AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, wijziging van Verordening (EG) nr. 1954/2033 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en intrekking van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, Verordening (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit (EG) nr. 2004/585 van de Raad

    28.11.2013 - (12007/3/2013 – C7‑0375/2013 – 2011/0195(COD)) - ***II

    Commissie visserij
    Rapporteur: Ulrike Rodust


    Procedure : 2011/0195(COD)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0409/2013
    Ingediende teksten :
    A7-0409/2013
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, wijziging van Verordening (EG) nr. 1954/2033 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en intrekking van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, Verordening (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit (EG) nr. 2004/585 van de Raad

    (12007/3/2013 – C7‑0375/2013 – 2011/0195(COD))

    (Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

    Het Europees Parlement,

    –   gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (12007/3/2013 – C7 0375/2013),

    –   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 maart 2012, [1]

    –   gezien het advies van het Comité van de Regio's van 4 maart 2012[2],

    –   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt[3] inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0425),

    –   gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

    –   gezien artikel 72 van zijn Reglement,

    –   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie visserij (A7‑0409/2013),

    1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

    2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Parlement en de Raad en aan de gemeenschappelijke verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie, die als bijlagen bij de onderhavige resolutie zijn gevoegd;

    3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

    4.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

    5.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

    6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

    • [1]  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 183.
    • [2]  PB C 225 van 27.7.2012, blz. 20.
    • [3] Aangenomen teksten van 6.2.2013, P7_TA(2013)0040.

    BIJLAGE BIJ DE ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

    Verklaring van het Europees Parlement en de Raad over gegevensverzameling

    Het Europees Parlement en de Raad verzoeken de Commissie spoed te betrachten met de aanneming van een voorstel tot wijziging van Verordening nr. 199/2008 van de Raad, zodat de beginselen en doelstellingen voor gegevensverzameling, die essentieel zijn ter ondersteuning van een hervormd gemeenschappelijk visserijbeleid en die in de nieuwe verordening inzake de hervorming van het GVB worden uiteengezet, zo spoedig mogelijk in praktijk kunnen worden gebracht.

    Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over meerjarenplannen

    Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben afgesproken te zullen samenwerken voor de regeling van interinstitutionele aangelegenheden en een traject overeenkomen om, met inachtneming van de juridische positie van zowel het Parlement als de Raad, de ontwikkeling en invoering van meerjarenplannen te faciliteren als prioriteit in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

    Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben een interinstitutionele werkgroep opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van deze drie instellingen, die zal helpen zoeken naar praktische oplossingen en de meest geschikte manier om verder te komen.

    TOELICHTING

    Na de formulering van het standpunt van het Parlement in eerste lezing door de plenaire vergadering op 6 februari 2013 zijn informele onderhandelingen met het Ierse voorzitterschap gestart om in tweede lezing snel een akkoord te bereiken. Na zeven rondes van de triloog bereikten de onderhandelingsteams van het Parlement en de Raad op 30 mei 2013 overeenstemming over het dossier. De tekst van de overeenkomst is op 18 juni 2013 ter goedkeuring aan PECH voorgelegd en werd met een overgrote meerderheid aangenomen. Op basis van de goedkeuring door PECH beval de voorzitter van de commissie in zijn brief aan de voorzitter van het Coreper de plenaire vergadering aan zonder wijzigingen in te stemmen met het standpunt van de Raad in eerste lezing. Na een juridisch-linguïstische verificatie hechtte de Raad goedkeuring aan zijn standpunt in eerste lezing en bekrachtigde het de overeenkomst op 17 oktober 2013.

    Aangezien het standpunt van de Raad in eerste lezing overeenkomt met de in de rondes van de triloog bereikte overeenkomst beveelt de rapporteur de commissie aan er zonder verdere wijzigingen mee in te stemmen. De rapporteur vestigt bijzondere aandacht op de onderstaande elementen van het compromis:

    Het grootste probleem van het gemeenschappelijk visserijbeleid, namelijk de aanhoudende overbevissing, wordt met deze hervorming eindelijk aangepakt. De Raad van de Europese Unie wordt verplicht om bij zijn jaarlijkse besluiten over de vangstmogelijkheden duurzaamheid te betrachten. In principe moet, waar mogelijk, tot 2015 een einde worden gemaakt aan overbevissing, zodat de visbestanden zich kunnen herstellen. Verduidelijkt wordt dat een verschuiving naar een latere datum (uiterlijk 2020) alleen is toegestaan wanneer de economische en sociale duurzaamheid van de betrokken vloten ernstig in gevaar komt. Alle bestanden moeten in de toekomst dus op basis van het principe van de maximale duurzame opbrengst (MDO) worden beheerd. Een belangrijke eis van de kant van het Parlement hierbij was dat het MDO-principe niet enkel zijn beslag vindt in een politieke intentieverklaring maar daadwerkelijk juridisch bindend wordt voor alle verdere beslissingen. Dit geldt niet alleen voor de toekomstige meerjarenplannen maar ook voor de autonome besluiten van de Raad op het gebied van de totaal toegestane vangsten (TAC) op grond van artikel 43, lid 3, VWEU.

    Het Parlement heeft in deze context ervoor kunnen zorgen dat het doel van alle maatregelen, namelijk de toename van de visbestanden – tot boven het duurzame niveau – goed uit de verf kwam. Het Europees Parlement heeft zo gezorgd voor een "veiligheidsmarge" voor het milieu, hetgeen geheel in overeenstemming is met de voorzorgsaanpak. Dit komt ook de visserij-economie ten goede: Wanneer de visbestanden licht boven het MDO-niveau liggen, stijgen de winsten, omdat de kosten van de visserij dalen bij een hogere visdichtheid in zee.

    Ook over de beoogde verplichting om alle vis aan te landen ("teruggooiverbod") kon overeenstemming worden bereikt. Zoals het Parlement in eerste lezing had geëist, voorziet de tekst in een verplichte invoering van een teruggooiverbod binnen een duidelijk afgebakende termijn (geleidelijk aan van 2015 tot 2019). Van het teruggooiverbod zijn onder meer soorten uitgesloten die bij teruggooi een hoge overlevingskans hebben.

    In tegenstelling tot hetgeen in het oorspronkelijke standpunt van het Parlement stond, mogen uitzonderingen op het teruggooiverbod weliswaar worden vastgesteld (tot maximaal 5 % van alle vangsten en 7 % in een overgangsperiode) maar zij kunnen niet onmiddellijk van kracht worden en zij moeten voorwerp zijn van een afzonderlijk besluit. Een dergelijk besluit moet normaal gesproken overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure worden genomen in het kader van de goedkeuring van een meerjarenplan. Bij ontstentenis van een meerjarenplan kunnen uitzonderingen ook door de Commissie worden vastgesteld maar deze gelden dan voor een periode van maximaal drie jaar en daartoe moet de Commissie eerst via de regionaliseringsmethode (zie hieronder) een gemeenschappelijke aanbeveling hebben ontvangen van de betrokken lidstaten. Ook een onmiddellijk besluit van de Commissie bij gedelegeerde handeling, d.w.z. zonder institutioneel overleg met de betrokken lidstaten, is mogelijk.

    De onderhandelingsdelegatie kon in dit verband bovendien afdwingen dat uitzonderingen alleen dan kunnen worden vastgesteld wanneer het voor de betrokken vissers erg moeilijk is om selectiever te vissen of wanneer een verdere verwerking van de bijvangst leidt tot onevenredig zware lasten.

    De instellingen verschilden ook van mening over de manier waarop in de toekomst moet worden omgegaan met het probleem van de overcapaciteit dat zich in sommige segmenten van de EU-vloot voordoet. De compromistekst voorziet in een principiële verplichting voor de lidstaten om hun vangstcapaciteit af te stemmen op hun visvoorraden. Het Parlement heeft ervoor kunnen zorgen dat de lidstaten verplicht worden de vangstcapaciteit van hun vloot jaarlijks te analyseren aan de hand van door de Europese Commissie vastgestelde criteria. Wanneer bij de analyse aan het licht komt dat de vloot te groot is, moet de desbetreffende lidstaat een plan indienen voor het verminderen van de overcapaciteit en passende maatregelen treffen. Bij niet-naleving van deze voorschriften kan de Commissie financiële sancties opleggen.

    In het kader van de hervorming werden bovendien de bakens uitgezet voor een verdere decentralisatie ("regionalisering") van de besluitvorming. Het doel hierbij is om met name de gedetailleerde technische voorschriften in de verschillende mariene regio's dichter bij de betrokkenen en niet meer centraal in Brussel vast te stellen. De EU moet blijven controleren of aan de fundamentele doelstellingen van haar visserijbeleid wordt voldaan.

    Het basismechanisme van de regionalisering, namelijk het gemeenschappelijk uitvaardigen van aanbevelingen door groepen van lidstaten, kan ook worden gebruikt voor een snellere omzetting van de voor de visserij relevante onderdelen van de EU-milieurichtlijnen (bijvoorbeeld in het geval van de kaderrichtlijn mariene strategie). Indien de betrokken lidstaten het echter niet eens kunnen worden en indien de instandhoudingsdoelstellingen van de milieurichtlijnen anders in gevaar zouden komen, is de Commissie gemachtigd om voor een beperkte duur passende maatregelen te nemen.

    De regionalisering moet daarnaast worden gebruikt om een sterkere impuls te geven aan de totstandbrenging van meer mariene reservaten en nulgebruik-zones door de EU.

    In het kader van de regionalisering zullen de reeds bij de laatste hervorming opgerichte regionale adviesraden een grotere rol gaan spelen, omdat deze een belangrijk forum zijn voor het bereiken van consensus in een regio. Deze "raden" krijgen een evenwichtigere samenstelling, met dien verstande dat in de toekomst 40% van de plaatsen daarin zal worden bezet door vertegenwoordigers van buiten de visserijsector (bijv. ngo’s). Dit was een eis van het Europees Parlement.

    De tekst zorgt ervoor dat de EU ook in buitenlandse wateren niet bijdraagt aan overbevissing. Slechts de overschotten die een derde land niet kan gebruiken mogen worden gevangen, zoals ook is bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. Visserijovereenkomsten met derde landen zullen in de toekomst een mensenrechtenclausule bevatten, d.w.z. de overeenkomsten kunnen worden opgeschort wanneer de mensenrechten worden geschonden. De visserijovereenkomsten met derde landen moeten bovendien in de toekomst een exclusiviteitsclausule bevatten (d.w.z. dat de overeenkomsten niet omzeild kunnen worden door middel van particuliere overeenkomsten tussen vissers en regeringen van derde landen). De EU treft ook maatregelen tegen het omvlaggen van vissersvaartuigen.

    De nieuwe basisverordening bevat de principiële beslissing dat middelen uit EU-fondsen op het gebied van de visserij alleen kunnen worden uitgekeerd wanneer de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd. Dit geldt zowel voor de lidstaten als voor de afzonderlijke visserijbedrijven. De details van de regeling worden vastgelegd in de verordening inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV).

    Een groot succes voor de onderhandelingsdelegatie was de aanvaarding van toelatingscriteria: de lidstaten moeten in de toekomst de vangstmogelijkheden ("quota") volgens objectieve en transparante criteria verdelen over hun vissers. Daartoe moeten onder meer ook ecologische, sociale en economische criteria behoren. Die vlootsegmenten die kunnen aantonen dat zij een bovengemiddeld aantal arbeidsplaatsen scheppen en het milieu minder dan gemiddeld belasten, kunnen hiermee hun voordeel doen.

    Het Europees Parlement heeft echter niet alleen bij de kwestie van de quotaverdeling gezorgd voor meer transparantie. Ook de door de lidstaten verzamelde wetenschappelijke gegevens over de toestand van de visbestanden moeten – met inachtneming van de bepalingen inzake gegevensbescherming – voor alle belanghebbende partijen toegankelijk worden gemaakt.

    Een succesvol visserijbeleid is alleen mogelijk wanneer de regels worden nageleefd. Om te zorgen voor een kwalitatieve verbetering en uitbreiding van de controlemogelijkheden voor de lidstaten zal in de toekomst een "deskundigengroep voor naleving van de regels" een permanente dialoog mogelijk maken en waarborgen dat de beste praktijken op dit gebied in de toekomst ook worden toegepast.

    PROCEDURE

    Titel

    Gemeenschappelijk visserijbeleid

    Document- en procedurenummers

    12007/3/2013 – C7-0375/2013 – 2011/0195(COD)

    Datum eerste lezing EP – P-nummer

    6.2.2013                     T7-0040/2013

    Voorstel van de Commissie

    COM(2011)0425 - C7-0198/2011

    Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing

    24.10.2013

    Commissie ten principale

           Datum bekendmaking

    PECH

    24.10.2013

     

     

     

    Rapporteur(s)

           Datum benoeming

    Ulrike Rodust

    26.9.2011

     

     

     

    Behandeling in de commissie

    4.11.2013

     

     

     

    Datum goedkeuring

    27.11.2013

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    21

    1

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    John Stuart Agnew, Carmen Fraga Estévez, Pat the Cope Gallagher, Dolores García-Hierro Caraballo, Ian Hudghton, Werner Kuhn, Isabella Lövin, Gabriel Mato Adrover, Maria do Céu Patrão Neves, Crescenzio Rivellini, Ulrike Rodust, Raül Romeva i Rueda, Struan Stevenson, Nils Torvalds, Jarosław Leszek Wałęsa

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Luis Manuel Capoulas Santos, Jean Louis Cottigny, Jim Higgins, Jens Nilsson

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    María Auxiliadora Correa Zamora, Salvador Garriga Polledo, Francisco José Millán Mon, Younous Omarjee, Ivo Vajgl, Luis Yáñez-Barnuevo García

    Datum indiening

    28.11.2013