AANBEVELING over het ontwerp van besluit van de Raad waarbij de lidstaten worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie het Verdrag betreffende aanvaardbaar werk voor huispersoneel, 2011, van de Internationale Arbeidsorganisatie te bekrachtigen (Verdrag nr. 189)

18.11.2013 - (11462/2013 – C7‑0234/2013 – 2013/0085(NLE)) - ***

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
Rapporteur: Inês Cristina Zuber
PR_NLE-AP_art90

Procedure : 2013/0085(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A7-0394/2013
Ingediende teksten :
A7-0394/2013
Aangenomen teksten :

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad waarbij de lidstaten worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie het Verdrag betreffende aanvaardbaar werk voor huispersoneel, 2011, van de Internationale Arbeidsorganisatie te bekrachtigen (Verdrag nr. 189)

(11462/2013 – C7‑0234/2013 – 2013/0085(NLE))

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11462/2013),

–   gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 153, juncto artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), en artikel 218, lid 8, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0234/2013),

–   gezien artikel 81 en artikel 90, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0394/2013),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

TOELICHTING

Achtergrond van het voorstel

Verdrag nr. 189 betreffende aanvaardbaar werk voor huispersoneel van de Internationale Arbeidsorganisatie is in 2011 aangenomen en op 5 september van dat jaar in werking getreden, en schrijft voor dat de staten die het ratificeren stappen dienen te ondernemen om erop toe te zien dat het bewuste personeel fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en sociale rechten worden gewaarborgd en dat misbruik, geweld en kinderarbeid in de huishoudelijke werksfeer worden tegengegaan.

De Europese Commissie heeft op 21 maart 2013 een voorstel voor een besluit van de Raad ingediend waarbij de lidstaten worden gemachtigd het bewuste verdrag te ratificeren (COM (2013)152), hetgeen noodzakelijk is omdat het verdrag aspecten bevat die onder de bevoegdheid van de EU vallen. Dit verslag beoogt het EP ertoe aan te sporen om te bewerkstelligen dat een en ander spoedig zijn beslag krijgt.

Daarbij zij aangestipt dat diverse landen, waaronder met name ook landen waaruit migratiestromen afkomstig zijn, het verdrag al hebben geratificeerd, zoals Bolivia (4/2013), Mauritius (9/2012), Nicaragua (1/2013), Paraguay (5/2013), de Filippijnen (9/2012), Zuid-Afrika (6/2013) en Uruguay (6/12). Ook binnen de EU maken sommige landen zich reeds op om het verdrag te ratificeren, te weten Italië (1/2013), en hebben twee andere landen het voornemen te kennen gegeven daar spoedig toe te zullen overgaan, namelijk Duitsland en België. In Latijns-Amerika hebben landen zoals de Dominicaanse Republiek, Colombia, Argentinië en Costa Rica zich al bereid verklaard de tekst te ondertekenen.

Kernpunten van het verdrag

Het verdrag heeft voornamelijk ten doel de positie van huishoudelijk personeel te versterken door o.a. de volgende principes te garanderen:

- dat het belang van huishoudelijk personeel voor de economie moet worden erkend;

- dat moet worden erkend dat huishoudelijk werk wordt ondergewaardeerd en gemarginaliseerd doordat het voornamelijk wordt uitgevoerd door vrouwen en meisjes, onder wie veel migranten of personen die deel uitmaken van achtergestelde of bijzonder kwetsbare groepen;

- dat een huisbediende moet worden gedefinieerd als een persoon die in dienstverband huishoudelijk werk verricht;

- dat er door de ondertekenende staten stappen moeten worden ondernomen met het oog op de eerbiediging, bevordering en toepassing van de fundamentele beginselen en grondrechten op het gebied van de arbeid (de vrijheid van vereniging, de vakbondsvrijheid en de effectieve erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen); dat alle vormen van gedwongen of verplichte arbeid moeten worden uitgebannen; dat kinderarbeid daadwerkelijk moet worden afgeschaft; dat discriminatie bij arbeid en beroep moet worden uitgebannen); bij deze beginselen en grondrechten zijn in een groot aantal gevallen ook mensenrechten in het geding;

- dat er overeenkomstig de Verdragen 138 en 182 voor huisbedienden een minimumleeftijd moet worden bepaald die in geen geval lager mag zijn dan de in de nationale wetgeving vastgestelde minimumleeftijd voor werknemers, en dat moet worden gegarandeerd dat minderjarigen onder de 18 jaar het recht op onderwijs niet mag worden onthouden;

- dat moet worden gezorgd voor fatsoenlijke levensomstandigheden voor huisbedienden die wonen in het huis waarin zij werken, en dat zij niet mogen worden verplicht om te werken of thuis te blijven tijdens rust- of vakantieperioden;

- dat moet worden gewaarborgd dat huisbedienden op een passende en begrijpelijke manier worden geïnformeerd over hun arbeidsvoorwaarden, waar mogelijk door middel van een schriftelijke overeenkomst (wat betreft werkplek, begin- en einddatum van de arbeidsovereenkomst, aard van de werkzaamheden, tijdstip van betaling en wijze van berekening van het salaris, werktijden, betaalde vakantiedagen, dagelijkse en wekelijkse rusttijden en eventuele voorziening van voedsel en huisvesting, die niet in mindering mogen worden gebracht op het loon of salaris, eventuele repatriëringsvoorwaarden, opzegtermijn bij beëindiging van het arbeidscontract, enz.);

- dat wettelijk moet worden vastgelegd dat een migrant die in het ene land als huisbediende wordt aangeworven om in een ander land diensten te gaan verrichten vóór het overschrijden van de grens van het land waar hij gaat werken een schriftelijk aanbod of een schriftelijke arbeidsovereenkomst moet hebben ontvangen;

- dat huisbedienden en andere werknemers gelijk moeten worden behandeld met betrekking tot werktijden, overwerkvergoeding, dagelijkse en wekelijkse rusttijden en betaald verlof en sociale zekerheid, inclusief wat betreft bescherming van het moederschap;

- dat de wekelijkse rusttijd tenminste 24 opeenvolgende uren moet bedragen;

- dat huisbedienden – waar dat bestaat – recht hebben op een minimumloon, en dat er geen loondiscriminatie tussen mannen en vrouwen is toegestaan;

- dat huisbedienden recht hebben op een veilige en gezonde werkplek;

- dat door particuliere uitzendbureaus aangeworven of geplaatste huisbedienden recht hebben op effectieve bescherming tegen misbruik;

- dat huisbedienden onder dezelfde voorwaarden als gewone werknemers effectief toegang hebben tot de rechter en tot geschillenbeslechtings- en klachtenregelingsmechanismen;

- dat de arbeidsinspectie doelmatig moet functioneren en dat de ondertekenende staten de vigerende normen en sancties effectief moeten toepassen.

Opmerkingen

Volgens de cijfers van Eurostat wordt het aantal huisbedienden in de EU geraamd op 2,6 miljoen, onder wie 89% vrouwen zijn en de helft migranten. Huisbedienden behoren tot de meest kwetsbare en onzichtbare beroepen, met name gezien het "geïsoleerde" en individuele karakter van de beroepsgroep. Huisbedienden ondervinden dan ook vaak problemen om zich te informeren over hun rechten of om zich te organiseren in verenigingen of representatieve vakbonden die opkomen voor hun belangen, waardoor zij het gevoel zouden krijgen zich beter beschermd te voelen wat betreft de behartiging van hun arbeids- en sociale rechten.

In verschillende EU-landen wordt huishoudelijk werk gekenmerkt door onzekerheid, door het ontbreken van een arbeidsovereenkomst, door achterstallige salariëring, door de verplichting om overuren te maken zonder daarvoor een billijke vergoeding te krijgen, door veronachtzaming van het recht op rust en ontspanning, door onbetaalde feestdagen en vakanties, en door het ontbreken van socialezekerheidsuitkeringen, enz..

IAO-Verdrag 189 stelt bescherming van huishoudelijk personeel verplicht, maar omdat het dikwijls om bijzonder kwetsbare vrouwen en migrantenvrouwen gaat, worden zij vaak gediscrimineerd en op diverse manieren misbruikt, op een wijze die apert indruist tegen de mensenrechten.

Het verdrag bepaalt dat de ratificatie ervan geen afbreuk mag doen aan eventueel gunstiger regelingen die van toepassing zouden zijn op de rechten van huispersoneel (artikel 19).

De rapporteur wil de aandacht vestigen op de volgende punten:

- Artikel 8 van het verdrag heeft betrekking op de bescherming van migrerende werknemers en schrijft voor dat de werkgever een contract of werkaanbod moet voorleggen alvorens de werknemer het gastland binnenkomt. Volgens lid 2 van dit artikel is deze verplichting niet van toepassing op regionale economische integratiezones, zodat er geen sprake is van onverenigbaarheid tussen het verdrag en het beginsel van vrij verkeer in de EU. Bekend is evenwel dat er wel degelijk sprake is van mensenhandel – in het bijzonder vrouwenhandel – en niet alleen vanuit derde landen in de EU, maar ook tussen de EU-landen onderling. De rapporteur is dan ook van mening dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan het toezicht op de in hun respectieve landen gesloten contracten door met name particuliere uitzendbureaus die mensen uit andere landen aanwerven om te komen werken als huispersoneel (als bedoeld in punt 26.2 van de aanbeveling bij het bewuste verdrag).

- Punt 20 van de aan het verdrag gehechte aanbeveling vestigt met name de aandacht op de specifieke problemen van huisbedienden die voor meerdere werkgevers werken en die normaliter per uur of per werkdag worden betaald. Deze werknemers bevinden zich in feite in een nog kwetsbaardere situatie. De lidstaten moeten erop toezien dat deze werknemers er qua sociale en arbeidsbescherming niet slechter voorstaan dan anderen, en met name dat hun werkgevers niet korten op hun sociale zekerheidsbijdragen. In termen van salariëring is het zaak erop toe te zien dat hun salarissen minimaal overeenkomen met de nationale minimumlonen die wettelijk zijn verankerd in de nationale systemen, zoals bepaald in het verdrag.

- Beleid waardoor salarissen en arbeidsrechten van werknemers onder druk komen te staan werkt over het algemeen nog zwaarder en negatiever door in de arbeidsvoorwaarden van de meest kwetsbare werknemers, zoals huishoudelijk personeel. Maatregelen tot flexibilisering van de arbeidsbetrekkingen – o.a. in de vorm van ontslagfacilitering, lagere lonen en pensioenen, onderkapitalisatie van socialezekerheidsstelsels, legalisering van losse dienstverbanden, langere werktijden, het inzetten van "contractanten" voor vaste functies en de uitholling van collectieve arbeidsovereenkomsten – zijn ontegensprekelijk in strijd met de beginselen van de bescherming van de werknemers die in dit verdrag besloten liggen. De rapporteur is dan ook van mening dat intrekking van deze maatregelen – die met name worden doorgevoerd in het kader van het Europees semester, van de economische governance en van het begrotingsconsolidatiebeleid van de trojka (EU en IMF) – essentieel en noodzakelijk is voor de consistente en principiële behartiging van de rechten van werknemers zoals bepleit in dit verdrag.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.11.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Jean-Luc Bennahmias, Phil Bennion, Pervenche Berès, Philippe Boulland, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Emer Costello, Frédéric Daerden, Sari Essayah, Thomas Händel, Danuta Jazłowiecka, Ádám Kósa, Jean Lambert, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Konstantinos Poupakis, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Nicole Sinclaire, Traian Ungureanu, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Claudette Abela Baldacchino, Georges Bach, Martin Kastler, Evelyn Regner

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Sylvie Guillaume, Pavel Poc, Gabriele Stauner