VERSLAG over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2013

    29.1.2013 - (2012/2257(INI))

    Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
    Rapporteur voor advies: Veronica Lope Fontagné


    Procedure : 2012/2257(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0024/2013
    Ingediende teksten :
    A7-0024/2013
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2013

    (2012/2257(INI))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

    –   gezien de artikelen 9, 151 en 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

    –   gezien artikel 145, 148 en 152 alsmede artikel 153, lid 5, van het VWEU,

    –   gezien artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2012 over de jaarlijkse groeianalyse 2013 (COM(2012)0750) en het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat als bijlage is bijgevoegd,

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2011 over de jaarlijkse groeianalyse 2012 (COM(2011)0815) en het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat als bijlage is bijgevoegd,

    –   gezien zijn resolutie van 26 oktober 2012 over het Europees Semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2012[1],

    –   gezien zijn resolutie van 1 december 2012 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie[2],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

    –   gezien zijn wetgevingsresolutie van 8 september 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020[3],

    –   gezien Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten[4],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

    –   gezien mondelinge vraag O-000120/2012 aan de Commissie en de daarmee samenhangende resolutie van 14 juni 2012 over "Naar een banenrijk herstel"[5],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2010 getiteld "Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: A European contribution towards full employment’ (COM(2010)0682)[6],

    –   gezien zijn resolutie van 26 oktober 2011 over de agenda voor nieuwe vaardigheden en banen[7],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758),

    –   gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting[8],

    –   gezien Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten[9],

    –   gezien de mededeling van de Commissie getiteld Initiatief "Kansen voor jongeren" (COM(2011)0933),

    –   gezien mondelinge vraag B7-0113/2012 aan de Commissie en de daarmee samenhangende resolutie van 24 mei 2012 over het Initiatief "Kansen voor jongeren"[10],

    –   gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2010 getiteld "Jeugd in beweging: een initiatief om jongeren ten volle te betrekken bij het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europese Unie" (COM(2010)0477),

    –   gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over Jeugd in beweging: een kader voor de verbetering van de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in Europa[11],

    –   gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling[12],

    –   gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie[13],

    –   gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep[14],

    –   gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het sociale investeringspact - een reactie op de crisis[15],

    –   gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020), dat op 7 maart 2011 door de Raad is goedgekeurd,

    –   gezien Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd[16],

    –   gezien Richtlijn 1997/81/EG van 15 december 1997 van de Raad betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid[17],

    –   gezien artikel 48 van het Reglement,

    –   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A7-0024/2013),

    A. overwegende dat de crisis verstrekkende gevolgen heeft voor de werkgelegenheid en de samenleving en dat deze momenteel nog eens verergerd worden door de begrotingsconsolidatie van bepaalde landen naar aanleiding van de staatsschuldcrisis en door het krappe monetaire beleid in de eurozone dat sterk afwijkt van het monetaire beleid in andere grote economische regio's en bovendien geen doeltreffende oplossing biedt voor de staatsschuldcrisis en de groei niet stimuleert; overwegende dat de crisis negatieve gevolgen heeft voor de kwaliteit en de kwantiteit van de sociale investeringen in Europa; overwegende dat de eurozone zich in een recessie bevindt en de EU momenteel de enige grote regio in de wereld is waar de werkloosheid nog altijd stijgt;

    B.  overwegende dat de werkgelegenheid in 2012 is verslechterd en dat de vooruitzichten voor 2013 zeer somber zijn; overwegende dat de arbeidsmarkt verder gesegmenteerd is, de langdurige werkloosheid alarmerende niveaus heeft bereikt, de armoede onder werkenden nog altijd een groot probleem is, de gemiddelde inkomens van huishoudens in veel lidstaten dalen en indicatoren in de richting wijzen van steeds wijder verspreide en steeds ernstigere vormen van armoede en sociale uitsluiting, dit alles onder toename van de armoede onder werkenden en maatschappelijke polarisering in veel lidstaten;

    C. overwegende dat de werkloosheid in de EU sinds 2008 flink is gestegen tot wel 25 miljoen personen, oftewel 10,5% van de beroepsbevolking; overwegende dat alleen al in het afgelopen jaar het aantal werklozen gestegen is met 2 miljoen; overwegende dat de daling van de werkgelegenheid het grootst is in de landen die voor omvangrijkere begrotingsconsolidatie hebben gekozen;

    D. overwegende dat de situatie op de arbeidsmarkt met name voor jongeren ernstig is, ongeacht hun opleidingsniveau, en dat jongeren vaak genoegen moeten nemen met onzekere arbeidscontracten en onbetaalde stages; overwegende dat de moeilijke situatie waarin jongeren verkeren deels het gevolg is van een slechte aansluiting van de verworven kennis en vaardigheden op de behoeften van de arbeidsmarkt, beperkte geografische mobiliteit, voortijdige schoolverlaters zonder diploma, een gebrek aan relevante vaardigheden en werkervaring, onzekere dienstverbanden, beperkte opleidingsmogelijkheden en ontoereikend actief arbeidsmarktbeleid;

    E.  overwegende dat meer dan een op de vijf jongeren in de EU (22,8%) geen werk heeft en dat een aantal lidstaten kampt met een jeugdwerkloosheidspercentage van meer dan 50%; overwegende dat meer dan 7 miljoen Europeanen onder de 25 jaar niet werken, of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET); overwegende dat deze aantallen steeds verder stijgen en er een verloren generatie dreigt te ontstaan; overwegende dat de kosten van nietsdoen met betrekking tot NEET geschat worden op EUR 153 miljard voor de hele EU;

    F.  overwegende dat de Commissie na de Europese Raad van 30 januari 2012, in het kader van het initiatief “Kansen voor jongeren”, de lidstaten heeft opgeroepen uitgebreide initiatieven voor werkgelegenheid, onderwijs en vaardigheden voor jongeren op te zetten en uit te voeren, en om binnen hun nationale hervormingsprogramma’s plannen voor jeugdwerkgelegenheid te ontwikkelen; overwegende dat deze in de meeste lidstaten evenwel nog niet gepresenteerd zijn;

    G. overwegende dat mensen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen, langdurig werklozen, werknemers uit derde landen en laagopgeleide arbeiders eveneens tot de zwaarst door de crisis getroffenen behoren;

    H. overwegende dat het noodzakelijk is de nodige hervormingen door te voeren om de duurzaamheid van de pensioenstelsels te waarborgen; overwegende dat er in dit verband nog altijd bewegingsruimte bestaat om de effectieve pensioenleeftijd te verhogen zonder de verplichte pensioenleeftijd te verhogen, namelijk door het vervroegd uittreden uit de arbeidsmarkt terug te dringen; overwegende dat om de feitelijke pensioenleeftijd met succes te verhogen, hervormingen van de pensioenstelsels gepaard moeten gaan met beleidsmaatregelen voor de ontwikkeling van arbeidsmogelijkheden voor oudere werknemers, toegang tot een leven lang leren, alsmede met de introductie van fiscale stimuleringsmaatregelen die ertoe aanzetten langer te blijven werken, en die een actief en gezond verouderingsproces ondersteunen;

    I.   overwegende dat de langdurige werkloosheid in het tweede kwartaal van 2012 een alarmerende omvang heeft bereikt toen uit de werkloosheidscijfers bleek dat 11,1 miljoen werkloze Europeanen meer dan één jaar werkloos waren, goed voor 4,6% van de totale beroepsbevolking; overwegende dat de kans van werklozen om werk te vinden in de meeste lidstaten is gedaald, met name in de lidstaten met aanzienlijke budgettaire consolidatiemaatregelen;

    J.   overwegende ongeveer 120 miljoen mensen in de EU-27 met sociale uitsluiting worden bedreigd, omdat zij een hoog risico op armoede lopen, ernstig materieel gedepriveerd zijn of in huishoudens leven met een zeer lage arbeidsparticipatie;

    K. overwegende dat de uitgaven voor sociale bescherming in bijna alle lidstaten zijn teruggebracht en overwegende dat het Comité voor Sociale Bescherming (SPC) ervoor waarschuwt dat steeds meer mensen worden geconfronteerd met het risico op inkomensarmoede, kinderarmoede, ernstige materiële ontbering en sociale uitsluiting als gevolg van de impact van budgettaire consolidatiemaatregelen;

    L.  overwegende dat er voor economisch herstel, begrotingsconsolidatie en de toekomstige houdbaarheid van de verzorgingsstaat en de overheidsfinanciën op de lange termijn groei en een hoge werkgelegenheid nodig is;

    M. overwegende dat gerichte sociale investeringen een belangrijk onderdeel moeten vormen van het antwoord van de lidstaten op de crisis, aangezien deze cruciaal zijn voor de verwezenlijking van de werkgelegenheids-, sociale en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie;

    N. overwegende dat de Europese Raad op 30 januari 2012 verklaarde dat "groei en werkgelegenheid pas weer zullen opbloeien als we een consequente aanpak volgen die steunt op een brede basis, die een combinatie is van een slimme begrotingsconsolidatie die blijft investeren in toekomstige groei, van gezond macro-economisch beleid en van een actieve werkgelegenheidsstrategie die de sociale cohesie in stand houdt";

    O. overwegende dat de begrotingsconsolidatie gezien de hoge schulden en de uitdagingen voor de overheidsfinanciën op de lange termijn moet worden voortgezet, maar dat terdege rekening moet worden gehouden met het feit dat het een middellange- tot langetermijndoelstelling betreft; overwegende dat begrotingsconsolidatie op de korte termijn negatieve gevolgen kan hebben voor de groei en de werkgelegenheid, in het bijzonder in landen die in recessie zijn of een verwaarloosbare groei laten zien, hetgeen ten koste gaat van de toekomstige economische groei en het vermogen om werkgelegenheid te scheppen; overwegende dat begrotingsconsolidatie derhalve moet worden geïmplementeerd op een wijze die het groei- en werkgelegenheidcreërendpotentieel van de economie of haar sociale weefsel niet schaadt;

    P.  overwegende dat de spanningen op de financiële markten onverminderd hoog zijn en dat de onevenwichtigheden tussen de lidstaten bij de toegang tot financiering wijdverspreid zijn; overwegende dat de hoge risicopremies bij excessieve staatsschulden buitengewoon toenemen, waardoor grotere begrotingsconsolidatie vereist is, de crisis wordt verhevigd en groei en werkgelegenheid derhalve worden belemmerd;

    Q. overwegende dat de Europese Unie ondanks de dringende aard van de situatie bijna geen enkele van de Europa 2020-doelstellingen haalt en de vooruitgang in de lidstaten ten aanzien van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie teleurstellend is; overwegende dat de verbintenissen die zijn neergelegd in de nationale hervormingsprogramma's 2012 ontoereikend zijn om het leeuwendeel van de doelstellingen op de EU-niveau te kunnen behalen;

    R.  overwegende dat investeringen in onderwijs en opleiding, onderzoek en innovatie - cruciaal voor de economische groei en de schepping van nieuwe werkgelegenheid - in de EU nog altijd achterblijven bij die van haar belangrijkste economische partners en concurrenten in de rest van de wereld; overwegende dat productieve investeringen op deze vlakken cruciaal zijn voor een duurzaam herstel van de crisis, maar ook om de economie van de EU op de weg van concurrentievermogen en productiviteit te consolideren;

    S.  overwegende dat de genderdimensie van cruciaal belang is voor het behalen van de hoofddoelstellingen van de Europa 2020-strategie doordat vrouwen de grootste onaangesproken arbeidsreserve vormen; overwegende dat vrouwen het leeuwendeel van de armen in de EU vertegenwoordigen; overwegende dat bezuinigingen op publieke diensten, zoals kinderdagopvang en de zorg voor overige afhankelijke personen, een negatief effect hebben op vrouwen en, in het verlengde daarvan, op hun vermogen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt; overwegende dat er tijdens het Europees semester specifieke aandacht nodig is voor gendermainstreaming en specifiek beleid ten behoeve van vrouwen; overwegende dat de wettelijke pensioenleeftijd van vrouwen gelijk moet worden getrokken met die van mannen;

    T.  overwegende dat er in de context van het Europees semester voor meer interactie gezorgd moet worden tussen het werkgelegenheids-, sociaal en economisch beleid, zoals uiteengezet in de artikelen 121 en 148 VWEU;

    U. overwegende dat het van essentieel belang is dat de democratische verantwoording, inbreng en legitimiteit van alle bij het Europees semester betrokken partijen worden bevorderd; overwegende dat gepaste betrokkenheid van het Europees Parlement hier een essentieel onderdeel van uitmaakt;

    V. overwegende dat de nationale parlementen de vertegenwoordigers zijn van en de waarborgen voor de door de burgers verworven en gedelegeerde rechten; overwegende dat bij de invoering van het Europees semester de prerogatieven van de nationale parlementen volledig geëerbiedigd moeten worden;

    Kernboodschappen met het oog op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad

    1.  verzoekt de Europese Raad de volgende boodschappen in zijn beleidsrichtsnoeren voor het Europees semester 2013 te verwerken en machtigt zijn Voorzitter dit standpunt tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad (14-15 maart 2013) te verdedigen; verwijst in het bijzonder naar de specifieke aanbevelingen die door de Europese Raad in zijn beleidsrichtsnoeren moeten worden opgenomen, die bij deze resolutie zijn gevoegd;

    2.  betreurt het feit dat de prioriteiten die zijn vastgesteld tijdens het Europees semester van vorig jaar - in het bijzonder die ten aanzien van de schepping van nieuwe werkgelegenheid, de kwaliteit van werkgelegenheid en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting - niet de beoogde resultaten hebben opgeleverd;

    3.  wijst op het feit dat de economische situatie en de sociale gevolgen van de crisis in het afgelopen jaar verder zijn verslechterd en benadrukt daarom dat de lidstaten meer werk moeten maken van de beleidsrichtsnoeren voor 2013 waartoe zij zich verbonden hebben, in het bijzonder op het gebied van het werkgelegenheids- en het sociale beleid;

    I.   Doelstellingen Europa 2020

    4.  verzoekt de Europese Raad ervoor te zorgen dat de jaarlijkse beleidsrichtsnoeren die zijn vastgesteld aan de hand van de groeianalyse volledig gericht zijn op de verwezenlijking van alle doelstellingen in de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; betreurt dat er in de jaarlijkse groeianalyse 2013 geen voortgangsverslag van Europa 2020 is opgenomen, en vraagt de Commissie daarom dit verslag tijdig vóór de vergadering van de Europese Raad van dit voorjaar te presenteren;

    5.  betreurt het dat de beleidsrichtsnoeren voor 2012 en de tenuitvoerlegging daarvan ontoereikend zijn gebleken ten aanzien van de verwezenlijking van de in de Europa 2020-strategie vastgelegde politieke doelstellingen; betreurt het dat sommige lidstaten steeds verder verwijderd raken van de 2020-doelstellingen;

    6.  betreurt het feit dat de verbintenissen die zijn neergelegd in de nationale hervormingsprogramma's voor 2012 ontoereikend zijn om het leeuwendeel van de doelstellingen op EU-niveau te kunnen behalen; is ernstig bezorgd dat de huidige nationale doelstellingen ontoereikend zullen zijn om de hoofddoelstellingen van de EU 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en de vermindering van de armoede te kunnen realiseren;

    7.  verzoekt de lidstaten om de nodige verbintenissen op te nemen in hun nationale hervormingsprogramma's van 2013 ter verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen;

    8.  verzoekt de Europese Raad er in zijn beleidsrichtsnoeren voor te zorgen dat voldoende EU-fondsen bestemd worden om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te halen; dringt er bij de lidstaten op aan beschikbare middelen doeltreffender in te zetten voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

    II.  Schepping nieuwe werkgelegenheid middels structurele hervormingen en groeigerichte investeringen

    9.  betreurt het feit dat het leeuwendeel van de lidstaten vorig jaar niet zoals beloofd een nationaal banenplan heeft ingediend in het kader van hun nationaal hervormingsplan voor 2012; verzoekt de lidstaten voor wat dit betreft in 2013 wel hun beloftes na te komen; benadrukt dat de nationale banenplannen omvangrijke maatregelen dienen te omvatten ten behoeve van de schepping van nieuwe werkgelegenheid en groene werkgelegenheid in het bijzonder, alsook een duidelijk verband tussen werkgelegenheidsbeleid en financiële instrumenten, en verder arbeidsmarkthervormingen, een duidelijk tijdspad voor de tenuitvoerlegging van de meerjarige hervormingsagenda tijdens het navolgende jaar, alsook een indicatie van de sectoren en regio's waar er specialisatietekorten en -overschotten bestaan;

    10. betreurt het feit dat de Commissie de opstelling van nationale banenplannen niet verplicht heeft gesteld en verzoekt de Commissie om tijdens elk jaarlijks Europees semester toezicht te houden op de voorbereiding van deze plannen;

    11. verzoekt de lidstaten om werkgelegenheidsbevorderende maatregelen te treffen zoals hervormingen van de belastingen op arbeid die werkgelegenheidsprikkels bevatten, bevordering en ondersteuning van daadwerkelijk en vrijwillig zelfstandig ondernemerschap en startende ondernemingen, verbetering van het ondernemingsklimaat, bevordering van de toegang van het MKB tot financiering, omvorming van informeel en zwart werk tot reguliere werkgelegenheid, hervorming van de arbeidsmarkt - daar waar nodig - om deze wendbaarder, dynamischer en inclusiever te maken en tegelijkertijd te zorgen voor adequate zekerheid voor werknemers, het aan werkgevers en werknemers aanbieden van de vaardigheden en de instrumenten die hen in staat stellen zich aan te passen aan de veranderende behoeften van de arbeidsmarkt, modernisering van de loonvormingssystemen – met de actieve deelname van de sociale partners binnen het kader van de sociale dialoog, met inachtneming van de nationale verschillen tussen de werkgevers-werknemersbetrekkingen – teneinde lonen te doen aansluiten op de ontwikkeling van de productiviteit binnen de grenzen van hetgeen nodig is om een waardig leven te kunnen leiden, en benutting van het hoge werkgelegenheidspotentieel van sectoren als de groene economie, gezondheids- en sociale zorg en de ICT-sector ten behoeve van nieuwe duurzame en kwalitatief goede banen;

    III. Jeugdwerkgelegenheid

    12. verzoekt de Europese Raad om de jeugdwerkloosheid tot een van de prioriteiten van de beleidsrichtsnoeren voor 2013 uit te roepen;

    13. verzoekt de lidstaten om beslissende maatregelen te treffen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid met inbegrip van doelgerichte actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen, maatregelen om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar te doen aansluiten - in het bijzonder door vroegtijdige schoolverlating of voortijdige uitval uit stageprogramma's te voorkomen en ervoor te zorgen dat onderwijs- en opleidingsstelsels jongeren op doeltreffende wijze de benodigde vaardigheden bijbrengen - alsook bevordering van het ondernemerschap en doeltreffende steun aan jongeren voor het opzetten van een eigen bedrijf en de benodigde kaders voor een goede overgang van onderwijs naar werk;

    14. steunt met klem het voorstel van de Commissie betreffende jeugdgarantieregelingen; dringt erop aan deze snel te implementeren en er voldoende financiële middelen voor te reserveren; is van oordeel dat het ESF een belangrijke rol moet spelen bij het financieren van de jeugdgarantieregelingen en dat voor een goed evenwicht moet worden gezorgd tussen EU-financiering en financiering door de lidstaten;

    15. dringt er bij de lidstaten op aan om allesomvattende strategieën te ontwikkelen voor jongeren die niet werken of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET); dringt er tevens bij hen op aan om bij de ontwikkeling van deze strategieën financiële solidariteit te tonen met de lidstaten die over een beperktere ruimte in hun begroting beschikken;

    IV. Wendbaardere, dynamischere en inclusievere arbeidsmarkten en werkgelegenheid van hogere kwaliteit

    16. betreurt het feit dat de jaarlijkse groeianalyse 2013 niet ingaat op de kwaliteit van werkgelegenheid en te weinig aandacht besteedt aan de schepping van de benodigde randvoorwaarden voor een hogere arbeidsparticipatie, met name die van vrouwen, werknemers van boven de 45, personen met een handicap en de meest kansarmen;

    17. wijst opnieuw op het feit dat de kloof tussen de lidstaten, met name qua werkgelegenheid en sociale indicatoren, groter wordt; merkt op dat de lidstaten met relatief ongesegmenteerde arbeidsmarkten, met sterke sociale voorzieningen, de mogelijkheid om arbeidsuren en arbeidstijd tijdelijk aan te passen en met andere flexibele arbeidspatronen (interne flexibiliteit) en met krachtige modellen voor collectieve arbeidsonderhandelingen, qua werkgelegenheid en op sociaal vlak minder te lijden hebben van de crisis;

    18. pleit voor wendbaardere en dynamischere arbeidsmarkten die beter om kunnen gaan met grote economische schokken zonder dat er ontslagen moeten vallen alsook voor inclusievere arbeidsmarkten, dit alles middels bevordering van de arbeidsparticipatie van met name kwetsbare en kansarme personen;

    19. benadrukt met klem dat de bezuinigingen niet ten koste mogen gaan van de kwaliteit van de werkgelegenheid, de sociale bescherming en de veiligheidsnormen; moedigt de lidstaten aan te bevorderen dat wordt vastgesteld welke ondernemingen en mkb's zich inspannen om zich socialer te gedragen dan de wettelijke minimumverplichtingen;

    V. Investeren in onderwijs en opleiding

    20. wijst op de cruciale rol van onderwijs en opleiding voor het behalen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

    21. onderstreept het belang om jongeren voor het onderwijs te behouden om zo het aantal jongeren dat niet werkt of geen onderwijs of opleiding volgt (NEET), te doen afnemen;

    22. verzoekt de lidstaten om niet alleen een op langetermijnhoudbaarheid gericht, groeibevorderend en gedifferentieerd begrotingsconsolidatiebeleid te voeren, maar ook zorg te dragen voor doeltreffende en voldoende investeringen in onderwijs, opleiding en levenslang leren, teneinde zich te houden aan alle in het kader van de Europa 2020-strategie gedane toezeggingen;

    23. roept de lidstaten op om de Europese uitwisselingsprogramma’s voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport op te nemen in de maatregelen die in het kader van het Europees semester worden genomen;

    VI.   Waarborging van de kwaliteit van de openbare dienstverlening en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting

    24. is uiterst bezorgd over de stijging van de armoede en de werkloosheid onder alle leeftijdscategorieën sinds het laatste Europees semester van 2012;

    25. is ingenomen met het feit dat de jaarlijkse groeianalyse 2013 ingaat op armoede en sociale uitsluiting en tevens de maatschappelijke gevolgen van de crisis aanpakt; verzoekt de Commissie om deze maatregelen duidelijk in de landenspecifieke aanbevelingen naar voren het halen, alsook om in het bijzonder iets te doen aan de armoede onder werkenden, de armoede onder mensen met beperkte of geheel geen banden met de arbeidsmarkt, alsook aan de armoede onder ouderen; verzoekt de Europese Raad om deze richtsnoeren tot prioriteit te verheffen;

    26. pleit voor de uitvoering van geïntegreerde strategieën voor actieve integratie als een kernelement van de Europese en nationale sociale beleidsagenda's;

    VII.  Streven naar proportionele, gedifferentieerde en groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, onderwijl zorgend voor economisch herstel en schepping van nieuwe werkgelegenheid

    27. onderkent de noodzaak van evenredige, gedifferentieerde en groeibevorderende begrotingsconsolidatie om negatieve gevolgen daarvan voor de groei en de werkgelegenheid op de korte, middellange en lange termijn te vermijden en tegelijkertijd de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te garanderen; stelt met klem dat het effect van begrotingsconsolidatie moet worden beoordeeld aan de hand van het effect ervan op de groei, de werkgelegenheid en sociale insluiting op de korte termijn, in het bijzonder in landen die in recessie zijn of een verwaarloosbare groei te zien geven;   roept de Commissie en de Europese Raad op gebruik te maken van de flexibiliteit ten tijde van economische neergang waarin is voorzien in Verordening (EU) nr. 1175/2011 en Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad;

    28. benadrukt dat de Commissie meer rekening moet houden met specifieke lokale, regionale en nationale trends, alsook met mogelijke fouten in haar vooruitzichten, die de basis vormen voor de jaarlijkse groeianalyse;

    29. is van mening dat begrotingsconsolidatie proportioneel en groeivriendelijk dient te zijn en dat het tempo ervan dient te worden afgestemd op de begrotingsruimte van de lidstaten en dat van de Europese economie in haar geheel, om negatieve groei- en werkgelegenheidseffecten te vermijden en voor houdbaarheid van de overheidsschulden te zorgen;

    30. roept de Commissie op haar modellen opnieuw af te stemmen op de gevolgen voor de groei en de werkgelegenheid van het multiplicatoreffect van de begrotingsbezuinigingen van de lidstaten, overeenkomstig de recente herzieningen door het IMF;

    31. verzoekt de Europese Raad om te zorgen voor samenhang tussen de verschillende prioriteiten van zijn beleidsrichtsnoeren, teneinde ervoor te zorgen dat het groei- en werkgelegenheidspotentieel op de lange termijn niet wordt aangetast, de armoede en de sociale uitsluiting niet wordt vergroot en de universele toegang tot kwalitatief hoogwaardige openbare dienstverlening niet onder druk komt te staan; is van mening dat er in de allereerste plaats geïntegreerde hervormingsmaatregelen en investeringen gedaan moeten worden die enerzijds de groei en de schepping van nieuwe werkgelegenheid bevorderen en anderzijds de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn waarborgen;

    32. roept de Europese Raad op om, mocht hij de eerste prioriteit van de jaarlijkse groeianalyse 2013, te weten “gedifferentieerde en groeivriendelijke begrotingsconsolidatie”, goedkeuren, specifiek uit te leggen hoe deze kan worden uitgevoerd in volledige overeenstemming met het doel van grotere sociale cohesie en armoedebestrijding, zoals opgenomen in zijn vierde prioriteit, te weten “bestrijding van de werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis”;

    33. roept de Commissie op sociale indicatoren, zoals inkomensongelijkheid en deelname aan de arbeidsmarkt, op te nemen in het scoreboard voor de correctie van de macro-economische onevenwichtigheden;

    34. benadrukt de noodzaak van volledige samenhang tussen begrotingsconsolidatie en economische maatregelen enerzijds en sociaal beleid, groei- en werkgelegenheidsmaatregelen anderzijds;

    35. wijst erop dat de Structuurfondsen en het Cohesiefonds vanwege hun financiële omvang en de doelen die ermee nagestreefd worden in deze tijd van forse begrotingsbezuinigingen en verminderde leenmogelijkheden in de particuliere sector een essentieel middel vormen waarover de lidstaten kunnen beschikken om de economie te stimuleren en de groei- en werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te helpen verwezenlijken; benadrukt in dit verband dat het cohesiebeleid een sleutelrol speelt bij de ontwikkeling van nationale programma's in het kader van het Europees semester en daarom een van de hoofdpunten van de jaarlijkse groeianalyse moet vormen en moet bijdragen tot het jaarlijks debat over groei en werkgelegenheid in de EU;

    36. vraagt de Commissie de nodige mechanismen vast te stellen om te controleren en te garanderen dat lidstaten de sociale aanbevelingen verwezenlijken die zijn geïntroduceerd in het Europees semester en in het nationale hervormingsprogramma; betreurt het feit dat dit in de eerdere semesters niet is gedaan;

    VIII.  Democratische legitimiteit en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld

    37. is bezorgd over het feit dat het Europees Parlement, de nationale parlementen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld nog altijd een beperkte rol spelen in het Europees semester; wijst op het feit dat de beleidsrichtsnoeren in de door de Commissie geïnitieerde en door de Europese Raad te bekrachtigen jaarlijkse groeianalyse zonder parlementaire en maatschappelijke inbreng tot stand komen en dus de nodige democratische legitimiteit ontberen;

    38. is van mening dat betrokkenheid van het Europees Parlement onontbeerlijk is voor de benodigde democratische legitimiteit; is van mening dat de Europese Raad bij ontstentenis van een rechtsgrond voor de gewone wetgevingsprocedure in verband met de jaarlijkse groeianalyse rekening dient te houden met de op- en aanmerkingen van het Europees Parlement om op die manier de beleidsrichtsnoeren democratisch legitiem te maken;

    39. vraagt de Commissie de lidstaten te verplichten maximale transparantie te garanderen bij de uitwerking van de nationale hervormingsprogramma’s, evenals uitgebreide betrokkenheid van de nationale parlementen en de sociale partners bij dit proces;

    Aanvullende inspanningen op het vlak van werkgelegenheid en samenleving

    Schepping nieuwe werkgelegenheid middels structurele hervormingen en groeigerichte investeringen

    40. wijst er nog eens op dat er voor het versterken van banenrijke groei werkgelegenheidsbeleid nodig is dat de schepping van nieuwe werkgelegenheid stimuleert, positieve overgangen van de ene naar de andere baan en van werkloosheid naar werkgelegenheid faciliteert, het arbeidsaanbod vergroot en de aansluiting op de behoeften van de arbeidsmarkt geografisch en qua vaardigheden verbetert;

    41. benadrukt het belang van arbeidsmarkthervormingen ter verhoging van de arbeidsproductiviteit en -efficiëntie om zo het concurrentievermogen van de economie van de EU te verbeteren en te zorgen voor duurzame groei en nieuwe werkgelegenheid, terwijl tegelijkertijd het Europees sociaal acquis en de beginselen daarvan strikt worden nageleefd, zowel naar de letter als naar de geest; is van mening dat arbeidsmarkthervormingen op dusdanige wijze dienen te worden uitgevoerd dat de kwaliteit van de werkgelegenheid wordt bevorderd;

    42. wil de lidstaten voorstellen om in zoverre de overheidsfinanciën dit toelaten de belastingen op arbeid te verminderen, vooral ten behoeve van laaggeschoolde en laagbetaalde werknemers en kwetsbare groeperingen; is van mening dat specifieke doelgerichte tijdelijke verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen en loonsubsidiëring voor nieuwe werknemers - vooral die ten behoeve van laaggeschoolde en langdurig werklozen - uiterst doeltreffende prikkels zijn ten behoeve van nieuwe werkgelegenheid;

    43. merkt op dat demografische veranderingen duidelijk gevolgen hebben voor de sociale infrastructuur en dus een serieuze uitdaging vormen voor alle generaties in de hele EU; benadrukt in dit verband dat de Commissie in haar analyse meer aandacht moet besteden aan de rol van het cohesiebeleid bij het oplossen van demografische problemen;

    44. benadrukt de noodzaak tot hervorming van de pensioenstelsels teneinde deze duurzaam te maken; is van mening dat de pensioengerechtigde leeftijd beoordeeld zou kunnen worden op basis van de ontwikkeling van een gezonde levensverwachting, maar brengt in herinnering dat de feitelijke pensioenleeftijd zonder verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd kan worden verhoogd door het aantal mensen dat vroegtijdig met pensioen gaat te verminderen; is er van overtuigd dat om de feitelijke pensioenleeftijd met succes te kunnen verhogen, de hervormingen van de pensioenstelsels gepaard dienen te gaan met beleid dat het gebruik van regeling voor vervroegd pensioen en andere regelingen voor vervroegd uittreden beperkt, de arbeidskansen van oudere werknemers bevordert, de toegang tot levenslang leren waarborgt, beleidsmaatregelen omvat inzake belastingen en uitkeringen die ertoe aanzetten langer te blijven werken en die het actief gezond ouder worden bevorderen;

    45. verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten ervoor te zorgen dat bezuinigingsprogramma's geen barrières opwerpen voor werkgelegenheidsbevorderende maatregelen en groeibevorderend beleid en niet ten koste gaan van de sociale zekerheid; dringt er bij de lidstaten op aan om voorrang te verlenen aan groeivriendelijke uitgaven als voor onderwijs, levenslang leren, onderzoek, innovatie en energie-efficiëntie, alsmede om te zorgen voor een doeltreffende inzet van de middelen daarvoor;

    46. is het met de Commissie eens dat innovatieve EU-financieringsinstrumenten als katalysatoren voor doelgerichte investering kunnen dienen, een multiplicatoreffect van de EU-begroting teweeg kunnen brengen en het groeipotentieel van de EU kunnen vergroten; dringt er daarom bij de Commissie op aan dat zij de lidstaten en de regio's gedetailleerde gegevens, verdere bijstand en leidraden verstrekt met betrekking tot een striktere toepassing van financieringsinstrumenten van het cohesiebeleid in 2013 en de volgende programmeringsperiode (2014-2020); verzoekt de lidstaten de Commissie te volgen en in hun respectieve nationale hervormingsprogramma's ook duidelijk te vermelden hoe zij de Structuurfondstoewijzingen willen gaan gebruiken om groei- en werkgelegenheidbevorderende prioriteiten te bevorderen met gebruikmaking van financieringsinstrumenten;

    47. is ingenomen met de beoogde benutting van het werkgelegenheidsscheppend potentieel van belangrijke sectoren als innovatieve industriesectoren, de dienstensector, de groene economie, de gezondheids- en sociale zorg (de zogeheten witte sector) en de ICT-sector in de prioriteiten voor de groeianalyse voor 2013; verzoekt de Commissie en lidstaten om initiatieven ten behoeve van de ontwikkeling van deze sectoren met een hoog werkgelegenheidspotentieel te ondersteunen;

    48. wijst er nogmaals op dat het werkgelegenheidsscheppend potentieel van deze nieuwe sectoren om de nodige aanpassingen vraagt, voornamelijk van lager geschoolde en oudere werknemers, alsmede om nieuwe vaardigheden; verzoekt de Commissie en de lidstaten niet alleen in beeld te brengen welke vaardigheden in deze sectoren nodig zullen zijn, maar er ook voor te zorgen dat daadwerkelijk geïnvesteerd wordt in onderwijs en opleiding, waarmee deze vaardigheden gerealiseerd kunnen worden;

    49. betreurt het feit dat er op geen enkele wijze gewag wordt gemaakt van mogelijke stappen voor de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming in de prioriteiten van de Jaarlijkse groeianalyse 2013; is van mening dat voor de verwezenlijking van de hoofddoelstelling voor de werkgelegenheid van de Europa 2020-strategie aanzienlijke verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen cruciaal is; verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle nodige maatregelen te treffen ter bevordering van een hogere werkgelegenheid onder vrouwen, zoals betaalbare zorg en kinderzorg, passende moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlofregelingen, alsook flexibele arbeidstijden en werklocaties;

    50. verzoekt de lidstaten het ondernemingsklimaat - voor het MKB in het bijzonder - te verbeteren en verzoekt de Commissie en de Europese Raad om de inspanningen ter verbetering van de interne markt te intensiveren, de digitale economie te bevorderen en zich te concentreren op slimme regelgeving teneinde onnodige bureaucratie weg te snijden; is ingenomen met de Akte voor de interne markt II en pleit voor een snelle en volledige tenuitvoerlegging daarvan;

    51. roept de Commissie op de governance van de interne markt tot een topprioriteit te maken, aangezien deze aanzienlijk bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees semester, namelijk duurzame economische groei en werkgelegenheid; is van mening dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Commissie de lidstaten daarnaast meer praktische oplossingen voor een betere werking van de interne markt moeten bieden, zodat de voltooiing van de interne markt op meer steun kan rekenen van de publieke opinie en de politiek;

    52. is ingenomen met de erkenning van het belang van toegang tot financiering voor het MKB, aangezien het de hoeksteen van de werkgelegenheid en schepping van nieuwe werkgelegenheid in de EU is, alsmede omdat het aldus een belangrijk middel kan zijn ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en de genderkloof; dringt er bij de lidstaten op aan om in hun nationale groeiplannen absolute prioriteit te geven aan toegang tot financiering voor kmo's; dringt er bij de lidstaten op aan eenvoudige toegang te bieden tot de Europese fondsen die daarvoor bestemd zijn;

    53. erkent het belang van een grotere leningscapaciteit van de EIB en beveelt aan dat die capaciteit wordt afgesteld op de EU-prioriteiten inzake het uitbannen van regionale verschillen; verzoekt de Commissie de lidstaten te vragen een deel van hun Structuurfondstoewijzingen te gebruiken om het kredietrisico van de EIB te delen en leninggaranties te verstrekken aan kmo's en microbedrijven, zodat de economische bedrijvigheid in alle sectoren en regio's gestimuleerd wordt, waardoor er nieuwe banenkansen kunnen ontstaan en er een oplossing komt voor het gebrek aan toegang tot krediet waarmee de kmo's momenteel kampen;

    54. verzoekt de lidstaten om ondernemerschap - met inbegrip van sociaal ondernemerschap - alsook beginnende ondernemingen te bevorderen en te ondersteunen, in het bijzonder met behulp van bedrijfsontwikkelingsprogramma's en toegang tot financiering;

    55. verzoekt de Europese Commissie om het sociaal ondernemerschap binnen het meerjarig kader 2014-2020 krachtig te ondersteunen, aangezien er hier duidelijk een groot potentieel bestaat voor nieuwe banen en innovatieve groei;

    56. dringt er bij de Commissie op aan om voor het behalen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie alle instrumenten en financiële steun van de EU ten volle in te zetten; verzoekt de lidstaten om volledig gebruik te maken van de Structuurfondsen ter bevordering van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van mensen en ter doeltreffende bestrijding van structurele, langdurige en jongerenwerkloosheid;

    57. merkt op dat het cohesiebeleid, als essentieel investeringsinstrument van de EU dat een belangrijke rol speelt in de Europa 2020-strategie en nauwkeurig afgestemd is op lokale, regionale en nationale investeringsbehoeften, niet alleen de verschillen tussen regio's helpt verkleinen, maar ook bijdraagt tot het economisch herstel van de lidstaten en tot de verwezenlijking van duurzame groei en banengroei in de lidstaten en in de Unie in haar geheel; merkt op dat het cohesiebeleid derhalve een van de beste beschikbare instrumenten is om ervoor te zorgen dat het herstel werkelijk zoveel banen zal opleveren als de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse 2013 in het vooruitzicht stelt; is in dit verband van mening dat elke verlaging van de begroting voor het cohesiebeleid ernstige negatieve gevolgen zou hebben voor de Europa 2020-doelen en dringt er derhalve op een aan dat er in de nieuwe programmeringsperiode voldoende middelen voor het cohesiebeleid worden uitgetrokken, op een peil dat tenminste gelijk is aan dat van de huidige programmeringsperiode 2007-2013, en dat het beleid voor alle EU-regio's blijft gelden;

    58. acht het verheugend dat de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse 2013 erkent dat verdere uitbreiding van de administratieve capaciteit nodig is om nog ongebruikte Structuurfondsmiddelen sneller te kunnen verdelen; wijst erop dat dit streven vooral betrekking moet hebben op de overheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau; benadrukt dat sneller uitgeven van nog niet gebruikte Structuurfondsmiddelen de marktliquiditeit kan helpen verbeteren;

    59. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het regionaal beleid een belangrijke rol blijft spelen bij de ontwikkeling van nationale programma's in het kader van het Europees semester en een belangrijk middel is om de gestelde middellange- en langetermijndoelen op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheid te bereiken;

    60. acht het essentieel dat het cohesiebeleid de interne verschillen in concurrentievermogen en de structurele ongelijkheden helpt verkleinen dankzij de mogelijkheid om dit beleid aan te passen aan de specifieke situatie en behoeften op lokaal, regionaal en nationaal niveau; is in dit verband ingenomen met het initiatief van de Commissie om waar mogelijk nog ongebruikte Structuurfondsmiddelen te herprogrammeren ten behoeve van energie-efficiëntie, jeugdwerkgelegenheid en kmo's, aangezien deze een belangrijke rol zullen spelen bij de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen; wenst naar behoren te worden geïnformeerd over de wijze waarop dit initiatief op nationaal niveau in praktijk wordt gebracht;

    Jongeren aan werk helpen

    61. verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen om jongeren eenvoudiger de overstap te laten maken van onderwijs en opleiding naar de arbeidsmarkt; wijst in dit verband op het succes van "duale beroepsopleidingen" in een aantal lidstaten, die voor de hoogste werkgelegenheid onder jongeren in de Europese Unie zorgen;

    62. acht het essentieel om jongeren te helpen op effectievere wijze vaardigheden te verwerven, hetgeen meer samenwerking en betere communicatie tussen ondernemingen, overheden en onderwijsinstellingen vereist;

    63. is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij een jongerenwerkgelegenheidpakket zal uitbrengen; verzoekt de lidstaten om in nauwe samenwerking met de sociale partners de Jeugdgarantie te bevorderen en te ontwikkelen, om zo alle jongeren in de EU na maximaal 4 maanden werkloosheid een baan, stage, aanvullende opleiding of een combinatie van werk en opleiding te bieden; is van oordeel dat EU-financiering, met name met middelen van het ESF, een belangrijke rol bij de medefinanciering van jeugdgarantiestelsels moet spelen; verzoekt de Commissie technische bijstand te verlenen aan de lidstaten en regio's met het oog op het implementeren van dergelijke regelingen en om hen te helpen goed gebruik te maken van het ESF ten behoeve van de ontwikkeling van de Jeugdgarantieregelingen; onderstreept dat de nationale sectorale partners in nauwe samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten een belangrijke rol moeten spelen bij de uitvoering van de jeugdgarantiestelsels;

    64. merkt op dat de jeugdgarantieregelingen ingepast moeten worden in een kwaliteitskader, teneinde ervoor te zorgen dat deze regelingen van hoog niveau zijn en dat bij de aangeboden opleidingen, stages en banen strenge normen inzake arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden en gezondheids- en veiligheidsregels worden geëerbiedigd; is van oordeel dat in dit kader alle jongeren een gepersonaliseerd keuzetraject moet worden geboden en op maat moeten worden ondersteund;

    65. is ingenomen met de suggestie van de Commissie om via het Comité voor de werkgelegenheid te zorgen voor multilateraal toezicht op de uitvoering van de jeugdgarantiestelsels, en vraagt of het Europees Parlement hierbij betrokken kan worden;

    66. is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een voorstel voor een Mededeling van de Raad over de jeugdgarantieregelingen te presenteren; verzoekt de lidstaten en de regio's om het ondernemerschap en het zelfstandig ondernemerschap onder jongeren te bevorderen en specifiek voor jongeren ontwikkelde programma's voor het opzetten van een eigen bedrijf te ontwikkelen;

    67. benadrukt dat de Europese Raad in januari 2012 een proefproject heeft voorgesteld om de acht lidstaten met de hoogste jeugdwerkloosheid te helpen een deel van de toewijzingen van de EU-structuurfondsen opnieuw toe te wijzen aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid; betreurt dat de Commissie in mei 2012 de schattingen van de beschikbare fondsen voor hernieuwde toewijzing aanzienlijk heeft verlaagd van 82 miljard euro naar 29,8 miljard euro, waardoor het bereik van de proefprojecten is beperkt; betreurt dat slechts een klein gedeelte van deze fondsen tot op heden opnieuw is toegewezen om jongeren te helpen een baan te vinden;

    68. is ingenomen met het voorstel om in de programmeringsperiode 2014-2020 intensiever gebruik te maken van het Europees Sociaal Fonds ten behoeve van maatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid onder jongeren; pleit voor specifieke aanwending van de middelen voor jongeren uit het ESF voor stages en ondernemerschap; is ingenomen met het feit dat onbestede middelen uit het Structuurfonds voor de periode 2007-2013 speciaal zullen worden ingezet ter bestrijding van de hoge jeugdwerkloosheid en ter ondersteuning van het MKB;

    Investeren in onderwijs en opleiding

    69. acht het van groot belang dat de in specifieke sectoren en/of regio's aanwezige vaardigheden doorlopend worden opgevolgd en dat mogelijke mismatches zo snel mogelijk uit de wereld worden geholpen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om nauw samen te werken bij de uitwerking van het EU-vaardigheidspanorama teneinde een allesomvattend overzicht te geven van de vraag naar de verschillende vaardigheden in de EU;

    70. verzoekt de EU en de lidstaten de samenwerking en synergieën tussen de onderwijs-/opleidingssector en het bedrijfsleven te verbeteren om vroeger te kunnen inspringen op de behoefte aan bepaalde vaardigheden en het onderwijs- en opleidingsstelsel dienovereenkomstig aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt en zo de arbeidsbevolking met de benodigde vaardigheden toe te rusten, overeenkomstig de veranderende werkomgevingen en de individuele behoeften van een vergrijzende beroepsbevolking, en de overgang van onderwijs en opleiding naar werk te vereenvoudigen;

    71. verzoekt de lidstaten om voorrang te geven aan investeringen in onderwijs, opleiding, de bevordering van ondernemersvaardigheden, alsook aan levenslang leren voor alle leeftijdscategorieën, dit niet alleen middels formeel leren, maar tevens middels de ontwikkeling van niet-formeel en informeel leren; waarschuwt voor de sociale en economische kosten op de lange termijn van bezuinigingen op onderwijs- en opleidingsbegrotingen, gezien het feit dat deze het herstel bemoeilijken en een negatieve invloed hebben op het concurrentievermogen van de economieën van de lidstaten;

    72. wijst op het feit dat de gebruikmaking van nieuwe leermogelijkheden en optimale uitbuiting van kennis, vaardigheden en competenties die buiten het formele onderwijscircuit om verkregen zijn een belangrijke rol kunnen spelen bij de verbetering van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt; benadrukt het belang van niet-formele en informele validering van leerresultaten; is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de raad waarin de lidstaten worden opgeroepen om tegen 2015 valideringsstelsels op te zetten die verbonden worden aan het Europees kwalificatiekader, met inbegrip van de mogelijkheid om op basis van niet-formeel of informeel leren een volledige of gedeeltelijke kwalificatie te verwerven;

    73. moedigt de doeltreffende tenuitvoerlegging van het nationale kwalificatiekader (NQF) aan als instrument ter bevordering van de toepassing van het concept levenslang leren; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om het Europees vaardighedenpaspoort nu daadwerkelijk tot stand te brengen om te komen tot transparantie en een grotere grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers;

    74. acht het van groot belang dat de kwaliteit, de competentie en de status van onderwijzend personeel wordt verbeterd, omdat dit allesbepalend is voor een hoogpresterend Europees onderwijs- en opleidingssysteem; verzoekt de Commissie hier de nodige inspanningen en middelen voor te leveren;

    Wendbaardere, dynamischere en inclusievere arbeidsmarkten en werkgelegenheid van hogere kwaliteit

    75. is van mening dat de arbeidsmarkthervormingen gericht moeten zijn op verhoging van de productiviteit en het concurrentievermogen, echter met behoud van de kwaliteit van de werkgelegenheid; verzoekt de Europese Raad in de beleidsrichtsnoeren voor 2013 aandacht te besteden aan de kwaliteit van de werkgelegenheid, met name als het gaat om de toegang van werkenden tot een minimaal pakket arbeidsrechten, zoals neergelegd in de Verdragen, en zonder afbreuk te doen aan de wetgeving van de lidstaten;

    76. is van mening dat structurele arbeidsmarkthervormingen leiden moeten tot interne flexibiliteit waarmee in tijden van economische schokken de werkgelegenheid behouden kan worden en die de kwaliteit van de werkgelegenheid moeten waarborgen, veiligheid bieden bij de overgang van de ene naar de andere baan, zorgen voor werkloosheidsuitkeringen gebaseerd op strikte activeringseisen met voldoende prikkels om te gaan werken enerzijds en voldoende inkomen anderzijds, zorgen voor contractuele regelingen ter bestrijding van de segmentering van de arbeidsmarkt, kunnen anticiperen op economische herstructureringen en zorgen voor toegang tot levenslang leren;

    77. roept de lidstaten op onzekere dienstverbanden en schijnzelfstandigheid te bestrijden en verdere verspreiding ervan te voorkomen, alsook ervoor te zorgen dat mensen met tijdelijke of deeltijdcontracten of zelfstandige ondernemers afdoende sociale bescherming en toegang tot opleiding hebben;

    78. verzoekt de lidstaten om de arbeidswetgeving waar nodig te verbeteren en te werken aan het bevorderen van stabiele arbeidsbetrekkingen, het ontwikkelen en ondersteunen van de juiste omstandigheden voor het bieden van flexibelere arbeidspatronen in combinatie met een adequate mate van sociale bescherming, in het bijzonder voor oudere en jongere werkenden, alsook het bevorderen - met behulp van mobiliteitsprogramma's - van de mobiliteit van werkenden;

    79. verzoekt de Commissie en de lidstaten de lage arbeidsparticipatie van kansarmen te verbeteren, onder meer van personen die tot een minderheid behoren (zoals de Roma) en personen met een handicap, en om te allen tijde te zorgen voor lonen die een waardig bestaan mogelijk maken;

    80. verzoekt de lidstaten de reikwijdte en doeltreffendheid van actief arbeidsmarktbeleid te vergroten, in nauwe samenwerking met de sociale partners, met ondersteuning van activeringsprikkels als programma's om de overgang van sociale bijstand naar werk te vergemakkelijken, en adequate socialezekerheidsstelsels teneinde de inzetbaarheid voor de arbeidsmarkt in stand te houden, mensen te steunen om opnieuw aan het werk te kunnen en fatsoenlijke levensomstandigheden te waarborgen;

    81. verzoekt de lidstaten te anticiperen op herstructureringsprocessen teneinde werkgelegenheid te kunnen bewaren, de interne en externe mobiliteit te bevorderen en de mogelijke negatieve effecten van herstructureringsprocessen tot een minimum te beperken; verzoekt de lidstaten de nationale wetgeving en bestaande EU-richtlijn zoals de richtlijn inzake collectief ontslag, de richtlijn inzake de overgang van ondernemingen en de kaderrichtlijn inzake informering en raadpleging onder de naleving van het subsidiariteitsbeginsel doeltreffend ten uitvoer te leggen; is van mening dat EU-middelen een belangrijke rol zouden moeten spelen bij het vermijden, minimaliseren of verzachten van mogelijke negatieve effecten van herstructureringsprocessen;

    82. verzoekt de Commissie en de lidstaten om voor een doeltreffende handhaving van Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep te zorgen;

    83. verzoekt de Commissie en de lidstaten om met het oog op een betere integratie van de Europese arbeidsmarkt stappen te ondernemen ter verbetering van de mobiliteit binnen en tussen arbeidsmarkten, door juridische en administratieve obstakels voor het vrij verkeer van werkenden binnen de EU uit de weg te ruimen, zoals de overgangsbeperkingen op de arbeidsmarkt voor werknemers uit Roemenië en Bulgarije, en door verbetering van de rechten op sociale zekerheid en de arbeidsomstandigheden van werknemers die gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer; verzoekt de lidstaten meer gebruik te maken van EURES om te zorgen voor betere grensoverschrijdende afstemming van vacatures en werkzoekenden;

    84. brengt de toenemende armoede en werkloosheid onder alle leeftijden in herinnering; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband om nieuwe verbintenissen aan te gaan ter bestrijding van deze situatie, met name de armoede onder werkenden, onder mensen met beperkte of geheel geen banden met de arbeidsmarkt, met inbegrip van langdurig werkloze ouderen, en onder ouderen;

    85. roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de negatieve effecten van de begrotingsconsolidatie voor de gendergelijkheid en de werkgelegenheid en armoede onder vrouwen worden gecompenseerd door in de nationale begrotingen een benadering van gendermainstreaming op te nemen, door sterkere genderspecifieke aanbevelingen aan de lidstaten te doen en door de belangrijkste Europa 2020-doelstellingen en de bijbehorende nationale doelstellingen uit te splitsen per geslacht;

    Waarborging van de kwaliteit van de openbare dienstverlening, bestrijding van armoede en bevordering van sociale integratie

    86. verzoekt de lidstaten de adequaatheid en doeltreffendheid van stelsels voor sociale bescherming te verbeteren en ervoor te zorgen dat ze buffers blijven vormen tegen armoede en sociale uitsluiting; merkt tegelijkertijd op dat het Europese sociale model moet worden gemoderniseerd in de richting van “activerende welvaartsstaten”, die investeren in mensen en die instrumenten en prikkels bieden met het oog op het creëren van duurzame banen en groei en het voorkomen van sociale onevenwichtigheden;

    87. verzoekt de lidstaten strategieën voor actieve integratie en adequate en betaalbare hoogwaardige diensten en trajectbenaderingen van kwaliteitswerk uit te voeren om marginalisering van mensen met een laag inkomen en kwetsbare groepen tegen te gaan;

    88. verzoekt de lidstaten in hun nationale hervormingsprogramma's te specificeren hoe EU-middelen zullen worden besteed om de nationale armoededoelstellingen en andere doelstellingen op het gebied van sociale zaken, werkgelegenheid en onderwijs waarmee de Europa 2020-doelstellingen kunnen worden gehaald, te steunen;

    89. verzoekt de EU en de lidstaten ervoor te zorgen dat alle eventuele hervormingen in de zorgstelsels gericht zijn op verbetering van de kwaliteit en waarborging van de adequaatheid, betaalbaarheid en toegang voor iedereen, alsook op waarborging van de duurzaamheid;

    90. is van mening dat doelgerichte subsidies voor het in dienst nemen van nieuwe werknemers uit kansarme groepen een doeltreffende manier zijn om de arbeidsparticipatie binnen deze groepen te verhogen;

    91. verzoekt de lidstaten en de Commissie erop toe te zien dat begrotingsconsolidatie niet strijdig is met de werkgelegenheids- en sociale dimensie van de Europa 2020-strategie;

    92. is bezorgd over de sociale impact van de crisis op armoede onder vrouwen; verzoekt de Commissie de effecten van begrotingsconsolidatie op gendergelijkheid en de werkgelegenheid onder vrouwen te onderzoeken;

    93. verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen ter vermindering van de armoede onder werkenden, bijvoorbeeld door te zorgen voor voldoende arbeidsparticipatie in huishoudens en door de stijging van mensen in laagbetaalde of onzekere arbeidsposities op de arbeidsladder te bevorderen; verzoekt de lidstaten om de armoede onder werkenden te bestrijden met behulp van arbeidsmarktbeleid gericht op een loon waarmee mensen met werk in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

    94. verzoekt de Commissie elk jaar aan het begin van november, en voor het eerst op 4 en 5 november 2013, in de bevoegde commissies van het Parlement de jaarlijkse groeianalyse toe te lichten, teneinde het Parlement voldoende tijd te geven in daaropvolgende Europese semesters zijn standpunten kenbaar te maken;

    Verdere inspanningen ter bevordering van governance, toewijding en democratische legitimiteit

    95. verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat nationale en regionale parlementen, sociale partners, overheidsinstellingen en het maatschappelijk middenveld nauw betrokken worden bij de tenuitvoerlegging en bewaking van de beleidsrichtsnoeren in het kader van de Europa 2020-strategie en economisch governance teneinde te zorgen voor een gevoel van verantwoordelijkheid;

    96. roept de Europese Raad en de Commissie op om het toezicht op en de evaluatie van werkgelegenheids-, sociale en onderwijsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie beter in het Europees semester 2013 te integreren;

    97. herhaalt zijn oproep het Europees semester van meer democratische legitimiteit te voorzien; verzoekt de Europese Raad bij de vaststelling van de richtsnoeren voor 2013 terdege rekening te houden met de punten van zorg en voorstellen van het Europees Parlement;

    98. wenst dat het Parlement op gepaste wijze betrokken wordt bij het Europees semester, zodat het de belangen van de burgers kan behartigen en zo meer legitimiteit kan verlenen aan het door de lidstaten te voeren sociaal beleid;

    99. pleit voor een sterkere rol voor de nationale parlementen als het gaat om de betrokkenheid bij de economische en sociale beleidsvorming in het kader van het Europees semester, dit ter vergroting van de legitimiteit van de genomen besluiten;

    100.    dringt aan op betrokkenheid van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld om de adequaatheid en de effectiviteit van de sociale beleidsmaatregelen te vergroten;

    101.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

    BIJLAGE BIJ DE ONTWERPRESOLUTIE:SPECIFIEKE, DOOR DE EUROPESE RAAD IN ZIJN BELEIDSRICHTSNOEREN OP TE NEMEN AANBEVELINGEN

    Europa 2020-doelstellingen

    Aanbeveling 1: verwezenlijken van de Europa 2020-doelstellingen

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Alle doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei behaald worden.

    De verbintenissen in de nationale hervormingsprogramma's voor 2013 afdoende zijn om de Europa 2020-doelstellingen te kunnen behalen.

    De lidstaten hun nationale begrotingen doeltreffender aanwenden ten behoeve van de Europa 2020-doelstellingen.

    Er afdoende EU-middelen worden uitgetrokken ten behoeve van de Europa 2020-doelstellingen.

    Schepping nieuwe werkgelegenheid middels structurele hervormingen en groeigerichte investeringen

    Aanbeveling 2.1: over nationale banenplannen

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De lidstaten als onderdeel van hun NHP voor 2013 een nationaal banenplan indienen.

    NHP's bevatten:

    - alomvattende maatregelen voor nieuwe banen en groene werkgelegenheid, met name in sectoren met een groot potentieel voor nieuwe banen,

    - een verband tussen werkgelegenheidsbeleid en financiële instrumenten,

    - arbeidsmarkthervormingen, indien noodzakelijk,

    - actief arbeidsmarktbeleid voor werkloze jongeren, langdurig werklozen, oudere werklozen en andere kwetsbare groeperingen,

    - een duidelijk tijdschema voor de uitvoering van de meerjarige hervormingsagenda in de komende 12 maanden en een indicatie van zowel de sectoren als de regio's met tekorten en overschotten aan specialisaties.

    Aanbeveling 2.2: over hervorming van de belastingen op arbeid

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De lidstaten de belastingen op arbeid dusdanig hervormen dat de werkgelegenheid wordt gestimuleerd.

    De lidstaten kijken naar de mogelijkheden voor verlaging van de belasting op arbeid, in het bijzonder in de vorm van doelgerichte tijdelijke verlagingen van de socialezekerheidsbijdragen of loonsubsidieregelingen voor nieuwe werknemers, in het bijzonder voor laagbetaalde en laaggeschoolde werknemers, langdurig werklozen en andere kwetsbare groeperingen, in combinatie met waarborgen betreffende de houdbaarheid op de lange termijn van de overheidspensioenstelsels.

    Aanbeveling 2.3: bestrijd zwart werk

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Informeel en zwart werk wordt omgezet in reguliere werkgelegenheid, onder meer door de capaciteit van arbeidsinspecties te versterken.

    Aanbeveling 2.4: over loonvormingssystemen

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De loonvormingssystemen worden gemoderniseerd - in het kader van de sociale dialoog met de actieve betrokkenheid van de sociale partners en met eerbiediging van de verschillende nationale modellen inzake arbeidsbetrekkingen - om de lonen te laten aansluiten op productiviteitstrends, waarbij lonen wel altijd een waardig bestaan mogelijk moeten maken.

    Aanbeveling 2.5: verduurzaam de pensioenstelsels middels hervormingen

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De nodige hervormingen worden doorgevoerd teneinde de pensioenstelsels duurzaam te maken door:

    - de pensioenleeftijd eventueel te beoordelen met inachtneming van de ontwikkeling van de gezonde levensverwachting,

    - de daadwerkelijke pensioenleeftijd te verhogen door verbetering van de arbeidsomstandigheden, vermindering van het aantal mensen dat vroegtijdig met pensioen gaat (bijvoorbeeld door stimulerende fiscale maatregelen om te blijven werken) en werkenden een flexibele overgang van werk naar pensioen te laten maken,

    - beleid ter verbetering van de arbeidskansen voor oudere werknemers, toegang tot levenslang leren en actief gezond ouder worden centraal te stellen in hervormingen van de pensioenstelsels om te voorkomen dat oudere werknemers langer werkloos zijn.

    Aanbeveling 2.6: over groeigerichte investeringen

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Bezuinigingsprogramma's geen barrières opwerpen voor werkgelegenheidsbevorderende maatregelen en groeibevorderend beleid en niet ten koste gaan van de sociale bescherming.

    De lidstaten voorrang geven aan groeivriendelijke investeringen in onderwijs, levenslang leren, onderzoek, innovatie en energie-efficiëntie.

    Aanbeveling 2.7: buit het werkgelegenheidsscheppend potentieel van belangrijke sectoren als de groene economie, de gezondheids- en sociale zorg en de ICT-sector volledig uit

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De Commissie en lidstaten steun geven aan initiatieven en investeringen gericht op de ontwikkeling van sectoren met een hoog werkgelegenheidsscheppend potentieel, zoals de innovatieve industrieën, de groene economie, de dienstensector, de gezondheids- en sociale zorg en de ICT-sector.

    De Commissie en de lidstaten wordt verzocht tevoren in beeld te brengen welke vaardigheden deze sectoren nodig zullen hebben en te investeren in onderwijs en opleidingen om te voorzien in deze nieuwe vaardigheden en om de aanpassing van werkenden - lagergeschoolden en ouderen in het bijzonder - te bevorderen.

    Aanbeveling 2.8: structurele hervormingen ten behoeve van nieuwe werkgelegenheid voor vrouwen

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Gendermainstreaming wordt toegepast in de beleidsrichtsnoeren uitgevaardigd door de Europese Raad.

    De nodige maatregelen worden getroffen ter bevordering van de werkgelegenheid onder vrouwen, zoals betaalbare zorg en kinderzorg, passende moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlofregelingen, alsook flexibele arbeidstijden en werkplaatsen.

    Aanbeveling 2.9: volledige voltooiing van de interne markt

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De Commissie en de Europese Raad de inspanningen ter verbetering van de interne markt opvoeren, de digitale economie versterken en zich richten op intelligente regelgeving ter bestrijding van onnodige bureaucratie.

    De Akte voor de interne markt II onverwijld ten uitvoer wordt gelegd.

    De landenspecifieke aanbevelingen van de Commissie de lidstaten tegelijk meer praktische oplossingen voor een betere werking van de interne markt bieden, zodat de voltooiing van de interne markt op meer steun kan rekenen van de publieke opinie en de politiek.

    Aanbeveling 2.10: verbeter het ondernemingsklimaat, in het bijzonder voor het MKB

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De lidstaten de nodige wetgevende en administratieve maatregelen treffen ter verbetering van het ondernemingsklimaat, in het bijzonder voor het MKB.

    De Commissie en de lidstaten de toegang tot financiering voor het MKB tot absolute beleidsprioriteit verheffen.

    De lidstaten het ondernemerschap - met inbegrip van sociaal ondernemerschap - alsook beginnende ondernemingen bevorderen en ondersteunen, in het bijzonder met behulp van bedrijfsontwikkelingsprogramma's en toegang tot financiering.

    Aanbeveling 2.11: benut de EU-fondsen volledig

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De lidstaten de Structuurfondsen volledig gebruiken om de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te verbeteren en jeugd-, structurele en langetermijnwerkloosheid effectief te bestrijden en de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken.

    Voor de programmeringsperiode 2014-2020 ten minste 25% van de middelen van het Cohesiefonds aan het ESF wordt toegewezen.

    Jongeren aan werk helpen

    Aanbeveling 3.1: werkgelegenheid voor jongeren als prioriteit

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De Europese Raad jeugdwerkloosheid uitroept tot één van zijn prioriteiten in de beleidsrichtsnoeren 2013. De lidstaten in het kader van hun nationale banenprogramma's een jeugdbanenplan opstellen en de Commissie toezicht houdt op de beleidsdoelstellingen daarvan.

    Maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid bestaan uit:

    - doelgerichte actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen,

    - invoering, door de lidstaten en regio's in nauwe samenwerking met de sociale partners, van een Jeugdgarantie om ervoor te zorgen dat iedereen in de EU die jonger is dan 25 jaar na maximaal vier maanden werkloosheid of het verlaten van het formeel onderwijs een kwalitatief goede baan, verder onderwijs of een stageplaats krijgt aangeboden. Deze regelingen dienen in het bijzonder met geld van de Unie, met name het ESF, te worden gefinancierd,

    - maatregelen om qua vaardigheden vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen - in het bijzonder door vroegtijdige schoolverlating of voortijdige uitval uit stageprogramma's te voorkomen en ervoor te zorgen dat het onderwijs- en opleidingsstelsels jongeren op doeltreffende wijze de benodigde vaardigheden bijbrengen,

    - kaders ter vereenvoudiging van de overgang van onderwijs en opleiding naar werk,

    - maatregelen ter bevordering van het zelfstandig ondernemerschap onder jongeren en tenuitvoerlegging van specifiek voor jongeren ontwikkelde programma's voor het opzetten van een eigen bedrijf.

    Aanbeveling 3.2: over jongeren die niet werken of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET)

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De lidstaten met steun van de EU-instellingen allesomvattende strategieën ontwikkelen voor jongeren die niet werken of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET).

    De lidstaten en regio's in nauwe samenwerking met de sociale partners een Jeugdgarantie bevorderen en ontwikkelen om ervoor te zorgen dat iedereen in de EU die jonger is dan 25 jaar na maximaal vier maanden werkloosheid een baan, een stageplaats, een aanvullende opleiding of een combinatie van werk en opleiding krijgt aangeboden.

    De Commissie de lidstaten en regio's technische bijstand verleent om hen te helpen goed gebruik te maken van het ESF ten behoeve van de ontwikkeling van de Jeugdgarantie.

    Aanbeveling 3.3: maak meer gebruik van de EU-fondsen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Er meer gebruik wordt gemaakt van het Europees Sociaal Fonds ten behoeve van ondersteunende maatregelen voor de jeugdwerkgelegenheid in de programmeerperiode 2014-2020.

    De ESF-middelen voor jongerengerelateerde maatregelen specifiek worden ingezet voor stages en ondernemerschap.

    Investeren in onderwijs en opleiding

    Aanbeveling 4.1: laat vaardigheden beter aansluiten op de vraag van de arbeidsmarkt

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    In specifieke sectoren en/of regio's vaardigheidsbehoeften beter worden opgevolgd en dat mogelijke mismatches zo snel mogelijk uit de wereld worden geholpen.

    De Commissie en de lidstaten nauw samenwerken bij de uitwerking van het EU-vaardigheidspanorama teneinde een allesomvattend overzicht te geven van de vraag naar de verschillende vaardigheden in de EU.

    De samenwerking en synergieën tussen onderwijs- en opleidingssector enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds worden verbeterd om vroeger te kunnen inspringen op de behoefte aan bepaalde vaardigheden en aldus het onderwijs- en opleidingsstelsel aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt teneinde de arbeidsbevolking met de benodigde vaardigheden toe te rusten en de overgang van onderwijs en opleiding naar werk te vereenvoudigen.

    De toegang tot levenslang leren voor alle leeftijdscategorieën wordt bevorderd, dit niet alleen middels formeel leren, maar tevens middels de ontwikkeling van niet-formeel en informeel leren.

    Er tegen 2015 een valideringsstelsel van niet-formeel en informeel leren wordt opgezet dat gelinkt wordt aan het Europees kwalificatiekader.

    Het nationaal kwalificatiekader krachtig wordt uitgevoerd en het Europees vaardighedenpaspoort nu daadwerkelijk tot stand komt.

    Aanbeveling 4.2: investeer in onderwijs en opleiding

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Overheden niet alleen streven naar consolidatie van overheidsfinanciën, maar tevens voor doeltreffende investeringen in onderwijs en opleidingen zorgen.

    Er maatregelen worden getroffen en middelen worden vrijgemaakt om de kwaliteit, de competentie en de status van onderwijzend personeel te verbeteren.

         Wendbaardere, dynamischere en inclusievere markten en werkgelegenheid van hogere kwaliteit

    Aanbeveling 5.1: over hervorming van de arbeidsmarkt

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Structurele arbeidsmarkthervormingen ter verhoging van de arbeidsproductiviteit en -efficiëntie worden bevorderd om zo het concurrentievermogen van de Europese economie te verbeteren en te zorgen voor duurzame groei en nieuwe werkgelegenheid.

    De arbeidsmarkthervormingen dienen:

    - in combinatie met afdoende sociale zekerheid te zorgen voor interne flexibiliteit waarmee in tijden van grote economische schokken de werkgelegenheid behouden kan worden,

    - de voorwaarden te scheppen voor het combineren van arbeid en zorgtaken,

    - te zorgen voor positieve en veilige overgangen van de ene naar de andere baan en van werkloosheid naar werkgelegenheid,

    - te zorgen voor werkloosheidsuitkeringen gekoppeld aan effectief actief arbeidsmarktbeleid en activeringseisen, met voldoende prikkels om te gaan werken en tegelijkertijd voldoende inkomen,

    - de arbeids- en sociale rechten van werknemers terdege te eerbiedigen,

    - arbeidsmarktsegmentering en onzeker werk te bestrijden,

    - de coördinatie van de sociale dialoog op EU-niveau te versterken,

    - vooruit te lopen op economische herstructureringen,

    - de toegang tot levenslang leren te garanderen,

    - de lage arbeidsparticipatie van kansarmen te verbeteren, onder meer van personen die tot een minderheid behoren (zoals de Roma) en personen met een handicap,

    - het arbeidsaanbod te vergroten en de aansluiting op de behoeften van de arbeidsmarkt geografisch en qua vaardigheden te verbeteren,

    - e reikwijdte en doeltreffendheid van actief arbeidsmarktbeleid te vergroten, in nauwe samenwerking met de sociale partners, met ondersteuning van actief arbeidsmarktbeleid als programma's om de overgang van sociale bijstand naar werk te vergemakkelijken, en adequate socialezekerheidsstelsels teneinde de inzetbaarheid voor de arbeidsmarkt in stand te houden, mensen te steunen om opnieuw aan het werk te kunnen en fatsoenlijke levensomstandigheden te waarborgen,

    - de arbeidswetgeving te verbeteren en de juiste omstandigheden te creëren en in stand te houden voor flexibelere arbeidspatronen, in het bijzonder voor oudere en jongere werkenden.

    Aanbeveling 5.2: bevorder de mobiliteit van werknemers

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Er beleid en maatregelen tot stand worden gebracht ter bevordering van de mobiliteit binnen en tussen arbeidsmarkten, zoals mobiliteitsprogramma's.

    Juridische en administratieve obstakels uit de weg worden geruimd alsook de arbeidsomstandigheden en de sociale zekerheid worden verbeterd ter bevordering van het vrij verkeer van werkenden binnen de EU om zo de integratie van de Europese arbeidsmarkt te verdiepen.

    De lidstaten meer gebruik maken van EURES om te zorgen voor een betere grensoverschrijdende afstemming van vacatures en werkzoekenden.

    Aanbeveling 5.3: over de kwaliteit van werkgelegenheid

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Er in de beleidsrichtsnoeren voor 2013 aandacht wordt besteed aan de kwaliteit van de werkgelegenheid, met name als het gaat om de toegang van werkenden tot een minimaal pakket arbeidsrechten zoals neergelegd in de Verdragen en zonder afbreuk te doen aan de wetgeving van de lidstaten.

    Arbeidsmarkthervormingen dusdanig worden uitgevoerd dat de kwaliteit van de werkgelegenheid wordt bevorderd.

    Onzekere dienstverbanden en schijnzelfstandigheid worden bestreden en verdere verspreiding ervan voorkomen en ervoor wordt gezorgd dat mensen met tijdelijke of deeltijdcontracten of zelfstandige ondernemers afdoende sociale bescherming genieten en toegang hebben tot opleiding.

    Wordt gezorgd voor een doeltreffende handhaving van de richtlijn tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.

         Waarborg de kwaliteit van de openbare dienstverlening, bestrijd de armoede en bevorder de sociale integratie

    Aanbeveling 6.1: waarborg de kwaliteit van de openbare dienstverlening

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Erop wordt toegezien dat begrotingsconsolidatie niet strijdig is met de werkgelegenheids- en sociale dimensie van de Europa 2020-strategie.

    Hervormingen in de zorgstelsels gericht zijn op verbetering van de kwaliteit en waarborging van adequaatheid, betaalbaarheid en toegang voor iedereen, alsook op waarborging van de duurzaamheid.

    Aanbeveling 6.2: bestrijd de armoede en bevorder sociale integratie

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De bestrijding van armoede en werkloosheid onder alle leeftijden, met name de armoede onder werkenden, mensen met beperkte of geheel geen banden met de arbeidsmarkt en ouderen, een speerpunt wordt van de beleidsrichtsnoeren van de Europese Raad.

    De adequaatheid en doeltreffendheid van stelsels voor sociale bescherming wordt verbeterd en ervoor wordt gezorgd dat ze buffers blijven vormen tegen armoede en sociale uitsluiting.

    Er strategieën worden uitgevoerd voor actieve integratie en adequate en betaalbare hoogwaardige diensten alsmede trajectbenaderingen van kwaliteitswerk om zo marginalisering van mensen met een laag inkomen en kwetsbare groepen tegen te gaan.

    De Commissie de effecten van begrotingsconsolidatie op gendergelijkheid en de werkgelegenheid onder vrouwen onderzoekt.

    De negatieve effecten van begrotingsconsolidatie op gendergelijkheid, werkgelegenheid onder vrouwen en armoede teniet worden gedaan door de lidstaten dringendere genderspecifieke aanbevelingen te doen en de hoofddoelstellingen van EU 2020 en de daaruit afgeleide nationale doelstellingen op te splitsen naar geslacht.

    Er beleid wordt ontwikkeld en er maatregelen worden getroffen ter vermindering van de armoede onder werkenden, bijvoorbeeld door te zorgen voor voldoende arbeidsparticipatie in huishoudens en door de stijging van mensen in laagbetaalde of onzekere arbeidsposities op de arbeidsladder te bevorderen.

    De lidstaten armoede onder werkenden bestrijden door een arbeidsmarktbeleid te voeren dat gericht is op het garanderen van een loon waarmee mensen met werk in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

    De lidstaten bekijken of ze doelgerichte subsidies voor het in dienst nemen van nieuwe werknemers uit kansarme groepen zouden kunnen invoeren.

    De lidstaten in hun nationale hervormingsprogramma's specificeren hoe EU-middelen zullen worden besteed om de nationale armoededoelstellingen en andere doelstellingen op het gebied van sociale zaken, werkgelegenheid en onderwijs waarmee de Europa 2020-doelstellingen kunnen worden gehaald, te steunen.

    Een proportionele, gedifferentieerde en groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, onderwijl zorgend voor economisch herstel en schepping van nieuwe werkgelegenheid

    Aanbeveling 7: streef naar een proportionele, gedifferentieerde en groeivriendelijke begrotingsconsolidatie en zorg tegelijkertijd voor economisch herstel en schepping van nieuwe werkgelegenheid

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    Begrotingsconsolidatieprogramma's worden geïmplementeerd teneinde de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te garanderen, maar dan wel op een evenredige en gedifferentieerde groeivriendelijke manier, opdat er investeringen gedaan kunnen worden ten behoeve van de EU 2020-strategie en ten volle gebruik wordt gemaakt van de door het stabiliteits- en groeipact geboden flexibiliteit.

    De begrotingsmultiplicatoren worden herzien om ervoor te zorgen dat het effect van begrotingsconsolidatie op groei en het scheppen van werkgelegenheid in de context van recessie niet systematisch wordt onderschat.

    Het tempo van de consolidatie wordt herzien om deze af te stemmen op de begrotingsruimte van de lidstaten om potentiële negatieve groei- en werkgelegenheidseffecten te voorkomen, en de houdbaarheid van de overheidsschulden te garanderen.

    Er samenhang bestaat tussen de verschillende prioriteiten van de beleidsrichtsnoeren, teneinde ervoor te zorgen dat begrotingsconsolidatie niet ten koste gaat van het duurzamegroei- en werkgelegenheidspotentieel, de armoede en de sociale uitsluiting niet vergroot en de kwaliteit van de openbare dienstverlening niet verslechtert.

    Begrotingsconsolidatie en economische hervormingsmaatregelen enerzijds en armoedebestrijding en verhoging van de werkgelegenheid anderzijds elkaar op generlei wijze in de weg zitten.

    Verdere inspanningen ter bevordering van governance, toewijding en democratische legitimiteit

    Aanbeveling 8: vergroting democratische legitimiteit Europees semester

    De beleidsrichtsnoeren die de Raad jaarlijks op basis van de groeianalyse uitvaardigt, dienen naar de mening van het Europees Parlement erop gericht te zijn dat:

    De nationale en regionale parlementen, sociale partners, overheidsinstellingen en het maatschappelijk middenveld nauw betrokken worden bij de tenuitvoerlegging en bewaking van de beleidsrichtsnoeren in het kader van de Europa 2020-strategie en economisch governance teneinde een gevoel van verantwoordelijkheid hiervoor te bewerkstelligen.

    Het Europees Parlement op gepaste wijze betrokken wordt bij het Europees semester.

    De Europese Raad bij de vaststelling van de richtsnoeren voor 2013 terdege rekening houdt met de punten van zorg en de voorstellen van het Europees Parlement.

    TOELICHTING

    Context van het verslag

    Op 28 november 2012, legde de Commissie haar Jaarlijkse groeianalyse 2013 voor (COM (2012 750)) en opende daarmee het Europees semester van economische governance 2013. In de Jaarlijkse groeianalyse zet zij uiteen wat naar haar inzien de EU-prioriteiten voor het komende jaar moeten zijn op het gebied van het begrotings-, economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid en van de hervormingen.

    Volgens de groeianalyse voor 2013 zouden de nationale en Europese inspanningen zich op vijf prioriteiten moeten richten:

    - gedifferentieerde, groeivriendelijke begrotingsconsolidatie,

    - normalisering van de kredietverschaffing aan de economie,

    - bevordering van de groei en het concurrentievermogen, nu en voor de toekomst,

    - bestrijding van de werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis,

    - modernisering van de overheidsdiensten.

    De Commissie EMPL heeft dit initiatiefverslag opgesteld ter behandeling van de werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Jaarlijkse groeianalyse. Met behulp van het verslag kan het Parlement zijn mening geven over de werkgelegenheids- en sociale situatie in de EU, over de vooruitgang die is geboekt met de werkgelegenheids- en sociale doelstellingen van Europa 2020, en over de daaraan gekoppelde prioriteiten in de Commissiemededeling. Het Parlement wenst in aanloop naar de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad met dit verslag actief bij te dragen aan het Europees semester.

    De beperkte rol van het Europees Parlement bij het Europees semester is een democratische tekortkoming die uit de wereld moet worden geholpen. Teneinde de democratische legitimiteit van het Europees semester te vergroten dient het Parlement naar behoren bij het proces te worden betrokken. De rapporteur acht het dan ook van het grootste belang dat de Europese Raad bij de vaststelling van de richtsnoeren voor 2013 terdege rekening houdt met de punten van zorg en voorstellen van het Europees Parlement.

    Om herhalingen te vermijden, zal dit verslag zich concentreren op de inhoud van de beleidsrichtsnoeren voor de sociale en werkgelegenheidsaspecten van de jaarlijkse groeianalyse en niet zozeer op het proces van het Europees semester als zodanig.

    De huidige inter-institutionele procedure en de huidige verschijningsvorm van de Jaarlijkse groeianalyse bieden het Parlement geen gelegenheid om concrete wijzigingen voor te stellen aan de door de Commissie in haar Mededeling en de bijlagen daarbij neergelegde beleidsrichtsnoeren. Het verslag van het Parlement wordt gegoten in de voor wetgevende initiatiefverslagen gebruikte vorm zoals neergelegd in artikel 48 van zijn Reglement, ook al is het geen wetgevend INI-verslag maar een standaard INI-verslag.

    Dit verslag bestaat zoals te doen gebruikelijk bij standaard niet-wetgevende resoluties uit een suggestie, alsmede uit een bijlage bij de ontwerpresolutie met daarin specifiek door de Europese Raad in haar beleidsrichtsnoeren te verwerken aanbevelingen. Deze verschijningsvorm geeft uitdrukking aan de voorgestelde quasiwetgevende aard en aan de intentie het profiel van de positie van het Europees Parlement in het Europees semester te verhogen.

    De Jaarlijkse groeianalyse 2013

    De werkgelegenheid en de sociale situatie zijn sinds de laatste groeianalyse in 2012 verslechterd en de vooruitzichten voor 2010 zijn pessimistisch. In het afgelopen jaar is het aantal werklozen in de EU met 2 miljoen personen gestegen naar in totaal 25 miljoen (10,5% van de beroepsbevolking). De segmentatie van de arbeidsmarkt is verder voortgeschreden, de langdurige werkloosheid heeft een alarmerende omvang bereikt, in veel lidstaten dalen de gemiddelde huishoudeninkomens en indicatoren wijzen in de richting van steeds wijder verspreide en steeds ernstigere vormen van armoede en sociale uitsluiting, dit alles onder toename van de armoede onder werkenden en maatschappelijke polarisering in veel lidstaten.

    Er is teleurstellend weinig vooruitgang geboekt met de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie. De beleidsrichtsnoeren en de verbintenissen van de lidstaten voor 2012 alsook de hele tenuitvoerlegging daarvan zijn onvoldoende gebleken. De rapporteur is van mening dat de beleidsrichtsnoeren die de Europese Raad op basis van de groeianalyse uitvaardigt volledig gericht moeten zijn op verwezenlijking van alle doelstellingen van Europa 2020. Dat betekent dat de lidstaten zich hiertoe in hun nationale hervormingsprogramma's 2012 tot de nodige doelstellingen verbinden moeten.

    De hoge schulden en de langetermijnuitdagingen voor de overheidsfinanciën voortvloeiend uit de crisis nopen tot begrotingsconsolidatie om de overheidsfinanciën en de verzorgingsstaat op de lange termijn overeind te kunnen houden. Desalniettemin wil de rapporteur waarschuwen voor de negatieve gevolgen van begrotingsconsolidatie voor de economische groei en de werkgelegenheid, in het bijzonder in landen die in recessie zijn of een verwaarloosbare groei laten zien, omdat de begrotingsconsolidatie ten koste gaat van de toekomstige economische groei en het vermogen werkgelegenheid te scheppen.

    De rapporteur is van mening dat er een juist evenwicht gevonden dient te worden tussen begrotingsconsolidatie en maatregelen ter bevordering van groei en de schepping van werkgelegenheid. Wat dit betreft is de rapporteur ingenomen met het feit dat de groeianalyse van 2013 onder meer inzet op gedifferentieerde, groeivriendelijke begrotingsconsolidatie. De begrotingsconsolidatie moet worden afgestemd op de begrotingsruimte van de lidstaten om te komen tot een goed evenwicht tussen potentiële negatieve groei- en werkgelegenheidseffecten en de risico's op het vlak van de houdbaarheid van de overheidsschulden, dit alles op een groeivriendelijke manier.

    De crisis is het hardst toegeslagen onder jongeren. In de hele EU is nu meer dan één op de vijf jongeren werkloos (22,8%) en in een aantal lidstaten bedraagt de jongerenwerkloosheid zelfs meer dan 50%. Daarnaast hebben 8,3 miljoen Europeanen onder de 25 jaar geen baan, of volgen zij geen onderwijs of opleiding (NEET). Deze aantallen blijven almaar stijgen, waardoor er een verloren generatie dreigt te ontstaan. De rapporteur roept de Europese Raad op de jeugdwerkloosheid tot een van de prioriteiten van de beleidsrichtsnoeren voor 2013 uit te roepen en de lidstaten om beslissende maatregelen te treffen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid.

    Er dienen allesomvattende strategieën te worden ontwikkeld voor jongeren die niet werken of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET). Wat dit betreft stelt de rapporteur voor dat de lidstaten en regio's in nauwe samenwerking met de sociale partners een jeugdgarantieregeling bevorderen en ontwikkelen om ervoor te zorgen dat iedereen in de EU die jonger is dan 25 jaar na maximaal vier maanden werkloosheid een baan, een stageplaats, een aanvullende opleiding of een combinatie van werk en opleiding krijgt aangeboden.

    Groei en schepping van werkgelegenheid dienen de absolute topprioriteit te zijn. De lidstaten dienen dan ook werkgelegenheidsbevorderende maatregelen te treffen zoals hervormingen van de belastingen op arbeid die werkgelegenheidsprikkels bevatten, maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het zelfstandig ondernemerschap en startende ondernemingen, ter verbetering van het ondernemingsklimaat, ter bevordering van de toegang van het MKB tot financiering, ter omvorming van informeel en niet-aangegeven werk tot reguliere werkgelegenheid, ter hervorming van de arbeidsmarkt om deze wendbaarder, dynamischer en inclusiever te maken, ter modernisering van de loonvormingssystemen teneinde lonen te doen aansluiten op de ontwikkeling van de productiviteit, alsook maatregelen ter benutting van het hoge werkgelegenheidspotentieel van sectoren als de groene economie, gezondheids- en sociale zorg en de ICT-sector ten behoeve van nieuwe banen.

    De kloof tussen de lidstaten qua werkgelegenheid en sociale indicatoren wordt steeds groter. Lidstaten met relatief ongesegmenteerde arbeidsmarkten, sterke sociale voorzieningen, de mogelijkheid om arbeidsuren en arbeidstijd tijdelijk aan te passen en andere flexibele arbeidspatronen (interne flexibiliteit) zijn qua werkgelegenheid en op sociaal vlak minder getroffen door de crisis. De lidstaten dienen lering te trekken uit de beste praktijken en hun arbeidsmarkt te hervormen en daarbij de kwaliteit van werkgelegenheid op peil te houden.

    Onze arbeidsmarkten dienen wendbaarder en dynamischer te worden en beter om te kunnen gaan met grote economische schokken zonder dat er ontslagen moeten vallen, alsook inclusiever te worden, met name middels bevordering van de arbeidsparticipatie van kwetsbare en kansarme personen;

    De rapporteur signaleert dat er ondanks de hoge werkloosheid veel onvervulde vacatures zijn als gevolg van het feit dat aanbod en vraag geografisch en qua vaardigheden niet op elkaar aansluiten. Het is dan ook van groot belang dat de mobiliteit van werkenden wordt bevorderd en in specifieke sectoren en/of regio's vaardigheidsbehoeften doorlopend worden opgevolgd.

    Bovendien zijn er nieuwe vaardigheden nodig en moeten werkenden zich aanpassen om het hoge werkgelegenheidspotentieel van sectoren als de groene economie, gezondheids- en sociale zorg en de ICT-sector ten behoeve van nieuwe banen te kunnen uitbuiten. Hiertoe dienen de samenwerking en synergieën tussen de onderwijs- en opleidingssector enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds te worden verbeterd om vroeger te kunnen inspringen op de behoefte aan bepaalde vaardigheden en om onderwijs- en opleidingsstelsels aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt.

    Tot slot is de rapporteur bezorgd over de toenemende armoede en werkloosheid onder alle leeftijden en pleit hij ervoor de armoede- en werkloosheidsbestrijding tot kernelement te maken van de Europese en nationale sociale beleidsagenda's. Lidstaten dienen geïntegreerde strategieën uit te voeren voor actieve integratie alsmede nieuwe verbintenissen aan te gaan om deze situatie op te lossen, in het bijzonder op het vlak van de bestrijding van de armoede onder werkenden, onder mensen met beperkte of geheel geen banden met de arbeidsmarkt en onder ouderen.

    ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (18.12.2012)

    aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

    inzake het Europees Semester voor economische beleidscoördinatie: werkgelegenheid en sociale aspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2013
    (2012/2257(INI))

    Rapporteur voor advies: Mojca Kleva

    SUGGESTIES

    De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  vindt het teleurstellend dat de Commissie de herhaalde verzoeken van het Parlement naast zich neer heeft gelegd om het Europees Semester volledige democratische legitimiteit te geven door in de eerste plaats de jaarlijkse groeianalyse om te vormen tot jaarlijkse richtsnoeren voor duurzame groei en die zo te presenteren dat het Parlement amendementen kan voorstellen en dat er een transparant interinstitutioneel besluitvormingsproces ontstaat dat resulteert in gezamenlijk overeengekomen beleidsrichtsnoeren; verzoekt de Commissie de jaarlijkse groeianalyses in de toekomst ambitieuzer te presenteren, met leidraden voor het verwezenlijken van groei en uitgebreidere richtsnoeren voor nationale, regionale en lokale overheden; benadrukt dat de nationale parlementen en de regionale en lokale overheden slechts zeer beperkt toegang hebben tot het proces rond het Europees Semester, ondanks het feit dat hun medewerking en participatie noodzakelijk zijn om meer kans te hebben de doelen Europa 2020-strategie te bereiken;

    2.  vindt het uiterst verontrustend dat de langetermijnwerkloosheid in de EU zelfs diverse jaren na het uitbreken van de systeemcrisis nog steeds stijgt en gepaard gaat met alarmerend hoge jeugdwerkloosheidscijfers en een toenemend risico op armoede en sociale uitsluiting, zonder dat er enig uitzicht is op onmiddellijke verbetering;

    3.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regio's om het nemen van doortastende maatregelen tegen de werkloosheid in de EU tot prioriteit te verheffen;

    4.  benadrukt dat de Commissie meer rekening moet houden met specifieke lokale, regionale en nationale trends, alsook met mogelijke fouten in haar vooruitzichten, die de basis vormen voor de jaarlijkse groeianalyse;

    5.  merkt op dat het cohesiebeleid, als essentieel investeringsinstrument van de EU dat een belangrijke rol speelt in de Europa 2020-strategie en nauwkeurig afgestemd is op lokale, regionale en nationale investeringsbehoeften, niet alleen de verschillen tussen regio's helpt verkleinen, maar ook bijdraagt tot het economisch herstel van de lidstaten en tot de verwezenlijking van duurzame groei en banengroei in de lidstaten en in de Unie in haar geheel; merkt op dat het cohesiebeleid derhalve een van de beste beschikbare instrumenten is om ervoor te zorgen dat het herstel werkelijk zoveel banen zal opleveren als de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse 2013 in het vooruitzicht stelt; is in dit verband van mening dat elke verlaging van de begroting voor het cohesiebeleid ernstige negatieve gevolgen zou hebben voor de Europa 2020-doelen en dringt er derhalve op een aan dat er in de nieuwe programmeringsperiode voldoende middelen voor het cohesiebeleid worden uitgetrokken, op een peil dat tenminste gelijk is aan dat van de huidige programmeringsperiode 2007-2013, en dat het beleid voor alle EU-regio's blijft gelden;

    6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het regionaal beleid een belangrijke rol blijft spelen bij de ontwikkeling van nationale programma's in het kader van het Europees Semester en een belangrijk middel zal zijn om de gestelde middellange- en langetermijndoelen op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheid te bereiken;

    7.  wijst erop dat de Structuurfondsen en het Cohesiefonds vanwege hun financiële omvang en de doelen die ermee nagestreefd worden in deze tijd van forse begrotingsbezuinigingen en verminderde leenmogelijkheden in de particuliere sector een essentieel middel vormen waarover de lidstaten kunnen beschikken om de economie te stimuleren en de groei- en werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te helpen verwezenlijken; benadrukt in dit verband dat het cohesiebeleid een sleutelrol speelt bij de ontwikkeling van nationale programma's in het kader van het Europees Semester en daarom een van de hoofdpunten van de jaarlijkse groeianalyse moet vormen en moet bijdragen tot het jaarlijks debat over groei en werkgelegenheid in de EU;

    8.  verzoekt de Commissie en de Raad concrete maatregelen overeen te komen die rekening houden met specifieke behoeften en die de participatie en de inbreng van nationale, regionale en lokale overheden, sociale partners en het maatschappelijk middenveld bij het formuleren en uitvoeren van duurzame beleidssturing in het kader van het Europees Semester bevorderen, teneinde de betrokkenheid bij de Europa 2020-doelen te vergroten en deze beter te verwezenlijken; merkt op dat deze toepassing van de op meerlagig bestuur stoelende aanpak niet mag leiden tot verzwaring van de administratieve lasten voor de eindbegunstigden;

    9.  acht het essentieel dat het cohesiebeleid de interne verschillen in concurrentievermogen en de structurele ongelijkheden helpt verkleinen dankzij de mogelijkheid om dit beleid aan te passen aan de specifieke situatie en behoeften op lokaal, regionaal en nationaal niveau; is in dit verband ingenomen met het initiatief van de Commissie om waar mogelijk nog ongebruikte Structuurfondsmiddelen te herprogrammeren ten behoeve van energie-efficiëntie, jeugdwerkgelegenheid en kmo's, aangezien deze een belangrijke rol zullen spelen bij de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen; wenst naar behoren te worden geïnformeerd over de wijze waarop dit initiatief op nationaal niveau in praktijk wordt gebracht;

    10. acht het verheugend dat de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse 2013 erkent dat verdere uitbreiding van de administratieve capaciteit nodig is om nog ongebruikte Structuurfondsmiddelen sneller te kunnen verdelen; wijst erop dat dit streven vooral betrekking moet hebben op de overheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau; benadrukt dat sneller uitgeven van nog niet gebruikte Structuurfondsmiddelen de marktliquiditeit kan helpen verbeteren;

    11. is het met de Commissie eens dat innovatieve EU-financieringsinstrumenten als katalysatoren voor doelgerichte investering kunnen dienen, een multiplicatoreffect van de EU-begroting teweeg kunnen brengen en het groeipotentieel van de EU kunnen vergroten; dringt er daarom bij de Commissie op aan dat zij de lidstaten en de regio's gedetailleerde gegevens, verdere bijstand en leidraden verstrekt met betrekking tot een striktere toepassing van financieringsinstrumenten van het cohesiebeleid in 2013 en de volgende programmeringsperiode (2014-2020); verzoekt de lidstaten de Commissie te volgen en in hun nationale hervormingsprogramma's ook duidelijk te vermelden hoe zij de Structuurfondstoewijzingen willen gaan gebruiken om groei- en werkgelegenheidsprioriteiten te bevorderen met gebruikmaking van financieringsinstrumenten;

    12. verzoekt de Commissie en de lidstaten de lage arbeidsmarktparticipatie van achtergestelde groepen aan te pakken, inclusief van personen die tot minderheden behoren (bijv. Roma), afkomstig zijn uit de armste microregio's of een handicap hebben;

    13. erkent het belang van een grotere leningscapaciteit van de EIB en beveelt aan dat die capaciteit wordt afgesteld op de EU-prioriteiten inzake het uitbannen van regionale verschillen; verzoekt de Commissie de lidstaten te vragen een deel van hun Structuurfondstoewijzingen te gebruiken om het kredietrisico van de EIB te delen en leninggaranties te verstrekken aan kmo's en microbedrijven, zodat de economische bedrijvigheid in alle sectoren en regio's gestimuleerd wordt, waardoor er nieuwe banenkansen kunnen ontstaan en er een oplossing komt voor het gebrek aan toegang tot krediet waarmee de kmo's momenteel kampen;

    14. merkt op dat de demografische veranderingen duidelijk gevolgen hebben voor de sociale infrastructuur en dus een serieuze uitdaging vormen voor alle generaties in de hele EU; benadrukt in dit verband dat de Commissie in haar analyse meer aandacht moet besteden aan de rol van het cohesiebeleid bij het oplossen van demografische problemen;

    15. verzoekt de lidstaten de Structuurfondsen volledig te gebruiken door middel van actief arbeidsmarktbeleid om de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt voor alle leeftijdsgroepen te verbeteren en een langer arbeidsleven mogelijk te maken, en structurele en langetermijnwerkloosheid effectief te bestrijden; onderstreept in dit verband dat er voldoende moet worden geïnvesteerd in financiële bijstand aan en opleiding van nationale en regionale administraties, zodat zij meer vaardigheden en capaciteiten krijgen en de regels van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds beter kennen; is van mening dat de Commissie met spoed een Europese jeugdgarantie moet voorstellen om daadwerkelijk verbetering te brengen in de situatie van jonge mensen die geen plaats hebben op de arbeidsmarkt, in het onderwijs of in de beroepsopleiding, en dat zij nauw moet samenwerken met de lidstaten opdat deze een deel van hun nog ongebruikte Structuurfondsmiddelen gebruiken om de jeugdwerkloosheid aan te pakken, met name onder de jeugd op het platteland, met de nadruk op hun ondernemerschapsmogelijkheden, teneinde ontvolking te voorkomen.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    18.12.2012

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    35

    2

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    François Alfonsi, Luís Paulo Alves, Charalampos Angourakis, Victor Boştinaru, John Bufton, Nikos Chrysogelos, Tamás Deutsch, Rosa Estaràs Ferragut, Danuta Maria Hübner, María Irigoyen Pérez, Seán Kelly, Mojca Kleva Kekuš, Constanze Angela Krehl, Petru Constantin Luhan, Ramona Nicole Mănescu, Vladimír Maňka, Iosif Matula, Erminia Mazzoni, Miroslav Mikolášik, Ana Miranda, Jan Olbrycht, Wojciech Michał Olejniczak, Younous Omarjee, Markus Pieper, Georgios Stavrakakis, Nuno Teixeira, Lambert van Nistelrooij, Justina Vitkauskaite, Oldřich Vlasák, Joachim Zeller, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Ivars Godmanis, Lena Kolarska-Bobińska, Maurice Ponga, Elisabeth Schroedter, Derek Vaughan

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Olle Ludvigsson

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    24.1.2013

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    39

    5

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Edit Bauer, Heinz K. Becker, Jean-Luc Bennahmias, Phil Bennion, Pervenche Berès, Vilija Blinkevičiūtė, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Minodora Cliveti, Marije Cornelissen, Emer Costello, Andrea Cozzolino, Frédéric Daerden, Richard Falbr, Marian Harkin, Roger Helmer, Nadja Hirsch, Stephen Hughes, Martin Kastler, Ádám Kósa, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Thomas Mann, Csaba Őry, Siiri Oviir, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu, Andrea Zanoni

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Georges Bach, Malika Benarab-Attou, Sergio Gutiérrez Prieto, Richard Howitt, Dieter-Lebrecht Koch, Jan Kozłowski, Svetoslav Hristov Malinov, Paul Murphy, Ria Oomen-Ruijten

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Jolanta Emilia Hibner