Procedure : 2013/2023(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0291/2013

Ingediende teksten :

A7-0291/2013

Debatten :

PV 07/10/2013 - 23
CRE 07/10/2013 - 23

Stemmingen :

PV 08/10/2013 - 9.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0396

VERSLAG     
PDF 152kWORD 99k
20.9.2013
PE 508.078v02-00 A7-0291/2013

over verbetering van het internationaal privaatrecht: bevoegdheidsregels inzake werkgelegenheid

(2013/2023(INI))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Evelyn Regner

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over verbetering van het internationaal privaatrecht: bevoegdheidsregels inzake werkgelegenheid

(2013/2023(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de artikelen 12, 15, 16, 27, 28, 30, 31 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 45, 81 en 146 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken C‑18/02(1), C‑341/05(2) en C‑438/05(3),

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0291/2013),

A. overwegende dat gesproken kan worden van een zeer geslaagde herziening van de Brussel I-verordening(4), aangezien met deze herziening aanzienlijke verbeteringen werden doorgevoerd ten aanzien van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken binnen de Europese Unie;

B.  overwegende dat bepaalde arbeidsrechtelijke kwesties buiten het bestek van deze herschikkingsprocedure vielen;

C. overwegende dat in het interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001(5) is bepaald dat de herschikkingsprocedure bedoeld is voor besluiten die veelvuldig worden gewijzigd;

D. overwegende dat het belangrijk is samenhang tussen de regelgeving inzake rechterlijke bevoegdheid en de regelgeving inzake de rechtskeuze bij een geschil te waarborgen;

E.  voorts overwegende dat het binnen het internationaal privaatrecht op Europees niveau van het grootste belang is "forum shopping" te voorkomen, met name wanneer dit leidt tot benadeling van de zwakste partij, in het bijzonder de werknemer, en een zo groot mogelijke voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels te waarborgen;

F.  overwegende dat als algemeen beginsel dient te gelden dat de rechtbank die de nauwste band heeft met een zaak de rechterlijke bevoegdheid heeft;

G. overwegende dat enkele geruchtmakende rechtszaken aan het Europees Hof van Justitie inzake rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht in verband met individuele arbeidsovereenkomsten en collectieve actie hebben geleid tot de vrees dat nationale arbeidsrechtelijke bepalingen ondergraven zouden kunnen worden door Europese regelgeving op grond waarvan in bepaalde gevallen de wetgeving van de ene lidstaat toegepast wordt door de rechter van een andere lidstaat(6);

H. overwegende dat het wegens het grote belang van het arbeidsrecht voor de constitutionele en politieke identiteit van de lidstaten belangrijk is dat de Europese regelgeving de nationale tradities op dit gebied respecteert;

I.   overwegende dat het ook vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling van belang is dat de regels inzake rechterlijke bevoegdheid zo veel mogelijk worden afgestemd op de regels inzake het toepasselijke recht;

J.   overwegende dat het wenselijk lijkt te onderzoeken of de wetgeving inzake rechterlijke bevoegdheid op het gebied van het arbeidsrecht moet worden herzien;

K. overwegende dat met betrekking tot collectieve actie dient te gelden dat de rechtbank van de lidstaat waar de collectieve actie is of zal worden ingesteld de rechterlijke bevoegdheid heeft;

L.  overwegende dat ter zake van individuele arbeidsovereenkomsten gewaarborgd moet worden dat, voor zover gewenst, de rechterlijke bevoegdheid berust bij de rechtbank van de lidstaat met de nauwste band met de arbeidsverhouding;

1.  complimenteert de instellingen met de succesvolle herziening van de Brussel I-verordening;

2.  is van oordeel dat de arbeidsrechtelijke kwesties door de Commissie nader moeten worden bestudeerd, met het oog op een eventuele toekomstige herziening;

3.  merkt op dat een van de grondbeginselen van het internationaal privaatrecht op het gebied van rechterlijke bevoegdheid de bescherming van de zwakkere partij is en dat in de huidige regels inzake rechterlijke bevoegdheid de bescherming van werknemers als doelstelling is opgenomen;

4.  merkt op dat werknemers, wanneer zij verweerder zijn in een zaak die aanhangig wordt gemaakt door hun werkgever, door de regels inzake rechterlijke bevoegdheid in arbeidszaken in het algemeen goed beschermd worden via de exclusieve bevoegdheidsgronden die zijn vastgesteld in de Brussel I-verordening;

5.  dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of het huidige rechtskader op grond van de Brussel I-verordening voldoende rekening houdt met de specifieke kenmerken van acties op het gebied van werkgelegenheid;

6.  verzoekt de Commissie met name te onderzoeken:

(a) of ten aanzien van de aansprakelijkheid van werknemers, werkgevers of werknemers- of werkgeversorganisaties voor schade ten gevolge van een collectieve actie verduidelijkt dient te worden dat artikel 7, lid 2 van de herschikte Brussel I-verordening verwijst naar de plaats waar de collectieve actie is of zal worden ingesteld, en of aanpassing aan artikel 9 van de Rome II-verordening noodzakelijk is;

(b) of in gevallen waarin een werknemer een procedure aanspant tegen een werkgever de vangnetclausule die geldt als er geen plaats aangemerkt kan worden als plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, aldus geherformuleerd dient te worden dat niet meer verwezen wordt naar de plaats waar de werknemer in dienst werd genomen, maar naar de plaats van waaruit de werknemer dagelijks instructies ontvangt of heeft ontvangen;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(1)

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 5 februari 2004 in zaak C‑18/02, Danmarks rederiforening, optredend voor DFDS Torline A/S tegen LO Landsorganisationen i Sverige, optredend voor SEKO Sjöfolk Facket för Service och Kommunikation, Jurispr. 2004, blz. I-01417.

(2)

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 18 december 2007 in zaak C-341/05, Laval un Partneri Ltd tegen Svenska Byggnadsarbetareförbundet, Svenska Byggnadsarbetareförbundets avdelning 1, Byggettan en Svenska Elektrikerförbundet, Jurispr. 2007, blz. I-11767.

(3)

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 december 2007 in zaak C-438/05, International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union tegen Viking Line ABP en OÜ Viking Line Eesti, Jurispr. 2007, blz. I‑10779.

(4)

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1.

(5)

Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, PB C 077 van 28.3.2002, blz. 1.

(6)

Zie met name de omstandigheden die hebben geleid tot het arrest in zaak C-438/05, International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union tegen Viking Line ABP en OÜ Viking Line Eesti, Jurispr. 2007, blz.. I-10779.


TOELICHTING

Op 12 december 2012 is de herschikte Brussel I-verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(1) ondertekend. Met deze herschikking werd een aantal grote verbeteringen ingevoerd, met name de afschaffing van de exequaturprocedure, waardoor de tenuitvoerlegging van beslissingen in een andere lidstaat in de toekomst veel gemakkelijker zal worden.

Bepaalde aspecten van de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid op het gebied van het arbeidsrecht vielen echter buiten het bestek van de herschikkingsprocedure, ondanks het feit dat veel wetenschappers pleiten voor aanpassingen op dit gebied.

Om die reden heeft de Commissie juridische zaken besloten om, met het oog op de volgende herziening van de Brussel I-verordening, over het onderwerp rechterlijke bevoegdheid op het gebied van het arbeidsrecht een initiatiefverslag uit te brengen.

Enkele uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het gebied van het internationaal privaatrecht en het arbeidsrecht hebben geleid tot de vrees dat de voorschriften van de Europese Unie de nationale voorschriften ter bescherming van de rechten van werknemers zouden kunnen aantasten. Uw rapporteur is van oordeel dat deze vrees overdreven is, maar dat er wel een aantal verbeteringen doorgevoerd zouden moeten worden om ervoor te zorgen dat op de interne markt de nationale wetgeving niet ondergraven wordt.

De Europese Unie heeft op het gebied van het arbeidsrecht relatief weinig invloed. Er bestaan tussen de lidstaten verschillen in de manier waarop de rechten van werknemers, vakbondsactiviteiten en ondernemingsvrijheid zich tot elkaar verhouden. De Europese Unie moet in dit stadium niet proberen in te grijpen op de nationale wetgeving op dit gebied; het lot dat beschoren was aan het voorstel voor een verordening (Monti II) inzake stakingsrecht toont aan dat het hier een zeer gevoelige kwestie betreft.

Desondanks heeft de Unie met het oog op het vrij verkeer van werknemers en kapitaal binnen de Europese Unie regels vastgesteld om, onder meer op het gebied van het arbeidsrecht, te bepalen van welke lidstaat de rechters bevoegd zijn een geschil te beslechten.

Zoals hierboven reeds vermeld is het arbeidsrecht een bijzonder gevoelig terrein, hetgeen ook duidelijk blijkt uit de huidige bepalingen van de Brussel I-verordening inzake individuele arbeidsovereenkomsten. Omdat uw rapporteur wil voorkomen dat de arbeidsrechtelijke bepalingen van de afzonderlijke lidstaten worden ondergraven door toepassing van die bepalingen door de rechter van een andere lidstaat, is zij van oordeel dat het belangrijk is er voor zover mogelijk voor te zorgen dat lidstaten rechtsbevoegdheid hebben inzake geschillen waarin hun eigen arbeidsrecht van toepassing is. Indien mogelijk moet de lidstaat waarvan het recht wordt toegepast ook de lidstaat zijn waar de rechterlijke bevoegdheid berust.

Dit uitgangspunt dient te gelden voor de volgende twee gebieden: collectieve actie (I) en individuele arbeidsovereenkomsten (II).

I. Collectieve actie

De rechten en verplichtingen en de wettelijke taak van vakbonden en soortgelijke organisaties verschillen van lidstaat tot lidstaat. Een collectieve actie kan in de ene lidstaat grondwettelijk beschermd zijn, maar onrechtmatig zijn in een andere lidstaat als bijvoorbeeld bepaalde procedurele voorschriften niet zijn nageleefd.

Om die reden bepaalt artikel 9 van de Rome II-verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen(2) dat "de niet-contractuele verbintenis, ten aanzien van de aansprakelijkheid van een persoon als werknemer of werkgever of van de organisaties die zijn beroepsbelangen vertegenwoordigen voor de schade veroorzaakt door een aanstaande of reeds gevoerde collectieve actie, beheerst [wordt] door het recht van het land waar de actie zal plaatsvinden of heeft plaatsgevonden".

Deze bepaling waarborgt dat bij collectieve acties het recht van het land waar de desbetreffende actie plaatsvindt van toepassing is. Het Hof van Justitie bepaalde in 2004 in de Torline-zaak(3) dat op basis van de toen geldende wetgeving de Deense rechter bevoegd was om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een collectieve actie in Zweden en over ingediende schadevorderingen. De Rome II-verordening maakt nu duidelijk dat het Zweedse recht het toepasselijke recht is. De regels inzake rechterlijke bevoegdheid zijn echter met de herschikking van de Brussel I-verordening niet veranderd, hetgeen met zich meebrengt dat de Deense rechter nog altijd bevoegd zou zijn zich uit te spreken over de rechtmatigheid van de collectieve actie, maar daarbij zou moeten oordelen op basis van Zweeds recht.

Voor werknemers en vakbondsvertegenwoordigers die hun grondwettelijke rechten uitoefenen is dit mogelijk nadelig, maar bovendien houdt dit in dat de rechter die oordeelt over een collectieve actie in sommige gevallen het recht van een andere lidstaat moet toepassen, met als gevolg dat de kwaliteit van de rechtspraak zal verminderen omdat deze rechter minder vertrouwd zal zijn met de buitenlandse bepalingen.

Uw rapporteur is dan ook van oordeel dat de bepalingen inzake rechterlijke bevoegdheid op het gebied van arbeidsrechtelijke geschillen afgestemd moeten worden op de regels inzake het toepasselijke recht. De rechterlijke bevoegdheid voor geschillen inzake collectieve actie moet derhalve berusten bij de rechtbank van de lidstaat waar de collectieve actie is of zal worden ingesteld.

II. Individuele arbeidsovereenkomsten

De huidige Brussel I-verordening erkent reeds de bijzondere positie van individuele arbeidsovereenkomsten, zoals deze ook voorziet in bijzondere beschermende bepalingen voor werknemers en in bijzondere bepalingen ter bescherming van consumenten en verzekerden.

Uw rapporteur is echter van mening dat de huidige regels aanzienlijk verbeterd zouden kunnen worden. Recente wijzigingen van de Brussel I-verordening hebben al voor enige verbetering gezorgd, maar daarbij is onvoldoende aandacht besteed aan de belangrijke koppeling tussen rechterlijke bevoegdheid in arbeidsgeschillen en het op arbeidscontracten toepasselijke rechtsstelsel.

In aangelegenheden waarbij de werkgever de verweerder is kan overeenkomstig artikel 21 van de herschikte Brussel I-verordening een geschil aanhangig worden gemaakt bij het gerecht van de lidstaat waar de werkgever zijn woonplaats heeft of bij het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt (of, als de werknemer niet langer bij de werkgever in loondienst is, het gerecht van de laatste plaats waar of van waaruit hij heeft gewerkt). Als geen plaats aangemerkt kan worden als plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt (of heeft gewerkt) geldt als criterium de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.

Deze vangnetclausule inzake de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen is zelden relevant, aangezien er zelfs in gevallen waarin er geen sprake is van een vaste arbeidsplaats er gewoonlijk wel een vaste standplaats is van waaruit de werknemer zijn werkzaamheden verricht. Problemen kunnen zich echter voordoen in de sector van het internationaal vervoer, bijvoorbeeld bij personeel van luchtvaartmaatschappijen, vrachtwagenchauffeurs, of werknemers in de scheepvaart. Bij deze categorieën werknemers is het vaak moeilijk om te bepalen vanuit welke plaats de werknemer zijn werkzaamheden verricht, omdat het kan voorkomen dat de onderneming en de transportmiddelen in verschillende lidstaten geregistreerd staan, het bestuur van de onderneming zich wellicht in een derde lidstaat bevindt en het huis van de werknemer in nog een andere lidstaat.

De plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen is als criterium in dit verband noch logisch, noch in het belang van de werknemer. Er bestaat immers veelal geen enkele band tussen die plaats en de dagelijkse werkzaamheden(4).

Uw rapporteur stelt daarom voor de vangnetclausule met betrekking tot de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen te schrappen. Het alomvattende criterium van de Rome II-verordening (de plaats met de nauwere band, gelet op alle omstandigheden(5)) is onvoldoende nauwkeurig om vooraf de rechterlijke bevoegdheid precies te kunnen bepalen.

Uw rapporteur stelt daarom voor een vangnetclausule op te nemen, verwijzend naar de plaats van waaruit de werknemer dagelijks instructies ontvangt over de te verrichten werkzaamheden. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat in gevallen waarin een beroep moet worden gedaan op de vangnetclausule omdat er geen plaats kan worden vastgesteld waar of van waaruit gewoonlijk wordt gewerkt er een sterkere band bestaat tussen de bevoegde rechter en de feitelijke arbeidsverhouding.

III. Conclusie

Gezien het bovenstaande stelt uw rapporteur voor de bepalingen van de Brussel I-verordening inzake rechterlijke bevoegdheid op het gebied van het arbeidsrecht als volgt te wijzigen:

1. een forum voor geschillen inzake collectieve actie, naar analogie met de Rome II-verordening, namelijk de rechter van het land waar de collectieve actie is of zal worden ingesteld;

2. voor gevallen waarin een werknemer een procedure aanspant tegen een werkgever: herformulering van de vangnetclausule die geldt als er geen plaats aangemerkt kan worden als plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, in die zin dat niet meer verwezen wordt naar de plaats waar de werknemer in dienst werd genomen, maar naar de plaats van waaruit de werknemer dagelijks instructies ontvangt of heeft ontvangen;

Deze wijzigingen zijn bedoeld om de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht zoveel mogelijk te laten samenvallen, teneinde werknemers, die in arbeidsverhoudingen meestal de zwakkere partij zijn, collectief en individueel te beschermen en om te zorgen voor juridische consistentie en te voorkomen dat nationale juridische tradities op het gebied van het arbeidsrecht worden ondergraven.

(1)

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1.

(2)

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.

(3)

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 5 februari 2004 in zaak C-18/02, Danmarks rederiforening, optredend voor DFDS Torline A/S tegen LO Landsorganisationen i Sverige, optredend voor SEKO Sjöfolk Facket för Service och Kommunikation, Jurispr. 2004, blz. I-01417.

(4)

Ugljesa Grusic, Jurisdiction in employment matters under Brussels I: a reassessment, I.C.L.Q. 2012, 61(1), 91‑126.

(5)

Artikel 8, lid 4.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (5.9.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake verbetering van het internationaal privaatrecht: bevoegdheidsregels inzake werkgelegenheid

(2013/2023(INI))

Rapporteur voor advies: Ria Oomen-Ruijten

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat bij de herschikking van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)) niet de regels inzake rechterlijke bevoegdheid zijn aangepakt die van toepassing zijn op arbeidsgeschillen;

B.  overwegende dat in het interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001(1) is bepaald dat de herschikkingsprocedure bedoeld is voor besluiten die veelvuldig worden gewijzigd, hetgeen niet het geval is voor Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000; overwegende dat in gevallen als dit het gebruik van de herschikkingsprocedure een onverantwoorde beperking is van de medebeslissingsbevoegdheden van het Parlement;

C. overwegende dat de bevoegdheid in principe moet berusten bij de rechtbank van de lidstaat die de nauwste band heeft met de zaak; overwegende dat in het specifieke geval van collectieve actie de bevoegdheid moet berusten bij de rechtbank van de lidstaat waar de collectieve actie is of zal worden ingesteld;

1.  merkt op dat een van de hoofdprincipes van het internationaal privaatrecht op het gebied van rechterlijke bevoegdheid de bescherming is van de zwakkere partij en dat in de huidige regels inzake rechterlijke bevoegdheid de doelstelling van bescherming van de werknemer vermeld staat;

2.  merkt op dat werknemers in het algemeen goed door de regels inzake rechterlijke bevoegdheid in arbeidszaken beschermd zijn, wanneer zij verweerder zijn in zaken die aanhangig worden gemaakt door hun werkgever, via de exclusieve bevoegdheidsgronden die zijn vastgesteld in de Brussel I-verordening;

3.  vraagt dat stappen worden ondernomen om te zorgen voor een verbetering van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid die van toepassing zijn op procedures die betrekking hebben op individuele arbeidscontracten;

4.  verzoekt de Commissie een wijziging voor te stellen in de Brussel I-verordening, om een exclusief forum aan te wijzen voor geschillen inzake collectieve actie, op de plaats waar de collectieve actie is of zal worden ingesteld;

5.  verzoekt de Commissie een wijziging voor te stellen in artikel 19 van de Brussel I-verordening om ervoor te zorgen dat een werknemer een procedure kan aanspannen tegen zijn werkgever bij de rechtbank van de lidstaat waar de werknemer is gedomicilieerd;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Heinz K. Becker, Jean-Luc Bennahmias, Phil Bennion, Pervenche Berès, Vilija Blinkevičiūtė, David Casa, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Minodora Cliveti, Marije Cornelissen, Emer Costello, Frédéric Daerden, Sari Essayah, Richard Falbr, Marian Harkin, Stephen Hughes, Jean Lambert, Verónica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Siiri Oviir, Elisabeth Schroedter, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Jutta Steinruck, Ruža Tomašić, Traian Ungureanu, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Malika Benarab-Attou, Richard Howitt, Anthea McIntyre, Ria Oomen-Ruijten, Antigoni Papadopoulou, Csaba Sógor

(1)

Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Luigi Berlinguer, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sajjad Karim, Klaus-Heiner Lehne, Antonio López-Istúriz White, Antonio Masip Hidalgo, Jiří Maštálka, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Francesco Enrico Speroni, Dimitar Stoyanov, Alexandra Thein, Rainer Wieland, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Eva Lichtenberger, Angelika Niebler, József Szájer, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Olle Schmidt

Juridische mededeling - Privacybeleid