VERSLAG over verbetering van de toegang tot justitie: rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen van civiel- of handelsrechtelijke aard
30.4.2013 - (2012/2101(INI) – COM(2012)0071)
Commissie juridische zaken
Rapporteur: Tadeusz Zwiefka
PR_INI_art121
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over verbetering van de toegang tot justitie: rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen van civiel- of handelsrechtelijke aard
2012/2101(INI) Het Europees Parlement,
Het Europees Parlement,
– gezien Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen[1],
– gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 februari 2012 over de toepassing van Richtlijn 2003/8/EG tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (COM(2012)0071),
– gezien artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
– gezien het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen,
– gezien artikel 48 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0161/2013),
A. overwegende dat artikel 47, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen;
B. overwegende dat Richtlijn 2003/8/EG van de Raad bepalingen bevat die waarborgen dat burgers bij grensoverschrijdende geschillen toegang hebben tot de rechter;
C. overwegende dat de belangrijkste bepaling van die richtlijn waarborgt dat rechtsbijstand niet kan worden geweigerd om de enkele reden dat een geschil een grensoverschrijdend karakter heeft, en dat elke lidstaat dus zijn eigen rechtsbijstandssysteem kan organiseren, maar dit moet openstellen voor personen uit andere lidstaten;
D. overwegende dat de richtlijn tevens de voorwaarden vaststelt waaronder grensoverschrijdende rechtsbijstand kan worden toegekend, en dat deze voorwaarden betrekking hebben op de financiële middelen, de grond van het geschil en het grensoverschrijdende karakter van het geschil;
E. overwegende dat rechtsbijstand alleen wordt toegekend aan personen wier financiële situatie zodanig is dat zij zonder rechtsbijstand geen toegang tot de rechter hebben;
F. overwegende dat de economische situatie van een persoon wordt beoordeeld aan de hand van richtsnoeren die van kracht zijn in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld en dat een aantal lidstaten een vaste drempel heeft vastgesteld;
G. overwegende dat die drempels van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen en dat een burger die in de ene lidstaat voor rechtsbijstand in aanmerking komt, in een andere lidstaat geacht wordt deze kosten zelf te kunnen dragen; overwegende dat artikel 5, lid 4, van de richtlijn dit probleem enigszins lijkt te erkennen;
H. overwegende dat, om iets aan deze discrepanties te doen, overwogen moet worden of burgers de mogelijkheid moeten krijgen om in hun lidstaat van verblijf een verzoek om rechtsbijstand in te dienen en het verzoek ook door die lidstaat te laten beoordelen;
I. overwegende dat het voor burgers en voor de autoriteiten die de richtlijn moeten toepassen veel eenvoudiger is als burgers bij grensoverschrijdende verzoeken om rechtsbijstand mogen kiezen of hun verzoek wordt beoordeeld door hun lidstaat van verblijf of door de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd;
J. overwegende dat bij een dergelijke vrije keus de autoriteiten van de lidstaten hun eigen criteria kunnen toepassen en het verzoek niet hoeven door te sturen of de voorwaarden en richtsnoeren van andere lidstaten hoeven toe te passen;
K. overwegende dat aan burgers wier recht op rechtsbijstand is erkend door de lidstaat van verblijf een certificaat kan worden verstrekt, waarvan de geldigheid door de autoriteiten van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd, wordt erkend;
L. overwegende dat grensoverschrijdende rechtsbijstand overeenkomstig de richtlijn ook de kosten omvat die verband houden met het grensoverschrijdende karakter van het geschil, zoals de kosten van tolken, kosten voor vertaling en reiskosten;
M. overwegende dat de uitleg over de beschikbare rechtsbijstand voor burgers in een van de talen van de Unie moet kunnen worden gegeven, om te waarborgen dat de burger wordt geïnformeerd in een taal die hij begrijpt;
N. overwegende dat het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen vergelijkbare bepalingen bevat op internationaal niveau, maar in slechts 17 van de 27 lidstaten van kracht is;
O. overwegende dat de overige lidstaten daarom aangespoord moeten worden tot ondertekening of ratificatie van dit verdrag;
Toepassing van Richtlijn 2003/8/EG
1. complimenteert de Commissie met de indiening van het verslag over de toepassing van Richtlijn 2003/8/EG;
2. betreurt dat de Commissie niet specifiek ingaat op de Europese procedures waarop de richtlijn inzake rechtsbijstand eveneens van toepassing is, zoals bijvoorbeeld de Europese procedure voor geringe vorderingen, ofschoon de toepassing van de richtlijn op die procedure in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 zeer wel had kunnen worden onderzocht;
3. stelt met tevredenheid vast dat alle lidstaten de richtlijn hebben omgezet; constateert echter dat er tussen de lidstaten enkele interpretatieverschillen bestaan met betrekking tot de werkingssfeer van de richtlijn;
4. wijst erop dat in een volgend verslag de aantallen gevallen en hun onderwerp moeten worden vermeld, opgesplitst naar land, zodat een gedetailleerder en preciezer beeld wordt verkregen van de wijze waarop het instrument toepassing vindt;
Meer bekendheid geven aan het recht op grensoverschrijdende rechtsbijstand
5. betreurt dat relatief weinig burgers en beoefenaars van juridische beroepen op de hoogte zijn van de bij de richtlijn verleende rechten;
6. verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om meer bekendheid te geven aan het recht op grensoverschrijdende rechtsbijstand in burgerlijke en handelszaken, en daarmee het vrij verkeer van personen te bevorderen;
7. erkent dat er goed werk is verricht door het Europese e-justitieportaal en het Europees justitieel netwerk, alsook door e-Codex (e-justice Communication via Online Data Exchange), met name wat betreft de beschikbaarheid van de formulieren voor rechtsbijstand op het Europese e-justitieportaal, zoals omschreven in Richtlijn 2003/8/EG van de Raad; dringt echter aan op meer duidelijkheid en gemakkelijke toegang tot deze formulieren voor rechtsbijstand en de nationale formulieren voor rechtsbijstand op al deze platforms, met inbegrip van duidelijke en praktische informatie over hoe men in de verschillende lidstaten het best rechtsbijstand kan aanvragen in grensoverschrijdende geschillen in burgerlijke en handelszaken;
8. verzoekt de Commissie en de lidstaten voorts om een doeltreffende informatiecampagne te starten om een groot aantal potentiële begunstigden en beoefenaars van juridische beroepen te kunnen bereiken;
9. meent dat andere Europese procedures, zoals de Europese procedure voor geringe vorderingen of de Europese betalingsbevelprocedure, weinig bekendheid genieten en zeker niet meer profiel zullen krijgen zolang aan het huidige voorlichtingsbeleid wordt vastgehouden;
10. wijst erop dat om het publiek toegang te geven tot informatie over rechtsbijstand, gebruik kan worden gemaakt van moderne technologieën en communicatiemiddelen; beveelt de Commissie en de lidstaten derhalve aan gebruik te maken van een groot aantal verschillende communicatiekanalen, waaronder campagnes via internet en interactieve platforms zoals het e-justitieportaal, als kostenefficiënte manieren om de burgers te bereiken;
11. wijst erop dat de tijdelijke en permanente opslagmogelijkheid voor de nodige formulieren voor rechtsbijstand met het oog op de continuïteit van aanhangige procedures verbetering behoeft, evenals de formulieren voor andere procedures, met name de Europese procedure voor geringe vorderingen en de Europese betalingsbevelprocedure, waarbij er onder meer voor moet worden gezorgd dat zij in alle talen even zichtbaar zijn, ook op de website van de "Europese justitiële atlas voor burgerlijke zaken" en op het Europese e-justitieportaal; dringt bij de Commissie aan op onmiddellijke maatregelen hiervoor;
Het waarborgen van deskundige rechtsbijstand
12. is van oordeel dat er databanken moeten worden opgezet van beoefenaars van juridische beroepen met voldoende talenkennis en kennis op het gebied van vergelijkend recht om rechtsbijstand in grensoverschrijdende rechtszaken te kunnen verlenen, om er op die manier voor te zorgen dat rechtsbijstand wordt geleverd door personen die daartoe gekwalificeerd zijn; beschouwt bestaande grensoverschrijdende juridische databanken, zoals het platform Find-a-Lawyer, als voorbeelden van goede praktijken op dit gebied en dringt aan op verdere ontwikkeling van deze instrumenten, met als uiteindelijk doel de integratie daarvan in een databank van beoefenaars van juridische beroepen op het e-justitieportaal;
13. is van oordeel dat het wenselijk is cursussen te organiseren om beoefenaars van juridische beroepen bij te scholen op het gebied van grensoverschrijdende geschillen en daarbij de nadruk te leggen op taalonderwijs en vergelijkend recht; spoort de Commissie aan om met de lidstaten samen te werken ter bevordering van specifieke training voor advocaten die rechtsbijstand verlenen;
14. ziet in dat rechtsbijstand en bijscholing kosten voor de lidstaten met zich meebrengen, en dat de financieringsmogelijkheden hiervoor in het huidige economische klimaat in veel lidstaten beperkt zullen zijn; verzoekt de Europese Commissie daarom de lidstaten waar mogelijk van financiële middelen te voorzien, om te zorgen voor consistente juridische bijscholing op hoog niveau met betrekking tot grensoverschrijdende rechtsbijstand in burgerlijke en handelszaken;
De toepassing van de richtlijn verbeteren ten bate van de burgers
15. benadrukt dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat de procedures voor het indienen van een verzoek om rechtsbijstand eenvoudig zijn, zodat burgers dat zelf kunnen doen, zonder hulp van een juridisch adviseur; stelt voor dat de burgers die met deze procedures te maken krijgen automatisch worden ingelicht over het bestaan van het e-justitieportaal, zodat zij gemakkelijker toegang hebben tot relevante informatie;
16. acht het raadzaam om naar het voorbeeld van bestaande nationale rechtsbijstandstelsels één enkele autoriteit met verantwoordelijkheid voor grensoverschrijdende rechtsbijstand aan te wijzen, met een centraal bureau in elke lidstaat, waar verzoeken om rechtsbijstand in ontvangst worden genomen en verder geleid;
17. is van oordeel dat voor het vaststellen van de economische criteria voor het verlenen van rechtshulp meer moet worden gelet op de verschillen in kosten voor levensonderhoud in de diverse lidstaten, waarbij de wijze waarop die verschillen worden meegerekend nader moet worden gespecificeerd;
18. stelt voor personen die een verzoek om rechtsbijstand willen indienen de vrije keus te bieden om dat in hun lidstaat van verblijf of in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd te doen; merkt op dat de autoriteiten van elke lidstaat in het kader van een dergelijke regeling bij de beoordeling van verzoeken om rechtsbijstand dan hun eigen criteria kunnen toepassen;
19. vindt dat een besluit tot toekenning van rechtsbijstand, genomen door de autoriteiten van een lidstaat van verblijf en gestaafd door een gemeenschappelijk certificaat, ook rechtskracht dient te hebben in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of de beslissing ten uitvoer wordt gelegd;
20. meent dat de kosten van of in verband met eventuele verplichte verschijning voor een rechter of andere autoriteit die het verzoek om rechtsbijstand beoordeelt eveneens door de rechtsbijstandregeling moeten worden gedekt;
21. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bijzondere aandacht te schenken aan de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, om erop toe te zien dat met hun behoeften rekening wordt gehouden;
22. verzoekt de Commissie een voorstel tot wijziging van de richtlijn in te dienen conform het hierboven gestelde, teneinde strengere gemeenschappelijke normen voor grensoverschrijdende rechtsbijstand tot stand te brengen;
Het bevorderen van alternatieve vormen van rechtsbijstand
23. dringt er bij de lidstaten op aan efficiëntere regelingen voor de samenwerking tussen overheidsinstanties en niet-gouvernementele organisaties te ontwikkelen om rechtsbijstand en juridisch advies voor burgers toegankelijker te maken;
24. wenst dat er een waarschuwingssysteem wordt opgezet tussen nationale rechterlijke instanties, zodat ook andere lidstaten kennis kunnen nemen van een in een bepaalde lidstaat ingediend verzoek om rechtsbijstand;
25. stelt voor dat de Commissie, lidstaten en juridische beroepsorganen en -organisaties, zoals de Europese en nationale balies, nauwer samenwerken;
26. spreekt zijn waardering uit voor de talrijke initiatieven op het gebied van kosteloze rechtsbijstand die hun nut in de praktijk hebben bewezen, waaronder organisaties die pro bono werken of bureaus voor rechtshulp;
27. spoort de lidstaten aan te zorgen voor beschikbaarheid van en eenvoudige toegang tot rechtsbijstand in de precontentieuze fase, zoals advisering over alternatieve geschillenbeslechting, die vaak veel goedkoper is en sneller verloopt dan een procedure voor de rechter;
De internationale aspecten van rechtsbijstand
28. verzoekt de lidstaten die het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen nog niet hebben ondertekend en/of geratificeerd dat alsnog te doen, omdat daardoor de toegang van burgers tot de rechter buiten de Europese Unie verbetert;
o
o o
29. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.
- [1] PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41.
TOELICHTING
Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende de rechtsbijstand bij die geschillen is voor de Europese burgers een zeer belangrijke wettekst, aangezien deze richtlijn ertoe strekt de minder bedeelde leden van de samenleving ook toegang tot de rechter in andere lidstaten te geven, bijvoorbeeld wanneer zij hun recht op vrij verkeer uitoefenen of gebruik maken van de interne markt.
1. Toepassing van de richtlijn
De richtlijn wordt sedert 2004 toegepast. In 2012 diende de Commissie voor het eerst een verslag in over de toepassing van de richtlijn.
De rapporteur is ingenomen met het verslag van de Commissie en stelt met tevredenheid vast dat de Commissie heeft geconstateerd dat de lidstaten de richtlijn over het algemeen met succes toepassen. De Commissie merkt op dat een aantal lidstaten afzonderlijke bepalingen niet volledig heeft omgezet; in die gevallen moet de Commissie gebruik maken van de bevoegdheden die zij uit hoofde van de Verdragen heeft om te waarborgen dat het recht van de Unie wordt toegepast.
De richtlijn is uitsluitend van toepassing op burgerlijke en handelszaken en ziet met name niet op strafzaken en publiekrechtelijke geschillen. De begrippen burgerlijke zaak en handelszaak moeten worden uitgelegd conform de zelfstandige definitie van deze begrippen binnen het EU-recht, hetgeen inhoudt dat het kan voorkomen dat geschillen die in sommige lidstaten worden beschouwd als publiekrechtelijk geschil, toch onder de bepalingen van de richtlijn vallen.
2. Bekendheid van de richtlijn bij de burgers
Het belangrijkste probleem met betrekking tot de richtlijn is de onbekendheid ervan. De Commissie heeft vastgesteld dat slechts 12% van de burgers op de hoogte is van het recht op grensoverschrijdende rechtsbijstand[1]. Als burgers niet weten dat zij in bepaalde gevallen aanspraak kunnen maken op grensoverschrijdende rechtsbijstand, zullen zij in een dergelijke situatie naar alle waarschijnlijkheid van dat recht geen gebruik maken.
Het is daarom belangrijk maatregelen te treffen om de kennis over grensoverschrijdende rechtsbijstand, en met name bij beoefenaars van juridische beroepen, te verbeteren.
3. Praktische verbeteringen
Als rechtsbijstand wordt toegekend en een raadsman wordt aangewezen, kan het voorkomen dat de raadsman en de cliënt moeite hebben met communiceren omdat zij onvoldoende talenkennis hebben of onbekend zijn met elkaars rechtsstelsels. Er moeten dan ook maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat in zo'n geval een raadsman wordt aangewezen die de taal van de begunstigde voldoende beheerst en kennis heeft van het buitenlandse rechtsstelsel. Daartoe kunnen bijvoorbeeld databanken worden opgezet van beoefenaars van juridische beroepen met die vaardigheden, daar waar dergelijke databanken nog niet bestaan.
Om de deskundigheid verder te verbeteren, kunnen de lidstaten overwegen om binnen hun jurisdictie één autoriteit aan te wijzen, belast met de verzending en ontvangst van de verzoeken, om er op die manier voor te zorgen dat de functionarissen die deze zaken behandelen voldoende ervaring hebben. Als verzoeken om grensoverschrijdende rechtsbijstand gedecentraliseerd worden beoordeeld, krijgen personen die zich met de behandeling hiervan bezighouden slechts een gering aantal dossiers onder ogen, zodat het gevaar bestaat dat zij onvoldoende ervaring hebben om de verzoeken op de juiste wijze te beoordelen.
Een ander actueel probleem is dat de lidstaten voor de toekenning van rechtsbijstand verschillende drempels en richtsnoeren hanteren. Het gevolg hiervan is dat personen die in de lidstaat van verblijf recht hebben op rechtsbijstand, dat niet altijd hebben in de lidstaat waar een geschil ontstaat.
Met het oog hierop en omdat het voor de autoriteiten van de lidstaat van verblijf wellicht gemakkelijker is om met de verzoeker te communiceren en zijn financiële situatie te boordelen, wil de rapporteur een nieuw voorstel doen: verzoekers moeten kunnen kiezen of zij een verzoek om rechtsbijstand indienen in de lidstaat van verblijf of in de lidstaat waar de rechtsbijstand nodig is. Daarbij kan iedere autoriteit zijn eigen drempels en richtsnoeren toepassen. Indien rechtsbijstand wordt toegekend door de autoriteit van de lidstaat van verblijf, dient de burger een certificaat te worden verstrekt waaruit zijn recht op rechtsbijstand blijkt. Dat certificaat moet dan door de autoriteiten van de andere lidstaat worden geëerbiedigd, zonder dat het verzoek opnieuw beoordeeld wordt.
Deze werkwijze is voor de burgers (en de betrokken autoriteiten) veel gemakkelijker en bovendien een stuk sneller.
De Commissie wordt daarom verzocht een voorstel tot wijziging van de richtlijn in te dienen overeenkomstig het hierboven gestelde.
5. Internationale betrekkingen
Het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter bevat vergelijkbare bepalingen inzake het recht op rechtsbijstand, die van toepassing zijn op internationaal niveau. Het aantal staten waar dit verdrag van kracht is, is nog relatief klein, maar wordt wel steeds groter. Van de 27 lidstaten passen slechts 17 dit verdrag toe. De lidstaten moeten aangemoedigd worden het verdrag te ondertekenen, indien nodig bij een besluit van de Raad, omdat hun burgers dan eveneens gebruik kunnen maken van het recht op rechtsbijstand in een aantal derde landen.
- [1] Eurobarometer nr. 351: http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/ebs/ebs_351_en.pdf.
ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (12.4.2013)
aan de Commissie juridische zaken
inzake de verbetering van de toegang tot justitie: rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen van civiel- of handelsrechtelijke aard
2012/2101(INI) Het Europees Parlement,
Rapporteur voor advies: Hans-Peter Mayer
SUGGESTIES
De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:
1. betreurt dat een eerste verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 2003/8/EG niet eerder werd aangevraagd dan in 2010, en pas in 2012 aan het Europees Parlement is toegezonden, en dat de tekortkomingen van de richtlijn bijgevolg pas tien jaar na de inwerkingtreding ervan konden worden geanalyseerd;
2. betreurt dat de Commissie niet specifiek ingaat op de Europese procedures waarop de richtlijn inzake rechtsbijstand eveneens van toepassing is, zoals bijvoorbeeld de Europese procedure voor geringe vorderingen, ofschoon de toepassing van de richtlijn op die procedure in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 zeer wel had kunnen worden onderzocht;
3. betreurt het dat in de lidstaten niet alleen consumenten en ondernemingen, maar ook beoefenaars van de juridische beroepen en consumentenbeschermingsorganisaties voor het merendeel slechts bekend zijn met de rechtsbijstandsregelingen in eigen land, en niet met die op Europees niveau;
4. meent dat andere Europese procedures, zoals de Europese procedure voor geringe vorderingen of de Europese betalingsbevelprocedure, ook al weinig bekendheid genieten en zeker niet meer profiel zullen krijgen zolang aan het huidige voorlichtingsbeleid wordt vastgehouden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken over rechtsbijstand in een vroeg stadium en over het gebruik van alternatieve methoden voor geschillenbeslechting;
5. pleit voor samenstelling van een moderne, gebruikersvriendelijke en EU-wijde pool van rechtshulpverleners waar rechtsbijstandsgerechtigden een advocaat kunnen vinden; acht het daarbij nodig dat de talen die de deelnemende advocaten spreken en de rechtsstelsels waarmee zij bekend zijn, worden vermeld; spoort de Commissie aan om met de lidstaten samen te werken ter bevordering van specifieke training voor advocaten die rechtsbijstand verlenen;
6. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bijzondere aandacht te schenken aan de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, om erop toe te zien dat met hun behoeften rekening wordt gehouden;
7. acht het raadzaam om naar het voorbeeld van bestaande nationale rechtsbijstandstelsels één enkele autoriteit met verantwoordelijkheid voor grensoverschrijdende rechtsbijstand aan te wijzen, met een centraal bureau in elke lidstaat, waar verzoeken om rechtsbijstand in ontvangst worden genomen en verder geleid;
8. wijst erop dat in een volgend verslag de aantallen gevallen en hun materie moeten worden vermeld, opgesplitst naar land, zodat een gedetailleerder en preciezer beeld wordt verkregen van de wijze waarop het instrument toepassing vindt;
9. wijst erop dat de tijdelijke en permanente opslagmogelijkheid voor de nodige formulieren voor rechtsbijstand met het oog op de continuïteit van aanhangige procedures verbetering behoeft, evenals de formulieren voor andere procedures, met name de Europese procedure voor geringe vorderingen en de Europese betalingsbevelprocedure, waarbij er onder meer voor moet worden gezorgd dat zij in alle talen even zichtbaar zijn, ook op de website van de "Europese justitiële atlas voor burgerlijke zaken" en op het Europese e-justitieportaal; dringt bij de Commissie aan op onmiddellijke maatregelen hiervoor;
10. onderstreept dat het in het verslag genoemde Europese justitiële netwerk voor zaken van civielrechtelijke en handelsrechtelijke aard weliswaar informatie over de rechtshulp geeft, maar dat deze gegevens op 12 juli 2007 voor het laatst werden bijgewerkt;
11. is van oordeel dat voor het vaststellen van de economische criteria voor het verlenen van rechtshulp meer moet worden gelet op de verschillen in kosten voor levensonderhoud in de diverse lidstaten, waarbij de wijze waarop die verschillen worden meegerekend nader moet worden gespecificeerd;
12. onderstreept dat de economische criteria voor het ontvangen van rechtsbijstand moeten worden verbeterd en verduidelijkt om ongelukkige interpretatieverschillen te voorkomen, bijvoorbeeld wanneer de lidstaat van oorsprong het recht op bijstand bevestigt, terwijl de bevoegde rechterlijke instantie dit recht ontzegt, of omgekeerd, of wanneer een in een andere lidstaat woonachtige aanvrager als bewijs van zijn economische situatie documenten overlegt die in de lidstaat waar om rechtsbijstand wordt gevraagd, moeilijk te beoordelen zijn;
13. meent dat de kosten van of in verband met eventuele verplichte verschijning voor een rechter of andere autoriteit die het verzoek om rechtsbijstand beoordeelt eveneens door de rechtsbijstandregeling moeten worden gedekt;
14. spoort de lidstaten aan zich meer in te spannen om te voldoen aan Richtlijn 2003/8/EG (informatie);
15. vraagt de Commissie om te werken aan Europese voorlichtingscampagnes, gericht op zowel het algemene publiek als de juridische beroepsgroep; vraagt de lidstaten effectievere maatregelen te nemen om consumenten, ondernemers en de verschillende instanties voor sociale bijstand beter te informeren omtrent de Europese maatregelen betreffende grensoverschrijdende civiel- en handelsrechtelijke geschillen en de mogelijkheden die in dit verband voor hen openstaan, met name op het punt van recht op rechtsbijstand;
16. is van mening dat de lidstaten zich moeten inzetten voor het gebruik van kostenbesparende en modernere communicatiemiddelen voor oplossing van rechtsgeschillen, ook in de gevallen waar op EU-rechtsbijstand een beroep wordt gedaan, niet in de laatste plaats ook gezien de gestage groei van de interne markt; dringt bij de Commissie aan op financiële en morele ondersteuning voor die inzet;
17. vraagt de Commissie een herzien voorstel voor te leggen waarin de zwakke punten, gebrekkige interpretaties en witte plekken die zij in haar verslag (COM(2012) 0071) signaleert, worden verholpen, en ook te zorgen voor verdere harmonisatie in de wetgeving van de lidstaten om verdere misverstanden en leemten in de wetgeving te voorkomen;
18. dringt er bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat de lidstaten die de bepalingen na bijna tien jaar nog altijd niet volledig hebben omgezet, dit nu onverwijld doen;
19. verzoekt de lidstaten die het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen nog niet hebben ondertekend en/of geratificeerd dat alsnog te doen.UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
11.4.2013 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
27 0 1 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Adam Bielan, Preslav Borissov, Jorgo Chatzimarkakis, Sergio Gaetano Cofferati, Birgit Collin-Langen, Lara Comi, António Fernando Correia de Campos, Cornelis de Jong, Christian Engström, Vicente Miguel Garcés Ramón, Philippe Juvin, Hans-Peter Mayer, Franz Obermayr, Sirpa Pietikäinen, Mitro Repo, Zuzana Roithová, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Catherine Stihler |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Jürgen Creutzmann, Ashley Fox, María Irigoyen Pérez, Emma McClarkin, Sylvana Rapti, Olle Schmidt, Olga Sehnalová, Sabine Verheyen |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Jutta Steinruck |
||||
UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
|
Datum goedkeuring |
25.4.2013 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
24 0 0 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Luigi Berlinguer, Sebastian Valentin Bodu, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Sajjad Karim, Klaus-Heiner Lehne, Antonio Masip Hidalgo, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Dimitar Stoyanov, Rebecca Taylor, Alexandra Thein, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Piotr Borys, Eva Lichtenberger, Angelika Niebler, József Szájer |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Sylvie Guillaume, Jürgen Klute, Jacek Olgierd Kurski, Andrés Perelló Rodríguez |
||||