgestelde definitie van MVO, die het conflict tussen de vrijwillige en de verplichte benadering wegneemt;

6.  is van mening dat ondernemingsbestuur (corporate governance) een fundamenteel element van maatschappelijk verantwoord ondernemen is, met name wat betreft de betrekkingen met de overheid en met de werknemers en de organisaties die hen vertegenwoordigen, en wat betreft het beleid ten aanzien van bonussen, vertrekpremies en lonen; is van mening dat buitensporige bonussen, vertrekpremies en lonen voor managers, met name wanneer een bedrijf in moeilijkheden verkeert, onverenigbaar zijn met maatschappelijk verantwoord gedrag;

7.  is van mening dat het fiscale beleid van een bedrijf als een onderdeel van MVO moet worden beschouwd, en dat strategieën die gericht zijn op belastingontduiking of gebruikmaking van belastingparadijzen derhalve onverenigbaar zijn met maatschappelijk verantwoord gedrag;

8.  is van mening dat bij de beoordeling van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van een bedrijf ook rekening moet worden gehouden met het gedrag van de bedrijven die deel uitmaken van zijn toeleveringsketen en dat van zijn eventuele onderaannemers;

De banden tussen MVO, de burgers, de mededinging en de innovatie versterken

9.  verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten innovatieve ondernemingsmodellen te bevorderen die de wisselwerking tussen bedrijven en de maatschappelijke context waarin zij functioneren versterken;

10. verzoekt de Commissie rekening te houden met de besprekingen die momenteel gaande zijn over de herziening van de jaarrekening- en transparantierichtlijnen, zodat de nieuw voorgestelde MVO-strategie een aanvulling vormt op de herziene richtlijn;

11. benadrukt dat het van belang is innovatieve oplossingen te ondersteunen die bedrijven in staat stellen zich te richten op sociale en milieugerelateerde uitdagingen, zoals intelligente vervoerssystemen en milieuefficiënte, toegankelijke en voor iedereen ontworpen producten;

12. moedigt de initiatieven van de Commissie aan om de zichtbaarheid van MVO en de verspreiding van beste praktijken te bevorderen, en is een warm voorstander van de invoering van een Europese MVO-prijs voor bedrijven en partnerschappen; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan te overwegen of er hiertoe, naast andere maatregelen, een Europees sociaal keurmerk kan worden ingevoerd;

13. is ingenomen met de oprichting van MVO-platforms waaraan verschillende belanghebbenden deelnemen, en stemt in met de gekozen sectorale aanpak;

14. erkent het belang en het potentieel van het "Enterprise 2020"-initiatief van het MVO-Europa-netwerk, dat een significante bijdrage kan leveren aan het versterken van de koppeling tussen MVO en concurrentievermogen door de verspreiding van optimale werkmethoden in de hand te werken; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer synergieën te bewerkstelligen met betrekking tot de doelstelling van beleidsmaatregelen en initiatieven ten behoeve van sociale innovatie en het scheppen van werkgelegenheid; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan om de inspanningen van het MVO-Europa-netwerk te ondersteunen, met als hoofddoel de samenwerking tussen het bedrijfsleven en de lidstaten te verbeteren, teneinde de ontwikkeling van nationale actieplannen en de verspreiding van goede praktijken te bevorderen;

15. sluit zich aan bij het voorstel van de Commissie om periodiek onderzoek te doen naar het vertrouwen van de burgers in en hun houding ten aanzien van de door bedrijven uitgevoerde MVO-strategieën; pleit ervoor de inhoud van deze onderzoeken te koppelen aan de herziening van het actieplan voor duurzame consumptie en productie, teneinde de factoren die een meer verantwoorde consumptie in de weg staan te identificeren;

De transparantie en de doelmatigheid van het MVO-beleid verbeteren

16. dringt er bij de Commissie op aan om, in aanvulling op de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken, specifieke maatregelen voor te stellen om misleidende en onjuiste informatie met betrekking tot verplichtingen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en in verband met de sociale en milieueffecten van producten en diensten tegen te gaan, met speciale aandacht voor de indiening en behandeling van klachten op basis van een open en duidelijke procedure en de instelling van onderzoeken; is van mening dat "greenwashing" niet alleen misleidend en verwarrend is voor consumenten, overheden en investeerders, maar ook het vertrouwen in MVO als doeltreffend instrument voor het verwezenlijken van duurzame en inclusieve groei ondermijnt;

17. deelt de mening dat in openbare aanbestedingen meer rekening moet worden gehouden met sociale en milieuoverwegingen; dringt er in dat verband op aan dat het gunningscriterium van de laagste prijs wordt geschrapt en dat de verantwoordingsplicht in de gehele onderaannemingsketen wordt vergroot;

18. vraagt de Commissie verdere initiatieven te nemen ter ontsluiting en versterking van het MVO-potentieel om de klimaatverandering tegen te gaan (door het te koppelen aan hulpbronnen- en energie-efficiëntie), bijvoorbeeld in de procedures die ondernemingen hanteren om hun grondstoffen in te kopen;

19. onderstreept dat EU-hulp aan regeringen van derde landen bij de tenuitvoerlegging van sociale en milieuregelgeving tezamen met doeltreffende inspectieregelingen een noodzakelijke aanvulling vormt op de inspanningen om het door het Europese bedrijfsleven betrachte MVO wereldwijd uit te dragen;

20. onderstreept dat maatschappelijk verantwoord investeren (MVI) een van de manieren is om MVO bij investeringsbeslissingen in de praktijk te brengen; merkt op dat er op dit moment geen universele definitie van MVI bestaat, maar dat hierbij doorgaans de financiële doeleinden van investeerders worden gekoppeld aan diens zorgen omtrent sociale, ecologische en ethische kwesties en omtrent het ondernemingsbestuur;

21. erkent het belang van de verspreiding door het bedrijfsleven van informatie over duurzaamheid, zoals sociale en milieufactoren, teneinde de risico's met betrekking tot duurzaamheid te identificeren en het vertrouwen van investeerders en consumenten te vergroten; wijst op de substantiële vooruitgang die op dit gebied is geboekt en verzoekt de Commissie de doelstelling van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad (IIRC) om geïntegreerde verslaglegging binnen het komende decennium tot de wereldwijde norm te maken, te ondersteunen;

22. benadrukt dat strikte eerbiediging van de mensenrechten, oprechte toewijding en transparantie noodzakelijk zijn om maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de hele toeleveringsketen te waarborgen, de duurzame voetafdruk van Europese bedrijven te meten, en belastingontduiking en illegale geldstromen te bestrijden;

23. benadrukt dat verantwoord ondernemen niet mag worden teruggebracht tot een marketinginstrument, en alleen ten volle tot ontwikkeling kan komen indien het in de algemene bedrijfsaanpak wordt opgenomen en bij de dagelijkse gang van zaken en in de financiële strategie in de praktijk wordt gebracht; zou graag een verband zien tussen verantwoord ondernemen en goed ondernemingsbestuur; is van mening dat de Commissie bedrijven moet aansporen om besluiten over maatschappelijk verantwoord ondernemen op het niveau van de raad van bestuur te nemen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan codes voor bedrijfsbestuur in te voeren die het belang van verantwoordelijkheid voor iedereen in het bedrijf weerspiegelen en een duidelijk verband leggen tussen de milieu-, sociale en mensenrechtenprestaties van het bedrijf enerzijds en de financiële resultaten van het bedrijf anderzijds;

24. onderstreept dat ondernemingen die zich voor MVO inzetten, voor beleggers en consumenten gemakkelijk herkenbaar zouden moeten zijn, aangezien zij op deze manier in hun inspanningen worden aangemoedigd;

25. benadrukt dat maatschappelijk verantwoord investeren (MVI), als onderdeel van de toepassing van MVO bij investeringsbesluiten, ervoor zorgt dat investeerders hun financiële en economische doeleinden koppelen aan hun sociale, milieu-, ethische, culturele en onderwijsoverwegingen;

26. volgt aandachtig het huidige debat over het wetgevingsvoorstel betreffende de transparantie van de sociale en milieu-informatie die door bedrijven wordt verstrekt; pleit ervoor een wetsvoorstel aan te nemen dat de grootst mogelijke flexibiliteit van handelen biedt, teneinde rekening te houden met het multidimensionale karakter van MVO en de diversiteit van het door bedrijven gevoerde MVO-beleid, en dat bovendien voldoende vergelijkbaarheid waarborgt om in de behoeften van investeerders en andere belanghebbenden te voorzien en om consumenten eenvoudig toegang te verschaffen tot informatie met betrekking tot het effect van bedrijven op de maatschappij, met inbegrip van bestuursaspecten en de levenscycluskostenmethode; is van mening dat deze informatie inzake duurzaamheid in voorkomend geval ook betrekking moet hebben op onderaannemers en op de toeleveringsketen en dat zij gebaseerd moet zijn op mondiaal aanvaarde methoden, zoals die van het "Global Reporting Initiative" of die van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad; dringt voorts aan op een uitzonderingsregeling of een vereenvoudigd kader voor kmo's;

27. dringt aan op een intensiever en meer inclusief en transparant toezicht op de beginselen van MVO in het handelsbeleid van de EU, met duidelijke criteria voor het meten van verbeteringen, teneinde het vertrouwen in het systeem te vergroten;

28. moedigt zowel de EU als de lidstaten aan concrete informatie te verstrekken over en onderwijs en opleidingen te verzorgen met betrekking tot MVO, zodat bedrijven de voordelen die MVO biedt volledig kunnen benutten en MVO binnen hun organisatiecultuur kunnen toepassen;

29. moedigt mediabedrijven aan om transparante journalistieke normen in hun MVO-beleid op te nemen, met inbegrip van garanties voor bronbescherming en de rechten van klokkenluiders;

30. verzoekt de Commissie verder na te denken over bindende en niet-bindende maatregelen om de erkenning en bevordering van de inspanningen die bedrijven leveren op het gebied van transparantie en de openbaarmaking van niet-financiële informatie in de hand te werken;

31. verzet zich krachtig tegen de invoering van specifieke parameters, zoals prestatie-indicatoren op Europees niveau, die kunnen leiden tot onnodige administratieve lasten en inefficiënte operationele structuren; dringt er in plaats daarvan bij de Commissie op aan om bedrijven mondiaal aanvaarde methoden aan te reiken en het gebruik hiervan te bevorderen, zoals de methoden van het "Global Reporting Initiative" of die van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad;

32. acht het niettemin van fundamenteel belang dat de Commissie zo spoedig mogelijk de aangekondigde, op levenscycluskosten gebaseerde gemeenschappelijke methode voor de meting van milieuprestaties uitwerkt; is van mening dat deze methode nuttig zou zijn voor zowel de transparantie van de gegevens die de bedrijven verstrekken als de beoordeling van de milieuprestaties van bedrijven door de overheid;

33. verwelkomt het voornemen van de Commissie om een "praktijkgemeenschap" voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en het sociaal handelen van ondernemingen op te zetten; is van mening dat deze gemeenschap complementair moet zijn aan een gedragscode voor coregulering en zelfregulering, teneinde alle belanghebbenden in staat te stellen deel te nemen aan een collectief leerproces om de efficiëntie en controleerbaarheid van maatregelen waarbij meerdere belanghebbenden zijn betrokken, te verbeteren;

34. dringt aan op volledige en actieve raadpleging en betrokkenheid van vertegenwoordigende organisaties, met inbegrip van vakbonden, bij de ontwikkeling en de toepassing van en het toezicht op de MVO-processen en -structuren van bedrijven, waarbij in een oprecht partnerschap wordt samengewerkt met de werkgevers;

35. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de verplichte systematische verslaglegging inzake essentiële duurzaamheidsaspecten niet tot overbelasting van bedrijven leidt, aangezien het de bedoeling is dat nieuwe MVO-strategiëen door het bedrijfsleven worden omarmd; verzoekt de Commissie een overgangsperiode toe te staan voordat regelmatige niet-financiële verslaglegging wordt ingevoerd voor bedrijven, aangezien deze zo de kans krijgen om MVO in eerste instantie intern goed te implementeren, door een accuraat en gedetailleerd MVO-beleid in te voeren als onderdeel van hun interne beheerstructuur;

36. steunt het voorstel van de Commissie om alle investeringsfondsen en financiële instellingen te verplichten al hun klanten (burgers, bedrijven, overheden etc.) te informeren over eventuele ethische of maatschappelijk verantwoorde investeringscriteria die zij toepassen, of over eventuele normen en codes die zij hanteren;

37. steunt de richtlijn van de Commissie betreffende minimumnormen voor de rechten van slachtoffers; dringt erop aan dat in het MVO-beleid van bedrijven in de desbetreffende sectoren (zoals reizen, verzekeringen, huisvesting en telecommunicatie) positieve en praktische strategieën en structuren worden opgenomen om slachtoffers van misdrijven en hun gezinnen bij te staan tijdens een crisis, en dat er specifieke maatregelen worden ingevoerd voor elke werknemer die op het werk of daarbuiten het slachtoffer van een misdrijf wordt;

38. erkent het grote belang en potentieel van de zelf- en coreguleringsinstrumenten, zoals sectorale gedragscodes; is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om de bestaande instrumenten te verbeteren door een specifieke praktijkrichtlijn te ontwikkelen; verzet zich evenwel tegen een "one size fits all"-aanpak, die geen rekening houdt met het specifieke karakter van de afzonderlijke sectoren en de specifieke behoeften van de bedrijven;

MVO en kmo's: van theorie naar praktijk

39. wijst op de specifieke kenmerken van kmo's, die vooral op plaatselijk en regionaal niveau en binnen bepaalde sectoren actief zijn; acht het daarom van fundamenteel belang dat het MVO-beleid van de Unie, inclusief de nationale MVO-actieplannen, rekening houdt met de specifieke vereisten van kmo's, strookt met het "think small first"-beginsel en de informele en intuïtieve benadering van kmo's ten aanzien van MVO erkent;

40. wijst erop dat het van belang is kleine en middelgrote bedrijven bij MVO te betrekken en hun verworvenheden op dit gebied te erkennen;

41. erkent dat veel kmo's in Europa al MVO toepassen, onder meer door middel van plaatselijke werkgelegenheid, inzet van de gemeenschap, toepassing van goede bestuurspraktijken ten aanzien van hun toeleveringsketen, enz.; wijst er evenwel op dat de meeste van deze kmo's niet weten dat zij daadwerkelijk duurzaamheid, MVO en goede bedrijfsvoeringspraktijken toepassen; verzoekt de Commissie daarom eerst te kijken naar de huidige praktijken van kmo's alvorens speciaal voor hen MVO-strategieën te overwegen;

42. verzet zich tegen alle maatregelen die tot meer administratieve of financiële lasten voor kmo's kunnen leiden; steunt daarentegen alle maatregelen die kmo's in staat stellen gezamenlijk te opereren;

43. verzoekt de lidstaten en de regionale overheden slim gebruik te maken van het Cohesiefonds, teneinde de bevordering van MVO door intermediaire organisaties van kmo's te ondersteunen, waarbij deze organisaties zich bijvoorbeeld baseren op het belangrijkste Duitse programma, dat door het Europees Sociaal Fonds wordt medegefinancierd;

44. verzoekt de Commissie om, in samenwerking met de lidstaten, de intermediaire organisaties van kmo's en andere belanghebbenden, strategieën en maatregelen te ontwerpen om de uitwisseling van goede MVO-praktijken tussen kmo's te bevorderen, bijvoorbeeld door middel van een databank waarin informatie over door kmo's toegepast MVO-beleid wordt verzameld, met gedetailleerde gegevens over projecten die in de diverse lidstaten worden uitgevoerd;

45. dringt aan op het opstellen van gidsen en handleidingen over MVO, bestemd voor kmo's; onderstreept in dit verband de dringende noodzaak van meer academisch onderzoek naar methoden om de acceptatie van MVO onder kmo's te vergroten, en naar de economische, sociale en milieueffecten van MVO-beleid op lokaal en regionaal niveau;

46. is van mening dat in de MVO-agenda, wil er een werkelijk effect van uitgaan voor de armoedebestrijding, ook aandacht moet worden besteed aan kmo's, aangezien de gezamenlijke sociale en milieueffecten daarvan aanzienlijk zijn;

47. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ontwikkelings- en ondersteuningsstrategieën te ontwerpen voor de verspreiding van MVO onder kmo's; pleit in het bijzonder voor specifieke maatregelen voor kleine en micro-ondernemingen;

48. benadrukt dat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon het Europees Parlement volledig dient te worden geïnformeerd over de wijze waarop de resultaten van duurzaamheidseffectbeoordelingen van overeenkomsten worden geïntegreerd in de onderhandelingen die voorafgaan aan de sluiting van deze overeenkomsten, alsook over de hoofdstukken van die overeenkomsten die zijn gewijzigd om de in de duurzaamheidseffectbeoordelingen in kaart gebrachte negatieve gevolgen te vermijden;

49. onderstreept dat toekomstige bilaterale investeringsovereenkomsten die door de EU worden ondertekend een eerlijk evenwicht moeten waarborgen tussen de noodzaak investeerders te beschermen enerzijds en de mogelijkheden voor staatsinterventie anderzijds, met name met betrekking tot sociale, gezondheids- en milieunormen;

50. pleit ervoor het idee van sponsorschap onder ondernemers te promoten;

51. herinnert eraan dat voor het beslechten van handelsgeschillen en/of het eisen van compensatie voor negatieve gevolgen van onverantwoorde of illegale ondernemersactiviteiten nu reeds zowel gerechtelijke als niet-gerechtelijke mechanismen voor geschillenbeslechting bestaan; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de bekendheid van beide mechanismen zowel onder ondernemers als onder het brede publiek te vergroten; brengt in herinnering dat de Internationale Kamer van Koophandel geschillenbeslechtingsdiensten aanbiedt aan individuen, ondernemingen, landen, landelijke entiteiten en internationale organisaties die alternatieven zoeken voor een gang naar de rechtbank, en dat die kunnen bijdragen aan een daadwerkelijke toegang van slachtoffers tot de rechter in het geval van inbreuken op de beginselen van verantwoord ondernemen met negatieve economische, sociale en milieugevolgen in de EU en/of in derde landen;

52. onderstreept dat het vergroten van het bewustzijn, op het niveau van ondernemingen, van de beginselen van MVO en van de gevolgen van niet-naleving ervan, als taak voor de Commissie geflankeerd moet worden door vergroting van het bewustzijn en de opbouw van capaciteit op het niveau van de regeringen van de gastlanden, teneinde een daadwerkelijke toepassing van MVO-rechten en toegang tot de rechtsgang te waarborgen;

53. is van oordeel dat de Commissie en de lidstaten Europese ondernemingen moeten aansporen initiatieven op het gebied van MVO te ontplooien en goede praktijken uit te wisselen met hun partners in andere landen;

Conclusies

54. wijst erop dat regelgeving in een solide rechtskader en in overeenstemming met internationale normen tot stand moet worden gebracht, teneinde afwijkende nationale interpretaties en risico's van concurrentievoordelen en –nadelen op regionaal, nationaal en macroregionaal niveau te voorkomen;

55. moedigt de Commissie aan haar inspanningen voort te zetten om MVO in de betrekkingen met andere landen en regio's van de wereld te bevorderen; dringt in dit verband aan op grotere inspanningen om het wederkerigheidsbeginsel als centrale norm in de handelsbetrekkingen te verankeren;

56. herhaalt dat de ontwikkeling van MVO in eerste instantie moet worden aangedreven via een aanpak waarbij meerdere belanghebbenden zijn betrokken, in het kader waarvan bedrijven zelf een voortrekkersrol spelen en de mogelijkheid moeten krijgen om hun aanpak af te stemmen op hun eigen specifieke situatie; benadrukt de noodzaak van specifieke maatregelen en benaderingswijzen voor de ontwikkeling van MVO bij kmo's;

57. merkt op dat de huidige MVO-strategie van de Commissie het tijdvak 2011-2014 beslaat; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er tijdig een ambitieuze strategie voor het tijdvak na 2014 wordt vastgesteld;

58. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 86 van 10.4.2002, blz. 3.

(2)

PB C 39 van 18.2.2003, blz. 3.

(3)

PB C 187E van 7.8.2003, blz. 180.

(4)

PB C 67E van 17.3.2004, blz. 73.

(5)

PB C 301E van 13.12.2007, blz. 45.

(6)

PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77.


TOELICHTING

1. Opmerking vooraf: procedurele aspecten

De Commissie juridische zaken en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken hebben de handen in elkaar geslagen om te komen tot een zo coherent mogelijk standpunt van het Parlement over de vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen(1). In lijn met de hierboven genoemde doelstelling en met volstrekte inachtneming van hun respectieve bevoegdheden hebben beide commissies besloten twee initiatiefverslagen over twee afzonderlijke aspecten op te stellen, overeenkomstig artikel 50 van het Reglement.

De exclusieve bevoegdheden van elk van de twee commissies zijn bepaald op basis van drie sleutelwoorden:

- mensen (people): sociale vraagstukken en duurzame banen;

- winst (profit): niet-speculatief gedrag en duurzame groei;

- planeet aarde (planet): milieuvriendelijke acties.

Volgens deze criteria vormt de term "mensen" (people) de basis voor de afbakening van de bevoegdheden van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, terwijl de exclusieve bevoegdheden van de Commissie juridische zaken afgelijnd zijn aan de hand van de term "winst" (profit). De gebieden die zijn afgebakend op basis van de term "planeet" (planet) zijn verdeeld over de twee commissies naargelang zij vallen onder "winst" of onder "mensen".

2. Inleiding: de vernieuwde strategie van de EU ter bevordering van MVO

Met haar nieuwe strategie stelt de Commissie een nieuwe definitie(2) van MVO voor: "de verantwoordelijkheid van de bedrijven voor hun impact op de maatschappij(3)". Volgens deze definitie moeten de bedrijven beschikken over een procedure om in hun basis- en hun handelsstrategie de sociale, ecologische en ethische vraagstukken, de mensenrechten en de verwachtingen van de consumenten te integreren. Doel van een dergelijke procedure is het genereren van een waarde die wordt gedeeld door de eigenaars/aandeelhouders, andere belanghebbenden en de samenleving als geheel, om de mogelijke negatieve gevolgen van het functioneren van het bedrijf te identificeren, te voorkomen en te verzachten.

Met de nieuwe definitie als basis stelt de Commissie een aantal specifieke maatregelen voor die het effect van het MVO-beleid moeten versterken op de volgende acht gebieden:

- het verhogen van de zichtbaarheid van MVO en het bevorderen van de verspreiding van optimale werkwijzen;

- het verhogen en controleren van het vertrouwen van burgers in het bedrijfsleven;

- het verbeteren van de zelf- en coreguleringsprocessen;

- het beter belonen van MVO op de markt;

- het verbeteren van de openbaarmaking van sociale en milieu-informatie door bedrijven;

- het verder integreren van MVO in onderwijs, opleidingen en onderzoek;

- het beklemtonen van het belang van nationale en subnationale MVO-beleidsmaatregelen;

- de internationale en de Europese aanpak beter op MVO afstemmen.

3. Standpunt van de rapporteur over de aspecten die tot de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie juridische zaken behoren

3.1. Voorafgaande overwegingen met betrekking tot de nieuwe definitie en de specificiteit van MVO

De recente erkenning van de maatschappelijk verantwoorde rol van bedrijven kan op diverse manieren worden geïnterpreteerd en gelezen. Enerzijds werken de globalisering en het ontstaan van wereldmarkten de ontwikkeling van sociale en milieunormen voor en door bedrijven in de hand(4); anderzijds "eist" een almaar alerter en beter geïnformeerd maatschappelijk middenveld van bedrijven dat zij verantwoordelijker optreden(5). De twee factoren die aan de opkomst van MVO in het huidige internationale governancesysteem, dat soms als "postnationaal"(6) wordt bestempeld, ten grondslag liggen, weerspiegelen de complementaire belangen van het bedrijfsleven en de samenleving in haar geheel, wat pleit voor een bredere en vooruitziende benadering, om ervoor te zorgen dat het potentieel van MVO ten volle wordt benut.

In het licht van deze overwegingen stemt de rapporteur in met het Commissievoorstel voor een nieuwe definitie, die het conflict tussen de vrijwillige en de verplichte benadering – dat tot nu toe de discussie over MVO heeft gepolariseerd - als het ware neutraliseert. Uit de brede reeks van betrokken sectoren, strategieën die door de bedrijven worden toegepast en benaderingen op regelgevingsniveau blijkt dat het MVO zich op basis van diverse processen ontwikkelt. Daarom acht de rapporteur het noodzakelijk het debat over MVO in een bredere context te plaatsen, die weliswaar het in eerste instantie vrijwillige karakter garandeert maar tegelijk, waar nodig, ruimte biedt voor een dialoog over regelgevende maatregelen.

Toch wijst de rapporteur elke benadering van MVO van de hand die ertoe zou kunnen leiden dat de bedrijven basisfuncties van de overheid op het vlak van de bevordering, de uitvoering en de controle van sociale en ecologische voorschriften overnemen. Daarom is de rapporteur voorstander van een MVO-aanpak die in eerste instantie door de bedrijven zelf wordt geleid, op basis van hun mogelijkheden en behoeften, en die op passende wijze door de overheden wordt ondersteund, met als doel een evenwicht te vinden tussen de belangen van de bedrijven en die van de samenleving.

3.2. De banden tussen MVO, de mededinging en de burgers versterken

Maatschappelijk verantwoord ondernemen heeft ook en vooral te maken met concurrentievermogen(7). Dit betekent echter niet dat elke MVO-actie een concurrentievoordeel oplevert voor een bedrijf, maar wel dat bepaalde acties een bedrijf kunnen versterken als zij een toegevoegde waarde kunnen genereren tussen het bedrijf, de stakeholders ervan en de samenleving in het algemeen(8).

In het licht van deze overwegingen acht de rapporteur het van essentieel belang dat het verband tussen MVO, het concurrentievermogen en de burgers wordt versterkt door middel van een aantal grootschalige acties die het verband tussen de commerciële strategie van bedrijven en de maatschappelijke context waarin deze functioneren moeten versterken. In dat opzicht moedigt de rapporteur innovatieve oplossingen aan die bedrijven in staat stellen sociale en milieugerelateerde uitdagingen, zoals intelligente vervoersystemen en milieuefficiënte producten, aan te gaan;

Om de zichtbaarheid van MVO te verhogen en de verspreiding van optimale werkwijzen te stimuleren pleit de rapporteur bovendien voor de invoering van een Europese MVO-prijs voor bedrijven en partnerschappen en voor de oprichting van multilaterale platformen voor MVO. In dit verband is de rapporteur voorstander van het "Enterprise 2020"-initiatief van het netwerk MVO-Europa, dat significant kan bijdragen aan het versterken van het verband tussen MVO en het concurrentievermogen.

3.3. De transparantie en de doelmatigheid van het MVO-beleid verbeteren

De rapporteur stemt in met de algemene doelstelling van het verbeteren van de transparantie, de zelf- en coreguleringsprocessen en de beloning van MVO op de markt. Vooruitgang op deze terreinen is van wezenlijk belang om het vertrouwen van de burgers in bedrijven te versterken en de kloof tussen de verwachtingen van de burgers en wat zij ervaren als de reële houding van bedrijven te verkleinen.

In dit verband acht de rapporteur het van fundamenteel belang de multidimensionele aard van het MVO en de gedifferentieerde benadering van MVO door de bedrijven niet uit het oog te verliezen. Daarom pleit de rapporteur voor regulerende criteria aan de hand waarvan bedrijven, die een leidende rol vervullen in de ontwikkeling van het MVO, een hoge mate aan flexibiliteit kunnen behouden.

De hierboven genoemde overwegingen hebben in het bijzonder betrekking op het toekomstige wetgevingsvoorstel inzake de transparantie van de sociale en milieu-informatie die door bedrijven wordt verstrekt en het opstellen van een gedragscode voor zelf- en coregulering die het MVO-proces doeltreffender kan maken. In beide gevallen verzet de rapporteur zich tegen "globale" oplossingen die geen rekening houden met het specifieke karakter van de diverse sectoren waarin de bedrijven actief zijn, met het risico dat administratieve lasten voor bedrijven ontstaan en dat een contraproductieve verstarring van de bedrijvigheid optreedt.

3.4. Erkenning en bevordering van de rol van kmo's in het MVO

Kmo's kunnen een essentiële rol vervullen in de verspreiding van MVO. Zij vertegenwoordigen ruim 90% van het Europese bedrijfsleven en kunnen, wegens de nabijheid tot de regio of de stad waarin zij actief zijn, de verspreiding van MVO stimuleren(9). Bovendien hebben kmo's van dezelfde sector de mogelijkheid om gemeenschappelijke sociale en ecologische problemen samen aan te pakken en zodoende de kosten te drukken en verbeteringen door te drukken die een afzonderlijke kmo slechts moeizaam zou kunnen verwezenlijken.

Ongeacht de belangrijke rol van kmo's in het debat over MVO, is het helaas ook zo dat kleine en zeer kleine bedrijven niet goed bekend zijn met het begrip MVO, dat voor dit soort bedrijven altijd een vaag begrip blijft waarmee zij zich moeilijk kunnen identificeren zonder vooraf een reëel maatschappelijk bewustzijn te hebben ontwikkeld(10).

Een ander probleem houdt verband met het feit dat vooral naar de "kosten" wordt gekeken en niet naar het economisch potentieel van MVO. Inderdaad, aangezien MVO gepaard gaat met een economische investering waarvan de resultaten niet meteen tastbaar zijn, wordt MVO vaak aangevoeld als een last voor bedrijven die over beperkte middelen beschikken. Deze "mentale valkuil" is ook een gevolg van het feit dat tal van kmo's zich niet goed bewust zijn van de positieve gevolgen van MVO voor hun economische prestaties en niet op de hoogte zijn van de beste praktijken die deze voordelen nog zouden kunnen optimaliseren(11).

In het licht van wat voorafgaat is de rapporteur van mening dat het Parlement van de doelstelling om kmo's nauwer bij het MVO te betrekken een beleidsprioriteit voor de komende jaren moet maken. Daarom stelt de rapporteur een aantal maatregelen voor om kmo's nauwer bij MVO te betrekken.

- op de eerste plaats is het van essentieel belang dat elk initiatief van bindende of vrijwillige aard voor kmo's geen administratieve of financiële lasten meebrengt en strookt met het "think small first"–beginsel;

- de voornaamste doelstelling van alle initiatieven betreft het vergroten van het bewustzijn met betrekking tot MVO en de optimale benutting ervan; De diverse kwesties moeten dus krachtig en interdisciplinair worden aangepakt, op basis van duidelijk vastgelegde strategische doelstellingen;

- in het bijzonder moeten de overheden zich meer inspannen om de verspreiding van MVO bij kmo's te bevorderen, en de rol van intermediaire organisaties te ondersteunen teneinde de verspreiding van informatie en beste praktijken in de hand te werken;

- de Commissie zou, in aanvulling op wat de nationale regeringen doen, haar coördinerende capaciteiten moeten intensiveren en op een systematische wijze gegevens moeten verzamelen over door kmo's toegepast MVO-beleid, teneinde de uitwisseling van beste praktijken te stimuleren en het academisch onderzoek op dit gebied te bevorderen, in het bijzonder op het vlak van de economische, sociale en milieugevolgen van MVO op lokaal en regionaal niveau;

- tot slot dringt de rapporteur erop aan dat de Commissie, gelet op het specifieke karakter van kmo's, een brede raadpleging opzet teneinde strategieën voor MVO uit te werken die beantwoorden aan de behoeften van kmo's, inclusief ad-hocmaatregelen voor micro-ondernemingen.

(1)

COM(2011)0681.

(2)

De Commissie heeft maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) eerder gedefinieerd als "een begrip [dat gebruikt wordt] om aan te geven dat bedrijven in het kader van hun bedrijfsactiviteiten en in hun relaties met andere partijen vrijwillig aandacht aan sociale kwesties en het milieu schenken". Zie COM(2001)0366.

(3)

Zie COM(2011)0681., blz.7.

(4)

Zie Scherer, A./Palazzo, G. (2008): Globalisation and Corporate Social Responsibility. In: Crane, A. et al. (2008): The Oxford Handbook of Corporate Social Responsibility. Oxford, blz. 413.

(5)

Zie Di Pascale, Alessia (2010): La responsabilità sociale dell'impresa nel diritto dell'Unione europea. Milaan:uitgeverij Giuffre', blz. 33-39.

(6)

Zie Habermas, J. (2002): La costellazione postnazionale. Milaan Feltrinelli.

(7)

Zie Martinuzzi, A. et al. (2010): Does Corporate Responsibility Pay Off? Exploring the Links between CSR and Competitiveness in Europe's Industrial Sectors. Deze studie gaat in op het verband tussen MVO en concurrentievermogen in drie industriële sectoren: bouw, textiel en chemie.

(8)

Dit verband tussen het bedrijf, de burgers en het concurrentievermogen kan verder geëxpliciteerd worden met verwijzing naar de woorden van Michael E. Porter, van ruim tien jaar geleden, die als volgt kunnen worden samengevat: "gezonde bedrijven vereisen een gezonde samenleving en tegelijk heeft een gezonde samenleving succesvolle bedrijven nodig". Michael Eugene Porter is een van de grondleggers van de theorie van de managementstrategie. Cfr. Porter, M.E./Kramer, M.R. (2006): Strategy and Society: The Link Between Competitive Advantage and Corporate Social Responsibility. In: Harvard Business Review, december 2006, blz. 78-93.

(9)

Zie Commissie, DG Ondernemingen (2007): Opportunity and Responsibility. How to help more small business to integrate social and environmental issues into what they do.

(10)

Zie Perrini (2006): SMEs and CSR Theory: Evidence and Implications from an Italian Perspective. In: Journal of Business Ethics, Vol. 67, 305-316. Het artikel, dat op de situatie in Italië is gebaseerd, gaat in op de behoefte aan een gedifferentieerde benadering van MVO, die in het geval van kmo's zich moet baseren op het begrip "maatschappelijk kapitaal" en niet op de klassieke beginselen van de "stakeholder theory". Zie ook over hetzelfde onderwerp: Morsing, M./Perrini, F. (2009): CSR in SMEs: do SMEs matter for the CSR agenda? In: Business Ethics, VOl. 18, Issue 1.

(11)

Zie MacGregor, S./Fontrodona, J. (2011): Strategic CSR for SMEs: paradox or possibility?. In: Universia Business Review.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken(*) (15.1.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoorde, transparante en verantwoordelijke bedrijfspraktijken en duurzame groei

(2012/2098(INI))

Rapporteur voor advies (*): Richard Howitt

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – artikel 50 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept dat de huidige wereldwijde economische crisis is voortgekomen uit fundamentele fouten met betrekking tot transparantie, controleerbaarheid, verantwoordelijkheid en kortetermijndenken, en dat de EU de plicht heeft ervoor te zorgen dat iedereen hier lering uit trekt; toont zich verheugd over het voornemen van de Commissie om Eurobarometer-enquêtes uit te voeren met betrekking tot het vertrouwen in ondernemingen; dringt erop aan dat de resultaten van deze enquêtes door alle belanghebbenden volledig worden besproken en opgevolgd; is een warm voorstander van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en is van mening dat MVO - indien dit door alle en niet alleen door grote ondernemingen wordt toegepast - een grote bijdrage kan leveren aan het herstel van het verloren vertrouwen, hetgeen noodzakelijk is voor een duurzaam economische herstel, en de sociale gevolgen van de economische crisis kan verlichten; wijst erop dat wanneer ondernemingen verantwoordelijkheid voor de maatschappij, het milieu en werknemers nemen, dit een win-winsituatie creëert die kan zorgen voor het vertrouwen dat noodzakelijk is voor economisch succes; is van mening dat het opnemen van maatschappelijk verantwoord ondernemen in een duurzame bedrijfsstrategie zowel in het belang van de onderneming als in dat van de gehele maatschappij is; beklemtoont dat veel ondernemingen - met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) - op dit gebied een uitstekend voorbeeld hebben neergezet;

2.  is van mening dat coregulering en zelfregulering weliswaar geen vervanging mogen zijn voor passende sectorale regelgeving indien deze is vereist, bijvoorbeeld met betrekking tot sociale en milieubepalingen, arbeids- en werkgelegenheidspraktijken, mensenrechten of op één van de terreinen die onder maatschappelijk verantwoord ondernemen vallen, maar dat zij bestaande private en vrijwillige MVO-initiatieven kunnen ondersteunen door de bepaling van minimumbeginselen, zodat consistentie, relevantie, inbreng van meerdere betrokkenen en transparantie worden gewaarborgd, en door de totstandbrenging van ratingbureaus op milieu- en sociaal gebied die gespecialiseerd zijn in maatschappelijk verantwoord ondernemen; benadrukt dat iedere vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen die is gebaseerd op zelfregulering en zelforganisatie bepalingen moet omvatten voor "de toegang tot rechtsmiddelen" overeenkomstig "pijler drie" van de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en de mensenrechten; wijst er tegelijkertijd op dat overheden ondersteuning zouden moeten bieden door passende voorwaarden te scheppen voor samenwerking op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, alsook door te voorzien in geschikte middelen en instrumenten, zoals stimuleringsregelingen; is van mening dat de liefdadigheidsactiviteiten van ondernemingen principieel vrijwillig moeten zijn;

3.  acht het van cruciaal belang dat maatregelen worden genomen om te waarborgen dat diensten op adequate wijze worden geleverd en dat de beginselen van eerlijke concurrentie op de interne markt worden geëerbiedigd; stelt derhalve voor sociale criteria samen met IAO-clausules als een essentiële voorwaarde en met de grootst mogelijke transparantie in aanbestedingscontracten op te nemen, om aldus de positieve sociale waarde van MVO-activiteiten te waarborgen; onderstreept dat op deze manier wellicht ook de ontplooiing van geschiktere en effectievere MVO-activiteiten in industriële sectoren kan worden gestimuleerd;

4.  verwerpt de stelling dat kleine bedrijven minder verantwoordelijk zijn dan grote, louter omdat ze niet over een afzonderlijke MVO-infrastructuur beschikken; is van mening dat er, om rekening te houden met de behoeften van kleine ondernemingen, in alle nieuwe wetgevingsvoorstellen met betrekking tot MVO verstandige drempels moeten worden vastgesteld; dringt niettemin aan op Europese maatregelen om voort te bouwen op de ervaringen die Italië heeft opgedaan via regionale kamers van koophandel, en van Frankrijk via zijn spaarbanken (Cordé Initiative), om kleine ondernemingen te groeperen naar locatie of sector, teneinde meer bewustzijn en zichtbaarheid te creëren met betrekking tot de bijdrage van kleine ondernemingen;

5.  verwelkomt het voornemen van de Commissie om een "praktijkgemeenschap" voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en het sociaal handelen van ondernemingen op te zetten; is van mening dat deze gemeenschap complementair moet zijn aan een gedragscode voor coregulering en zelfregulering, teneinde alle belanghebbenden in staat te stellen deel te nemen aan een collectief leerproces om de efficiëntie en controleerbaarheid van maatregelen waarbij meerdere belanghebbenden zijn betrokken, te verbeteren;

6.  is van mening dat de transparantie en geloofwaardigheid van MVO-acties kunnen worden gewaarborgd door minimumnormen in te voeren; merkt op dat in deze minimumnormen in ieder geval de betrokkenheid van personeelsvertegenwoordigers, vakbonden en andere belanghebbenden bij de inhoud, de handhaving en het toezicht, de betrokkenheid van de toeleveringsketen en de onafhankelijke controle op de naleving van deze vrijwillige verbintenissen, moeten worden opgenomen;

7.  steunt het voornemen van de Commissie om een voorstel in te dienen inzake de openbaarmaking van niet-financiële informatie door ondernemingen, waarmee de EU Europese ondernemingen kan aansporen de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en mensenrechten(1) en het "Global Compact"-initiatief van de Verenigde Naties toe te passen; verwelkomt het feit dat dit voorstel wordt gebaseerd op een brede openbare raadpleging en op een reeks workshops met relevante belanghebbenden; benadrukt dat het gebruik van de term 'niet-financieel' de echte financiële gevolgen voor ondernemingen in de zin van sociale, milieugerelateerde of mensenrechteneffecten, niet mag maskeren; wijst erop dat de bedrijfsactiviteiten en de maatschappelijke betrokkenheid van ondernemingen ook aan de hand van financiële resultaten kan worden gemeten; dringt aan op een voorstel dat de EU centraal stelt in de vele lopende internationale initiatieven inzake het rapporteren over duurzaam ondernemen, en dat volledig in lijn is met de doelstelling om geïntegreerde verslaglegging, zoals momenteel wordt ontwikkeld door de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad (IIRC), vóór het einde van dit decennium als algemene norm te doen gelden; benadrukt echter dat een te kiezen oplossing geen buitensporige administratieve lasten met zich mee mag brengen, met name niet voor kmo's; is van mening dat de liefdadigheidsactiviteiten van ondernemingen geen bureaucratische rompslomp en kosten met zich mee mogen brengen die het vrijwillige engagement kunnen ondermijnen; verwelkomt de doelstelling om schendingen van de mensenrechten en misdadige praktijken bloot te leggen en roept de lidstaten op dergelijke praktijken streng te bestraffen;

8.  verzoekt de Commissie om het probleem van misleidende marketing ten aanzien van de sociale en milieueffecten van de activiteiten van bedrijven in het kader van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken aan de orde te stellen;

9.  veroordeelt krachtig corruptie en belastingontduiking door bedrijven, maar blijft erbij dat de Commissie een duidelijker onderscheid moet maken tussen 1) liefdadigheidsactiviteiten, 2) sociaal handelen door ondernemingen, en 3) asociaal handelen door ondernemingen, zoals bijvoorbeeld in het geval van gedwongen kinderarbeid; veroordeelt ronduit het asociaal handelen door ondernemingen en is van mening dat er meer druk op landen moet worden uitgeoefend om internationale normen om te zetten in nationale wetgeving en om dergelijke wetgeving te handhaven; verwerpt evenwel generaliserende veroordelingen van ondernemingen in het algemeen op basis van oneerlijke praktijken en inbreuken op de wet door slechts een paar bedrijven; is van mening dat bedrijven weliswaar de plicht hebben zich uit te spreken over publieke problemen, met inbegrip van de mensenrechten, doch dat hun lobbyactiviteiten volledig transparant moeten zijn en moeten stroken met de democratische beginselen; benadrukt de noodzaak om specifieke MVO-opleidingen aan te bieden op universiteiten en op bedrijfs- en managementscholen;

10. benadrukt dat strikte eerbiediging van de mensenrechten, oprechte toewijding en transparantie noodzakelijk zijn om maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de hele toeleveringsketen te waarborgen, de duurzame voetafdruk van Europese bedrijven te meten, en belastingontduiking en illegale geldstromen te bestrijden; wijst erop dat de lopende parlementaire debatten over het ontwerpwetsvoorstel van de EU voor de winnings- en houtindustrie inzake transparantie bij de winning van grondstoffen (2011/0307 (COD)), de herziening van de antiwitwasrichtlijn en het aangekondigde wetsontwerp betreffende niet-financiële verslaglegging, mogelijkheden bieden om de transparantie van bedrijven op deze terreinen te verbeteren;

11. benadrukt dat verantwoord ondernemen niet mag worden teruggebracht tot een marketinginstrument, doch alleen ten volle tot ontwikkeling kan komen indien het in de algemene bedrijfsaanpak wordt opgenomen en bij de dagelijkse gang van zaken en in de financiële strategie in de praktijk wordt gebracht; zou graag een verband zien tussen verantwoord ondernemen en goed ondernemingsbestuur; is van mening dat de Commissie bedrijven moet aansporen om besluiten over maatschappelijk verantwoord ondernemen op het niveau van de raad van bestuur te nemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten codes voor bedrijfsbestuur in te voeren die het belang van verantwoordelijkheid voor iedereen in het bedrijf weerspiegelen, en die een duidelijk verband leggen tussen de milieu-, sociale en mensenrechtenprestaties van het bedrijf enerzijds en de financiële resultaten van het bedrijf anderzijds.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.1.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Jean-Luc Bennahmias, Phil Bennion, Pervenche Berès, Vilija Blinkevičiūtė, Philippe Boulland, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Minodora Cliveti, Emer Costello, Frédéric Daerden, Karima Delli, Sari Essayah, Thomas Händel, Marian Harkin, Nadja Hirsch, Martin Kastler, Ádám Kósa, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Veronica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Siiri Oviir, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Elisabeth Schroedter, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu, Andrea Zanoni, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georges Bach, Malika Benarab-Attou, Richard Howitt, Anthea McIntyre, Ria Oomen-Ruijten, Antigoni Papadopoulou, Evelyn Regner, Csaba Sógor

(1)

Verslag van de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal over de kwestie mensenrechten en transnationale ondernemingen en andere bedrijven, John Ruggie: beschouwt de "Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations "Protect, Respect and Remedy" Framework, 21 maart 2011.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (5.12.2012)

aan de Commissie juridische zaken

inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei

(2012/2098(INI))

Rapporteur voor advies: Andrzej Grzyb

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  juicht het toe dat in de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van een nieuwe definitie wordt benadrukt dat de naleving van geldend recht en collectieve overeenkomsten een voorwaarde is voor verantwoord handelen en dat ter verduidelijking van het noodzakelijke kader voor de verantwoordelijkheid van ondernemingen de eis wordt gesteld dat bedrijven aandacht voor "mensenrechten, consumentenbelangen en sociale, ethische en milieukwesties in hun bedrijfsactiviteiten en kernstrategie integreren in nauwe samenwerking met hun stakeholders"; wijst er met klem op dat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen zich ook moet uitstrekken tot hun handelen tegenover en in derde landen;

2.  is ingenomen met de inspanningen van de Europese Unie en de lidstaten om hun beleid in overeenstemming te brengen met de in 2011 herziene OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en de mensenrechten(1), en benadrukt dat deze inspanningen, met name op het gebied van de mondiale economische bedrijvigheid, nog niet hebben geleid tot voldoende betrokkenheid bij de naleving van de relevante sociale, milieu- en mensenrechtennormen en de toetsing daarvan;

3.  onderstreept dat het van groot belang is om bij de evaluatie van het maatschappelijk verantwoord ondernemen van een bedrijf de gehele leveringsketen in aanmerking te nemen; acht het van essentieel belang over doeltreffende en transparante indicatoren te beschikken voor de systemische meting van de precieze effecten van het handelen van ondernemingen;

4.  benadrukt dat alle 27 lidstaten vaart moeten maken met de herziening van hun nationale actieplannen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, en met de ontwikkeling van nationale plannen voor de tenuitvoerlegging van de relevante OESO-richtlijnen en VN-richtsnoeren, die uiterlijk in december 2013 gereed moeten zijn; is van oordeel dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze plannen worden opgesteld met medewerking van alle betrokken belanghebbenden, waaronder ngo's, het maatschappelijk middenveld, vakbonden, werkgeversorganisaties en nationale mensenrechteninstellingen; verzoekt de EU ervoor te zorgen dat er gemakkelijker profijt kan worden getrokken van de ervaringen van de lidstaten die dit proces momenteel ondergaan; moedigt de lidstaten aan voort te bouwen op de in de ISO-norm 26000 vervatte richtsnoeren, de meest recente versie van het Global Reporting Initiative en de door de Europese Groep van nationale mensenrechteninstellingen ontwikkelde begeleiding;

5.  onderstreept dat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen binnen de EU en in derde landen moet worden uitgebreid tot terreinen als de arbeidsorganisatie, de kwaliteit van banen, gelijke kansen, maatschappelijke integratie, de bestrijding van discriminatie en permanente bijscholing;

6.  dringt aan op grotere beleidscoherentie op EU-niveau door openbare aanbestedingen, exportkredieten, goed bestuur, concurrentie, ontwikkeling, handel, investeringen en andere beleidsterreinen en overeenkomsten in overeenstemming te brengen met de sociale, milieu- en mensenrechtennormen die zijn verankerd in de desbetreffende richtsnoeren en beginselen van de OESO en de VN; pleit in dit verband zowel voor samenwerking met de vertegenwoordigers van werknemers, werkgevers en consumenten als voor het opvolgen van relevant advies van de NMI, zoals het verslag over mensenrechten en aanbestedingen dat de Europese Groep van nationale mensenrechteninstellingen bij de Commissie heeft ingediend; verzoekt om een betekenisvolle en adequate effectbeoordeling van wetgevingsvoorstellen om eventuele incoherentie met de VN-richtsnoeren tijdig op te sporen, en dringt aan op coördinatie met de werkgroep voor het bedrijfsleven en de mensenrechten van de VN om verschillende en tegenstrijdige interpretaties van de VN-richtsnoeren te vermijden; erkent de waarde van het VN-mensenrechtenkader voor maatschappelijk verantwoord ondernemen; herinnert tegelijkertijd aan de belangrijke rol van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van artikel 16, waarin het fundamentele recht op ondernemerschap wordt gewaarborgd; meent dat dit recht naar behoren in acht moet worden genomen en dienst moet doen als ijkpunt voor de ondersteuning van beleidsmaatregelen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen in de EU; onderstreept hoe belangrijk het is het evenwicht te bewaren tussen de vrijheid van ondernemerschap en de andere rechten die in dit handvest worden gewaarborgd, evenals internationaal erkende beginselen en richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen; is in dit verband ingenomen met de inspanningen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het vergaren van aanwijzingen en deskundigheid met betrekking tot het bestaan en de interpretatie van de vrijheid van ondernemerschap;

7.  blijft van de EU-instellingen en -ambtenaren, met inbegrip van de speciale vertegenwoordiger van de EU inzake mensenrechten en de landen- en regiospecifieke speciale vertegenwoordigers van de EU, verwachten dat zij zich inzetten voor de bevordering van de sociale, milieu- en mensenrechtennormen in alle externe betrekkingen en al het extern optreden van de EU; verzoekt de Commissie en de lidstaten om vóór de sluiting van multi- en bilaterale handels- en investeringsovereenkomsten, tijdens de evaluatie daarvan en bij de toekenning van ontwikkelingshulp, effectbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van de grondrechten, en te waarborgen dat deze rechten worden geëerbiedigd;

8.  erkent dat NMI die zich hebben verbonden aan de beginselen van Parijs in een goede positie verkeren om steun te bieden bij de tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren, en ook de toegang tot rechtsmiddelen kunnen vergemakkelijken of zelfs waarborgen; verzoekt de EU en de lidstaten om naast de ondernemingen en de vertegenwoordigingen van de werknemers, werkgevers en consumenten de NMI te erkennen als belangrijke partner voor het bevorderen van de zakelijke en de mensenrechtenagenda, het ontwikkelen van banden tussen het bedrijfsleven, de overheid en het maatschappelijk middenveld, en het bevorderen van de internationaal erkende sociale, milieu- en mensenrechtennormen en -richtsnoeren; roept de lidstaten in dit verband op het mandaat van de NMI te versterken en uit te breiden om ze zo doeltreffender te maken, of wanneer er geen sprake is van NMI die voldoen aan de beginselen van Parijs, stappen te ondernemen om deze op te richten; verzoekt de EU passende strategische steun te ontwikkelen; legt zich erop toe een jaarlijkse gedachtewisseling met NMI op te zetten in het kader van de Commissie LIBE en/of DROI, voortbouwend op de ervaring van de Commissie DROI met gedachtewisselingen over de topbijeenkomst in 2011 van ombudsmannen uit de EU en het oostelijk partnerschap, en dergelijke uitwisselingen aan te vullen met gerichte workshops over de mensenrechten en het bedrijfsleven;

9.  juicht toe dat de Internationale Arbeidsorganisatie op 14 juni 2012 Aanbeveling nr. 202 inzake nationale socialebeschermingsniveaus heeft aangenomen; gaat de kwestie mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen op de agenda plaatsen van de komende EU-bijeenkomsten met derde landen, met name de landen waarmee de EU een bijzondere band heeft; wenst dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een plaats krijgt in de betrekkingen die de EU op grond van overeenkomsten met derde landen onderhoudt, en verzoekt indien nodig om vertalingen van de VN-richtsnoeren, verzorgd door het EP of andere EU-instellingen;

10. vraagt de EU en met name de Commissie ervoor te zorgen dat de NMI die aan de beginselen van Parijs voldoen als belangrijke partners worden beschouwd voor het behalen van de doelstellingen van financiële instrumenten, zoals het Europees Instrument voor democratie en de mensenrechten (EIDM), en dat deze NMI financiële instrumenten kunnen inzetten voor een doeltreffend gebruik van hun unieke positie en deskundigheid op het gebied van de mensenrechten om ruimte te creëren voor dialoog tussen verschillende belanghebbenden, waaronder overheidsinstellingen, het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven, en met het oog daarop:

(1) ervoor te zorgen dat de thema's maatschappelijk verantwoord ondernemen en mensenrechten in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2014-2020 deel uitmaken van de prioriteiten van de afzonderlijke financiële instrumenten; en tevens

(2) specifieke steun te ontwikkelen in het kader van het EIDM voor opleiding en algemene capaciteitsopbouw op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en mensenrechten voor maatschappelijke organisaties, NMI, mensenrechtenbeschermers, vakbonden en andere mensenrechtenorganisaties;

11. wenst, om ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van de nieuwe strategie inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen bijdraagt aan de belangen van de samenleving in al haar diversiteit, de eerbiediging van de mensenrechten en een route naar duurzame en inclusieve groei en vooruitgang, dat EU-richtsnoeren voor de verplichte bekendmaking van niet-financiële informatie van bedrijven (waaronder sociale, milieu- en bestuursinformatie) transparantie waarborgt, door een duidelijk, ondubbelzinnig, gemeenschappelijk en vastgelegd kader met een uitdrukkelijke verwijzing naar de mensenrechten te bieden, dat volledig in overeenstemming is met de OESO- en de VN-richtsnoeren en -beginselen en dat gebaseerd is op objectieve indicatoren voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, zoals de loonkloof tussen mannen en vrouwen en het percentage vrouwen in leidinggevende posities, jeugdloon, de mogelijkheid voor werknemers zich in een vakbond te verenigen en collectieve onderhandelingen te voeren, de daadwerkelijke garantie van veilige arbeidsomstandigheden en invaliditeit;

12. verzoekt de EU de interne tekortkomingen op het gebied van capaciteit en deskundigheid aan te pakken door binnen alle EU-instellingen en beleidsterreinen omvangrijke opleidingsprogramma's op het gebied van de mensenrechten en het bedrijfsleven in te voeren;

13. herhaalt haar aan de EU en de lidstaten gerichte oproep om de naleving van bestaande wetten te verbeteren door oplossingen te bieden voor zorgen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de mensenrechten, alsook om aanvullende oplossingen te ontwikkelen voor het scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden voor bedrijven binnen en buiten de EU, teneinde sociale dumping tegen te gaan;

14. pleit voor de nodige zorgvuldigheidseisen op EU-niveau met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten en de leveringsketen, die onder meer voldoen aan de zorgvuldigheidsrichtsnoeren van de OESO voor verantwoorde bevoorradingsketens van mineralen uit risicovolle en conflictgebieden, onder meer gebieden waar de risico's op niet-naleving en de potentiële effecten daarvan het hoogst zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot mondiale en lokale leveringsketens, conflictmineralen, uitbesteding en landroof, en gebieden waar producten worden geproduceerd die gevaarlijk zijn voor het milieu en de volksgezondheid; is ingenomen met de reeds door de EU opgezette programma's, met name het programma voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT), en ondersteunt particuliere initiatieven zoals het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI);

15. verzoekt de EU en de lidstaten ook wanneer zij optreden als zakenpartner (bijv. in verband met openbare aanbesteding, staatsbedrijven, joint ventures, exportkredietgaranties en grootschalige projecten in derde landen) de eerbiediging van de richtsnoeren van de OESO en de VN als een prioriteit te beschouwen en dit tot uiting te brengen in specifieke bepalingen die consequenties omvatten voor bedrijven die sociale, milieu- en mensenrechtennormen onmiskenbaar overtreden; beveelt aan dat het verwachte EU-platform voor externe samenwerking en ontwikkeling wordt betrokken bij de vaststelling van dergelijke mogelijkheden om de kwaliteit en efficiëntie van externe samenwerking, gemengde mechanismen en financiële instrumenten van de EU zo te verbeteren, en dat dit platform ook een rol speelt bij de samenwerking en coördinatie tussen de EU, financiële instellingen en andere belanghebbenden op dit gebied;

16. benadrukt hoe belangrijk het VN-raamwerk "Protect, Respect and Remedy" is, en meent dat er passende maatregelen moeten worden genomen om de drie pijlers hiervan, namelijk de taak van de overheid om tegen schending van de mensenrechten te beschermen, de verantwoordelijkheid van ondernemingen om de mensenrechten te eerbiedigen, en doeltreffender toegang tot verhaalmechanismen, ten uitvoer te kunnen leggen;

17. onderstreept dat Europese ondernemingen, hun dochterondernemingen en toeleveranciers, gezien hun gewicht in het internationale handelsverkeer, een fundamentele rol spelen in de mondiale bevordering en verspreiding van sociale en arbeidsnormen; erkent dat het vaak zinvoller is om klachten over EU-bedrijven die actief zijn in het buitenland ter plekke op te lossen; is ingenomen met de nationale contactpunten van de OESO als staatgebonden niet-wettelijke mechanismen die bij een breed scala aan zakelijke en mensenrechtengeschillen kunnen bemiddelen; dringt echter aan op grotere inspanningen van bedrijven voor het ontwikkelen van geschillenmechanismen die in overeenstemming zijn met de in de VN-richtsnoeren vervatte doeltreffendheidscriteria, en op aanvullende sturing op grond van gezaghebbende internationaal erkende beginselen en richtsnoeren, met name de onlangs bijgewerkte OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de tien beginselen van het United Nations Global Compact, de ISO-norm 26000 voor maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties en de Tripartiete Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie over beginselen inzake multinationale ondernemingen en sociaal beleid;

18. is ingenomen met de intentie van de Commissie om de internationale privaatrechtbepalingen uit de Brussel I-verordening te wijzigen, en met name het beginsel van noodbevoegdheid in te voeren; onderstreept dat verder moet worden gewerkt aan een doeltreffende toegang tot rechtsmiddelen voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit handelingen van bedrijven buiten de EU, door de Brussel I- en Rome II-verordeningen te hervormen; pleit voor doeltreffende maatregelen voor het wegnemen van bestaande belemmeringen, zoals buitensporige proceskosten, via initiatieven zoals de ontwikkeling van minimumnormen voor collectief verhaal en oplossingen voor het probleem van een eigen rechtspersoonlijkheid van bedrijven;

19. dringt aan op de ontwikkeling van doeltreffendere normen inzake transparantie en controleerbaarheid voor EU-technologiebedrijven met betrekking tot de uitvoer van technologieën die kunnen worden gebruikt om de mensenrechten te schenden of om de veiligheidsbelangen van de EU te schaden;

20. is verheugd dat de Commissie voornemens is de kwestie maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van de uitbreiding aan te kaarten; betreurt echter dat er in het kader van de toetredingsonderhandelingen met de kandidaat-lidstaten geen sprake is van een concrete aanpak van deze kwestie, en dat dit concept ontbreekt in de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 over de uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2012-2013 (COM(2012)0600);

21. juicht toe dat de Commissie voornemens is zich in te zetten voor de invoering van wereldwijde campagnes, internationale richtsnoeren en aanvullende juridische maatregelen om ervoor te zorgen dat ondernemingen een positief effect hebben op samenlevingen in het buitenland; herinnert eraan dat de positieve effecten van ondernemingen op samenlevingen in het buitenland onder meer kunnen worden gemeten aan de hand van de toegang van de lokale bevolking tot hulpbronnen, de voedselsoevereiniteit van de bevolking en het eigen ontwikkelingspotentieel van de samenleving;

22. dringt aan op de toepassing van het "ken uw eindgebruiker"-beginsel om stroomopwaartse en stroomafwaartse mensenrechtenschendingen in productie- of handelsstromen te voorkomen;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.12.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Sir Robert Atkins, Arnaud Danjean, Marietta Giannakou, Andrzej Grzyb, Anna Ibrisagic, Liisa Jaakonsaari, Anneli Jäätteenmäki, Jelko Kacin, Tunne Kelam, Nicole Kiil-Nielsen, Evgeni Kirilov, Maria Eleni Koppa, Andrey Kovatchev, Paweł Robert Kowal, Eduard Kukan, Alexander Graf Lambsdorff, Krzysztof Lisek, Mario Mauro, Francisco José Millán Mon, María Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Raimon Obiols, Ria Oomen-Ruijten, Pier Antonio Panzeri, Alojz Peterle, Bernd Posselt, Cristian Dan Preda, Tokia Saïfi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, Werner Schulz, Marek Siwiec, Charles Tannock, Kristian Vigenin, Sir Graham Watson

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Marije Cornelissen, Elisabeth Jeggle, Agnès Le Brun, Marietje Schaake, Helmut Scholz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Lara Comi, Danuta Jazłowiecka, Giovanni La Via

(1)

Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, 17e zitting, 21 maart 2011, verslag van de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal over de kwestie mensenrechten en transnationale ondernemingen en andere bedrijven, John Ruggie: "Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations Protect, Respect and Remedy Framework" (A/HRC/17/31) (hierna: de "VN-richtsnoeren").


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (6.12.2012)

aan de Commissie juridische zaken

inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei

(2012/2098(INI))

Rapporteur voor advies: Catherine Grèze

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat over het begrip maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) geen eensluidendheid bestaat, waarbij verschillende ondernemingen verschillende normen hebben ontwikkeld betreffende boekhouding, controle en verslaggeving, en dat de verschillende gradaties in MVO daardoor moeilijk vergelijkbaar zijn; onderstreept dat internationaal overeengekomen regelgeving op gebied van MVO vertrouwen en fairness zou brengen in de zakelijke verhoudingen en voordelen zou opleveren als zekerheid, geleidelijke afdwingbaarheid, universaliteit en sociale weerbaarheid;

2.  is het met de Commissie eens dat MVO zich moet uitstrekken tot mensenrechten, aspecten rond arbeidsmarkt en personeelsbeleid, milieuvraagstukken, (zoals biodiversiteit, klimaatverandering, economie van middelen) en bestrijding van omkoping en corruptie, onder meer door goede fiscale aansturing (te weten transparantie, uitwisseling van informatie en eerlijke belastingconcurrentie);

3.  herinnert eraan dat MVO talloze sociale normen bestrijkt waaraan zeer weinig wordt geappelleerd bij gebreke van indicatoren aan de hand waarvan sociale vooruitgang te meten is;

4.  onderstreept dat de ondernemingen die zich voor MVO inzetten, voor beleggers en consumenten gemakkelijk herkenbaar zouden moeten zijn, zodat zij in hun inspanningen kunnen worden aangemoedigd;

5.  dringt erop aan dat de EU de mogelijkheid onderzoekt om ondernemingen die zich voor MVO inzetten, extra te profileren door middel van een aan de naam van de onderneming of product te verbinden label of etiket;

6.  wijst erop dat MVO de beste manier is waarop een onderneming haar betrokkenheid, solidariteit en verantwoordelijkheid jegens de maatschappij kan laten zien, en tevens essentieel is voor de ten doel gestelde beleidssamenhang voor ontwikkeling (PCD); verwelkomt het voornemen van de Commissie om MVO te bevorderen op een wijze die volledig aansluit op de huidige internationale richtsnoeren, waaronder de onlangs bijgewerkte OESO-richtsnoeren voor Multinationale Ondernemingen, de tien beginselen van the het "Global Compact"-initiatief van de VN, de ISO-norm 26000 voor maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties, de Tripartiete Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie over beginselen inzake multinationale ondernemingen en sociaal beleid en de VN-richtsnoeren inzake ondernemen en mensenrechten; betreurt evenwel dat MVO meestal in termen van vrijwilligheid wordt opgevat;

7.  betreurt dat kmo's te weinig worden geïnformeerd omtrent het bestaan van het wereldwijde pact waarbij de ondernemingen zich erop kunnen vastleggen hun bedrijvigheid en strategie te richten naar tien universeel aanvaarde beginselen met betrekking tot mensenrechten, arbeidsnormen, milieu en bestrijding van corruptie;

8.  onderstreept dat het Global Compact-initiatief van de VN en de ISO 26000-normen niet voldoende zijn afgestemd op kmo's, hetgeen de reikwijdte van MVO op Europees niveau beperkt;

9.  onderstreept dat het nuttig zou zijn wanneer op Europees en nationaal niveau werd gekeken naar fiscale stimuleringsmaatregelen waardoor MVO bij een groter aantal ondernemingen ingang zou kunnen vinden;

10. onderstreept dat MVO, als zuiver vrijwillig engagement, wellicht niet toereikend is om de externe kosten aan te pakken die uit de activiteiten van multinationals voortvloeien, zoals schending van de mensenrechten en aantasting van het milieu; dringt er nogmaals op aan dat buitenlandse investeerders en ondernemingen die in ontwikkelingslanden actief zijn ten volle de internationale wettelijk bindende verplichtingen naleven inzake de mensenrechten, milieunormen, fundamentele IAO-arbeidsnormen en de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en de mensenrechten; dringt aan op specifieke maatregelen in het kader van MVO-beleid tegen onwettige praktijken rond zwarte lijsten waarmee werkers van de arbeidsmarkt worden geweerd, vaak wegens hun vakbondslidmaatschap en -activiteiten of hun rol als personeelsvertegenwoordiger in gezondheids- en veiligheidskwesties;

11. onderstreept dat ondernemingen moeten worden aangemoedigd MVO-praktijken over te nemen en de ondernemingen die zulke praktijken reeds hebben ingevoerd, moeten worden aangemoedigd de MVO-doelstellingen te blijven nastreven; vraagt de Commissie om stimuleringsmaatregelen in overweging te nemen, zoals voorrang bij overheidsaanbestedingen, zodat het bedrijfsleven kansen gaat zien in MVO en geen bedreiging;

12. onderstreept dat MVO concrete invulling moet krijgen met duidelijke verplichtingen tot eerbiediging van de rechten, de bescherming en het welzijn van werknemers, compleet met prestatie-indicatoren en duidelijke benchmarks voor het meten van verbeteringen, en dat er regelingen moeten worden getroffen voor objectieve, inclusieve en transparante bewaking, effectieve verantwoording en handhaving, om niet-naleving tegen te gaan, waaronder een opener en duidelijker procedure voor het behandelen van klachten en zo nodig instellen van onderzoek;

13. stelt nogmaals dat MVO voor alle ondernemingen moet gelden met het oog op een eerlijk en gelijk speelveld; wijst erop dat de manier waarop mijnbouwondernemingen in ontwikkelingslanden te werk gaan vraagt om een verdergaande dan alleen van vrijwilligheid uitgaande aanpak; onderstreept dat investeringen van de olie-industrie in Nigeria een goed voorbeeld zijn van de beperkingen van MVO zoals er op dit moment invulling aan wordt gegeven, zolang ondernemingen nalaten MVO-initiatieven te nemen om duurzame bedrijfspraktijken tot stand te brengen of om bij te dragen aan de ontwikkeling van hun gaststaten; is sterk geporteerd voor het wetgevingsvoorstel voor een rapportageplicht van land tot land volgens de normen van het transparantie-initiatief voor de mijnbouwsector (Extractive Industries Transparency Initiative)(EITI), waarbij opgave moet worden gedaan van verkopen en winsten, en van belastingen en inkomsten, om corruptie tegen te gaan en belastingontwijking te beletten; vraagt de Europese mijnbouwondernemingen die in ontwikkelingslanden actief zijn het goede voorbeeld te geven op het punt van sociale verantwoordelijkheid en bevordering van behoorlijke arbeid;

14. vraagt de Commissie om verdere initiatieven ter ontsluiting en versterking van het MVO-potentieel om de klimaatverandering tegen te gaan (door het te koppelen aan hulpbronnen- en energie-efficiëntie), bijvoorbeeld in de wegen die ondernemingen benutten om hun grondstoffen in te kopen;

15. onderstreept dat MVO moet gelden voor de gehele toeleveringsketen overal ter wereld, met inbegrip van alle niveaus van onderaanneming, ongeacht of het gaat om levering van goederen, uitvoering van werken of verrichting van diensten, dat er bepalingen in moeten om de bescherming zich ook tot migrerende, uitgezonden en gedetacheerde werknemers te doen uitstrekken, en dat het gebaseerd moet zijn op eerlijke beloning en behoorlijke arbeidsomstandigheden, en de vakbondsrechten en –vrijheden moet garanderen; is van mening dat het begrip ‘verantwoord toeleveringsbeheer’ nader moet worden uitgewerkt als element in de concrete invulling van MVO;

16. stelt zich op het standpunt dat in de MVO-agenda, wil er een werkelijk effect van uitgaan voor de armoedebestrijding, ook aandacht moet worden besteed aan kmo's, omdat de gezamenlijke sociale en ecologische impact daarvan allesbehalve onbeduidend is;

17. is van mening dat Europese bedrijven juridisch aansprakelijk moeten zijn en dat er verschillende soorten verantwoordings- en aansprakelijkheidsconstructies moeten worden aangebracht tussen die ondernemingen en de filialen en organisaties in ontwikkelingslanden waarover zij controle hebben; betuigt voorts zijn waardering voor het werk aan van het maatschappelijke middenveld in de EU dat zich actief heeft ingezet voor de bewustmaking van de schending van deze rechten door die ondernemingen in het buitenland;

18. houdt staande dat het de taak van de overheid is om bescherming te bieden tegen schending - ook door bedrijven - van de mensenrechten en van arbeidsrechten, om ondernemingen aansprakelijk te maken, de vrijheid van vergadering en de collectieve onderhandelingsrechten in stand te houden, en slachtoffers toegang tot de rechter te bieden; vraagt de Commissie om doeltreffende maatregelen om het VN-project "Protect, Respect and Remedy", zoals voorgesteld door John Ruggie, de speciale VN-gezant voor bedrijfsleven en mensenrechten, in werking te stellen;

19. onderstreept dat een betere aanwending van de VN-richtsnoeren inzake ondernemen en mensenrechten ten goede zal komen aan de doelstellingen van de EU ten aanzien van specifieke mensenrechtenvraagstukken en fundamentele arbeidsnormen; dringt er bij de EU op aan naar een duidelijk international kader te streven met betrekking tot de verantwoordelijkheden en verplichtingen van ondernemingen in verband met de mensenrechten;

20. noemt het verheugend dat het aantal ondernemingen dat informatie publiceert over hun prestaties op ecologisch, sociaal en bestuurlijk gebied (ESG) de laatste jaren sterk is gestegen; wijst er evenwel op dat zulke rapporterende ondernemingen maar een klein deel uitmaken van het wereldwijde bedrijfsleven; merkt op dat de EU-richtlijn betreffende modernisering van jaarrekeningen (2003/51/EU)(1) weliswaar een minimale publicatieplicht voorschrijft omtrent de belangrijkste financiële en niet-financiële-prestatiefactoren, maar geen vereisten stelt ten aanzien van het soort indicatoren dat in de jaarverslagen moet worden vermeld; vraagt de Commissie om onderzoek te doen naar nog andere mogelijke maatregelen om publicatie van ESG-informatie op Europees niveau te stimuleren;

21. onderstreept dat EU-hulp aan regeringen van derde landen bij de invoering van sociale en ecologische regelgeving tezamen met werkzame inspectiesystemen een noodzakelijke aanvulling is op de inspanningen om het door het Europese bedrijfsleven betrachte MVO wereldwijd uit te dragen;

22. onderstreept dat maatschappelijk verantwoord investeren (MVI) een van de manieren is om bij investeringsbeslissingen aan MVO inhoud te geven; merkt op dat er op dit moment geen universele definitie bestaat van MVI maar dat het in gebruikelijke zin gaat om verzoening van de financiële oogmerken van de investeerder met diens opvattingen omtrent sociale, ecologische, ethische (SEE) en bestuurlijke verantwoordelijkheden van ondernemingen;

23. spoort de EU en de lidstaten aan tot verdere beleidsinitiatieven om meer bekendheid te geven aan MVO en de verdere ontwikkeling ervan te bevorderen, bijvoorbeeld door juridische vastlegging van een set minimumnormen voor MVI, vooral in het kader van investerings- en handelsverdragen van de EU met ontwikkelingslanden;

24. merkt op dat MVO een manier is waarop werkgevers hun werkers en plaatselijke gemeenschappen in ontwikkelingslanden kunnen steunen, en ervoor kunnen zorgen dat de winsten eerlijk worden verdeeld, om duurzame economische en sociale welvaart tot ontwikkeling te brengen en meer mensen uit de armoede te tillen, vooral in tijden van financiële crisis; betreurt dat sociale-interventieprotocollen op dit moment slechts een vrijwillig karakter hebben en dringt er bij de Commissie op aan deze bindende werking te geven;

25. pleit voor volledige en actieve raadpleging en inschakeling van representatieve organisaties, waaronder ook vakbonden, bij de ontwikkeling, inwerkingstelling en monitoring van de MVO-processen en –structuren van ondernemingen, mede ook door de doorlopende ontwikkeling van de vaardigheden en kwalificaties van werkers door training en levenslange educatie, in samenwerking met de werkgevers in werkelijk partnerschap;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.12.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Thijs Berman, Michael Cashman, Nirj Deva, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Catherine Grèze, Eva Joly, Filip Kaczmarek, Miguel Angel Martínez Martínez, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Bill Newton Dunn, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Alf Svensson, Keith Taylor, Patrice Tirolien, Ivo Vajgl, Daniël van der Stoep, Anna Záborská, Iva Zanicchi

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Enrique Guerrero Salom, Cristian Dan Preda

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Ioan Enciu, Emilio Menéndez del Valle, Helmut Scholz

(1)

PB L 178, 17.7.2003, blz. 16.


ADVIES van de Commissie internationale handel (15.1.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk, transparant en zakelijk gedrag en duurzame groei

(2012/2098(INI))

Rapporteur voor advies: Bernd Lange

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt er met belangstelling nota van dat de Commissie begonnen is met het opnemen van verwijzingen naar MVO in door de EU gesloten handelsovereenkomsten; is van oordeel, in het licht van de belangrijke rol die vennootschappen, hun dochterondernemingen en hun toeleveringsketens in de internationale handel spelen, dat de maatschappelijke en milieuverantwoordelijkheid van bedrijven een integraal onderdeel moet uitmaken van de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling in door de EU gesloten handelsovereenkomsten; vraagt de Commissie concrete voorstellen uit te werken voor de implementatie van deze MVO-beginselen in het handelsbeleid;

2.  belooft zijn inspanningen continu te zullen intensiveren en eraan te zullen werken dat de instellingen en ambtenaren van de EU, met inbegrip van de speciale vertegenwoordiger van de EU inzake mensenrechten, ertoe verplicht worden zich in te zetten voor de naleving van sociale, milieu- en mensenrechtennormen in alle externe betrekkingen en al het extern optreden van de EU;

3.  onderstreept dat bevordering van MVO een doelstelling is die door de EU wordt onderschreven en dat de Europese Unie er derhalve op moet toezien dat het door haar gevoerde externe beleid bijdraagt tot duurzame ontwikkeling en sociale ontwikkeling in de betrokken landen;

4.  spoort de Commissie aan zich bij de ontwikkeling van concrete voorstellen voor het doorvoeren van de beginselen van MVO te baseren op de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, inclusief de OESO-klachtenprocedure;

5.  feliciteert alle leden van de OESO met het gedegen werk dat is verricht aan de op 25 mei 2011 gepubliceerde OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen; merkt op dat de 44 betrokken regeringen - die alle regio's van de wereld vertegenwoordigen en die goed zijn voor 85% van alle directe buitenlandse investeringen - hun ondernemingen aanmoedigen bij hun activiteiten overal in de wereld deze gedetailleerde aanbevelingen in acht te nemen;

6.  is van oordeel dat door de huidige ontwikkelingen op het gebied van het milieu en klimaatverandering, alsook door het ontstaan van mondiale productieketens een breder concept van MVO nodig is dan was voorzien toen dat concept voor het eerst werd geformuleerd; vindt derhalve dat er een geactualiseerd concept van MVO moet worden geformuleerd, en dat daar onderwerpen als werk en mensenrechten, milieubescherming, klimaatverandering, en het voorkomen van corruptie en belastingontduiking in moeten worden geïntegreerd;

7.  dringt er met klem op aan alle in derde landen actieve Europese ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers ten laatste op 1 januari 2014 te verplichten zich aan de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen te houden;

8.  vraagt de Commissie in alle bilaterale handels- en investeringsovereenkomsten die door de EU worden getekend een bindende MVO-clausule op te nemen, gebaseerd op de op internationaal niveau geformuleerde MVO-beginselen (met name de in 2010 geactualiseerde OESO-richtsnoeren), en daarin nadruk te leggen op duurzame ontwikkeling en goed bestuur, mensenrechten, fatsoenlijk werk, arbeidsnormen, vrijheid van vereniging, collectieve onderhandelingen en andere sociale overwegingen; stelt voor dat in deze clausule de bestaande normen en concepten worden geharmoniseerd, teneinde te zorgen voor vergelijkbaarheid en billijkheid, en ook maatregelen worden opgenomen voor toezicht op de naleving van deze beginselen op het niveau van de EU en voor implementatie, en dat nationale contactpunten worden ingesteld als fora voor vragen met betrekking tot de OESO-richtsnoeren, zoals de verplichting om de activiteiten van ondernemingen en hun dochterbedrijven en toeleveringsketens te monitoren, en de verplichting om "due diligence" toe te passen;

9.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle ondernemingen die op de interne markt actief zijn, waaronder transnationale bedrijven met dochterondernemingen of toeleveringsketens in de EU, zich zowel op nationaal, als op EU-niveau aan al hun wettelijke verplichtingen houden, teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie en maximalisering van de voordelen voor de Europese consumenten; dringt er bij de Commissie op aan verantwoord ondernemen te bevorderen bij EU-bedrijven die in het buitenland actief zijn, waarbij nadruk moet worden gelegd op een strikte naleving van al hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van nationale wetgeving en bilaterale of internationale overeenkomsten die op hun activiteiten van toepassing zijn, niet in de laatste plaats de naleving van internationale normen en regels op de gebieden mensenrechten, werk en het milieu; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan actief samen te werken met haar partners in ontwikkelingslanden en opkomende economieën bij het uitwisselen van goede praktijken en knowhow en manieren voor het verbeteren van het ondernemersklimaat en het vergroten van het bewustzijn van verantwoord ondernemerschap;

10. is van oordeel dat de regeringen van de lidstaten de EIB moeten vragen een clausule met betrekking tot MVO in haar overeenkomsten op te nemen;

11. verzoekt de Commissie een opener en duidelijker procedure voor het indienen en behandelen van klachten betreffende niet-naleving van de beginselen van MVO te ontwikkelen, inclusief handhavingsmechanismen, en, in voorkomend geval, onderzoeken te starten;

12. verzoekt de Commissie ondernemingen met klem op te roepen zich te houden aan de beginselen van MVO; onderstreept hoe belangrijk het is de verspreiding van deze praktijken onder kmo's te steunen en te stimuleren, met beperking van de kosten en de bureaucratische lasten die daarmee gemoeid zijn;

13. verzoekt de Commissie in de overeenkomsten die zij met ngo's sluit, in het bijzonder die op het gebied van ontwikkelingshulp, een clausule met betrekking tot MVO op te nemen;

14. doet een beroep op de Commissie doeltreffender gebruik te maken van op stimulansen gebaseerde maatregelen en een grotere waakzaamheid aan de dag te leggen bij het monitoren en waarborgen dat de transnationale ondernemingen die dochterondernemingen of toeleveringsketens hebben in landen die deelnemen aan het SAP en het SAP Plus - ongeacht of zij hun zetel in de EU hebben of niet -, alsook de betrokken landen a) voldoen aan hun nationale en internationale wettelijke verplichtingen op de terreinen mensenrechten, sociale en arbeidsnormen en milieuregels, b) zich daadwerkelijk voor de rechten, de bescherming en het welzijn van hun arbeidskrachten en burgers in het algemeen inzetten, c) de vrijheid van vereniging en het recht van collectieve onderhandelingen verdedigen, en d) eventuele inbreuken hierop snel en doeltreffend aanpakken;

15. verzoekt de Commissie MVO in multilaterale fora te bevorderen door steun te geven aan versterkte samenwerking tussen de WTO en andere multilaterale gremia die zich met MVO bezighouden, zoals de IAO en de OESO;

16. herinnert eraan dat voor het beslechten van handelsgeschillen en/of het eisen van compensatie voor negatieve gevolgen van onverantwoorde of illegale ondernemersactiviteiten nu reeds zowel gerechtelijke, als niet-gerechtelijke geschilbeslechtingsmechanismen bestaan; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de bekendheid van beide mechanismen zowel onder ondernemers, als het grote publiek te vergroten; brengt in herinnering dat de Internationale Kamer van Koophandel geschilbeslechtingsdiensten aanbiedt aan individuen, ondernemingen, landen, landelijke entiteiten en internationale organisaties die alternatieven voor de gang naar de rechtbank zoeken, en dat die bijdragen aan betere remedies voor slachtoffers in het geval van inbreuken op de beginselen van MVO met negatieve economische, sociale en milieugevolgen in de EU en/of derde landen;

17. pleit voor toezicht op beperkende maatregelen (sancties, boycots, embargo's), alsook voor regels op EU-niveau voor vergunningen voor producten voor duaal gebruik;

18. dringt aan op mechanismen die ervoor zorgen dat de beginselen van MVO niet alleen door het moederbedrijf of de contractant die een handelsovereenkomst sluit worden gerespecteerd, maar ook door alle onderaannemers of toeleveringsketens die hij gebruikt, bij de levering van hetzij goederen, hetzij werknemers, hetzij diensten, waarmee een level playing field tot stand wordt gebracht dat stoelt op "fair play" en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, en vakbondsrechten en -vrijheden worden gewaarborgd;

19. verzoekt de Commissie haar model voor de beoordeling van het effect op de duurzaamheid te verbeteren, zodat naar behoren rekening kan worden gehouden met de economische en sociale gevolgen en de gevolgen op het gebied van mensenrechten en milieu, inclusief de mitigatiedoelstellingen op het gebied van klimaatverandering, van handelsbesprekingen; verzoekt de Commissie om een follow-up van de handelsovereenkomsten met de partnerlanden van de EU, door vóór en na de ondertekening van een handelsovereenkomst onderzoeken met een beoordeling van het effect op de duurzaamheid uit te voeren, met name in specifieke kwetsbare sectoren;

20. onderstreept dat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon het Europees Parlement volledig dient te worden geïnformeerd over de wijze waarop de resultaten van effectbeoordelingen met betrekking tot duurzaamheid van overeenkomsten geïntegreerd worden in de onderhandelingen over deze overeenkomsten voordat ze worden gesloten, en over de hoofdstukken van die overeenkomsten die zijn gewijzigd om de in de effectbeoordelingen in kaart gebrachte negatieve gevolgen te vermijden;

21. roept op om een stelsel van transnationale juridische samenwerking op te zetten tussen de EU en derde landen die bilaterale handelsovereenkomsten ondertekenen, om ervoor te zorgen dat de slachtoffers van inbreuken op sociale of milieuwetgeving, of van het in gebreke blijven bij de inachtneming van MVO-regels, door multinationals en hun dochterbedrijven effectief toegang tot de rechter hebben in het land waar de inbreuk heeft plaatsgevonden, en steunt internationale juridische procedures die het mogelijk maken om, in voorkomend geval, overtredingen van de wettelijke regels door ondernemingen te bestraffen;

22. dringt aan op de ontwikkeling van doeltreffendere normen inzake transparantie en controleerbaarheid voor EU-technologiebedrijven die betrokken zijn bij de uitvoer van technologieën die kunnen worden gebruikt om de mensenrechten te schenden of op een wijze die haaks staat op de veiligheidsbelangen van de EU;

23. verzoekt de EDEO ervoor te zorgen dat de op EU-ambassades werkzame handelsattachés regelmatig worden geschoold in MVO, en met name in de tenuitvoerlegging van de VN-beginselen "Protect, Respect and Remedy", en is van oordeel dat EU-ambassades als EU-contactpunten moeten fungeren voor klachten over Europese bedrijven en hun dochterondernemingen, aangezien de OESO alleen in OESO-landen over nationale contactpunten beschikt en werknemers van die bedrijven in niet-OESO-landen met klachten daar dus niet terecht kunnen;

24. vindt dat nieuwe technologieën reeds in de O&O-fase aan beoordelingen met betrekking tot hun impact op de mensenrechten moeten worden onderworpen, dat dergelijke beoordelingen ook scenariostudies moeten omvatten en dat nagedacht moet worden over normen voor het integreren van mensenrechten in het ontwerp van deze technologieën (mensenrechten "by design");

25. onderstreept dat het vergroten van het bewustzijn van de beginselen van MVO en van de gevolgen van niet-naleving op het niveau van ondernemingen, als taak voor de Commissie, geflankeerd moet worden door vergroting van het bewustzijn en de opbouw van capaciteit op het niveau van de regeringen van de gastlanden, teneinde te komen tot een daadwerkelijke toepassing van MVO-rechten en tot toegang tot de rechtsgang;

26. dringt aan op de toepassing van het "ken uw eindgebruiker"-beginsel om voor beter toezicht te zorgen en stroomopwaartse en stroomafwaartse mensenrechtenschendingen in toeleveringsketens en productie- of handelsstromen te voorkomen;

27. onderstreept dat toekomstige bilaterale investeringsovereenkomsten die door de EU ondertekend worden een eerlijk evenwicht moeten garanderen tussen de bescherming van investeerders en de mogelijkheden voor staatsinterventie, met name met betrekking tot sociale, gezondheids- en milieunormen;

28. neemt er nota van dat bij de huidige hervorming van de transparantierichtlijn (2004/109/EG) en de jaarrekeningrichtlijn (2003/51/EG) stappen in de goede richting zijn gezet van het op de agenda zetten van MVO, terwijl tegelijkertijd evenwicht tot stand wordt gebracht tussen het legitieme streven naar transparantie en de plicht tot het afleggen van rekenschap enerzijds en de last van de rapportageverplichting voor bedrijven anderzijds; doet een beroep op de Commissie om ervoor te zorgen dat ondernemingen waarop deze richtlijnen van toepassing zijn regelmatig verslag over hun activiteiten op het gebied van MVO uitbrengen, overeenkomstig de OESO-richtsnoeren voor multinationals, en is van mening dat er speciale regelingen voor kmo's moeten worden ontwikkeld die hen in staat stellen zich aan de rapportageverplichtingen te houden;

29. onderstreept dat de MVO-dimensie in multilaterale handelsovereenkomsten moet worden geïntegreerd en verzoekt de Commissie derhalve zich hiervoor zowel in internationale fora, in het bijzonder de OESO en de IAO, als in de WTO in de post-Doha-context in te zetten;

30. is van oordeel dat toekomstige maatregelen op het vlak van MVO betrekking moeten hebben op de hele economische cyclus, van de winning van grondstoffen, via de handel tot aan de recyclage;

31. vindt dat in alle door de EU gesloten handelsovereenkomsten bepalingen met betrekking tot MVO moeten worden opgenomen, alsmede bepalingen die bescherming uitbreiden tot arbeidsmigranten, uitzendkrachten en gedetacheerde werknemers;

32. is van oordeel dat de Commissie en de lidstaten de Europese ondernemingen moeten aansporen initiatieven op het gebied van MVO te ontplooien en goede praktijken uit te wisselen met hun partners in andere landen;

33. vindt dat EU-ondernemingen zich bij al hun activiteiten, hetzij in de EU, hetzij daarbuiten, aan het beleid op het gebied van MVO moeten houden, en fundamentele arbeids- en vakbondsrechten, zoals het recht op privacy en de vrijheid van vereniging, moeten eerbiedigen;

34. dringt erop aan vertegenwoordigende organisaties, waaronder vakbonden, te raadplegen over en volledig en actief te betrekken bij de ontwikkeling en doorvoering van de processen en structuren van ondernemingen met betrekking tot MVO en het toezicht daarop; vindt dat deze vertegenwoordigende organisaties in een daadwerkelijke partnerschapsbenadering met werkgevers moeten samenwerken;

35. dringt aan op een intensievere en meer inclusieve en transparante monitoring van de beginselen van MVO in het handelsbeleid van de EU, met duidelijke benchmarks voor het meten van verbeteringen, teneinde het vertrouwen in het systeem te vergroten;

36. merkt op dat MVO een mechanisme is waarmee werkgevers hun werknemers en plaatselijke gemeenschappen in ontwikkelingslanden kunnen ondersteunen, dat eerbiediging van de beginselen van MVO en van arbeidsnormen die landen kan helpen vruchten te plukken van meer internationale handel, en dat MVO ervoor kan zorgen dat voordelen billijk worden verdeeld, met het oog op de totstandbrenging van duurzame economische en sociale welvaart, en ter bestrijding van armoede, met name in tijden van financiële crises; betreurt dat sociale-interventieprotocollen op dit moment slechts een vrijwillig karakter hebben en verzoekt de Commissie met klem deze protocollen bindend te verklaren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.12.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Maria Badia i Cutchet, Nora Berra, Daniel Caspary, María Auxiliadora Correa Zamora, George Sabin Cutaş, Christofer Fjellner, Yannick Jadot, Franziska Keller, Vital Moreira, Paul Murphy, Cristiana Muscardini, Niccolò Rinaldi, Helmut Scholz, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Gianluca Susta, Henri Weber, Iuliu Winkler, Paweł Zalewski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Salvatore Iacolino, Silvana Koch-Mehrin, Maria Eleni Koppa, Katarína Neveďalová, Marietje Schaake

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Norbert Neuser, Birgit Schnieber-Jastram, Derek Vaughan


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (19.12.2012)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei

(2012/2098(INI))

Rapporteur voor advies: Morten Løkkegaard

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  moedigt de EU aan een actieve rol te spelen bij het geven van voorlichting over de bijdrage die het bedrijfsleven kan leveren aan de samenleving door middel van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) op het gebied van cultuur, onderwijs, sport en jeugdzaken;

2.  moedigt zowel de EU als de lidstaten ertoe aan concrete gegevens te verstrekken en onderwijs en opleiding te geven over MVO, om te bewerkstelligen dat bedrijven volledig gebruik maken van de voordelen die MVO biedt en MVO binnen hun organisatiecultuur toepassen;

3.  verzoekt de lidstaten belastingvoordelen toe te kennen aan bedrijven die vrijwilligerswerk en non-profit initiatieven financieren;

4.  benadrukt dat MVO moet worden opgenomen in de leerprogramma's van onderwijsinstellingen op alle niveaus, ook in bedrijfskundeopleidingen, en in opleidingsprogramma's voor directie en personeel van kleine en middelgrote ondernemingen;

5.  moedigt de lidstaten ertoe aan om MVO te integreren in relevante onderwijscurricula;

6.  wijst op het belang van de link tussen het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen voor secundair en vooral ook hoger onderwijs, en op de belangrijke rol die MVO kan spelen bij het bieden van de mogelijkheid voor studenten om tijdens hun studie praktische ervaring op te doen, als deeltijdwerker of stagiair bij een bedrijf;

7.  moedigt de bedrijven aan om hoogwaardige stageplaatsen met een hoge opleidingscomponent aan te bieden die de overgang van het onderwijs naar het beroepsleven, de ontwikkeling van arbeidsmarktgerichte bekwaamheden en de zelfstandigheid van jongeren bevorderen;

8.  moedigt het bedrijfsleven ertoe aan om creativiteit en culturele projecten binnen hun MVO-beleid te bevorderen, in de context van maatschappelijke betrokkenheid, en om duurzame groei en banengroei te stimuleren;

9.  wijst erop dat het van belang is kleine en middelgrote bedrijven te betrekken bij MVO en hun verworvenheden op dit gebied te erkennen;

10. moedigt het bedrijfsleven aan om, in samenwerking met de sociale partners, te zorgen voor opleiding, voorlichting en inbreng van hun werknemers met betrekking tot de grote Europese sociale uitdagingen, met name op economisch, sociaal, ecologisch en internationaal gebied;

11. verlangt dat ondernemers warm gemaakt worden voor het idee van sponsorschap;

12. wijst op de belangrijke bijdrage die MVO kan leveren aan het scheppen van leer- en groeimogelijkheden, en aan het tot stand brengen van maatschappelijke betrokkenheid en maatschappelijke integratie dankzij de hoge mate van interactie met de maatschappij, alsook dankzij intergenerationele activiteiten zoals wederzijds mentorschap en kennisoverdracht tussen jong en oud; benadrukt met name de potentiële bijdrage van MVO aan het scheppen van kansen voor jongeren en aan het ontplooien van hun talenten;

13. benadrukt het belang van de bescherming van de mensenrechten in de betrekkingen met derde landen;

14. juicht het programma voor Europese prijzen voor MVO-partnerschappen tussen bedrijven en andere belanghebbenden, met inbegrip van onderwijsinstellingen en sportorganisaties, toe en beschouwt dat als een belangrijke stap in de richting van meer zichtbaar MVO;

15. benadrukt dat maatschappelijk verantwoord investeren (mvi), als onderdeel van de toepassing van MVO bij investeringsbesluiten, ervoor zorgt dat investeerders hun financiële en economische doelen koppelen aan hun sociale, ecologische, ethische, culturele en onderwijsoverwegingen;

16. moedigt de lidstaten en de Unie aan om bij hun MVO-agenda rekening te houden met het feit dat culturele en creatieve kmo's een aanzienlijke invloed kunnen hebben op de veranderingen op het gebied van maatschappij en milieu, doordat zij langetermijnoplossingen aanreiken voor armoedebestrijding door nieuwe impulsen te geven aan de arbeidsmarkt en rekening te houden met maatschappelijke overwegingen;

17. verzoekt om een onderzoek naar de redenen waarom sommige MVO-strategieën wel doeltreffend zijn en andere niet;

18. verzoekt de lidstaten om vrijwilligerswerk onder werknemers en ondersteuning van vrijwilligerswerk door werkgevers ook in het kader van MVO te stimuleren en te benutten en het aanzien ervan te vergroten, zoals gevraagd in de resolutie van 12 juni 2012 over erkenning en bevordering van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk in de EU(1); benadrukt dat vrijwilligerswerk op geen enkele wijze van invloed mag zijn op de salarissen en de arbeidsvoorwaarden van werknemers en dat erop moet worden toegezien dat vrijwillig en betaald werk elkaar aanvullen;

19. is van mening dat bedrijven die actief zijn op het gebied van culturele inhoud en media de maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat de grondrechten van de gebruikers worden beschermd en meent dat zelfregulering en grootschalige pakketinspecties het gevaar inhouden dat politie- en wetshandhavingstaken in particuliere handen terechtkomen;

20. moedigt mediabedrijven aan om transparante journalistieke normen in hun MVO-beleid op te nemen, zoals waarborgen voor bronbescherming en de rechten van klokkenluiders;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.12.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Piotr Borys, Jean-Marie Cavada, Silvia Costa, Santiago Fisas Ayxela, Lorenzo Fontana, Mary Honeyball, Petra Kammerevert, Morten Løkkegaard, Emma McClarkin, Emilio Menéndez del Valle, Katarína Neveďalová, Doris Pack, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid, Marietje Schaake, Marco Scurria, Hannu Takkula, Helga Trüpel, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Nadja Hirsch, Stephen Hughes, Iosif Matula, Raimon Obiols, Rui Tavares

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Leonardo Domenici

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0236.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Luigi Berlinguer, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sajjad Karim, Antonio Masip Hidalgo, Jiří Maštálka, Alajos Mészáros, Evelyn Regner, Francesco Enrico Speroni, Dimitar Stoyanov, Rebecca Taylor, Rainer Wieland, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Piotr Borys, Sergio Gaetano Cofferati, Vytautas Landsbergis, Eva Lichtenberger, Dagmar Roth-Behrendt, József Szájer, Axel Voss

Juridische mededeling - Privacybeleid