VERSLAG over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren

4.12.2013 - (2012/2323(INI))

Commissie juridische zaken
Rapporteur: József Szájer

Procedure : 2012/2323(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A7-0435/2013
Ingediende teksten :
A7-0435/2013
Aangenomen teksten :

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren

(2012/2323(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[1],

–   gezien de consensus inzake gedelegeerde handelingen die de Conferentie van voorzitters op 3 maart 2011 heeft goedgekeurd,

–   gezien het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie[2], en met name punt 15 en bijlage I,

–   gezien het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012 in zaak C‑355/10, Europees Parlement/Raad van de Europese Unie (nog niet gepubliceerd) en de aanhangige zaak C‑427/12, Europese Commissie/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie,

–   gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over bevoegdheidsdelegatie[3],

–   gezien het informatief rapport van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2013, getiteld "Betere wetgeving: uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen",

–   gezien de brief van 26 november 2012 van de Voorzitter van het Parlement aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters betreffende de horizontale beginselen voor het gebruik van gedelegeerde handelingen in verband met de wetgevingsprogramma's die onder het meerjarig financieel kader (MFK) vallen, goedgekeurd door de Conferentie van voorzitters op haar vergadering van 15 november 2012,

–   gezien de brief van 8 februari 2013 van de voorzitter van het Parlement aan de voorzitter van de Raad inzake het gebrek aan vooruitgang in de Raad bij de aanpassingsvoorstellen op het gebied van landbouw en visserij,

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie visserij en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0435/2013),

A. overwegende dat bij het Verdrag van Lissabon voor het Parlement en de Raad (tezamen "de wetgever" genoemd) de mogelijkheid werd geschapen om in een wetgevingshandeling ("de basishandeling") een deel van hun eigen bevoegdheden aan de Commissie over te dragen; overwegende dat bevoegdheidsdelegatie een delicate zaak is, omdat de Commissie daarmee opdracht krijgt een bevoegdheid uit te oefenen die inherent is aan de rol van de wetgever; overwegende dat het Verdrag op de juiste wijze moet worden toegepast om ook voor gedelegeerde handelingen een toereikende mate van democratische legitimiteit te waarborgen; overwegende dat bij een analyse van het thema delegatie de vrijheid van de wetgever altijd het uitgangspunt moet zijn; overwegende dat volgens vaste rechtspraak alleen de wetgever bevoegd is om voorschriften vast te stellen die van wezenlijk belang zijn voor de te regelen materie en dat derhalve de bevoegdheid om bepalingen vast te stellen die een beleidskeuze vereisen bij de wetgever ligt en niet gedelegeerd mag worden; overwegende dat een gedelegeerde bevoegdheid dus slechts betrekking kan hebben op aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling; overwegende dat door de Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen dus niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking zijn; overwegende dat in de basishandeling uitdrukkelijk de doelstellingen, de inhoud, de strekking en de duur van de bevoegdheidsdelegatie moeten worden afgebakend en dat daarin tevens de voorwaarden voor de delegatie moeten worden vastgesteld;

B.  overwegende dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met het oog op een soepele uitoefening van overgedragen bevoegdheid en een doeltreffende controle van die bevoegdheid door het Europees Parlement en de Raad een consensus hebben opgesteld die de praktische regels en overeengekomen verduidelijkingen en voorkeuren bevat die van toepassing zijn op de delegatie van wetgevende bevoegdheid krachtens artikel 290 VWEU;

C. overwegende dat in de Verdragen is bepaald dat de lidstaten alle maatregelen van intern recht nemen die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie; overwegende dat in artikel 291 VWEU is bepaald dat indien het nodig is dat juridisch bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd, bij die handelingen aan de Commissie (en in bepaalde specifieke gevallen aan de Raad) uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend; overwegende dat als in de basishandeling is bepaald dat de vaststelling van uitvoeringshandelingen door de Commissie aan controle van de lidstaten onderworpen is, die basishandeling de uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie moet toekennen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011; overwegende dat de Commissie in een verklaring bij die verordening heeft toegezegd de dringende aanpassing van het acquis aan het nieuwe systeem van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen nog tijdens de lopende zittingsperiode te zullen voltooien, met inbegrip van alle basishandelingen die naar de regelgevingsprocedure met toetsing verwijzen;

D. overwegende dat het aan de wetgever is om per geval de mate van gedetailleerdheid van de wetgevingshandeling te bepalen en dus ook om uit te maken of aan de Commissie de bevoegdheid wordt overgedragen om gedelegeerde handelingen vast te stellen, alsmede of er behoefte bestaat aan bevoegdheden om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van de wetgevingshandeling te garanderen; overwegende dat de wetgever nooit verplicht is gedelegeerde of uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie toe te kennen; overwegende dat toekenning van deze bevoegdheden wel overwogen moet worden wanneer de gewone wetgevingsprocedure niet volstaat om de gewenste flexibiliteit en doeltreffendheid te bereiken; overwegende dat het besluit om al dan niet gedelegeerde of uitvoeringsbevoegdheden toe te kennen, gebaseerd moet zijn op objectieve factoren, zodat de gekozen oplossing rechterlijk kan worden getoetst; overwegende dat het ontbreken van jurisprudentie betreffende artikel 290 VWEU en de daarin neergelegde criteria het voor Raad en Parlement moeilijker maakt om overeenstemming te bereiken over een afbakening tussen uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen;

E.  overwegende dat de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie geen louter technische aangelegenheid is, maar politiek gevoelige kwesties kan betreffen die vanwege hun mogelijke sociaal-economische, milieu- of gezondheidseffecten van aanzienlijk belang zijn voor EU-burgers en consumenten, ondernemingen en hele sectoren;

F.  overwegende dat bij wetgevingsonderhandelingen ter zake van een groot aantal dossiers is gebleken dat er bepaalde punten uiteenlopende interpretaties bij de instellingen leven; overwegende dat in artikel 37 bis van het Reglement is bepaald dat de commissies van het Parlement bij de behandeling van een ontwerp van wetgevingshandeling waarbij bevoegdheden aan de Commissie worden gedelegeerd het advies van de Commissie juridische zaken kunnen inwinnen; overwegende dat de Conferentie van voorzitters op 13 januari 2012 een gemeenschappelijke gedragslijn heeft goedgekeurd en op 19 april 2012 een horizontale aanpak heeft goedgekeurd die de afzonderlijke commissies bij verschil van mening moeten volgen; overwegende dat het Parlement deze gemeenschappelijke gedragslijn verder moet invullen door middel van eigen criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU en zich moet inspannen om met de Raad en de Commissie overeenstemming over deze criteria te bereiken;

Criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU

1.  is van oordeel dat het Parlement bij de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU de volgende niet- bindende criteria moet hanteren; deze opsomming van criteria is niet uitputtend:

- Of een maatregel een bindend of niet-bindend karakter moet krijgen, moet beslist worden op basis van de aard en inhoud van de maatregel; alleen de bevoegdheid om bindende maatregelen vast te stellen mag worden gedelegeerd uit hoofde van artikel 290 VWEU.

- De Commissie mag alleen met gedelegeerde handelingen wetgevingshandelingen wijzigen. Dit geldt ook voor wijziging van bijlagen, omdat bijlagen een integraal onderdeel vormen van wetgevingshandelingen. Bijlagen mogen niet worden toegevoegd of geschrapt om het gebruik van gedelegeerde handelingen mogelijk te maken of juist te omzeilen. Als de wetgever van oordeel is dat een bepaalde tekst een integraal deel onderdeel moet vormen van de basishandeling, mag hij besluiten die tekst in een bijlage op te nemen. Dit geldt met name voor EU-lijsten of -registers van toegelaten producten of stoffen, die in het belang van de rechtszekerheid een integraal deel van de basishandeling moeten blijven, in voorkomend geval in de vorm van een bijlage. Maatregelen die beogen de precieze inhoud van de in de wetgevingshandeling vermelde verplichtingen nader te definiëren, zijn bedoeld ter aanvulling van de basishandeling door middel van toevoeging van niet-essentiële onderdelen.

- Maatregelen tot vaststelling van prioriteiten, doelstellingen of verwachte resultaten, moeten, als de wetgever ervoor kiest deze niet in de eigenlijke wetgevingshandeling op te nemen, worden vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen.

- Maatregelen ter (nadere) invulling van de voorwaarden, criteria of vereisten waaraan voldaan moet worden en waarvan de naleving gewaarborgd moet worden door de lidstaten of andere personen of entiteiten die de wetgeving direct aangaat, wijzigen per definitie de inhoud van de wetgeving en voegen nieuwe bepalingen van algemene strekking toe. Om die reden mogen dergelijke nadere regels of criteria alleen worden vastgesteld in de vorm van een gedelegeerde handeling. Daarentegen kan de uitvoering van regels of criteria die reeds in de basishandeling (of in een toekomstige gedelegeerde handeling) opgenomen zijn zonder dat de daaruit voortvloeiende rechten of verplichtingen inhoudelijk worden gewijzigd en zonder dat er verdere beleidskeuzes worden gemaakt, geschieden door middel van uitvoeringshandelingen.

- Onder bepaalde omstandigheden heeft de Commissie de bevoegdheid om aanvullende bindende bepalingen van algemene strekking vast te stellen die de inhoud van de in de basishandeling vermelde rechten of verplichtingen beïnvloeden. Deze maatregelen vullen per definitie de in de basishandeling opgenomen maatregelen aan en geven een nadere invulling aan het beleid van de Unie. Deze mogen uitsluitend bij gedelegeerde handeling vastgesteld worden.

–   Al naargelang de structuur van het financiële programma in kwestie kunnen niet-essentiële onderdelen tot wijziging of aanvulling van de basishandeling, bijvoorbeeld met betrekking tot specifieke technische punten, strategische belangen, doelstellingen, te verwachten resultaten, enz., bij gedelegeerde handeling worden vastgesteld voor zover ze niet in de basishandeling opgenomen zijn. Alleen voor onderdelen die geen uitvloeisel van een verdere politieke koers of beleidslijn zijn, kan de wetgever bepalen dat ze bij uitvoeringshandeling worden vastgesteld.

- Een maatregel waarmee wordt aangegeven welke soort informatie krachtens de basishandeling moet worden verstrekt (dus de exacte inhoud van die informatie) vormt een algemene aanvulling op de verplichting om informatie te verstrekken en moet worden vastgesteld door middel van een gedelegeerde handeling.

- Een maatregel waarmee een regeling wordt vastgelegd voor de wijze waarop informatie moet worden verstrekt (bijvoorbeeld het formaat) vormt geen uitbreiding van de verplichting om informatie te verstrekken. Een dergelijke maatregel zorgt veeleer voor uniforme toepassing. In het algemeen moet een maatregel van deze aard derhalve bij uitvoeringshandeling worden vastgesteld.

- Maatregelen ter vaststelling van een procedure (de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven) kunnen worden vastgesteld door middel van hetzij een gedelegeerde handeling, hetzij een uitvoeringshandeling (of zelfs een essentieel onderdeel van de basishandeling vormen), afhankelijk van de inhoud en context van de maatregelen en de aard van de bepalingen in de basishandeling. Maatregelen tot vaststelling van onderdelen van procedures, waarbij niet-essentiële beleidskeuzes moeten worden gemaakt en die dienen ter aanvulling van het wetgevingskader van de basishandeling, moeten in het algemeen bij gedelegeerde handeling worden vastgesteld. Maatregelen ter nadere invulling van procedures, bedoeld om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de nakoming van verplichtingen die in de basishandeling neergelegd zijn, moeten in de regel bij uitvoeringshandeling worden vastgesteld.

- Net als bij procedures kunnen maatregelen ter vaststelling van een methode (d.w.z. een regelmatige, systematische manier van handelen) of methodologie (regels om de te volgen methode te bepalen) worden vastgesteld door middel van een gedelegeerde handeling of een uitvoeringshandeling, afhankelijk van de inhoud en de context.

- Normaliter moet gebruik worden gemaakt van gedelegeerde handelingen als de basishandeling de Commissie een ruime beoordelingsmarge laat om het wetgevingskader van de basishandeling aan te vullen.

- Toelatingen kunnen maatregelen van algemene strekking zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als een besluit betrekking heeft op de toelating van of het verbod op het gebruik van een bepaalde stof in levensmiddelen, cosmetica, enz. Een dergelijk besluit is van algemene strekking, omdat het geldt voor iedereen die zo'n stof wil gebruiken. In een dergelijk geval kan het Commissiebesluit, als dat volledig gebaseerd is op in de basishandeling vermelde criteria, genomen worden in de vorm van een uitvoeringshandeling; ingeval de criteria de Commissie de mogelijkheid bieden verdere niet-essentiële/secundaire politieke of beleidskeuzen te maken, moet de toelating de vorm van een gedelegeerde handeling krijgen omdat daarmee een aanvulling op de basishandeling plaatsvindt.

- In een wetgevingshandeling kan aan de Commissie uitsluitend de bevoegdheid worden overgedragen om niet-wetgevende handelingen van algemene strekking vast te stellen. Om die reden kunnen maatregelen van individuele strekking niet door middel van gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. Een handeling is van algemene strekking als zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract omschreven categorieën van personen.

- In uitvoeringshandelingen mag geen nadere invulling gegeven worden aan het beleid, en de bevoegdheden die aan de Commissie worden toegekend mogen haar geen wezenlijke beoordelingsruimte overlaten.

Algemene opmerkingen

2.  verzoekt de Commissie en de Raad met het Parlement in onderhandeling te treden om over bovengenoemde criteria tot overeenstemming te komen; is van oordeel dat dit mogelijk is in het kader van een herziening van het interinstitutioneel akkoord "beter wetgeven", waarin deze criteria dan worden opgenomen;

3.  herinnert aan de door de Conferentie van voorzitters op haar vergaderingen van 13 januari 2011 en 19 april 2012 genomen besluiten inzake gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen en benadrukt dat het Parlement altijd moet aandringen op het gebruik van gedelegeerde handelingen als het gaat om delegatie van bevoegdheden aan de Commissie waarbij is voldaan aan de criteria van 290 VWEU, en dat dossiers waarin de institutionele bevoegdheden van het Parlement inzake het gebruik van gedelegeerde handelingen niet geëerbiedigd worden, niet op de agenda van de plenaire vergadering moeten worden geplaatst om door middel van stemming tot een akkoord te komen; wijst erop dat het Parlement vanaf het begin van de onderhandelingen duidelijk moet maken dat het vraagstuk inzake gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen voor het Parlement van groot institutioneel belang is;

4.  verzoekt de Commissie voortaan altijd uitdrukkelijk te motiveren waarom zij in een bepaald wetgevingsvoorstel een gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling voorstelt en waarom zij oordeelt dat de te regelen materie niet-essentieel is; herinnert eraan dat uit de bepalingen van de artikelen 290 en 291 VWEU duidelijk blijkt dat gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen aan verschillende behoeften tegemoetkomen en dus niet onderling verwisselbaar zijn;

5.  meent dat vaker met een beroep op artikel 37 bis van het Reglement het advies van de Commissie juridische zaken moet worden ingewonnen om de positie van de rapporteurs bij wetgevingsonderhandelingen te versterken;

6.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het feit dat de aanpassing van het acquis aan het Verdrag van Lissabon vier jaar na de inwerkingtreding van dit verdrag nog slechts gedeeltelijk is volbracht; is ingenomen met de onlangs door de Commissie ingediende voorstellen voor aanpassing van de nog resterende wetgevingshandelingen waarin wordt verwezen naar de regelgevingsprocedure met toetsing; wijst er wel op dat zo snel mogelijk met de onderhandelingen over deze voorstellen moet worden begonnen, zodat de aanpassingen nog voor het einde van de lopende zittingsperiode kunnen worden voltooid; stelt zich op het standpunt dat in ieder geval alle dossiers waarop voorheen de regelgevingsprocedure met toetsing van toepassing was, in overeenstemming moeten worden gebracht met artikel 290 VWEU, aangezien maatregelen volgens de regelgevingsprocedure met toetsing ook maatregelen van algemene strekking zijn die strekken tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van een basishandeling, bijvoorbeeld door het schrappen van een aantal onderdelen of door het toevoegen van nieuwe niet-essentiële onderdelen aan die basishandeling; dringt er tegelijkertijd bij de Raad op aan de onderhandelingen over de aanpassingsvoorstellen die in de Raad zijn vastgelopen, zoals de voorstellen op het gebied van landbouw en visserij, vlot te trekken;

7.  vreest dat het systematisch opnemen van alle beleidselementen in de basishandeling, hetgeen in bepaalde gevallen een goede oplossing kan zijn, er op termijn toe zou kunnen leiden dat artikel 290 ontdaan wordt van zijn nuttige werking en oorspronkelijke ratio, te weten rationalisatie van het wetgevingsproces om microbeheer en een omslachtige medebeslissingsprocedure te voorkomen; wijst erop dat deze benadering in bepaalde gevallen uiterst moeilijk uitvoerbaar zou zijn, bijvoorbeeld op terreinen waar de technologie nog in ontwikkeling is;

8.  benadrukt dat in gevallen waarin besloten is tot het gebruik van uitvoeringshandelingen het onderhandelingsteam van het Parlement zorgvuldig moet nagaan op welke wijze de lidstaten controle moeten uitoefenen en of de raadplegings- of de onderzoeksprocedure moet worden toegepast; benadrukt dat het onderhandelingsteam van het Parlement bij toepassing van de onderzoeksprocedure uitsluitend in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen akkoord mag gaan met de zogeheten "geen advies"-bepaling, omdat de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet kan goedkeuren als het comité dat samengesteld is uit vertegenwoordigers van de lidstaten en dat door de Commissie wordt voorgezeten, geen advies uitbrengt;

9.  drukt de Commissie op het hart geen misbruik te maken van gedelegeerde handelingen om de discussie over kwesties waarover in tripartiet overleg politieke overeenstemming is bereikt te heropenen; stelt dat de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen bij voorkeur slechts voor een beperkte tijd aan de Commissie moet worden toegekend;

10. spoort zijn commissies aan om, binnen hun respectieve bevoegdheden, nauwlettend toe te zien op het gebruik van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen; verzoekt de Commissie met het oog daarop de administratieve voorschriften voor de toezending en archivering van documenten, met inbegrip van voorbereidende documenten, in verband met gedelegeerde handelingen te verbeteren om ervoor te zorgen dat ten minste hetzelfde niveau van informatie en transparantie wordt geboden als bij het bestaande register voor uitvoeringshandelingen en om een gelijktijdige informatiestroom naar Parlement en Raad als wetgever te garanderen;

11. signaleert een duidelijke vooruitgang dankzij de snelle toezending van gedelegeerde handelingen aan de bevoegde commissies, wat weer een positief effect heeft op de wijze waarop de leden hun controlerecht kunnen uitoefenen;

12. wijst op de politieke verantwoordelijkheid van de wetgever en op de noodzaak om het Parlement regelmatig en tijdig bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen te betrekken; verlangt dat de Commissie het Parlement en de ter zake bevoegde rapporteur geheel en al op de hoogte houdt van het voorgenomen tijdschema, de geplande vergaderingen van deskundigengroepen en de inhoud van de voorgenomen gedelegeerde handelingen, onder meer door toegang te geven tot de desbetreffende databanken van de Commissie, zoals Circa;

13. dringt er bij de Commissie op aan om punt 15 van het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie volledig te eerbiedigen, onder andere door het vereenvoudigen van de procedure voor het uitnodigen van deskundigen van het Parlement voor vergaderingen met nationale deskundigen, indien daar door de bevoegde parlementaire commissie om wordt verzocht; wijst erop dat het bijwonen van dergelijke vergaderingen door deskundigen van het Parlement ertoe kan leiden dat de Commissie wordt uitgenodigd voor een nadere gedachtewisseling over de voorbereiding van gedelegeerde handelingen; dringt er bij de Commissie op aan punt 15 van het kaderakkoord ook toe te passen op onderdelen van vergaderingen van de lidstaten en de Commissie waar andere onderwerpen dan uitvoeringshandelingen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 182/2011 worden behandeld;

14. is van oordeel dat het tijdsbestek tussen de toezending van het definitieve ontwerp van gedelegeerde handeling en de vaststelling door de Commissie vaak te kort is zodat het Parlement geen passende controle kan uitoefenen; dringt daarom aan op volledige eerbiediging door de Commissie van het recht van het Parlement om definitieve ontwerpen van uitvoeringshandeling binnen een periode van een maand te toetsen overeenkomstig het comitologieakkoord tussen Parlement en Commissie uit 2008;

15. pleit voor de inzet van voldoende technische en personele middelen in verband met gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, onder meer om te garanderen dat de interne informatie-uitwisseling efficiënt verloopt; is van oordeel dat het via nieuwsbrieven onder de leden laten circuleren van gedelegeerde handelingen de toetsing van die handelingen vergemakkelijkt en de leden gelegenheid geeft om tijdig hun eventuele bezwaren kenbaar te maken;

16. pleit hiertoe voor de benoeming, in iedere commissie, van een vaste rapporteur voor gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, zodat een consistente aanpak binnen de betrokken commissie en afstemming met de andere commissies gegarandeerd is; is van oordeel dat vergelijkbare onderwerpen op consistente wijze behandeld moeten worden, zij het met behoud van de vereiste flexibiliteit;

17. acht het verheugend dat deskundigen van de Commissie zich beschikbaar houden voor deelname aan informatieve vergaderingen met de leden, omdat zulke vergaderingen, als ze tijdig voor de vaststelling van de gedelegeerde handeling plaatsvinden, zeer nuttig zijn: belangrijke aspecten van de handeling kunnen nader worden toegelicht en het Parlement kan zich gemakkelijker een oordeel over de handelingen vormen;

18. dringt er andermaal op aan dat de leden van onderhandelingsteams met name ingaan op gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, als zij overeenkomstig artikel 70, lid 4, van het Reglement na elke trialoog verslag uitbrengen aan de bevoegde commissie;

Opmerkingen over specifieke onderwerpen

Landbouw en visserij

19. betreurt het dat de aanpassingsdossiers over essentiële landbouw- en visserijwetgeving werden geblokkeerd door de Raad na de mislukte onderhandelingen tijdens informele trialogen en de eerste lezing van het Parlement; wijst erop dat dit vaak te wijten is aan onwil bij de Raad om de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie toe te staan; merkt op dat er alleen in de context van de volledige wetgevingsprocedures over de hervorming van het GLB en het GVB een aanpassingsoplossing kon worden gevonden die voor beide partijen aanvaardbaar was, ofschoon er over een aantal bepalingen alleen overeenstemming kon worden bereikt op voorwaarde dat ze geen precedentwerking zouden hebben; dringt er bij de Raad op aan vooruitgang te boeken in de nog openstaande aanpassingsdossiers zodat de procedures voor het eind van de lopende zittingsperiode kunnen worden afgerond;

Ontwikkelingssamenwerking

20. herinnert eraan dat het Parlement met name voor het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking sinds 2006 een procedure van "democratische toetsing" toepast in de vorm van een politieke dialoog met de Commissie over ontwerpmaatregelen; merkt daarbij wel op dat het Parlement gemengde ervaringen heeft met deze praktijk en dat zijn invloed op de besluiten van de Commissie beperkt is gebleven;

21. wijst erop dat uitvoeringshandelingen in het kader van ontwikkelingssamenwerking vaak gebaseerd zijn op voorafgaand overleg met derden, waardoor het moeilijker is om in een laat stadium van de formele comitéprocedure nog wijzigingen aan te brengen; benadrukt dan ook dat er een belangrijke stap naar een doeltreffender inzet van de toetsingsbevoegdheden van het Parlement kan worden gezet als het Parlement eerder wordt ingelicht en zijn inbreng kan geven;

Economische en monetaire zaken

22. wijst erop dat er op het gebied van de financiële diensten verordeningen inzake de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) zijn die technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen hebben geïntroduceerd en dat de ETA's daarvoor ontwerpnormen aan de Commissie voorleggen, die vervolgens de normen vaststelt; is van oordeel dat de technische expertise en specialistische knowhow van de ETA's van dien aard zijn dat gedelegeerde handelingen waar mogelijk in de vorm van technische reguleringsnormen in plaats van gewone gedelegeerde handelingen moeten worden gegoten; is voorts van mening dat de Commissie over de inhoud van gewone gedelegeerde handelingen het technisch advies van de betrokken ETA moet inwinnen alvorens die handelingen vast te stellen;

23. wijst erop dat volgens bepaalde wetgevingshandelingen de periode voor de toetsing van technische reguleringsnormen wegens hun omvang en complexe karakter met een maand verlengd kan worden, en is van oordeel dat dit soort flexibiliteit de regel moet zijn; wijst er voorts op dat de wetgever voor alle gedelegeerde handelingen op het gebied van de financiële diensten een toetsingsperiode van drie maanden, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie maanden, heeft vastgesteld en is van mening dat dit ook voor andere ingewikkelde beleidsterreinen moet gelden;

24. beklemtoont dat de afspraak dat er tijdens parlementair reces geen gedelegeerde handelingen mogen worden voorgelegd ook voor technische reguleringsnormen moet gelden;

25. is van oordeel dat bij de oproepen aan belanghebbenden om zitting te nemen in de overleggroepen van de ETA's een voldoende lange termijn voor aanmelding moet worden aangehouden (niet minder dan twee maanden), dat deze oproepen via uiteenlopende kanalen moeten worden gedaan en dat er daarbij een heldere, gestroomlijnde procedure moet worden gevolgd zodat er van uiteenlopende kandidaten aanmeldingen binnenkomen; herinnert eraan dat de overleggroepen van de ETA's overeenkomstig de bepalingen van de respectieve verordeningen evenwichtig samengesteld moeten zijn.

Werkgelegenheid en sociale zaken

26. herinnert eraan dat het Parlement de geldigheid van het Eures-besluit op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken voor het Hof van Justitie heeft aangevochten om zijn prerogatieven te verdedigen;

Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

27. verzoekt de Commissie in haar werkprogramma voorstellen op te nemen om alle wetgevingshandelingen van de voormalige derde pijler in overeenstemming te brengen met de nieuwe hiërarchie van normen en de uit het Verdrag van Lissabon voortvloeiende bevoegdheden, en het recht op informatie van het Parlement over bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie te eerbiedigen; benadrukt dat dit bij iedere wetgevingshandeling een afzonderlijke beoordeling vereist om te bepalen welke besluiten essentiële elementen bevatten en dus door de wetgever moeten worden vastgesteld, met name handelingen die gevolgen hebben voor de grondrechten van de betrokkenen, en welke besluiten als niet-essentiële onderdelen kunnen worden opgevat (zie het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-355/10);

28. wijst erop dat de Raad nog steeds, lang na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, rechtshandelingen op basis van de voormalige derde pijler vaststelt, zodat het Parlement zich genoopt heeft gezien om een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig te maken;

°

° °

29. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.

  • [1]  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
  • [2]  PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.
  • [3]  PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 6.

TOELICHTING

Met dit verslag wordt beoogd een inventarisatie te geven van de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU en rapporteurs een aantal praktische richtsnoeren te bieden ter zake van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. In de periode tot 18 juli 2013 heeft het Parlement 69 gedelegeerde handelingen ontvangen (4 in 2010, 7 in 2011, 38 in 2012 en 20 in de eerste maanden van 2013). Daarbij ging het om 64 gedelegeerde verordeningen, 2 gedelegeerde richtlijnen en 3 gedelegeerde besluiten. Tegen geen van deze gedelegeerde handelingen is door het Parlement of de Raad bezwaar gemaakt.

De hoge verwachtingen die men koesterde ten tijde van de verslagen over delegatie van wetgevende bevoegdheden en de verordening betreffende uitvoeringsbevoegdheden van 2010 en 2011, en waarvan ik rapporteur was, zijn niet ten volle waargemaakt. Deze instrumenten zijn ontwikkeld om het toezicht door de medewetgevers op afgeleid recht te verbeteren en op die manier de democratische legitimiteit van deze handelingen te vergroten. Daarnaast moesten deze instrumenten dienen ter verbetering van de doeltreffendheid en verdere vereenvoudiging van de wetgeving op Europees niveau.

Ter voorbereiding op dit verslag is een administratief projectteam in het leven geroepen, bestaande uit administrateurs van de adviserende commissies en de bevoegde diensten van het Parlement, en werd een werkdocument opgesteld waarin een aantal problemen in kaart werd gebracht, die ruwweg konden worden teruggebracht tot twee probleemgebieden:

1.  Bij onderhandelingen over Commissievoorstellen voor nieuwe wetgeving of voorstellen om bestaande wetgeving aan te passen aan het Verdrag van Lissabon levert de keuze tussen gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vaak problemen op.

2.  Er doen zich verschillende problemen voor bij de voorbereiding en vaststelling door de Commissie van gedelegeerde handelingen en ontwerpuitvoeringshandelingen en de behandeling daarvan door het Europees Parlement, bijvoorbeeld met betrekking tot de manier waarop het Parlement gebruik maakt van zijn toetsingsbevoegdheden, de betrokkenheid van deskundigen en de totstandbrenging van een doeltreffende en efficiënte informatiestroom tussen de instellingen onderling en binnen het Parlement.

De afbakening van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen en de keuze van de juiste en meest passende in het basisbesluit op te nemen bepalingen zijn onderwerpen die bij onderhandelingen over wetsvoorstellen vaak een belangrijke plaats innemen. Om die reden doe ik een aantal praktische voorstellen om de prerogatieven van het Parlement te waarborgen en EP-leden en functionarissen richtsnoeren te bieden, rekening houdend met de verschillende standpunten van het Parlement, de door de Conferentie van voorzitters voorgestane "horizontale aanpak" en de screenings door de diensten van het Parlement.

Het is in dit kader essentieel dat de commissies meer gebruik maken van de door artikel 37 bis van het Reglement geboden mogelijkheid om bij de Commissie JURI advies in te winnen over het gebruik van gedelegeerde handelingen.

Het uiteindelijke doel van dit verslag is het consolideren van de werkzaamheden die de afgelopen vier jaar op zowel administratief als politiek vlak binnen de EU-instellingen ondernomen zijn op het gebied van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, met een speciaal accent op de medewetgevers en de Commissie, en ervoor te zorgen dat deze problematiek bij de komende herziening van het interinstitutioneel akkoord "beter wetgeven" aan de orde gesteld zal worden.

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (23.9.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Gay Mitchell

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

- gezien zijn wetgevingsresolutie van 1 december 2011 over de door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1905/2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PE-CONS 00059/2011 – C7-0379/2011 – 2010/0059(COD))[1],

- gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over Verordening (EG) nr. 1905/2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking: geleerde lessen en toekomstperspectieven[2],

Uitvoeringshandelingen

1.  herinnert eraan dat het Parlement voor het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en ook voor andere externefinancieringsinstrumenten sinds 2006 een procedure van "democratische toetsing" toepast, naast de formele toetsingsbevoegdheden die voorhanden zijn voor uitvoeringsmaatregelen, in de vorm van een politieke dialoog met de Commissie over ontwerpmaatregelen; merkt evenwel op dat het Parlement gemengde ervaringen heeft met deze praktijk en dat zijn invloed op de besluiten van de Commissie tot nu toe beperkt is;

2.  wijst erop dat uitvoeringshandelingen in het kader van ontwikkelingssamenwerking vaak gebaseerd zijn op voorafgaand overleg met derden, waardoor het moeilijker is om in een laat stadium van de formele comitéprocedure nog wijzigingen aan te brengen; benadrukt bijgevolg dat een vroegere kennisgeving van en dialoog met het Parlement, zoals momenteel door de instellingen wordt besproken met het oog op de nieuwe externefinancieringsinstrumenten voor de periode 2014-2020, een belangrijke stap zouden vormen om efficiënter gebruik te maken van de toetsingsbevoegdheden van het Parlement;

3.  is van mening dat de vaak zeer korte termijnen tussen de bekendmaking van ontwerpuitvoeringsmaatregelen en de goedkeuring ervan door de Commissie moeilijk te verzoenen zijn met de werkmethoden van het Parlement;

Gedelegeerde handelingen

4.  herinnert, met betrekking tot externefinancieringsinstrumenten, aan de verklaring in zijn wetgevingsresolutie van 1 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1905/2006 dat het erop aan zal dringen dat er, telkens wanneer het gaat om strategische beleidsbeslissingen over de financiering en programmering met betrekking tot deze instrumenten, gebruik wordt gemaakt van gedelegeerde handelingen; herhaalt, met het oog op het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, dat belangrijke beleidskeuzes, met name ten aanzien van prioritaire gebieden en indicatieve financiële toewijzingen in ruime zin, niet kunnen worden gemaakt op het niveau van uitvoeringshandelingen; herhaalt eens te meer dat betrokkenheid van de medewetgevers bij dergelijke keuzes niet als micromanagement kan worden bestempeld;

5.  is van mening dat gedelegeerde handelingen bijzonder nuttig zijn op het gebied van het extern beleid, aangezien ze meer democratische legitimiteit combineren met snelle en flexibele besluitvorming; benadrukt evenwel dat met name bij ruime en complexe financieringsinstrumenten zoals het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, de mogelijke samenwerkingsgebieden duidelijk vastgesteld moeten zijn in de basishandeling;

6.  verzet zich tegen het argument van de Commissie in haar mededeling van 20 september 2012 met als titel "Vereenvoudiging: eerste scorebord voor het MFK 2014-2020" (COM(2012)0531), dat indien gedelegeerde handelingen worden gebruikt, zoals voorgesteld door het Europees Parlement voor externefinancieringsinstrumenten, de belangrijke doelstellingen van efficiëntie, flexibiliteit en vereenvoudiging niet kunnen worden bereikt;

7.  wijst erop dat het ontbreken van jurisprudentie betreffende artikel 290 en de daarin vastgestelde criteria het voor de medewetgevers moeilijker maakt overeenstemming te bereiken over een afbakening tussen uitvoerings- en gedelegeerde handelingen voor externefinancieringsinstrumenten, die niet de klassieke kenmerken hebben van wetgeving met regelgevingsbereik.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Thijs Berman, Michael Cashman, Ricardo Cortés Lastra, Corina Creţu, Leonidas Donskis, Mikael Gustafsson, Filip Kaczmarek, Miguel Angel Martínez Martínez, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Jean Roatta, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Keith Taylor, Patrice Tirolien, Ivo Vajgl

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Philippe Boulland, Enrique Guerrero Salom, Edvard Kožušník, Krzysztof Lisek, Isabella Lövin, Judith Sargentini

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Emma McClarkin, Jarosław Leszek Wałęsa, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

  • [1]  PB C 165 E van 11.6.2013, blz. 109.
  • [2]  PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 51.

ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken (11.10.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Sharon Bowles

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat er op het gebied van de financiële diensten verordeningen inzake de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's)[1] zijn die technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen hebben geïntroduceerd en dat de ETA's daarvoor ontwerpnormen aan de Commissie voorleggen, die vervolgens de normen vaststelt; is van oordeel dat de technische expertise en specialistische knowhow van de ETA's van dien aard zijn dat delegering waar mogelijk in de vorm van technische reguleringsnormen in plaats van gewone gedelegeerde handelingen gestalte moet krijgen; is tevens van mening dat de Commissie over de inhoud van gewone gedelegeerde handelingen het technisch advies van de betrokken ETA moet inwinnen alvorens die handelingen vast te stellen;

2.  benadrukt dat de keuze van het juiste rechtsinstrument (wetgevingshandeling, gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling, of een gedelegeerde handeling die op een technische reguleringsnorm berust) niet alleen maar een technische kwestie is; wijst erop dat het immers van het allergrootste belang is ervoor te zorgen dat de wetgevende macht de volle verantwoordelijkheid neemt voor de essentiële onderdelen en de doeltreffende toetsing van politieke besluiten; merkt op dat het ook van aanzienlijk belang kan zijn voor het machtsevenwicht, de correctheid en de goede werking van het besluitvormingsproces en de beleidshandhaving dat de diverse instrumenten gebruikt worden op een wijze die strookt met de criteria van het Verdrag; benadrukt dat het Europees Parlement bijgevolg bijzondere aandacht aan deze aspecten moet schenken;

3.  beklemtoont dat de medewetgevers het oogmerk en de noodzaak van welke delegering dan ook steevast in de tekst van het eerste niveau duidelijk moeten maken en vorm moeten geven, waarbij de essentiële onderdelen en de koers van het beleid in de basishandeling worden opgenomen en alleen de niet-essentiële onderdelen voor uitwerking aan het technisch niveau worden overgelaten;

4.  stelt voor dat in elke parlementaire commissie de voorzitter, een van de ondervoorzitters of een specifiek lid tot taak krijgt om, in coördinatie met de andere commissies, de leden steun te verlenen en een coherente aanpak met betrekking tot gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te waarborgen; wijst erop dat de rapporteur voor de basiswetgevingshandeling, voor zover deze beschikbaar is, automatisch ook rapporteur voor de follow-up ervan zou moeten worden en op gezette tijden verslag zou moeten uitbrengen aan de commissie; is van oordeel dat er, wanneer zulks dienstig is, een regeling moet worden getroffen om continuïteit in de toetsing mogelijk te maken door dezelfde leden in te schakelen die voor de verkiezingen bij de tekst op het eerste niveau betrokken waren;

5.  is van oordeel dat ontwerpen van teksten op het eerste niveau altijd vergezeld moeten gaan van een volledig tijdpad - voorbereid in overleg met de betrokken ETA - voor essentiële gedelegeerde handelingen en technische reguleringsnormen, met inbegrip van een inspraakperiode en de implementatietijd;

6.  beklemtoont dat het Parlement en de Raad volledig geïnformeerd moeten worden over het tijdpad en de inhoud van de beoogde gedelegeerde maatregelen; is van oordeel dat het voornemen om een ontwerp van technische reguleringsnorm goed te keuren of te verwerpen schriftelijk en met opgaaf van redenen aan de voorzitter van de bevoegde parlementaire commissie en aan de rapporteur en de schaduwrapporteur moet worden medegedeeld; stelt dat de Commissie in geval van gedelegeerde handelingen eveneens het Parlement en de lidstaten moet inlichten als zij voornemens is het advies van de ETA niet op te volgen, onder vermelding van de gebieden waarop en de redenen waarom zij dat niet wenst te doen en vergezeld, voor zover van toepassing, van de resultaten van de openbare raadplegingen en een gedegen kosten-batenanalyse en een juridische analyse om haar besluit te onderbouwen, alsmede onderbouwde antwoorden op eventuele schriftelijke opmerkingen van de medewetgevers; is van oordeel dat er over de voortgang volledige openheid van zaken moet worden gegeven; wijst erop dat de interpretatie die de Commissie aan het kaderakkoord[2] geeft, het voor de deskundigen van het Parlement wel eens lastig maakt om de vergaderingen van de deskundigengroepen over gedelegeerde handelingen bij te wonen, hetgeen impliceert dat het Parlement niet op voet van gelijkheid met de Raad verkeert;

7.  wenst dat het Gezamenlijk Comité de werkzaamheden van de ETA's horizontaal coördineert, en verlangt dat het de hoorzittingen van de ECON-commissie bijwoont om het Parlement in te lichten over de lopende werkzaamheden op het gebied van gedelegeerde handelingen en technische uitvoeringsnormen;

8.  wijst erop dat volgens de onlangs vastgestelde verordening kapitaalvereisten en richtlijn kapitaalvereisten de periode voor toetsing van technische reguleringsnormen op grond van hun omvang en complexiteit met een maand extra verlengd kan worden en is van oordeel dat een dergelijke flexibiliteit de algemene regel moet worden; is van oordeel dat de termijnen waarbinnen het Parlement bezwaar kan maken tegen door de Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen, lang genoeg moeten zijn om het Parlement in staat te stellen zijn toetsingsrecht ten volle uit te oefenen, gelet op het rooster van plenaire vergaderingen en de werklast; is van oordeel dat de standaardtermijn van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met nog eens twee maanden, zoals opgenomen in de Consensus inzake gedelegeerde handelingen, onvoldoende is voor ingewikkelde kwesties en omvangrijke gedelegeerde handelingen, waarvoor een langere toetsingsperiode nodig is; wijst erop dat het de medewetgever volkomen vrijstaat een langere toetsingsperiode in de basishandeling op te nemen; wijst er in dit verband op dat de Consensus voor de termijnen wel richtsnoeren geeft maar geenszins bindend is en de wetgever in dezen dus geen beperkingen oplegt; wijst erop dat de wetgever een toetsingsperiode van drie maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met nog eens drie maanden, heeft vastgesteld voor alle gedelegeerde handelingen op het gebied van de financiële diensten en is van mening dat dit ook voor andere ingewikkelde beleidsterreinen moet gelden;

9.  beklemtoont dat met het zomer- en kerstreces van het Parlement evenals met het slot van elke zittingsperiode rekening moet worden gehouden bij het tijdschema voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen om te voorkomen dat het Parlement zijn toetsingsrecht niet kan uitoefenen; is van oordeel dat geschikte bepalingen ter zake moeten worden opgenomen in de bepalingen waarbij de Commissie de bevoegdheid krijgt om gedelegeerde handelingen vast te stellen; beklemtoont dat de afspraak dat er tijdens parlementair reces geen gedelegeerde handelingen mogen worden voorgelegd ook voor technische reguleringsnormen moet gelden; merkt op dat het tijdstip van plenaire stemmingen over een bezwaar tegen een gedelegeerde handeling zorgvuldig moet worden gekozen omdat daarvoor een absolute meerderheid vereist is;

10. acht het van fundamenteel belang dat er procedures en maatregelen komen voor de verkiezingsperiode in 2014, met name voor onlangs vastgestelde en binnenkort vast te stellen wetgevingshandelingen zoals de verordening kapitaalvereisten (CRR), solvabiliteit II, EMIR, omnibus II en MiFID;

11. is van oordeel dat, wanneer een ETA meer tijd nodig heeft om advies in te winnen en technische uitvoeringsnormen te ontwikkelen, deze de bevoegde parlementaire commissie moet melden waarom er vertraging is opgetreden bij de indiening van ontwerpnormen en desgevraagd bereid moet zijn de commissie inlichtingen te verschaffen; is van mening dat de Commissie de bevoegde parlementaire commissie op de hoogte moet stellen als er een nieuw tijdpad voor de indiening van ontwerpnormen wordt vastgesteld;

12. is van oordeel dat bij de oproepen aan belanghebbenden om zitting te nemen in de overleggroepen van de ETA's een voldoende lange termijn voor aanmelding moet worden aangehouden (ten minste twee maanden), dat deze oproepen via uiteenlopende kanalen moeten worden gedaan en dat er daarbij een heldere, gestroomlijnde procedure moet worden gevolgd zodat zich uiteenlopende kandidaten zullen aanmelden; herinnert eraan dat de overleggroepen van de ETA's overeenkomstig de bepalingen van de respectieve verordeningen evenwichtig samengesteld moeten zijn.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marino Baldini, Jean-Paul Besset, Sharon Bowles, George Sabin Cutaş, Leonardo Domenici, Markus Ferber, Elisa Ferreira, Ildikó Gáll-Pelcz, Jean-Paul Gauzès, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Liem Hoang Ngoc, Gunnar Hökmark, Jürgen Klute, Philippe Lamberts, Werner Langen, Ivana Maletić, Arlene McCarthy, Anni Podimata, Peter Simon, Ivo Strejček, Ramon Tremosa i Balcells, Corien Wortmann-Kool, Pablo Zalba Bidegain

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Fabrizio Bertot, Zdravka Bušić, Mojca Kleva Kekuš, Olle Ludvigsson, Catherine Stihler, Nils Torvalds, Oleg Valjalo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Wim van de Camp

  • [1]  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12); Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48); Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84, en met name de artikelen 10 tot en met 15 daarvan.
  • [2]  Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie (PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47).

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (26.9.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Pervenche Berès

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept het belang van een horizontale aanpak van het Parlement wat betreft de uitvoeringsbevoegdheden voor het MFK;

2.  heeft kritiek op het feit dat de delegatie van wetgevingsbevoegdheden aan de Commissie belangrijke politieke en strategische kwesties betreft; benadrukt dat een coherente handelwijze van de parlementaire commissies van belang is; onderstreept met betrekking tot de wetgevingsvoorstellen voor het MFK dat elementen zoals doelstellingen, prioriteiten en financiële toewijzingen in algemene zin, indien zij niet in het basisbesluit zijn opgenomen, bij gedelegeerde handelingen moeten worden vastgesteld[1];

3.  laakt de houding van de Raad en de Commissie die systematisch trachten in wetgevingsvoorstellen de voorkeur te geven aan uitvoeringsbevoegdheden boven gedelegeerde handelingen; verzoekt de Raad en de Commissie zich te houden aan de artikelen 290 en 291 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met betrekking tot het duidelijke onderscheid tussen gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen;

4.  herinnert eraan dat het Parlement de geldigheid van het EURES-besluit[2] op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken voor het Hof van Justitie heeft aangevochten om zijn prerogatieven te verdedigen, op grond van het feit dat de Commissie de limiet uit hoofde van artikel 291 VWEU niet heeft nageleefd;

5.  verzoekt de Raad en de Commissie te proberen de delegatie van zowel wetgevingshandelingen uit hoofde van artikel 290 VWEU als uitvoeringsbevoegdheden uit hoofde van artikel 291 VWEU tot een minimum te beperken;

6.  onderstreept dat het de exclusieve bevoegdheid van het Parlement is om te beslissen welke niet-essentiële onderdelen van het basisbesluit al dan niet via bevoegdheidsdelegatie moeten worden geregeld; erkent dat het bij de delegatie van bevoegdheden omzichtig te werk moet gaan, teneinde zijn prerogatieven te vrijwaren en de transparantie van het EU-wetgevingsproces te verzekeren;

7.  meent dat in het kader van de aanpassing van voormalige comitologiebesluiten, maatregelen die voordien onder de regelgevingsprocedure met toetsing vielen, in principe gedelegeerde handelingen moeten worden; dringt er bij de Commissie op aan deze aanpassing te bespoedigen;

8.  meent dat de geldende termijn voor de toetsing van uitvoeringshandelingen te kort is en het Parlement dus niet naar behoren toezicht kan houden op uitvoeringsbesluiten;

9.  onderstreept dat de transparantie bij de indiening en voorbereiding van gedelegeerde handelingen moet worden verbeterd;

10. dringt erop aan dat de Commissie al in de voorbereidingsfase van een gedelegeerde handeling de rapporteur van de basishandeling informeert over de voorbereidende werkzaamheden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Heinz K. Becker, Pervenche Berès, Vilija Blinkevičiūtė, Philippe Boulland, David Casa, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Minodora Cliveti, Emer Costello, Frédéric Daerden, Sari Essayah, Richard Falbr, Danuta Jazłowiecka, Ádám Kósa, Jean Lambert, Verónica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Thomas Mann, Csaba Őry, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Jutta Steinruck, Ruža Tomašić, Traian Ungureanu

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Françoise Castex, Philippe De Backer, Anthea McIntyre, Ria Oomen-Ruijten, Evelyn Regner, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Tatjana Ždanoka

  • [1]  Notulen van de vergadering van de Conferentie van voorzitters van 15 november 2012, op basis van de brief van 25 oktober 2012 van de Klaus-Heiner Lehne, voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, aan de Voorzitter van het Europees Parlement.
  • [2]  PB L 328 van 28.11.2012, blz. 21, Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 26 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk, en een nieuwe opzet van Eures.

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (30.5.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake follow-up van de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en het toezicht van de lidstaten op de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Matthias Groote

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1   merkt op dat de delegatie van wetgevingsbevoegdheden aan de Commissie geen louter technische kwestie is, maar politiek gevoelige thema's kan betreffen die van aanzienlijk belang zijn voor EU-burgers en consumenten, met inbegrip van de goedkeuring van gezondheids- en voedingsclaims, levensmiddelenadditieven en werkzame chemische stoffen, de etikettering van levensmiddelen, de definitie van drank en levensmiddelen en de werking van de EU-regeling voor de emissiehandel (ETS);

2.  onderstreept dat de bevoegdheidsdelegatie een keuze is die het Parlement als medewetgever heeft, en die het van geval tot geval met de nodige omzichtigheid moet toepassen, rekening houdend met de noodzaak om zijn prerogatieven te vrijwaren en tegelijkertijd de transparantie, consistentie en rechtszekerheid van het EU‑wetgevingsproces te verzekeren;

3.  herinnert eraan dat uit de bepalingen van de artikelen 290 en 291 van het Verdrag duidelijk blijkt dat gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen aan verschillende behoeften tegemoetkomen en dus niet onderling verwisselbaar zijn[1];

4.  onderstreept dat bij de post-Lissabon-aanpassing van wetgevingshandelingen maatregelen die voordien onder de regelgevingsprocedure met toetsing vielen, zeker moeten worden omgezet in gedelegeerde handelingen en niet in uitvoeringshandelingen, tenzij dit om uitzonderlijke redenen gerechtvaardigd is, aangezien gedelegeerde handelingen exact hetzelfde doel hebben als maatregelen die onder de regelgevingsprocedure met toetsing vielen (nl. het vaststellen van maatregelen van algemene strekking ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling); meent dat een dergelijke motivering binnen een redelijke termijn moet worden geëvalueerd, rekening houdend met voor wetgevingsprocedures geldende termijnen;

5.  uit scherpe kritiek op de Raad, die niet alleen systematisch probeert gedelegeerde handelingen in nieuwe wetgeving tot elke prijs te voorkomen, maar zelfs terugkomt op de pre-Lissabon-situatie door te trachten maatregelen die onder de regelgevingsprocedure met toetsing vielen in post-Lissabon-aanpassingsverordeningen ten onrechte om te zetten in uitvoeringshandelingen; verzoekt de Raad zich te houden aan de bepalingen van het Verdrag met betrekking tot het duidelijke onderscheid tussen gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen;

6.  meent dat de keuze om voor bepaalde niet-essentiële onderdelen geen bevoegdheidsdelegatie te verlenen maar wijzigingen binnen de gewone wetgevingsprocedure te behandelen in sommige gevallen een passende oplossing kan zijn (die de prerogatieven van de Raad en het Parlement vrijwaart), maar in andere gevallen niet geschikt is omdat dit niet in verhouding staat tot het te wijzigen niet-essentiële onderdeel en de facto een hinderpaal zou zijn voor mogelijk belangrijke aanpassingen;

7.  meent dat vaker een beroep moet worden gedaan op artikel 37 bis van het Reglement om de positie van zijn rapporteurs bij wetgevingsonderhandelingen te versterken; onderstreept dat het de wetgever vrij staat te beslissen welke niet-essentiële onderdelen van het basisbesluit moeten worden geregeld via bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie en welke onderdelen op wetgevingsniveau moeten blijven; meent dat onderdelen van groot politiek belang, zoals EU-lijsten of registers van producten of stoffen, een integraal deel van het basisbesluit moeten blijven, in voorkomend geval in de vorm van bijlagen; onderstreept dat de vaststelling van op zich staande lijsten in het belang van de rechtszekerheid moet worden voorkomen;

8.  verzoekt de secretaris-generaal een studie voor te bereiden over de resultaten van wetgevingsonderhandelingen tussen het Parlement en de Raad ten aanzien van de kwestie van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, teneinde advies en richtsnoeren voor beste praktijken te kunnen verstrekken aan rapporteurs en andere leden die bij toekomstige onderhandelingen betrokken zijn;

9.  meent dat de huidige procedures van de Commissie met betrekking tot de overlegging en classificatie van gedelegeerde handelingen en agenda's en documenten in verband met voorbereidende vergaderingen minder goed uitgewerkt zijn dan voor uitvoeringshandelingen en niet kunnen worden beschouwd als een geschikt mechanisme als bedoeld in de Consensus over gedelegeerde handelingen; verzoekt de Commissie om er zo spoedig mogelijk voor te zorgen dat ten minste hetzelfde niveau van informatie en transparantie wordt geboden als bij het bestaande comitologieregister;

10. is van mening dat de huidige regeling met betrekking tot zijn toezicht op uitvoeringshandelingen niet voldoet en niet beperkt zou mogen zijn tot ontwerphandelingen; dringt aan op wijziging van artikel 11 van de Verordening betreffende uitvoeringshandelingen zodat het Parlement (in principe en met uitzondering van om dringende redenen goedgekeurde handelingen) het recht heeft om een uitvoeringshandeling binnen een termijn van een maand na goedkeuring te toetsen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.5.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Elena Oana Antonescu, Sophie Auconie, Sergio Berlato, Lajos Bokros, Franco Bonanini, Yves Cochet, Anne Delvaux, Jill Evans, Elisabetta Gardini, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Jolanta Emilia Hibner, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Zofija Mazej Kukovič, Linda McAvan, Miroslav Ouzký, Gilles Pargneaux, Pavel Poc, Frédérique Ries, Kārlis Šadurskis, Richard Seeber, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Glenis Willmott, Sabine Wils

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Margrete Auken, Philippe Juvin, Alda Sousa, Rebecca Taylor, Marita Ulvskog, Vladimir Urutchev

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Stanimir Ilchev

  • [1]  Handboek gedelegeerde handelingen/uitvoeringshandelingen, DG IPOL, februari 2013, blz. 16.

ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (24.9.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Amalia Sartori

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  constateert dat er beduidende voortgang is geboekt met de omzetting in de praktijk van de artikelen 290 en 291 van het Verdrag van Lissabon, en dat er bij interinstitutionele onderhandelingen steeds meer belang wordt gehecht aan de keuze tussen gedelegeerde en uitvoeringshandelingen;

2.  onderstreept dat waar de medewetgevers niet altijd dezelfde opvatting delen omtrent de essentiële elementen van deze beide soorten handelingen, het Parlement moet blijven vasthouden aan zijn standpunt dat regeling van politiek gevoelige kwesties die op aanvulling van de basishandeling zou kunnen neerkomen, niet door middel van uitvoeringshandelingen mag geschieden, omdat het toetsingsrecht van het Parlement daardoor kan worden aangetast;

3.  wijst erop dat het Parlement bij de onderhandelingen met de Raad steeds vaker moeilijkheden ondervindt wegens de tegenzin van de Raad om gebruikmaking van gedelegeerde handelingen te overwegen en doordat het opnemen van alle vereiste elementen in de basishandeling, alleen gekoppeld aan uitvoeringshandelingen, juridisch weliswaar een correcte optie is maar in bepaalde gevallen uiterst moeilijk uitvoerbaar zou zijn, bijvoorbeeld op terreinen waar de technologie nog in ontwikkeling is; wijst er bovendien op dat deze aanpak tot wetgeving kan leiden die niet voldoet aan de EU-beginselen van beter wetgeven;

4.  onderstreept dat rubricering van informatie binnen bepaalde werkterreinen geen belemmering mag zijn voor het recht van het Parlement om gedelegeerde handelingen te toetsen; stelt dat wanneer een gedelegeerde handeling dergelijke informatie behelst, er volgens de geldende wetgeving de nodige regelingen moeten worden getroffen waardoor parlementsleden inzicht in die informatie kunnen krijgen;

5.  beklemtoont dat op veel beleidsterreinen, zoals energie en informatie- en communicatietechnologie, zich vraagstukken kunnen voordoen die aanvankelijk vooral van technische aard lijken, maar uiteindelijk politieke keuzen vergen die belangrijke consequenties hebben; beklemtoont dan ook dat de democratische legitimiteit in het gehele wetgevingsproces van de EU pas gewaarborgd kan zijn als het Parlement over voldoende expertise beschikt om zijn toetsingsbevoegdheden onafhankelijk te kunnen uitoefenen;

6.  signaleert een duidelijke vooruitgang dankzij een snelle toezending van gedelegeerde handelingen aan de verantwoordelijke parlementscommissies, wat weer een positief effect heeft op de wijze waarop de leden hun toetsingrecht kunnen uitoefenen;

7.  meent stellig dat het via nieuwsbrieven onder de leden laten circuleren van gedelegeerde handelingen de toetsing van die handelingen vergemakkelijkt en de leden gelegenheid geeft om tijdig hun eventuele bezwaren kenbaar te maken;

8.  acht het zorgwekkend dat deskundigen van het Parlement niet stelselmatig bij de voorbereidende besprekingen voor gedelegeerde handelingen worden uitgenodigd; vraagt de Commissie om nadere maatregelen te nemen om hierin verbetering te brengen en het Parlement het voorgenomen tijdschema mee te delen voor de invoering van die maatregelen;

9.  acht het verheugend dat deskundigen van de Commissie zich beschikbaar houden voor deelname aan informatieve vergaderingen met de leden, omdat de organisatie van zulke vergaderingen – geruime tijd vóór de vaststelling van de gedelegeerde handeling – nuttig is: belangrijke aspecten van de handeling kunnen nader worden toegelicht en de werkzaamheden van het Parlement voor het bereiken van uiteindelijke overeenstemming verlopen gemakkelijker;

10. wijst erop dat dankzij gedelegeerde handelingen het aantal mogelijkheden ten aanzien van wetgevingshandelingen zeer veel groter is geworden; vreest dat het Parlement niet over voldoende personeel beschikt om zijn politieke verantwoordelijkheid voor de controle op de aan de Commissie gedelegeerde bevoegdheden ten volle uit te oefenen, bijvoorbeeld wanneer het zijn bezwaren kenbaar moet maken tegen een in de basishandeling gestelde tijdslimiet; dringt aan op een kwantitatieve en kwalitatieve inschatting van de personeelsbehoefte waarin het Parlement zal moeten voorzien om zijn taak als medewetgever naar behoren te kunnen vervullen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

51

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Amelia Andersdotter, Josefa Andrés Barea, Zigmantas Balčytis, Ivo Belet, Bendt Bendtsen, Fabrizio Bertot, Jan Březina, Maria Da Graça Carvalho, Giles Chichester, Jürgen Creutzmann, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Adam Gierek, Norbert Glante, András Gyürk, Edit Herczog, Romana Jordan, Krišjānis Kariņš, Lena Kolarska-Bobińska, Philippe Lamberts, Marisa Matias, Angelika Niebler, Jaroslav Paška, Aldo Patriciello, Herbert Reul, Michèle Rivasi, Paul Rübig, Francisco Sosa Wagner, Konrad Szymański, Patrizia Toia, Catherine Trautmann, Ioannis A. Tsoukalas, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Alejo Vidal-Quadras

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Maria Badia i Cutchet, Antonio Cancian, Yves Cochet, António Fernando Correia de Campos, Ioan Enciu, Elisabetta Gardini, Jolanta Emilia Hibner, Seán Kelly, Bernd Lange, Corinne Lepage, Marian-Jean Marinescu, Mario Pirillo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

María Irigoyen Pérez, Cecilia Wikström, Sabine Wils

ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (5.9.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Werner Kuhn en Saïd El Khadraoui

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat de regelgeving van de Europese Unie ook onder het niveau van de wetgeving gestalte krijgt, in handelingen waarbij de wetgeving ontwikkeld en uitgevoerd wordt, en dat het Verdrag op de juiste wijze moet worden toegepast om een toereikende mate van democratische legitimiteit te waarborgen;

2.  beklemtoont dat gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen beperkt moeten blijven tot onderwerpen van zuiver technische en/of administratieve aard: politieke onderwerpen mogen alleen via een democratische en transparante medebeslissingsprocedure worden behandeld, waar de Europese burger zicht op heeft;

3.  herinnert eraan dat gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen volgens de artikelen 290 en 291 van het Verdrag aan verschillende behoeften tegemoetkomen en dus niet onderling verwisselbaar zijn; is van oordeel dat de afbakening van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, evenals de juiste en meest aangewezen keuze van bepalingen in de basishandeling, een belangrijke politieke kwestie is die bij de opstelling van het ontwerpwetgevingsverslag in een vroegtijdig stadium ter tafel moet komen in overleg tussen rapporteurs en schaduwrapporteurs, bijgestaan door commissiesecretariaten en met name de Juridische Dienst;

4.  verzoekt de Commissie een aantal precieze interinstitutionele criteria voor het gebruik van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen voor te stellen, waaronder herzieningsmechanismen, uitgaande van de verschillende besluitvormingsstadia die voor de genoemde handelingen maatgevend zijn;

5.  wijst erop dat het Parlement in de onderhandelingen met de Raad op steeds meer moeilijkheden stuit doordat de Raad niet bereid is het gebruik van gedelegeerde handelingen te overwegen en dat het opnemen van alle vereiste elementen in de basishandeling om louter het gebruik van uitvoeringshandelingen toe te staan als oplossing juridisch weliswaar een correcte optie kan zijn maar in bepaalde gevallen uiterst lastig kan zijn, bijvoorbeeld op terreinen waar de technologie nog in ontwikkeling is, en in veel gevallen tot wetgeving kan leiden die niet voldoet aan de EU-beginselen van beter wetgeven; verzoekt de Commissie dan ook als hoedster van de Verdragen haar verplichtingen ten aanzien van de artikelen 290 en 291 van het Verdrag van Lissabon na te komen en haar volledige steun te verlenen aan het Parlement als het opkomt voor zijn rechten in de onderhandelingen met de Raad;

6.  meent dat vaker met een beroep op artikel 37 bis van het Reglement het advies van de Commissie juridische zaken moet worden ingewonnen om de positie van de rapporteurs bij wetgevingsonderhandelingen te versterken;

7.  geeft uiting aan zijn verontrusting over de aanpassingsexercitie tegen de achtergrond van het verzet van de Raad tegen het gebruik van gedelegeerde handelingen, aangezien het Parlement toetsingsbevoegdheden zou kunnen kwijtraken als bij belangrijke en politiek gevoelige wetgevingsdossiers, zoals veiligheidskwesties, maatregelen volgens de regelgevingsprocedure met toetsing omgezet worden in uitvoeringshandelingen; dringt er derhalve bij de Commissie en de Raad op aan dat zij zich aan het Verdrag en de Verdragsdoelstellingen houden en de democratische controle via de zeggenschap van het Parlement over gedelegeerde handelingen waarborgen;

8.  beklemtoont dat op veel beleidsterreinen, zoals het vervoersbeleid, vraagstukken die aanvankelijk vooral technisch van aard lijken te zijn politieke keuzen vergen die belangrijke consequenties hebben; beklemtoont dan ook dat de democratische legitimiteit in het gehele wetgevingsproces van de EU pas gewaarborgd kan zijn als het Parlement over voldoende expertise beschikt om zijn toetsingsbevoegdheden onafhankelijk te kunnen uitoefenen;

9.  wijst op het belang van de inbreng van het Parlement in de fase van de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, gegeven het feit dat het Parlement soms moeite heeft om de toetsing van gedelegeerde handelingen correct uit te voeren als de voorbereidingsfase niet goed gevolgd kan worden en als de nodige expertise voor een inhoudelijke beoordeling ontbreekt, gezien de beperkte tijd en middelen voor de toetsing op commissieniveau;

10. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat aan nationale deskundigen en deskundigen van het Parlement hetzelfde niveau van informatie en transparantie wordt geboden;

11. beklemtoont dat bij de post-Lissabon-aanpassing van wetgevingshandelingen maatregelen die voordien onder de regelgevingsprocedure met toetsing vielen, moeten worden omgezet in gedelegeerde handelingen en niet in uitvoeringshandelingen, tenzij dit om uitzonderlijke redenen gerechtvaardigd is.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Magdi Cristiano Allam, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Antonio Cancian, Michael Cramer, Philippe De Backer, Luis de Grandes Pascual, Saïd El Khadraoui, Ismail Ertug, Carlo Fidanza, Knut Fleckenstein, Jacqueline Foster, Franco Frigo, Mathieu Grosch, Dieter-Lebrecht Koch, Georgios Koumoutsakos, Werner Kuhn, Jörg Leichtfried, Bogusław Liberadzki, Eva Lichtenberger, Gesine Meissner, Hubert Pirker, Dominique Riquet, Petri Sarvamaa, Olga Sehnalová, Brian Simpson, Keith Taylor, Patricia van der Kammen, Dominique Vlasto, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Phil Bennion, Spyros Danellis, Michel Dantin, Geoffrey Van Orden, Janusz Władysław Zemke

ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (25.11.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Paolo De Castro

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herhaalt hoe belangrijk de aanpassing van de wetgeving aan het acquis is, vooral met betrekking tot beleidsterreinen als het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die niet waren vastgesteld in het kader van de medebeslissingsprocedure voorafgaand aan de inwerkingtreding van het VWEU; betreurt het dat de aanpassingsdossiers over essentiële landbouwwetgeving werden geblokkeerd door de Raad na de mislukte onderhandelingen tijdens informele trialogen en de eerste lezing van het Parlement; merkt op dat er alleen in de context van de volledige wetgevingsprocedures over de hervorming van het GLB een oplossing voor aanpassing aan het acquis kon worden gevonden die acceptabel was voor beide partijen, ofschoon er alleen overeenstemming kon worden bereikt over een aantal bepalingen op voorwaarde dat ze voor niemand nadelig zouden zijn;

2.  dringt er bij de Raad op aan vooruitgang te boeken in de nog openstaande aanpassingsdossiers zodat de procedures voor het eind van de zittingsperiode kunnen worden afgerond;

3.  is van mening dat de automatische aanpassing als voorzien in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 182/2011 grote problemen heeft opgeleverd voor de aanpassingsprocedures, aangezien het ontbreken van enige tijdsdruk ongunstig was voor het interinstitutionele onderhandelingsproces zodat de Raad uiteindelijk de aanpassingsdossiers kon blokkeren;

4.  constateert dat de toezending van documenten aan het Europees Parlement verbeterd moet worden, vooral met betrekking tot ontwerpen van gedelegeerde handelingen, om een gelijktijdige informatiestroom te garanderen aan het Europees Parlement en de Raad als medewetgevers;

5.  beveelt de Commissie aan om geen oneigenlijk gebruik te maken van gedelegeerde handelingen uitsluitend om in de trialoog bereikte politieke akkoorden open te breken;

6.  verzoekt de Commissie de deelname van de deskundigen van het Parlement aan vergaderingen van deskundigengroepen te vergemakkelijken door af te zien van onnodige bureaucratische rompslomp.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.11.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Paolo De Castro, Hynek Fajmon, Mariya Gabriel, Iratxe García Pérez, Julie Girling, Sergio Gutiérrez Prieto, Elisabeth Jeggle, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Agnès Le Brun, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, Marit Paulsen, Ulrike Rodust, Alfreds Rubiks, Giancarlo Scottà, Alyn Smith, Ewald Stadler, Csaba Sándor Tabajdi, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Esther de Lange, Karin Kadenbach, Anthea McIntyre, Maria do Céu Patrão Neves, Dimitar Stoyanov

ADVIES van de Commissie visserij (10.9.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
2012/2323(INI)

Rapporteur voor advies: Antolín Sánchez Presedo

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de keuze van het juiste rechtsinstrument (wetgevingshandeling, gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling) niet alleen maar een technische kwestie is; wijst erop dat het immers van het allergrootste belang is ervoor te zorgen dat de wetgevende macht de volle verantwoordelijkheid neemt voor de essentiële onderdelen en de doeltreffende toetsing van politieke besluiten; merkt op dat het ook van aanzienlijk belang kan zijn voor het machtsevenwicht, de correctheid en de goede werking van het besluitvormingsproces en de beleidshandhaving, bijvoorbeeld bij het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat de diverse instrumenten gebruikt worden op een wijze die strookt met de criteria van het Verdrag; benadrukt dat het Europees Parlement bijgevolg bijzondere aandacht moet schenken aan deze aspecten;

2.  wijst op het belang van de consequente aanpak die de Conferentie van voorzitters binnen het Parlement hanteert ten aanzien van de keuze van rechtsinstrumenten en toetsingsmethoden; is in dit verband van mening dat men zich op deze methode moet kunnen verlaten en dat deze verder moet worden ontwikkeld om voort te bouwen op het bestaande acquis, teneinde de coördinatie te vergemakkelijken en de follow-up te organiseren;

3.  stelt voor dat in elke parlementaire commissie de voorzitter, een van de ondervoorzitters of een specifiek lid tot taak krijgt om, in coördinatie met de andere commissies, de leden te ondersteunen en een coherente aanpak met betrekking tot gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te waarborgen; wijst erop dat de rapporteur voor de basiswetgevingshandeling automatisch ook rapporteur voor de follow-up ervan zou moeten worden en op gezette tijden verslag zou moeten uitbrengen aan de commissie; dringt eveneens aan op de noodzakelijke functionele organisatie binnen de secretariaten met het oog op een doeltreffende toetsing, en beveelt in dit verband aan dat de follow-up van de gedelegeerde handelingen in de agenda van de parlementaire commissies wordt opgenomen;

4.  beklemtoont dat toetsing essentieel is, aangezien deze het Parlement in staat stelt van tevoren te bepalen aan de hand van welke criteria het zal besluiten geen bezwaar te zullen aantekenen tegen een gedelegeerde handeling;

5. verzoekt de Commissie haar handelingen op transparantere wijze bekend te maken, zodat zowel het Parlement als de Europese burgers er makkelijker toegang toe hebben; stelt voor dat de Commissie daarvoor een IT-instrument in het leven roept voor het opzetten van een gegevensbank waarin de handelingen kunnen worden opgenomen, teneinde de democratische controle te versterken;

6.  betreurt het dat in het gemeenschappelijk visserijbeleid en op andere terreinen waar de medebeslissingsprocedure pas werd ingevoerd bij de inwerkingtreding van het huidige Verdrag en waar de regelgevingsprocedure met toetsing voorheen niet werd gebruikt, de afstemming van de wetgeving van vóór Lissabon op het nieuwe rechtskader bestaande uit wetgevingshandelingen, gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, op aanzienlijke moeilijkheden stuit, tot ernstige en compromitterende vertragingen leidt en zelfs stagneert, wat de uitvoering van noodzakelijke en dringende maatregelen voor de visserijsector belemmert; wijst erop dat dit vaak te wijten is aan de onwil bij de Raad om de delegatie van bevoegdheden aan de Commissie om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gedelegeerde handelingen vast te stellen, te erkennen en effectief te gebruiken;

7.  onderstreept dat de aanpassing van het visserijbeleid aan de bepalingen van het Verdrag van Lissabon er niet toe mag leiden dat de Commissie zich aanvullende bevoegdheden toe-eigent ten opzichte van het bepaalde in dat Verdrag; brengt in dit verband in herinnering dat de bevoegdheidsdelegatie van de Commissie niet zonder tijdslimiet is, maar dat voor gedelegeerde handelingen volgens het Verdrag een bepaalde termijn geldt (drie jaar);

8.  is van mening dat de aanpassing van de visserijwetgeving en daaraan gerelateerde wetgeving aan het nieuwe rechtskader volledig moet worden afgerond tijdens de lopende zittingsperiode;

9.  verzoekt de Commissie en de Raad verder te onderhandelen met het Parlement om een consensus te bereiken over de interpretatie en het gebruik van de artikelen 290 en 291 VWEU – en de follow-up daarvan – en met name over een werkbare scheidslijn tussen gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, zo mogelijk met concrete en onbetwistbare voorbeelden van bevoegdheden die als wetgevend, gedelegeerd of uitvoerend worden aangemerkt;

10. herinnert aan het belang van de delegatie van uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie op bepaalde beleidsterreinen om microbeheer en een zware en omslachtige medebeslissingsprocedure te voorkomen;

11. benadrukt dat de keuze van het instrument ook gevolgen heeft voor de follow-upcontrole van de gedelegeerde bevoegdheid; steunt daarom de aanpak van de Conferentie van voorzitters om voor gedelegeerde handelingen te kiezen wanneer de overdrachtskeuze voor de toepassing van de regels van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet vanzelfsprekend is;

12. is van oordeel dat het Parlement en de Raad van Ministers hun geloofwaardigheid in de ogen van EU-burgers verliezen als belangrijke beleidsmaatregelen niet kunnen worden ingevoerd omdat de twee instellingen het onderling niet eens kunnen worden over de administratieve procedure.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.9.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Antonello Antinoro, Kriton Arsenis, Chris Davies, Carmen Fraga Estévez, Dolores García-Hierro Caraballo, Marek Józef Gróbarczyk, Werner Kuhn, Isabella Lövin, Gabriel Mato Adrover, Guido Milana, Maria do Céu Patrão Neves, Crescenzio Rivellini, Raül Romeva i Rueda, Struan Stevenson, Isabelle Thomas, Nils Torvalds, Jarosław Leszek Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Jean Louis Cottigny, Iñaki Irazabalbeitia Fernández, Jens Nilsson, Nikolaos Salavrakos

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Jan Kozłowski

ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (25.11.2013)

aan de Commissie juridische zaken

inzake de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
(2012/2323(INI))

Rapporteur voor advies: Monika Flašíková Beňová

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat het Verdrag van Lissabon in een nieuwe hiërarchie van rechtsregels voorziet, bestaande uit wetgevingshandelingen, waarin de wetgever de essentiële onderdelen vastlegt, gedelegeerde handelingen tot wijziging of aanvulling van bepaalde niet-essentiële onderdelen van wetgevingshandelingen, die onder toezicht van de wetgever door de Commissie worden vastgesteld, en uitvoeringshandelingen met het oog op uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de wetgevingshandeling, die gewoonlijk door de Commissie worden vastgesteld;

B.  overwegende dat veruit de meeste rechtshandelingen op het gebied van de politiële samenwerking en de justitiële samenwerking in strafzaken (de vroegere derde pijler) sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet gewijzigd zijn, zodat ze nog steeds buiten het systeem van de gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen (artikelen 290 en 291 VWEU) functioneren en de Commissie gedurende een overgangsperiode van vijf jaar geen inbreukprocedures kan beginnen en het Hof van Justitie slechts over de beperkte bevoegdheden van het vroegere verdrag (protocol 36, artikel 10) beschikt;

C. overwegende dat de intergouvernementele conferentie ervoor heeft gepleit dat de instellingen de rechtshandelingen van de vroegere derde pijler zouden wijzigen of vervangen om ervoor te zorgen dat de bevoegdheden van de instellingen zoals neergelegd in het Verdrag van Lissabon (verklaring nr. 50 betreffende artikel 10 van protocol nr. 36, artikel 10, lid 2, van protocol nr. 36) ten volle van toepassing worden; overwegende dat het Parlement er in zijn resolutie van 25 november 2009 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad – Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger – programma van Stockholm[1], bij de Commissie aandrong uiterlijk op 1 september 2010 een aantal urgente wetgevingsvoorstellen in te dienen, waarvan er enkele nog steeds nog zijn ingediend;

1.  acht het uit democratisch oogpunt veroordelenswaardig en in strijd met de beginselen van de rechtsstaat dat bijna vier jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon nog steeds gebruik gemaakt wordt van procedures ter uitvoering van handelingen in het kader van de voormalige derde pijler waarbij, ongeacht de aard van de te nemen besluiten, het Parlement dikwijls is uitgesloten of slechts geraadpleegd wordt; verzoekt de Commissie uiterlijk in haar werkprogramma voor 2014 voorstellen op te nemen om alle wetgevingshandelingen van de voormalige derde pijler in overeenstemming te brengen met de nieuwe hiërarchie van normen en de uit het Verdrag van Lissabon voortvloeiende bevoegdheden en het recht op informatie van het Parlement over bevoegdheidsdelegaties aan de Commissie te eerbiedigen; benadrukt dat dit van iedere wetgevingshandeling een afzonderlijke beoordeling vereist om te bepalen welke handelingen essentiële elementen bevatten en dus door de wetgever moeten worden vastgesteld, met name handelingen die gevolgen hebben voor fundamentele rechten van betrokken personen, en welke handelingen als niet-essentieel kunnen worden opgevat (zie de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak C-355/10); stelt voor om hiertoe een interinstitutionele werkgroep op te richten die de criteria moet formuleren voor de keuze tussen gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen op grond van artikel 290 VWEU; verzoekt de Raad en de Commissie in onderhandeling met het Parlement te treden om zo spoedig mogelijk tot een akkoord over die criteria te komen;

2.  wijst erop dat de Raad nog steeds, lang na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, rechtshandelingen op basis van de voormalige derde pijler vaststelt, zodat het Parlement zich genoopt ziet om een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig te maken;

3.  veroordeelt het ten stelligste dat de Raad en dikwijls ook de Commissie, vasthouden aan uitvoeringshandelingen, zelfs in gevallen waar duidelijk is voldaan aan de voorwaarden voor gedelegeerde handelingen zoals genoemd in artikel 290 VWEU, en met name de bepaling dat bevoegdheidsdelegatie slechts betrekking kan hebben op niet-wetgevingshandelingen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling;

4.  is van mening dat de keuze tussen gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen per geval moet worden gemaakt; meent dat een en ander telkens zorgvuldig moet worden afgewogen met inachtneming van de vereisten van de artikelen 290 en 291 VWEU; stelt dat indicatieve richtsnoeren over de toepassing van die artikelen daarbij nuttig zouden kunnen zijn;

5.  dringt aan op het correcte gebruik van gedelegeerde handelingen in de nieuwe financiële programma's; is van mening dat besluiten zoals de vaststelling van prioriteiten en de toewijzing van financiële middelen aan deze prioriteiten een duidelijke aanvulling zijn op de basishandeling en dan ook gedelegeerde handelingen vereisen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.10.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Edit Bauer, Rita Borsellino, Emine Bozkurt, Arkadiusz Tomasz Bratkowski, Philip Claeys, Carlos Coelho, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Ioan Enciu, Monika Flašíková Beňová, Hélène Flautre, Kinga Gál, Kinga Göncz, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Timothy Kirkhope, Juan Fernando López Aguilar, Monica Luisa Macovei, Svetoslav Hristov Malinov, Véronique Mathieu Houillon, Anthea McIntyre, Roberta Metsola, Claude Moraes, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Renate Sommer, Rui Tavares, Wim van de Camp, Axel Voss, Josef Weidenholzer, Tatjana Ždanoka, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Alexander Alvaro, Ana Gomes, Stanimir Ilchev, Andrés Perelló Rodríguez, Marie-Christine Vergiat

  • [1]  PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 12.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.11.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Klaus-Heiner Lehne, Antonio López-Istúriz White, Antonio Masip Hidalgo, Jiří Maštálka, Evelyn Regner, Francesco Enrico Speroni, Dimitar Stoyanov, Alexandra Thein, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Eduard-Raul Hellvig, Eva Lichtenberger, Dagmar Roth-Behrendt, József Szájer, Axel Voss