Procedure : 2012/2320(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0193/2013

Ingediende teksten :

A7-0193/2013

Debatten :

PV 01/07/2013 - 24
CRE 01/07/2013 - 24

Stemmingen :

PV 02/07/2013 - 9.4

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0291

VERSLAG     
PDF 158kWORD 96k
19.6.2013
PE 508.182v03-00 A7-0193/2013

over het eerste jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de activiteiten van de exportkredietinstellingen van de lidstaten

(2012/2320(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Yannick Jadot

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het eerste jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de activiteiten van de exportkredietinstellingen van de lidstaten

(2012/2320(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten en tot intrekking van de Beschikkingen 2001/76/EG en 2001/77/EG van de Raad(1),

–   gezien het voorstel voor een gedelegeerde Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten (C(2013)1378),

–   gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over financiering van de handel en investeringen van kleine en middelgrote ondernemingen uit de EU: vereenvoudigde toegang tot krediet ten behoeve van internationalisering(2),

–   gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over een nieuw handelsbeleid voor Europa in het kader van de EUROPA 2020-strategie(3),

–   gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over het toekomstig Europees internationaal investeringsbeleid(4),

–   gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(5),

–   gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(6),

–   gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(7),

–   gezien het EU-Handvest van de grondrechten (2010/C 83/02),

–   gezien de mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 12 december 2011 (COM(2011)0886),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 getiteld "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie" (COM(2010)0573),

–   gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van de Europese Raad van 26 juni 2012 (11855/2012),

–   gezien het briefingdocument van de beleidsondersteunende afdeling van het Parlement met als titel "Benchmarks inzake mensenrechten voor het extern beleid van de EU" (EXPO/B/DROI/2011/15),

–   gezien de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten van 16 juni 2011 (HR/PUB/11/04, 2011 United Nations),

–   gezien het voorstel van 16 april 2013 van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (COM(2013)0207),

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A7‑0193/2013),

A. overwegende dat de exportkredietprogramma's van de lidstaten een belangrijk instrument vormen om de handels- en zakenmogelijkheden voor Europese bedrijven te verbeteren;

B.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten jaarlijkse verslagleggingsvereisten van de lidstaten aan de Commissie worden gespecificeerd en bevoegdheden worden gedelegeerd aan de Commissie, om een zo snel mogelijke omzetting van wijzigingen aan de toepasselijke OESO-regelingen in EU-recht te realiseren;

C. overwegende dat krachtens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie;

D. overwegende dat de beginselen over hoe de Unie haar betrekkingen met de rest van de wereld moet organiseren en de grondbeginselen van het optreden van de Unie op de internationale scene zijn opgenomen in artikelen 3 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), dat een bindende overeenkomst is tussen de lidstaten;

E.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 12 december 2011 wordt bevestigd dat "Europese ondernemingen moeten worden aangespoord zorgvuldigheid te betrachten en ervoor te zorgen dat zij bij de uitoefening van hun activiteiten de mensenrechten in acht nemen";

F.  overwegende dat in het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van de Europese Raad wordt bekrachtigd dat de EU de mensenrechten zal bevorderen op alle gebieden van haar externe optreden, zonder uitzondering;

G. overwegende dat het EU-Handvest van de grondrechten juridisch bindend is voor de EU‑instellingen en ‑lidstaten, behalve voor de lidstaten die een opting-outclausule hebben, wanneer zij EU-recht ten uitvoer leggen en overwegende dat in de strategie van de Commissie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie expliciet wordt erkend dat het Handvest van toepassing is op het extern optreden van de EU;

H. overwegende dat de Unie en haar lidstaten ingenomen waren met de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, waarvan in richtsnoer 4 over de betrekkingen tussen de overheid en het bedrijfsleven expliciet wordt verwezen naar exportkredietinstellingen;

I.   overwegende dat exportkredietsteun vaak wordt verleend aan grote projecten die moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot commerciële kredieten wegens grote commerciële, economische of milieurisico's, waarvoor exportkredietinstellingen (Export Credit Agencies, ECAs) overeenkomstig de prijs moeten vaststellen;

J.   overwegende dat de Commissie op 14 maart 2013 een gedelegeerde Verordening tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1233/2011 heeft voorgesteld;

1.  is verheugd over de moeite van de Commissie om overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1233/2011 een kader uit te werken voor de jaarlijkse rapportage van de lidstaten over hun exportkredietactiviteiten teneinde de transparantie op EU-niveau te verhogen; benadrukt dat de belangrijkste doelstelling van deze verslaglegging is te controleren of de exportkredietinstellingen van de lidstaten de internationale regels voor exportkredieten en de EU-verdragsverplichtingen naleven;

2.  erkent de informele ontvangst op 14 december 2012 van het eerste jaarverslag van de Commissie over de activiteiten van de exportkredietinstellingen van de lidstaten, waarin de antwoorden worden geëvalueerd van de 20 van de 27 lidstaten die actieve exportkredietprogramma's hebben, alsmede de ontvangst van de verslagen van deze lidstaten als bijlage; Commissie heeft sindsdien deze documenten goedgekeurd, zodat zij openbaar kunnen worden gemaakt ter vervulling van de doelstelling van de basisverordening om de transparantie te verhogen;

3.  looft het feit dat in het verslag van de Commissie duidelijk wordt aangegeven hoe groot en belangrijk de exportkredietactiviteiten van de lidstaten in 2011 waren, die opliepen tot een totaal risico van meer dat 250 miljard EUR – met inbegrip van 260 transacties die volgens melding hoge milieugevolgen hebben – en die aanzienlijke handels- en zakenmogelijkheden opleverden voor Europese bedrijven;

4.  erkent dat de EU-lidstaten in hun jaarlijks activiteitenverslag de financiële en operationele informatie over exportkredieten aan de Commissie hebben verstrekt, die wordt vereist in het eerste lid van bijlage I van Verordening (EU) nr. 1233/2011;

5.  benadrukt, in verband met de schaal van de exportkredietactiviteiten van de lidstaten, het belang van overweging 4 van Verordening (EU) nr. 1233/2011, waarin de lidstaten worden opgeroepen zich te houden aan de algemene uitgangspunten van de Unie voor het externe optreden, zoals consolidering van de democratie, eerbiediging van de mensenrechten, samenhang in het ontwikkelingsbeleid en bestrijding van klimaatverandering; herinnert in deze zin aan het belang van de specifieke rapportagevereisten in bijlage I van de verordening om ervoor te zorgen dat de Commissie en het Parlement kunnen beoordelen of de lidstaten zich hieraan houden;

6.  benadrukt dat de jaarverslagen van de lidstaten en de evaluatie van de Commissie van deze verslagen nog niet voldoen aan de intentie van het Parlement om te kunnen beoordelen of de exportkredietactiviteiten van de lidstaten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het buitenlands beleid van de Unie, zoals vastgelegd in artikelen 3 en 21, en met de van kracht zijnde verordeningen voor de behandeling van milieurisico's in de berekening van de premies van de ECA's;

7.  is verheugd over de "duidelijke, algemene bereidheid" van de zijde van de lidstaten – vermeld door de Commissie in het huidige jaarverslag – om "op hun exportkredietprogramma's een beleid toe te passen waarvan de doelstellingen overeenstemmen met de algemene formuleringen van artikelen 3 en 21"; looft de inspanningen van sommige lidstaten, met inbegrip van Duitsland, Italië, België, Nederland, voor een betekenisvollere verslaglegging over de inachtneming van sommige doelstellingen van het externe optreden van de Unie;

8.  erkent dat de Commissie in staat moet zijn te beoordelen of de exportkredietactiviteiten van de lidstaten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het externe optreden van de Unie en beveelt daarom aan dat moet worden nagegaan of de door de overheid gesteunde exportkredietinstellingen een al dan niet doeltreffend beleid hebben om ervoor te zorgen dat hun activiteiten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het externe optreden van de Unie;

Benchmarks voor de inachtneming van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie door de ECA's

9.  deelt de vaststelling van de Commissie in het jaarverslag dat "het moeilijk is precieze benchmarks te definiëren om de inachtneming van het EU-recht te meten"; herhaalt echter dat de bepalingen van artikel 21 de belangrijkste benchmark blijven vormen waartegen het beleid van toepassing op exportkrediettransacties moet worden geëvalueerd;

10. benadrukt dat de Unie alleen een betrouwbare en sterke globale speler zal zijn als de lidstaten en de Europese instellingen een consistent extern beleid voeren;

11. beveelt de Groep exportkredieten van de Raad en de Commissie aan de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) te raadplegen om een methodologie te ontwikkelen voor een betekenisvolle rapportage over de overeenstemming met artikel 21 en over de toepassing in de EU van bepaalde OESO-richtsnoeren op het vlak van door de overheid gesteunde exportkredieten, vóór het volgende jaarverslag wordt verwacht; dringt erop aan dat openbare raadpleging deel uitmaakt van dit proces;

12. acht het van essentieel belang de lidstaten op te roepen toezicht te houden op en melding te maken van het bestaan, de resultaten en de doeltreffendheid van zorgvuldigheidsprocedures bij de screening van officieel door exportkredieten gesteunde projecten met betrekking tot hun potentiële impact op mensenrechten;

13. is zich ervan bewust dat ECA's vertrouwen op de informatie die hun projectpartners verschaffen; is ervan overtuigd dat als een gestructureerde aanpak van zorgvuldigheidsprocedures door de ECA's wordt vereist opdat de projectpartners in aanmerking zouden komen voor projectfinanciering, zij het op prijs zouden stellen deze zelf uit te voeren, en daardoor bijkomende administratieve kosten voor de ECA's zouden worden voorkomen;

14. meent dat vooruitgang in de rapportage over de eerbiediging van mensenrechten door de ECA's een voorloper is voor betere rapportage over andere in artikel 21 vastgestelde doelstellingen van het Europees extern optreden, zoals de bestrijding van armoede en de behandeling van milieurisico's;

Rapportage over de behandeling van milieurisico's in de berekening van de premies van de ECA

15 roept de ECA's van de lidstaten op te blijven rapporteren over hun beoordeling van milieurisico's en vindt dat deze verslaglegging door alle OESO- en niet-OESO-ECA's essentieel is om te zorgen voor een level playing field;

Rapportage over voorwaardelijke verplichtingen

16. merkt op dat de ECA's van de lidstaten momenteel op verschillende manieren rapporteren over risico's voor voorwaardelijke verplichtingen; vraagt de Commissie te zorgen voor een gemeenschappelijke definitie waarin wordt rekening gehouden met de wens van het Parlement om te worden geïnformeerd over risicoposities buiten de balans;

Aanwijzingen en evaluatie door de Commissie

17. roept de Commissie op aanwijzingen te geven aan de lidstaten voor de volgende verslagleggingsperiode, onder andere over hoe zij moeten rapporteren over het bestaan en de doeltreffendheid van zorgvuldigheidsprocedures met betrekking tot hun beleid inzake mensenrechten en over hoe zij moeten rapporteren over de behandeling van milieurisico's;

18. verwacht dat de Commissie in het volgende jaarverslag verklaart of zij in staat is geweest te evalueren in hoeverre de lidstaten zich houden aan de doelstellingen en verplichtingen van de Unie en, indien dit niet het geval is, aanbevelingen doet over hoe de verslaglegging met het oog hierop kan worden verbeterd;

Verslag van de Commissie over toenadering tot niet-OESO-landen

19. looft de inspanningen van de Commissie en de VS in 2012 om China, Brazilië, Rusland en andere grote opkomende economieën te betrekken bij de oprichting van de internationale werkgroep van grote verstrekkers van exportfinanciering (IWG);

20. stelt voor de relevantie van een sectorale aanpak na te gaan voor de ontwikkeling van de IWG om de basis te bouwen voor horizontale bepalingen tijdens een tweede fase die zullen zorgen voor de gemeenschappelijke aanname van effectieve en strenge normen en van nieuwe internationale regels over ECA's door alle OESO- en niet-OESO-landen om te zorgen voor een level playing field;

o

o        o

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de regeringen en nationale parlementen van de lidstaten en het OESO-secretariaat.

(1)

PB L 236 van 8.12.2011, blz. 45.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0469.

(3)

PB C 56E van 26.2.2013, blz. 87.

(4)

PB C 296E van 2.10.2012, blz. 34.

(5)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 94.

(6)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 31.

(7)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 101.


TOELICHTING

In 2011 zijn het Parlement en de Raad overeengekomen de OESO-regeling van 2005 over exportkredietactiviteiten in EU-recht om te zetten. In dit proces werd erin toegestemd aan de Commissie gedelegeerde handelingen toe te kennen voor de omzetting van toekomstige versies van de OESO-regelingen in ruil voor meer transparantie op EU-niveau van exportkredietactiviteiten van de lidstaten. Verordening (EU) nr. 1233/2011, die hiervan het resultaat was, bevat in bijlage I elementen voor een jaarlijkse rapportagevereiste door de lidstaten aan de Commissie:

–    over activa en passiva, betaalde vorderingen en invorderingen, nieuwe verplichtingen, risico's en in rekening gebrachte premies alsmede over voorwaardelijke verplichtingen die kunnen voortvloeien uit door de overheid gesteunde exportkredietactiviteiten;

–    over hoe milieurisico's, waaraan andere belangrijke risico's verbonden kunnen zijn, worden meegewogen in de door de overheid gesteunde exportkredietactiviteiten;

–    een evaluatie, waarin ook wordt nagegaan in hoeverre de ECA's zich houden aan de doelstellingen en verplichtingen van de Unie.

Het laatste punt van de rapportagevereiste van de lidstaten is opgenomen in de tekst zelf van de verordening, in overweging 4, hetgeen er een bijzonder gewicht en richting aan geeft:

(4) De lidstaten moeten zich houden aan de algemene uitgangspunten van de Unie voor het extern optreden, zoals consolidering van de democratie, eerbiediging van de mensenrechten, samenhang in het ontwikkelingsbeleid, en bestrijding van klimaatverandering, bij de inrichting, ontwikkeling en uitvoering van hun nationale exportkredietstelsels en de uitoefening van hun toezicht op door de overheid gesteunde exportkredietactiviteiten.

De algemene bepalingen van de Unie over extern optreden zijn vervat in artikelen 3 en 21 van het VEU.

Bovendien bevat bijlage I een jaarlijkse rapportagevereiste van de Commissie aan het Parlement over de ondernomen onderhandelingen met het oog op invoering van mondiale normen voor door de overheid gesteunde exportkredieten.

De eerste verslagleggingsperiode ingevolge Verordening (EU) nr. 1233/2011 bestrijkt het jaar 2011.

Op 14 december 2012 heeft de voorzitter van de Commissie internationale handel informeel het ontwerp ontvangen van het jaarverslag van de Commissie over de activiteiten van de exportkredietinstellingen van de lidstaten in 2011. In het ontwerp worden de verslagen geëvalueerd van de 20 van de 27 lidstaten die actieve exportkredietprogramma's hebben. Alle verslagen van deze 20 lidstaten werden op dezelfde dag overgedragen.

Op 4 maart 2013 hebben de Commissie internationale handel van het Parlement en het Comité handelspolitiek van de Raad dezelfde documenten zonder wijzigingen ontvangen als "documenten met beperkte inzage", dit zijn "documenten die gevoelige informatie bevatten die bestemd is voor personen die dit dienen te weten voor professionele redenen en bestemd zijn voor interne circulatie enkel aan de leden van onze commissie".

Op 21 maart 2013 heeft het Parlement eveneens van de Commissie het verslag ontvangen over de door de Commissie ondernomen onderhandelingen op het gebied van exportkredieten voor de periode 2011-2012, in de zin van Verordening (EU) nr. 1233/2011. Dit document was ook als "document met beperkte inzage" overgedragen.

Ondertussen is het werk over dit verslag gestart met een besluit van de INTA-coördinatoren in december 2012 en een eerste en tweede gedachtewisseling in de INTA-commissie op 21 februari en 21 maart 2013 zodat het Parlement tijdig kan bijdragen tot de opstelling van het tweede jaarverslag van de lidstaten. Tijdens beide gedachtewisselingen in de commissie konden de documenten niet via de INTA-website aan het geïnteresseerde publiek openbaar worden gemaakt. Tot op de dag dat deze toelichting wordt geschreven zijn de basisdocumenten waarnaar in dit verslag wordt verwezen, niet beschikbaar voor het algemene publiek.

De rapporteur maakt zich ernstige zorgen en verzet zich tegen deze vertrouwelijheidsaanpak van de Commissie die volledig ingaat tegen het eigenlijke doel van Verordening (EU) nr. 1233/2011 om de transparantie te verhogen op EU-niveau van exportkredietactiviteiten van de lidstaten. Zijn eisen worden verwoord in de eerste paragrafen van dit verslag.

Op 27 maart 2013 ontving het Parlement de eerste gedelegeerde Verordening van de Commissie (EU) nr. .../... tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten. Het doel van de gedelegeerde verordening is basisverordening (EU) nr. 1233/2011 bij te werken met de nieuwe OESO-regelingen over een wijziging van het premiesysteem van de OESO-regeling, de sectoriële overeenkomst inzake exportkredieten voor de burgerluchtvaart van 2011 en de sectoriële overeenkomst inzake exportkredieten voor hernieuwbare energie, de beperking van klimaatverandering en waterprojecten.

Hoewel de rapporteur geen bezwaar maakt tegen de inhoud van de voorgestelde wijzigingen, kan hij moeilijk vatten dat gedelegeerde handelingen worden toegekend terwijl de transparantievereisten van basisverordening (EU) nr. 1233/2011, die daarvoor als compensatie moesten dienen, onvervuld blijven.

Dit gebrek aan evenwicht wordt nog verergerd door de slechte kwaliteit van de verslagen van de lidstaten over hun exportkredietactiviteiten in 2011 en de evaluatie van deze verslagen door de Commissie.

Enerzijds wordt in het verslag van de Commissie duidelijk de schaal en het belang van de ECA's aangegeven. Het gemelde risico van de ECA-activiteiten van de lidstaten in 2011 bedroeg meer dat 250 miljard EUR, met inbegrip van 260 transacties die volgens meldingen hoge milieugevolgen hebben. Tijdens de wetgevingsprocedure voor Verordening (EU) nr. 1233/2011 heeft de rapporteur reeds zijn appreciatie uitgedrukt voor het feit dat de lidstaten dergelijk instrument ter beschikking hebben om bij te dragen tot handels- en zakenmogelijkheden voor Europese bedrijven.

Om de bedragen in proportie te plaatsen: zij vertegenwoordigen bijna tweemaal de jaarlijkse begroting van de Unie. Ter vergelijking, de begroting van de Unie onder de categorie "EU als mondiale speler" bedraagt minder dan 10 miljard EUR. De ECA's ondersteunen dus ten minste 25 keer de jaarlijkse toewijzingen van het budget van de Unie voor extern optreden.

De schaal van activiteiten van de ECA bevestigt duidelijk het belang van overweging 4 van Verordening (EU) nr. 1233/2011, waarin wordt gesteld dat de overeenstemming met het externe optreden van de Unie, zoals consolidering van de democratie, eerbiediging van de mensenrechten, samenhang in het ontwikkelingsbeleid en bestrijding van klimaatverandering, een leidraad moet zijn wanneer dit instrument door de lidstaten wordt gebruikt. De in bijlage I van deze verordening vastgelegde rapportagevereisten zijn dus even belangrijk, zodat het Parlement kan beoordelen in hoeverre hieraan wordt gehouden.

Anderzijds voldoen de jaarverslagen van de lidstaten en de evaluatie van de Commissie van deze verslagen amper aan de intentie van het Parlement om deze beoordeling te kunnen maken. Dit is in het bijzonder het geval voor de rapportage over de niet-financiële onderdelen van bijlage I, zoals de behandeling van milieurisico's in de berekening van de premies van de ECA en de overeenstemming met de doelstellingen van het buitenlands beleid van de Unie.

Dit gebrek is in zekere zin geen verrassing. Sommige lidstaten doen lovenswaardige inspanningen om te rapporteren over deze moeilijkere onderwerpen, zoals bijvoorbeeld Duitsland, Italië, België, Nederland en Denemarken. Wij moeten echter erkennen dat er nog geen methodologie werd vastgesteld om over niet-financiële kwesties te rapporteren en dat de lidstaten en ook de Europese instellingen, zoals de Europese Investeringsbank, nog niet aan de vereisten van het Verdrag van Lissabon voldoen om aan te tonen dat zij zich houden aan de doelstellingen van het externe optreden van de Unie.

Om bij te dragen tot een betere verslaglegging worden in de rest van het verslag daarom aanbevelingen gedaan aan de lidstaten en de Commissie om een volgend jaarverslag op te stellen dat beter voldoet aan onze verwachtingen om het werk van de ECA's te controleren. Dit heeft in het bijzonder betrekking op de rapportage over in hoeverre de exportkredietactiviteiten van de lidstaten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het externe optreden van de Unie zoals vastgelegd in artikelen 3 en 21 van het Verdrag van Lissabon.

Enkele verdere aanbevelingen houden verband met de rapportage over de behandeling van milieurisico's in de berekening van de premies en over voorwaardelijke verplichtingen voor ECA's en de toenaderingsactiviteiten van de Commissie tot niet-OESO-landen.

Ten slotte wordt in het verslag de Commissie opgeroepen aanwijzingen te geven aan de lidstaten zodat de Commissie in volgende jaarverslagen werkelijk in staat is het Parlement een beoordeling te verstrekken in hoeverre de exportkredietactiviteiten van de lidstaten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het externe optreden van de Unie.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.5.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Maria Badia i Cutchet, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, María Auxiliadora Correa Zamora, Andrea Cozzolino, George Sabin Cutaş, Metin Kazak, Franziska Keller, Bernd Lange, David Martin, Vital Moreira, Paul Murphy, Cristiana Muscardini, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Niccolò Rinaldi, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Henri Weber, Iuliu Winkler, Jan Zahradil, Paweł Zalewski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Catherine Bearder, Albert Deß, Elisabeth Köstinger, Mario Pirillo, Marietje Schaake, Jarosław Leszek Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Marie-Christine Vergiat

Juridische mededeling - Privacybeleid