Procedure : 2011/0309(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0121/2013

Ingediende teksten :

A7-0121/2013

Debatten :

PV 20/05/2013 - 17
CRE 20/05/2013 - 17

Stemmingen :

PV 21/05/2013 - 6.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0200

VERSLAG     ***I
PDF 1186kWORD 1147k
25.3.2013
PE 491.285v02-00 A7-0121/2013

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasprospectie-, exploratie- en productieactiviteiten

(COM(2011)0688 – C7‑0392/2011 – 2011/0309(COD))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: Ivo Belet

Rapporteurs voor advies*:

Justas Vincas Paleckis, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Eva Lichtenberger, Commissie juridische zaken

(*) Medeverantwoordelijke commissies - Artikel 50 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasprospectie-, exploratie- en productieactiviteiten

(COM(2011)0688 – C7-0392/2011 – 2011/0309(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2011)0688),

–   gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0392/2011),

–   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het advies van 22 februari 2012 van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2012(1),

–   na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–   gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie juridische zaken (A7-0121/2013),

1.  neemt het hierbij opgenomen standpunt in eerste lezing aan;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

AMENDEMENTEN VAN HET PARLEMENT(2)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN  DE RAAD

van

betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192 ▌,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)         Artikel 191 van het VWEU bepaalt de doelstellingen van behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Het schrijft voor dat elk optreden van de Unie moet worden ondersteund door een hoog niveau van bescherming op basis van het voorzorgsbeginsel, en van het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(2)         Deze richtlijn heeft tot doel de kans op zware ongevallen met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten zo veel mogelijk te verkleinen en de gevolgen ervan te beperken. Op die manier wil zij het mariene milieu en kusteconomieën tegen verontreiniging beschermen, alsook minimumvoorwaarden vastleggen voor veilige offshore olie- en gasexploratie ▌en -exploitatie, en mogelijke onderbrekingen in de eigen energieproductie van de Unie beperken en de reactiemechanismen in geval van ongevallen verbeteren.

(3)         Deze richtlijn moet niet enkel op toekomstige installaties en activiteiten van toepassing zijn, maar gezien de overgangsmaatregelen ook op bestaande installaties.

(3 bis)   Zware ongevallen met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten hebben waarschijnlijk verwoestende en onomkeerbare gevolgen voor het mariene en het kustmilieu, alsmede grote negatieve effecten op de kusteconomieën.

(4)         De ongevallen met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten, met name in de Golf van Mexico in 2010, hebben het publiek bewust gemaakt van de risico's die verbonden zijn aan offshore olie- en gasactiviteiten en hebben aanleiding gegeven tot een aantal beleidsherzieningen met het oog op de veiligheid van offshoreactiviteiten. De Commissie lanceerde een herziening en bracht haar eerste bevindingen over de veiligheid van offshore olie- en -gasactiviteiten samen in haar mededeling "De veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten beter waarborgen" van 13 oktober 2010. Het Europees Parlement heeft op 7 oktober 2010 en 13 september 2011 resoluties over dit thema aangenomen. De ministers van Energie van de verschillende lidstaten hebben hun standpunt te kennen gegeven in de conclusies van de Energieraad van 3 december 2010.

(5)         De risico's van zware offshore olie- of gasongevallen zijn aanzienlijk. Door het risico van verontreiniging van mariene wateren te verkleinen, draagt deze richtlijn bij tot het zorgen voor de bescherming van het mariene milieu en in het bijzonder tot het bereiken of het in stand houden van een goede milieutoestand tegen uiterlijk 2020, zoals vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie)▌.

(6)         De kaderrichtlijn mariene strategie strekt ertoe, als een van haar kerndoelstellingen, de totale impact van alle activiteiten op het mariene milieu aan te pakken en vormt de milieupijler van het geïntegreerde maritieme beleid. Dit beleid is van belang voor offshore olie- en gasactiviteiten aangezien het de specifieke zorgpunten van elke economische sector koppelt aan de algemene doelstelling van het zorgen voor een omvattend inzicht in de oceanen, zeeën en kustgebieden, teneinde een coherente benadering van de zeeën te ontwikkelen waarbij met alle economische, ecologische en sociale aspecten rekening wordt gehouden via het gebruik van maritieme ruimtelijke ordening en mariene kennis.

(7)         Er zijn in een aantal regio's van de Unie offshore olie- en gasindustrieën gevestigd en er zijn plannen voor enkele nieuwe regionale ontwikkelingen in EU-wateren, met technologische ontwikkelingen die het boren in moeilijker omstandigheden mogelijk maken. De offshore olie- en gasproductie is een belangrijk element van de energievoorzieningszekerheid in de EU.

(8)         Het bestaande uiteenlopende en versnipperde regelgevend kader dat van toepassing is op de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten in Europa, alsook de huidige veiligheidspraktijken in de sector waarborgen onvoldoende dat risico's van offshore-ongevallen tot een minimum worden beperkt en dat bij eventuele ongevallen in EU-wateren tijdig de meest doeltreffende reactie volgt. Op basis van de huidige aansprakelijkheidsregelingen is het niet altijd mogelijk om duidelijk te bepalen welke partij aansprakelijk is. Die partij is soms ook niet in staat, of niet aansprakelijk, om de kosten voor de schade die de ramp heeft aangericht, te betalen. De aansprakelijke partij moet altijd duidelijk te bepalen zijn voordat offshore olie- en gasactiviteiten van start gaan.

(9)         Uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruikmaken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen ▌mogen offshore olie- en gasactiviteiten in de Unie worden uitgevoerd na verkrijging van een vergunning. In dit kader moet de vergunningverlenende autoriteit de technische en financiële risico's in overweging nemen, alsook waar mogelijk het aansprakelijkheidsverleden van kandidaten die exclusieve exploratie- en productievergunningen aanvragen. Bij het onderzoek van de technische bekwaamheden en financiële draagkracht van de vergunninghouder moet de vergunningverlenende autoriteit ook grondig nagaan of die in alle verwachte omstandigheden ononderbroken, veilige en doeltreffende activiteiten kan waarborgen. Bij de beoordeling van de financiële draagkracht van entiteiten die een vergunning aanvragen op grond van Richtlijn 94/22/EG, gaan de lidstaten na of de entiteiten op passende wijze hebben aangetoond dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn of zullen zijn om alle uit zware ongevallen voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen.

(10)       Verduidelijkt moet worden dat houders van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG ook de aansprakelijke 'exploitanten' zijn in de zin van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade▌ en bijgevolg hun verantwoordelijkheden in dit opzicht niet ▌aan door hen aangenomen derden mogen overdragen.

(11)       Hoewel de algemene vergunningen uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG de vergunninghouders exclusieve rechten verlenen voor de exploratie en productie van olie en/of gas in een bepaald gebied, moeten de offshore olie- en gasactiviteiten in dat gebied worden onderworpen aan een ononderbroken en deskundig regelgevend toezicht door de lidstaten. Op die manier wordt gewaarborgd dat er effectieve controles plaatsvinden om zware ongevallen te vermijden en om hun impact op personen, het milieu en de energievoorzieningszekerheid te beperken.

(11 bis) Offshore olie- en -gasactiviteiten mogen alleen worden uitgevoerd door exploitanten die door vergunninghouders of vergunningverlenende autoriteiten zijn aangesteld. De exploitant kan een derde zijn of de vergunninghouder of een van de vergunninghouders, afhankelijk van handelsafspraken of nationale administratieve vereisten. De exploitant moet altijd de entiteit zijn die in eerste instantie verantwoordelijk is voor de veiligheid van de activiteiten en moet dienaangaande altijd bevoegdheid tot handelen hebben. Zijn rol verschilt naargelang van de specifieke fase van de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend. In de exploratiefase bestaat de rol van de exploitant derhalve erin een boorput te exploiteren, en in de productiefase een productie-installatie. De exploitant van een boorput in de exploratiefase en de exploitant van een productie-installatie kunnen voor een bepaald vergunningsgebied dezelfde entiteit zijn.

(11 ter) Exploitanten moeten het risico van een zwaar ongeval zover terugdringen als redelijkerwijs haalbaar is, tot het niveau waar de kosten van verdere risicoreductie volstrekt disproportioneel zouden zijn met de bereikte voordelen. De redelijke haalbaarheid van maatregelen inzake risicoreductie moet constant getoetst worden aan nieuwe inzichten en technologische ontwikkelingen. Bij het beoordelen of tijd, kosten en inspanningen volstrekt disproportioneel zouden zijn met de voordelen van verdere risicoreductie, moet worden gekeken naar de tot de beste praktijken behorende risiconiveaus die passen bij de onderneming.

(12)       Het is van belang er zorg voor te dragen dat het publiek in een vroeg stadium echte kansen krijgt om deel te nemen aan de besluitvorming omtrent activiteiten die mogelijk grote invloed hebben op het milieu in de Europese Unie. Dit beleid strookt met de internationale verbintenissen van de Unie, zoals het VN-ECE-Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus). Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus voorziet in inspraak in besluiten over specifieke in bijlage I bij dat Verdrag vermelde activiteiten en betreffende niet vermelde activiteiten welke aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Krachtens artikel 7 van het Verdrag van Aarhus moet worden voorzien in inspraak betreffende milieuplannen en -programma's.

(12 bis) Soortgelijke eisen bestaan in de wetgeving van de Unie met betrekking tot de ontwikkeling van plannen en projecten, met name in de Richtlijnen 2001/42/EG, 2003/35/EG, 2012/18/EU en 2011/92/EU. Niet alle activiteiten in verband met olie- en gasexploratie vallen echter onder de bestaande Unievoorschriften inzake inspraak bij de besluitvorming. Dit geldt met name voor de besluitvorming die gericht is op of kan leiden tot het starten van exploratieactiviteiten vanuit een niet-productie-installatie. Die exploratieactiviteiten kunnen in bepaalde omstandigheden evenwel aanzienlijke effecten op het milieu hebben en het publiek moet hierbij dan ook inspraak hebben, zoals vereist in het Verdrag van Aarhus.

(13)       Binnen de Unie zijn er al voorbeelden van goede normen in nationale regelgevingspraktijken met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten. Deze normen worden echter inconsequent toegepast in de gehele Unie en geen enkele lidstaat heeft tot dusver alle beste regelgevingspraktijken in zijn wetgeving opgenomen om zware offshore-ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan voor het menselijk leven en de menselijke gezondheid en voor het milieu te beperken. De beste regelgevingspraktijken zijn nodig om tot een effectieve regelgeving te komen die de hoogste veiligheidsnormen waarborgt en het milieu beschermt, en kunnen, onder meer, worden verwezenlijkt door dergelijke functies in een gezamenlijke bevoegde autoriteit ("de bevoegde autoriteit") bijeen te brengen, die van de middelen van één of meer nationale organen gebruik kan maken.

(14 bis) In overeenstemming met Richtlijn 92/91/EEG moeten de werknemers en/of hun vertegenwoordigers worden geraadpleegd over zaken die verband houden met de veiligheid en gezondheid op het werk en moeten zij de kans krijgen om deel te nemen aan debatten over alle aspecten van veiligheid en gezondheid op het werk. Voorts is de beste praktijk in de Unie dat overlegmechanismen formeel door de lidstaten worden vastgesteld in het tripartiete overleg met de werkgevers- en werknemersorganisaties en de bevoegde autoriteit. Een voorbeeld van zo'n formeel overleg is Verdrag 144 betreffende tripartiete raadpleging (internationale arbeidsnormen) van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 1976.

(15 bis) De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteit wettelijk bevoegd is en voldoende middelen ter beschikking heeft zodat zij doelmatige, proportionele en transparante handhavingsmaatregelen kan nemen, waaronder in voorkomend geval de stopzetting van de activiteiten, wanneer de veiligheidsprestaties en de milieubescherming door exploitanten ondermaats zijn.

(16 bis) De onafhankelijkheid en de objectiviteit van de bevoegde autoriteit moeten door de maatregelen in deze richtlijn worden gewaarborgd. In dit verband blijkt uit ervaringen met zware offshore-ongevallen duidelijk dat de organisatie van administratieve bevoegdheden binnen een lidstaat belangenconflicten kan voorkomen door een duidelijke scheiding tussen de regelgevende functies en de hiermee samenhangende besluiten betreffende offshoreveiligheid en milieu, en de regelgevende functies die verband houden met de economische ontwikkeling van offshore natuurlijke hulpbronnen, ook wat betreft het verlenen van vergunningen en het beheer van inkomsten. Dergelijke belangenconflicten kunnen het best worden voorkomen door te zorgen voor een volledige scheiding tussen de bevoegde autoriteit en de functies die verband houden met deze economische ontwikkeling.

(16 ter) Volledige scheiding tussen de bevoegde autoriteit en de economische ontwikkeling kan echter onevenredig zijn wanneer er in een lidstaat geringe offshore olie- en gasactiviteiten plaatsvinden. In dat geval zou de betrokken lidstaat worden geacht de beste alternatieve regelingen te treffen om de onafhankelijkheid en de objectiviteit van de bevoegde autoriteit te waarborgen.

(17)       De complexe grote gevaren in de offshore olie- en gassector, met name op het vlak van procesveiligheid, een veilige insluiting van koolwaterstoffen, structurele integriteit, preventie van brand en explosies, evacuatie, ontsnapping en redding, en beperking van de milieueffecten van een zwaar ongeval, vergen een specifieke regelgeving die de specifieke gevaren van de offshore olie- en gassector behandelt.

(18)       Deze richtlijn moet worden toegepast onverminderd de eisen onder andere EU-wetgeving, met name op het vlak van gezondheid en veiligheid van de werknemers op het werk, in het bijzonder Richtlijn 89/391/EG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk▌ en Richtlijn 92/91/EEG van 3 november 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (elfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) ▌.

(19)       Een offshoreregeling moet van toepassing zijn op activiteiten die op zowel vaste als mobiele installaties worden uitgevoerd, alsook op alle exploratie- en productieactiviteiten van het ontwerp tot de buitenbedrijfstelling en definitieve stopzetting van platformen.

(20)       De beste bedrijfspraktijken die momenteel beschikbaar zijn voor de preventie van zware ongevallen bij offshore olie- en gasactiviteiten zijn gebaseerd op het stellen van doelen en op de verwezenlijking van wenselijke resultaten door middel van een grondige risicobeoordeling en betrouwbare beheersingssystemen.

(21)       Krachtens de beste bedrijfspraktijken in de Unie moeten vergunninghouders en/of exploitanten van installaties ▌een efficiënt veiligheids- en milieubeleid voor bedrijven uitwerken, alsook geschikte maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en moeten zij een volledig en systematisch overzicht opstellen van alle scenario's inzake grote gevaren met betrekking tot alle mogelijke gevaarlijke activiteiten op die installaties, met inbegrip van de gevolgen van zware ongevallen voor het milieu. Die beste praktijken vereisen ook dat de kans op, de gevolgen van en dus het risico van die gevaren, alsmede de daarbij vereiste beheersingsmaatregelen en reactie op noodsituaties worden beoordeeld binnen een uitgebreid veiligheids- en milieubeheersysteem en rampenplan voor de installatie. Die beleids- en risicobeheersmaatregelen en -regelingen moeten duidelijk beschreven worden in het rapport inzake grote gevaren. Het rapport inzake grote gevaren moet een aanvulling vormen op het veiligheids- en gezondheidsdocument als bedoeld in Richtlijn 92/91/EEG en het moet tevens bepalingen omvatten betreffende milieurisicobeheer en rampenplannen. De werknemers moeten worden geraadpleegd in de relevante fases van de voorbereiding van het rapport inzake grote gevaren. Het rapport inzake grote gevaren moet ook grondig beoordeeld en aanvaard worden door de bevoegde autoriteit ▌.

(22)       Teneinde de doeltreffendheid van controles op risico's van zware ongevallen in EU-wateren te handhaven, moet het rapport inzake grote gevaren worden opgesteld voor elke belangrijke fase in de levenscyclus van een productie-installatie, met inbegrip van ontwerp, werking, activiteiten in combinatie met andere installaties, verplaatsing van de installatie binnen de wateren van een lidstaat, grote wijzigingen en definitieve stopzetting. Evenzo moet een rapport inzake grote gevaren worden opgesteld voor niet-productie-installaties. In de Uniewateren kan een installatie alleen worden geëxploiteerd mits de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie bij de bevoegde autoriteit een rapport inzake grote gevaren heeft ingediend en het rapport door deze autoriteit is aanvaard. Aanvaarding door de bevoegde autoriteit van het rapport inzake grote gevaren betekent niet dat de exploitant enige verantwoordelijkheid voor de beheersing van grote gevaren kan overdragen aan de bevoegde autoriteit.

(23)       Uitsluitend installaties die erop zijn voorzien alle bij een olie- of gasboorput verwachte gevaren te beheersen en waarvoor een goedgekeurd rapport inzake grote gevaren bestaat, mogen boorputactiviteiten verrichten.

(24)       De exploitant ▌moet niet alleen een geschikte installatie gebruiken, maar moet ook gedetailleerde plannen opstellen voor de specifieke omstandigheden en gevaren van elke boorputactiviteit en moet het ontwerp van de boorput in overeenstemming met de beste praktijken in de Unie door onafhankelijke deskundigen laten onderzoeken. De exploitant ▌moet een kennisgeving van zijn boorputplannen aan de bevoegde autoriteit bezorgen zodat die voldoende tijd heeft om de nodige maatregelen met betrekking tot de geplande boorputactiviteit te treffen. In dit verband kunnen de lidstaten strengere nationale eisen stellen voordat met een boorputactiviteit wordt begonnen.

(25)       Teneinde een veilig ontwerp en ononderbroken veilige activiteiten te waarborgen, moet de sector de beste beschikbare praktijken toepassen die in gezaghebbende normen en richtsnoeren zijn bepaald en moet hij, in het kader van continue verbeteringen, die normen en leidraden aanpassen op basis van nieuwe kennis en ontdekkingen. Bijgevolg moeten exploitanten en bevoegde autoriteiten samenwerken om prioriteiten te bepalen om nieuwe of verbeterde normen en richtsnoeren vast te stellen in het licht van de ervaring met het ongeval van de Deepwater Horizon en andere zware offshore-ongevallen. Tot slot moeten zij onverwijld opdracht geven tot de voorbereiding van de meest prioritaire richtsnoeren en normen.

(26)       Gezien het complexe karakter van offshore olie- en gasactiviteiten vergt de tenuitvoerlegging van beste praktijken door de exploitanten een regeling voor een onafhankelijke verificatie ▌van veiligheids- en milieukritische elementen tijdens de hele levenscyclus van de installatie, in het geval van productie- en/of vaste installaties met inbegrip van de ontwerpfase.

(27 bis) Wanneer mobiele offshore boorinstallaties verplaatst worden en als schepen moeten worden beschouwd, zijn zij onderworpen aan internationale zeeverdragen, met name SOLAS, MARPOL of de equivalente normen van de toepasselijke versie van de Code voor de bouw en uitrusting van mobiele offshoreboorinstallaties (MODU-code). Dergelijke mobiele offshoreboorinstallaties die in offshorewateren verplaatst worden zijn tevens onderworpen aan de toepasselijke instrumenten van de uniale wetgeving betreffende havenstaatcontrole en naleving van de vlaggenstaatvereisten. Deze richtlijn betreft dergelijke installaties wanneer zij in offshorewateren verankerd liggen met het oog op boringen, productie of andere activiteiten die verband houden met offshore olie- en gasactiviteiten.

(28)       Risicobeheersing moet in het rapport inzake grote gevaren ook risico's voor het milieu omvatten, met inbegrip van het effect van klimaatomstandigheden en klimaatverandering op de bestendigheid op lange termijn van de installaties. Aangezien offshore olie- en gasactiviteiten in één lidstaat belangrijke nadelige milieueffecten kunnen hebben in een andere lidstaat, moeten er bovendien specifieke bepalingen worden vastgelegd en toegepast in overeenstemming met het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband van de VN-ECE (Espoo). De lidstaten met kusten waar geen offshore olie- en gasactiviteiten plaatsvinden, moeten contactpunten aanwijzen om effectieve samenwerking op dit terrein te vergemakkelijken.

(28 bis) De exploitanten moeten de lidstaten er onverwijld van in kennis stellen dat een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden, of dreigt te zullen plaatsvinden, zodat die lidstaten daarop in voorkomend geval kunnen reageren. Daarom moet de exploitant in de kennisgeving voldoende geschikte gegevens opnemen over de plaats, de omvang en de aard van het feitelijke of dreigende zware ongeval, de reactie van de exploitant, en het worstcasescenario met mogelijke escalatie, ook wat betreft mogelijke grensoverschrijdende gevolgen.

(29)       Met het oog op een effectieve reactie op noodsituaties moeten exploitanten locatiespecifieke interne rampenplannen voorbereiden op basis van de in het rapport inzake grote gevaren vastgestelde risico's en gevarenscenario's; zij moeten die plannen vervolgens bij de bevoegde autoriteiten indienen en voldoende middelen aanhouden om de plannen zo nodig snel uit te voeren. De toereikende beschikbaarheid van reactiemiddelen moet worden beoordeeld aan de hand van het vermogen om deze op de locatie van een ongeval in te zetten. De paraatheid en de doeltreffendheid van de middelen voor noodsituaties moeten door de exploitanten worden verzekerd en regelmatig worden getest. Indien naar behoren gerechtvaardigd, kunnen de reactieregelingen gebaseerd zijn op het snelle vervoer van reactie-uitrusting zoals overkappingsvoorzieningen, en andere middelen, vanaf verafgelegen locaties.

(29 bis) De wereldwijde beste praktijk vereist dat vergunninghouders en exploitanten in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het beheersen van de risico's die zij met hun activiteiten creëren, ook activiteiten die voor hun rekening door aannemers worden uitgevoerd, en daarom in het kader van een bedrijfsbeleid ter preventie van zware ongevallen een mechanisme instellen zodat bedoeld beleid in de hele organisatie in de EU en de rest van de wereld door de hoogste bedrijfsleiding consistent kan worden uitgevoerd.

(29 ter) Verantwoordelijke exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties behoren hun activiteiten wereldwijd uit te voeren in overeenstemming met de beste praktijken en normen. Consequente toepassing van die beste praktijken en normen moet verplicht worden in de Unie; het is wenselijk dat de op het grondgebied van een lidstaat geregistreerde exploitanten het beleid ter preventie van zware ongevallen toepassen wanneer zij buiten de wateren van de Unie actief zijn, voor zover het geldende nationale rechtskader dit mogelijk maakt.

(29 quater)     In het besef dat er in dit opzicht geen handhavingsbevoegdheid bestaat, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties hun offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie in hun documenten betreffende beleid ter preventie van zware ongevallen vermelden.

(29 quinquies) Informatie over zware ongevallen bij offshoreactiviteiten buiten de Unie kan helpen beter inzicht te verwerven in hun mogelijke oorzaken, alsook bij het bevorderen van het leren van belangrijke lessen en bij het verder uitbouwen van het regelgevend kader. Daarom moeten alle lidstaten, ook de niet aan zee grenzende lidstaten en de lidstaten met offshorewateren waar geen offshoreactiviteiten of vergunningverlening plaatsvinden, verzoeken om rapporten over zware ongevallen waarbij op hun grondgebied geregistreerde bedrijven betrokken zijn, en moeten zij deze informatie op Unieniveau delen. De rapportageverzoeken mogen de rampenbestrijding of de juridische procedures in verband met het ongeval niet doorkruisen. Zij moeten gericht zijn op de betekenis van het ongeval voor de verdere verbetering van de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten in de Unie.

(29 sexies) De lidstaten moeten van exploitanten verlangen dat zij bij het toepassen van de beste praktijken effectieve samenwerkingsrelaties met de bevoegde autoriteit ontwikkelen, de beste regelgevende praktijken van de bevoegde autoriteit ondersteunen, en proactief zorgen voor de hoogste veiligheidsniveaus, onder meer, waar nodig, door het stopzetten van activiteiten zonder dat de bevoegde autoriteit moet optreden.

(30)       Opdat geen enkele relevante veiligheidskwestie over het hoofd wordt gezien of wordt genegeerd, moeten er gepaste middelen worden ontwikkeld en aangemoedigd om dergelijke kwesties op vertrouwelijke wijze te rapporteren en klokkenluiders te beschermen. Hoewel de lidstaten buiten de Unie niet over handhavingsbevoegdheid beschikken, moeten deze middelen de rapportage van zorgpunten van bij olie- en gasactiviteiten betrokken personen buiten de EU mogelijk maken.

(31)       De uitwisseling van vergelijkbare gegevens tussen lidstaten verloopt moeizaam en is onbetrouwbaar omdat het de lidstaten aan een gemeenschappelijk gegevensrapporteringsmodel ontbreekt. Een gemeenschappelijk rapportagemodel waarmee de exploitanten kunnen rapporteren aan de lidstaat zou de veiligheids- en milieuprestaties van exploitanten niet alleen transparant maken, maar zou ook relevante en vergelijkbare informatie over de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten in de hele Unie voor het publiek toegankelijk maken en zou de uit zware ongevallen en bijna-ongevallen getrokken lessen kunnen helpen verspreiden.

(32)       Om eenvormige voorwaarden voor de uitwisseling van informatie en de bevordering van de transparantie van de prestaties van de offshoresector te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend wat betreft het rapportagemodel en de bijzonderheden van de informatie die moet worden uitgewisseld en voor het publiek beschikbaar moet worden gesteld. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(4).

(33)       Voor het vaststellen van de desbetreffende uitvoeringshandelingen moet de adviesprocedure worden gevolgd aangezien die handelingen hoofdzakelijk van praktische aard zijn. Daarom zou de toepassing van de onderzoeksprocedure niet terecht zijn.

(34)       Om het vertrouwen van het publiek in het gezag en de integriteit van offshoreactiviteiten in de hele EU te bevorderen, moeten de lidstaten activiteiten- en voorvallenrapporten opstellen en de Commissie, en andere lidstaten waar zij gevolgen hebben voor het grondgebied of de wateren, alsmede het betrokken publiek, onverwijld op de hoogte brengen van zware ongevallen. De Commissie moet op haar beurt regelmatig rapporten publiceren over EU-activiteiten en tendensen op het gebied van de veiligheids- en de milieuprestaties van de offshoresector.

(35)       Uit ervaring blijkt dat de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens moet worden gewaarborgd om een open dialoog tussen de bevoegde autoriteit en de exploitant te kunnen onderhouden. In die zin moet de dialoog tussen offshore-exploitanten en alle lidstaten gebaseerd zijn op relevante, bestaande internationale instrumenten en het EU-acquis inzake toegang tot milieugerelateerde informatie die onderworpen is aan een dwingende eis van veiligheid en milieubescherming.

(36)       De waarde van samenwerking tussen offshoreautoriteiten blijkt duidelijk uit de activiteiten van het North Sea Offshore Authorities Forum en het Internationaal Forum van regelgevers. Een soortgelijke samenwerking is in de hele Unie tot stand gekomen via een deskundigengroep, namelijk de EU-Groep van autoriteiten voor offshore olie- en gasactiviteiten (Euoag) teneinde efficiënte samenwerking tussen nationale vertegenwoordigers en de Commissie te bevorderen wat betreft het verspreiden van beste praktijken en operationele inlichtingen, het vaststellen van prioriteiten inzake aanscherping van de normen, en het adviseren van de Commissie over hervormingen van de regelgeving(5).

(37)       De nood- en rampenbestrijdingsplannen voor zware offshoreongevallen worden doeltreffender gemaakt door een systematische en geplande samenwerking tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en de sector, alsmede door de uitwisseling van combineerbare reactiemiddelen, bijvoorbeeld deskundigheid. Zo nodig moeten deze maatregelen ook gebruikmaken van de bestaande middelen en bijstand die in de Unie beschikbaar zijn, in het bijzonder via het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Europese mechanisme voor civiele bescherming. De lidstaten kunnen ook extra bijstand van het Agentschap vragen via het mechanisme voor civiele bescherming van de EU zoals vastgesteld bij Beschikking 2007/779/EG van de Raad.

(37 bis) Uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1406/2002 is het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid ("het Agentschap") opgericht, teneinde in de Gemeenschap een hoog, uniform en efficiënt niveau van veiligheid op zee en van voorkoming van verontreiniging door schepen te waarborgen en een reactie op door olie- en gasinstallaties veroorzaakte vervuiling van mariene wateren te verzekeren.

(38)       Bij de tenuitvoerlegging van de verplichtingen krachtens deze richtlijn moet in aanmerking worden genomen dat de mariene wateren die onder de soevereiniteit van lidstaten vallen of waarover zij soevereine rechten en jurisdictie uitoefenen, volledig deel uitmaken van de vier mariene regio's als omschreven in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/56, namelijk de Oostzee, de noordoostelijke Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Daarom moet de Europese Unie, bij wijze van prioriteit, de coördinatie met derde landen die soevereiniteit of soevereine rechten en jurisdictie hebben over wateren in dergelijke mariene regio's versterken ▌. Een passend raamwerk voor samenwerking omvat regionale zeeverdragen als bepaald in artikel 3, lid 10, van Richtlijn 2008/56.

(39)       Bovenop de huidige richtlijn worden momenteel met betrekking tot de Middellandse Zee de nodige maatregelen genomen met het oog op de toetreding van de Europese Unie tot het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging die het gevolg is van de exploratie en de exploitatie van het continentaal plat, de zeebodem en de ondergrond daarvan ("het Offshoreprotocol") bij het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee ("het Verdrag van Barcelona"), goedgekeurd bij Besluit 77/585/EEG van de Raad▌.

(40)       De Arctische wateren vormen een aangrenzend marien milieu dat van bijzonder belang is voor de Europese Unie, en spelen een belangrijke rol bij het beperken van de klimaatverandering. De ernstige milieuzorgen met betrekking tot de Arctische wateren vereisen bijzondere aandacht om te waarborgen dat het milieu in het Noordpoolgebied bij offshore olie- en gasactiviteiten, met inbegrip van exploratie, en rekening houdend met het risico van zware ongevallen en de noodzaak van een doeltreffende reactie, beschermd wordt. De lidstaten die lid zijn van de Arctische Raad worden aangemoedigd actief de hoogste normen ten aanzien van de milieuveiligheid in dit kwetsbare en unieke ecosysteem te propageren, onder meer door middel van de opstelling van internationale instrumenten betreffende preventie van, paraatheid voor en reactie op olievervuiling van de Arctische wateren, bijvoorbeeld door onder meer voort te bouwen op het werk van de door de Arctische Raad opgerichte Task Force en de bestaande richtsnoeren voor offshore olie- en gasactiviteiten van de Arctische Raad.

(41)       Nationale externe rampenplannen moeten gebaseerd zijn op risicobeoordeling, rekening houdend met het rapport inzake grote gevaren. Voor desbetreffende locatiespecifieke rampenplannen voor de beperking van ongevallen moet rekening worden gehouden met de meest actuele richtsnoeren betreffende risicobeoordeling en -kartering met het oog op rampenbeheersing (werkdocument van de Commissie SEC(2010) 1626 definitief van 21.12.2010).

(42)       Een doeltreffende reactie op noodsituaties vereist onmiddellijke maatregelen van de exploitant en een nauwe samenwerking met rampenbestrijdingsorganisaties van de lidstaten die het gebruik van extra reactiemiddelen coördineren naarmate de situatie zich ontvouwt. Dit omvat ook een grondig onderzoek van de noodsituatie, dat onverwijld moet worden aangevangen om verlies van relevante informatie en bewijsmateriaal te voorkomen. Na het voorval moeten de lidstaten de juiste conclusies trekken en alle noodzakelijke maatregelen treffen.

(42 bis) Het is van essentieel belang dat alle relevante informatie, onder meer de technische gegevens en parameters beschikbaar zijn voor later onderzoek. De lidstaten dragen er zorg voor dat de relevante gegevens tijdens de activiteiten worden verzameld en bij een ongeval veilig worden gesteld, alsook dat de gegevensverzameling op passende wijze wordt geïntensiveerd. De lidstaten moeten in dit verband het gebruik van adequate technische middelen aanmoedigen om de betrouwbaarheid en de gedetailleerdheid van de registers te bevorderen en eventuele manipulatie te voorkomen.

(43)       Teneinde een effectieve tenuitvoerlegging van de eisen van deze richtlijn te waarborgen, moet er worden voorzien in doeltreffende en evenredige sancties.

(44)       Teneinde bepaalde bijlagen aan te passen en er aanvullende informatie in op te nemen die door de technische vooruitgang noodzakelijk zou kunnen worden, moet de Commissie gemachtigd worden de eisen in sommige bijlagen bij deze richtlijn te wijzigen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding van gedelegeerde handelingen overleg pleegt, onder meer met deskundigen.

(46)       Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend.

(46 bis) De definitie van schade aan wateren in Richtlijn 2004/35/EG moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat de aansprakelijkheid van de vergunninghouders op grond van de richtlijn, van toepassing is op de mariene wateren van de lidstaten als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG.

(46 ter) Niet alle lidstaten hebben offshorewateren en daarom zijn de bepalingen van deze richtlijn niet van toepassing op Oostenrijk, de Tsjechische Republiek, Hongarije, Luxemburg en Slowakije. Niettemin is het wenselijk dat deze lidstaten de beginselen en hoge normen op het gebied van de veiligheid van offshore olie- en -gasactiviteiten van de Uniewetgeving propageren in hun bilaterale contacten met derde landen en met de betrokken internationale organisaties.

(46 quater) Niet alle lidstaten met offshorewateren laten offshoreactiviteiten in de zin van deze richtlijn toe in de gebieden onder hun jurisdictie. Deze lidstaten zijn niet betrokken bij de vergunningverlening en de voorkoming van zware ongevallen bij dergelijke activiteiten. Daarom zou het disproportioneel en onnodig zijn deze lidstaten te verplichten alle bepalingen van deze richtlijn om te zetten en uit te voeren. Toch kunnen ongevallen tijdens offshoreactiviteiten gevolgen hebben voor hun kusten. Daarom moeten deze lidstaten onder meer bereid zijn te reageren en onderzoek uit te voeren bij zware ongevallen, en moeten zij via contactpunten samenwerken met andere betrokken lidstaten en betrokken derde landen.

(46 quinquies)            Gezien hun geografische ligging zijn niet aan zee grenzende lidstaten niet betrokken bij de vergunningverlening en bij de preventie van zware ongevallen bij offshoreactiviteiten, noch kunnen dergelijke ongevallen in de wateren van andere lidstaten gevolgen voor hen hebben. De meeste bepalingen in deze richtlijn zouden derhalve niet door hen behoeven te worden omgezet. Indien evenwel een onderneming, die zelf of via dochterondernemingen offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie beoefent, in een niet aan zee grenzende lidstaat staat geregistreerd, moet de betrokken niet aan zee grenzende lidstaat de betreffende onderneming verzoeken een verslag over dergelijke ongevallen voor te leggen dat op het niveau van de Unie kan worden gedeeld, opdat alle belanghebbenden in de Unie hun voordeel kunnen doen met de ervaringen die zijn opgedaan met ongevallen bij dergelijke activiteiten buiten de Unie.

(47)       Afgezien van de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen moet de Commissie onderzoeken of er andere geschikte middelen bestaan om de preventie van zware offshoreongevallen ▌en de matiging van de effecten daarvan te verbeteren.

(48)       Exploitanten moeten ervoor zorgen dat zij toegang hebben tot voldoende fysieke, personele en financiële middelen om de gevolgen van een zwaar ongeval tot een minimum te beperken en te herstellen. Aangezien echter geen enkele van de bestaande instrumenten inzake financiële zekerheid, waaronder maatregelen inzake onderlinge risicoverdeling, alle mogelijke gevolgen van extreme ongevallen kan opvangen, moet de Commissie overgaan tot verdere analyses en studies van passende maatregelen om een voldoende strikt aansprakelijkheidsstelsel voor schade door offshore olie- en gasactiviteiten te waarborgen, met daarbij ook eisen betreffende de financiële draagkracht, met inbegrip van de beschikbaarheid van passende financiëlezekerheidsinstrumenten of andere maatregelen. Dit kan een toetsing van de haalbaarheid van een regeling voor wederzijdse compensatie omvatten. De Commissie moet rapporteren over haar bevindingen, en waar passend, voorstellen doen.

(49)       Op EU-niveau is het van belang dat technische normen worden aangevuld met een overeenkomstig wettelijk kader voor wetgeving inzake productveiligheid dat van toepassing is op alle offshore-installaties in EU-wateren en niet enkel op niet-mobiele productie-installaties. De Commissie moet bijgevolg overgaan tot verdere analyses van de productveiligheidsnormen die van toepassing zijn op offshore olie- en gasactiviteiten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK IINLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1Onderwerp en toepassingsgebied

1.          Deze richtlijn stelt minimumeisen vast voor het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen van zware ongevallen bij offshore olie- en gasactiviteiten ▌.

5.          Deze richtlijn is van toepassing onverminderd de EU-wetgeving ▌betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op het werk, met name de Richtlijnen 89/391/EEG en 92/91/EEG van de Raad.

6.          Deze richtlijn is van toepassing onverminderd de Richtlijnen 94/22/EG, 2001/42/EG ▌, 2003/4/EG, 2003/35/EG, 2010/75/EU en 2011/92/EU.

Artikel 2Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1 bis.     "aanvaardbaar" met betrekking tot een risico: een risiconiveau waarbij de tijd, kosten of inspanningen voor een verdere beperking ervan volstrekt disproportioneel zouden zijn met het risico. Bij het beoordelen of tijd, kosten en inspanningen volstrekt disproportioneel zouden zijn met de voordelen van verdere risicoreductie, moeten de tot de beste praktijken behorende risiconiveaus die passen bij de onderneming in aanmerking worden genomen;

2.          "goedkeuring": de schriftelijke overbrenging door de bevoegde autoriteit aan de exploitant of de eigenaar van de niet-productie-installatie van het feit dat het rapport inzake grote gevaren, indien uitgevoerd volgens de voorschriften, voldoet aan de vereisten van deze richtlijn. Goedkeuring betekent niet dat er verantwoordelijkheid voor de beheersing van grote gevaren wordt overgedragen aan de bevoegde autoriteit;

4.          "gecombineerde activiteit": een activiteit die van op een installatie samen met een andere installatie of andere installaties wordt uitgevoerd voor aan de andere installatie(s) gerelateerde doeleinden, waarbij de risico's voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op een of alle installaties aanzienlijk worden beïnvloed;

5.          "begin van activiteiten": het tijdstip waarop de installatie of de ermee verbonden infrastructuur voor het eerst wordt gebruikt voor de activiteiten waarvoor ze bedoeld is;

6.          "bevoegde autoriteit": de overheidsinstantie die aangesteld is op grond van deze richtlijn en belast is met de haar krachtens deze richtlijn opgedragen taken. De bevoegde autoriteit kan uit een of meer overheidsorganen bestaan;

6 bis.     "vergunningverlenende autoriteit": overheidsinstantie, als omschreven in artikel 1, punt 1, van Richtlijn 90/531/EEG, die bevoegd is een vergunning te verlenen en/of het gebruik daarvan als omschreven in Richtlijn 94/22/EG te controleren;

7 bis.     "verbonden infrastructuur": infrastructuur binnen de veiligheidszone of een nabijgelegen zone op grotere afstand van de installatie die ter beschikking staat van de lidstaat:

alle boorputten en de structuren, het toebehoren en de apparaten die daaraan gekoppeld zijn en die zijn aangesloten op de offshore-installatie;

alle apparaten of mechanismen op de hoofdstructuur van de offshore-installatie of apparaten of werken die eraan zijn bevestigd;

alle pijplijnapparaten of werken die daarop zijn aangesloten;

8 bis.     "aannemer": elke entiteit die door de exploitant is gecontracteerd om namens hem specifieke taken uit te voeren;

8 ter.     "entiteit": iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of groepering van deze personen;

9 bis.     "veiligheidszone": het gebied binnen een afstand van 500 meter van enig onderdeel van de installatie, ingericht door de lidstaat.

10 bis.   "exploratie": het boren op vindplaatsen en alle daarmee verband houdende offshore olie- en gasactiviteiten die noodzakelijk zijn voordat met de productieactiviteiten wordt begonnen;

11.        "extern rampenplan": lokale, nationale of regionale strategie om escalatie van een zwaar ongeval met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken met behulp van alle beschikbare middelen van de exploitant als beschreven in interne rampenplannen en aanvullende middelen die door de lidstaten beschikbaar worden gesteld;

12.        "onafhankelijke verificatie ▌": een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de exploitant of eigenaar van de niet-productie-installatie die niet onder de controle of invloed vallen van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;

13.        "sector": entiteiten die rechtstreeks betrokken zijn bij offshore olie- en gasactiviteiten als bedoeld in deze richtlijn of waarvan de activiteiten nauw samenhangen met dergelijke activiteiten;

14 bis.   "installatie": een statische vaste of mobiele voorziening, of een combinatie van voorzieningen die permanent onderling zijn verbonden door bruggen of andere structuren en die worden gebruikt voor offshore olie- en gasactiviteiten of in het kader van zulke activiteiten; dit omvat mobiele offshoreboorinstallaties uitsluitend wanneer zij in offshorewateren verankerd liggen met het oog op boringen, productie of andere activiteiten die verband houden met offshore olie- en gasactiviteiten.

15.        "intern rampenplan": een document van de hand van de exploitanten, opgesteld overeenkomstig de eisen van deze richtlijn, van de maatregelen om escalatie van een zwaar ongeval met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten ▌te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken;

15 bis.   "vergunning": toestemming om offshore olie- en gasactiviteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG uit te voeren;

16.        "vergunningsgebied": het geografisch gebied dat onder de vergunning valt;

17.        "vergunninghouder": de houder of gezamenlijke houders van een vergunning;

18 bis.   "zwaar ongeval": met betrekking tot een installatie of verbonden infrastructuur:

a)     een explosie, brand, verlies van controle over de boorput; aanzienlijke lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;

b)     een voorval dat tot ernstige schade aan de installatie of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;

c)      elke andere gebeurtenis waarbij vijf of meer personen op de offshore-installatie waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een activiteit op of in verband met de installatie of de verbonden infrastructuur, sterven of ernstig gewond raken; of

d)     ieder zwaar milieuongeval dat voortvloeit uit de punten a) tot en met c).

Wanneer een installatie normaliter onbewaakt is, zijn de punten a), b) en d) van toepassing alsof het een bewaakte installatie betrof.

18 ter.   "zwaar milieuongeval": een ongeval dat leidt of naar verwachting zal leiden tot aanzienlijke negatieve veranderingen in het milieu, zoals bedoeld in Richtlijn 2004/35/EG;

19.        "groot gevaar": een situatie die in een zwaar ongeval kan uitmonden;

19 bis.   "essentiële wijziging”:

a)     in het geval van een rapport inzake grote gevaren: een wijziging in de grondslagen op basis waarvan het oorspronkelijke rapport is goedgekeurd, onder meer fysieke wijzigingen, nieuwe kennis of technologie en veranderingen in het beheer van de activiteiten;

b)     in het geval van een kennisgeving van boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten, een wijziging in de grondslagen op basis waarvan de oorspronkelijke kennisgeving is ingediend, onder meer fysieke wijzigingen, verandering van installatie, nieuwe kennis of technologie en veranderingen in het beheer van de activiteiten.

20.        "niet-productie-installatie": een installatie, niet zijnde een installatie die wordt gebruikt voor de productie van olie en gas;

20 bis.   "offshore": in de territoriale wateren van de lidstaten, de exclusieve economische zones of het continentale plat in de zin van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos);

21 bis.   "offshore olie- en gasactiviteiten": alle activiteiten met betrekking tot installaties of verbonden infrastructuur, onder meer het ontwerp, de planning, de bouw, de exploitatie en de buitengebruikstelling ervan, die verband houden met de exploratie en de productie. Dit omvat niet de overbrenging van olie en gas van de ene kust naar de andere;

22 bis.   "exploitant" een entiteit die door de vergunninghouder of de vergunningverlenende autoriteit is aangeduid om offshore olie- en gasactiviteiten uit te voeren, waaronder het plannen en uitvoeren van boorputactiviteiten of het beheren en controleren van productieactiviteiten;

24.        "eigenaar van de niet-productie-installatie": een entiteit die wettelijk bevoegd is om de werking van een niet-productie-installatie te beheren;

25.        "productie": de offshorewinning ▌van olie en gas uit de ondergrondse lagen van het vergunningsgebied, met inbegrip van de offshoreverwerking van olie en gas, alsmede het vervoer ervan via verbonden infrastructuur ▌;

26.        "productie-installatie": een installatie die wordt gebruikt voor de productie;

28.        "publiek": één of meer entiteiten en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

30 bis.   "risico": de combinatie van de waarschijnlijkheid van een gebeurtenis en de gevolgen van de gebeurtenis;

30 ter.   "veiligheids- en milieukritische elementen": die onderdelen van een installatie en van uitrusting, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van zulk ongeval;

31.        "geschikt": goed of helemaal gepast, mede gelet op de criteria redelijke inspanning en kosten, voor een bepaalde vereiste of situatie, gebaseerd op objectief bewijsmateriaal en aangetoond aan de hand van een analyse of vergelijking met geschikte normen of andere oplossingen die in vergelijkbare situaties door andere autoriteiten of de sector worden gebruikt;

31 bis.   "tripartiet overleg": formele regeling om dialoog en samenwerking mogelijk te maken tussen de bevoegde autoriteit, de exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties en werknemersorganisaties;

32.        "boorputactiviteit": elke activiteit met betrekking tot een boorput waarbij per ongeluk materialen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, zoals het boren van een boorput voor offshore olie- en gasactiviteiten, het herstel of de aanpassing van een boorput, de opschorting van de activiteiten of de definitieve stopzetting ervan;

33 bis.   "doeltreffendheid van de respons op olielekken": de doeltreffendheid van de lekkagereactiesystemen bij het reageren op een olielek, aan de hand van een analyse van de frequentie, de duur en het tijdstip van de milieuomstandigheden die een reactie zouden verhinderen. De beoordeling van de doeltreffendheid van de respons op olielekken zal worden uitgedrukt als percentage van de tijd waarin niet van dergelijke omstandigheden sprake is en een omschrijving omvatten van de operationele beperkingen voor de betreffende installaties als gevolg van die beoordeling.

HOOFDSTUK II

PREVENTIE VAN ZWARE ONGEVALLEN

IN VERBAND MET OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN

Artikel 3Algemene beginselen van risicobeheer in offshore

olie- en gasactiviteiten

1.          De lidstaten eisen van de exploitanten dat zij erop toezien dat alle geschikte maatregelen worden getroffen om zware ongevallen ten gevolge van offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen. ▌

2.          De lidstaten zien erop toe dat de exploitanten niet van hun verplichtingen onder deze richtlijn worden vrijgesteld wanneer een handelen of nalaten van aannemers ▌tot een zwaar ongeval leidt of ertoe bijdraagt.

3.          Wanneer er zich toch een zwaar ongeval voordoet, zien de lidstaten erop toe dat de exploitanten ▌alle geschikte maatregelen nemen om de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken ▌.

4.          De lidstaten zorgen ervoor dat de offshore olie- en gasactiviteiten als bedoeld in deze richtlijn worden uitgevoerd op basis van systematische risicobeheersing, zodat de overblijvende risico's op zware ongevallen voor mensen, het milieu, en offshore-installaties aanvaardbaar zijn.

Artikel 4Veiligheids-

en milieuoverwegingen in het kader van vergunningen

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat besluiten over het verlenen of overdragen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten rekening houden met het vermogen van de aanvrager om te voldoen aan de eisen voor activiteiten in het kader van de vergunning, als vereist door de betreffende bepalingen van de EU-wetgeving, met name deze richtlijn.

2.          In het bijzonder bij de beoordeling van de technische bekwaamheid en financiële draagkracht van de aanvrager van een vergunning voor offshore olie- en gasactiviteiten, moet er rekening worden gehouden met het volgende:

(i)     het risico, de gevaren en andere relevante informatie over de aanvrager en het vergunningsgebied, waaronder, in voorkomend geval, de kosten van aantasting van het mariene milieu als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), van Richtlijn 2008/56/EG;

(ii)    het specifieke stadium van de offshore olie- en gasactiviteiten;

(iii)  de financiële capaciteit van de aanvrager, o.a. enige financiële zekerheid, om alle eventueel uit de desbetreffende offshore olie- en gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen. Hiertoe behoort de aansprakelijkheid voor eventuele economische schade indien de nationale wetgeving in een dergelijke aansprakelijkheid voorziet;

(iv)   de beschikbare informatie betreffende de veiligheids- en milieuprestaties van de aanvrager, onder meer met betrekking tot zware ongevallen, voor zover van toepassing op de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Voorafgaand aan het verlenen of overdragen van een vergunning raadpleegt de vergunningverlenende autoriteit zo nodig de bevoegde autoriteit.

2 bis.     De lidstaten zien erop toe dat de vergunningverlenende autoriteit alleen een vergunning verleent indien zij van oordeel is dat de aanvrager het bewijs heeft geleverd dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn of zullen zijn op basis van door de lidstaten te treffen regelingen om alle eventueel uit zijn offshore olie- en gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen. Dat bewijs moet geldig en effectief zijn vanaf de aanvang van de offshore olie- en gasactiviteiten. De lidstaten eisen dat entiteiten die een vergunning aanvragen voor offshore olie- en gasactiviteiten op een passende manier het bewijs van technische bekwaamheid en financiële capaciteit verstrekken, alsmede alle andere relevante informatie over het betrokken gebied en het specifieke stadium van de offshore olie- en gasactiviteiten.

a)          De lidstaten beoordelen het adequate karakter van bepalingen ingevolge lid 2bis om ervoor te zorgen dat de aanvrager over toereikende financiële middelen beschikt voor het onmiddellijk treffen en het ononderbroken voortzetten van alle maatregelen die nodig zijn voor een doeltreffende reactie en het daaropvolgend herstel.

b)          De lidstaten faciliteren de gebruikmaking van duurzame financiële instrumenten en andere regelingen om aanvragers van vergunningen te helpen bij het aantonen van hun financiële draagkracht ingevolge lid 2bis.

c)          De lidstaten stellen ten minste procedures vast om te zorgen voor de snelle en adequate afhandeling van compensatievorderingen, onder meer met betrekking tot compensatiebetalingen voor grensoverschrijdende incidenten.

d)          De lidstaten verplichten de vergunninghouder toereikende middelen aan te houden om te voldoen aan zijn financiële verplichtingen die voortvloeien uit aansprakelijkheden voor onder deze richtlijn vallende offshore olie- en gasactiviteiten.

2 ter.     De vergunningverlenende autoriteit of de vergunninghouder stellen de exploitant aan. Indien de exploitant door de vergunninghouder is aangesteld, wordt de vergunningverlenende autoriteit vooraf in kennis gesteld van de aanstelling. De vergunninghoudende autoriteit, indien nodig in overleg met de conform artikel 8 aangestelde bevoegde autoriteit, kan bezwaar maken tegen de aanstelling van de exploitant. Indien zodanig bezwaar wordt gemaakt, eisen de lidstaten dat de vergunninghouder een andere geschikte exploitant aanstelt of de verantwoordelijkheden van de exploitant op grond van deze richtlijn op zich neemt.

3 bis.     De vergunningsprocedures voor offshore olie- en gasactiviteiten die betrekking hebben op hetzelfde vergunningsgebied worden zo ingericht dat informatie die is ingezameld naar aanleiding van exploratie door de lidstaten in overweging genomen kan worden, voordat met de productieactiviteiten wordt begonnen.

4 bis.     Bij de beoordeling van de technische en financiële capaciteiten van een aanvrager van een vergunning moet bijzondere aandacht worden besteed aan alle in ecologisch opzicht gevoelige mariene en kustmilieus, met name ecosystemen die een belangrijke rol spelen bij de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, zoals zoutmoerassen en zeegrasbedden; en mariene beschermde gebieden, zoals speciale beschermingszones ingevolge de habitatrichtlijn, speciale beschermingszones ingevolge de vogelrichtlijn, en beschermde mariene zones zoals overeengekomen door de Unie of de betrokken lidstaten in het kader van internationale of regionale overeenkomsten waarbij zij partij zijn.

Artikel 5

Inspraak met betrekking tot de gevolgen van voorgenomen offshore olie- en gasexploratie voor het milieu

1.          Met het boren van een boorput voor exploratie vanaf een niet-productie-installatie wordt pas begonnen nadat de betreffende autoriteiten van de lidstaten zich ervan vergewist hebben dat in een vroeg stadium effectieve inspraak over de mogelijke gevolgen van voorgenomen offshore olie- en gasexploratie voor het milieu heeft plaatsgevonden op grond van andere Uniewetgeving, met name Richtlijn 2001/42/EG of Richtlijn 2011/92/EG . Dit artikel is niet van toepassing op gebieden waarvoor vergunning is verleend vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn.

1 bis.     Indien geen inspraak heeft plaatsgevonden ingevolge lid 1, zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende regelingen worden getroffen:

a)     aan het publiek wordt via openbare bekendmaking of andere passende middelen zoals elektronische media meegedeeld op welke plaatsen exploratieactiviteiten zullen worden toegelaten;

b)     het betrokken publiek wordt aangeduid, waaronder het publiek dat het effect zal ondergaan of waarschijnlijk zal ondergaan van, of belang heeft bij, het besluit om exploratieactiviteiten toe te staan, waaronder relevante niet-gouvernementele organisaties, zoals die welke milieubescherming bevorderen en andere relevante organisaties;

c)      relevante informatie over deze voorgenomen activiteiten wordt ter beschikking gesteld van het publiek, zoals informatie over het recht op inspraak bij de besluitvorming en over de instantie waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend;

d)     het publiek heeft het recht opmerkingen en meningen kenbaar te maken, wanneer alle opties open zijn voordat een beslissing om exploratie toe te staan wordt genomen;

e)      bij het nemen van die beslissingen wordt rekening gehouden met de resultaten van de inspraak;

f)      nadat hij de opmerkingen en meningen van het publiek heeft bestudeerd, informeert de lidstaat het publiek onmiddellijk over de genomen beslissingen en de redenen en overwegingen waarop die beslissingen gebaseerd zijn, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure;

g)     er wordt in redelijke termijnen voorzien zodat er voldoende tijd is voor elke fase van de inspraak;

()      [].

Artikel 6

Offshore olie- en gasactiviteiten in vergunningsgebieden

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat productie-installaties en verbonden infrastructuur in vergunningsgebieden uitsluitend geëxploiteerd worden door exploitanten die daartoe zijn aangesteld overeenkomstig artikel 4, lid 2ter.

1 bis.     De lidstaten eisen van de vergunninghouder dat hij erop toeziet dat de exploitanten het vermogen hebben om te voldoen aan de eisen voor de specifieke activiteiten in het kader van de vergunning.

1 ter.     De lidstaten eisen dat de vergunninghouder voor de duur van de activiteiten, alle redelijke maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de exploitant aan de eisen voldoet, zijn taken uitvoert en zijn plichten nakomt zoals bepaald in deze richtlijn.

1 quater. Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat de exploitant niet meer bekwaam is om aan de relevante eisen van deze richtlijn te voldoen, wordt de vergunningverlenende autoriteit daarvan op de hoogte gebracht. Vervolgens stelt de vergunningverlenende autoriteit de vergunninghouder hiervan op de hoogte. De vergunninghouder neemt dan de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de betrokken plichten op zich en stelt terstond een vervangende exploitant aan.

3 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat niet met activiteiten in verband met productie- en niet-productie-installaties wordt begonnen of dat deze niet worden voortgezet zonder goedkeuring van het rapport inzake grote gevaren door de bevoegde autoriteit, overeenkomstig deze richtlijn.

4.          De lidstaten zorgen ervoor dat niet met boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten wordt begonnen of dat deze niet worden voortgezet zonder de indiening van het rapport inzake grote gevaren voor de betrokken installaties en de goedkeuring daarvan overeenkomstig lid 3bis van dit artikel. Bovendien mogen er geen zodanige activiteiten worden begonnen en voortgezet als er geen kennisgeving van boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten overeenkomstig artikel 9 aan de bevoegde autoriteit is voorgelegd of als de bevoegde autoriteit bezwaren heeft bij de inhoud van de kennisgeving.

5.          De lidstaten zorgen ervoor dat een veiligheidszone wordt ingesteld rond een installatie en dat het verboden is voor schepen om die veiligheidszone binnen te varen of daar te blijven.

Dit verbod geldt niet voor een schip dat de veiligheidszone binnenvaart of daar blijft:

a)     in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels of pijpleidingen in of in de nabijheid van die veiligheidszone;

b)     om diensten te verlenen voor, personen of goederen te vervoeren van of naar, of onder het gezag van de lidstaat inspectie te verrichten van, alle installaties in die veiligheidszone;

c)      met het oog op het redden van levens of eigendommen, of het doen van pogingen daartoe;

d)     gedwongen door de weersomstandigheden; of

e)      wanneer het in nood verkeert; of

f)      indien het de toestemming heeft van de exploitant of van de lidstaat.

6.          De lidstaten stellen een mechanisme in voor effectieve participatie in het tripartiete overleg tussen de betrokken werkgevers, werknemers en de bevoegde autoriteit bij het formuleren van normen en beleid in verband met de preventie van zware ongevallen.

Artikel 7Aansprakelijkheid voor milieuschade

Onverminderd de bestaande werkingssfeer van de aansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade overeenkomstig Richtlijn 2004/35/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de vergunninghouder financieel aansprakelijk is voor de preventie en het herstel van de in die richtlijn omschreven milieuschade die wordt veroorzaakt door offshore olie- en gasactiviteiten van of namens de vergunninghouder of de exploitant.

Artikel 8

Aanstelling van de bevoegde autoriteit

1.          De lidstaten ▌stellen een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor ▌de volgende regelgevende taken uit hoofde van deze richtlijn:

a)     rapporten inzake grote gevaren beoordelen en goedkeuren, kennisgevingen van ontwerpen, kennisgevingen van boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten beoordelen, alsook andere soortgelijke documenten die haar worden overgelegd;

b)     toezien op de naleving van deze richtlijn o.a. door inspecties, onderzoeken en handhavingsacties;

c)      het adviseren van andere autoriteiten of organen, met inbegrip van de vergunningverlenende autoriteit;

d)     het opstellen van jaarplannen op grond van artikel 20;

e)      het opstellen van verslagen;

f)      samenwerken met de bevoegde autoriteiten en de contactpunten die in andere lidstaten zijn ingesteld overeenkomstig artikel 32bis.

3 bis.     De lidstaten zorgen te allen tijde voor de onafhankelijkheid en objectiviteit van de bevoegde autoriteit bij de uitoefening van haar regelgevende taken en met name wat betreft lid 1, onder a) tot en met c). Belangenconflicten tussen enerzijds de regelgevende functies van de bevoegde autoriteit en anderzijds de regelgevende functies inzake de economische ontwikkeling van de natuurlijke hulpbronnen en het verlenen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten in de lidstaat, en de inning en het beheer van met die activiteiten verband houdende inkomsten (hierna"economische ontwikkeling" genoemd) worden dan ook voorkomen.

3 ter.     Om de in lid 3bis genoemde doelstellingen te verwezenlijken schrijven de lidstaten voor dat de taken van de bevoegde autoriteit uit hoofde van deze richtlijn worden uitgeoefend binnen een instantie die onafhankelijk is ten opzichte van de functies van de lidstaat met betrekking tot economische ontwikkeling.

3 quater. Wanneer evenwel het totale aantal normaliter bewaakte offshore-installaties minder dan zes bedraagt, kan de betrokken lidstaat besluiten lid 3ter niet toe te passen. Een dergelijk besluit laat zijn verplichtingen als bedoeld in lid 3bis onverlet.

3 quinquies. De lidstaten stellen voor het publiek een beschrijving beschikbaar van de wijze waarop de bevoegde autoriteit is georganiseerd, met onder meer de redenen voor de betreffende wijze van organisatie, en de manier waarop wordt gezorgd voor de uitoefening van de taken in lid 1 en de nakoming van de verplichtingen in lid 3bis.

4.          De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over adequate personele en financiële middelen beschikken om de in deze richtlijn vastgestelde plichten uit te voeren. Deze middelen staan in verhouding tot de omvang van de offshore olie- en gasactiviteiten van de lidstaten.

4 bis.     De lidstaten kunnen formele overeenkomsten met derden, waaronder passende instanties van de Unie of andere geschikte organen indien beschikbaar, sluiten voor het leveren van specialistische expertise om de bevoegde autoriteit te ondersteunen bij het uitoefenen van haar functies. Voor de toepassing van dit lid kan een orgaan als niet geschikt worden beschouwd wanneer de objectiviteit ervan in gevaar kan komen door belangenconflicten.

4 ter.     De lidstaten kunnen mechanismen instellen waarbij de financiële kosten van de bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van haar functies op grond van deze richtlijn kunnen worden teruggevorderd van vergunninghouders of exploitanten of eigenaars van niet-productie-installaties.

5 bis.     Indien de bevoegde autoriteit uit één of meer organen bestaat, moeten de lidstaten er alles aan doen om overlapping van de regelgevende functies tussen deze organen te voorkomen. De lidstaten kunnen een van de deelorganen aanwijzen als leidend orgaan met verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de taken die op grond van deze richtlijn zijn toegewezen en voor het rapporteren aan de Commissie.

5 ter.     De lidstaten houden toezicht op de activiteiten van de bevoegde autoriteit en nemen alle noodzakelijke maatregelen om de doeltreffendheid ervan bij de uitoefening van de in lid 1 bedoelde taken te verbeteren.

Artikel 8 bisFunctioneren van de bevoegde autoriteit

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit:

a)     onafhankelijk handelt van het beleid, de regulerende besluiten of andere overwegingen die los staan van haar functies op grond van deze richtlijn;

b)     duidelijk maakt tot waar haar verantwoordelijkheden en functies, en de verantwoordelijkheid van de exploitant voor de controle op grote gevaren uit hoofde van artikel 18, reiken;

c)      een beleid, processen en procedures vaststelt voor een grondige beoordeling van rapporten inzake grote gevaren en kennisgevingen overeenkomstig artikel 9, en voorziet in toezicht, onderzoek en handhaving van de naleving van het bepaalde in deze richtlijn in haar rechtsgebied;

cc)    beleid en de processen en procedures overeenkomstig punt c) beschikbaar maakt voor exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties en de samenvatting daarvan ter beschikking stelt van het publiek;

d)     indien nodig, samen met andere autoriteiten gecoördineerde of gezamenlijke procedures ▌voorbereidt en uitvoert, om de functies overeenkomstig deze richtlijn uit te voeren; alsmede

e)      haar beleid, organisatie en operationele procedures baseert op de in bijlage III vastgestelde beginselen.

Artikel 8 terTaken van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

1.          Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) verleent technische en wetenschappelijke bijstand aan de Commissie en de lidstaten overeenkomstig zijn mandaat uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1406/2002.

2.          In dit kader:

(i)     verleent het Agentschap de Commissie en de getroffen lidstaat, op verzoek, bijstand bij het opsporen van en het toezien op de omvang van een olie- of gaslek;

(ii)    verleent het de lidstaten, op verzoek, bijstand bij de opstelling en de uitvoering van rampenplannen, vooral wanneer er sprake is van grensoverschrijdende gevolgen binnen de Uniewateren en daarbuiten;

(iii)  ontwikkelt het met de lidstaten en exploitanten aan de hand van hun rampenplannen een catalogus van voor noodsituaties beschikbare apparatuur en diensten.

3.          Het Agentschap kan, indien daartoe verzocht:

(i)     de Commissie bijstand verlenen bij het beoordelen van de rampenplannen van de lidstaten, om na te gaan of deze plannen in overeenstemming zijn met de richtlijn;

(ii)    oefeningen evalueren die toegespitst zijn op het testen van grensoverschrijdende en uniale noodmechanismen.

HOOFDSTUK III

VOORBEREIDING EN UITVOERING VAN OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN

Artikel 9Documenten die moeten worden voorgelegd voor het uitvoeren van

offshore olie- en gasactiviteiten en voor het bedienen van de installaties

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie de bevoegde autoriteit de volgende documenten verstrekt:

-a)    aan de exploitant, een afschrift of een passende beschrijving van het bedrijfsbeleid ter preventie van zware ongevallen op grond van artikel 18, leden 1 en 4;

-a bis)           een afschrift of een passende beschrijving van het veiligheids- en milieubeheersysteem van de bedrijven dat overeenkomstig artikel 18, leden 3 en 4, van toepassing is op de installatie;

a)      een kennisgeving van het ontwerp in overeenstemming met de eisen van bijlage II, deel 1, in geval van een geplande productie-installatie;

b)     een rapport inzake grote gevaren overeenkomstig de artikelen 10 en 11;

b bis) een afschrift of een passende beschrijving van het intern rampenplan overeenkomstig de artikelen 12 en 29;

b ter) een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie overeenkomstig artikel 15, leden 1 en 3, punt a);

b quater)      in geval van een gecombineerde activiteit, een kennisgeving van gecombineerde activiteiten aan de bevoegde autoriteit, door één van de exploitanten en eigenaars van de betrokken niet-productie-installaties, overeenkomstig artikel 14;

b quinquies) in geval van een bestaande productie-installatie die moet worden verplaatst naar een nieuwe productielocatie waar zij in bedrijf zal worden gesteld, een kennisgeving van verplaatsing in overeenstemming met de eisen uit bijlage II, deel 1;

b sexies)       elk ander relevant document waar de bevoegde autoriteit om vraagt.

1 bis.     De uit hoofde van lid 1, punten -a), -a bis), b bis) en b ter) gevraagde documenten worden opgenomen in het uit hoofde van lid 1, punt b) vereiste rapport inzake grote gevaren.

1 ter.     In geval van een essentiële wijziging, zoals de ontmanteling van een installatie overeenkomstig de artikelen 10 en 11, wordt een gewijzigd rapport inzake grote gevaren ingediend overeenkomstig lid 1, punt b).

1 quater. In geval van een boorputactiviteit zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitant van de boorput bij de bevoegde autoriteit een kennisgeving van boorputactiviteiten indient en informatie over de boorputactiviteiten verstrekt overeenkomstig artikel 13; de kennisgeving en de informatie worden opgesteld overeenkomstig artikel 15, leden 1 en 3, punt b).

2.          De kennisgeving van het ontwerp wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn vóór de voorgenomen indiening van een rapport inzake grote gevaren voor de geplande activiteiten.

2 bis.     De bevoegde autoriteit antwoordt op de kennisgeving van het ontwerp met opmerkingen waarmee rekening moet worden gehouden in het rapport inzake grote gevaren.

2 ter.     De bevoegde autoriteit krijgt in een voldoende vroege fase van de voorgestelde ontwikkeling een kennisgeving van de verplaatsing om de exploitant in staat te stellen door de bevoegde autoriteit gemelde problemen in aanmerking te nemen bij de voorbereiding van het rapport inzake grote gevaren.

2 quater.        Wanneer een bestaande productie-installatie de wateren van een lidstaat zal binnenkomen of verlaten, wordt de bevoegde autoriteit daarvan schriftelijk in kennis gesteld vóór de datum waarop de productie-installatie de wateren van de lidstaat moet binnenkomen of verlaten.

2 quinquies.   Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in de kennisgeving van het ontwerp of de kennisgeving van de verplaatsing, wordt de bevoegde autoriteit zo snel mogelijk in kennis gesteld van die wijziging.

3.          Het rapport inzake grote gevaren wordt binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn ▌vóór de geplande start van de activiteit bij de bevoegde autoriteit ingediend.

Artikel 10

Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie

1.          Het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 2 en 5, en wordt bijgewerkt als daartoe aanleiding is of als dit door de bevoegde autoriteit wordt gevraagd.

1 bis.     De lidstaten dragen er zorg voor dat werknemersvertegenwoordigers worden geraadpleegd in de relevante fasen van de voorbereiding van het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie, en dat daartoe het bewijs wordt verstrekt overeenkomstig bijlage II, deel 2, punt 2.

2.          Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie kan na goedkeuring van de bevoegde autoriteit voor een groep van installaties worden opgesteld.

3.          Wanneer er ▌ aanpassingen aan de productie-installatie zullen worden aangebracht die een essentiële wijziging tot gevolg hebben, of wanneer het de bedoeling is een vaste productie-installatie te ontmantelen, wordt het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie overeenkomstig bijlage II, deel 6, aangepast en bij de bevoegde autoriteit ingediend.

4 bis.     Wanneer meer informatie vereist is voordat een rapport inzake grote gevaren kan worden goedgekeurd, zien de lidstaten erop toe dat de exploitant deze informatie op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt en alle nodige wijzigingen in het voorgelegde rapport inzake grote gevaren aanbrengt.

5.          Het overeenkomstig lid 3 gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn ▌. De lidstaten zorgen ervoor dat de geplande wijzigingen niet worden toegepast of, in voorkomend geval, de ontmanteling niet wordt aangevat voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de productie-installatie heeft goedgekeurd.

6.          Het rapport inzake grote gevaren voor een ▌productie-installatie wordt minstens om de vijf jaar of op last van de bevoegde autoriteit grondig door de exploitant herzien. De resultaten van de herziening worden aan de bevoegde autoriteit kenbaar gemaakt.

Artikel 11

Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie

1.          Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 3 en 5, en wordt bijgewerkt als daartoe aanleiding is of als dit door de bevoegde autoriteit wordt gevraagd.

1 bis.     De lidstaten dragen er zorg voor dat werknemersvertegenwoordigers worden geraadpleegd in de relevante fasen van de voorbereiding van het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie, en dat daartoe het bewijs wordt verstrekt overeenkomstig bijlage II, deel 3, punt 2.

2.          Wanneer er ▌aanpassingen aan de niet-productie-installatie zullen worden aangebracht die een essentiële wijziging tot gevolg hebben, of wanneer het de bedoeling is een vaste niet-productie-installatie te ontmantelen, wordt het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie overeenkomstig bijlage II, deel 6 (met uitzondering van punt 4), aangepast en bij de bevoegde autoriteit ingediend.

3.          Het overeenkomstig lid 2 gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor een vaste niet-productie-installatie wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn. De lidstaten zorgen ervoor dat de geplande wijzigingen niet worden toegepast of, in voorkomend geval, de ontmanteling niet wordt aangevat voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de niet-productie-installatie heeft goedgekeurd.

4.          Het overeenkomstig lid 2 gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor een mobiele niet-productie-installatie wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn. De lidstaten zorgen ervoor dat de geplande wijzigingen niet worden toegepast voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de mobiele niet-productie-installatie heeft goedgekeurd.

5.          Wanneer meer informatie vereist is voordat een rapport inzake grote gevaren kan worden goedgekeurd, schrijven de lidstaten voor dat de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie deze informatie op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt en alle nodige wijzigingen in het voorgelegde rapport inzake grote gevaren aanbrengt.

6.          Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie wordt minstens om de vijf jaar of op last van de bevoegde autoriteit grondig door de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie herzien. De resultaten van de herziening worden aan de bevoegde autoriteit kenbaar gemaakt.

Artikel 12Interne rampenplannen

1.          De lidstaten zien erop toe dat de exploitanten interne rampenplannen overeenkomstig de voorschriften van artikel 29 opstellen en daarbij rekening houden met de risicobeoordeling van zware ongevallen die tijdens de opstelling van het meest recente rapport inzake grote gevaren is uitgevoerd. Dit omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken. Wanneer er vanuit een mobiele niet-productie-installatie een boorput wordt geboord, wordt in het interne rampenplan voor de installatie rekening gehouden met de risicobeoordeling die tijdens de opstelling van de kennisgeving van boorputactiviteiten is uitgevoerd.

3.          Wanneer een niet-productie-installatie boorputactiviteiten uitvoert en het interne rampenplan moet worden aangepast vanwege de bijzondere aard of ligging van de boorput, zien de lidstaten erop toe dat de exploitant van de boorpunt een afschrift of een passende beschrijving van het gewijzigde interne rampenplan bij de bevoegde autoriteit indient ter ondersteuning van de betrokken kennisgeving van boorputactiviteiten.

3 bis.     Wanneer een niet-productie-installatie gecombineerde activiteiten uitvoert, wordt het interne rampenplan gewijzigd zodat het ook de gecombineerde activiteiten omvat, en wordt het bij de bevoegde autoriteit ingediend ter ondersteuning van de betrokken kennisgeving van gecombineerde activiteiten.

Artikel 13

Kennisgeving van boorputactiviteiten en verstrekking van informatie over boorputactiviteiten

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant van ▌de boorput bij de bevoegde autoriteit binnen de door de bevoegde autoriteit gestelde termijn vóór de start van de boorputactiviteit een kennisgeving indient met daarin de gegevens van het ontwerp van de boorput en de voorgestelde boorputactiviteiten overeenkomstig de voorschriften van bijlage II, deel 4. Dit omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken.

2.          De bevoegde autoriteit neemt de kennisgeving in overweging en treft, indien zij dat nodig acht, ▌vóór de start van de boorputactiviteiten passende maatregelen die onder meer een verbod op de start van de activiteiten kunnen inhouden.

3.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant van de boorput de onafhankelijke verificateur betrekt bij de planning en voorbereiding van een essentiële wijziging in de gegevens van de ingediende kennisgeving van boorputactiviteiten overeenkomstig artikel 15, lid 3, punt b), en de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis stelt van elke essentiële wijziging in de gegevens van de ingediende kennisgeving van boorputactiviteiten. De bevoegde autoriteit neemt deze wijzigingen in overweging en treft indien zij dat nodig acht passende maatregelen.

3 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant van de boorput bij de bevoegde autoriteit rapporten over boorputactiviteiten indient overeenkomstig de voorschriften van bijlage IIa. De rapporten worden wekelijks voorgelegd, vanaf de dag waarop de booractiviteiten beginnen, of volgens een door de bevoegde autoriteiten vastgesteld tijdpad.

Artikel 14Kennisgeving van gecombineerde activiteiten

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties die betrokken zijn bij een gecombineerde activiteit, gezamenlijk een kennisgeving opstellen met daarin de gegevens van de gecombineerde activiteit overeenkomstig de voorschriften van bijlage II, deel 7. De lidstaten zorgen ervoor dat één van de exploitanten en eigenaars van de betrokken niet-productie-installaties de kennisgeving van gecombineerde activiteiten bij de bevoegde autoriteit indient. De kennisgeving wordt ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn vóór de start van de gecombineerde activiteiten.

2.          De bevoegde autoriteit neemt de kennisgeving in overweging en treft, indien zij dat nodig acht, vóór de start van de gecombineerde activiteiten passende maatregelen die onder meer een verbod op de start van de activiteiten kunnen inhouden.

3.          De lidstaten zien erop toe dat de exploitant die de kennisgeving heeft opgesteld, de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis stelt van elke essentiële wijziging in de ingediende kennisgeving. De bevoegde autoriteit neemt deze wijzigingen in overweging en treft indien zij dat nodig acht passende maatregelen.

Artikel 15Onafhankelijke ▌ verificatie

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties regelingen voor een onafhankelijke ▌verificatie treffen en deze regelingen beschrijven in het kader van de beschrijving van het veiligheids- en milieubeheersysteem die in het verslag inzake grote gevaren overeenkomstig artikel 9 is opgenomen.

1 bis.     De resultaten van de onafhankelijke verificatie doen geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie voor de correcte en veilige werking van de te verifiëren uitrusting en systemen.

2.          Bij de selectie van de onafhankelijke verificateur en het ontwerp van de regelingen voor onafhankelijke verificatie moet worden voldaan aan de criteria van bijlage II, deel 5.

3.          De regelingen voor een onafhankelijke ▌verificatie ▌ worden getroffen:

a)      voor installaties, om onafhankelijk te waarborgen dat de ▌veiligheids- en milieukritische elementen die worden vermeld in de risicobeoordeling voor de installatie als beschreven in het rapport inzake grote gevaren, geschikt zijn en dat de planning van inspecties en tests van de veiligheids- en milieukritische elementen geschikt en bijgewerkt is en verloopt zoals voorzien;

b)     voor kennisgevingen van boorputactiviteiten, om onafhankelijk te waarborgen dat het ontwerp en de controlemaatregelen voor de boorputten te allen tijde geschikt zijn voor de verwachte boorputomstandigheden.

3 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties reageren op het advies van de onafhankelijke verificateur en op basis daarvan passende maatregelen treffen.

4.          De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties ervoor zorgen dat advies van de onafhankelijke verificateur uit hoofde van lid 3, punt a), alsook de reacties en maatregelen ten gevolge van dat advies ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gesteld en door de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie worden bewaard gedurende zes maanden na voltooiing van de offshore olie- en gasactiviteiten waarop zij betrekking hebben.

5.          De lidstaten schrijven voor dat exploitanten van boorputten ervoor zorgen dat de bevindingen en opmerkingen van de onafhankelijke verificateur uit hoofde van lid 3, punt b), alsook hun reacties en maatregelen ten gevolge daarvan, worden opgenomen in de kennisgeving van boorputactiviteiten overeenkomstig artikel 13.

6.          Voor productie-installaties moeten de verificatieregelingen zijn getroffen voordat het ontwerp is voltooid. In geval van een niet-productie-installatie moeten de regelingen zijn getroffen voordat de niet-productie-installatie wordt geëxploiteerd in uniale wateren.

Artikel 16

Bevoegdheid van de bevoegde autoriteit met betrekking tot activiteiten op installaties

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit:

a)     de exploitatie of inbedrijfstelling van een installatie of van verbonden infrastructuur verbiedt, indien de in het rapport inzake grote gevaren voorgestelde maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan overeenkomstig artikel 9, onvoldoende worden geacht om aan deze richtlijn te voldoen;

b)     in uitzonderlijke omstandigheden, indien zij oordeelt dat de veiligheid en milieubescherming niet in het gedrang komen, de termijn voor indiening van het rapport inzake grote gevaren of van de kennisgeving overeenkomstig artikel 9 verkort;

c)      de exploitant ertoe verplicht de evenredige maatregelen te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om ervoor te zorgen dat weer aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, wordt voldaan;

d)     wanneer artikel 6, lid 1 quater, van toepassing is, passende maatregelen neemt om de permanente veiligheid van de activiteiten te garanderen;

e)      gemachtigd is verbeteringen te eisen en, indien nodig, de voortzetting van de exploitatie van een installatie, van een gedeelte daarvan of van verbonden infrastructuur te verbieden indien uit de resultaten van een inspectie, een vaststelling overeenkomstig artikel 6, lid 1 quater, een periodieke herziening van het rapport inzake grote gevaren overeenkomstig artikel 9 of uit wijzigingen in kennisgevingen overeenkomstig artikel 9, blijkt dat de voorschriften van deze richtlijn niet in acht worden genomen of dat er redelijke bezorgdheid is over de veiligheid van activiteiten of installaties.

Artikel 17Grensoverschrijdende effecten

HOOFDSTUK IVPREVENTIEBELEID EN NALEVING

Artikel 18Preventie van zware ongevallen door exploitanten

en eigenaars van niet-productie-installaties

1.          De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties een document opstellen waarin hun bedrijfsbeleid ter preventie van zware ongevallen wordt uiteengezet, en ervoor zorgen dat het bij ▌al hun offshore olie- en gasactiviteiten wordt toegepast, onder meer door passende controleregelingen te treffen om de doeltreffendheid van het beleid te waarborgen.

1 bis.     In het beleid ter preventie van zware ongevallen wordt er rekening mee gehouden dat de exploitant in eerste instantie verantwoordelijk is voor onder meer de beheersing van de risico's van grote gevaren ten gevolge van zijn activiteiten en voor het steeds beter beheersen van die risico's, teneinde te allen tijde een hoog beschermingsniveau te garanderen.

2.          Een afschrift of een passende beschrijving van het in lid 1 bedoelde document wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend als ▌onderdeel van het rapport inzake grote gevaren overeenkomstig artikel 9 of van de kennisgeving van boorputactiviteiten overeenkomstig artikel 9.

3.          De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties hun organisatorische regelingen voor de controle op grote gevaren in het veiligheids- en milieubeheersysteem beschrijven, met inbegrip van de regelingen voor het opstellen en indienen van rapporten inzake grote gevaren en, naargelang van het geval, kennisgevingen van boorputactiviteiten overeenkomstig artikel 9 en hun regelingen voor onafhankelijke verificatie overeenkomstig artikel 15 en bijlage II, deel 5.

3 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties de kans krijgen om bij te dragen tot mechanismen voor het overeenkomstig artikel 6, lid 6, ingestelde doeltreffende tripartiete overleg. Voor zover dienstig kan in het overeenkomstig lid 1 ontwikkelde beleid ter preventie van zware ongevallen worden vermeld dat de exploitant zich aan dergelijke mechanismen committeert.

4.          Het beleid ter preventie van zware ongevallen en de veiligheids- en milieubeheersystemen worden ontwikkeld overeenkomstig de voorschriften van bijlage II, delen 8 en 9, en bijlage IV. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

a)     het beleid ter preventie van zware ongevallen wordt schriftelijk opgesteld en daarbij worden de algemene doelstellingen en de organisatie met betrekking tot de beheersing van de gevaren van zware ongevallen vastgesteld en wordt bepaald hoe deze regelingen op bedrijfsniveau worden toegepast;

b)     het veiligheids- en milieubeheersysteem wordt geïntegreerd in het totale beheersysteem van de exploitant en de eigenaar van de niet-productie-installatie en omvat de organisatorische structuur, verantwoordelijkheden, praktijken, procedures, processen en middelen om het beleid inzake grote gevaren te bepalen en uit te voeren.

4 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties een volledige inventaris opstellen en aanhouden van voor hun offshore olie- en -gasactiviteiten bestemde uitrusting om te reageren op noodsituaties.

5.          De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties, in overleg met de bevoegde autoriteit en met gebruikmaking van de uitwisseling van kennis, informatie en ervaringen als bedoeld in artikel 27, lid 1, normen en richtsnoeren voor beste praktijken in verband met de beheersing van grote gevaren in de offshoresector opstellen en toetsen tijdens het ontwerp en de exploitatiecyclus van offshore olie- en gasactiviteiten. Zij hanteren daarbij minimaal de hoofdpunten uit bijlage IV ter.

6 bis.     De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties ervoor zorgen dat het in lid 1 bedoelde document waarin hun bedrijfsbeleid ter preventie van zware ongevallen wordt uiteengezet, tevens hun productie- en niet-productie-installaties buiten de Unie omvat.

7.          Wanneer een door een exploitant of een eigenaar van een niet-productie-installatie verrichte activiteit een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of het risico op een zwaar ongeval aanzienlijk vergroot, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie geschikte maatregelen neemt die, indien dat nodig wordt geacht, de opschorting van de betrokken activiteit kunnen inhouden totdat het gevaar of het risico voldoende wordt beheerst.

8.          De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer er maatregelen als bedoeld in lid 7 worden genomen, de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld, binnen 24 uur, in kennis stelt.

9.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten, indien nodig, geschikte maatregelen nemen voor het gebruik van passende technische middelen of procedures om het verzamelen van gegevens uit boorparameterregisters nog betrouwbaarder te maken en de eventuele manipulatie daarvan te voorkomen.

Artikel 18 bisOffshore olie- en -gasactiviteiten buiten de Unie

1.          De lidstaten schrijven voor dat op hun grondgebied geregistreerde bedrijven die zelf of via dochterondernemingen offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie verrichten als vergunninghouder of exploitant, op verzoek bij hen verslag uitbrengen over de omstandigheden van een zwaar ongeval waar zij bij betrokken waren.

2.          In het in lid 1 bedoelde verzoek specificeert de betrokken lidstaat welke gegevens hij verlangt. Dergelijke verslagen worden uitgewisseld overeenkomstig artikel 27, lid 1. Lidstaten die noch over een bevoegde autoriteit, noch over een contactpunt beschikken, dienen de ontvangen verslagen overeenkomstig dit artikel in bij de Europese Commissie.

Artikel 19Eisen voor de bevoegde autoriteiten

Artikel 20Waarborgen van de naleving van het regelgevingskader voor de preventie van zware ongevallen

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties voldoen aan de maatregelen die zijn vastgesteld in het rapport inzake grote gevaren en in de kennisgeving van boorputactiviteiten en de kennisgeving van gecombineerde activiteiten vermelde plannen.

1 bis.     De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties de bevoegde autoriteit, of andere personen die onder leiding van de bevoegde autoriteit optreden, op elk redelijk tijdstip voorzien van transport van en naar een installatie of een schip dat bij olie- en gasactiviteiten betrokken is (met inbegrip van het overbrengen van hun uitrusting), evenals van een verblijfplaats, maaltijden en andere benodigdheden in verband met het bezoek aan de installaties, teneinde het toezicht door de bevoegde autoriteit, dat onder meer inspecties, onderzoeken en de handhaving van de naleving van de bepalingen van deze richtlijn behelst, te vergemakkelijken.

4.          De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit jaarplannen uitwerkt voor een effectief toezicht, inclusief inspecties, van op risicobeheer gebaseerde activiteiten inzake grote gevaren en daarbij bijzondere aandacht besteedt aan de naleving van de overeenkomstig artikel 9 bij de bevoegde autoriteit ingediende rapporten inzake grote gevaren, interne rampenplannen, kennisgevingen van boorputactiviteiten en kennisgevingen van gecombineerde activiteiten. De doeltreffendheid van de plannen wordt regelmatig getoetst en de bevoegde autoriteit neemt alle noodzakelijke maatregelen om daarin verbetering aan te brengen.

Artikel 21

Vertrouwelijke melding van veiligheidskwesties

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit mechanismen opzet voor:

a)     de vertrouwelijke melding van veiligheids- en milieukwesties met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten uit elke bron; en

b)     het onderzoeken van deze meldingen zonder de anonimiteit van de betrokken individuen te schenden.

2.          De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties de bijzonderheden van de in lid 1 bedoelde nationale maatregelen meedelen aan hun werknemers, alsook aan de aannemers en onderaannemers die bij de activiteiten betrokken zijn en hun werknemers. Zij zorgen er ook voor dat in de relevante opleidingen en mededelingen naar de procedures voor vertrouwelijke meldingen wordt verwezen.

HOOFDSTUK VTRANSPARANTIE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE

Artikel 22Uitwisseling van informatie

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten en de eigenaars van niet-productie-installaties ten minste de in bijlage VI beschreven informatie aan de bevoegde autoriteit verstrekken.

2.          Door middel van een uitvoeringshandeling bepaalt de Commissie een gemeenschappelijk gegevensrapporteringsmodel en de bijzonderheden van de uit te wisselen informatie. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de procedure als bedoeld in artikel 36, lid 2.

Artikel 23Transparantie

1.          De lidstaten maken de in bijlage VI bedoelde informatie ▌openbaar ▌.

2.          Door middel van een uitvoeringshandeling bepaalt de Commissie een gemeenschappelijk publicatiemodel om de vlotte grensoverschrijdende vergelijking van gegevens mogelijk te maken. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 36, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. Het gemeenschappelijk publicatiemodel maakt een betrouwbare vergelijking van nationale ▌praktijken overeenkomstig dit artikel en artikel 24 mogelijk.

Artikel 24Rapportering over het veiligheids- en milieueffect ▌

1.          De lidstaten dienen bij de Commissie een jaarverslag in met de in bijlage VI, punt 2 bis, gespecificeerde informatie.

2.          De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de informatie-uitwisseling overeenkomstig artikel 22 en de publicatie van informatie overeenkomstig artikel 23 ▌.

3.          ▌De Commissie publiceert een jaarverslag op basis van de informatie die overeenkomstig lid 1 aan haar is gerapporteerd door de lidstaten.

Artikel 25Onderzoek na een zwaar ongeval

2.          De lidstaten stellen een grondig onderzoek naar zware ongevallen in ▌.

3.          De Commissie ontvangt een samenvatting van de overeenkomstig lid 2 gedane bevindingen bij het afronden van het onderzoek of aan het einde van de gerechtelijke procedure, naargelang van het geval. De lidstaten maken een niet-vertrouwelijke versie van de bevindingen openbaar.

4.          De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit, in aansluiting op de onderzoeken overeenkomstig lid 2, de onderzoeksaanbevelingen uitvoert die binnen haar bevoegdheid vallen.

Artikel 26Vertrouwelijkheid

HOOFDSTUK VICOÖRDINATIE EN SAMENWERKING

Artikel 27Samenwerking tussen lidstaten

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteit regelmatig kennis, informatie en ervaringen uitwisselt met andere bevoegde autoriteiten, onder meer via de EU-Groep van autoriteiten voor offshore olie- en gasactiviteiten (Euoag), en dat zij overleg pleegt met de sector, andere belanghebbenden en de Commissie over de toepassing van het betrokken nationale en uniale rechtskader. De lidstaten die overeenkomstig artikel 32 bis, lid 1, een contactpunt hebben aangewezen, ontvangen deze informatie.

2.          De informatie-uitwisseling overeenkomstig lid 1 heeft met name betrekking op de werking van de maatregelen voor risicobeheer, de ongevallenpreventie, het toezicht op de naleving en de reactie op noodsituaties in verband met offshore olie- en gasactiviteiten binnen de Unie en, in voorkomend geval, over de grenzen heen.

3.          De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteit deelneemt aan het vaststellen van duidelijke gemeenschappelijke prioriteiten voor de opstelling en actualisering van richtsnoeren en normen, teneinde beste praktijken in offshore olie- en gasactiviteiten te bepalen en de uitvoering en consistente toepassing daarvan te vergemakkelijken.

3 bis.     Binnen één jaar na de vaststelling van deze richtlijn legt de Commissie de lidstaten een verslag voor betreffende de toereikendheid van de nationale beschikbare deskundigheid voor het vervullen van de regelgevende taken uit hoofde van deze richtlijn; indien nodig zal dit verslag vergezeld gaan van voorstellen die ervoor moeten zorgen dat alle lidstaten toegang hebben tot toereikende deskundigheid.

3 ter.     Binnen drie jaar na de bekendmaking van deze richtlijn in het Publicatieblad stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de nationale maatregelen die zij hebben genomen in verband met toegang tot kennis, reactiemiddelen en deskundigheid, onder meer overeenkomstig artikel 8, lid 4, punt a).

Artikel 28Gecoördineerde aanpak met het oog op de veiligheid

van olie- en gasactiviteiten op internationaal niveau

HOOFDSTUK VIIVOORBEREIDHEID EN REACTIE OP NOODSITUATIES

Artikel 29Eisen inzake interne rampenplannen

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie interne rampenplannen opstelt die:

a)       in werking worden gesteld als reactie op een zwaar ongeval of een situatie met een onmiddellijk risico op een zwaar ongeval in een installatie of een verbonden infrastructuur; en

b)     consistent zijn met het externe rampenplan ▌.

2.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant en de eigenaar van een niet-productie-installatie te allen tijde beschikken over apparatuur en deskundigheid die nodig zijn voor het interne rampenplan, en deze in voorkomend geval delen met de autoriteiten van de betrokken lidstaat bij de uitvoering van het externe rampenplan.

3.          Het interne rampenplan wordt opgesteld in overeenstemming met bijlage II, punt 10, en bijgewerkt als gevolg van elke essentiële wijziging in de overeenkomstig bijlage II ingediende rapporten inzake grote gevaren of de kennisgevingen. Deze bijwerkingen worden overeenkomstig artikel 9 bij de bevoegde autoriteit ingediend en ter kennis gebracht van de autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het opstellen van de externe rampenplannen voor het betrokken gebied.

4.          Het interne rampenplan wordt geïntegreerd met andere maatregelen voor de bescherming en redding van personeel van de getroffen installatie, teneinde de persoonlijke veiligheid te beschermen en goede overlevingskansen te waarborgen.

Artikel 30Externe rampenplannen en de voorbereidheid op noodsituaties

1.          De lidstaten stellen externe rampenplannen op voor alle offshore olie- en -gasinstallaties of hieraan verbonden infrastructuur en potentieel getroffen gebieden binnen hun rechtsgebied. De lidstaten specificeren de rol en de financiële verplichtingen van vergunninghouders en exploitanten bij de externe reactie op noodsituaties, en verwijzen hiernaar in de externe rampenplannen.

2.          De externe rampenplannen worden door de lidstaat opgesteld in samenwerking met de betrokken exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties en, in voorkomend geval, vergunninghouders en de bevoegde autoriteit, en houden rekening met de interne rampenplannen van bestaande of geplande installaties of verbonden infrastructuur in het betrokken gebied. Tevens wordt rekening gehouden met bijwerkingen van de interne rampenplannen door de exploitant.

3.          De externe rampenplannen worden opgesteld in overeenstemming met bijlage V en ter beschikking gesteld van de Commissie, overige potentieel getroffen lidstaten en het publiek. Bij het ter beschikking stellen van hun externe rampenplannen zorgen de lidstaten ervoor dat de meegedeelde informatie geen risico's doet ontstaan voor de veiligheid en beveiliging van de offshore olie- en gasinstallaties en de werking ervan, en evenmin schade toebrengt aan de economische belangen van de lidstaten of de persoonlijke veiligheid en het welzijn van functionarissen van de lidstaten.

4.          De lidstaten treffen ▌geschikte maatregelen om een hoog niveau van verenigbaarheid en interoperabiliteit van noodapparatuur en knowhow tot stand te brengen tussen alle lidstaten in een geografische streek, en verder indien nodig. De lidstaten moedigen de sector aan om compatibele reactieapparatuur en -diensten te ontwikkelen in de geest van dit lid.

6.          De lidstaten houden ▌overeenkomstig bijlage V bis, punt 1, registers bij van apparatuur en diensten om te reageren op noodsituaties. Deze registers worden ▌ter beschikking gesteld van de overige potentieel getroffen lidstaten en de Commissie, alsook, op basis van wederkerigheid, van aangrenzende derde landen ▌.

7.          De lidstaten ▌, de exploitanten en de eigenaars van niet-productie-installaties testen regelmatig, in nauwe samenwerking met de betrokken autoriteiten van de lidstaten, of zij voorbereid zijn om doeltreffend te reageren op offshore olie- en gasongevallen.

8.          De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en de betrokken contactpunten van de lidstaten samenwerkingsscenario's voor noodsituaties opstellen. Deze scenario's worden regelmatig beoordeeld en indien nodig bijgewerkt.

Artikel 31Reactie op noodsituaties

1.          De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant of de eigenaar van een niet-productie-installatie de betrokken autoriteiten onverwijld in kennis stelt van een zwaar ongeval of een situatie met een onmiddellijk risico op een zwaar ongeval. De kennisgeving schetst de omstandigheden, alsmede, waar mogelijk, de oorzaken en de mogelijke milieueffecten, van de situatie en de mogelijke ernstige gevolgen ervan.

2.          De lidstaten zorgen ervoor dat in geval van een zwaar ongeval, de exploitant en de eigenaar van een niet-productie-installatie alle geschikte maatregelen nemen om een escalatie van het ongeval te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken. De betrokken autoriteiten van de lidstaten kunnen de exploitant bijstaan en hem aanvullende middelen ter beschikking stellen.

4.          Tijdens de reactie op de noodsituatie verzamelt de lidstaat de nodige informatie voor een grondig onderzoek naar het ongeval overeenkomstig artikel 25, lid 2.

HOOFDSTUK VII bis

GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN

Artikel 32Voorbereidheid en reactie op grensoverschrijdende noodsituaties

van lidstaten met offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied

1.          Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een groot gevaar in verband met een offshore olie- en gasexploitatie in zijn rechtsgebied wellicht aanzienlijke gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat zal hebben, zendt de lidstaat in wiens rechtsgebied de exploitatie zal plaatsvinden, voorafgaand aan de exploitatie de betrokken informatie aan de potentieel getroffen lidstaat toe en streeft hij ernaar om samen met de potentieel getroffen lidstaat maatregelen vast te stellen om schade te voorkomen.

Een lidstaat die zich als potentieel getroffen beschouwt, kan de lidstaat in wiens rechtsgebied de exploitatie zal plaatsvinden, te allen tijde alle relevante informatie toezenden. De betrokken lidstaten kunnen de doeltreffendheid van de maatregelen gezamenlijk beoordelen, onverminderd de voorschriften van artikel 8, lid 1, punten a), b) en c).

1 bis.     De overeenkomstig lid 1 bepaalde gevaren worden verdisconteerd in interne en externe rampenplannen om een gezamenlijke doeltreffende reactie op een ongeval vlotter te laten verlopen.

1 ter.     Wanneer voorspelbare grensoverschrijdende gevolgen van offshore olie- en -gasongevallen derde landen dreigen te treffen, stellen de lidstaten, op basis van wederkerigheid, informatie ter beschikking van deze derde landen.

2.          De lidstaten coördineren onderling de maatregelen die betrekking hebben op gebieden buiten het rechtsgebied van de Unie om mogelijke negatieve gevolgen van offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen.

3.          De lidstaten testen regelmatig of zij voorbereid zijn om doeltreffend op ongevallen te reageren in samenwerking met potentieel getroffen lidstaten, de relevante EU-agentschappen en, op basis van wederkerigheid, potentieel getroffen derde landen. De Commissie kan een bijdrage leveren tot oefeningen die toegespitst zijn op het testen van grensoverschrijdende noodmechanismen.

4.          Bij een zwaar ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, dat c.q. die grensoverschrijdende gevolgen veroorzaakt of kan veroorzaken, brengt de lidstaat in wiens rechtsgebied het ongeval of de dreiging daarvan plaatsvindt, de Commissie en de lidstaten of derde landen die door de noodsituatie getroffen kunnen worden, onmiddellijk op de hoogte en verstrekt hij hun voortdurend informatie die van belang is voor een doeltreffende reactie op de noodsituatie.

Artikel 32 bis

Voorbereidheid en reactie op noodsituaties van lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied

1.          Lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied wijzen een contactpunt aan voor de uitwisseling van informatie met de betrokken aangrenzende lidstaten.

2.          Lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied passen de bepalingen van artikel 30, leden 4 en 8, toe om ervoor te zorgen dat zij beschikken over een passende reactiecapaciteit ingeval zij worden getroffen door een ongeval als gevolg van offshore olie- en gasactiviteiten.

3.          Lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied coördineren hun nationale noodplanning in het mariene milieu met andere betrokken lidstaten voor zover dat nodig is om de meest doeltreffende reactie op een zwaar ongeval te bewerkstelligen.

4.          Wanneer een lidstaat zonder offshore olie- en gasactiviteiten in zijn rechtsgebied wordt getroffen door een zwaar ongeval:

a)     neemt hij alle passende maatregelen overeenkomstig het in lid 3 bedoelde plan;

b)     zorgt hij ervoor dat door hem gecontroleerde informatie die in zijn rechtsgebied beschikbaar is en die van belang kan zijn voor een volledig onderzoek naar het zware ongeval, op verzoek wordt verstrekt aan of toegankelijk wordt gemaakt voor de lidstaat die het onderzoek overeenkomstig artikel 25 voert.

Artikel 32 ter

Gecoördineerde aanpak met het oog op de veiligheid van olie- en gasactiviteiten op internationaal niveau

1.          In nauwe samenwerking met de lidstaten bevordert de Commissie de samenwerking met derde landen die offshore olie- en gasactiviteiten ondernemen in dezelfde mariene regio's als de lidstaten, zonder afbreuk te doen aan desbetreffende internationale overeenkomsten.

2.          De Commissie vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie tussen lidstaten met offshore olie- en gasactiviteiten en aangrenzende derde landen die soortgelijke activiteiten verrichten, met het oog op de bevordering van preventieve maatregelen en regionale rampenplannen.

3.          De Commissie bevordert hoge veiligheidsnormen voor offshore olie- en gasactiviteiten op internationaal niveau in de betrokken regionale en wereldfora, inclusief die welke betrekking hebben op de Arctische wateren.

HOOFDSTUK VIIISLOTBEPALINGEN

Artikel 33Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn in kennis van die bepalingen en delen haar onmiddellijk alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

Artikel 34Gedelegeerde bevoegdheden van de Commissie

1.          De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 35 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen II, IIa, IV ter en V aan te passen en er aanvullende informatie in op te nemen die door de technische vooruitgang noodzakelijk zou kunnen worden. Dergelijke aanpassingen leiden niet tot essentiële wijzigingen met betrekking tot de in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen.

Artikel 35Uitoefening van de delegatie

1.          De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt overeenkomstig de voorwaarden van dit artikel aan de Commissie toegekend.

2.          De in artikel 34 bedoelde ▌bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk vier maanden vóór afloop van iedere termijn zich tegen een dergelijke verlenging verzet.

3.          De in artikel 34 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking maakt een einde aan de in dat besluit genoemde bevoegdheidsdelegatie. Dit besluit treedt in werking op de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Dit besluit laat de geldigheid van alle reeds in werking getreden gedelegeerde handelingen onverlet.

4.          Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.          Een overeenkomstig artikel 34 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 36Comitéprocedure

1.          De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.          Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 37Wijziging van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade

1.          In artikel 2 van die richtlijn wordt lid 1, onder b), vervangen door:

"b)    schade aan wateren, dat wil zeggen elke vorm van schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op:

(i)     de ecologische, chemische en/of kwantitatieve toestand en/of het ecologisch potentieel, als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG, van de betrokken wateren, met uitzondering van de negatieve effecten waarop artikel 4, lid 7, van die richtlijn van toepassing is, of

(ii)    de milieutoestand van de betrokken maritieme wateren, als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG, voor zover bijzondere aspecten van de milieutoestand van het mariene milieu al niet in Richtlijn 2000/60/EG worden behandeld;"

2.          De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan het bovenstaande lid te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 37 bis

Verslaglegging aan het Europees Parlement en de Raad

1.          De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2014 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de beschikbaarheid van financiëlezekerheidsinstrumenten en over de behandeling van schadeclaims, dat in voorkomend geval vergezeld gaat van voorstellen.

2.          De Commissie dient uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over haar beoordeling van de doeltreffendheid van de aansprakelijkheidsregelingen in de Unie in verband met schade die wordt veroorzaakt door offshore olie- en gasactiviteiten. In dat verslag wordt tevens beoordeeld of de aansprakelijkheidsregelingen dienen te worden uitgebreid. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen.

3.          De Commissie gaat na of bepaalde handelwijzen die tot een zwaar ongeval leiden, onder de werkingssfeer van Richtlijn 2008/99/EG inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht dienen te worden gebracht. De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2014 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over haar bevindingen. Daarbij formuleert zij in voorkomend geval wetgevingsvoorstellen, mits de lidstaten passende informatie ter beschikking stellen.

Artikel 37 ter

Verslag en herziening

1.          Uiterlijk drie jaar na de afsluiting van de overgangsperioden als bedoeld in artikel 38 ter, beoordeelt de Commissie, daarbij terdege rekening houdend met de inspanningen en de ervaringen van de bevoegde autoriteiten, de ervaring die met de uitvoering van deze richtlijn is opgedaan.

2.          De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met het resultaat van die beoordeling. Dat verslag bevat in voorkomend geval passende voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.

Artikel 38Overgangsbepalingen

Artikel 38 bis

Omzetting

1.          De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 maanden na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.          De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.          Lidstaten met offshorewateren die geen offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied hebben en niet voornemens zijn daarvoor een vergunning af te leveren, zijn gehouden de Commissie daarvan in kennis te stellen en enkel die maatregelen in werking te doen treden die nodig zijn om te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 18 bis, 32 bis en 33. Deze lidstaten mogen geen vergunning voor dergelijke activiteiten afleveren totdat zij de resterende bepalingen van deze richtlijn hebben omgezet en de Commissie daarvan in kennis hebben gesteld.

4.          Niet aan zee grenzende lidstaten zijn gehouden enkel die maatregelen in werking te doen treden die nodig zijn om te voldoen aan het bepaalde in artikel 18 bis.

4 bis.     Indien er op de dag van de bekendmaking van deze richtlijn geen bedrijf als bedoeld in artikel 18 bis geregistreerd staat in een lidstaat waarop hetzij lid 3, hetzij lid 4, van toepassing is, geldt de omzettingsverplichting in verband met artikel 18 bis uiterlijk 12 maanden na elke latere registratie van een dergelijk bedrijf in de betrokken lidstaat.

Artikel 38 ter

Overgangsbepalingen

1.          Met betrekking tot eigenaars van niet-productie-installaties passen de lidstaten de overeenkomstig artikel 38 bis aangenomen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe binnen een termijn van twaalf maanden na de omzetting.

2.          Met betrekking tot exploitanten van geplande productie-installaties passen de lidstaten de overeenkomstig artikel 38 bis aangenomen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe binnen een termijn van twaalf maanden na de omzetting.

3.          Met betrekking tot het plannen en uitvoeren van boorputactiviteiten door exploitanten passen de lidstaten de overeenkomstig artikel 38 bis aangenomen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe binnen een termijn van twaalf maanden na de omzetting.

4.          Met betrekking tot bestaande installaties passen de lidstaten de overeenkomstig artikel 38 bis aangenomen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe vanaf de datum van de uit hoofde van de regelgeving geplande toetsing van de risicobeoordelingsdocumentatie, die uiterlijk 60 maanden na de omzetting valt.

Artikel 39Inwerkingtreding

1.          Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 39 bis

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

BIJLAGE I

Inspraak van het publiek gekoppeld aan vergunningen overeenkomstig Richtlijn 94/22/EG

_____________________

BIJLAGE II

Informatie die moet worden opgenomen in documenten die worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 9

1.          INFORMATIE DIE MOET WORDEN OVERGELEGD IN DE KENNISGEVING VAN HET ONTWERP OF VAN DE VERPLAATSING MET BETREKKING TOT EEN PRODUCTIE-INSTALLATIE

De kennisgeving van het ontwerp of van de verplaatsing met betrekking tot een productie-installatie overeenkomstig artikel 9 omvat ten minste de volgende informatie:

(1)         de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

(2)         een beschrijving van het ontwerpproces voor de productieactiviteiten en -systemen, van een eerste concept tot het ingediende ontwerp of de keuze van een bestaande installatie, de relevante gebruikte normen, en de ontwerpconcepten die in het proces zijn opgenomen;

(3)         een beschrijving van het geselecteerde ontwerpconcept met betrekking tot de grote gevarenscenario's voor de specifieke installatie en de locatie ervan, en de voornaamste kenmerken van het risicobeheer;

(4)         een bewijs dat het concept ertoe bijdraagt dat grote risico's tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt;

(5)         een beschrijving van de installatie en de omstandigheden op de geplande locatie;

(5 bis)   een beschrijving van meteorologische, milieu- en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico's te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;

(6)         een beschrijving van de types uit te voeren activiteiten waarmee grote gevaren gepaard gaan;

(7)         een algemene beschrijving van het veiligheids- en milieubeheersysteem waardoor de geplande controlemaatregelen voor grote risico's goed blijven functioneren;

(7 bis)   een beschrijving van de regelingen voor onafhankelijke verificatie en een eerste lijst met veiligheids- en milieukritische elementen en de vereiste prestaties daarvoor;

(7 ter)   wanneer een bestaande productie-installatie verplaatst wordt naar een nieuwe locatie om voor een andere productieactiviteit te dienen, een demonstratie waaruit blijkt dat de installatie geschikt is voor de voorgestelde productieactiviteit;

(7 quater)       wanneer een niet-productie-installatie wordt omgeschakeld om als productie-installatie te worden gebruikt, een verklaring waaruit blijkt dat de installatie geschikt is voor omschakeling naar een productie-installatie.

2.  INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN RAPPORT INZAKE GROTE GEVAREN VOOR DE EXPLOITATIE VAN EEN PRODUCTIE-INSTALLATIE

Rapporten inzake grote gevaren voor een productie-installatie overeenkomstig artikel 10 omvatten ten minste de volgende informatie:

(1)         een beschrijving van het feit dat er rekening werd gehouden met de reactie van de bevoegde autoriteit op de kennisgeving van het ontwerp;

(1 bis)   de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

(2)         een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren ▌;

(3)         een beschrijving van de installatie en elke koppeling met andere installaties of verbonden infrastructuur ▌, met inbegrip van boorputten ▌;

(4)         het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen, ook milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen, met inbegrip van de relevante veiligheids- en milieukritische elementen, geschikt zijn om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken; Dit bewijs omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken.

(5)         bijzonderheden over de types uit te voeren activiteiten met mogelijk grote gevaren, en het maximumaantal personen dat zich op om het even welk moment op de installatie kan bevinden;

(6)         bijzonderheden over uitrusting en over regelingen om de boorputcontrole, procesbeveiliging, insluiting van gevaarlijke stoffen, preventie van brand en ontploffingen, bescherming van het personeel tegen gevaarlijke stoffen en bescherming van het milieu tegen een zwaar ongeval in een vroeg stadium te waarborgen ▌;

(7)         bijzonderheden over de regelingen om personen op de installatie te beschermen tegen grote gevaren, om hun veilige ontsnapping, evacuatie en redding te verzekeren, en om regelingen voor het onderhoud van de controlesystemen te waarborgen teneinde schade aan de installatie en het milieu te vermijden indien alle personeelsleden geëvacueerd worden;

(8)         de relevante codes, normen en richtsnoeren die gebruikt zijn bij de bouw en inbedrijfstelling van de installatie;

(9)         informatie over het veiligheids- en milieubeheersysteem van de exploitant die van belang is voor de productie-installatie;

(9 bis)   een afschrift of een passende beschrijving van het interne rampenplan;

(10)       een beschrijving van de onafhankelijke verificatieregeling ▌;

(11)       alle andere relevante bijzonderheden, bijvoorbeeld in het geval twee of meer installaties gecombineerd werken op een manier die een invloed heeft op de mogelijke grote gevaren van één of alle installaties;

(12)       informatie die relevant is voor andere vereisten uit deze richtlijn die verkregen wordt uit hoofde van de eisen op het vlak van preventie van zware ongevallen van Richtlijn 92/91/EEG;

(12 bis) inzake activiteiten die vanuit de installaties moeten worden geleid, informatie over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die van belang is voor de overige eisen uit hoofde van deze richtlijn en die krachtens Richtlijn 2011/92/EU wordt verkregen.

(13)       ▌een beoordeling van de in kaart gebrachte potentiële gevolgen voor het milieu van het vrijkomen van verontreinigde stoffen als gevolg van een zwaar ongeval, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om deze te voorkomen, te beperken of te bestrijden, met inbegrip van monitoring.

3.          INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN RAPPORT INZAKE GROTE GEVAREN VOOR EEN NIET-PRODUCTIE-INSTALLATIE

Rapporten inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie overeenkomstig artikel 9 omvatten ten minste de volgende informatie:

(1)         de naam en het adres van de eigenaar van de niet-productie-installatie;

(2)         een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren ▌;

(3)         een beschrijving van de installatie en, in het geval van een mobiele installatie, bijzonderheden over de manier van verplaatsing tussen locaties en het bevestigingsysteem ervan;

(4)         bijzonderheden over de types activiteiten met mogelijke grote gevaren die de installatie kan uitvoeren, en het maximumaantal personen dat zich op om het even welk moment op de installatie kan bevinden;

(5)         het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen, ook milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen, met inbegrip van de relevante veiligheids- en milieukritische elementen, geschikt zijn om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken; Dit bewijs omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken.

(6)         bijzonderheden over uitrusting en over regelingen om de boorputcontrole, procesbeveiliging, insluiting van gevaarlijke stoffen, preventie van brand en ontploffingen, bescherming van het personeel tegen gevaarlijke stoffen en bescherming van het milieu tegen een zwaar ongeval in een vroeg stadium te waarborgen;

(7)  bijzonderheden over de regelingen om personen op de installatie te beschermen tegen grote gevaren, om hun veilige ontsnapping, evacuatie en redding te verzekeren, en om regelingen voor het onderhoud van de controlesystemen te waarborgen teneinde schade aan de installatie en het milieu te vermijden indien alle personeelsleden geëvacueerd worden;

(8)         de relevante codes, normen en richtsnoeren die gebruikt zijn bij de bouw en inbedrijfstelling van de installatie;

(9)         het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn voor alle activiteiten die de installatie kan uitvoeren, en dat de risico's op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau zijn beperkt;

(10)       bijzonderheden over milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico's te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;

(11)       informatie over het veiligheids- en milieubeheersysteem die van belang is voor de niet-productie-installatie;

(11 bis) een afschrift of een passende beschrijving van het interne rampenplan;

(12)       een beschrijving van de onafhankelijke verificatieregeling ▌;

(13)       alle andere relevante bijzonderheden, bijvoorbeeld in het geval twee of meer installaties gecombineerd werken op een manier die een invloed heeft op de mogelijke grote gevaren van één of alle installaties;

(13 bis) inzake activiteiten die vanuit de installaties moeten worden geleid, informatie over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die van belang is voor de overige eisen uit hoofde van deze richtlijn en die krachtens Richtlijn 2011/92/EU wordt verkregen.

(14)       ▌een beoordeling van de in kaart gebrachte potentiële gevolgen voor het milieu van het vrijkomen van verontreinigde stoffen als gevolg van een zwaar ongeval, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om deze te voorkomen, te beperken of te bestrijden, met inbegrip van monitoring.

4.          INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN KENNISGEVING VAN BOORPUTACTIVITEITEN

De kennisgeving van boorputactiviteiten ▌overeenkomstig artikel 9 omvat ten minste de volgende informatie:

(1)         de naam en het adres van de ▌exploitant van de boorput;

(2)         de naam van de te gebruiken installatie en de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

(3)         bijzonderheden die de boorput kenmerken en enig verband met installaties en verbonden infrastructuur;

(4)         informatie over het werkprogramma van de boorput, met inbegrip van de exploitatieperiode, bijzonderheden en de verificatie van de barrières tegen het verlies van controle over de boorput (uitrusting, boorvloeistoffen en cement, enzovoort), controle over de richting van de boorput en beperkingen op veilige activiteiten, in overeenstemming met het risicobeheer;

(4 bis)   in het geval van een bestaande boorput, informatie met betrekking tot de geschiedenis en toestand ervan;

(5)         bijzonderheden over de in te zetten veiligheidsapparatuur die niet beschreven is in het huidige rapport inzake grote gevaren ▌voor de installatie;

(6)         een risicobeoordeling met een beschrijving van:

a)      de specifieke gevaren die gerelateerd zijn aan de boorputexploitatie, met inbegrip van meteorologische, milieu- en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten;

b)     de ondergrondse gevaren;

c)      alle oppervlakte- of onderzeese ▌ activiteiten die tegelijkertijd potentieel grote gevaren met zich meebrengen;

d)     geschikte controlemaatregelen;

(8)         bijzonderheden over de boorputconfiguratie op het einde van de activiteiten, dat wil zeggen permanent of tijdelijk verlaten en waar productie-uitrusting in de put is geplaatst voor toekomstig gebruik;

(10)       in het geval van een wijziging van een eerder ingediende kennisgeving van boorputactiviteiten, voldoende bijzonderheden om de kennisgeving volledig bij te werken;

(11)       wanneer het een boorput betreft die moet worden aangelegd, gewijzigd of onderhouden met behulp van een niet-productie-installatie, de volgende extra informatie:

a)      bijzonderheden over meteorologische, milieu-, en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico's te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;

b)     bijzonderheden over milieuomstandigheden waarmee rekening werd gehouden in het interne rampenplan voor de installatie;

c)      bijzonderheden over voorzieningen voor reacties op noodsituaties, inclusief in het geval van een zwaar milieuongeval, die niet zijn beschreven in het rapport inzake grote gevaren ▌; en

d)     een beschrijving van de wijze waarop de beheersystemen van de ▌exploitant van de boorput en de eigenaar van de niet-productie-installatie ▌ gecoördineerd moeten worden om op elk moment de grote gevaren doeltreffend te beheren;

(12)       een rapport met bevindingen van het onafhankelijk boorputonderzoek, met een verklaring van de exploitant van de boorput, nadat deze het rapport en de bevindingen van het onafhankelijk boorputonderzoek door de onafhankelijke verificateur heeft beoordeeld, waarin wordt aangegeven dat de risicobeoordeling met betrekking tot het boorputontwerp en de barrières tegen het verlies van de controle over de boorput geschikt zijn voor alle verwachte omstandigheden;

(13)       informatie die relevant is voor deze richtlijn verkregen uit hoofde van de eisen op het vlak van preventie van zware ongevallen van Richtlijn 92/91/EEG;

(14)       inzake boorputactiviteiten die moeten worden geleid, informatie die van belang is voor de overige eisen uit hoofde van deze richtlijn en die krachtens Richtlijn 2011/92/EU wordt verkregen over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben.

5.          INFORMATIE OVER EEN VERIFICATIEREGELING DIE MOET WORDEN VOORGELEGD

(5)         In het geval van een ▌ installatie bevat de informatie over de verificatieregeling voor die installatie die aan de bevoegde autoriteit wordt voorgelegd:

a)      een verklaring van de exploitant in het geval van een productie-installatie of van de eigenaar van een niet-productie-installatie na overweging van het rapport van de onafhankelijke ▌ verificateur dat het register van veiligheidskritische elementen en de onderhoudsregeling hiervan ▌ zoals vermeld in het rapport inzake grote gevaren ▌, geschikt zijn of zullen zijn;

b)     een beschrijving van de verificatieregeling, met inbegrip van de selectie van onafhankelijke ▌verificateurs, de methode van onderzoek of veiligheids- en milieukritische elementen en bepaalde uitrusting in de regeling in goede staat van onderhoud blijven;

c)      een beschrijving van de in alinea 5, onder (b), bedoelde verificatiemethode die bijzonderheden bevat over de beginselen die zullen worden toegepast voor de uitvoering van de functies onder de regeling en om de regeling gedurende de levenscyclus van de installatie voortdurend te herzien, inhoudende:

(i)     onderzoek en tests ▌van de veiligheids- en milieukritische elementen door onafhankelijke en competente verificateurs;

(ii)   de verificatie van het ontwerp, de norm, de certificering of een ander conformiteitssysteem van de veiligheids- en milieukritische elementen ▌;

het onderzoek van het werk in uitvoering;

(iv)   de melding van inbreuken ▌;

(v)    corrigerende maatregelen, genomen door de exploitant.

6.          TE VERSTREKKEN INFORMATIE MET BETREKKING TOT EEN ESSENTIËLE VERANDERING AAN EEN INSTALLATIE, MET INBEGRIP VAN DE VERWIJDERING VAN EEN VASTE INSTALLATIE

Indien er essentiële veranderingen nodig zijn aan de installatie, omvat de informatie die overeenkomstig artikel 9 aan de bevoegde autoriteit wordt verstrekt ten minste het volgende:

1.          de naam en het adres van de exploitant of de eigenaar van de niet-productie-installatie;

2.          een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het herziene rapport inzake grote gevaren;

3.           ▌voldoende bijzonderheden om het eerdere rapport inzake grote gevaren en het bijbehorende interne rampenplan voor de installatie volledig bij te werken, en te bewijzen dat de grote risico's verminderd zijn tot een aanvaardbaar niveau;

4.          in het geval van een vaste productie-installatie die uit gebruik wordt genomen:

a)      de middelen om alle gevaarlijke stoffen te isoleren en, als er boorputten met de installatie verbonden zijn, de permanente afsluiting van de boorputten van de installatie en het milieu;

b)     een beschrijving van de grote risico's, verbonden met de buitenbedrijfstelling van de installatie, voor personeel en milieu, de totale blootgestelde bevolking en de risicobeheersingsmaatregelen;

c)      regelingen in het kader van de reactie op noodsituaties om de veilige evacuatie en redding van personeel te verzekeren en controlesystemen ter voorkoming van een zwaar milieuongeval, te behouden.

7.          INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN KENNISGEVING VAN GECOMBINEERDE ACTIVITEITEN

De kennisgeving voor gecombineerde activiteiten overeenkomstig artikel 9 omvat ten minste de volgende informatie:

(1)         de naam en het adres van de exploitant die de kennisgeving indient;

(2)         indien andere exploitanten of eigenaars van niet-productie-installaties bij de gecombineerde activiteiten betrokken zijn, hun namen en adressen en een bevestiging dat zij instemmen met de inhoud van de kennisgeving;

(3)         een beschrijving, in de vorm van een overbruggingsdocument dat door alle betrokken partijen is goedgekeurd, van hoe de beheersystemen voor de installaties die bij de gecombineerde activiteit betrokken zijn, gecoördineerd worden om het risico op een zwaar ongeval tot een aanvaardbaar niveau te beperken;

(4)         bijzonderheden over de uitrusting die in verband met de gecombineerde activiteit moet worden gebruikt, maar die niet beschreven is in het huidige rapport inzake grote gevaren voor elke installatie die bij de gecombineerde activiteiten betrokken is;

(5)         een samenvatting van de risicobeoordeling die is uitgevoerd door alle exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties die bij de gecombineerde activiteiten betrokken zijn, met inbegrip van:

a)      een beschrijving van alle activiteiten tijdens de gecombineerde activiteit die gevaren met zich mee kunnen brengen met mogelijk een zwaar ongeval tot gevolg op of in verband met een installatie;

b)     een beschrijving van alle risicobeheersmaatregelen die ingevoerd worden naar aanleiding van de risicobeoordeling;

(6)         een beschrijving van de gecombineerde activiteit en een werkprogramma, waarop ▌de gecombineerde activiteit volgens de planning zal aanvangen ▌.

8.          INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD OVER HET BELEID TER PREVENTIE VAN ZWARE ONGEVALLEN

De ingediende bijzonderheden over het bedrijfsbeleid inzake beheersing van zware ongevallen met betrekking tot installaties en boorputten omvatten, maar blijven niet beperkt tot:

(1)         de verantwoordelijkheid van de bestuursraad die er te allen tijde voor moet zorgen dat het beleid ter voorkoming van zware ongevallen geschikt is, ingevoerd is en werkt zoals het moet werken;

(2)         maatregelen voor het opbouwen en handhaven van een sterke veiligheidscultuur die het zeer waarschijnlijk maakt dat er permanent een veilige exploitatie kan plaatsvinden;

(3)         de omvang en de intensiteit van de procescontrole;

(4)         maatregelen ter beloning en erkenning van gewenst gedrag;

(5)         evaluatie van de capaciteiten en doelstellingen van het bedrijf;

(6)         maatregelen voor de handhaving van normen voor veiligheid en milieubescherming als een kernwaarde van het bedrijf;

(7)         formele controle- en besturingssystemen waarbij bestuursleden en het hoger management van het bedrijf worden betrokken;

(8)         de aanpak van bekwaamheid op alle bedrijfsniveaus;

(9)         de mate waarin de onder de punten (1) tot en met (8) genoemde bijzonderheden van toepassing zijn op de olie- en gasactiviteiten die het bedrijf buiten de Unie uitvoert.

9.          INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD MET BETREKKING TOT EEN VEILIGHEIDS- EN MILIEUBEHEERSYSTEEM

De uit hoofde van artikel 9 ingediende bijzonderheden over het veiligheids- en milieubeheersysteem omvatten, maar blijven niet beperkt tot:

(1)         de organisatiestructuur en taken en verantwoordelijkheden van het personeel;

(2)         de bepaling en evaluatie van grote gevaren, de waarschijnlijkheid en de gevolgen ervan;

(3)         de integratie van het milieu-effect in de beoordelingen van het risico op zware ongevallen in het rapport inzake grote gevaren;

(4)         het beheer van de grote gevaren tijdens de normale activiteiten;

(5)         het beheer van wijzigingen;

(6)         rampenplannen en de reactie op noodsituaties;

(7)         de beperking van de milieuschade;

(8)         het toezicht op de prestaties;

(9)         regelingen voor controles en herzieningen; en

(10)       de vigerende maatregelen voor deelname aan het tripartiete overleg en hoe daaruit voortvloeiende maatregelen worden uitgevoerd.

10.        INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD IN EEN INTERN RAMPENPLAN VAN EEN EXPLOITANT

Interne rampenplannen omvatten, maar blijven niet beperkt tot:

(1)         de naam en functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te stellen en van de persoon die de interne reactie op de noodsituatie leidt;

(2)         de naam of functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe rampenplan verantwoordelijke autoriteit(en);

(3)         een beschrijving van alle te voorziene omstandigheden of gebeurtenissen die een zwaar ongeval zouden kunnen veroorzaken, zoals beschreven in het rapport inzake grote gevaren waarbij het plan gevoegd is:

(4)         een beschrijving van de acties die genomen zullen worden om de relevante omstandigheden of gebeurtenissen te beheersen en om de gevolgen ervan te beperken;

(5)         een beschrijving van de beschikbare apparatuur en middelen, ook voor het overkappen van mogelijke lekken;

(6)         de regelingen ter beperking van de risico's voor personen op de installatie en voor het milieu, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;

(7)         de regelingen die afgestemd zijn op de regelingen voor ontsnapping, evacuatie en redding die beschreven zijn in het rapport inzake grote gevaren, bijvoorbeeld zoals beschreven in bijlage II, deel 7, om goede overlevingskansen te waarborgen voor personen die zich tijdens een zwaar ongeval op de installatie bevinden;

(7 bis)   een raming van de doeltreffendheid van de respons op olielekken: Bij deze analyse van de respons moet onder meer rekening worden gehouden met de volgende milieufactoren:

(i)     het weer, met inbegrip van wind, zichtbaarheid, neerslag en temperatuur;

(ii)    toestanden, getijden en stromingen;

(iii)  de aanwezigheid van ijs en slik;

(iv)   het aantal uren daglicht; en

(v)    andere bekende milieufactoren die van invloed kunnen zijn op de doeltreffendheid van de bestrijdingsapparatuur of de algemene doeltreffendheid van de bestrijdingsinspanning;

(8)         de regelingen om de autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het in werking te stellen van het externe rampenplan bij een ongeval snel in te lichten, het type informatie dat onmiddellijk moet worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger informatie, wanneer deze beschikbaar wordt;

(9)         de regelingen om de personeelsleden op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen worden verwacht en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten;

(10)       de regelingen om de interne reactie op de noodsituatie te coördineren met de externe reactie op de noodsituatie.

(11)       het bewijs van eerdere beoordelingen van als dispergeermiddel gebruikte chemische stoffen die zijn verricht om de gevolgen voor de volksgezondheid en verdere milieuschade te beperken.

________________________

BIJLAGE IIa

Informatie die overeenkomstig artikel 13 bij de uitvoering van boorputactiviteiten moet worden verstrekt

De te verstrekken informatie over boorputactiviteiten overeenkomstig artikel 9 omvat ten minste de volgende informatie:

(1)         de naam en het adres van de exploitant van de boorput;

(2)         de naam van de installatie en de naam en het adres van de exploitant ervan;

(3)         bijzonderheden die de boorput kenmerken en enig verband met installaties of verbonden infrastructuur;

(4)         een samenvatting van de activiteiten uitgevoerd sinds het begin van de activiteiten of sinds het vorige verslag;

(5)         de diameter en de werkelijke verticale en gemeten diepte van:

a)     elke geboorde put; en

b)     elke geïnstalleerde schacht;

(6)         de dichtheid van de boorvloeistof op het moment waarop het rapport wordt opgesteld; en

(7)         in het geval van activiteiten in een bestaande boorput, de huidige staat van bedrijf van die boorput;

________________________

BIJLAGE III

Bepalingen met betrekking tot de aanstelling en het functioneren van de bevoegde autoriteit op grond van de artikelen 8 en 8 bis

1.          BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE LIDSTATEN

1.          Met het oog op de aanstelling van een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de plichten die voortvloeien uit artikel 8 van deze richtlijn, ondernemen de lidstaten op zijn minst het volgende ▌:

a)      zij treffen organisatorische regelingen waarmee de plichten die in deze richtlijn aan de bevoegde autoriteit worden toegewezen, doeltreffend nagekomen kunnen worden, met inbegrip van regelingen om veiligheid en milieubescherming op een billijke manier te regelen;

b)     zij stellen een beleidsverklaring op over de doelstellingen van toezicht en handhaving, en de verplichtingen voor de bevoegde autoriteit om transparantie, consistentie, evenredigheid en objectiviteit tot stand te brengen in haar regelgeving met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten.

2.          De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de onder 1 vermelde regelingen in werking te doen treden, met inbegrip van:

a)      het financieren van voldoende gespecialiseerde deskundigheid die intern en/of middels formele overeenkomsten met derden beschikbaar is zodat de bevoegde autoriteit activiteiten kan inspecteren en onderzoeken, dwingende maatregelen kan nemen en rapporten inzake grote gevaren en kennisgevingen kan afhandelen;

b)     wanneer er een beroep wordt gedaan op externe deskundigheid, het financieren van de opstelling van voldoende schriftelijke richtsnoeren en toezicht om een consistente aanpak te behouden en te waarborgen dat de wettelijke aangestelde bevoegde autoriteit de volledige verantwoordelijkheid behoudt onder deze richtlijn;

c)      het financieren van essentiële opleiding, communicatie, toegang tot technologie, en reizen en vergoeding van het personeel van de bevoegde autoriteit voor de uitvoering van hun functies en om de actieve samenwerking tussen bevoegde autoriteiten op grond van artikel 27 te bevorderen;

d)     waar nodig eisen dat exploitanten of eigenaars van niet-productie-installaties de bevoegde autoriteit vergoeden voor de kosten van haar functies die uitgevoerd worden op grond van deze richtlijn;

e)      het financieren en aanmoedigen van een onderzoek op grond van de functies van de bevoegde autoriteit onder deze richtlijn;

f)      het verzorgen van de financiering voor het opstellen van rapporten door de bevoegde autoriteit.

2.          BEPALINGEN BETREFFENDE DE WERKING VAN DE BEVOEGDE AUTORITEIT

1.          Voor de daadwerkelijke uitoefening van haar functies uit hoofde van artikel 8 bis, stelt de bevoegde autoriteit het volgende op:

a)     een schriftelijke strategie die de functies en de prioriteiten bij het optreden van de bevoegde autoriteit beschrijft, te weten bij het ontwerp en de exploitatie van de installaties, integriteitsbeheer en de voorbereidheid en reactie op noodsituaties, en hoe dit georganiseerd is;

b)     operationele procedures die beschrijven hoe de bevoegde autoriteit de naleving van de plichten van exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties overeenkomstig deze richtlijn zal inspecteren en handhaven, met inbegrip van de vraag hoe zij de rapporten inzake grote gevaren zal behandelen, beoordelen en goedkeuren, hoe zij kennisgevingen van boorputactiviteiten zal behandelen en hoe de tussentijd tussen de inspecties van grote-risicobeheersingsmaatregelen (inclusief voor het milieu) voor een bepaalde installatie of activiteit bepaald moet worden;

c)      procedures om de functies van de bevoegde autoriteit te vervullen, onverminderd andere verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld in verband met onshore olie- en gasactiviteiten en regelingen op grond van Richtlijn 92/91/EEG;

d)     indien de bevoegde autoriteit twee of meer organen omvat, een formele overeenkomst waarin de noodzakelijke mechanismen voor de gezamenlijke werking van de bevoegde autoriteit worden vastgelegd, inclusief toezicht op het hoger management en monitoring en herziening, gemeenschappelijke planning en inspectie, verdeling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van rapporten inzake grote gevaren, gemeenschappelijk onderzoek, interne communicatie en rapporten die gezamenlijk extern moeten worden bekendgemaakt.

2.          De gedetailleerde procedures voor de beoordeling van rapporten inzake grote gevaren vereisen dat alle feitelijke informatie en andere bijzonderheden zoals vereist krachtens deze richtlijn, door de exploitant of de eigenaar van de niet-productie-installatie worden overgelegd. De bevoegde autoriteit moet er ten minste op toezien toe dat de volgende gegevens worden ingediend en dat deze eisen duidelijk zijn uiteengezet in richtsnoeren voor exploitanten of eigenaren van niet-productie-installaties:

a)     alle te voorziene gevaren die aanleiding kunnen geven tot een zwaar ongeval, met inbegrip van een zwaar milieuongeval, zijn vastgesteld, de risico’s ervan zijn geëvalueerd en er zijn maatregelen, zoals rampenplannen, vastgesteld om de risico’s te beheersen;

b)     het veiligheids- en milieubeheerssysteem wordt adequaat beschreven om de overeenstemming met de eisen van deze richtlijn aan te tonen;

c)      er zijn passende regelingen getroffen voor een onafhankelijke verificatie en een controle door de exploitant.

3.          Bij het uitvoeren van een grondige beoordeling van rapporten inzake grote gevaren ziet de bevoegde autoriteit erop toe:

a)     dat alle vereiste feitelijke informatie is overgelegd;

b)     dat de exploitant of de eigenaar van de niet-productie-installatie alle redelijkerwijs te voorspellen grote gevaren die van toepassing zijn op de installatie en de functies ervan heeft geïdentificeerd, evenals mogelijke gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot zulke gevaren, en dat de methodologie en de evaluatiecriteria betreffende risicobeheer bij zware ongevallen duidelijk zijn toegelicht, met inbegrip van factoren die tot onzekerheid kunnen leiden in de analyse;

c)      dat in het risicobeheer aandacht is besteed aan alle relevante fases van de levenscyclus van de installatie en alle voorspelbare situaties zijn bestudeerd, zoals:

(i)     hoe bij de beslissingen met betrekking tot het ontwerp, beschreven in de kennisgeving van het ontwerp, rekening is gehouden met het risicobeheer om te garanderen dat de inherente veiligheids- en milieubeginselen erin worden opgenomen;

(ii)   hoe boorputactiviteiten zullen worden uitgevoerd vanaf de installatie wanneer zij in bedrijf is;

(iii)  hoe boorputactiviteiten zullen worden uitgevoerd en tijdelijk zullen worden opgeschort voordat de productie begint op een productie-installatie;

(iv)   hoe gecombineerde activiteiten moeten worden uitgevoerd met andere installaties;

(v)    hoe de ontmanteling van de installatie zal worden uitgevoerd;

d)     dat risicobeperkingsmaatregelen, vastgesteld in het kader van het risicobeheer, bedoeld zijn om toegepast te worden indien dat nodig is om het risico tot een aanvaardbaar niveau te beperken;

e)      dat de exploitant bij het bepalen van de nodige maatregelen om het risico tot aanvaardbare niveaus te beperken duidelijk heeft aangetoond hoe de relevante goede praktijken en inzichten op basis van een degelijk ontwerp, de beste beheerspraktijken en menselijke en organisatorische factoren en beginselen in aanmerking zijn genomen;

f)      dat de maatregelen en regelingen voor het opsporen van en het snel en effectief reageren op een noodsituatie duidelijk zijn geïdentificeerd en gemotiveerd;

g)     dat de ontsnappings-, evacuatie- en reddingsmaatregelen en -regelingen om te voorkomen dat een incident escaleert en de milieugevolgen ervan te beperken op een logische en systematische manier worden geïntegreerd, rekening houdende met de te verwachten noodomstandigheden waarin deze maatregelen zullen worden toegepast;

h)     dat de eisen worden verwerkt in de interne rampenplannen, en dat een afschrift of een passende beschrijving van het interne rampenplan bij de bevoegde autoriteit wordt ingediend ;

i)      dat het veiligheids- en milieubeheersysteem dat beschreven is in het rapport inzake grote gevaren toereikend is om de beheersing van grote gevaren in elk stadium van de levenscyclus van de installatie te verzekeren en de naleving van alle relevante wettelijke bepalingen verzekert, en controle van het systeem en toepassing van de controleaanbevelingen mogelijk maakt;

j)      dat de regeling voor onafhankelijke verificatie duidelijk is uitgelegd.

________________________

BIJLAGE IV

Voorzieningen door exploitanten en eigenaren van niet-productie-installaties voor de preventie van zware ongevallen overeenkomstig artikel 18

3.      De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten en de eigenaars van niet-productie-installaties:

a)     bijzondere aandacht besteden aan de evaluatie van de betrouwbaarheids- en integriteitsvereisten van alle veiligheids- en milieukritische systemen en hun inspectie- en onderhoudssystemen baseren op de verwezenlijking van het vereiste niveau van veiligheids- en milieu-integriteit.

b)     passende maatregelen nemen die ervoor zorgen, in een mate die redelijkerwijs haalbaar is, dat gevaarlijke stoffen niet onverhoeds ontsnappen uit de pijpleidingen, vaten en systemen die bestemd zijn voor de veilige opslag ervan. Bovendien verzekeren de exploitanten dat geen enkel defect van een ▌insluitingsbarrière tot een zwaar ongeval kan leiden.

c)      een inventaris opstellen van de beschikbare apparatuur, met vermelding van eigenaar, locatie, vervoer naar en gebruikswijze op de installatie en van entiteiten die relevant zijn voor de uitvoering van het interne rampenplan. De inventaris bevat een overzicht van de maatregelen die waarborgen dat de apparatuur en procedures bedrijfsklaar zijn;

d)     ervoor zorgen dat zij een geschikt kader hebben om te controleren of er voldaan is aan alle relevante wettelijke bepalingen door hun wettelijke plichten met betrekking tot controle en milieubescherming bij grote gevaren in hun standaardwerkwijzen op te nemen; en

e)      bijzondere aandacht besteden aan de ontwikkeling en instandhouding van een sterke veiligheidscultuur waardoor de waarschijnlijkheid van een permanent veilige exploitatie zeer hoog ligt, ook wat betreft het verzekeren van de onderlinge samenwerking van het personeel door onder meer:

(i)     zichtbare gehechtheid aan tripartiet overleg en acties die daaruit voortvloeien;

(ii)   stimulering en beloning van het melden van incidenten en bijna-ongevallen;

(iii)  effectieve samenwerking met verkozen veiligheidsverantwoordelijken;

(iv)   bescherming van klokkenluiders.

7.          De lidstaten zorgen ervoor dat de sector samenwerkt met ▌bevoegde autoriteiten om een prioriteitenplan op te stellen en uit te voeren voor de ontwikkeling van normen, richtsnoeren en regels ter uitvoering van beste praktijken bij de preventie van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen van zware ongevallen, mochten die zich toch voordoen. ▌

________________________

BIJLAGE IV bis

Bijzonderheden met betrekking tot een regeling van onafhankelijke verificatie op grond van artikel 15

1.          De onafhankelijke verificateur beantwoordt aan de volgende vereisten met betrekking tot zijn onafhankelijkheid ten aanzien van de exploitant en de eigenaar van de niet-productie-installatie:

a)     hij mag voor zijn functie geen aspect van een veiligheids- of milieukritisch element of bepaalde uitrusting onderzoeken waarbij hij eerder, nog voor de verificatieactiviteit, betrokken is geweest of waarbij zijn objectiviteit in het gedrang kan komen;

b)     hij is voldoende onafhankelijk van een beheersysteem dat verantwoordelijk is of was voor een aspect van een component in de onafhankelijke verificatieregeling of het onafhankelijke boorputonderzoek, teneinde zijn objectiviteit bij de uitoefening van zijn functies binnen de regeling te waarborgen.

2.          De lidstaten schrijven voor dat de exploitant en de eigenaar van de niet-productie-installatie ervoor zorgen dat de onafhankelijke verificateur kan beantwoorden aan de volgende vereisten met betrekking tot zijn bekwaamheid:

a)     technische bekwaamheid, inclusief voldoende personeel met de juiste kwalificaties en met voldoende ervaring;

b)     een passende toewijzing van taken door de onafhankelijke verificateur, aan personeel dat gekwalificeerd is om ze uit te voeren;

c)      passende regelingen voor de informatiestroom tussen de exploitant en de onafhankelijke verificateur;

d)     voldoende gezag dat door de exploitant wordt toegekend aan de onafhankelijke verificateur om die in staat te stellen zijn functies adequaat uit te oefenen.

3.          Essentiële wijzigingen moeten voor verdere verificatie worden voorgelegd aan de onafhankelijke verificateur en de resultaten van die verdere verificatie moeten aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld, als daartoe een verzoek wordt gedaan.

________________________

BIJLAGE IV ter

Informatie betreffende prioriteiten voor samenwerking tussen exploitanten en eigenaren van niet-productie-installaties en bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 18, lid 5

1.          De factoren die in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van prioriteiten voor de ontwikkeling van normen en richtsnoeren moeten praktische uitvoering geven aan preventie van zware ongevallen en beperking van de gevolgen ervan. Tot deze factoren behoren:

a)     verbetering van de boorputintegriteit, boorputcontroleapparatuur en boorputbarrières en toezicht op de doeltreffendheid ervan;

b)     verbetering van de primaire insluiting;

c)      verbetering van de secundaire insluiting die de escalatie van een zwaar ongeval in een vroeg stadium beperkt, inclusief explosies in een boorput;

d)     betrouwbare besluitvorming;

e)      beheer van en toezicht op activiteiten met grote gevaren;

f)      bekwaamheid van de personen die sleutelfuncties bekleden;

g)     doeltreffend risicobeheer;

h)     betrouwbaarheidsbeoordeling voor veiligheids- en milieukritische systemen;

i)      prestatie-kernindicatoren;

j)      doeltreffende integratie van de veiligheids- en milieubeheersystemen onder exploitanten en andere entiteiten die betrokken zijn bij olie- en gasactiviteiten.

________________________

BIJLAGE V

In ▌rampenplannen te verstrekken informatie, overeenkomstig artikel 30

2.          Externe rampenplannen, opgezet overeenkomstig artikel 30, omvatten, maar blijven niet beperkt tot:

a)      namen en functies van personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te stellen en van personen die bevoegd zijn om de externe reactie op de noodsituatie te leiden;

b)     regelingen om snel op de hoogte te worden gesteld van ongevallen, en de bijbehorende alarmprocedures en procedures voor reacties op noodsituaties;

c)      regelingen voor de coördinatie van de middelen die noodzakelijk zijn om het externe rampenplan uit te voeren;

d)     regelingen om bijstand te verlenen aan de interne reactie op noodsituaties;

e)      een gedetailleerde beschrijving van de regelingen voor de externe reactie op een noodsituatie;

f)      de regelingen om personen en organisaties die mogelijk getroffen zijn door het ongeval passend te informeren en te adviseren over het ongeval;

g)      de regelingen voor het verstrekken van informatie aan de hulpdiensten van andere lidstaten en de Commissie in geval van een zwaar ongeval met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen;

h)      de regelingen voor de beperking van de negatieve effecten op in het wild levende dieren zowel onshore als offshore, met inbegrip van de situaties waarbij met olie besmeurde dieren eerder de kust bereiken dan de eigenlijke olievlek.

________________________

BIJLAGE V bis

Bijzonderheden die moeten worden meegenomen in de opstelling van externe rampenplannen overeenkomstig artikel 30

1.          De autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het coördineren van het rampenplan, stelt/stellen de volgende elementen beschikbaar:

a)      een inventaris van beschikbare apparatuur, met vermelding van eigenaar, locatie, de wijze van vervoer naar en gebruikswijze op de plek van het ongeval;

b)     een beschrijving van de maatregelen die waarborgen dat de apparatuur en procedures bedrijfsklaar worden gehouden;

c)      een inventaris van apparatuur in het bezit van de sector die in een noodsituatie kan worden ingezet;

d)     een beschrijving van de algemene regelingen voor offshore olie- en -gasnoodsituaties, met inbegrip van de competenties en verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen en de organisaties die instaan voor deze regelingen;

e)      maatregelen die waarborgen dat de apparatuur, het personeel en de procedures op elk moment beschikbaar zijn, dat er op elk moment voldoende opgeleide personeelsleden aanwezig zijn en dat een en ander up-to-date is;

f)      het bewijs van eerdere beoordelingen, vanuit het oogpunt van het milieu en de volksgezondheid, van chemische stoffen die als dispergeermiddel worden gebruikt.

2.      De externe rampenplannen bevatten een duidelijke toelichting inzake de rol van de autoriteiten, de hulpdiensten, de coördinatoren en de andere personen die betrokken zijn bij het reageren op noodsituaties, zodat samenwerking in alle noodsituaties verzekerd is.

3.      De regelingen omvatten voorzieningen voor een zwaar ongeval dat mogelijk de lidstaat overstijgt of zijn grenzen overschrijdt, met name:

a)      het delen van externe rampenplannen met aangrenzende lidstaten en de Commissie;

b)     het opstellen van inventarissen van noodmiddelen op grensoverschrijdend niveau, zowel in het bezit van de sector als in bezit van de overheid, en alle nodige aanpassingen om apparatuur en procedures verenigbaar te maken tussen aangrenzende landen en lidstaten;

c)      procedures om het mechanisme voor civiele bescherming van de EU (zoals vastgesteld bij Beschikking 2007/779/EG van de Raad) in te roepen;

d)          het organiseren van grensoverschrijdende oefeningen voor de externe reactie op noodsituaties ▌.

________________________

BIJLAGE VI

Informatie-uitwisseling en transparantie

1.          Het gemeenschappelijk gegevensrapporteringsmodel voor grotegevarenindicatoren ▌maakt het mogelijk informatie te vergelijken tussen bevoegde autoriteiten en individuele exploitanten.

2.          De informatie die moet worden uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteit en de exploitanten, heeft betrekking op:

a)       ▌ de ongewilde lozing van olie, gas of andere gevaarlijke stoffen, al dan niet ontvlamd;

b)      ▌een verlies van controle over de boorput dat de activatie van boorputbeheerapparatuur vereist, of een defect aan een barrière van een boorput die bijgevolg vervangen of hersteld moet worden;

c)      defect van een veiligheids- en milieukritisch element;

d)     een aanzienlijke vermindering van de structurele integriteit, of een verminderde bescherming tegen de gevolgen van brand of ontploffing, of een minder vaste verankering van een mobiele installatie;

e)      een dreigende botsing met vaartuigen en feitelijke botsingen van vaartuigen met een offshore-installatie;

f)      helikopterongevallen op of dicht bij offshore-installaties ▌;

g)      elk dodelijk ongeval;

h)      ernstige verwondingen bij 5 of meer mensen in hetzelfde ongeval;

i)       elke evacuatie van ▌personeel;

j)      een zwaar milieuongeval.

2 bis.     De door de lidstaten overeenkomstig artikel 24 in te dienen jaarverslagen bevatten ten minste de volgende informatie:

a)     het aantal, de leeftijd en de locatie van installaties;

b)     het aantal en type uitgevoerde inspecties en onderzoeken, eventuele dwingende maatregelen, vervolgingen waartoe beslist werd;

c)      gegevens over incidenten overeenkomstig het in artikel 22 bedoelde gemeenschappelijke rapporteringssysteem;

d)     grote veranderingen in het offshoreregelgevingskader;

e)      prestaties van de offshore olie- en gasactiviteiten in relatie tot de preventie van zware ongevallen en de beperking van de gevolgen van zware ongevallen die zich voordoen.

3.          De in punt 2 bedoelde informatie bestaat zowel uit feitelijke informatie als analytische gegevens met betrekking tot de olie- en gasactiviteiten en is ondubbelzinnig. De verstrekte informatie en gegevens zijn van die aard dat de prestaties van individuele exploitanten vergeleken kunnen worden, niet alleen in de lidstaat, maar ook als sector in zijn geheel tussen lidstaten.

4.          Dankzij de ▌verzamelde en samengevoegde, in punt 2 bedoelde informatie kan vroegtijdig worden gewaarschuwd voor een mogelijke verslechtering van de veiligheids- en milieukritische barrières, en kunnen er proactieve corrigerende maatregelen worden getroffen. Aan de hand van de informatie kan ook de totale doeltreffendheid worden aangetoond van maatregelen en controles die worden uitgevoerd door individuele exploitanten en de sector als geheel, met name om zware ongevallen te voorkomen en de risico's voor het milieu tot een minimum te beperken.

5.          Om te voldoen aan de vereisten van artikel 23 wordt een vereenvoudigd model ontwikkeld om de publicatie van relevante gegevens overeenkomstig punt 2 en de opstelling van rapporten overeenkomstig artikel 24 te vergemakkelijken op een manier die vlot toegankelijk is voor het publiek en die de grensoverschrijdende vergelijking van gegevens vergemakkelijkt.

(1)

             PB C 143 van 22.5.2012, blz. 107.

(2)

* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(3)

              PB C 143 van 22.5.2012, blz. 125.

(4)

              PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(5)

              PB C 18 van 21.1.2012, blz. 8.


TOELICHTING

Bij de explosie op de Deepwater Horizon op 20 april 2010 kwamen 11 werknemers op het platform om het leven en ontstond er een olielek van ongeveer 4,9 miljoen vaten (780.000 m³) ruwe olie. Het duurde 3 maanden om de boorput te dichten en nog eens 2 maanden voordat de ontlastingsput met succes afgewerkt kon worden en de boorput "effectief dood" verklaard werd. Onderzoekers uit de VS kwamen tot de conclusie dat de "ramp het bijna onvermijdelijke gevolg was van een jarenlange zelfingenomen houding vanwege de sector en de regering, waarbij er te weinig aandacht aan veiligheid werd besteed. ... Naarmate de booractiviteiten zich naar steeds diepere wateren met hogere risico's verplaatsen, waar meer Amerikaanse olie ligt, kunnen alleen systemische hervormingen bij zowel de regering als in de sector een gelijkaardige ramp in de toekomst vermijden." (William K. Reilly, medevoorzitter van de Oil Spill Commission, mijlpaalrapport).

Het ongeval leidde ook tot een herziening van het EU-beleid: de Commissie lanceerde onmiddellijk een beoordeling van de veiligheid van offshore-olie- en -gasactiviteiten in Europese wateren. De conclusie was dat verdere actie nodig is om de beste praktijken die al bestaan in de regelgeving van sommige EU-lidstaten, in de hele EU te verspreiden, door een duidelijk geavanceerd kader op EU-niveau.

Het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en -productieactiviteiten, dat in oktober 2011 bij het Parlement werd ingediend, is op concrete maatregelen gericht. Deze moeten de globale verschillen en de versnippering tussen de praktijken en wetgeving van de lidstaten op het vlak van offshore-olie- en -gasactiviteiten tegengaan.

Het voorstel wil een antwoord bieden op de verhoogde risico's door ervoor te zorgen dat de sector in de hele Unie de beste praktijken toepast om grote gevaren onder controle te houden. Hiervoor moet het vermogen van de Unie om zich voor te bereiden en te reageren op noodsituaties versterkt worden en moet het bestaande wettelijke kader inzake aansprakelijkheid en vergoeding verduidelijkt worden.

Uw rapporteur vestigt de aandacht op de volgende belangrijke aspecten:

Rechtsvorm

Terwijl een verordening het voordeel heeft dat ze rechtstreeks toepasselijk is, waardoor de spelregels voor iedereen gelijk zijn, worden er vraagtekens geplaatst bij de aanzienlijke intrekking van en wijzigingen aan bestaande equivalente nationale wetgeving en richtsnoeren die dit met zich kan brengen. Dergelijke herzieningen zouden de schaarse middelen afleiden van de veiligheidsbeoordelingen en inspecties op het terrein. Uw rapporteur meent dat het in deze context beter is de rechtsvorm te wijzigen en het werk toe te spitsen op de opstelling van een degelijk wettelijk kader binnen een richtlijn.

Onafhankelijkheid van de autoriteiten

"De regering moet een onafhankelijk agentschap oprichten dat alle veiligheidsaspecten van offshoreboringen moet regelen, zodat de VS een internationale voortrekkersrol speelt op dit vlak... Alleen een echt onafhankelijk federaal veiligheidsagentschap - dat volledig losstaat van leasingpraktijken en politiek - biedt de garantie dat de regelgevers niet opnieuw een gevangene van de sector worden."(Bob Graham, Medevoorzitter van de Oil Spill Commission, mijlpaalrapport)"

Wat we vooral uit de Macondo-ongevallen geleerd hebben, is dat het van cruciaal belang is dat de autoriteiten die instaan voor de beoordeling van de veiligheids- en milieurisico's van de activiteiten gegarandeerd onafhankelijk zijn van de autoriteiten die bevoegd zijn voor het uitvaardigen van de boorvergunningen.

Betrokkenheid van de EU-Groep van autoriteiten voor offshore-olie- en -gasactiviteiten (EU-Groep van autoriteiten) en het EMSA

Voortbouwend op de resolutie van het Parlement van 13 september 2011 over de betere waarborging van de veiligheid van offshore-olie- en -gasactiviteiten (het Ford-rapport), denkt uw rapporteur dat de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten bevorderd moet worden. De onlangs opgerichte EU-Groep van autoriteiten zou ten volle benut moeten worden. Het is het ideale forum om ervaringen en knowhow uit te wisselen over de preventie van en reactie op zware ongevallen, en het moet ook een rol spelen bij de controle van de uitvoering en handhaving van het relevante wettelijke kader op nationaal en EU-niveau.

Er moet eveneens rekening worden gehouden met het verruimde mandaat van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA): het EMSA moet betrokken worden bij het vermogen om voorbereid te zijn op en op te treden in noodsituaties, wanneer grensoverschrijdende effecten van offshore-olie- en -gasactiviteiten te voorzien zijn. Gegevens over de rampenplannen en reactiemiddelen van de lidstaten moeten ter beschikking gesteld worden van het EMSA, en het EMSA moet periodiek oefeningen organiseren om de grensoverschrijdende mechanismen in noodsituaties te testen.

Verificatie door derden

Het Parlement dringt ook duidelijk aan op verificatie door derden. Uw rapporteur is zich bewust van de gevestigde praktijken voor onafhankelijke verificatie binnen de sector en meent dat dit punt zeker verdere aandacht verdient.

EU-normen voor wereldwijde activiteiten

Hoewel er problemen zijn met de handhaving, wordt van bedrijven die in de EU gevestigd zijn kennelijk verwacht dat ze wereldwijd volgens EU-veiligheidsnormen werken. Deze hoge normen moeten op internationaal niveau op de gepaste wereld- en regionale fora bevorderd worden, maar daarnaast moeten er mechanismen onderzocht worden om ervoor te zorgen dat ze worden toegepast.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (24.9.2012)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en ‑productieactiviteiten

(COM(2011)0688 – C7‑0392/2011 – 2011/0309(COD))

Rapporteur voor advies (*): Justas Vincas Paleckis

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

BEKNOPTE MOTIVERING

De olieramp met het boorplatform Deepwater Horizon in de Golf van Mexico en, recenter, het gaslek op het boorplatform Elgin in de Noordzee, hebben scherp onder de aandacht gebracht dat problemen met betrekking tot de veiligheid van offshore-olie- en -gasinstallaties moeten worden aangepakt en dat de bescherming van het mariene milieu in geval van grote ongelukken moet worden gewaarborgd.

De rapporteur verwelkomt het voorstel van de Commissie dan ook als een essentieel instrument om de noodzakelijke veiligheids- en milieunormen in de gehele EU te garanderen. Niettemin is hij van mening dat het voorstel op meerdere punten kan worden verbeterd teneinde ervoor te zorgen dat deze doelstellingen daadwerkelijk worden verwezenlijkt.

Het voorstel zou exploitanten duidelijker moeten verplichten tot het bieden van financiële garanties die nodig zijn om in het geval van een ernstig ongeval de kosten voor de schoonmaak en de schadevergoeding te dekken. Volgens de rapporteur is dit in overeenstemming met een van de kernbeginselen van de milieuwetgeving van de EU - het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Voorts moeten de bepalingen inzake publieke inspraak worden aangescherpt overeenkomstig de bestaande internationale en EU-wetgeving op dit terrein, en er moet voor worden gezorgd dat de belanghebbenden over ernstige ongevallen worden geïnformeerd en dat maatregelen worden genomen om de schade voor het milieu en de volksgezondheid te beperken.

De vergunningverlenende autoriteiten moeten er eveneens toe worden verplicht speciale aandacht te besteden aan in ecologisch opzicht kwetsbare mariene en kustgebieden wanneer zij overwegen een vergunning te verlenen voor offshore-olie- en gasactiviteiten, terwijl werknemers beter moeten worden beschermd ingeval zij anoniem melding doen van zorgen omtrent de veiligheid en het milieu.

AMENDEMENTEN

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Amendement  1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1) Artikel 191 van het VWEU bepaalt de doelstellingen van behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en schrijft voor dat elk optreden van de Unie moet worden ondersteund door een hoog niveau van bescherming op basis van het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Daarnaast streeft het naar een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

(1) Artikel 191 van het VWEU bepaalt de doelstellingen van behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Dit artikel schrijft voor dat elk optreden van de Unie moet worden ondersteund door een hoog niveau van bescherming op basis van het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuschade met voorrang aan de bron moet worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Amendement  2

Voorstel voor een verordening

Overweging 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis) Offshore-olie en -gasactiviteiten vinden plaats in een steeds uitdagendere omgeving en onder extreme omstandigheden, waarbij ongelukken gemakkelijk verwoestende en onomkeerbare gevolgen kunnen hebben voor het milieu in mariene en kustgebieden, evenals aanzienlijke negatieve effecten op kusteconomieën.

Amendement  3

Voorstel voor een verordening

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5) De risico's van zware offshore-olie- en -gasongevallen zijn aanzienlijk. Door het risico van verontreiniging van mariene wateren te verkleinen, draagt dit initiatief bij tot de bescherming van het mariene milieu en in het bijzonder tot het bereiken van een goede milieutoestand tegen uiterlijk 2020, zoals vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie).

(5) De risico's van zware offshore-olie- en -gasongevallen zijn aanzienlijk. Door het risico van verontreiniging van mariene wateren te verkleinen, draagt deze richtlijn bij tot het waarborgen van de bescherming van het mariene milieu en in het bijzonder tot het bereiken of het behouden van een goede milieutoestand tegen uiterlijk 2020, zoals vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie).

Amendement  4

Voorstel voor een verordening

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis) Naast het aanzienlijke risico van een zwaar offshore-olie- of gasongeval, blijft de voortdurende olievervuiling van het mariene milieu en gaslekkages in de zee en de atmosfeer, zelfs gedurende normale offshore-winningsactiviteiten die aan alle veiligheidsvereisten voldoen, een probleem.

Motivering

Boorplatforms vervuilen de zee en/of de atmosfeer met olie en gas. Zelfs gedurende normale activiteiten stromen miljoenen tonnen olie jaarlijks in zee als gevolg van lekkages en boor- en raffinaderijafval.

Amendement  5

Voorstel voor een verordening

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6) De kaderrichtlijn mariene strategie die de totale impact van alle activiteiten op het mariene milieu wil aanpakken, vormt de milieugerelateerde pijler van het geïntegreerde maritieme beleid. Dit beleid is van belang voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aangezien het de specifieke bekommernissen van elke economische sector koppelt aan de algemene doelstelling van een omvattend inzicht in de oceanen, zeeën en kustgebieden, teneinde een coherente benadering van de zeeën te ontwikkelen waarbij met alle economische, milieugerelateerde en sociale aspecten rekening wordt gehouden via het gebruik van maritieme ruimtelijke ordening en mariene kennis.

(6) De kaderrichtlijn mariene strategie beoogt, als een van haar belangrijkste doelstellingen, de totale impact van alle activiteiten op het mariene milieu aan te pakken en vormt de milieugerelateerde pijler van het geïntegreerde maritieme beleid. Dit beleid is van belang voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aangezien het de specifieke bekommernissen van elke economische sector koppelt aan de algemene doelstelling een omvattend inzicht in de oceanen, zeeën en kustgebieden te waarborgen, teneinde een coherente benadering van de zeeën te ontwikkelen waarbij met alle economische, milieugerelateerde en sociale aspecten rekening wordt gehouden via het gebruik van maritieme ruimtelijke ordening en mariene kennis.

Amendement  6

Voorstel voor een verordening

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis) De offshore-productie en het offshore-gebruik van koolwaterstoffen dragen bij aan de opwarming van de aarde en zullen het voor de Unie moeilijker maken om haar doelstellingen met betrekking tot de klimaatverandering te verwezenlijken en om de temperatuurstijging te beperken tot 2°C ten opzichte van pre-industriële niveaus. De Unie heeft zich ertoe verplicht haar broeikasgasemissies voor 2050 met 80-95% terug te dringen ten opzichte van de niveaus van 1990, in overeenstemming met de verlaging die volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) voor de ontwikkelde landen als groep noodzakelijk is. De door de Commissie opgestelde en door het Europees Parlement ondersteunde "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" onderkent tevens dat het noodzakelijk is de energiesector koolstofvrij te maken door middel van de ontwikkeling van schone en hernieuwbare vormen van energie.

Amendement  7

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10) Er moet worden verduidelijkt dat houders van vergunningen voor offshore-activiteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG ook potentiële aansprakelijke 'exploitanten' zijn in de zin van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade en bijgevolg hun verantwoordelijkheden in dit opzicht niet aan door hen aangenomen derde partijen mogen overdragen.

(10) Er moet worden verduidelijkt dat houders van vergunningen voor offshore-activiteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG ook aansprakelijke 'exploitanten' zijn in de zin van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade en bijgevolg hun verantwoordelijkheden in dit opzicht niet aan door hen aangenomen derde partijen mogen overdragen.

Amendement  8

Voorstel voor een verordening

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12) Overeenkomstig Richtlijn 85/337/EEG, als gewijzigd, die van toepassing is op de exploratie en exploitatie van olie en gas, is een ontwikkelingsvergunning vereist voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en moet een beoordeling van hun effecten plaatsvinden. Wanneer een activiteit overeenkomstig Richtlijn 85/337/EEG aan een ontwikkelingsvergunning onderworpen is, moet er in inspraak van het publiek worden voorzien overeenkomstig het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE).

(12) Binnen het kader van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's1 moeten lidstaten gedetailleerde regelingen vaststellen voor effectieve inspraak van het publiek met betrekking tot plannen en programma's die betrekking hebben op energie. Bovendien is, overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten2, die onder andere van toepassing is op de exploratie en exploitatie van olie en gas, een ontwikkelingsvergunning vereist voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en moet een beoordeling van hun effecten plaatsvinden. Wanneer een activiteit overeenkomstig het Verdrag van Aarhus en Richtlijn 2011/92/EU aan een ontwikkelingsvergunning onderworpen is, moet tijdige en doeltreffende inspraak van het publiek worden gewaarborgd overeenkomstig het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE). Leden van het betrokken publiek dienen toegang te hebben tot de rechter, aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat passend is voor de gezondheid en het welzijn van mensen.

 

____________

 

1 PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.

 

2 PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1.

Motivering

Dit amendement weerspiegelt de bepalingen van de richtlijn betreffende industriële emissies inzake de toegang tot de rechter.

Amendement  9

Voorstel voor een verordening

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis) Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten1, als gewijzigd, heeft de beginselen van de milieueffectbeoordeling van projecten geharmoniseerd door algemene minimumeisen in te voeren. De Commissie moet overwegen richtsnoeren op te stellen voor de effectbeoordeling van alle fasen van offshore-projecten, met inbegrip van de exploratie-, exploitatie- en ontmantelingsfase, en eveneens specifieke voorschriften te ontwikkelen voor extreme exploitatieomstandigheden.

 

___________

 

1 PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.

Amendement  10

Voorstel voor een verordening

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13) Binnen de Unie zijn er al voorbeelden van goede normen in nationale regelgevingspraktijken met betrekking tot offshore-olie- en -gasactiviteiten. Deze normen worden echter inconsequent toegepast in de gehele Unie en geen enkele lidstaat heeft tot dusver alle beste regelgevingspraktijken in zijn wetgeving opgenomen om zware offshore-ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan voor personen en het milieu te beperken. De beste regelgevingspraktijken moeten in een effectieve regelgeving inzake veiligheid en milieu voorzien door dergelijke functies in een gezamenlijke bevoegde autoriteit ("de bevoegde autoriteit") bijeen te brengen die middelen uit een of meerdere nationale agentschappen haalt.

(13) Binnen de Unie zijn er al voorbeelden van goede normen in nationale regelgevingspraktijken met betrekking tot offshore-olie- en -gasactiviteiten. Deze normen worden echter inconsequent toegepast in de gehele Unie en geen enkele lidstaat heeft tot dusver alle beste regelgevingspraktijken in zijn wetgeving opgenomen om zware offshore-ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan voor het leven en de gezondheid van mensen, en het milieu te beperken. De beste regelgevingspraktijken zijn noodzakelijk om in een effectieve regelgeving te voorzien die de hoogste veiligheidsnormen waarborgt en het milieu beschermt, en kunnen onder meer worden verwezenlijkt door dergelijke functies in een gezamenlijke bevoegde autoriteit ("de bevoegde autoriteit") bijeen te brengen die middelen uit een of meerdere nationale agentschappen haalt.

Amendement  11

Voorstel voor een verordening

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14) Nadat aan de over een vergunning beschikkende exploitant het recht is verleend om olie en gas op te sporen of te winnen, moeten de lidstaten de bevoegde autoriteit wettelijk bevoegd maken en voldoende middelen ter beschikking stellen zodat zij handhavingsacties kan nemen, waaronder de stopzetting van de activiteiten, om een geschikte bescherming van werknemers en milieu te bewerkstelligen.

(14) Nadat aan de over een vergunning beschikkende exploitant het recht is verleend om olie en gas op te sporen of te winnen, moeten de lidstaten de bevoegde autoriteit wettelijk bevoegd maken en voldoende middelen ter beschikking stellen zodat zij handhavingsacties kan nemen, waaronder de stopzetting van de activiteiten, om de bescherming van het personeel, het milieu of het leven en de gezondheid van mensen te waarborgen.

Amendement  12

Voorstel voor een verordening

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15) De doeltreffendheid waarmee de bevoegde autoriteit nagaat of de vergunninghouder of exploitant geschikte controles op grote gevaren uitvoert, hangt rechtstreeks samen met het regelgevingsbeleid, de systemen en de deskundigheid inzake grote gevaren van de bevoegde autoriteit. Niettegenstaande het recht van de over een vergunning beschikkende exploitant om olie en gas op te sporen of te winnen, moet de bevoegde autoriteit gemachtigd zijn om handhavingsacties te stellen, waaronder de stopzetting van de activiteiten, om een geschikte bescherming van werknemers en milieu te bewerkstelligen. Teneinde deze functies te kunnen uitoefenen, moeten de lidstaten gepaste middelen ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteit.

(15) De doeltreffendheid waarmee de bevoegde autoriteit nagaat in hoeverre de vergunninghouder of exploitant geschikte controles op grote gevaren uitvoert, hangt rechtstreeks samen met het regelgevingsbeleid, de systemen en de deskundigheid inzake grote gevaren van de bevoegde autoriteit. Niettegenstaande het recht van de over een vergunning beschikkende exploitant om olie en gas op te sporen of te winnen, moet de bevoegde autoriteit gemachtigd zijn om handhavingsacties te stellen, waaronder de stopzetting van de activiteiten, om de bescherming van het personeel, het milieu of het leven en de gezondheid van mensen te waarborgen. Teneinde deze functies te kunnen uitoefenen, moeten de lidstaten gepaste middelen ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteit.

Amendement  13

Voorstel voor een verordening

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28) Bij de risicobeoordeling in het rapport inzake grote gevaren moet rekening worden houden met risico's voor het milieu, met inbegrip van het langetermijneffect van klimaatomstandigheden en klimaatverandering op de veerkracht van de installaties. Aangezien offshore-olie- en -gasactiviteiten in één lidstaat belangrijke nadelige milieueffecten kunnen hebben in een andere lidstaat, moeten er bovendien specifieke bepalingen worden vastgelegd en toegepast in overeenstemming met het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband.

(28) Bij de risicobeoordeling in het rapport inzake grote gevaren moet rekening worden houden met risico's voor het leven en de gezondheid van mensen en voor het milieu, met inbegrip van het langetermijneffect van klimaatomstandigheden en klimaatverandering op de veerkracht van de installaties. Aangezien offshore-olie- en -gasactiviteiten in één lidstaat belangrijke nadelige milieueffecten kunnen hebben in een andere lidstaat, moeten er bovendien specifieke bepalingen worden vastgelegd en toegepast in overeenstemming met het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband van de VN-ECE (Verdrag van Espoo).

Amendement  14

Voorstel voor een verordening

Overweging 34

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(34) Om het vertrouwen van het publiek in de autoriteit en integriteit van offshore-activiteiten in de hele EU te bevorderen, moeten de lidstaten activiteiten- en voorvallenrapporten opstellen en de Commissie onverwijld op de hoogte brengen van zware ongevallen. De Commissie moet op haar beurt regelmatig rapporten publiceren over EU-activiteiten en tendensen op het gebied van de veiligheid en de milieuprestaties van de offshore-sector.

(34) Om het vertrouwen van het publiek in de autoriteit en integriteit van offshore-activiteiten in de hele EU te bevorderen, moeten de lidstaten activiteiten- en voorvallenrapporten opstellen en de Commissie en andere lidstaten waarvan het grondgebied of de wateren gevolgen ondervinden, evenals het betrokken publiek, onverwijld op de hoogte brengen van zware ongevallen. De Commissie moet op haar beurt regelmatig rapporten publiceren over EU-activiteiten en tendensen op het gebied van de veiligheid en de milieuprestaties van de offshore-sector.

Amendement  15

Voorstel voor een verordening

Overweging 37 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(37 bis) Op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1406/20021 als recent gewijzigd, heeft het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid ("het Agentschap") de verplichting om te zorgen voor een hoog en effectief niveau van veiligheid op zee, maritieme beveiliging en voorkoming en bestrijding van verontreiniging door schepen, alsook voor de bestrijding van verontreiniging van de zee door olie- en gasinstallaties. Om deze doelstelling te verwezenlijken moet het Agentschap:

 

a) de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten technische en wetenschappelijke bijstand verlenen met het oog op de minimalisering van risico's en de juiste tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Unie op het gebied van offshore-olie- en -gasveiligheid;

 

b) de lidstaten en de Commissie ondersteunen bij het opsporen en vaststellen van de ernst en de milieueffecten van olierampen en van de veiligheidsrisico's van installaties of vaartuigen die zich in de omgeving van een olieramp bevinden;

 

c) lidstaten op verzoek ondersteunen bij herstel- en schoonmaakwerkzaamheden, en grensoverschrijdende reacties op noodsituaties coördineren na een zwaar ongeval, ook in geval van grensoverschrijdende effecten buiten de EU-wateren;

 

d) lidstaten ondersteunen bij het onderzoeken van ongevallen waarbij offshore- olie- en gasinstallaties betrokken zijn, met inbegrip van de toetsing van corrigerende maatregelen.

 

___________

 

1 PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1.

Amendement  16

Voorstel voor een verordening

Overweging 38

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(38) Bij de tenuitvoerlegging van de verplichtingen krachtens deze verordening moet in aanmerking worden genomen dat de mariene wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van lidstaten vallen, volledig deel uitmaken van de vier mariene regio's als omschreven in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/56, namelijk de Oostzee, het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Daarom moet de coördinatie met derde landen die soevereiniteit of jurisdictie hebben over wateren in dergelijke mariene regio's worden versterkt. Een passend raamwerk voor samenwerking omvat regionale zeeverdragen als bepaald in artikel 3, lid 10, van Richtlijn 2008/56.

(38) Bij de tenuitvoerlegging van de verplichtingen krachtens deze richtlijn moet in aanmerking worden genomen dat de mariene wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van lidstaten vallen, volledig deel uitmaken van de vier mariene regio's als omschreven in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/56, namelijk de Oostzee, het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Daarom moet de coördinatie met derde landen die soevereiniteit of jurisdictie hebben over wateren in dergelijke mariene regio's worden versterkt. Een passend raamwerk voor samenwerking omvat regionale zeeverdragen als voorzien in artikel 3, lid 10, en artikel 4 van Richtlijn 2008/56.

Amendement  17

Voorstel voor een verordening

Overweging 39

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(39) Bovenop de huidige verordening worden momenteel met betrekking tot de Middellandse Zee de nodige maatregelen genomen met het oog op de toetreding van de Europese Unie tot het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging die het gevolg is van de exploratie en de exploitatie van het continentaal plat, de zeebodem en de ondergrond daarvan ("het Offshore-protocol") bij het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee ("het Verdrag van Barcelona"), goedgekeurd bij Besluit 77/585/EEG van de Raad.

(39) Bovenop de in de huidige richtlijn opgenomen verplichtingen wordt of is met betrekking tot de Middellandse Zee de nodige actie ondernomen om de toetreding van de Europese Unie te waarborgen tot het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging die het gevolg is van de exploratie en de exploitatie van het continentaal plat, de zeebodem en de ondergrond daarvan ("het Offshore-protocol") bij het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee ("het Verdrag van Barcelona"), goedgekeurd bij Besluit 77/585/EEG van de Raad.

Amendement  18

Voorstel voor een verordening

Overweging 40

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(40) De ernstige milieuzorgen met betrekking tot de Arctische wateren, een aangrenzend marien milieu dat van bijzonder belang is voor de Gemeenschap, vereisen bijzondere aandacht om te waarborgen dat het milieu in het Noordpoolgebied bij offshore-activiteiten, met inbegrip van exploratie, wordt beschermd.

(40) De Arctische wateren zijn een aangrenzend marien milieu van uniek en buitengewoon belang voor de Europese Unie, en spelen een belangrijke rol in de beperking van de klimaatverandering. Het is evident dat er ernstige en mogelijk onomkeerbare schade wordt toegebracht aan het milieu en het fragiele ecosysteem van de Arctische wateren. Hieraan moet dan ook bijzondere aandacht worden besteed teneinde de bescherming van het milieu in het Noordpoolgebied te waarborgen. Zolang er geen doeltreffende respons kan worden gewaarborgd op een ongeval onder Arctische omstandigheden, dienen lidstaten geen vergunning te verlenen voor offshore-activiteiten, met inbegrip van exploratie, in het gebied. Van lidstaten die tot de Arctische Raad behoren wordt verwacht dat zij, in nauwe samenwerking met de Commissie, actief de hoogste normen bevorderen met betrekking tot de veiligheid van het milieu in dit kwetsbare en unieke ecosysteem, en zich inzetten voor de totstandbrenging van een internationaal - bij voorkeur bindend - instrument betreffende de preventie van, de paraatheid voor en de respons op olieverontreiniging in het Arctische mariene milieu.

Amendement  19

Voorstel voor een verordening

Overweging 41 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(41 bis) De apparatuur voor het afdichten van eventuele olielekken dient een essentieel onderdeel te zijn van noodplannen en moet in de buurt van olie- of gasinstallaties beschikbaar worden gehouden, zodat snelle inzet ervan bij een zwaar ongeval mogelijk is;

Amendement  20

Voorstel voor een verordening

Overweging 48

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(48) Aangezien geen enkele van de bestaande instrumenten inzake financiële zekerheid, waaronder maatregelen inzake onderlinge risicoverdeling, alle mogelijke gevolgen van extreme ongevallen kan opvangen, moet de Commissie overgaan tot verdere analyses en studies van passende maatregelen om een voldoende strikt aansprakelijkheidsstelsel voor schade door offshore-olie- en -gasactiviteiten te waarborgen, met daarbij ook eisen betreffende de financiële draagkracht, met inbegrip van de beschikbaarheid van passende financiële-zekerheidsinstrumenten of andere maatregelen.

(48) De lidstaten moeten erop toezien dat onder hun jurisdictie ressorterende exploitanten aantonen dat zij in staat zijn de kosten te dekken van de als gevolg van hun offshore-activiteiten veroorzaakte schade, door het stellen van een financiële zekerheid, en zij moeten tevens besluiten welke instrumenten (waaronder fondsen, bankgaranties, en/of risicobundeling) hiervoor geschikt zijn. Aangezien geen enkele van de bestaande instrumenten inzake financiële zekerheid, waaronder maatregelen inzake onderlinge risicoverdeling, alle mogelijke gevolgen van extreme ongevallen kan opvangen, moet de Commissie overgaan tot verdere analyses en studies van passende maatregelen om een strikt aansprakelijkheidsstelsel voor schade door offshore-olie- en -gasactiviteiten te waarborgen, met daarbij ook eisen betreffende de financiële draagkracht, met inbegrip van de beschikbaarheid van passende financiële-zekerheidsinstrumenten of andere maatregelen. De Commissie dient binnen een jaar na vaststelling van deze richtlijn verslag uit te brengen over de bevindingen en voorstellen.

Amendement  21

Voorstel voor een verordening

Overweging 48 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

48 bis. In geval van een geschil mag het standpunt van de vergunningverlenende autoriteit niet prevaleren boven dat van de bevoegde autoriteiten voor gezondheid, veiligheid en het milieu.

Amendement  22

Voorstel voor een verordening

Titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en productieactiviteiten (Voor de EER relevante tekst)

Voorstel voor een richtlijn* van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en productieactiviteiten (Voor de EER relevante tekst)

 

* Dit amendement geldt voor de gehele tekst. Het woord "verordening" is dienovereenkomstig vervangen door "richtlijn".

Motivering

Dit amendement geldt voor de gehele tekst. Het woord "verordening" dient dienovereenkomstig te worden vervangen door "richtlijn".

Amendement  23

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6. Deze verordening is van toepassing onverminderd de Richtlijnen 85/337/EEG, 2008/1/EG en Richtlijn 2003/4/EG.

6. Deze richtlijn is van toepassing onverminderd de Richtlijnen 2011/92/EEG, 2008/1/EG, 2003/4/EG en 2001/42/EG.

Motivering

De geselecteerde boorsequentie en het aantal, de locatie en de kenmerken van de geplande boorgaten zijn niet van risico's gevrijwaard voor wat betreft de mogelijke effecten ervan op het milieu. Over deze elementen mag dan ook niet unilateraal worden besloten door de exploitant, maar zij moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, alvorens de benodigde vergunning door de lidstaten kan worden verstrekt en onverminderd de milieueffectbeoordelingen die specifiek betrekking hebben op de afzonderlijke booractiviteiten overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU, die bovengenoemde bepalingen niet uitsluit doch hierop een aanvulling vormt.

Amendement  24

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. "aanvaardbaar": een risico van een zwaar ongeval zo draaglijk mogelijk maken zodat extra tijd, middelen of kosten geen grote daling van het risico meer zullen voortbrengen;

1. "aanvaardbaar"*: exploitatieomstandigheden waarbij responsmaatregelen beschikbaar en niet onevenredig duur zijn, terwijl het risico van een zwaar ongeval tot het uiterste minimum wordt beperkt zodat extra tijd, middelen en fondsen geen grote daling van het risico meer zullen voortbrengen;

 

* Niet van toepassing op de Nederlandse versie.

Amendement  25

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

13. "sector": privébedrijven die rechtstreeks betrokken zijn bij offshore-olie- en -gasactiviteiten als bedoeld in deze verordening of waarvan de activiteiten nauw samenhangen met dergelijke activiteiten;

13. "sector": particuliere of publieke ondernemingen die rechtstreeks betrokken zijn bij offshore-olie- en -gasactiviteiten als bedoeld in deze richtlijn of waarvan de activiteiten nauw samenhangen met dergelijke activiteiten;

Amendement  26

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

17. "vergunninghouder": de houder van een vergunning om offshore-activiteiten uit te voeren uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG;

17. "vergunninghouder": de houder van een vergunning om offshore-olie- en gasactiviteiten uit te voeren uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG;

Amendement  27

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

18. "zwaar ongeval": een voorval zoals een brand of explosie, aanzienlijk verlies van controle over de boorput of een aanzienlijke lekkage van koolwaterstoffen in het milieu, aanzienlijke schade aan de installatie of de uitrusting erop, verlies van structurele integriteit van de installatie en elke andere gebeurtenis waarbij vijf of meer personen die op of met de installatie werken, sterven of zwaar gewond raken;

18. "zwaar ongeval":

 

a) brand, een explosie, verlies van controle over de boorput, het vrijkomen in het milieu van koolwaterstoffen of gevaarlijke chemische stoffen waarbij personen sterven of ernstig gewond raken;

 

b) een voorval dat tot ernstige schade aan de installatie of de uitrusting erop leidt, met een dreigend risico op doden of ernstige slachtoffers;

 

c) ieder ander voorval waarbij vijf of meer personen ernstig gewond raken die op of met de offshore-installatie werken waar het gevaar zijn oorsprong vindt;

 

d) iedere aanzienlijke beschadiging van het milieu;

Amendement  28

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

19 bis. "hiaten in de reactie op olielekken": een situatie waarin activiteiten die een olielek kunnen veroorzaken, worden uitgevoerd op een moment dat een doeltreffende reactie niet mogelijk is, omdat de beschikbare technologieën niet doeltreffend zullen zijn of omdat de toepassing ervan wordt belemmerd als gevolg van milieuomstandigheden of andere beperkende factoren.

Amendement  29

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

20. "niet-productie-installatie": een andere installatie dan een productie-installatie die wordt gebruikt voor exploratieboringen en als ondersteunende productie-installatie;

20. "niet-productie-installatie": een andere installatie dan een productie-installatie die wordt gebruikt voor exploratieboringen en als ondersteunende productie-installatie voor olie en gas;

Amendement  30

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

21. "offshore-olie- en -gasactiviteiten": alle activiteiten met betrekking tot de exploratie, productie of verwerking van olie en gas offshore. Dit omvat ook het vervoer van olie en gas door offshore-infrastructuur die met een (onderzeese) installatie is verbonden;

21. "offshore-olie- en -gasactiviteiten": alle activiteiten met betrekking tot de offshore exploratie, productie of verwerking van olie en gas of de ontmanteling van een offshore-olie- of gasinstallatie. Dit omvat ook het vervoer van olie en gas door offshore-infrastructuur die met een (onderzeese) installatie is verbonden;

Amendement  31

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

22. "exploitant": de exploitant van een productie-installatie of de eigenaar van een niet-productie-installatie en de exploitant van een boorput. Artikel 2, lid 6, van Richtlijn 2004/35/EG is van toepassing op zowel de exploitant als de vergunninghouder;

22. "exploitant": iedere natuurlijke of rechtspersoon die een installatie exploiteert of beheert, of aan wie de doorslaggevende economische bevoegdheid of de bevoegdheid om besluiten te nemen met betrekking tot het technisch functioneren van de installatie is gedelegeerd;

Amendement  32

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

25. "productie van olie en gas": de winning voor commerciële doeleinden van olie en/of gas uit de ondergrondse lagen van het vergunningsgebied, met inbegrip van de offshore-verwerking van olie en gas, alsook het vervoer ervan via verbonden infrastructuur, zoals pijpen, constructies en boorgaten op de zeebodem, en/of de ondergrondse opslag van gas om dit gas later weer op te halen;

25. "productie van olie en gas": de winning voor commerciële doeleinden van olie, gas, schaliegas en methaanhydraat uit de offshore gelegen ondergrondse lagen van het vergunningsgebied, met inbegrip van de offshore-verwerking, alsook het vervoer via verbonden infrastructuur, zoals pijpen, constructies en boorgaten op de zeebodem, en/of de ondergrondse opslag van gas om dit gas later weer op te halen;

Motivering

Nieuwe bronnen van koolwaterstoffen beginnen een steeds belangrijkere rol te spelen en kunnen even gemakkelijk zware ongevallen veroorzaken als conventionele olie- en gasboringen. Het is daarom noodzakelijk om deze bronnen van meet af aan op te nemen in nieuwe wetgeving.

Amendement  33

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 28 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

28 bis. "betrokken publiek": het publiek dat het effect ondervindt of kan ondervinden van, of dat belang heeft bij de onder deze richtlijn ressorterende aangelegenheden; voor de toepassing van deze definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van het milieu en die aan de toepasselijke voorwaarden volgens het nationaal recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn;

Amendement  34

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 29

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

29. "betreffende instantie" (in de context van de reactie op noodsituaties in geval van een offshore-ongeval): de eerste organisatie van een lidstaat die op een noodsituatie reageert en die verantwoordelijk is voor het opstarten van het rampenplan in reactie op een zwaar offshore-olie- en -gasongeval;

29. "betreffende instantie" (in de context van de reactie op noodsituaties in geval van een offshore-ongeval): de eerste organisatie van een lidstaat die op een noodsituatie reageert en die verantwoordelijk is voor het opstarten en coördineren van het rampenplan in reactie op een zwaar offshore-olie- en -gasongeval;

Amendement  35

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 32

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

32. "boorputactiviteit": het boren van een boorput voor exploratie- en productiedoeleinden, met inbegrip van de opschorting van de activiteiten, de herstelling of aanpassing van boorputten, de definitieve stopzetting of elke activiteit met betrekking tot een boorput die tot de toevallige vrijkoming van vloeistoffen of een risico van zware ongevallen kan leiden;

32. "boorputactiviteit": het boren van een boorput voor exploratie- en productiedoeleinden, met inbegrip van de opschorting van de activiteiten, de herstelling, aanpassing, verzegeling of sluiting van boorputten, de definitieve stopzetting of elke activiteit met betrekking tot een boorput die tot de toevallige vrijkoming van vloeistoffen of een risico van zware ongevallen kan leiden;

Amendement  36

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

33. "exploitant van een boorput": de persoon die door de vergunninghouder wordt aangeduid om de boorputactiviteiten te plannen en uit te voeren.

33. "exploitant van een boorput": de persoon die wordt aangesteld om de boorputactiviteiten te plannen en uit te voeren.

Amendement  37

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 33 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

33 bis. "extreme exploitatieomstandigheden": omstandigheden in het exploitatiegebied die de risiconiveaus voor offshore-boor- en productieactiviteiten verhogen en die de capaciteit van apparatuur om te reageren op noodsituaties of van mankracht om te interveniëren en gelekte olie of gevaarlijke stoffen op te ruimen of te verwijderen, beperken. Deze omstandigheden omvatten onder meer, doch niet uitsluitend, de fysieke, geologische, ecologische, economische en sociale omstandigheden in het gebied.

Amendement  38

Voorstel voor een verordening

Artikel 2 – punt 33 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

33 ter. "Arctisch": het geografische gebied dat de Noordpoolcirkel (66° 33' noorderbreedte) en de isothermgrens van 10° C omvat.

Amendement  39

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Wanneer er zich toch een zwaar ongeval voordoet, nemen de exploitanten en bevoegde autoriteiten alle geschikte maatregelen om de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken en om zo mogelijk ernstige onderbrekingen van de olie- en gasproductie binnen de Unie te voorkomen.

3. Wanneer er zich toch een zwaar ongeval voordoet, nemen de exploitanten en bevoegde autoriteiten van door het ongeval getroffen lidstaten alle geschikte maatregelen om de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken.

Motivering

De verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen in geval van een ongeval dient bij de exploitanten te liggen, terwijl het de taak van de bevoegde autoriteiten is om ervoor te zorgen dat exploitanten deze maatregelen nemen (dit is vastgelegd in de artikelen 8 en 19). De overwegingen met betrekking tot de onderbreking van de productie mogen geen belemmering vormen voor de reactie op een zwaar ongeval, waarbij de menselijke gezondheid voorop staat, gevolgd door het milieu.

Amendement  40

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis. In geval van een ernstig ongeval stelt de lidstaat in de wateren waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden onverwijld de Commissie, andere getroffen lidstaten en hun bevoegde autoriteiten en het betrokken publiek op de hoogte van het ongeval en de maatregelen die zijn genomen om de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid te beperken.

Amendement  41

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. De offshore-olie- en -gasactiviteiten als bedoeld onder deze verordening worden uitgevoerd op basis van een systematische beoordeling van de kans op gevaarlijke gebeurtenissen en de gevolgen ervan, en gaan gepaard met de tenuitvoerlegging van controlemaatregelen zodat de risico's van zware ongevallen voor mens, milieu en offshore-middelen aanvaardbaar zijn.

4. De offshore-olie- en -gasactiviteiten als bedoeld onder deze verordening worden uitgevoerd op basis van een systematische beoordeling van de kans op gevaarlijke gebeurtenissen en de gevolgen ervan, en gaan gepaard met de tenuitvoerlegging van controlemaatregelen zodat de risico's van zware ongevallen voor mens, milieu en offshore-middelen worden gereduceerd tot een aanvaardbaar minimumniveau.

Amendement  42

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis. Exploitanten zorgen ervoor dat onder extreme exploitatieomstandigheden uitgevoerde operaties geen ongevalpreventie of sanering omvatten. Wanneer risico's niet kunnen worden vermeden of kunnen worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau, weigert de bevoegde autoriteit een vergunning te verlenen. Wanneer vergunningen worden verleend, wordt terdege rekening gehouden met de doeltreffendheid van de ongevalpreventie en de reactiecapaciteit bij noodsituaties, onder meer door gebruik te maken van analysemodellen voor hiaten in de reactie op olielekken. Exploitanten waarborgen het hoogste prestatieniveau op het gebied van ongevalpreventie en -herstel, ten minste gelijkwaardig aan de "beste praktijk"-prestatie onder normale exploitatieomstandigheden, met inbegrip van toereikende middelen, veiligheidsniveaus voor mobilisatie, inzettermijnen en tarieven voor olie- en gasreinigings- en herstelwerkzaamheden.

Amendement  43

Voorstel voor een verordening

Artikel 3 – lid 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 ter. Op grond van het voorzorgsbeginsel en rekening houdend met de resterende hiaten in de reactie op olielekken en het gebrek aan doeltreffende interventiecapaciteit, verlenen de lidstaten geen vergunningen voor koolwaterstofexploratie- en winningsactiviteiten in het Noordpoolgebied of in velden die zich tot in het Noordpoolgebied uitstrekken.

Amendement  44

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. In het bijzonder bij de beoordeling van de technische bekwaamheid en financiële draagkracht van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, moet er rekening worden gehouden met het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het betrokken gebied en het specifieke stadium van exploratie- en productieactiviteiten en ook met de financiële capaciteit van de aanvragers, o.a. enige financiële zekerheid en het vermogen om de eventueel uit de desbetreffende offshore-olie- en -gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden, in het bijzonder de aansprakelijkheid voor milieuschade, te dragen.

2. In het bijzonder bij de beoordeling van de technische bekwaamheid en financiële draagkracht van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, moet er rekening worden gehouden met de risico´s, de gevaren en andere relevante informatie over het betrokken gebied en het specifieke stadium van exploratie- en productieactiviteiten, overeenkomstig de optimale werkwijzen, en ook met de financiële capaciteit van de aanvrager, o.a. enige financiële zekerheid en het vermogen om alle eventueel uit de desbetreffende offshore-olie- en -gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden, in het bijzonder de aansprakelijkheid voor milieuschade, te dragen. Er wordt eveneens rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van een onderneming op mondiaal niveau met betrekking tot ongevallen of incidenten in het verleden waarbij de aanvrager betrokken was, met inbegrip van de transparantie en de doeltreffendheid van responsmaatregelen.

Amendement  45

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. De lidstaten zien erop toe dat de vergunningverlenende autoriteit uitsluitend goedkeuring verleent indien de aanvrager heeft aangetoond over voldoende financiële zekerheid te beschikken, overeenkomstig door de lidstaten vast te stellen bepalingen, om eventuele uit zijn offshore-olie- en -gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden, in het bijzonder de aansprakelijkheid voor milieuschade, te dragen. Deze financiële zekerheid is rechtsgeldig en reëel voordat de boorputactiviteiten aanvangen.

Amendement  46

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis. Onverminderd lid 3 houdt de bevoegde autoriteit bij de verlening van een vergunning voor exploitatie- of productieactiviteiten terdege rekening met een eventueel verzoek van de aanvrager die de offshore olie- en gasexploratieactiviteiten heeft uitgevoerd.

Amendement  47

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 ter. Vergunningen voor exploratieactiviteiten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, als voorzien in Richtlijn 2001/42/EG, op basis van de bevindingen van eerdere seismische, geofysische en geochemische onderzoeken.

Motivering

De geselecteerde boorsequentie en het aantal, de locatie en de kenmerken van de geplande boorgaten zijn niet van risico's gevrijwaard voor wat betreft de mogelijke effecten ervan op het milieu. Over deze elementen mag dan ook niet unilateraal worden besloten door de exploitant, maar zij moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, alvorens de benodigde vergunning door de lidstaten kan worden verstrekt en onverminderd de milieueffectbeoordelingen die specifiek betrekking hebben op de afzonderlijke booractiviteiten overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU, die bovengenoemde bepalingen niet uitsluit doch hierop een aanvulling vormt.

Amendement  48

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Wanneer vergunningverlenende autoriteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG de technische bekwaamheden en financiële draagkracht beoordelen van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, houden zij rekening met de risico's, gevaren en andere relevante informatie over de locatie in kwestie en het specifieke stadium van de exploratie- en productieactiviteiten.

4. Wanneer vergunningverlenende autoriteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG de technische bekwaamheden en financiële draagkracht beoordelen van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, houden zij rekening met de risico's, gevaren en andere relevante informatie over de locatie in kwestie en het specifieke stadium van de exploratie- en productieactiviteiten, op grond van een overeenkomstig richtlijn 85/337/EEG, als gewijzigd, uitgevoerde milieueffectbeoordeling, en zij waarborgen dat de beschikbare financiële middelen voor eventuele aansprakelijkheid in verband met onder andere een ernstig ongeval of voorval, in verhouding staan tot de risico´s die voortvloeien uit de activiteiten en toereikend zijn om de volledige schoonmaak- en schadevergoedingskosten te dekken. Er wordt met name rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor kwetsbare hulpbronnen in het Natura 2000-netwerk en voor activiteiten op het gebied van visserij en toerisme, alsook voor de onttrekking van zeewater voor ontzilting en publieke voorzieningen.

Motivering

Het boren van exploratie- en winningsputten zou, in geval van een ongeval, gevaarlijke gevolgen kunnen hebben voor bepaalde kust- en maritieme activiteiten en hieraan gerelateerde natuurlijke hulpbronnen. Daarom moet iedere verwijzing naar "risico's, gevaren en andere relevante informatie over de locatie in kwestie" vergezeld gaan van specifieke informatie met betrekking tot de activiteiten en hulpbronnen waarop het voorgestelde amendement betrekking heeft, en die van vitaal belang zijn voor kustgemeenschappen die getroffen zouden kunnen worden bij een ongeval alsook voor het natuurlijk erfgoed en de biodiversiteit in gebieden die als onderdeel van het Natura 2000-netwerk als bijzondere beschermingszones zijn aangewezen.

Amendement  49

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis. Vergunningverlenende autoriteiten besteden, wanneer zij overwegen op grond van Richtlijn 94/22/EG een vergunning te verlenen voor offshore-olie- en gasactiviteiten, bijzondere aandacht aan in ecologisch opzicht kwetsbare mariene en kustgebieden, met name aan ecosystemen die een belangrijke rol spelen bij de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, zoals zilte kwelders en zeegrasvelden, en aan beschermde mariene gebieden zoals de in de habitatrichtlijn of de vogelrichtlijn opgenomen speciale beschermingszones.

Amendement  50

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 ter. Entiteiten die een vergunning aanvragen voor offshore-olie- en -gasactiviteiten maken bewijs inzake de technische bekwaamheid en financiële draagkracht volledig openbaar, evenals alle andere relevante informatie over het betrokken gebied en het specifieke stadium van exploratie- en productieactiviteiten. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat deze informatie toegankelijk is voor het publiek, overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG.

Amendement  51

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 quater. De Commissie zendt het Europees Parlement en de Raad vóór 20 december 2013 een verslag betreffende de beschikbaarheid van financiële-zekerheidsinstrumenten, vergezeld van voorstellen voor regelingen om het stellen van een financiële zekerheid te vereenvoudigen.

Amendement  52

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek vroegtijdig en effectief de kans krijgt om overeenkomstig de eisen van bijlage I bij deze verordening inspraak te hebben in vergunningsregelingen in hun jurisdictie. De procedures zijn die van bijlage II bij Richtlijn 2003/35/EG.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek in een zo vroeg mogelijk stadium informatie ontvangt over onder artikel 4 vallende vergunningsaanvragen en vroegtijdig en effectief de kans krijgt om overeenkomstig de eisen van bijlage I bij deze richtlijn inspraak te hebben in licentie- en vergunningsregelingen voor offshore-olie- en gasactiviteiten in hun jurisdictie. De procedures zijn die van bijlage II bij Richtlijn 2003/35/EG.

Amendement  53

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De inspraak wordt zo georganiseerd dat de bekendmaking van informatie en betrokkenheid van het publiek geen risico's inhouden voor de veiligheid en beveiliging van offshore-olie- en -gasinstallaties en de werking ervan.

Schrappen

Motivering

De noodzaak om vertrouwelijke, commercieel gevoelige en geoctrooieerde informatie te beschermen mag de inspraak van het publiek gedurende de vergunnings- en goedkeuringsprocedure niet in gevaar brengen.

Amendement  54

Voorstel voor een verordening

Artikel 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 5 bis

 

Toegang tot de rechter

 

1. De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder artikel 24 aan te vechten, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

 

a) zij hebben een voldoende belang;

 

b) zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, voor zover het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt.

 

2. De lidstaten bepalen in welk stadium de besluiten, de handelingen of het nalaten kunnen worden aangevochten.

 

3. Wat als een voldoende belang en als een inbreuk op een recht geldt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het betrokken publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen.

 

Hiertoe wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor milieubescherming en die voldoet aan alle vereisten krachtens de nationale wetgeving, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a).

 

Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b).

 

4. De bepalingen van de leden 1, 2 en 3 sluiten de mogelijkheid van een voorafgaande toetsingsprocedure voor een bestuursorgaan niet uit en laten het vereiste onverlet dat de administratieve toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, voor zover een dergelijk vereiste geldt naar nationaal recht.

 

Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn.

 

5. De lidstaten dragen er zorg voor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over toegang tot administratieve en rechterlijke toetsingsprocedures.

Motivering

Dit is een kopie van de bepalingen van artikel 25 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies, teneinde consistentie met het Verdrag van Aarhus te waarborgen.

Amendement  55

Voorstel voor een verordening

Artikel 6 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Installaties worden in vergunningsgebieden uitsluitend geëxploiteerd door vergunninghouders of entiteiten die daartoe zijn aangenomen of aangesteld en die door de lidstaten zijn goedgekeurd.

1. Installaties worden in vergunningsgebieden uitsluitend geëxploiteerd door vergunninghouders of entiteiten die daartoe zijn aangenomen of aangesteld en die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaten zijn goedgekeurd.

Amendement  56

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 – lid 2 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b) inspecties en onderzoeken uitvoeren en handhavingsacties stellen;

(b) toezien op of verrichten van inspecties, onderzoeken uitvoeren en handhavingsacties stellen;

Amendement  57

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 8 bis

 

Controle van de offshore-veiligheid door het Agentschap

 

1. Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), hierna "het Agentschap", verleent de Commissie en de lidstaten technische en wetenschappelijke bijstand met het oog op de minimalisering van risico's en de juiste tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Unie op het gebied van offshore-olie- en -gasveiligheid.

 

2. Het Agentschap beoordeelt vergunningen met betrekking tot de bepalingen van deze richtlijn en ziet toe op de inspecties en de regelingen van de lidstaten inzake de reactie op noodsituaties.

Amendement  58

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Overeenkomstig de overgangsbepalingen in artikel 39 moet de exploitant van een productie- of niet-productie-installatie de volgende documenten aan de bevoegde autoriteit overleggen:

1. Overeenkomstig de overgangsbepalingen in artikel 38 moet de exploitant van een productie- of niet-productie-installatie de volgende documenten aan de bevoegde autoriteit overleggen:

Amendement  59

Voorstel voor een verordening

Artikel 9 – lid 1 – letter d bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(d bis) bewijs van de financiële zekerheid van de exploitant.

Amendement  60

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie

Niet van toepassing op de Nederlandse versie.

Motivering

Niet van toepassing op de Nederlandse versie.

Amendement  61

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 2 en 5.

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 2 en 5, alsook een bewijs dat er een raadpleging van het personeel heeft plaatsgevonden.

Amendement  62

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Wanneer er belangrijke wijzigingen aan de productie-installatie worden aangebracht of wanneer het de bedoeling is om de installatie te ontmantelen, wordt het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie aangepast in overeenstemming met bijlage II, deel 6, en aan de bevoegde autoriteit overgelegd.

3. Wanneer er belangrijke wijzigingen aan de productie-installatie worden aangebracht of wanneer het de bedoeling is dat de installatie wordt ontmanteld en/of gesloopt, wordt het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie aangepast in overeenstemming met bijlage II, deel 6, en aan de bevoegde autoriteit overgelegd.

Amendement  63

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 3 en 5.

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 3 en 5, alsook een bewijs dat er een raadpleging van het personeel heeft plaatsgevonden.

Amendement  64

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Wanneer er belangrijke wijzigingen aan de niet-productie-installatie worden aangebracht of wanneer het de bedoeling is om de installatie te ontmantelen, wordt het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie aangepast in overeenstemming met bijlage II, deel 6 (uitgezonderd het bepaalde onder punt 4), en aan de bevoegde autoriteit overgelegd.

2. Wanneer er belangrijke wijzigingen aan de niet-productie-installatie worden aangebracht of wanneer het de bedoeling is dat de installatie wordt ontmanteld en/of gesloopt, wordt het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie aangepast in overeenstemming met bijlage II, deel 6 (uitgezonderd het bepaalde onder punt 4), en aan de bevoegde autoriteit overgelegd.

Amendement  65

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5. De exploitanten zorgen ervoor dat de bevindingen en opmerkingen van de onafhankelijke inspecteur voor boorputten overeenkomstig dit artikel, lid 3, onder b), in de kennisgeving van boorputactiviteiten overeenkomstig artikel 13 worden opgenomen.

5. De exploitanten zorgen ervoor dat de bevindingen en opmerkingen van de onafhankelijke inspecteur voor boorputten overeenkomstig dit artikel, lid 3, onder b), evenals de antwoorden en de maatregelen die in respons op de bevindingen van de onafhankelijke inspecteur door de exploitant worden genomen, in de kennisgeving van boorputactiviteiten overeenkomstig artikel 13 worden opgenomen.

Amendement  66

Voorstel voor een verordening

Artikel 15 – lid 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

7 bis. De Commissie stelt in samenwerking met het Agentschap en overeenkomstig artikel 35 een lijst van organisaties op die erkend zijn als onafhankelijke externe verificateurs voor productie-installaties, en werkt deze lijst regelmatig bij.

Amendement  67

Voorstel voor een verordening

Artikel 17 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat de exploitatie van een boorput of een installatie in het geval van een ongeval aanzienlijke negatieve effecten op de wateren van een andere lidstaat kan hebben, of wanneer een lidstaat die aanzienlijke schade zou kunnen lijden, daarom verzoekt, doet de lidstaat in de jurisdictie waarvan de activiteiten plaatsvinden, de getroffen lidstaat de relevante informatie toekomen en spant hij zich in om gezamenlijke preventieve maatregelen vast te stellen om schade te voorkomen.

1. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een zwaar ongeval met betrekking tot een offshore-olie- en -gasexploitatie in zijn jurisdictie aanzienlijke effecten op het milieu in een andere lidstaat kan hebben, of wanneer een lidstaat die aanzienlijke schade zou kunnen lijden, daarom verzoekt, doet de lidstaat in de jurisdictie waarvan de activiteiten plaatsvinden de relevante informatie, op grond van de relevante bepalingen van het Unierecht, toekomen aan de getroffen lidstaat, de Commissie en het Agentschap.

 

Op verzoek van de getroffen lidstaat stemt de lidstaat in de jurisdictie waarvan de activiteiten zullen plaatsvinden in met een gemeenschappelijke inspectie van de boorputactiviteit of de installatie en hij spant zich in om overeengekomen gezamenlijke maatregelen te nemen teneinde schade aan het milieu en de volksgezondheid te voorkomen.

Amendement  68

Voorstel voor een verordening

Artikel 18 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Het beleid en de veiligheidsbeheersystemen worden voorbereid in overeenstemming met de in bijlage IV vastgestelde eisen en maken duidelijk dat de exploitant in eerste instantie verantwoordelijk is voor de controle op grote gevaren ten gevolge van zijn activiteiten.

4. Het preventiebeleid voor zware ongevallen en de veiligheidsbeheersystemen worden voorbereid in overeenstemming met de in bijlage IV vastgestelde minimumeisen en maken duidelijk dat de exploitant in eerste instantie verantwoordelijk is voor de controle op grote gevaren die verband houden met offshore-olie- en gasactiviteiten.

Amendement  69

Voorstel voor een verordening

Artikel 18 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6. In de Unie gevestigde vergunninghouders, exploitanten en grote contractanten trachten hun offshore-olie- en -gasactiviteiten buiten de Unie uit te voeren in overeenstemming met de beginselen van deze verordening.

6. In de Unie gevestigde vergunninghouders, exploitanten en grote contractanten voeren hun offshore-olie- en -gasactiviteiten buiten de Unie uit in overeenstemming met de verplichtingen die op grond van dit artikel en overeenkomstig de artikelen 21 en 23 op hen van toepassing zijn. Vóór 20 december 2013 presenteert de Commissie een verslag betreffende passende mechanismen om te waarborgen dat in de Unie gevestigde ondernemingen wereldwijd opereren in overeenstemming met de in deze richtlijn vastgelegde vereisten.

Amendement  70

Voorstel voor een verordening

Artikel 18 – leden 6 bis en 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 bis. Indien een door een exploitant uitgevoerde activiteit een onmiddellijke bedreiging vormt voor de menselijke gezondheid of het risico op een zwaar ongeval aanzienlijk verhoogt, neemt de exploitant onverwijld de veiligst mogelijke risicobeperkende maatregelen, waaronder bijvoorbeeld de opschorting van de exploitatie van de installatie totdat de dreiging of het feitelijke, imminente gevaar onder controle is gebracht.

 

6 ter. Indien er overeenkomstig lid 6 bis van dit artikel maatregelen zijn getroffen, stelt de exploitant de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld en zonder de veiligheid in gevaar te brengen, in kennis.

Motivering

Lid 6 bis is gebaseerd op artikel 20, lid 2, en overgebracht naar artikel 18, aangezien artikel 18 verband houdt met de respons van exploitanten. De wijzigingen weerspiegelen het feit dat volledige opschorting van de exploitatie niet altijd de veiligste optie hoeft te zijn en in sommige gevallen het risico op een zwaar ongeval zou kunnen vergroten. Lid 6 ter is gebaseerd op artikel 20, lid 3, en overgebracht naar artikel 18, aangezien artikel 18 verband houdt met de respons van exploitanten.

Amendement  71

Voorstel voor een verordening

Artikel 19 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De bevoegde autoriteit treft geschikte maatregelen om haar onafhankelijkheid te waarborgen in belangenconflicten tussen enerzijds de regelgeving inzake veiligheid en milieubescherming en anderzijds bevoegdheden met betrekking tot de economische ontwikkeling van de lidstaat, in het bijzonder de verlening van vergunningen voor offshore-olie- en -gasactiviteiten, alsook het beleid voor en de inning van daarmee verband houdende inkomsten.

1. Lidstaten met offshore-olie- en -gasactiviteiten in hun jurisdictie treffen geschikte maatregelen om de onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten te waarborgen in belangenconflicten tussen enerzijds de regelgeving inzake veiligheid en milieubescherming en anderzijds bevoegdheden met betrekking tot de economische ontwikkeling van de lidstaat, in het bijzonder de verlening van vergunningen voor offshore-olie- en -gasactiviteiten, alsook het beleid voor en de inning van daarmee verband houdende inkomsten. Meer in het bijzonder zijn de bevoegde autoriteiten functioneel onafhankelijk van de instanties van de lidstaten die zijn belast met de verstrekking van vergunningen op grond van Richtlijn 94/22/EG, en voor de opzet van beleid voor en de inning van hieraan verbonden inkomsten.

Amendement  72

Voorstel voor een verordening

Artikel 20 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Indien de niet-naleving van de bepalingen van lid 1 van dit artikel een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of onmiddellijke en aanzienlijke nadelige gevolgen voor de veiligheid en/of het milieu dreigt te hebben, wordt de exploitatie van de installatie of van het relevante gedeelte ervan door de exploitant opgeschort zolang niet kan worden gewaarborgd dat aan de voorwaarden wordt voldaan.

2. Indien de niet-naleving van de voorschriften van lid 1 samenhangt met een door een exploitant uitgevoerde activiteit en een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of onmiddellijke en aanzienlijke nadelige gevolgen voor de veiligheid en/of het milieu dreigt te hebben, neemt de exploitant onverwijld de veiligst mogelijke risicobeperkende maatregelen, waaronder bijvoorbeeld de opschorting van de exploitatie van de installatie totdat de dreiging of het feitelijke, imminente gevaar onder controle is gebracht en de exploitant heeft aangetoond dat aan de in lid 1 vastgelegde voorschriften wordt voldaan.

Amendement  73

Voorstel voor een verordening

Artikel 20 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Indien er overeenkomstig dit artikel, lid 2, maatregelen zijn getroffen, stelt de exploitant de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

3. Indien lid 2 van toepassing is, stelt de exploitant de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen om de naleving van de in lid 1 vastgelegde voorschriften te waarborgen.

Amendement  74

Voorstel voor een verordening

Artikel 20 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. De bevoegde autoriteit werkt jaarplannen uit voor een effectief toezicht, inclusief inspecties, van de activiteiten inzake grote gevaren en besteedt daarbij bijzondere aandacht aan en verifieert de naleving van de overeenkomstig artikel 9 ingediende documenten; tevens controleert zij de doeltreffendheid ervan en treft zij de nodige maatregelen om verbeteringen aan te brengen.

4. De bevoegde autoriteiten werken jaarplannen uit voor een effectief toezicht op de activiteiten inzake grote gevaren en bereiden deze voor. Deze plannen voorzien in geregeld toezicht op en inspectie van dergelijke activiteiten. In de risicogebaseerde plannen wordt bijzondere aandacht besteed aan de naleving van de overeenkomstig artikel 9 ingediende rapporten inzake grote gevaren, interne rampenplannen en kennisgevingen met betrekking tot boorputactiviteiten. De doeltreffendheid van de plannen wordt geregeld geëvalueerd en de bevoegde autoriteit neemt de nodige maatregelen om verbeteringen aan te brengen.

Amendement  75

Voorstel voor een verordening

Artikel 20 – lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis. Lidstaten met offshore-olie- en ‑gasactiviteiten in hun jurisdictie houden toezicht op de doeltreffendheid van de bevoegde autoriteit en nemen de nodige maatregelen om deze te verbeteren.

Amendement  76

Voorstel voor een verordening

Artikel 21 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De bevoegde autoriteiten werken procedures uit zodat veiligheids- en/of milieukwesties met betrekking tot offshore-olie- en -gasactiviteiten anoniem kunnen worden gemeld. De bevoegde autoriteiten werken ook procedures uit om deze meldingen te onderzoeken zonder de anonimiteit van de betrokken individuen te schenden.

1. De bevoegde autoriteiten werken procedures uit zodat veiligheids- of milieukwesties in verband met de onder deze Richtlijn ressorterende offshore-olie- en -gasactiviteiten anoniem kunnen worden gemeld. De bevoegde autoriteiten werken ook procedures uit om deze meldingen te onderzoeken, waarbij zij waarborgen dat de anonimiteit van de betrokken individuen niet wordt geschonden. Uitsluitend de bevoegde autoriteiten hebben het recht op de hoogte te zijn van de bron van dergelijke meldingen. Deze procedures zijn tevens toegankelijk voor werknemers die betrokken zijn bij activiteiten buiten de Unie. De bevoegde autoriteiten wisselen informatie over deze procedures uit.

Amendement  77

Voorstel voor een verordening

Artikel 21 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De exploitanten communiceren de bijzonderheden van de nationale maatregelen uit hoofde van lid 1 aan hun werknemers, alsook aan de werknemers van betrokken onderaannemers. Zij zorgen er ook voor dat in de relevante opleidingen en mededelingen naar de procedures voor anonieme meldingen wordt verwezen.

2. De exploitanten communiceren de bijzonderheden van de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde nationale maatregelen uit hoofde van lid 1 aan hun werknemers, alsook aan de bij de activiteiten betrokken aannemers en onderaannemers en hun werknemers, en zij zorgen ervoor dat in de relevante opleidingen en mededelingen, alsook in de arbeidsovereenkomst van de werknemer, naar de procedures voor anonieme meldingen wordt verwezen.

Amendement  78

Voorstel voor een verordening

Artikel 22 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De lidstaten houden registers bij van middelen om te reageren op noodsituaties die in hun jurisdictie ter beschikking worden gesteld door zowel openbare als particuliere instanties. Deze registers worden ter beschikking gesteld van andere lidstaten of potentieel getroffen derde landen en de Commissie.

3. De lidstaten houden registers bij van middelen om te reageren op noodsituaties die in hun jurisdictie ter beschikking worden gesteld door zowel openbare als particuliere instanties. Deze registers worden ter beschikking gesteld van andere lidstaten of potentieel getroffen derde landen, het Agentschap en de Commissie.

Amendement  79

Voorstel voor een verordening

Artikel 23 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Overeenkomstig geldende bepalingen van de wetgeving van de Unie over de toegang tot milieu-informatie wordt de in bijlage VI omschreven informatie openbaar gemaakt zonder dat hiervoor een verzoek moet worden ingediend.

1. Overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie wordt de in de artikelen 22 tot en met 25 en bijlage VI omschreven informatie openbaar gemaakt door de bevoegde autoriteit zonder dat hiervoor een verzoek hoeft te worden ingediend.

Amendement  80

Voorstel voor een verordening

Artikel 23 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Bij middel van een uitvoeringshandeling bepaalt de Commissie ook een gemeenschappelijk publicatiemodel om de vlotte grensoverschrijdende vergelijking van gegevens mogelijk te maken. Bedoelde uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 bedoelde raadplegingsprocedure. Terwijl het toegankelijk blijft voor het grote publiek, wordt het gemeenschappelijk publicatiemodel ontwikkeld om een betrouwbare vergelijking van nationale activiteiten en regelgevende praktijken overeenkomstig het onderhavige artikel en artikel 24 mogelijk te maken.

2. Bij middel van een uitvoeringshandeling bepaalt de Commissie, bijgestaan door het Agentschap, ook een gemeenschappelijk publicatiemodel om de vlotte grensoverschrijdende vergelijking van gegevens mogelijk te maken. Bedoelde uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 bedoelde raadplegingsprocedure. Terwijl het toegankelijk blijft voor het grote publiek, wordt het gemeenschappelijk publicatiemodel ontwikkeld om een betrouwbare vergelijking van nationale activiteiten en regelgevende praktijken overeenkomstig het onderhavige artikel en artikel 24 mogelijk te maken.

Amendement  81

Voorstel voor een verordening

Artikel 24 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Om de twee jaar publiceert de Commissie rapporten over de veiligheid van offshore-activiteiten in de hele Unie, op basis van de informatie die gerapporteerd werd door de lidstaten en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid. De Commissie wordt in deze taak door de betrokken lidstaten bijgestaan overeenkomstig artikel 26.

3. Om de twee jaar publiceert de Commissie vóór 31 maart van het desbetreffende jaar rapporten over de veiligheid van offshore-activiteiten in de hele Unie, op basis van de informatie die gerapporteerd werd door de lidstaten en het Agentschap. De Commissie wordt in deze taak door het Agentschap en de betrokken lidstaten bijgestaan overeenkomstig artikel 26.

Amendement  82

Voorstel voor een verordening

Artikel 25 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Na een zwaar ongeval geeft de exploitant onmiddellijk de relevante informatie door aan de bevoegde autoriteit, met inbegrip van de omstandigheden van het ongeval en de gevolgen ervan.

1. Na een zwaar ongeval geeft de exploitant onmiddellijk alle relevante informatie door aan de bevoegde autoriteit, met inbegrip van de omstandigheden van het ongeval en de gevolgen ervan. Indien het ongeval gevolgen kan hebben voor het grondgebied (inclusief de wateren) van een andere lidstaat, stelt de lidstaat in de wateren of op het grondgebied waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden onverwijld de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat en het betrokken publiek op de hoogte van het ongeval en de maatregelen die zijn genomen om de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid te beperken.

Amendement  83

Voorstel voor een verordening

Artikel 25 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De lidstaten voeren een grondig onderzoek uit van zware ongevallen met aanzienlijke schade (aan personen en het milieu) of een groot verlies aan activa. Het onderzoeksrapport omvat een beoordeling van de doeltreffendheid van de regelgeving van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de betrokken installatie in de periode vóór het ongeval, en indien nodig aanbevelingen voor adequate wijzigingen van de relevante regelgevende praktijken.

2. De lidstaten voeren een grondig onderzoek uit van zware ongevallen met aanzienlijke schade (aan personen en het milieu) of een groot verlies aan activa. Het onderzoeksrapport omvat een beoordeling van de doeltreffendheid van het toezicht door de bevoegde autoriteit met betrekking tot de betrokken installatie in de periode vóór het ongeval, en indien nodig aanbevelingen voor adequate wijzigingen van de relevante regelgevende praktijken.

Amendement  84

Voorstel voor een verordening

Artikel 25 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De Commissie ontvangt een samenvatting van het onderzoeksrapport dat opgesteld werd op grond van lid 2 van dit artikel, bij het afronden van het onderzoek of op het einde van de gerechtelijke procedure, indien deze datum later valt dan de eerstgenoemde. Een specifieke versie van dit rapport, waarin mogelijke wettelijke beperkingen in aanmerking worden genomen, wordt openbaar gemaakt overeenkomstig de artikelen 22 en 23.

3. De Commissie ontvangt een samenvatting van het onderzoeksrapport en het onderzoeksrapport dat opgesteld werd op grond van lid 2 van dit artikel, bij het afronden van het onderzoek of op het einde van de gerechtelijke procedure, indien deze datum later valt dan de eerstgenoemde. Met inachtneming van mogelijke wettelijke beperkingen wordt een versie van dit rapport openbaar gemaakt, met daarin de in bijlage VI bedoelde informatie. In het rapport opgenomen milieu-informatie dient in overeenstemming te zijn met Richtlijn 2003/4/EG.

Amendement  85

Voorstel voor een verordening

Artikel 25 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Na haar onderzoeken op grond van lid 2 voert de bevoegde autoriteit de onderzoeksaanbevelingen uit die binnen haar bevoegdheid liggen.

4. Na de onderzoeken op grond van lid 2 voert de bevoegde autoriteit de onderzoeksaanbevelingen uit die binnen haar bevoegdheid liggen.

Amendement  86

Voorstel voor een verordening

Artikel 26 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Op grond van lid 2 of met het oog op de inspraak overeenkomstig artikel 5 bezorgt de exploitant een versie van het document zonder vertrouwelijke informatie aan de bevoegde autoriteit en stelt hij deze ter beschikking van het publiek.

3. Op grond van lid 2 of met het oog op de inspraak overeenkomstig artikel 5 verstrekt de exploitant een versie van het gevraagde document zonder vertrouwelijke informatie aan de bevoegde autoriteit en stelt hij deze ter beschikking van het publiek.

Amendement  87

Voorstel voor een verordening

Artikel 28 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. In nauwe samenwerking met de lidstaten bevordert de Commissie de samenwerking met derde landen die offshore-olie- en -gasactiviteiten ondernemen in dezelfde mariene regio's als de lidstaten, in voorkomend geval binnen het kader van regionale zeeverdragen.

1. In nauwe samenwerking met de lidstaten neemt de Commissie maatregelen ter bevordering van de samenwerking met derde landen die offshore-olie- en -gasactiviteiten ondernemen in dezelfde mariene regio's als de lidstaten, in voorkomend geval binnen het kader van regionale zeeverdragen of andere internationale samenwerkingsmechanismen.

Amendement  88

Voorstel voor een verordening

Artikel 28 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De Commissie bevordert hoge veiligheidsnormen voor offshore-olie- en -gasactiviteiten op internationaal niveau op de gepaste regionale en wereldfora, inclusief diegene die betrekking hebben op de Arctische wateren.

3. De Commissie bevordert hoge veiligheidsnormen voor offshore-olie- en -gasactiviteiten op internationaal niveau op de gepaste regionale en wereldfora. Zij maakt zich binnen de hiervoor bedoelde instanties sterk voor een moratorium op offshore-olie- en gasactiviteiten in de Arctische wateren. De Commissie gebruikt het nabuurschapsbeleid van de EU als instrument om te pleiten voor de hoogste veiligheids- en milieunormen.

Motivering

De kans op een zwaar offshore-ongeval is door de Commissie aangemerkt als een ernstig risico. Dergelijke risico's zijn vele malen groter in de Arctische wateren, waar ondernemingen geen ervaring hebben met boringen. De gevolgen van een ongeval in de poolzee zouden desastreus en onbeheersbaar zijn. Gelekte olie zou immers niet kunnen worden opgeruimd totdat het ijs is gesmolten. De EU moet dan ook krachtig aandringen op een moratorium.

Amendement  89

Voorstel voor een verordening

Artikel 29 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a) voorbereid te zijn om een zwaar ongeval in een vroeg stadium onder controle te krijgen binnen de installatie, of binnen de door de lidstaat ingestelde uitsluitingszone rond de perimeter van de installatie, of de onderzeese putmond;

(a) voorbereid te zijn om de escalatie te voorkomen of de gevolgen van een ongeval dat verband houdt met offshore-olie- en -gasactiviteiten te beperken binnen een door de lidstaat ingestelde uitsluitingszone rond de perimeter van de installatie, de onderzeese putmond of pijpleiding;

Amendement  90

Voorstel voor een verordening

Artikel 29 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5. De exploitant test periodiek de doeltreffendheid van de interne rampenplannen.

5. De exploitant test jaarlijks de interne rampenplannen en met name de doeltreffendheid van de reactieapparatuur en -vermogens, teneinde een hoog veiligheids- en prestatieniveau te waarborgen met betrekking tot activiteiten op het gebied van evacuatie, inperking en controle, herstel, schoonmaak en opruiming.

Amendement  91

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Lidstaten stellen externe rampenplannen op voor alle offshore-olie- en -gasinstallaties en mogelijk getroffen gebieden binnen hun jurisdictie.

1. Lidstaten stellen externe rampenplannen op voor alle offshore-olie- en -gasinstallaties of hieraan verbonden infrastructuur en mogelijk getroffen gebieden binnen hun jurisdictie. De externe rampenplannen specificeren de rol van de exploitanten bij de externe reactie op noodsituaties en de aansprakelijkheid van de exploitanten ten aanzien van de kosten van de externe reactie op noodsituaties.

Amendement  92

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De externe rampenplannen worden opgesteld in samenwerking met de relevante exploitanten en indien van toepassing licentiehouders, en afgestemd op de interne rampenplannen van de installaties die gevestigd of gepland zijn in het betrokken gebied. Er moet rekening worden gehouden met alle bijwerkingen aan de interne plannen die meegedeeld worden door een exploitant.

2. De externe rampenplannen worden opgesteld in samenwerking met de relevante exploitanten en indien van toepassing licentiehouders, en afgestemd op de huidige interne rampenplannen van de bestaande of geplande installaties of hiermee verbonden infrastructuur in het betrokken gebied. Er moet rekening worden gehouden met alle bijwerkingen aan de interne plannen die meegedeeld worden door een exploitant.

Amendement  93

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. De lidstaten treffen alle geschikte maatregelen om een hoog niveau van verenigbaarheid en interoperabiliteit van noodapparatuur en knowhow tot stand te brengen tussen alle lidstaten in een geografische streek, en verder indien nodig. De lidstaten moedigen de sector aan om compatibele reactie-instrumenten te ontwikkelen in de geest van dit lid.

4. De lidstaten met offshore-olie- en -gasactiviteiten in hun jurisdictie treffen alle geschikte maatregelen om een hoog niveau van verenigbaarheid en interoperabiliteit van noodapparatuur en knowhow tot stand te brengen tussen alle lidstaten in een geografische streek, en verder indien nodig. De betrokken lidstaten moedigen de sector aan om compatibele reactie-instrumenten en ‑diensten te ontwikkelen in de geest van dit lid.

Amendement  94

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6. De lidstaten houden registers bij van de middelen om te reageren op noodsituaties die op hun grondgebied of in hun jurisdictie ter beschikking worden gesteld door zowel openbare als particuliere instanties. Deze registers worden ter beschikking gesteld van de andere lidstaten en, op basis van wederkerigheid, van aangrenzende derde landen, alsook van de Commissie.

6. De lidstaten houden registers bij van de middelen om te reageren op noodsituaties die op hun grondgebied of in hun jurisdictie ter beschikking worden gesteld door zowel openbare als particuliere instanties. Deze registers worden op verzoek ter beschikking gesteld van de andere lidstaten en de Commissie, alsook, op basis van wederkerigheid, van aangrenzende derde landen.

Amendement  95

Voorstel voor een verordening

Artikel 31 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De exploitant stelt de relevante autoriteiten onmiddellijk in kennis van een zwaar ongeval of van een situatie met een onmiddellijk risico op een zwaar ongeval. Waar nodig staan de relevante autoriteiten de betrokken exploitant bij om de escalatie van het risico of ongeval te voorkomen.

1. De exploitant stelt de relevante autoriteiten onmiddellijk in kennis van een zwaar ongeval, met inbegrip van de oorzaak ervan en de mogelijke gevolgen voor het milieu en het leven en de gezondheid van mensen, of van een situatie met een onmiddellijk risico op een zwaar ongeval. Waar nodig staan de relevante autoriteiten de betrokken exploitant bij om de escalatie van het risico of ongeval te voorkomen. De kennisgeving bevat onder meer de omstandigheden van het ongeval en de verwachte gevolgen ervan.

Amendement  96

Voorstel voor een verordening

Artikel 31 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Bij een ongeval nemen de relevante autoriteiten, in samenwerking met de betrokken exploitanten, alle nodige maatregelen om een escalatie van het ongeval te voorkomen en de gevolgen ervan te matigen.

2. Bij een zwaar ongeval neemt de exploitant, in samenwerking met de betrokken exploitanten, alle nodige maatregelen om een escalatie van het ongeval te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken. De exploitant mag worden bijgestaan door relevante autoriteiten die aanvullende middelen kunnen verstrekken.

Amendement  97

Voorstel voor een verordening

Artikel 32 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Waar grensoverschrijdende effecten van offshore-olie- en -gasongevallen te voorzien zijn, stellen de lidstaten informatie ter beschikking van de Commissie en potentieel getroffen lidstaten of derde landen op basis van wederkerigheid, en houden zij bij het opstellen van het externe rampenplan rekening met vastgestelde risico's. De betrokken lidstaten coördineren hun rampenplannen om een gezamenlijke reactie op een ongeval te vergemakkelijken.

1. Waar grensoverschrijdende effecten van offshore-olie- en -gasongevallen te voorzien zijn, stellen de betrokken lidstaten informatie ter beschikking van de Commissie en potentieel getroffen lidstaten of derde landen op basis van wederkerigheid, en houden zij bij het opstellen van het externe rampenplan rekening met vastgestelde risico's. De betrokken lidstaten coördineren hun rampenplannen om een gezamenlijke reactie op een ongeval te vergemakkelijken. Waar grensoverschrijdende effecten van offshore-olie- en -gasongevallen te voorzien zijn en zij een risico voor derde landen vormen, stellen de lidstaten informatie ter beschikking van de Commissie alsook, op basis van wederkerigheid, aan derde landen.

Amendement  98

Voorstel voor een verordening

Artikel 32 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De lidstaten coördineren de maatregelen die betrekking hebben op gebieden over de grenzen van de Unie heen om mogelijke negatieve effecten van offshore-olie- en -gasactiviteiten te voorkomen.

2. De betrokken lidstaten coördineren de maatregelen die betrekking hebben op gebieden over de grenzen van de Unie heen om mogelijke negatieve effecten van offshore-olie- en -gasactiviteiten te voorkomen.

Amendement  99

Voorstel voor een verordening

Artikel 32 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De lidstaten testen regelmatig of zij voorbereid zijn om doeltreffend op ongevallen te reageren in samenwerking met potentieel getroffen lidstaten, de relevante EU-agentschappen of derde landen. De Commissie kan een bijdrage leveren tot oefeningen die toegespitst zijn op het testen van noodmechanismen binnen de Unie en over de grenzen heen.

3. De betrokken lidstaten testen regelmatig of zij voorbereid zijn om doeltreffend op ongevallen te reageren in samenwerking met andere potentieel getroffen lidstaten, de relevante EU-agentschappen of aangrenzende derde landen. De Commissie kan een bijdrage leveren tot oefeningen die toegespitst zijn op het testen van noodmechanismen binnen de Unie en over de grenzen heen.

Amendement  100

Voorstel voor een verordening

Artikel 32 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Bij een zwaar ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, dat grensoverschrijdende gevolgen veroorzaakt of kan veroorzaken, brengt de lidstaat in de jurisdictie waarvan de noodsituatie zich heeft voorgedaan, de Commissie en de lidstaten die potentieel getroffen worden door de noodsituatie onmiddellijk op de hoogte.

4. Bij een zwaar ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, dat grensoverschrijdende gevolgen veroorzaakt of kan veroorzaken, brengt de lidstaat in de jurisdictie waarvan de noodsituatie zich heeft voorgedaan, de lidstaten of derde landen die potentieel getroffen worden door de noodsituatie onmiddellijk op de hoogte, evenals de Commissie.

Amendement  101

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 – punt 1

Richtlijn 2004/35/EG

Artikel 2 – lid 1 – letter b – punt ii

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(ii) de milieutoestand van de betrokken maritieme wateren, als bepaald in Richtlijn 2008/56/EG, voor zover bijzondere aspecten van de milieutoestand van het mariene milieu al niet in Richtlijn 2000/60/EG worden behandeld;'

(ii) de milieutoestand van de betrokken maritieme wateren, als bepaald in artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG, voor zover bijzondere aspecten van de milieutoestand van het mariene milieu al niet in Richtlijn 2000/60/EG worden behandeld;'

Amendement  102

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 37 bis

 

Wijziging van Richtlijn 2008/99/EG inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht1

 

Richtlijn 2008/99/EG wordt als volgt gewijzigd:

 

(1) in artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:

 

"h) iedere handeling die de aanzienlijke aantasting tot gevolg heeft van een habitat binnen beschermd gebied, met inbegrip van een zwaar ongeval veroorzaakt door offshore-olie- en gasactiviteiten;"

 

"j) een zwaar olievervuilingsongeval."

 

(2) in bijlage A wordt het volgende streepje toegevoegd:

 

"- Verordening XX/XX/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en -productieactiviteiten"

 

"– Richtlijn XX/XX/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en -productieactiviteiten."

 

____________

 

1 PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.

Amendement  103

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 1 – punt 1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1. De in deze bijlage vastgelegde informatievereisten zijn minimumvereisten. De bevoegde autoriteiten houden rekening met ontwikkelingen ten aanzien van optimale werkwijzen en mogen te allen tijde om nadere informatie vragen ten einde, indien nodig, rekening te kunnen houden met materiële en technische wijzigingen of wijzigingen met betrekking tot de apparatuur.

Amendement  104

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 1 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1) de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

(1) de naam en het adres van de exploitant en, indien dit iemand anders is, van de eigenaar van de installatie;

Amendement  105

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 1 – punt 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5) een beschrijving van de installatie en de omstandigheden op de geplande locatie;

(5) een beschrijving van de installatie en de omstandigheden op de geplande locatie, met inbegrip van mogelijke fysieke, geografische, meteorologische of milieugerelateerde belemmeringen voor activiteiten op deze locatie;

Amendement  106

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 2 – punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4) het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen geschikt zijn om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken;

(4) het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen, met inbegrip van de voor de veiligheid cruciale elementen, geschikt zijn en zullen blijven om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken;

Amendement  107

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 2 – punt 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13) een beschrijving van de milieuonderdelen die naar verwachting aanzienlijk zullen worden aangetast, een evaluatie van de vastgestelde potentiële milieueffecten, met name het vrijkomen van verontreinigende stoffen in het milieu, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om die milieueffecten te voorkomen, te beperken of te neutraliseren, inclusief monitoring.

(13) een beschrijving van de milieuonderdelen die naar verwachting aanzienlijk zullen worden aangetast, een evaluatie van de vastgestelde potentiële milieueffecten, met name het vrijkomen van chemicaliën en andere gevaarlijke en verontreinigende stoffen in het milieu, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om die milieueffecten te voorkomen, te beperken of te neutraliseren, inclusief monitoring.

Amendement  108

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 3 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1) de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

(1) de naam en het adres van de exploitant en, indien dit iemand anders is, van de eigenaar van de installatie;

Amendement  109

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 3 – punt 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14) een beschrijving van de milieuonderdelen die naar verwachting aanzienlijk zullen worden aangetast, een evaluatie van de vastgestelde potentiële milieueffecten, met name het vrijkomen van verontreinigende stoffen in het milieu, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om die milieueffecten te voorkomen, te beperken of te neutraliseren, inclusief monitoring.

(14) een beschrijving van de milieuonderdelen die naar verwachting aanzienlijk zullen worden aangetast, een evaluatie van de vastgestelde potentiële milieueffecten, met name het vrijkomen van chemicaliën en andere gevaarlijke en verontreinigende stoffen in het milieu, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om die milieueffecten te voorkomen, te beperken of te neutraliseren, inclusief monitoring.

Amendement  110

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 4 – punt 11 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b) bijzonderheden over milieuomstandigheden waarmee rekening werd gehouden in het interne rampenplan voor de installatie;

(b) bijzonderheden over milieuomstandigheden die zijn opgenomen in het interne rampenplan voor de installatie;

Amendement  111

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 4 – punt 11 – letter c

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c) bijzonderheden over voorzieningen voor reacties op noodsituaties, inclusief in het geval van een zwaar milieuongeval, die niet zijn beschreven in het rapport inzake grote gevaren; en

(c) bijzonderheden over voorzieningen voor reacties op noodsituaties - inclusief in het geval van een zwaar ongeval of voorval met gevolgen voor het milieu of de volksgezondheid - die niet zijn beschreven in het rapport inzake grote gevaren; en

Amendement  112

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 5 – punt 1 – letter -a (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(-a) hij vormt een onafhankelijke juridische entiteit;

Amendement  113

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 5 – punt 1 – letter -a bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(-a bis) De onafhankelijke derde verkeert niet in een belangenconflict met de exploitant van de installatie of de exploitant van de boorput;

Amendement  114

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 5 – punt 1 – letter -a ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(-a ter) De onafhankelijke derde, en de personen die hem bijstaan, hebben geen commercieel of financieel belang in de door de exploitant te ondernemen activiteiten.

Amendement  115

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 5 – punt 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b) hij is voldoende onafhankelijk van een beheersysteem dat verantwoordelijk is of was voor een aspect van een component in de onafhankelijke verificatieregeling of het onafhankelijke boorputonderzoek, teneinde zijn objectiviteit bij de uitoefening van zijn functies binnen de regeling te waarborgen.

(b) hij is onafhankelijk van een beheersysteem dat verantwoordelijk is of was voor een aspect van een component in de onafhankelijke verificatieregeling of het onafhankelijke boorputonderzoek, teneinde zijn objectiviteit bij de uitoefening van zijn functies binnen de regeling te waarborgen.

Amendement  116

Voorstel voor een verordening

Bijlage II – deel 6 – punt 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

1. de naam en het adres van de exploitant en, indien dit iemand anders is, van de eigenaar van de installatie;

Amendement  117

Voorstel voor een verordening

Bijlage III – punt 3 – letter i

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(i) een beoordeling van de beschikbaarheid van apparatuur om te reageren op noodsituaties en de geschiktheid van de procedures om ze doeltreffend te gebruiken.

(i) een beoordeling van de beschikbaarheid, toereikendheid, geschiktheid en deugdelijke functionering van apparatuur om te reageren op noodsituaties en de geschiktheid van de procedures om ze doeltreffend te gebruiken, in voorkomend geval met inbegrip van een analyse van de hiaten in de reactie op olielekken;

Amendement  118

Voorstel voor een verordening

Bijlage III – punt 3 – letter i bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(i bis) een beoordeling van de doeltreffendheid van de reactiecapaciteit van de exploitant bij noodsituaties, inclusief het gebruik van "worst case"-scenario's en de prestaties met betrekking tot opruimwerkzaamheden.

Amendement  119

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV – punt -1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-1. De in deze bijlage vastgelegde voorzieningen zijn minimumvoorzieningen. De bevoegde autoriteiten houden rekening met ontwikkelingen ten aanzien van optimale werkwijzen en mogen de exploitanten te allen tijde om aanvullende voorzieningen vragen om te waarborgen dat, indien nodig, rekening kan worden gehouden met relevante materiële en technische wijzigingen of wijzigingen met betrekking tot de apparatuur.

Amendement  120

Voorstel voor een verordening

Bijlage IV – punt 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. De exploitanten zorgen ervoor dat gevaarlijke stoffen zich altijd in de pijpleidingen, vaten en systemen bevinden die bestemd zijn voor de veilige opslag ervan. Bovendien verzekeren de exploitanten dat geen enkel defect van een barrière met een verminderde insluiting tot gevolg, tot een zwaar voorval kan leiden.

4. De exploitanten zorgen ervoor dat chemicaliën en andere gevaarlijke stoffen zich altijd in de pijpleidingen, vaten en systemen bevinden die bestemd zijn voor de veilige opslag ervan. Bovendien verzekeren de exploitanten dat geen enkel defect van een insluitingsbarrière tot een zwaar voorval kan leiden dat met name gevolgen heeft voor het milieu en het leven of de gezondheid van mensen.

Amendement  121

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – punt -1 (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-1. De in deze bijlage vastgelegde vereisten zijn minimumvereisten. De bevoegde autoriteiten houden rekening met ontwikkelingen ten aanzien van optimale werkwijzen en mogen te allen tijde aanvullende vereisten instellen om te waarborgen dat, indien nodig, rekening kan worden gehouden met relevante materiële en technische wijzigingen of wijzigingen met betrekking tot de apparatuur.

Amendement  122

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – deel 1 – punt 1 – letter c bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(c bis) een worstcasescenario met betrekking tot de ontsnapping van stoffen, waarin het potentiële dagelijkse volume, de gevolgde baan en de getroffen gebieden worden gespecificeerd waarmee bij een ongecontroleerde blow-out in het slechtste geval rekening moet worden gehouden. Voorts moet dit scenario informatie bevatten met betrekking tot een potentiële respons op en mogelijke vertraging van het worstcasescenario in geval van extreme omstandigheden van opereren.

Amendement  123

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – deel 1 – punt 1 – letter e

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e) een beschrijving van de beschikbare apparatuur en middelen;

(e) een beschrijving van de beschikbare apparatuur en middelen, onder meer voor de afdichting van eventuele lekken.

Amendement  124

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – deel 1 – punt 1 – letter e bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(e bis) bewijs dat chemicaliën die als dispergeermiddelen worden gebruikt reeds eerder zijn geëvalueerd, teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid en verdere schade aan het milieu te beperken.

Amendement  125

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – deel 1 – punt 1 – letter g

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(g) de regelingen die afgestemd zijn op de regelingen voor overbrenging die beschreven zijn in het rapport inzake grote gevaren, bijvoorbeeld zoals beschreven in bijlage II, deel 2, punt 7, en deel 3, punt 7, om goede overlevingskansen te waarborgen voor personen die zich tijdens een zwaar ongeval op de installatie bevinden;

(g) de regelingen die afgestemd zijn op de regelingen voor overbrenging die beschreven zijn in het rapport inzake grote gevaren, bijvoorbeeld zoals beschreven in bijlage II, deel 2, punt 7, en deel 3, punt 7, om de milieuschade te beperken en goede overlevingskansen te waarborgen voor personen die zich tijdens een zwaar ongeval op de installatie bevinden;

Amendement  126

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – deel 1 – punt 1 – letter i bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(i bis) een raming van een hiaat in de respons op olielekken uitgedrukt als een percentage van tijd, en een omschrijving van de exploitatiebeperkingen bij de betrokken installaties. Deze hiaatanalyse omvat onder andere een berekening van de maximale responsgrenzen van reactiesystemen bij lekkages met betrekking tot een reeks milieu- en veiligheidsfactoren, en een analyse van de frequentie, de duur en het tijdstip van omstandigheden die een reactie op een bepaalde locatie zouden verhinderen. Milieuomstandigheden die bij deze reactieberekening in overweging moeten worden genomen zijn onder meer:

 

i) het weer, met inbegrip van de wind, het zicht, de neerslag en de temperatuur;

 

ii) de situatie met betrekking tot de zee, het getij en de stroming;

 

iii) de aanwezigheid van ijs en puin;

 

iv) de hoeveelheid uren daglicht; alsmede

 

v) andere bekende milieuomstandigheden die de doeltreffendheid van de reactieapparatuur of de algehele doeltreffendheid van de reactie-inspanningen zouden kunnen beïnvloeden;

Amendement  127

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – deel 1 – punt 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. Exploitanten testen geregeld hun noodplannen en met name de doeltreffendheid van hun reactieapparatuur- en vermogens, ten einde een hoog veiligheids- en prestatieniveau te waarborgen met betrekking tot operaties op het gebied van evacuatie, inperking en controle, herstel, schoonmaak en verwijdering.

Amendement  128

Voorstel voor een verordening

Bijlage V – deel 2 – punt 2 – letter d bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(d bis) bewijs van eerder uitgevoerde milieu- en gezondheidseffectbeoordelingen met betrekking tot chemicaliën die bestemd zijn om als dispergeermiddelen te worden gebruikt;

PROCEDURE

Titel

Veiligheid van offshore olie- en gasprospectie, - exploratie en productie

Document- en procedurenummers

COM(2011)0688 – C7-0392/2011 – 2011/0309(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ITRE

17.11.2011

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ENVI

17.11.2011

Medeverantwoordelijke commissie(s) - datum bekendmaking

24.5.2012

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Justas Vincas Paleckis

10.1.2012

Behandeling in de commissie

10.7.2012

6.9.2012

 

 

Datum goedkeuring

19.9.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

55

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Martina Anderson, Sophie Auconie, Pilar Ayuso, Paolo Bartolozzi, Sergio Berlato, Lajos Bokros, Milan Cabrnoch, Martin Callanan, Nessa Childers, Tadeusz Cymański, Esther de Lange, Bas Eickhout, Edite Estrela, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Matthias Groote, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Jolanta Emilia Hibner, Dan Jørgensen, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Zofija Mazej Kukovič, Linda McAvan, Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Antonyia Parvanova, Andres Perello Rodriguez, Mario Pirillo, Pavel Poc, Frédérique Ries, Anna Rosbach, Oreste Rossi, Dagmar Roth-Behrendt, Kārlis Šadurskis, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Theodoros Skylakakis, Bogusław Sonik, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Salvatore Tatarella, Thomas Ulmer, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Glenis Willmott, Marina Yannakoudakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Margrete Auken, Nikos Chrysogelos, José Manuel Fernandes, Gaston Franco, Justas Vincas Paleckis, Michèle Rivasi, Marita Ulvskog, Kathleen Van Brempt, Andrea Zanoni

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Andrzej Grzyb, Jacek Włosowicz, Inês Cristina Zuber


ADVIES van de Commissie juridische zaken (19.9.2012)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, ‑exploratie- en ‑productieactiviteiten

(COM(2011)0688 – C7‑0392/2011 – 2011/0309(COD))

Rapporteur voor advies (*): Eva Lichtenberger

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

BEKNOPTE MOTIVERING

De voorgestelde Verordening betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en -productieactiviteiten 2011/0309(COD) is een zeer belangrijke wettekst – een unieke kans voor de EU om ernstige hiaten te dichten en vooral om een daadwerkelijke veiligheidscultuur in de EU tot stand te brengen. De rapporteur voor advies acht de Verordening wenselijk, aangezien de rechtsgrond een consistente, snelle en rechtstreekse toepassing in heel Europa waarborgt. Door te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden en ruimte te laten voor nationale en regionale interpretaties, kan de gewenste doelstelling van de verordening doeltreffend worden bereikt, en zal dit uiteindelijk voordelen opleveren voor de bedrijfstak, nationale regeringen en de EU-burgers. Toch is de rapporteur ervan overtuigd dat een meer alomvattende hervorming en striktere bepalingen voor risicovolle activiteiten nodig zijn. Wat de keuze van beleidsoptie betreft, zou een meer geïnstitutionaliseerde aanpak moeten worden gevolgd die leidt tot een grotere rol voor Europa bij het toezicht op offshore-olie- en -gasactiviteiten (beleidsoptie 3), bij voorkeur via het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA). In dat opzicht mag de rol van het Agentschap niet slechts tot het reageren op noodsituaties worden beperkt. Integendeel: Europa moet voordeel trekken uit de ervaring die EMSA heeft met de preventie van olierampen (audits, opsporing, inspectie en opleiding) en met het toezicht op een juiste tenuitvoerlegging van EU-regelgeving. Meer in het algemeen verzoekt de rapporteur voor advies het Europees Parlement, als medewetgever, om de tekst te herschikken op het gebied van kustgemeenschappen, werknemers en milieukwesties.

AMENDEMENTEN

De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Amendement  1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1) Artikel 191 van het VWEU bepaalt de doelstellingen van behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en schrijft voor dat elk optreden van de Unie moet worden ondersteund door een hoog niveau van bescherming op basis van het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Daarnaast streeft het naar een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

(1) Artikel 191 van het VWEU bepaalt de doelstellingen van behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en schrijft voor dat elk optreden van de Unie moet worden ondersteund door een hoog niveau van bescherming op basis van het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Daarnaast streeft het naar een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Overeenkomstig artikel 191, lid 2, geldt voor volledige aansprakelijkheid in verband met schade als gevolg van activiteiten in het kader van deze verordening het beginsel "de vervuiler betaalt".

Amendement  2

Voorstel voor een verordening

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2) Deze verordening is erop gericht de kans op zware ongevallen met betrekking tot offshore-olie- en -gasactiviteiten te verkleinen en de gevolgen ervan te beperken. Op die manier wil zij het mariene milieu en kusteconomieën tegen verontreiniging beschermen, alsook minimumvoorwaarden vastleggen voor veilige offshore-olie- en -gasprospectie, -exploratie en -exploitatie, en mogelijke onderbrekingen in de eigen energieproductie van de Unie inperken en de reactiemechanismen in geval van ongevallen verbeteren.

(2) Deze verordening is erop gericht zware ongevallen met betrekking tot offshore-olie- en -gasactiviteiten te voorkomen of de kans daarop te verkleinen en de gevolgen ervan te beperken. Op die manier wil zij het mariene milieu en kusteconomieën tegen verontreiniging beschermen, alsook minimumvoorwaarden vastleggen voor veilige offshore-olie- en -gasprospectie, -exploratie en -exploitatie, en mogelijke onderbrekingen in de eigen energieproductie van de Unie inperken en de reactiemechanismen in geval van ongevallen verbeteren.

Amendement  3

Voorstel voor een verordening

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8) Het bestaande versnipperde regelgevingskader dat van toepassing is op de veiligheid van offshore-activiteiten in Europa, alsook de huidige veiligheidspraktijken in de sector waarborgen onvoldoende dat risico's van offshore-ongevallen tot een minimum worden beperkt en dat bij eventuele ongevallen in EU-wateren tijdig de meest doeltreffende reactie wordt gegeven. Op basis van de huidige aansprakelijkheidsregelingen is het niet altijd mogelijk om duidelijk te bepalen welke partij aansprakelijk is. Die partij is soms ook niet in staat of niet aansprakelijk om de kosten voor de schade die de ramp heeft aangericht, te herstellen.

(8) Het bestaande versnipperde regelgevingskader dat van toepassing is op de veiligheid van offshore-activiteiten in Europa, alsook de huidige veiligheidspraktijken in de sector waarborgen onvoldoende dat risico's van offshore-ongevallen tot een minimum worden beperkt en dat bij eventuele ongevallen in EU-wateren tijdig de meest doeltreffende reactie wordt gegeven. Er moet gewaarborgd worden dat op basis van de bestaande aansprakelijkheidsregelingen in alle gevallen reeds voor de start van de activiteiten duidelijk is welke partij aansprakelijk is en dat deze in staat is om de kosten voor eventuele schade te vergoeden, zo nodig door middel van een onderlinge schadevergoedingsregeling.

Amendement  4

Voorstel voor een verordening

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10) Er moet worden verduidelijkt dat houders van vergunningen voor offshore-activiteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG ook potentiële aansprakelijke 'exploitanten' zijn in de zin van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade en bijgevolg hun verantwoordelijkheden in dit opzicht niet aan door hen aangenomen derde partijen mogen overdragen.

(10) Er moet worden verduidelijkt dat de houder van een vergunning voor offshore-activiteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG ook de aansprakelijke exploitant is in de zin van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade en bijgevolg zijn verantwoordelijkheden in dit opzicht niet aan door hem aangenomen derde partijen mag overdragen.

 

Met betrekking tot andere verplichtingen moet voor aanvang van de offshore-activiteiten ondubbelzinnig worden vastgesteld welke partijen aansprakelijk zijn.

Amendement  5

Voorstel voor een verordening

Overweging 48

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(48) Aangezien geen enkele van de bestaande instrumenten inzake financiële zekerheid, waaronder maatregelen inzake onderlinge risicoverdeling, alle mogelijke gevolgen van extreme ongevallen kan opvangen, moet de Commissie overgaan tot verdere analyses en studies van passende maatregelen om een voldoende strikt aansprakelijkheidsstelsel voor schade door offshore-olie- en -gasactiviteiten te waarborgen, met daarbij ook eisen betreffende de financiële draagkracht, met inbegrip van de beschikbaarheid van passende financiële-zekerheidsinstrumenten of andere maatregelen.

(48) De lidstaten moeten erop toezien dat binnen hun jurisdictie opererende exploitanten aantonen dat zij in staat zijn de kosten van de gevolgen van hun activiteiten te dekken door een financiële zekerheid te stellen, en zij moeten tevens besluiten welke instrumenten (zoals fondsen, bankgaranties, verzekerings- en/of risicobundeling) hiervoor geschikt zijn. Aangezien geen enkele van de bestaande instrumenten inzake financiële zekerheid, waaronder maatregelen inzake onderlinge risicoverdeling, alle mogelijke gevolgen van extreme ongevallen kan opvangen, moet de Commissie overgaan tot verdere analyses en studies van passende maatregelen om een strikt aansprakelijkheidsstelsel voor schade door offshore-olie- en -gasactiviteiten te waarborgen, met daarbij ook eisen betreffende de financiële draagkracht, met inbegrip van een verbetering van de beschikbaarheid van financiële-zekerheidsinstrumenten en -maatregelen.

Amendement  6

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. In het bijzonder bij de beoordeling van de technische bekwaamheid en financiële draagkracht van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, moet er rekening worden gehouden met het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het betrokken gebied en het specifieke stadium van exploratie- en productieactiviteiten en ook met de financiële capaciteit van de aanvragers, o.a. enige financiële zekerheid en het vermogen om de eventueel uit de desbetreffende offshore-olie- en -gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden, in het bijzonder de aansprakelijkheid voor milieuschade, te dragen.

2. In het bijzonder bij de beoordeling van de technische bekwaamheid en financiële draagkracht van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, moet er rekening worden gehouden met het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het betrokken vergunningsgebied en het specifieke stadium van exploratie- en productieactiviteiten en ook met de financiële capaciteit van de aanvragers, o.a. enige financiële zekerheid en het vermogen om alle eventueel uit de desbetreffende offshore-olie- en -gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden, in het bijzonder de aansprakelijkheid voor milieuschade, te dragen. Er wordt eveneens rekening gehouden met ongevallen of incidenten waarbij de aanvrager aantoonbaar verantwoordelijk of nalatig was, en met de transparantie en de doeltreffendheid van eventuele responsmaatregelen.

Amendement  7

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. De aanvrager toont aan dat hij heeft gezorgd voor voldoende financiële zekerheid om alle uit zijn offshore-olie- en -gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden, in het bijzonder de aansprakelijkheid voor milieuschade, te dragen. Deze financiële zekerheid is rechtsgeldig en reëel voordat de boorputactiviteiten aanvangen.

Amendement  8

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 ter. De lidstaten zien erop toe dat de vergunningverlenende autoriteit geen goedkeuring verleent tenzij zij van oordeel is dat de aanvrager heeft aangetoond dat er voldoende maatregelen zijn of zullen worden getroffen in de vorm van een financiële zekerheid, volgens door de lidstaten vast te stellen bepalingen, om de uit zijn offshore-olie- en -gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden, in het bijzonder de aansprakelijkheid voor milieuschade, te dragen. Deze financiële zekerheid is rechtsgeldig en reëel voordat de boorputactiviteiten aanvangen.

Amendement  9

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. Wanneer vergunningverlenende autoriteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG de technische bekwaamheden en financiële draagkracht beoordelen van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, houden zij rekening met de risico's, gevaren en andere relevante informatie over de locatie in kwestie en het specifieke stadium van de exploratie- en productieactiviteiten.

4. Wanneer vergunningverlenende autoriteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG de technische bekwaamheden en financiële draagkracht beoordelen van de entiteiten die een vergunning voor offshore-olie- en -gasactiviteiten aanvragen, houden zij rekening met de risico's, gevaren en andere relevante informatie over de locatie in kwestie en het specifieke stadium van de exploratie- en productieactiviteiten. Vergunningverlenende autoriteiten zien erop toe dat financiële middelen voor aansprakelijkheid die overeenkomstig lid 2 bis worden geboden in verhouding staan tot dergelijke risico's, gevaren en alle andere relevante informatie met betrekking tot de desbetreffende locatie en het stadium van de activiteiten.

Amendement  10

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis. Het creëren van duurzame producten inzake financiële zekerheid wordt door de lidstaten gestimuleerd en vergemakkelijkt.

Amendement  11

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 ter. De Commissie zendt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk [één jaar na goedkeuring van de verordening] een verslag over de beschikbaarheid van producten inzake financiële zekerheid toe, evenals voorstellen voor maatregelen om het stellen van financiële zekerheid te vereenvoudigen, overeenkomstig lid 2 bis.

Amendement  12

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – lid 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 quater. Entiteiten die een vergunning aanvragen voor offshore-olie- en -gasactiviteiten maken bewijs inzake de technische bekwaamheid en financiële draagkracht volledig openbaar, evenals alle andere relevante informatie over het betrokken gebied en het specifieke stadium van exploratie- en productieactiviteiten, en maken dit bewijs publiekelijk toegankelijk.

Amendement  13

Voorstel voor een verordening

Artikel 4 – alinea 4 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 quinquies. Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan in ecologisch opzicht kwetsbare mariene en kustgebieden, met name ecosystemen die een belangrijke rol spelen bij de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, zoals zilte kwelders en zeegrasvelden, beschermde mariene gebieden zoals de in de habitatrichtlijn of de vogelrichtlijn opgenomen speciale beschermingszones en beschermde mariene gebieden zoals bepaald door de Unie of de betrokken lidstaten in het kader van internationale of regionale overeenkomsten waarbij zij partij zijn.

Amendement  14

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Overeenkomstig Richtlijn 2004/35/EG is de vergunninghouder aansprakelijk voor de preventie en het herstel van milieuschade die wordt veroorzaakt door offshore-olie- en -gasactiviteiten van de vergunninghouder of van een entiteit die op basis van een contract met de vergunninghouder aan de offshore-olie- en -gasactiviteiten meewerkt. De vergunningsprocedure voor activiteiten uit hoofde van deze verordening doet geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van de vergunninghouder.

Overeenkomstig Richtlijn 2004/35/EG is de vergunninghouder aansprakelijk voor de preventie en het herstel van milieuschade die wordt veroorzaakt door offshore-olie- en -gasactiviteiten van de vergunninghouder of van een entiteit die op basis van een contract met de vergunninghouder aan de offshore-olie- en -gasactiviteiten meewerkt. De vergunningsprocedure voor activiteiten uit hoofde van deze verordening waarborgt dat de vergunninghouders in staat zijn alle eventuele aansprakelijkheden te dragen.

Amendement  15

Voorstel voor een verordening

Artikel 7 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Overeenkomstig Richtlijn 2004/35/EG is de vergunninghouder aansprakelijk voor de preventie en het herstel van milieuschade die wordt veroorzaakt door offshore-olie- en -gasactiviteiten van de vergunninghouder of van een entiteit die op basis van een contract met de vergunninghouder aan de offshore-olie- en -gasactiviteiten meewerkt. De vergunningsprocedure voor activiteiten uit hoofde van deze verordening doet geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van de vergunninghouder.

1. Overeenkomstig Richtlijn 2004/35/EG is de vergunninghouder, die tevens geacht wordt exploitant in de zin van de richtlijn te zijn, aansprakelijk voor de preventie en het herstel van milieuschade die wordt veroorzaakt door offshore-olie- en -gasactiviteiten van de vergunninghouder of van een exploitant die op basis van een contract met de vergunninghouder aan de offshore-olie- en -gasactiviteiten meewerkt. De vergunningsprocedure voor activiteiten uit hoofde van deze verordening doet geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van de vergunninghouder.

Amendement  16

Voorstel voor een verordening

Artikel 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 8 bis

 

Controle van de offshoreveiligheid door het Agentschap

 

1. Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), hierna "het Agentschap", verleent de Commissie en de lidstaten technische en wetenschappelijke bijstand met het oog op de minimalisering van risico's en de juiste tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Unie op het gebied van offshore-olie- en -gasveiligheid.

 

2. Het Agentschap beoordeelt krachtens deze verordening verleende vergunningen, controleert bevoegde autoriteiten en ziet toe op de inspecties en de regelingen van de lidstaten met betrekking tot de reactie op noodsituaties.

 

3. Daarnaast heeft het Agentschap de volgende bevoegdheden:

 

(i) ondersteuning van de lidstaten en de Commissie bij de opsporing van en het toezicht op de ernst en de milieueffecten van olierampen en de veiligheidsrisico's van installaties of vaartuigen die zich in de omgeving van een olieramp bevinden;

 

(ii) ondersteuning van de lidstaten bij de voorbereiding en uitvoering van rampenplannen na zware ongevallen, met name als er sprake is van grensoverschrijdende gevolgen, ook in geval van grensoverschrijdende gevolgen buiten de wateren van de Unie;

 

(iii) ondersteuning van de lidstaten bij herstel- en schoonmaakactiviteiten, en coördinatie van een grensoverschrijdende respons op noodsituaties na een zwaar ongeval, ook in geval van grensoverschrijdende gevolgen buiten de EU-wateren;

 

(iiii) ondersteuning van de lidstaten bij het onderzoeken van ongevallen waarbij offshore- olie- en gasinstallaties betrokken zijn, met inbegrip van de toetsing van corrigerende maatregelen.

 

Het Agentschap bevordert op internationaal niveau hoge veiligheidsnormen en optimale werkmethoden voor offshore-olie- en -gasactiviteiten, via passende regionale en mondiale fora.

Amendement  17

Voorstel voor een verordening

Artikel 10 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 2 en 5.

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 2 en 5, alsook een bewijs dat er rekening is gehouden met het standpunt van werknemersvertegenwoordigers en milieugroepen.

Amendement  18

Voorstel voor een verordening

Artikel 11 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 3 en 5.

1. Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie bevat de gegevens als bepaald in bijlage II, delen 3 en 5, alsook een bewijs dat er rekening is gehouden met het standpunt van werknemersvertegenwoordigers en milieugroepen.

Amendement  19

Voorstel voor een verordening

Artikel 28 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis. De Commissie, het forum voor offshore-autoriteiten van de Unie en de betrokken bevoegde autoriteiten werken met andere internationale fora en exploitanten binnen de Unie samen om de toepassing van de strengst mogelijke veiligheids- en milieunormen in de hele wereld te bevorderen.

Motivering

Er doen zich aanzienlijke handhavingsproblemen voor met betrekking tot de verplichting van in de EU gevestigde ondernemingen om zich aan EU-normen te houden wanneer zij elders in de wereld activiteiten ontplooien, met name omdat exploitanten moeten voldoen aan de wettelijke vereisten van het land/rechtsstelsel waarin zij hun activiteiten ontplooien. Exploitanten moeten er echter voor zorgen dat zij al hun activiteiten op erkende optimale werkmethoden baseren en daarnaast het lokale wettelijke kader eerbiedigen. De Commissie en het EU-forum voor offshore-autoriteiten moeten hierop nauwlettend toezien.

Amendement  20

Voorstel voor een verordening

Artikel 29 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5. De exploitant test periodiek de doeltreffendheid van de interne rampenplannen.

5. De exploitant maakt de interne rampenplannen openbaar, met inbegrip van de resultaten van de tests van de doeltreffendheid van het reactievermogen.

Amendement  21

Voorstel voor een verordening

Artikel 30 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De externe rampenplannen worden opgesteld in overeenstemming met bijlage I en V en ter beschikking gesteld van de Commissie en indien nodig van het publiek.

3. De externe rampenplannen worden opgesteld in overeenstemming met bijlage I en V en ter beschikking gesteld van de Commissie en indien nodig van het publiek, waarbij de regels voor gegevensbescherming worden geëerbiedigd.

Amendement  22

Voorstel voor een verordening

Artikel 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten stellen sancties vast voor inbreuken van de sector op deze verordening en treffen de nodige maatregelen om te waarborgen dat deze sancties ten uitvoer worden gelegd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De lidstaten stellen sancties vast voor inbreuken van de sector op deze verordening en treffen de nodige maatregelen om te waarborgen dat deze sancties ten uitvoer worden gelegd, teneinde verschillen in sancties tussen regio's te vermijden. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Amendement  23

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis. Aan artikel 2 wordt het volgende lid toegevoegd:

 

"5 bis. "mariene wateren": alle wateren waarop Richtlijn 2008/56/EG van toepassing is;"

Amendement  24

Voorstel voor een verordening

Artikel 37 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 37 bis

 

Wijziging van Richtlijn 2008/99/EG inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

 

1. Aan artikel 3 wordt de volgende letter toegevoegd:

 

"i bis) een zwaar olievervuilingsongeval."

 

2. Aan bijlage A wordt het volgende streepje toegevoegd:

 

"– Verordening XX/XX/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en -productieactiviteiten."


PROCEDURE

Titel

Veiligheid van offshore olie- en gasprospectie, - exploratie en productie

Document- en procedurenummers

COM(2011)0688 – C7-0392/2011 – 2011/0309(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ITRE

17.11.2011

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

JURI

17.11.2011

Medeverantwoordelijke commissie(s) - datum bekendmaking

24.5.2012

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Eva Lichtenberger

19.12.2011

Behandeling in de commissie

31.5.2012

10.7.2012

 

 

Datum goedkeuring

18.9.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Luigi Berlinguer, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sajjad Karim, Klaus-Heiner Lehne, Antonio Masip Hidalgo, Jiří Maštálka, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Francesco Enrico Speroni, Dimitar Stoyanov, Rebecca Taylor, Alexandra Thein, Rainer Wieland, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Piotr Borys, Eva Lichtenberger, Angelika Niebler, Dagmar Roth-Behrendt, József Szájer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Jacek Włosowicz

PROCEDURE

Titel

Veiligheid van offshore olie- en gasprospectie, - exploratie en productie

Document- en procedurenummers

COM(2011)0688 – C7-0392/2011 – 2011/0309(COD)

Datum indiening bij EP

27.10.2011

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ITRE

17.11.2011

 

 

 

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

BUDG

17.11.2011

EMPL

17.11.2011

ENVI

17.11.2011

JURI

17.11.2011

Geen advies

       Datum besluit

BUDG

18.1.2012

EMPL

15.12.2011

 

 

Medeverantwoordelijke commissie(s)

       Datum bekendmaking

ENVI

24.5.2012

JURI

24.5.2012

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Ivo Belet

24.1.2012

 

 

 

Behandeling in de commissie

30.5.2012

11.7.2012

24.9.2012

 

Datum goedkeuring

19.3.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Amelia Andersdotter, Jean-Pierre Audy, Ivo Belet, Bendt Bendtsen, Jan Březina, Maria Da Graça Carvalho, Giles Chichester, Jürgen Creutzmann, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Vicky Ford, Adam Gierek, Norbert Glante, Robert Goebbels, Fiona Hall, Jacky Hénin, Kent Johansson, Romana Jordan, Krišjānis Kariņš, Lena Kolarska-Bobińska, Bogdan Kazimierz Marcinkiewicz, Judith A. Merkies, Angelika Niebler, Jaroslav Paška, Aldo Patriciello, Vittorio Prodi, Miloslav Ransdorf, Herbert Reul, Teresa Riera Madurell, Michèle Rivasi, Salvador Sedó i Alabart, Francisco Sosa Wagner, Konrad Szymański, Ioannis A. Tsoukalas, Claude Turmes, Marita Ulvskog, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Alejo Vidal-Quadras

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Ioan Enciu, Françoise Grossetête, Jolanta Emilia Hibner, Yannick Jadot, Holger Krahmer, Bernd Lange, Werner Langen, Vladko Todorov Panayotov, Mario Pirillo, Vladimír Remek

Datum indiening

25.3.2013

Juridische mededeling - Privacybeleid