Procedure : 2011/0138(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0139/2013

Ingediende teksten :

A7-0139/2013

Debatten :

PV 10/09/2013 - 10
CRE 10/09/2013 - 10

Stemmingen :

PV 12/09/2013 - 13.3
CRE 12/09/2013 - 13.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0370

VERSLAG     ***I
PDF 436kWORD 283k
19.4.2013
PE 475.760v02-00 A7-0139/2013

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

(COM(2011)0290 – C7‑0135/2011 – 2011/0138(COD))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Agustín Díaz de Mera García Consuegra

PR_COD_1amCom

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

(COM(2011)0290 – C7‑0135/2011 – 2011/0138(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0290),

–   gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, letter a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0135/2011),

–   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0139/2013),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement  1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(1)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(3 bis)   Volledige wederkerigheid op visumgebied is een doel dat de Unie op proactieve wijze dient na te streven in het kader van haar betrekkingen met derde landen om aldus bij te dragen tot verbetering van de geloofwaardigheid en logische samenhang van het buitenlands beleid van de Unie op internationaal niveau.

(3 ter)   Wanneer van een lidstaat de mededeling wordt ontvangen dat een in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen derde land heeft besloten tot invoering van de visumplicht voor de burgers van deze lidstaat, dienen alle lidstaten gezamenlijk te reageren en aldus te zorgen voor een gemeenschappelijke reactie op een situatie die de Unie als geheel aantast en het mogelijk maakt dat haar burgers verschillend worden behandeld.

(3 quater)       Bij deze verordening dient een mechanisme te worden ingevoerd dat een tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling mogelijk maakt voor een in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen derde land in geval van een noodsituatie, waarbij een snelle reactie noodzakelijk is om de problemen op te lossen waarmee een of meer lidstaten worden geconfronteerd. Hierbij wordt rekening gehouden met het globale effect van de noodsituatie op de Unie als geheel.

(3 quinquies) Er is sprake van een wezenlijke en plotselinge toename wanneer de drempel van 50% wordt overschreden. Dit percentage kan ook lager zijn indien de Commissie zulks in het bijzondere geval waarvan de onder druk staande lidstaat kennis geeft, gerechtvaardigd acht.

(3 sexies)        Er is sprake van een laag aantal ingewilligde aanvragen wanneer het aantal ingewilligde asielaanvragen minder dan 3% bedraagt. Dit percentage kan ook hoger zijn indien de Commissie zulks gerechtvaardigd acht in het specifieke geval waarvan de onder druk staande lidstaat kennis geeft.

(3 septies)       Misbruik van de visumvrije reisregeling voor verblijven van korte duur door onderdanen van een bepaald derde land die een bedreiging vormen voor de openbare orde en de binnenlandse veiligheid van de lidstaten moet voorkomen en bestreden worden.

(3 octies)        Om te voorzien in een transparant en efficiënt mechanisme dat van toepassing is op de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van een in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen derde land, als wederkerigheidsmiddel of in geval van een noodsituatie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedelegeerde handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 met betrekking tot het derde land waarvoor het visumvereiste tijdelijk weer wordt heringevoerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, op gepaste wijze en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. In uitzonderlijke gevallen die verband houden met een noodsituatie, waarbij een snelle reactie noodzakelijk is om de problemen op te lossen waarmee een of meer lidstaten worden geconfronteerd, wordt aan de Commissie de bevoegdheid overgedragen om gedelegeerde handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 met betrekking tot het derde land waarvoor de visumverplichting tijdelijk wordt heringevoerd, overeenkomstig de spoedprocedure.

(6)         Aangezien ▌de visumvoorschriften voor personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen, waarin Verordening (EG) nr. 1932/2006 van de Raad van 21 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 voorziet, niet van toepassing zijn op deze personen als zij in het Verenigd Koninkrijk of Ierland verblijven, is het noodzakelijk dat de situatie met betrekking tot de visumplicht wordt verduidelijkt voor bepaalde personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen die in het Verenigd Koninkrijk of Ierland verblijven. Deze verordening dient de lidstaten vrij te laten om, conform hun internationale verplichtingen, te beslissen of zij al dan niet de visumplicht invoeren voor deze categorie personen. Dergelijke nationale besluiten moeten aan de Commissie worden meegedeeld.

(8)         Deze verordening moet voorzien in een rechtsgrondslag voor de instelling van de visumplicht of de vrijstelling daarvan voor houders van reisdocumenten die zijn afgegeven door bepaalde internationale rechtssubjecten die geen intergouvernementele organisaties zijn.

(8 bis)   Verordening (EG) nr. 539/2001 moet de toepassing van door de Europese Gemeenschap vóór de inwerkingtreding van die verordening gesloten internationale overeenkomsten waardoor moet worden afgeweken van de gemeenschappelijke visumvoorschriften, onverlet laten, en tegelijkertijd rekening houden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(9)         Deze verordening vormt overeenkomstig het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie een ontwikkeling van het Schengenacquis als omschreven in bijlage A bij Besluit 1999/435/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslag van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengenacquis vormen(3).

(10)       Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(4), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst(5).

(11)       Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(6), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder B, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad(7).

(12)       Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het door de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein ondertekende Protocol betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(8), die vallen onder het gebied dat is bedoeld in artikel 1, onder B, van ▌ Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit ▌ 2011/350/EU van de Raad(9).

(13)       Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis(10). Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(14)       Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis(11). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 539/2001 wordt hierbij als volgt gewijzigd:

1.        Artikel 1 wordt hierbij als volgt gewijzigd:

a bis)  lid 4 wordt vervangen door:

"4.       De invoering, herinvoering of handhaving van de visumplicht door een in de lijst van bijlage II opgenomen derde land ten aanzien van de onderdanen van een lidstaat leidt tot toepassing van de volgende bepalingen:

a)        binnen (30) dagen na de invoering door het derde land van de visumplicht of, bij handhaving van de visumplicht, binnen (30) dagen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, stelt (stellen) de betrokken lidstaat (lidstaten) het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan schriftelijk in kennis.

Deze kennisgeving:

i) bevat de datum van uitvoering van de maatregel en specificeert de betrokken soort(en) reisdocumenten en visa;

ii) bevat een uitvoerige beschrijving van de eerste maatregelen die de betrokken lidstaat/lidstaten reeds heeft/hebben genomen met het oog op vrijstelling van de visumplicht door het betrokken derde land, en alle dienstige informatie.

De Commissie maakt deze kennisgeving onverwijld bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie, met inbegrip van informatie over de datum van toepassing van de visumplicht en de betrokken soort(en) reisdocumenten en visa.

Wanneer het derde land besluit over te gaan tot vrijstelling van de visumplicht, wordt de kennisgeving niet gedaan of wordt deze ingetrokken;

b)        de Commissie onderneemt, onmiddellijk na de datum van bekendmaking van de kennisgeving en in overleg met de betrokken lidstaat, stappen bij de autoriteiten van het betrokken derde land met het oog op de herinvoering of invoering van de vrijstelling van de visumplicht, en brengt het Europees Parlement en de Raad onverwijld van die stappen op de hoogte;

c)        indien het derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen (90) dagen na de datum van bekendmaking van de kennisgeving(en) - niettegenstaande alle stappen die overeenkomstig punt (b) met name op politiek, economisch en commercieel gebied zijn gezet - kan/kunnen de betrokken lidstaat/lidstaten de Commissie verzoeken de vrijstelling van de visumplicht voor onderdanen van het betrokken derde land op te schorten.

Indien een lidstaat daarom verzoekt, stelt hij het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis;

d)        de Commissie houdt, bij de afweging van verdere stappen, rekening met het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, met de stappen die overeenkomstig punt b) zijn ondernomen met het oog op de herinvoering of invoering van de vrijstelling van de visumplicht, alsook met de gevolgen van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land;

e)        wanneer binnen 6 maanden na de datum van bekendmaking van de kennisgeving het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven, kan de Commissie, op verzoek van de lidstaat of op eigen initiatief:

           i) overeenkomstig de artikelen 4 bis en 4 ter een gedelegeerde handeling vaststellen tot wijziging van bijlage II en tot opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land voor een periode van (12) maanden; of

ii)        een verslag voorleggen aan het Europees Parlement en de Raad, waarin zij een beoordeling van de situatie geeft en uiteenzet waarom zij geen voorstel doet tot opschorting van de vrijstelling van de visumplicht. In dit verslag wordt rekening gehouden met alle relevante gegevens, zoals het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, de stappen die overeenkomstig punt b) zijn ondernomen met het oog op de herinvoering of invoering van de vrijstelling van de visumplicht, alsook met de gevolgen van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land;

f)        ▌ indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen (24) maanden na de datum van bekendmaking van de kennisgeving, stelt de Commissie overeenkomstig de artikelen 4 bis en 4 ter een gedelegeerde handeling tot wijziging van bijlage II vast, waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor een periode van 12 maanden tijdelijk wordt opgeschort voor de onderdanen van het betrokken derde land;

g)        indien het derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 6 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in punt e), punt i) of punt f) bedoelde gedelegeerde handeling, kan de Commissie een wetgevingsvoorstel indienen om het derde land van bijlage II naar bijlage I over te brengen, dat volgens de gewone wetgevingsprocedure moet worden vastgesteld;

h)       de onder punt e), punt f) en punt g) bedoelde procedures beletten de Commissie niet te allen tijde een voorstel tot wijziging van de onderhavige verordening in te dienen teneinde het betrokken derde land van bijlage II naar bijlage I over te brengen;

i)        indien het betrokken derde land de visumplicht opheft, stelt/stellen de betrokken lidstaat/lidstaten het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis. De kennisgeving wordt door de Commissie bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie. Alle overeenkomstig punt e), punt i) of punt f) vastgestelde gedelegeerde handelingen treden zeven dagen na de bekendmaking van de kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie buiten werking. Indien het betrokken derde land een visumplicht heeft ingevoerd voor de onderdanen van twee of meer lidstaten, geldt deze slechts na de laatste bekendmaking.

j)         de Commissie stelt door middel van gedelegeerde handelingen, overeenkomstig artikel 4 ter, de geëigende wijzigingen van bijlage II vast die de beëindiging van de werking van de in punt i) genoemde gedelegeerde handelingen weerspiegelen."

b ter)   lid 5 wordt geschrapt.

2.        De volgende artikelen worden ingevoegd:

"Artikel 1 bis

1.        In afwijking van artikel 1, lid 2, is ten aanzien van een in de lijst in bijlage II opgenomen derde land artikel 1, lid 1, in noodsituaties, in laatste instantie tijdelijk van toepassing indien daartoe overeenkomstig dit artikel besloten is.

2.        Een lidstaat die wordt geconfronteerd met een of meer van de volgende omstandigheden die tot een noodsituatie leiden waarin hij zelf geen verbetering kan brengen, kan de Commissie daarvan in kennis stellen:

a)        een wezenlijke en plotselinge toename ▌, binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaande jaar, in het aantal onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land waarvan wordt vastgesteld dat zij ▌op het grondgebied van de lidstaat verblijven zonder dat zij daartoe gerechtigd zijn;

b)        een wezenlijke en plotselinge toename die leidt tot specifieke druk op het asielstelsel, binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaande jaar, in het aantal asielaanvragen door onderdanen van een in de lijst in bijlage II opgenomen derde land waarvoor het aantal ingewilligde aanvragen laag is;

c)        een wezenlijke en plotselinge toename ▌, binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaande jaar, in het aantal afgewezen overnameverzoeken betreffende onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land die door een lidstaat bij dat derde land zijn ingediend.

Deze kennisgeving is met redenen omkleed en bevat alle relevante gegevens en statistieken, alsmede een uitvoerige beschrijving van de eerste maatregelen die de betrokken lidstaat reeds heeft getroffen teneinde verbetering te brengen in de situatie. De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk op de hoogte nadat zij deze kennisgeving van de betrokken lidstaat heeft ontvangen.

3.        De Commissie onderzoekt de kennisgeving(en) die een of meer lidstaten overeenkomstig lid 2 hebben gedaan, waarbij zij rekening houdt met:

a)        het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een van de in lid 2 beschreven situaties;

b)        of de toename in overeenstemming is met de punten a), b) of c) van lid 2;

c)        het globale effect van de toenames op de migratiesituatie in de Unie, zoals dat blijkt uit de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt ▌;

d)        de verslagen die door Frontex ▌, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken of Europol zijn voorbereid, indien de omstandigheden van het specifieke gerapporteerde geval dit vereisen;

e)        algemene overwegingen van openbare orde en binnenlandse veiligheid, in overleg met de betrokken lidstaat/lidstaten.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de resultaten van haar onderzoek.

3 bis.  De Commissie houdt rekening met de gevolgen van een opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land, en zoekt in nauwe samenwerking met dat derde land naar alternatieve oplossingen voor de lange termijn.

3 ter. Wanneer de Commissie op grond van het in lid 3 bis genoemde onderzoek vaststelt dat stappen genomen moeten worden, stelt zij binnen drie maanden na ontvangst van de bekendmaking overeenkomstig de artikelen 4 bis en 4 ter een gedelegeerde handeling vast tot wijziging van bijlage II en tot opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land voor een periode van (12) maanden.

Indien het in geval van een besluit tot opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land om dwingende redenen van urgentie vereist is, wordt de in artikel 4 quater bedoelde periode van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit artikel zijn vastgesteld.

4.        Voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van de gedelegeerde handeling die overeenkomstig lid 3 ter is vastgesteld, dient de Commissie, in samenwerking met de betrokken lidstaat of lidstaten, een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. Het verslag kan vergezeld gaan van een voorstel tot wijziging van deze verordening teneinde de verwijzing naar het betrokken derde land naar de lijst in bijlage I over te brengen.

Artikel 1 ter

Uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de efficiëntie van het wederkerigheids- en het opschortingsmechanisme en dient zij, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in teneinde de in de artikelen 1 en 1 bis genoemde mechanismen te wijzigen. Het Europees Parlement en de Raad nemen volgens de gewone wetgevingsprocedure een besluit over een dergelijk voorstel."

4.        Artikel 4 wordt hierbij als volgt gewijzigd:

a)        lid 1 wordt vervangen door:

"1.       Een lidstaat kan uitzonderingen op de visumplicht, bedoeld in artikel 1, lid 1, of op de vrijstelling van de visumplicht, bedoeld in artikel 1, lid 2, vaststellen ten aanzien van:

a)        houders van diplomatieke, dienstpaspoorten/officiële paspoorten of speciale paspoorten;

a bis)  civiele vliegtuig- en scheepsbemanningsleden bij de uitoefening van hun functie;

a ter)  civiele scheepsbemanningsleden die aan wal gaan en die houder zijn van een identiteitsbewijs voor zeevarenden dat is afgegeven overeenkomstig de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (nr. 108 van 13 mei 1958 of nr. 185 van 16 juni 2003) of het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie van 9 april 1965 inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee (FAL-Verdrag);

a quater)         bemannings- en andere leden van hulp- of reddingsmissies in geval van een ramp of een ongeval;

b)        civiele bemanningen van schepen die internationale binnenwateren bevaren;

c)         ▌houders van reisdocumentendie door intergouvernementele internationale organisaties waarvan een of meer lidstaten lid zijn, of door andere entiteiten die door de betrokken lidstaat zijn erkend als internationale rechtssubjecten, zijn afgegeven aan ▌ambtenaren van deze organisaties of entiteiten.".

b)        aan lid 2 wordt het volgende punt ▌ toegevoegd:

"d)       onverminderd de vereisten die voortvloeien uit de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (ondertekend te Straatsburg op 20 april 1959), personen met erkende vluchtelingenstatus, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die in het Verenigde Koninkrijk of Ierland verblijven en die houders zijn van een reisdocument dat is afgegeven door het Verenigd Koninkrijk of Ierland en dat is erkend door de betrokken lidstaat.".

5.        De volgende artikelen worden ingevoegd:

"Artikel 4 bis

1. De gedelegeerde handelingen waarnaar verwezen wordt in artikel 1, lid 4, punten e) en i), artikel 1, lid 4, punt f) en artikel 1 bis, punt 3 ter) dienen tot wijziging van bijlage II door in de verwijzing naar het betrokken derde land de data van het begin en het einde van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van dit derde land te vermelden.

2. In de gedelegeerde handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 1, lid 4, punten e) en i), artikel 1, lid 4, punt f) en artikel 1 bis, punt 3 ter), wordt een datum vastgesteld waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht in werking moet treden. Daarbij wordt rekening gehouden met de beschikbare middelen in de consulaten van de lidstaten. De datum ligt tussen zes en negen maanden na de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 4 ter, lid 4.

3. In afwijking van lid 2 is een in artikel 1 bis, punt 3 ter), tweede alinea, genoemde gedelegeerde handeling van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding, overeenkomstig artikel 4 quater.

4. De Commissie kan de geldigheidsduur van de in artikel 1, lid 4, punten e) en i), artikel 1, lid 4, punt f) en artikel 1 bis, punt 3 ter) bedoelde gedelegeerde handelingen met ten hoogste 12 maanden verlengen. Indien de Commissie een wijziging van deze verordening heeft voorgesteld teneinde de verwijzing naar het betrokken derde land overeenkomstig artikel 1, lid 4, punt g), artikel 1, lid 4, punt h), of artikel 1 bis, lid 4, naar bijlage I over te brengen, verlengt zij de geldigheidsduur van de vigerende gedelegeerde handeling met ten hoogste 12 maanden. Het besluit om de geldigheidsduur van de gedelegeerde handeling te verlengen wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4 ter. Dit besluit wijzigt bijlage II overeenkomstig lid 1.

Artikel 4 ter

1.        De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt overeenkomstig de voorwaarden van dit artikel aan de Commissie toegekend.

2.        De in artikel 1, lid 4, punten e) en i), artikel 1, lid 4, punt f) en artikel 1, lid 4, punt j) bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.        De in artikel 1, lid 4, punten e) en i), artikel 1, lid 4, punt f), en artikel 1 bis, lid 3 ter, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking maakt een einde aan de in dat besluit genoemde bevoegdheidsdelegatie. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.        Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.        Een krachtens artikel 1, lid 4, punten e) en i), artikel 1, lid 4, punt f) en artikel 1 bis, lid 3 ter, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van (twee maanden) na de datum van kennisgeving bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld niet voornemens te zijn bezwaar te maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 4 quater

1.        Overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen treden onverwijld in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en aan de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.        Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 4 ter, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit tot bezwaarmaking door het Europees Parlement of de Raad."

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement                      Voor de Raad

De voorzitter                                                 De voorzitter

(1)

* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(2)

Standpunt van het Europees Parlement van ...

(3)

      PB L 176 van 10.7.1999, blz. 1.

(4)

      PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(5)

      PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.

(6)

      PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(7)

      PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1.

(8)

     PB L 160 van 18.5.2011, blz. 21.

(9)

      PB L 160 van 18.5.2011, blz. 19.

(10)

      PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43.

(11)

    PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20.


TOELICHTING

Bij Verordening (EG) nr. 539/2001 is een lijst opgesteld van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Unie in het bezit moeten zijn van een visum, en een lijst van derde landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld. In deze verordening worden de voorwaarden vastgelegd volgens welke onderdanen van derde landen een beroep kunnen doen op de vrijstelling voor visa voor een verblijf van korte duur op het grondgebied van de Europese Unie.

Het besluit over de vrijstelling wordt genomen na een beoordeling van het betrokken land met betrekking tot onregelmatige immigratie, openbare orde en veiligheid, de externe betrekkingen van de Europese Unie, de regionale samenhang en het wederkerigheidsbeginsel.

De voorgestelde wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 heeft tot doel een visumvrijwaringsclausule in te voeren die een snelle, tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling mogelijk maakt in noodsituaties; het wederkerigheidsmechanisme te wijzigen; definities vast te leggen in overeenstemming met de communautaire visumcode; voorwaarden vast te leggen voor de visumvrijstelling voor onderdanen van een derde land, vluchtelingen en staatlozen, bepaalde categorieën onderdanen van een derde land en houders van door internationale rechtssubjecten afgegeven vrijgeleiden of paspoorten; en tot slot, de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van internationale overeenkomsten aan te pakken.

OVERWEGINGEN VAN DE RAPPORTEUR

In dit verslag dient onder meer een objectief beeld te worden gegeven van alle elementen die erin worden behandeld, waarbij niet enkel rekening wordt gehouden met het perspectief van de Unie, maar eveneens met het standpunt van de landen die niet tot de EU behoren.

Het zou tegenstrijdig zijn visa te beschouwen als noodzakelijk instrument om de toenemende onregelmatige immigratie binnen de Europese Unie in te perken en er tegelijkertijd verbaasd over te zijn dat landen die niet tot de EU behoren dezelfde voorwaarde opleggen met hetzelfde doel.

Het gemeenschappelijke visumbeleid vormt een essentieel onderdeel van het immigratiebeleid, waarmee visa een centrale rol krijgen als instrument ter bestrijding van onregelmatige immigratie.

Het voorstel tot wijziging van de verordening vormt het antwoord van de Commissie op het recente misbruik van het communautair visumstelsel. Er is gebleken dat een aanzienlijk aantal onderdanen van derde landen een beroep heeft gedaan op de visumvrijstelling om naar het grondgebied van de Unie te reizen om er, zonder afdoende redenen, te verzoeken om internationale bescherming.

Het voorstel van de Commissie is niet enkel beperkt tot de vaststelling van louter technische bepalingen, maar bevat eveneens maatregelen van politieke aard. Met de invoering van de vrijwaringsclausule, samen met het wederkerigheidsmechanisme, zullen instrumenten beschikbaar zijn die de internationale betrekkingen van de Europese Unie kunnen beïnvloeden.

Voor wat de terminologie betreft heeft het Europees Parlement reeds verschillende malen benadrukt dat immigratie die niet gebeurt in overeenstemming met de relevante wetgeving van de lidstaten niet moet worden aangeduid met de term "illegaal", maar met de adjectieven "onregelmatig" of "clandestien".

Vrijwaringsclausule: dit instrument dient te worden aangeduid met een nauwkeurigere naam, aangezien het tot doel heeft de visumvrijstelling "op te schorten" in bepaalde omstandigheden. Het zou bijvoorbeeld beter zijn te opteren voor een andere formulering, zoals "opschortingsclausule" of "opschortingsmechanisme", of om de huidige benaming gewoon te schrappen.

Ook de manier waarop de clausule zelf wordt verwoord doet een aantal vragen rijzen. In de eerste plaats is het nodig te verduidelijken of de activering ervan afhankelijk moet zijn van strikte criteria, zoals voorgesteld door de Commissie, of een meer flexibele activering van de clausule mogelijk moet zijn, zoals voorgesteld door bepaalde lidstaten.

Het lijkt logisch dat het mechanisme enkel geactiveerd moet worden ingeval van zeer specifieke noodsituaties waarin er een "aanzienlijke" en plotselinge stijging is waargenomen van het aantal onregelmatige immigranten of ongegronde verzoeken om internationale bescherming.

Het besluit over de vraag of er al dan niet sprake is van voldoende stijging, en dus of de opschorting van de visumvrijstelling moet worden toegepast, zal niet enkel worden genomen omdat de percentages die zijn vastgelegd in de voorgestelde wijziging van verordening (EG) nr. 539/2001 zijn bereikt. Er zal eveneens rekening worden gehouden met de vraag of dit wenselijk wordt geacht in het kader van de beoordelingsprocedure in elk afzonderlijk geval. De Commissie zal het verzoek van de betrokken lidstaat moeten onderzoeken, alsook de aangeleverde gegevens en statistieken, de verslagen van Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken of van Europol, afhankelijk van wat de specifieke omstandigheden van elk geval vereisen, en het globale effect van de toename op de migratiesituatie in de Unie.

Gelet op het bovenstaande is het gebruik van percentages als objectief element bij het begin van de evaluatieprocedure niet volkomen onbevredigend. De percentages moeten enkel voor dit doel worden gebruikt, namelijk om de evaluatieprocedure op te starten. Enkel nadat een volledige evaluatie is uitgevoerd van elk afzonderlijk geval, kan de Commissie besluiten of de omstandigheden in kwestie voldoende aanleiding geven om de opschorting van de visumvrijstelling toe te passen. Dergelijke omstandigheden moeten een "aanzienlijke" toename omvatten van de cijfers met betrekking tot onregelmatige immigratie of verzoeken om internationale bescherming in vergelijking met het voorgaande jaar.

Voor wat de comitéprocedure betreft, zou het wenselijk zijn dat het Europees Parlement deel kan nemen aan de procedure vanaf het moment dat de Commissie besluit een verzoek van een lidstaat te onderzoeken. Dit verzoek zou eveneens moeten worden doorgestuurd naar het Parlement. Dit betekent dat het Parlement tegelijkertijd met de Commissie moet worden geïnformeerd wanneer een lidstaat een verzoek om opschorting indient, en niet enkel wanneer het begin van de comitéprocedure wordt aangekondigd.

Wederkerigheid: dit is één van de beginselen die aan de basis liggen van het gemeenschappelijke visumbeleid. Een derde land waarvoor de visumvrijstelling geldt, moet ervoor zorgen dat burgers van de Europese Unie op dezelfde manier worden behandeld.

Hoewel dit beginsel een basis vormt voor het beleid van de Unie op dit domein, mag het niet als argument worden gebruikt om de eerlijkheid van een visumverplichting in twijfel te trekken die door een derde land is opgelegd aan burgers van een lidstaat omdat dat land van oordeel is dat de lidstaat in kwestie een bron is geworden van onregelmatige immigratie.

In deze context is het noodzakelijk de redenen te herbekijken waarom Europese burgers buiten de Europese Unie verzoeken om internationale bescherming. Los van de vraag of het al dan niet waar is dat het grootste deel van deze verzoeken enkel gebaseerd is op economische redenen, die samenhangen met de verwachtingen die worden gecreëerd door genereuze asielstelsels, dient te worden erkend dat het nodig is de Europese stelsels voor de integratie van minderheden te versterken. Dit valt onder de bevoegdheid van de lidstaten, maar dient misschien het onderwerp te vormen van gezamenlijke actie en een gedeelde aanpak in de Europese Unie.

Voor wat de wederkerigheid zelf betreft, is het duidelijk dat, ondanks de verklaringen van de Commissie, het huidige systeem, zoals gewijzigd bij Verordening nr. 851/2005, niet doeltreffend is. Hoewel het niet nodig is het automatische mechanisme dat was opgenomen in Verordening (EG) nr. 539/2001 opnieuw in te voeren, is het wel nodig het huidige mechanisme grondig te herzien met als doel te zorgen voor gezamenlijke actie en solidariteit tussen de lidstaten. Andere overwegingen, zoals de handelsbetrekkingen van de Unie, mogen de pijlers van het gemeenschappelijke visumbeleid niet ondermijnen.

In dit verband is het belangrijk de doelstellingen te bereiken die zijn opgenomen in schriftelijke verklaring 2011/2053, die in maart 2011 werd aangenomen, en waarin het Parlement de Commissie en de Raad heeft opgeroepen druk uit te oefenen op derde landen die het wederkerigheidsbeginsel niet naleven, hierbij benadrukkend dat het nodig is de visumverplichting opnieuw in te voeren wanneer geen positieve reactie wordt ontvangen van het betrokken land. Het Parlement had de Commissie met dit doel opgeroepen "een nieuw mechanisme in te voeren voor het garanderen van volledige visumwederkerigheid voor alle lidstaten, waarbij wordt gewaarborgd dat, indien een niet-EU-lidstaat inbreuk maakt op de visumwederkerigheid, alle lidstaten ogenblikkelijk de visumplicht invoeren voor burgers van dat land".

Op 14 juli 2009 heeft Canada de visumverplichting opnieuw ingevoerd voor Tsjechische burgers. Twee en een half jaar later heeft het land dit besluit nog niet ingetrokken, ondanks alle druk die de Commissie mogelijk heeft uitgeoefend.

Het feit dat het onmogelijk is gebleken een gunstige oplossing te vinden in dit specifieke geval vormt een uiterst schadelijk precedent voor het gemeenschappelijke visumbeleid van de Europese Unie en legt de zwakheden van het huidige mechanisme bloot. Daarom is het nodig te zorgen voor een mechanisme om de Europese Unie in staat te stellen om snel, maar niet automatisch, te reageren wanneer het beginsel van wederkerigheid niet wordt nageleefd.

Het zou volstaan de visumverplichting tijdelijk opnieuw in te voeren voor een redelijke periode, die echter lang genoeg is om het derde land zijn besluit te laten herbekijken en voor de Europese Unie om waarborgen te kunnen geven op het vlak van onregelmatige immigratie. Aan het einde van deze periode kan de Commissie voorstellen het land in kwestie op te nemen in bijlage I van Verordening (EG) nr. 539/2001.

De situatie van dienstverleners uit derde landen: de verwijzing naar onderdanen van een specifiek land, zoals het geval is voor Turkije, lijkt redelijk gelet op het feit dat dit momenteel een uniek geval is. Het zou echter ongepast zijn een besluit te nemen dat enkel op deze situatie betrekking heeft, met name indien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie nieuwe wijzigingen van de verordening zou vereisen wanneer gelijkaardige situaties dienen te worden onderzocht in de toekomst. Daarom is het gepast het voorstel te wijzigen door aan te geven dat rekening zal worden gehouden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, zonder te verwijzen naar de nationaliteit van niet-EU-burgers.

Overige kwesties: de overige kwesties die aan bod komen in de herziening zijn eerder van technische aard en zorgen niet voor problemen in dit opzicht.

Nieuwe definities: de definities moeten worden bijgewerkt in overeenstemming met de definities die zijn opgenomen in de visumcode, rekening houdend met de interpretatie door het Hof van Justitie van "kort verblijf".

Personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen die in het Verenigd Koninkrijk of Ierland verblijven: aangezien er tussen deze lidstaten geen wederzijdse erkenning van visa overeengekomen is noch een regeling getroffen is inzake gelijkwaardigheid met gelijkaardige instrumenten of verblijfstitels, laat het voorstel de lidstaten volledig vrij te beslissen of zij al dan niet de visumplicht instellen voor deze categorie personen.

Harmonisatie met bepaalde categorieën onderdanen van derde landen: de verordening voorziet in de mogelijkheid voor lidstaten om de visumverplichting voor bepaalde categorieën onderdanen van derde landen op te heffen, met name voor civiele vliegtuig- en scheepsbemanningsleden, en houders van diplomatieke, speciale of officiële paspoorten die zijn uitgegeven door internationale intergouvernementele organisaties of andere internationale rechtssubjecten.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (24.11.2011)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

(COM(2011)0290 – C7‑0135/2011 – 2011/0138(COD))

Rapporteur voor advies: Andrey Kovatchev

BEKNOPTE MOTIVERING

De Commissie buitenlandse zaken juicht het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr.539/2001 toe.

Zoals de Commissie nauwkeurig aangeeft in haar voorstel, moet het wederkerigheidsmechanisme worden bijgesteld zodat het volledig overeenstemt met de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

De Commissie buitenlandse zaken onderschrijft dat het huidige wederkerigheidsmechanisme efficiënt is gebleken en alleen op die punten moet worden gewijzigd die noodzakelijk zijn in het kader van de codificatie. Tevens is zij van mening dat de beraadslagingen van de Raad en het Europees Parlement moeten worden gehouden voordat de Commissie haar voorstel inzake de tijdelijke herinvoering van de visumplicht ten aanzien van de onderdanen van het betrokken derde land presenteert.

Wat betreft het voorstel voor de invoering van een vrijwaringsclausule onderkent de commissie dat louter het bestaan van deze clausule, die een algemeen kader voor de toekomst biedt, kan helpen bepaalde lidstaten die ervoor schromen de weg vrij te maken voor verdere visumversoepelingsprocessen over de streep te trekken, en de transparantie van EU-beleidsmaatregelen en besluitvormingsmechanismes ten aanzien van haar partners kan vergroten.

De commissie begrijpt dat er relatieve indicatoren, zoals voorgesteld in het nieuwe artikel 1 bis, nodig zijn, maar is niettemin van mening dat het om een aanzienlijke toename van absolute aantallen moet gaan om de vrijwaringsclausule in werking te laten treden. Zij is verheugd over de toezegging van de Commissie dat er geen sprake is van een automatische opschorting van de visumvrijstelling voor een derde land en dat de situatie per geval wordt beoordeeld, rekening houdend met het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een "noodsituatie" en met het globale effect van de toenames op de migratiesituatie in de EU.

Voorts dringt zij erop aan dat bij een beoordeling van een "noodsituatie" door de Europese Commissie rekening wordt gehouden met de bredere context van het Europees buitenlands beleid en in het bijzonder met het effect van de opschorting van een visumvrijstelling op beleidsmaatregelen van de EU en haar positie ten opzichte van het betrokken derde land en de betreffende regio. Verlening van een visumvrijstellingsregeling vormt altijd één element van de bredere betrekkingen tussen de EU en een derde land of regio. De herinvoering van een visumplicht kan daarom niet los worden gezien van deze bredere context en mag vooral niet de consistentie van het buitenlands beleid van de EU ondermijnen.

De commissie stelt derhalve voor dat de Commissie bij haar onderzoek van de kennisgeving van een lidstaat niet alleen de gegevens van de lidstaat en de verslagen van Frontex en/of het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken bekijkt, maar ook een beoordeling die is opgesteld door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO). De betreffende diensten van de Commissie, alsook Frontex en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken moeten derhalve de EDEO zo vroeg mogelijk in het proces betrekken.

AMENDEMENTEN

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Amendement  1

Voorstel voor een verordening

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1) Bij deze verordening wordt een visumvrijwaringsclausule ingevoerd die een snelle, tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling mogelijk maakt voor een in de positieve lijst opgenomen derde land in geval van een noodsituatie, waarbij een snelle reactie noodzakelijk is om de problemen op te lossen waarmee een of meer lidstaten worden geconfronteerd. Hierbij wordt rekening gehouden met het globale effect van de noodsituatie op de Europese Unie als geheel.

(1) Bij deze verordening wordt een visumvrijwaringsclausule ingevoerd die een snelle, tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling mogelijk maakt voor een in de positieve lijst opgenomen derde land in geval van een noodsituatie, waarbij een snelle reactie noodzakelijk is om de problemen op te lossen waarmee een of meer lidstaten worden geconfronteerd. Hierbij wordt rekening gehouden met het globale effect van de noodsituatie op de Europese Unie als geheel en het effect op haar buitenlands beleid ten opzichte van derde landen in geval van opschorting van de visumvrijstelling.

Motivering

Het is belangrijk te benadrukken dat eveneens rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de herinvoering van de visumplicht voor het buitenlands beleid van de EU en de betrekkingen met derde landen.

Amendement  2

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – punt 2

Verordening (EG) nr. 539/2001

Artikel 1 bis – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De leden 2 tot en met 5 van dit artikel zijn van toepassing in het geval een of meer lidstaten worden geconfronteerd met een noodsituatie die zich voordoet als er sprake is van een van de volgende omstandigheden:

1. De leden 2 tot en met 5 van dit artikel zijn van toepassing in het geval een of meer lidstaten worden geconfronteerd met een noodsituatie die zich voordoet als er sprake is van een van de volgende omstandigheden:

(d) een plotselinge toename van ten minste 50 % binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met de voorafgaande periode van zes maanden, in het aantal onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land waarvan wordt vastgesteld dat zij illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijven;

(a) een plotselinge en aanzienlijke toename, met ernstige gevolgen voor de algemene migratiesituatie in de betrokken lidstaat, binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met dezelfde periode in het voorafgaande jaar, in het aantal onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land waarvan wordt vastgesteld dat zij illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijven;

(e) een plotselinge toename van ten minste 50 % binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met de voorafgaande periode van zes maanden, in het aantal asielaanvragen door onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land waarvoor het aantal ingewilligde asielaanvragen in die voorafgaande periode van zes maanden minder dan 3 % bedroeg;

(b) een plotselinge en aanzienlijke toename, met ernstige gevolgen voor de algemene migratiesituatie in de betrokken lidstaat, binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met dezelfde periode in het voorafgaande jaar, in het aantal asielaanvragen door onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land waarvoor het aantal ingewilligde asielaanvragen in die voorafgaande periode van zes maanden minder dan 3 % bedroeg;

(f) een plotselinge toename van ten minste 50 % binnen een periode van zes maanden, in vergelijking met de voorafgaande periode van zes maanden, in het aantal afgewezen overnameverzoeken betreffende onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land die door een lidstaat bij dat derde land zijn ingediend.

(c) een plotselinge en aanzienlijke toename, met ernstige gevolgen voor de algemene migratiesituatie in de betrokken lidstaat, in vergelijking met dezelfde periode in het voorafgaande jaar, in het aantal afgewezen overnameverzoeken betreffende onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land die door een lidstaat bij dat derde land zijn ingediend.

Amendement  3

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – punt 2

Verordening (EG) nr. 539/2001

Artikel 1 bis – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De Commissie onderzoekt de kennisgeving, waarbij zij rekening houdt met het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een van de in lid 1 beschreven situaties en met het globale effect van de toenames op de migratiesituatie in de Unie, zoals dat blijkt uit de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt en uit verslagen die door Frontex en/of het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zijn voorbereid, en binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving kan de Commissie een uitvoeringsbesluit vaststellen waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land voor een periode van zes maanden wordt opgeschort. Het uitvoeringsbesluit wordt vastgesteld volgens de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 4 bis, lid 2. In het uitvoeringsbesluit wordt bepaald op welke datum de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht in werking treedt.

3. De Commissie onderzoekt de kennisgeving, waarbij zij rekening houdt met het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een van de in lid 1 beschreven situaties en met het globale effect van de toenames op de migratiesituatie in de Unie, zoals dat blijkt uit de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt en uit verslagen die door Frontex en/of het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zijn voorbereid. De Commissie houdt tevens rekening met het effect van een eventuele herinvoering van de visumplicht op het beleid van de Unie en haar positie ten opzichte van het betreffende derde land en de omringende regio, op basis van een verslag van de Europese Dienst voor extern optreden. Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving kan de Commissie een uitvoeringsbesluit vaststellen waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land voor een periode van zes maanden wordt opgeschort. Het uitvoeringsbesluit wordt vastgesteld volgens de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 4 bis, lid 2. In het uitvoeringsbesluit wordt bepaald op welke datum de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht in werking treedt.

Amendement  4

Voorstel voor een verordening

Artikel 1 – punt 2

Verordening (EG) nr. 539/2001

Artikel 1 bis – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De Commissie onderzoekt de kennisgeving, waarbij zij rekening houdt met het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een van de in lid 1 beschreven situaties en met het globale effect van de toenames op de migratiesituatie in de Unie, zoals dat blijkt uit de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt en uit verslagen die door Frontex en/of het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zijn voorbereid, en binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving kan de Commissie een uitvoeringsbesluit vaststellen waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land voor een periode van zes maanden wordt opgeschort. Het uitvoeringsbesluit wordt vastgesteld volgens de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 4 bis, lid 2. In het uitvoeringsbesluit wordt bepaald op welke datum de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht in werking treedt.

3. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad onverwijld in kennis van de ontvangst van de kennisgeving van de betrokken lidstaten en onderzoekt de kennisgeving, waarbij zij rekening houdt met het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een van de in lid 1 beschreven situaties en met het globale effect van de toenames op de migratiesituatie in de Unie, zoals dat blijkt uit de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt en uit verslagen die door Frontex en/of het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken zijn voorbereid, en binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving stuurt de Commissie de resultaten van haar onderzoek naar het Europees Parlement en de Raad, die tijdig hun advies uitbrengen, waarna de Commissie een uitvoeringsbesluit kan vaststellen waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land voor een periode van zes maanden wordt opgeschort. Het uitvoeringsbesluit wordt vastgesteld volgens de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 4 bis, lid 2. In het uitvoeringsbesluit wordt bepaald op welke datum de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht in werking treedt.

PROCEDURE

Titel

Wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

Document- en procedurenummers

COM(2011)0290 – C7-0135/2011 – 2011/0138(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

LIBE

9.6.2011

 

 

 

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

AFET

9.6.2011

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Andrey Kovatchev

21.6.2011

 

 

 

Datum goedkeuring

22.11.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Frieda Brepoels, Elmar Brok, Marietta Giannakou, Andrzej Grzyb, Takis Hadjigeorgiou, Anna Ibrisagic, Othmar Karas, Ioannis Kasoulides, Evgeni Kirilov, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Krzysztof Lisek, Sabine Lösing, Ulrike Lunacek, Barry Madlener, Francisco José Millán Mon, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Raimon Obiols, Justas Vincas Paleckis, Ioan Mircea Paşcu, Cristian Dan Preda, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, Werner Schulz, Marek Siwiec, Charles Tannock, Inese Vaidere, Kristian Vigenin

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Elena Băsescu, Tanja Fajon, Diogo Feio, Monica Luisa Macovei, Emilio Menéndez del Valle, György Schöpflin, Traian Ungureanu, Ivo Vajgl, Renate Weber, Janusz Władysław Zemke

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Luís Paulo Alves, Sylvie Guillaume, Vladimir Urutchev


PROCEDURE

Titel

Wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

Document- en procedurenummers

COM(2011)0290 – C7-0135/2011 – 2011/0138(COD)

Datum indiening bij EP

24.5.2011

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

LIBE

9.6.2011

 

 

 

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

AFET

9.6.2011

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Agustín Díaz de Mera García Consuegra

12.7.2011

 

 

 

Behandeling in de commissie

31.8.2011

29.11.2011

8.4.2013

 

Datum goedkeuring

8.4.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

7

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Edit Bauer, Emine Bozkurt, Arkadiusz Tomasz Bratkowski, Philip Claeys, Carlos Coelho, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Ioan Enciu, Frank Engel, Cornelia Ernst, Hélène Flautre, Kinga Gál, Kinga Göncz, Ágnes Hankiss, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Lívia Járóka, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Timothy Kirkhope, Monica Luisa Macovei, Véronique Mathieu Houillon, Anthea McIntyre, Nuno Melo, Claude Moraes, Georgios Papanikolaou, Jacek Protasiewicz, Carmen Romero López, Birgit Sippel, Rui Tavares, Nils Torvalds, Wim van de Camp, Josef Weidenholzer, Tatjana Ždanoka, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Jan Mulder, Salvador Sedó i Alabart, Marie-Christine Vergiat

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Preslav Borissov, Verónica Lope Fontagné, Gabriel Mato Adrover, Vittorio Prodi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra

Datum indiening

23.4.2013

Juridische mededeling - Privacybeleid