VERSLAG over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
6.12.2013 - (COM(2011)0843 – C7‑0495/2011 – 2011/0411(COD)) - ***I
Commissie buitenlandse zaken
Rapporteur: Antonio López-Istúriz White
Rapporteur voor advies(*):Laima Liucija Andrikienė, Commissie internationale handel
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement
PR_COD_1amCom
- ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
- BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
- VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT OVER DE OPSCHORTING VAN STEUNVERLENING UIT HOOFDE VAN DE FINANCIËLE INSTRUMENTEN
- VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE STRATEGISCHE DIALOOG MET HET EUROPEES PARLEMENT The Commission will be represented at the responsible Commissioner level* Where applicable
- ADVIES van de Commissie internationale handel (*)
- ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
- ADVIES van de Begrotingscommissie
- ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
- PROCEDURE
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
(COM(2011)0843 – C7‑0495/2011 – 2011/0411(COD))
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
Het Europees Parlement,
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2011)0843),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 207, lid 2, artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0495/2011),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 december 2012[1],
– gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 4 december 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien artikel 55 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A7-0446/2013),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie gevoegde verklaring van het Parlement;
3. neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;
4. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
5. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Amendement 1
AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT[2]*
op het voorstel van de Commissie
---------------------------------------------------------
van
tot vaststelling van een instrument dat bijdraagt aan stabiliteit en vrede
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2, artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,
Gezien het voorstel van de ▌Commissie,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's[3]1,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) De Unie streeft ernaar betrekkingen te ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met derde landen. Deze verordening vormt een nieuw, complementair instrument dat het externe beleid van de Europese Unie rechtstreeks ondersteunt en de samenwerkingspartnerschappen en beleidsdialogen uitbreidt tot gebieden en thema's die verder reiken dan ontwikkelingssamenwerking. Met de verordening wordt voortgebouwd op de ervaring die in het kader van Verordening nr. 1934/2006[4] is opgedaan met geïndustrialiseerde landen en ▌ landen en gebieden met een hoog inkomen.
(1b) De werkingssfeer van de samenwerking uit hoofde van de geografische programma's met ontwikkelingslanden, gebieden en regio's zoals vastgesteld krachtens het instrument voor ontwikkelingssamenwerking is nagenoeg volledig beperkt tot het financieren van maatregelen met als doel te voldoen aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) die zijn vastgesteld door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (DAC/OESO).
(2) Het afgelopen decennium heeft de Unie haar bilaterale betrekkingen met een groot aantal geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog of een middeninkomen in diverse regio's van de wereld stelselmatig uitgebouwd ▌.
(2a) De EU heeft een de hele wereld omspannend financieringsinstrument voor buitenlands beleid nodig dat het mogelijk maakt maatregelen te financieren die wellicht niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, maar die van cruciaal belang zijn voor het verdiepen en bestendigen van de betrekkingen met de partnerlanden in kwestie, met name via beleidsdialogen en de ontwikkeling van partnerschappen. Dit nieuwe instrument, dat zowel qua werkingssfeer als qua doelstellingen innovatief is, moet een gunstig klimaat scheppen voor diepere betrekkingen tussen de Unie en ▌relevante derde landen en moet de kernbelangen van de Unie uitdragen.
(2b) Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is een gedifferentieerde en flexibele benadering nodig met de belangrijkste partnerlanden, rekening houdend met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie, terwijl het mogelijk moet blijven om, naargelang de behoeften, overal ter wereld maatregelen te nemen. De Unie moet een alomvattende benadering van het buitenlands beleid volgen ook voor de sectorale beleidsterreinen van de Unie.
(2c) De Unie moet in staat zijn flexibel en tijdig te reageren op veranderende en/of onvoorziene behoeften door het vaststellen van speciale maatregelen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen, teneinde haar voornemen om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen en te verdedigen meer kans van slagen te geven.
(2d) Het is in haar eigen belang dat de Unie haar betrekkingen en dialoog verdiept met landen waarmee het aanhalen van de banden van strategisch belang is voor de Unie, in het bijzonder met ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds belangrijkere rol spelen in internationale aangelegenheden, onder meer wat betreft het mondiale bestuur, het buitenlands beleid, de internationale economie, in multilaterale fora en organen zoals de G8 en de G20 en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang.
(2e) De Unie moet uitgebreide partnerschappen opbouwen met nieuwe spelers op het internationale toneel teneinde een stabiele en inclusieve internationale orde te bevorderen, gemeenschappelijke mondiale collectieve goederen na te streven, de kernbelangen van de Unie uit te dragen en de kennis over de Unie in deze landen te vergroten.
(2f) Deze verordening moet een wereldwijde werkingssfeer hebben, zodat waar mogelijk samenwerkingsmaatregelen kunnen worden ondersteund ter versterking van de betrekkingen met landen waar de Unie strategische belangen heeft, in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening.
(2g) Het is in het belang van de Unie om te blijven ijveren voor dialoog en samenwerking met landen die niet meer in aanmerking komen voor bilaterale programma's krachtens het instrument voor ontwikkelingssamenwerking.
(2h) Het is in haar eigen beland dat de Unie werkt aan inclusieve mondiale instellingen, gebaseerd op doeltreffend multilateralisme.
(2i) De Unie moet krachtens deze verordening de uitvoering ondersteunen van de externe dimensie van "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei", door drie pijlers samen te brengen: de economische, de sociale en de milieupijler. Deze verordening moet met name doelstellingen ondersteunen in verband met mondiale vraagstukken zoals klimaatverandering, energiezekerheid en efficiënt hulpbronnengebruik, de overgang naar een groenere economie, wetenschap, innovatie en concurrentievermogen, mobiliteit, handel en investeringen, economische partnerschappen, samenwerking op zakelijk, werkgelegenheids- en regelgevingsgebied met derde landen, en een betere markttoegang voor Europese bedrijven, inclusief de internationalisering van kleine en middelgrote ondernemingen. Zij moet ook activiteiten inzake open diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en outreach bevorderen.
▌
(12) Met name het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de grote mondiale uitdagingen waarvoor de Unie en de bredere internationale gemeenschap zich geplaatst zien. Klimaatverandering is een terrein waarop dringend internationaal optreden nodig is en waar de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie samenwerking met derde landen vergt. De Unie moet zich daarom niet-aflatende inspannen getroosten om op dit gebied een mondiale consensus te bevorderen. In overeenstemming met het in de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 "Een begroting voor Europa 2020" uitgesproken voornemen het klimaatgerelateerde gedeelte van de begroting van de Unie tot ten minste 20% te verhogen, moet deze verordening tot de verwezenlijking van dat doel bijdragen.
(12a) Transnationale uitdagingen, zoals aantasting van het milieu en toegang tot en duurzaam gebruik van grondstoffen en zeldzame aardmetalen, vergen een gereguleerde inclusieve aanpak.
(13) De Unie is vastbesloten bij te dragen aan het halen van de mondiale doelstellingen op het gebied van biodiversiteit voor 2020 en te presteren op het vlak van de daarmee gepaard gaande strategie voor het mobiliseren van middelen.
(13a) In haar betrekkingen met haar partners overal ter wereld ijvert de Unie voor het bevorderen van fatsoenlijk werk voor iedereen, alsook voor het bekrachtigen en daadwerkelijk uitvoeren van de internationaal erkende arbeidsnormen en multilaterale milieuovereenkomsten.
(13b) Het stimuleren van groei en banen, door op multilateraal en bilateraal niveau in te zetten op eerlijke en open handel en investeringen en door het ondersteunen van onderhandelingen over en de uitvoering van handels- en investeringsovereenkomsten van de EU, vormt een belangrijk strategisch belang van de Unie. Krachtens deze verordening dient de Unie bij te dragen tot het creëren van een veilige omgeving met meer handels- en investeringskansen voor Europese bedrijven overal ter wereld, niet het minst voor kleine en middelgrote ondernemingen, onder meer door samenwerking en convergentie op reguleringsgebied te ondersteunen, internationale normen te bewerkstelligen, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten te verbeteren en ongerechtvaardigde belemmeringen van de markttoegang aan te pakken,
(13c) Het internationaal optreden van de Unie dient te berusten en gericht te zijn op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan haar oprichting, ontwikkeling en uitbreiding ten grondslag liggen, als verankerd in artikel 21 van het Verdrag, namelijk de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht.
(13d) De Unie moet ernaar streven dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt teneinde het effect van haar externe optreden te optimaliseren. Dit moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de instrumenten voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen dit instrument, andere instrumenten voor extern optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. Dit moet voorts de wederzijdse versterking van de krachtens deze instrumenten opgezette programma's met zich meebrengen.
(13e) Om ervoor te zorgen dat de steun van de Unie zichtbaar is voor de burgers van de begunstigde landen én van de Unie, moet er, in voorkomend geval, met adequate middelen gericht worden gecommuniceerd en geïnformeerd.
(13f) De doelstellingen van deze verordening moeten, waar mogelijk en passend, worden nagestreefd in overleg met relevante partners en belanghebbenden, zoals maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden, met aandacht voor het belang van hun respectieve rol.
(13g) Het externe optreden van de Unie krachtens het instrument moet bijdragen aan duidelijke resultaten (wat betreft opbrengsten, uitkomsten en effecten) in landen die externe financiële bijstand van de Unie krijgen. Wanneer dat gewenst en mogelijk is, moeten de resultaten van het externe optreden van de Unie en de efficiëntie van het gebruikte instrument gecontroleerd en beoordeeld worden aan de hand van vooraf gedefinieerde, duidelijke, transparante en, waar passend, specifiek op een land gerichte, meetbare indicatoren, afgestemd op de kenmerken en doelstellingen van dit instrument.
(13h) In acties krachtens deze verordening moet, waar passend, terdege rekening worden gehouden met de resoluties en aanbevelingen van het Europees Parlement.
▌
(19) Teneinde de werkingssfeer van deze verordening aan te passen aan de snel veranderende realiteit in derde landen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen voor wat betreft de in de bijlage omschreven prioriteiten. Het is bijzonder belangrijk dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, inclusief op het niveau van deskundigen. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.
(20) Teneinde te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden overgedragen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening nr. 182/2011 van 16 februari 2011 van het Europees Parlement en de Raad[5]. Rekening houdend met de aard van die uitvoeringsbepalingen, met name hun beleidsbepalende karakter of hun financiële implicaties, zou de onderzoeksprocedure ▌moeten worden gebruikt voor het vaststellen ervan, met uitzondering van technische uitvoeringsmaatregelen die geringe financiële implicaties hebben.
(20a) Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang van het optreden, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als bepaald in dat artikel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(21) Gemeenschappelijke regels en procedures voor de uitvoering van de instrumenten voor extern optreden van de Unie worden vastgelegd in Verordening (EU) nr. …/…van het Europees Parlement en de Raad[6] ▌, hierna genoemd "de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening".
(22) De organisatie en werkwijze van de Europese Dienst voor extern optreden worden beschreven in Besluit 2010/427/EU van de Raad ▌.
(22a) Het is passend dat de looptijd van deze verordening in overeenstemming wordt gebracht met die van Verordening (EU) nr. …/… van de Raad[7]. Derhalve dient de onderhavige verordening op 1 januari 2014 van toepassing te worden,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1Onderwerp en doelstellingen
1. Bij deze verordening wordt een partnerschapsinstrument vastgesteld voor samenwerking met derde landen om de belangen van de Unie en wederzijdse belangen te bevorderen. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen die een doeltreffende en flexibele reactie vormen op doelstellingen die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen en die verband houden met uitdagingen van mondiaal belang, of die een adequate follow-up van de op multilateraal niveau genomen beslissingen waarborgen.
2. De krachtens dit instrument te financieren maatregelen weerspiegelen de volgende specifieke doelstellingen van de Unie:
(a) ▌het ondersteunen van de strategieën van de Unie voor bilateraal, regionaal en interregionaal samenwerkingspartnerschap, door het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt onder meer afgemeten aan de hand van de vorderingen die de partnerlanden maken in de strijd tegen klimaatverandering of in het propageren van de milieunormen van de Unie;
(ab) implementatie van de internationale dimensie van "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei". De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan de mate waarin belangrijke partnerlanden het beleid en de doelstellingen van "Europa 2020" overnemen;
(b) het verbeteren van de toegang tot de markten van derde landen en meer kansen voor Europese bedrijven om handel te drijven, te investeren en zaken te doen, waarbij, door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied, tegelijk belemmeringen van de markttoegang en voor investeringen worden weggenomen. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten;
(c) het wijder verbreiden van het inzicht in en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel door middel van publieksdiplomatie, contacten tussen burgers, samenwerking op onderwijskundig/universitair gebied en in denktanks, en door outreachactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. De verwezenlijking van deze doelstelling kan onder andere worden gemeten door middel van opinieonderzoeken en evaluaties.
Artikel 2Toepassingsgebied
1. Deze verordening steunt ▌vooral samenwerkingsmaatregelen ten aanzien van landen waarmee het aanhalen van de banden van strategisch belang is voor de Unie, vooral ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds prominentere rol spelen in mondiale aangelegenheden, waaronder het buitenlandbeleid, de internationale economie en handel, in multilaterale fora, ▌het mondiale bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, ▌of waar de Unie andere aanzienlijke belangen heeft.
2. Onverminderd lid 1 kunnen alle derde landen, regio's en gebieden in aanmerking komen voor samenwerking krachtens deze verordening.
Artikel 3 Algemene beginselen
1. De Unie streeft ernaar de beginselen waarop zij is gegrondvest, ▌democratie, gelijkheid, eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, door middel van dialoog en samenwerking met derde landen te bevorderen, te ontwikkelen en te consolideren.
2. Om het effect van de door de Unie verstrekte hulp te verhogen, wordt in voorkomend geval bij het ontwerpen van de samenwerking met derde landen een gedifferentieerde en flexibele aanpak gevolgd, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.
3. ▌De Unie bevordert een samenhangende multilaterale aanpak van mondiale uitdagingen en stimuleert samenwerking met internationale en regionale organisaties en instanties, waaronder internationale financiële instellingen en organisaties, fondsen ▌en programma's ▌van de Verenigde Naties ▌alsook andere bilaterale donoren.
4. Bij de uitvoering van deze verordening richt de Unie zich bij het formuleren van beleidsmaatregelen, maatregelen inzake strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen op samenhang en consistentie met andere terreinen van haar extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden, en met het beleid van de Unie op andere relevante terreinen,.
5. De krachtens deze verordening gefinancierde maatregelen zijn, waar mogelijk, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten als overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de betrokken internationale organisaties en derde landen en regio's.
De krachtens deze verordening gefinancierde maatregelen hebben ook betrekking op terreinen die verband houden met het bevorderen van de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.
6. De steun die de Unie krachtens deze verordening verleent, wordt uitgevoerd in overeenstemming met de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening.
Artikel 4
Thematische prioriteiten
De prioriteiten van de steun van de Unie uit hoofde van deze verordening staan in de bijlage vermeld. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de bijlage opgenomen thematische prioriteiten. Meer in het bijzonder stelt de Commissie na de publicatie van het in artikel 16 van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening bedoelde tussentijds verslag en op basis van de daarin opgenomen aanbevelingen, uiterlijk op 31 maart 2018 een gedelegeerde handeling tot wijziging van de bijlage vast.
Artikel 5Programmering en indicatieve toewijzing van fondsen
1. Indicatieve meerjarenprogramma's worden door de Commissie goedgekeurd volgens de in artikel 15, lid 3, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening bedoelde onderzoeksprocedure. ▌
2. De indicatieve meerjarenprogramma's beschrijven de strategische en/of wederzijdse belangen en prioriteiten van de Unie, de specifieke doelstellingen en de verwachte resultaten. Voor landen of regio's waarvoor een gezamenlijk kaderdocument met een alomvattende strategie van de Unie is vastgesteld, worden de indicatieve meerjarenprogramma's op dat document gebaseerd.
3. De indicatieve meerjarenprogramma's bevatten tevens de prioriteitsgebieden die voor financiering door de Unie in aanmerking komen en de indicatieve financiële toewijzing van fondsen, zowel in hun totaliteit als per prioriteitsgebied en per partnerland of per groep partnerlanden voor de desbetreffende periode, inclusief de deelneming aan mondiale initiatieven, eventueel met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag.
▌
3a. In de indicatieve meerjarenprogramma's kan ten hoogste 5% van het totaalbedrag worden gereserveerd voor fondsen die niet worden toegewezen aan een prioriteitsgebied, een partnerland of een groep partnerlanden. Deze middelen worden vastgelegd overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening.
▌
7. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie kan voor het wijzigen van een indicatief meerjarenprogramma de in artikel 15, lid 4, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening bedoelde procedure worden toegepast.
8. Met betrekking tot artikel 1 kan de Commissie bij haar samenwerking met derde landen rekening houden met de geografische nabijheid van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee van de Unie.
9. In programmeringen of herzieningen van programma's die plaatsvinden na de publicatie van het in artikel 16 van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening bedoelde tussentijdse verslag, worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag verwerkt.
Artikel 6Comité
De Commissie wordt bijgestaan door het Comité Partnerschapsinstrument. Het comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
Artikel 7Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De in artikel 4 bedoelde bevoegdheidsdelegatie geldt voor de geldigheidsduur van deze verordening.
2. De bevoegdheidsdelegatie kan op ieder moment door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit treedt op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
4. Een vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn hebben meegedeeld niet voornemens te zijn bezwaar te maken. Deze termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 8Financieel referentiebedrag
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van deze verordening beloopt [954 765] EUR[8] voor de periode 2014-2020. Over de jaarlijkse kredieten beslist de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader.
2. Zoals vastgesteld in artikel 13, lid 2, van Verordening (EU) nr. …van het Europees Parlement en de Raad[9] wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag van 1 680 000 000 EUR2 van de verschillende externe instrumenten (ontwikkelingssamenwerkingsinstrument, Europees nabuurschapsinstrument, instrument inzake pretoetredingssteun, partnerschapsinstrument) toegewezen aan acties betreffende leermobiliteit naar of vanuit niet-EU-landen en aan samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten/instellingen/organisaties uit die landen. De bepalingen van Verordening (EU) nr. ..zijn van toepassing op het gebruik van deze middelen. De financiering wordt verstrekt door middel van twee meerjarentoewijzingen voor respectievelijk de eerste vier jaar en de resterende drie jaar. Deze financiering vindt haar weerslag in de meerjarige indicatieve programmering van deze instrumenten, overeenkomstig de onderkende behoeften en prioriteiten van de betrokken landen. De toewijzingen kunnen worden herzien ingeval van belangrijke onvoorziene omstandigheden of belangrijke politieke veranderingen overeenkomstig de externe prioriteiten van de EU.
3. Maatregelen in het kader van "Erasmus+" worden alleen door het partnerschapsinstrument gefinancierd voor zover zij niet in aanmerking komen voor financiering krachtens andere instrumenten voor extern optreden en zij een aanvulling of versterking vormen van andere initiatieven krachtens deze verordening.
Artikel 9Europese Dienst voor extern optreden
Deze verordening wordt toegepast overeenkomstig Besluit 2010/427/EU ▌.
Artikel 14Inwerkingtreding
▌Deze verordening treedt in werking op de▌ dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.
▌Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE
THEMATISCHE PRIORITEITEN IN HET KADER VAN HET PARTNERSCHAPSINSTRUMENT ALS ALGEMEEN RAAMWERK VOOR DE PROGRAMMERING
Doelstelling 1.2, (a):
Ondersteuning van de strategieën van de Unie voor bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en partnerschap, door het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang.
· Ondersteuning van de uitvoering van partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, actieplannen en soortgelijke bilaterale instrumenten;
· Verdieping van de politieke en economische dialoog met derde landen die zeer belangrijk zijn op het wereldtoneel, met name in het buitenlands beleid;
· Ondersteuning van de contacten met relevante derde landen met betrekking tot bilaterale en mondiale aangelegenheden van gemeenschappelijk belang;
· Bevordering van de adequate follow-up of de gecoördineerde uitvoering van de conclusies van internationale fora zoals de G20.
Het versterken van de samenwerking rond mondiale uitdagingen, in het bijzonder klimaatverandering, energiezekerheid en milieubescherming.
· Het aanmoedigen van de inspanningen in partnerlanden om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, in het bijzonder door het bevorderen en ondersteunen van adequate regelgevings- en prestatienormen;
· Het stimuleren van de vergroening van productie en handel;
· Het ontwikkelen van samenwerking op energiegebied;
· Het bevorderen van hernieuwbare en duurzame energiebronnen.
Doelstelling 1.2 (b):
Implementatie van de internationale dimensie van "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei", door drie pijlers samen te brengen: de economische, de sociale en de milieupijler.
· Het intensiveren van de beleidsdialogen en de samenwerking met relevante derde landen op alle terreinen die onder de Europa 2020-strategie vallen;
· Het promoten van interne beleidsmaatregelen van de Unie bij belangrijke partnerlanden en het ondersteunen van reguleringsconvergentie in die optiek.
Doelstelling 1.2 (c):
Het faciliteren en ondersteunen van economische en handelsbetrekkingen met partnerlanden:
· Het bevorderen van een veilige omgeving voor investeringen en bedrijvigheid, inclusief het beschermen van intellectuele-eigendomsrechten, het aanpakken van belemmeringen voor de markttoegang, intensievere samenwerking inzake regulering en bevordering van kansen voor Europese goederen en diensten, in het bijzonder op terreinen waar Europa een comparatief voordeel heeft, en internationale normen;.
· Het ondersteunen van onderhandelingen over en van de uitvoering en handhaving van handels- en investeringsovereenkomsten van de EU
Doelstelling 1.2 (d):
Het bevorderen van samenwerking in het hoger onderwijs:
· Het vergroten van de mobiliteit van studenten en universiteitspersoneel, met het oog op het creëren van partnerschappen ter verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs en gezamenlijke graden die academische erkenning bieden (Erasmus +)
Het bevorderen van wijd verbreide kennis betreffender de Unie en het verbeteren van de zichtbaarheid van de Unie:
· Het promoten van de waarden en belangen van de Unie in partnerlanden door middel van intensievere open diplomatie en outreachactiviteiten ter ondersteuning van de doelstellingen van het instrument.
_______________________
- [1] PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.
- [2] * Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
- [3] 1 PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.
- [4] Verordening (EG) nr. 1934/2006 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor de samenwerking met geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog inkomen (PB L 405 van 30.12.2006, blz. 41)
- [5] Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
- [6] Verordening (EU) nr. …/… van het Europees Parlement en de Raad van … tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor extern optreden van de Unie (PB …).
- [7] Verordening (EU) nr. …/… van de Raad van … tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 (PB …).
- [8] Alle referentiebedragen worden ingevoegd nadat de onderhandelingen betreffende het meerjarig financieel kader (2014-2020) zijn afgerond.
- [9] Verordening nr. …van het Europees Parlement en de Raad van … tot vaststelling van "Erasmus +": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jongeren en sport, en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, 1720/2006/EG en 1298/2008/EG (PB L …).
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT OVER DE OPSCHORTING VAN STEUNVERLENING UIT HOOFDE VAN DE FINANCIËLE INSTRUMENTEN
The European Parliament notes that the Regulation establishing a financing instrument for development cooperation, the Regulation establishing a European Neighbourhood Instrument, the Regulation establishing a Partnership Instrument for cooperation with third countries and the Regulation on the Instrument for Pre-accession Assistance do not contain any explicit reference to the possibility of suspending assistance in cases where a beneficiary country fails to observe the basic principles enunciated in the respective instrument and notably the principles of democracy, rule of law and the respect for human rights.
The European Parliament considers that any suspension of assistance under these instruments would modify the overall financial scheme agreed under the ordinary legislative procedure. As a co-legislator and co-branch of the budgetary authority, the European Parliament is therefore entitled to fully exercise its prerogatives in that regard, if such a decision is to be taken.
The European Parliament notes that the Regulation establishing a financing instrument for development cooperation, the Regulation establishing a European Neighbourhood Instrument, the Regulation establishing a Partnership Instrument for cooperation with third countries and the Regulation on the Instrument for Pre-accession Assistance do not contain any explicit reference to the possibility of suspending assistance in cases where a beneficiary country fails to observe the basic principles enunciated in the respective instrument and notably the principles of democracy, rule of law and the respect for human rights.
The European Parliament considers that any suspension of assistance under these instruments would modify the overall financial scheme agreed under the ordinary legislative procedure. As a co-legislator and co-branch of the budgetary authority, the European Parliament is therefore entitled to fully exercise its prerogatives in that regard, if such a decision is to be taken.
VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE STRATEGISCHE DIALOOG MET HET EUROPEES PARLEMENT The Commission will be represented at the responsible Commissioner level* Where applicable
On the basis of Article 14 TEU, the Commission will conduct a strategic dialogue with the European Parliament prior to the programming of [add the name of the corresponding ENI, DCI, IPA II, EIDHR, ISP, PI Regulation] and after initial consultation of its relevant beneficiaries, where appropriate. The Commission will present to the Parliament the relevant available documents on programming with indicative allocations foreseen per country/region, and, within a country/region, priorities, possible results and indicative allocations foreseen per priority for geographic programmes, as well as the choice of assistance modalities*. The Commission will present to the Parliament the relevant available documents on programming with thematic priorities, possible results, choice of assistance modalities*, and financial allocations for such priorities foreseen in thematic programmes. The Commission will take into account the position expressed by the European Parliament on the matter.
The Commission will conduct a strategic dialogue with the European Parliament in preparing the Mid Term Review and before any substantial revision of the programming documents during the period of validity of this Regulation.
The Commission, if invited by the European Parliament, will explain where Parliament's observations have been taken into consideration in the programming documents and any other follow-up given to the strategic dialogue.
- [1] The Commission will be represented at the responsible Commissioner level
* Where applicable
ADVIES van de Commissie internationale handel (*) (22.6.2012)
aan de Commissie buitenlandse zaken
inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
(COM(2011)0843 – C7‑0495/2011 – 2011/0411(COD))
Rapporteur voor advies: Laima Liucija Andrikienė
(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement.
BEKNOPTE MOTIVERING
Deze ontwerpverordening is een van de onderdelen van het externe beleid van de EU. Zij is innovatief en anders dan de externe ontwikkelingsinstrumenten van de EU. Met deze ontwerpverordening worden partnerschap en samenwerking beoogd, met name tussen de EU en landen die niet langer ontwikkelingshulp behoeven en nu interessante economische partners zijn, zoals onder andere China, Rusland en landen in Latijns-Amerika. Zij is gericht op het bevorderen en behartigen van de belangen van de EU en op het aanpakken van grote mondiale uitdagingen overeenkomstig de Europa 2020-strategie. Het in de ontwerpverordening voorgestelde instrument heeft een beperkt budget van 1 131 miljard euro voor de periode van 2014-2020. Daarom is het noodzakelijk dat de doelstellingen, doelsectoren en landen duidelijk worden gedefinieerd, aangezien de coördinatiemechanismen immers al in de verordening zijn vervat.
Het voorgestelde partnerschapsinstrument maakt het mogelijk voor de EU om agenda's ten uitvoer te leggen die verder gaan dan ontwikkelingssamenwerking met mondiale spelers om de belangen van de EU wereldwijd op een effectieve manier te bevorderen en waar nodig kwesties van mondiaal belang aan te pakken. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen om de doelstellingen te bereiken die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen, regio's en gebieden en die een antwoord bieden op mondiale uitdagingen. Het richt zich op het verbeteren van de toegang tot de markt en het ontwikkelen van het handelsverkeer, het opheffen van de handels- en investeringsbelemmeringen en de strijd tegen ongerechtvaardigde protectionistische maatregelen, waarmee wereldwijd nieuwe zakelijke kansen voor Europese bedrijven worden ontwikkeld door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied.
De waarden waarop de Unie gegrondvest is, namelijk die van de democratie, de rechtsstaat, de universele geldigheid en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbied voor de menselijke waardigheid en de beginselen van het internationale recht, zijn de kern van de verordening. Een en ander moet worden gegarandeerd bij het formuleren van het samenwerkingsbeleid van de Unie, bij de strategische planning en programmering en bij de uitvoering van maatregelen.
Een effectievere samenwerking en de coördinatie van procedures tussen de Unie en haar lidstaten en in de betrekkingen met andere donoren en actoren zijn essentieel voor het verzekeren van de consistentie en de relevantie van maatregelen. Dit voorstel richt zich op het beter coördineren van de prioriteiten en acties tussen lidstaten en de wetgevers van de Unie, zodat de Unie flexibel en tijdig kan reageren op veranderende omstandigheden teneinde het voornemen om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen meer kans van slagen te geven. De indicatieve samenwerkingsgebieden en de indicatieve financiële toewijzingen en de wijzigingen hierop zijn voorwerp van de procedure voor gedelegeerde handelingen.
In dit verband wordt voorgesteld dat de indicatieve meerjarenprogramma's de gecoördineerde strategie van de Unie bepalen voor het geografische gebied en het samenwerkingsgebied dat hierbij betrokken is. Daarom wordt voorgesteld dat de indicatieve toewijzing voor de periode 2014-2020 onderdeel uitmaakt van deze verordening en in de bijlage wordt vastgesteld. De Commissie heeft de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen om toegewezen kredieten onder programma's te herverdelen. In het kader van het definiëren van prioriteiten met betrekking tot geografische gebieden en samenwerkingsgebieden voert de Commissie een onpartijdige en onbevooroordeelde evaluatie uit van de belangen van de Unie voordat zij beslist over indicatieve meerjarenprogramma's.
Voorts wordt voorgesteld om het aandeel van niet-substantiële wijzigingen van indicatieve meerjarenprogramma's te verlagen van 20% naar 10 % van de oorspronkelijk toegewezen kredieten. Dit voorstel gaat niet zover dat de prioriteitsgebieden en de doelstellingen zoals gesteld in de indicatieve meerjarenprogramma's door de wijzigingen in gevaar komen. Dit voorstel regelt ook de wijzigingsprocedure die door de Commissie wordt goedgekeurd in overeenstemming met de raadplegingsprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening.
Er wordt voorzien in een evaluatiemechanisme voor de tenuitvoerlegging van de verordening. Derhalve worden nieuwe bepalingen over de evaluatie voorgesteld. Uiterlijk op 30 juni 2017 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor met een beoordeling van de uitvoering van deze verordening in de eerste drie jaar, die de nodige wijzigingen, inclusief de in bijlage I bis bedoelde indicatieve financiële toewijzingen, voorstelt.
Al deze amendementen zullen bijdragen aan een gerichter gebruik en een betere coördinatie van het mondiale Unie-instrument ter verbetering van partnerschap en de wereldwijde zichtbaarheid van de Unie.
AMENDEMENTEN
De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1 Voorstel voor een verordening Overweging 1 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(1 bis) De waarden waarop de Unie berust zijn democratie, de rechtsstaat, de universele geldigheid en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, eerbiediging van de menselijke waardigheid en de beginselen van het internationaal recht. De Unie streeft ernaar de gehechtheid aan die waarden in partnerlanden en -regio's door middel van dialoog en samenwerking te ontwikkelen en te consolideren. De Unie wil ook zorgen voor samenhang met andere gebieden van haar extern optreden. Dit moet worden gegarandeerd bij het formuleren van het samenwerkingsbeleid van de Unie, bij de strategische planning en programmering en bij de uitvoering van maatregelen. Een effectievere samenwerking, evenals de coördinatie van procedures tussen de Unie en haar lidstaten en in de betrekkingen met andere donoren en actoren, zijn essentieel om de consistentie en de relevantie van maatregelen te waarborgen. De Unie en de lidstaten moeten de consistentie en de complementariteit van hun respectieve beleid inzake samenwerking verbeteren. Om ervoor te zorgen dat het samenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten elkaar aanvullen en versterken, is het wenselijk te voorzien in gezamenlijke programmeringsprocedures, die waar mogelijk en relevant steeds ten uitvoer moeten worden gelegd. |
Amendement 2 Voorstel voor een verordening Overweging 5 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(5) Voorbereidende acties zoals besprekingen met het bedrijfsleven, handelsbevordering en wetenschappelijke uitwisseling zijn opgezet ter versterking en verdieping van de samenwerking met India en China en met landen uit de midden-inkomensgroep in Azië en Latijns-Amerika op terreinen die buiten de werkingssfeer van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking vallen. |
(5) Voorbereidende acties zoals besprekingen met publieke en private economische partners en wetenschappelijke uitwisseling moeten de samenwerking met India en China en met landen uit de midden-inkomensgroep in Azië en Latijns-Amerika op terreinen die buiten de werkingssfeer van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking vallen, versterken en verdiepen. |
Amendement 3 Voorstel voor een verordening Overweging 7 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(7) Deze betrekkingen met partners die een steeds belangrijkere rol spelen in de internationale economie en handel, bij de zuid-zuid-handel en samenwerking, in multilaterale fora waaronder de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20), op het vlak van het mondiale bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, moeten in het belang van de Unie worden verdiept. De Unie moet uitgebreide partnerschappen opbouwen met nieuwe spelers op het internationale toneel teneinde een stabiele en inclusieve internationale orde te bevorderen, gemeenschappelijke mondiale collectieve goederen na te streven, de kernbelangen van de Unie te verdedigen en de kennis over de Unie in deze landen te vergroten. |
(7) Deze betrekkingen met partners die een steeds belangrijkere rol spelen in de internationale economie en handel, bij de zuid-zuid-handel en samenwerking, in multilaterale fora waaronder de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20), op het vlak van het mondiale bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, moeten in het belang van de Unie worden verdiept. De Unie moet uitgebreide partnerschappen opbouwen met nieuwe spelers op het internationale toneel teneinde een stabiele en inclusieve internationale orde te bevorderen, gemeenschappelijke mondiale collectieve goederen na te streven, de kernbelangen van de Unie te verdedigen en de kennis over de Unie in deze landen te vergroten. |
Amendement 4 Voorstel voor een verordening Overweging 9 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(9) Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere aandacht voor mondiale spelers moet deze verordening een wereldwijde werkingssfeer hebben om het mogelijk te maken maatregelen te ondersteunen voor samenwerking met ontwikkelingslanden waar de Unie aanmerkelijke belangen heeft in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening. |
(9) Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere aandacht voor mondiale spelers moet deze verordening een wereldwijde werkingssfeer hebben om het mogelijk te maken maatregelen te ondersteunen voor samenwerking met zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden waar er sprake is van aanmerkelijke wederzijdse belangen in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening. |
Amendement 5 Voorstel voor een verordening Overweging 10 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(10 bis) De samenwerkingsmaatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de markttoegang en het ontwikkelen van handels-, investerings- en zakelijke kansen moeten recht doen aan de belangen van de Unie en moeten langetermijnvoordelen opleveren voor de groei van de Unie door middel van een versterkte economische zekerheid en het voortdurend creëren van nieuwe concurrerende arbeidsplaatsen binnen de Unie, terwijl zij tegelijkertijd de voortgang en ontwikkeling in partnerlanden bevorderen, betere regionale samenwerking mogelijk maken, investeringen stimuleren en het economisch bestuur verbeteren, economische en handelsrelaties met strategische partners versterken en daadwerkelijke wederzijdse toegang tot de markt verwezenlijken. De samenwerkingsmaatregelen moeten beter beantwoorden aan de specifieke behoeften van de micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen in de Unie teneinde hun concurrentievermogen te vergroten. Er moet worden gestreefd naar een grotere consistentie tussen de regels en praktijken van de Unie en die van haar belangrijkste partners, zonder afbreuk te doen aan de normen en de certificeringspraktijken van de Unie en met het oog op een bredere acceptatie van bestaande multilaterale normen en certificeringspraktijken. Dit kan worden verwezenlijkt door maatregelen te bevorderen die zijn gericht op de harmonisering van regelgeving met de belangrijkste handelspartners van de Unie en samenwerking op het gebied van regelgeving in het algemeen, teneinde de gelijkwaardigheid en de convergentie van internationale normen te bevorderen en aldus geschillen en de daarmee gepaard gaande handelskosten te beperken. |
Amendement 6 Voorstel voor een verordening Overweging 11 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(11) De Unie heeft zich in betrekkingen met haar partners overal ter wereld verbonden tot het bevorderen van fatsoenlijk werk voor iedereen, naast de ratificatie en effectieve tenuitvoerlegging van de internationaal erkende arbeidsnormen en multilaterale milieuovereenkomsten. |
(11) De Unie heeft zich in betrekkingen met haar partners overal ter wereld verbonden tot het bevorderen van duurzame ontwikkeling, vrije en eerlijke handel en fatsoenlijk werk voor iedereen, naast de ratificatie en effectieve tenuitvoerlegging van de internationaal erkende arbeidsnormen en multilaterale milieuovereenkomsten. Deze verordening moet worden gebruikt als een middel om het internationale concurrentievermogen te stimuleren en bij te dragen aan een verkleining van het risico van protectionisme, terwijl zij tegelijkertijd de Europese waarden en commerciële belangen moet bevorderen. Zij moet voorts dienen als instrument voor vrije en eerlijke handel met behulp waarvan de sociale en milieunormen daadwerkelijk in partnerlanden kunnen worden ingevoerd en nageleefd, inclusief de bevordering van nieuwe vormen van werkgelegenheidsbeleid en het creëren van banen die voldoen aan de normen inzake waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en groeikansen voor de Europese industrie en de kleine en middelgrote ondernemingen. |
Amendement 7 Voorstel voor een verordening Overweging 12 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(12) Met name het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de grote uitdagingen waarvoor de Unie zich gesteld ziet en het terrein waarop urgent internationaal optreden nodig is. In overeenstemming met het in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" uitgesproken voornemen het klimaatgerelateerde gedeelte van de begroting van de Unie tot ten minste 20% te verhogen, zou deze verordening een bijdrage moeten leveren aan dat doel. |
(12) Met name het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de grote uitdagingen waarvoor de Unie en de internationale gemeenschap zich gesteld zien en dit is het terrein waarop urgent internationaal optreden nodig is, aangezien de doelstellingen van de Unie op dit gebied alleen kunnen worden verwezenlijkt door middel van samenwerking met haar belangrijkste handelspartners. In overeenstemming met het in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" uitgesproken voornemen het klimaatgerelateerde gedeelte van de begroting van de Unie te verhogen, zou deze verordening een bijdrage moeten leveren aan dat doel. |
Amendement 8 Voorstel voor een verordening Overweging 15 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(15) De bevordering van gediversifieerde initiatieven voor samenwerking en partnerschap binnen het bestek van één enkel instrument zou bovendien schaalvoordelen, synergie-effecten, meer doeltreffendheid, beter gestroomlijnde besluitvorming en beheer en een hoge mate van zichtbaarheid van het externe optreden van de Unie mogelijk moeten maken. |
(15) De bevordering van gediversifieerde initiatieven voor samenwerking en partnerschap binnen het bestek van één enkel instrument zou bovendien een toekomstgerichte en innovatie handels- en investeringsstrategie die een antwoord biedt op de nieuwe uitdagingen waarvoor de Unie zich gesteld ziet, schaalvoordelen, synergie-effecten, meer doeltreffendheid, beter gestroomlijnde besluitvorming en beheer en een hoge mate van zichtbaarheid van het externe optreden van de Unie mogelijk moeten maken. |
Amendement 9 Voorstel voor een verordening Overweging 16 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(16) Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is een gedifferentieerde en flexibele benadering nodig waarbij modellen worden ontwikkeld voor samenwerking met de belangrijkste partnerlanden, rekening houdend met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie, terwijl het mogelijk blijft waar nodig overal ter wereld maatregelen te nemen. |
(16) Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is een gedifferentieerde en flexibele benadering nodig waarbij modellen worden ontwikkeld voor samenwerking met de belangrijkste partnerlanden, rekening houdend met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie, terwijl het mogelijk blijft waar nodig overal ter wereld maatregelen te nemen. De Unie moet tot een geïntegreerde aanpak komen met betrekking tot handels-, buitenlands, ontwikkelings-, landbouw-, milieu- en onderzoeksbeleid. |
Amendement 10 Voorstel voor een verordening Overweging 17 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(17) De Unie moet in staat zijn tijdig en flexibel te reageren op veranderende en/of onvoorziene behoeften teneinde het voornemen om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen meer kans van slagen te geven, door speciale maatregelen vast te stellen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen. |
(17) Er dient te worden voorzien in adequate programmering, plannings- en handhavingsmaatregelen en interinstitutionele samenwerking om ervoor te zorgen dat de Unie in staat is tijdig en flexibel te reageren op veranderende en/of onvoorziene behoeften teneinde het voornemen om wederzijdse belangen te bevorderen en haar investeringen te beschermen in de betrekkingen met derde landen meer kans van slagen te geven, en door speciale maatregelen vast te stellen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen. |
Amendement 11 Voorstel voor een verordening Overweging 19 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(19) Teneinde de werkingssfeer van deze verordening aan te passen aan de snel veranderende realiteit in derde landen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd wat betreft de in de bijlage omschreven gedetailleerde samenwerkingsgebieden. Het is van bijzonder belang dat de Commissie passende raadplegingen houdt tijdens de voorbereidende werkzaamheden, onder meer op het niveau van deskundigen. De Commissie moet er tijdens het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tegelijkertijd, tijdig en op passende wijze worden ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. |
(19) Wijzigingen binnen de gedetailleerde samenwerkingsgebieden, het vaststellen van indicatieve meerjarenprogramma's en aanpassingen van de indicatieve financiële toewijzing vormen niet-essentiële onderdelen van deze verordening. Bijgevolg, ten einde de werkingssfeer van deze verordening aan te passen aan de snel veranderende realiteit in derde landen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd wat betreft de in de bijlage omschreven gedetailleerde samenwerkingsgebieden, het vaststellen van indicatieve meerjarenprogramma's zoals bedoeld in artikel 5 en de indicatieve toewijzingen per programma zoals bedoeld in bijlage I bis. De Commissie moet er tijdens het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tegelijkertijd, tijdig en op passende wijze worden ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. |
Amendement 12 Voorstel voor een verordening Overweging 20 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(20) Teneinde te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening moeten uitvoeringsbevoegdheden worden verleend aan de Commissie. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren. Rekening houdend met de aard van die uitvoeringsbepalingen, met name hun beleidsgerichte aard of hun financiële implicaties, zou de onderzoeksprocedure in beginsel moeten worden gebruikt voor het vaststellen ervan, met uitzondering van technische uitvoeringsmaatregelen die geringe financiële implicaties hebben. |
(20) Ten einde te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening moeten uitvoeringsbevoegdheden worden verleend aan de Commissie. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren. Rekening houdend met de aard van die uitvoeringsbepalingen, met name hun financiële implicaties, zou de raadplegingsprocedure in beginsel moeten worden gebruikt voor het vaststellen ervan. |
Amendement 13 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(1) Bij deze verordening wordt een partnerschapsinstrument vastgesteld voor samenwerking met derde landen om de belangen van de EU en wederzijdse belangen te bevorderen. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen die een doeltreffende en flexibele reactie vormen op doelstellingen die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen en die ingaan op uitdagingen van mondiaal belang. |
1. Bij deze verordening wordt een partnerschapsinstrument vastgesteld voor samenwerking met derde landen om de waarden van de EU en wederzijdse belangen te bevorderen. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen die een doeltreffende en flexibele reactie vormen op doelstellingen die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen, regio's en gebieden en die ingaan op uitdagingen van mondiaal belang. |
Amendement 14 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 2 – letter a | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(a) het ten uitvoer leggen van de internationale dimensie van de Europa 2020-strategie door het ondersteunen van de strategieën van de Unie voor bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en partnerschap, het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang, zoals energiezekerheid, klimaatverandering en milieu. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan de mate waarin belangrijke partnerlanden het beleid en de doelstellingen van "Europa 2020" overnemen; |
(a) het ten uitvoer leggen van de internationale dimensie van de Europa 2020-strategie om de complementaire relatie tussen het interne en externe beleid van de Unie te versterken - met name op het gebied van innovatie, onderzoek en concurrentievermogen- door het ondersteunen van de strategieën van de Unie voor bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en partnerschap, het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang, zoals energiezekerheid, klimaatverandering en milieu. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan de mate waarin belangrijke partnerlanden het beleid en de doelstellingen van "Europa 2020" overnemen en de invloed op de beleidsformulering in die landen; |
Amendement 15 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 2 – letter b | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(b) het verbeteren van toegang tot de markt en het ontwikkelen van handels-, investerings- en zakelijke kansen voor Europese bedrijven door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten; |
(b) het verbeteren van toegang tot de markten van derde landen, het bevorderen van handel en het opheffen van handels- en investeringsbelemmeringen, terwijl tegelijkertijd onwettige en/of ongerechtvaardigde protectionistische maatregelen en belemmeringen van regelgevende aard worden tegengegaan, door internationale normen te bevorderen, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten te verbeteren en een veilig klimaat te creëren voor investeringskansen en nieuwe zakelijke kansen voor Europese bedrijven, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), op mondiaal niveau, door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk gebied en juridisch en fiscaal regelgevingsgebied, en door middel van steunprogramma's en -instrumenten om de internationalisering van kmo's te bevorderen; De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar alle partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten; |
Amendement 16 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 2 – letter c | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(c) het wijder verbreiden van het begrip voor en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel door middel van openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. De verwezenlijking van deze doelstelling kan onder andere worden afgemeten aan opinieonderzoeken en evaluaties. |
(c) het wijder verbreiden van het begrip voor en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel door middel van openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. De verwezenlijking van deze doelstelling kan worden afgemeten aan een betere perceptie van en meer wederzijds begrip voor de Unie in belangrijke partnerlanden, zoals onder meer aangetoond door opinieonderzoeken of evaluaties. |
Amendement 17 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(1) De Unie streeft naar het door middel van dialoog en samenwerking met derde landen bevorderen, ontwikkelen en consolideren van de grondslagen van vrijheid, democratie, eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsorde waarop de Unie gebaseerd is. |
1. De Unie streeft naar het door middel van dialoog en samenwerking met derde landen, regio's en gebieden bevorderen, ontwikkelen en consolideren van de grondslagen van vrijheid, democratie, eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsorde waarop de Unie gebaseerd is. |
Amendement 18 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(2) Om het effect van de door de Unie verstrekte hulp te verhogen, wordt, indien van toepassing, een gedifferentieerde en flexibele aanpak gevolgd bij het ontwerpen van de samenwerking met partnerlanden, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. |
2. Om het effect van de door de Unie verstrekte hulp te verhogen, wordt, indien van toepassing, een gedifferentieerde en flexibele aanpak gevolgd bij het ontwerpen van de samenwerking met partnerlanden, regio's en gebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. |
Amendement 19 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 3 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(3) Binnen hun respectieve bevoegdheidsdomeinen bevorderen de Unie en de lidstaten een multilaterale aanpak voor mondiale uitdagingen en samenwerking met internationale of regionale organisaties en instanties, waaronder internationale financiële instellingen, fondsen, programma's en agentschappen van de Verenigde Naties, de OESO, de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20) en andere bilaterale donoren. |
3. Binnen hun respectieve bevoegdheidsdomeinen bevorderen de Unie en de lidstaten een multilaterale aanpak voor mondiale uitdagingen en samenwerking met internationale of regionale organisaties en instanties, waaronder internationale financiële instellingen, de Wereldhandelsorganisatie (WTO), fondsen, programma's en agentschappen van de Verenigde Naties, de OESO, de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20) en andere bilaterale donoren. |
Amendement 20 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 4 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(4) Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening richt de Unie zich op samenhang en consistentie met andere gebieden van het extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden, en met ander relevant beleid van de Unie bij het formuleren van beleid, strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen. |
4. Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening wordt gezorgd voor de samenhang en consistentie met andere gebieden van het extern optreden van de Unie, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden, en met ander relevant beleid van de Unie bij het formuleren van beleid, strategische planning en programmering en de tenuitvoerlegging van maatregelen. De Unie zorgt ervoor dat bij de programmering en tenuitvoerlegging voldoende aandacht wordt besteed aan waarden op het gebied van milieu, duurzame energie, werkgelegenheid, sociale en andere welzijnswaarden. |
Amendement 21 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 5 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(5) De maatregelen die gefinancierd worden krachtens deze verordening zijn, waar van toepassing, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten als overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de derde landen en regio's in kwestie en hebben ook betrekking op gebieden die liggen op het vlak van de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. |
5. De maatregelen die gefinancierd worden krachtens deze verordening zijn, waar van toepassing, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten als overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de derde landen, regio's en gebieden in kwestie en zijn gericht op het verbeteren van hun uitvoeringscapaciteit op het gebied van besluiten, de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. De strategie van de Unie voor het bevorderen van samenwerking op het gebied van handel, investeringen en economie is gebaseerd op een grondige analyse van de huidige trends in de wereldhandel, de interne en externe ontwikkeling van de Unie, alsmede de diversiteit van Europese ondernemingen, hun knowhow en hun technologische vooruitgang. |
Amendement 22 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid -1 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
-1 bis. In het kader van het definiëren van prioriteiten met betrekking tot geografische gebieden en samenwerkingsgebieden voert de Commissie een grondige, onpartijdige en onbevooroordeelde evaluatie uit van de belangen van de Unie alvorens zij een besluit neemt over meerjarige indicatieve programma's. |
Amendement 23 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(1) Indicatieve meerjarenprogramma's worden door de Commissie goedgekeurd in overeenstemming met de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 15, lid 3, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening. Deze procedure is ook van toepassing op ingrijpende herzieningen die tot gevolg hebben dat de strategie of de programmering ervan significant veranderen. |
1. De Commissie krijgt de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen tot goedkeuring van indicatieve meerjarenprogramma's vast te stellen. Deze procedure is ook van toepassing op ingrijpende herzieningen of aanpassingen die tot gevolg hebben dat de strategie of de programmering ervan significant verandert. |
Amendement 24 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(2) De indicatieve meerjarenprogramma's beschrijven de strategische en/of wederzijdse belangen en prioriteiten van de Unie, de specifieke doelstellingen en de verwachte resultaten. Voor landen of regio's waarvoor een gezamenlijk kaderdocument houdende vaststelling van een alomvattende strategie van de Unie is vastgesteld, worden de indicatieve meerjarenprogramma's op dit document gebaseerd. |
2. De indicatieve meerjarenprogramma's beschrijven de strategie van de Unie voor de betrokken geografische en samenwerkingsgebieden, de strategische en/of wederzijdse belangen en prioriteiten van de Unie, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten en de prestatie-indicatoren. Voor landen of regio's waarvoor een gezamenlijk kaderdocument houdende vaststelling van een alomvattende strategie van de Unie is vastgesteld, worden de indicatieve meerjarenprogramma's op dit document gebaseerd. |
Amendement 25 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 3 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
3 bis. De Commissie en de lidstaten overleggen in een vroeg stadium van het programmeringsproces met elkaar, evenals met andere donoren en actoren, waaronder belanghebbenden en lokale autoriteiten, om ervoor te zorgen dat de samenwerkingsactiviteiten op elkaar worden afgestemd. Een dergelijk overleg kan leiden tot gezamenlijke programmering tussen de Unie en haar lidstaten. |
Amendement 26 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 5 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(5) In de indicatieve meerjarenprogramma's kan een reserve voor niet-toegewezen fondsen worden vastgesteld. Over de toewijzing van deze middelen wordt beslist overeenkomstig de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening. |
5. In de indicatieve meerjarenprogramma's kan een reserve die niet hoger is dan 5% voor niet-toegewezen fondsen worden vastgesteld. Over de toewijzing van deze middelen wordt beslist overeenkomstig de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening. |
Amendement 27 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 6 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(6) Niet-ingrijpende wijzigingen van indicatieve meerjarenprogramma's, zoals technische aanpassing, herschikking van de kredieten binnen de indicatieve toewijzingen per prioritair gebied of verhoging of verlaging van de aanvankelijke algehele toewijzing met een bedrag van minder dan 20 %, hoeven niet volgens de in punt 1 bedoelde onderzoeksprocedure te geschieden, voor zover de wijziging de in de indicatieve meerjarenprogramma's vastgestelde prioritaire terreinen en oorspronkelijke doelstellingen onverlet laat. Dergelijke aanpassingen worden binnen één maand ter kennis van het Europees Parlement en de Raad gebracht. |
6. Niet-ingrijpende wijzigingen van indicatieve meerjarenprogramma's, zoals technische aanpassing, herschikking van de kredieten binnen de indicatieve toewijzingen per prioritair gebied of verhoging of verlaging van de aanvankelijke toewijzing met een bedrag van minder dan 10%, hoeven niet volgens de in punt 1 bedoelde onderzoeksprocedure te geschieden, voorzover de wijziging de in de indicatieve meerjarenprogramma's vastgestelde prioritaire terreinen en oorspronkelijke doelstellingen onverlet laat. Dergelijke aanpassingen worden vastgesteld door de Commissie in overeenstemming met de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 15, lid 2, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening en worden binnen één maand ter kennis van het Europees Parlement en de Raad gebracht. |
Amendement 28 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 7 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(7) De in artikel 15, lid 4, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening bedoelde procedure kan worden toegepast voor het wijzigen van indicatieve meerjarenprogramma's indien een snelle reactie van de Unie vereist is. |
7. De in artikel 15, lid 4, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening bedoelde procedure kan worden toegepast voor het wijzigen van indicatieve meerjarenprogramma's wegens goed onderbouwde dwingende en urgente redenen indien een snelle reactie van de Unie vereist is. |
Amendement 29 Voorstel voor een verordening Artikel 7 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(1) De in artikel 4 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening. |
1. De in de artikelen 4, 5, lid 1, en 8, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening. |
Amendement 30 Voorstel voor een verordening Artikel 8 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van deze verordening beloopt 1 131 000 000 euro voor de periode 2014-2020. Over de jaarlijkse kredieten beslist de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure binnen de grenzen van het meerjarige financiële kader. |
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van deze verordening beloopt 1 131 000 000 euro voor de periode 2014-2020. De indicatieve financiële toewijzing voor de periode 2014-2020 is vastgelegd in bijlage I bis. De Commissie krijgt de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I bis te wijzigen of aan te vullen of om krediettoewijzingen onder programma's te herverdelen. Over de jaarlijkse kredieten beslist de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure binnen de grenzen van het meerjarige financiële kader. |
Amendement 31 Voorstel voor een verordening Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Zoals vastgesteld in artikel 13, lid 2, van de "Erasmus voor iedereen"-verordening wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag van 1 812 100 000 euro van de verschillende externe instrumenten (ontwikkelingssamenwerkingsinstrument, Europees nabuurschapsinstrument, instrument inzake pretoetredingssteun, partnerschapsinstrument en Europees ontwikkelingsfonds) toegewezen aan acties van leermobiliteit naar of vanuit niet-EU-landen en aan samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten/instellingen/organisaties afkomstig uit die landen. De bepalingen van de "Erasmus voor iedereen"-verordening zullen van toepassing zijn op het gebruik van die middelen. |
Zoals vastgesteld in artikel 13, lid 2, van de "Erasmus voor iedereen"-verordening wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag van 1 812 100 000 euro van de verschillende externe instrumenten (ontwikkelingssamenwerkingsinstrument, Europees nabuurschapsinstrument, instrument inzake pretoetredingssteun, partnerschapsinstrument en Europees ontwikkelingsfonds) toegewezen aan acties van leermobiliteit naar of vanuit niet-EU-landen en aan samenwerking en beleidsdialoog met lokale, regionale en nationale autoriteiten/instellingen/organisaties afkomstig uit die landen. De bepalingen van de "Erasmus voor iedereen"-verordening zullen van toepassing zijn op het gebruik van die middelen. |
Amendement 32 Voorstel voor een verordening Artikel 9 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Artikel 9 bis |
|
|
Evaluatie |
|
|
Uiterlijk op 30 juni 2017 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor met een evaluatie van de uitvoering van deze verordening in de eerste drie jaar, eventueel vergezeld van een wetgevingsvoorstel om de nodige wijzigingen, inclusief aanpassingen van de indicatieve financiële toewijzingen, zoals bedoeld in bijlage I bis, in de verordening aan te brengen. |
Amendement 33 Voorstel voor een verordening Artikel 10 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
1. Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014. |
1. Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. |
Amendement 34 Voorstel voor een verordening Bijlage – punt c | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(c) het bevorderen (en ondersteunen) van handelsbetrekkingen en handelsintegratieprocessen, waaronder zuid-zuid, steun aan investeringsstromen van de Unie en economische partnerschappen, onder meer met bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen; |
(c) het bevorderen (en ondersteunen) van economische en handelsbetrekkingen en handelsintegratieprocessen, waaronder zuid-zuid, en de versteviging van handelsbetrekkingen met opkomende macrogebieden die belangrijk zijn voor de Unie, steun aan investeringsstromen van de Unie en economische partnerschappen, met onder andere bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); steunmaatregelen en ‑instrumenten om de internationalisering van KMO's (met inbegrip van opleidings- en informatieprogramma's en helpdesks op markten van derde landen) te bevorderen; het verbeteren van de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, de intensivering van de dialoog over regelgeving, het vergemakkelijken van de toegang tot de markten van derde landen en beste werkwijzen op het gebied van economie, handel, belastingen en financiële aangelegenheden; |
Amendement 35 Voorstel voor een verordening Bijlage – letter d | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(d) het bevorderen van beleids- en sectorale dialogen waarbij politieke, economische, regelgevings-, milieu-, sociale, onderzoeks- en culturele actoren en niet-gouvernementele organisaties van binnen en buiten de Unie betrokken zijn; |
(d) het bevorderen van beleids- en sectorale dialogen waarbij politieke, economische, regelgevings-, milieu-, sociale, onderzoeks- en culturele actoren, niet-gouvernementele organisaties en regionale en lokale autoriteiten en hun verenigingen van binnen en buiten de Unie betrokken zijn; |
Amendement 36 Voorstel voor een verordening Bijlage – letter d bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(d bis) het verbeteren van de instrumenten voor de bestrijding van corruptie en acties ter bevordering van de transparantie, en de versterking van de tenuitvoerlegging ervan; |
Amendement 37 Voorstel voor een verordening Bijlage – letter f | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(f) het bevorderen van initiatieven en acties van Unie- of wederzijds belang op terreinen als klimaatverandering, milieuaangelegenheden waaronder begrepen biodiversiteit, efficiënt hulpbronnengebruik, grondstoffen, energie, transport, wetenschap, onderzoek en innovatie, werkgelegenheid en sociaal beleid, duurzame ontwikkeling, waaronder het bevorderen van fatsoenlijk werk, en maatschappelijk verantwoord ondernemen, zuid-zuid-handel en samenwerking, onderwijs, cultuur, toerisme, informatie- en communicatietechnologieën, gezondheid, justitie, douane, belastingen, financiën, statistieken en andere zaken die verband houden met de specifieke belangen van de Unie of die van wederzijds belang zijn voor de Unie en derde landen; |
(f) het bevorderen van initiatieven en acties van Unie- of wederzijds belang op terreinen als klimaatverandering, milieuaangelegenheden waaronder begrepen biodiversiteit, efficiënt hulpbronnengebruik, grondstoffen, energie, transport, wetenschap, onderzoek en innovatie, versterking van regionale en lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld, werkgelegenheid en sociaal beleid, duurzame ontwikkeling, waaronder het bevorderen van fatsoenlijk werk, en maatschappelijk verantwoord ondernemen, zuid-zuid- en noord-zuid-handel en samenwerking, onderwijs, beroepsopleidingen, cultuur, toerisme, lokale ontwikkeling, informatie- en communicatietechnologieën, gezondheid, justitie, douane, intellectele-eigendomsrechten, gegevensbescherming, belastingen, en financiële en statistische aangelegenheden die verband houden met de specifieke belangen van de Unie of die van wederzijds belang zijn voor de Unie en derde landen; |
Amendement 38 Voorstel voor een verordening Bijlage I bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
BIJLAGE 1 bis |
|
|
INDICATIEVE FINANCIËLE TOEWIJZING VOOR DE PERIODE 2014-2020 |
|
|
De uitsplitsing per specifieke doelstelling van het totale financiële referentiebedrag (1 131 000 000 euro) is als volgt: |
|
|
Doelstelling nr. 1 (het ten uitvoer leggen van de internationale dimensie van de "Europa 2020"-strategie): 48%; |
|
|
Doelstelling nr. 2 (het verbeteren van toegang tot de markt en het ontwikkelen van handelsverkeer, investerings- en zakelijke kansen voor Europese bedrijven): 25%; |
|
|
Doelstelling nr. 3 (het wijder verbreiden van het begrip voor en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel): 18%; |
|
|
Niet toegewezen reserve (te verdelen tussen de drie doelstellingen overeenkomstig de behoeften): 5%; en |
|
|
Uitgaven voor administratieve ondersteuning: 4%. |
PROCEDURE
|
Titel |
Invoering van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen |
||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2011)0843 – C7-0495/2011 – 2011/0411(COD) |
||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
AFET
|
|
|
|
|
|
Advies uitgebracht door Datum bekendmaking |
INTA
|
||||
|
Medeverantwoordelijke commissie(s) - datum bekendmaking |
24.5.2012 |
||||
|
Rapporteur voor advies Datum benoeming |
Laima Liucija Andrikienė 29.2.2012 |
||||
|
Behandeling in de commissie |
27.3.2012 |
29.5.2012 |
|
|
|
|
Datum goedkeuring |
21.6.2012 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
24 4 2 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
William (The Earl of) Dartmouth, Laima Liucija Andrikienė, John Attard-Montalto, Maria Badia i Cutchet, Daniel Caspary, María Auxiliadora Correa Zamora, Marielle de Sarnez, Harlem Désir, Yannick Jadot, Metin Kazak, Franziska Keller, Bernd Lange, David Martin, Paul Murphy, Cristiana Muscardini, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Niccolò Rinaldi, Helmut Scholz, Peter Šťastný, Gianluca Susta, Iuliu Winkler, Paweł Zalewski |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Amelia Andersdotter, George Sabin Cutaş, Syed Kamall, Elisabeth Köstinger, Marietje Schaake, Konrad Szymański, Jarosław Leszek Wałęsa, Pablo Zalba Bidegain |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Richard Ashworth, Françoise Castex, Philip Claeys, Marielle Gallo |
||||
ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (5.6.2012)
aan de Commissie buitenlandse zaken
inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
(COM(2011)0843 – C7‑0495/2011 – 2011/0411(COD))
Rapporteur voor advies: Enrique Guerrero Salom
BEKNOPTE MOTIVERING
Het nieuwe partnerschapinstrument (NPI) vervangt het financieringsinstrument voor de samenwerking met geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog inkomen. Het NPI zal de EU in staat stellen om solide overeenkomsten te ontwikkelen met opkomende economieën, waarbij zij pogingen van deze landen om te komen tot een gezamenlijke aanpak van globale uitdagingen stimuleert en de internationale dimensie van “ Europa 2020” ten uitvoer legt.
De rapporteur wijst erop dat artikel 208 van het Verdrag van Lissabon van de EU vereist dat zij rekening houdt met doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking. Met het oog hierop presenteert de rapporteur het volgende commentaar met betrekking tot het verordeningsvoorstel van de Commissie:
· hij herinnert eraan dat de opkomende economieën een toenemende verantwoording hebben naar MOL's en ontwikkelingslanden toe;
· is van mening dat de EU rekening moet houden met de heterogeniteit van de landen die geclassificeerd worden als opkomende economieën; de rapporteur roept in herinnering dat meer dan 70% van de armen in de wereld in middeninkomenslanden leven;
· onderstreept de speciale relevantie van een effectieve coördinatie en coherente aanpak met andere externe instrumenten van de EU, in het bijzonder het instrument voor ontwikkelingssamenwerking;
· benadrukt dat het bevorderen van mensenrechten, democratie, de rechtsorde, behoorlijk bestuur, inclusieve en duurzame groei, alsmede armoedebestrijding en vrije en eerlijke handel basisprincipes zijn van de EU, die versterkte steun dienen te ontvangen bij de tenuitvoerlegging van het NPI;
· onderstreept het belang van het identificeren van specifieke doelstellingen en het verslag doen naar aanleiding van de behaalde prestaties;
· beveelt sterk aan dat er effectieve toezichtmechanismen, transparante indicatoren en criteria uitgewerkt worden, die betrekking hebben op de sociale samenhang en de bestrijding van ongelijkheid als er samengewerkt wordt met middeninkomenslanden;
· herinnert eraan dat het belangrijk is dat het Europees Parlement betrokken wordt bij alle stadia van dit proces;
· benadrukt dat klimaatactie en energie-efficiëntie nagestreefd dienen te worden volgens een heldere methodiek;
· is van mening dat een intensievere samenwerking met de private sector nagestreefd dient te worden met complete transparantie; er dient verantwoording over te worden afgelegd en de arbeidsrechten en de milieubescherming dienen in bevorderd te worden; onderstreept dat investeringsprojecten die gesteund worden door EU-mechanismen die subsidies en leningen combineren onderworpen moeten worden aan toezicht en effectstudies volgens de internationaal erkende sociale en milieumaatstaven.
amendementen
De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1 Voorstel voor een verordening Overweging 9 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(9) Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere aandacht voor mondiale spelers moet deze verordening een wereldwijde werkingssfeer hebben om het mogelijk te maken maatregelen te ondersteunen voor samenwerking met ontwikkelingslanden waar de Unie aanmerkelijke belangen heeft in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening. |
(9) Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere aandacht voor mondiale spelers moet deze verordening een wereldwijde werkingssfeer hebben om het mogelijk te maken maatregelen te ondersteunen voor samenwerking met ontwikkelingslanden waar aanmerkelijke wederzijdse belangen bestaan in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening. In dit opzicht moet gedacht worden aan de over de wereld verspreide overzeese landen en gebieden die met de Unie zijn geassocieerd, met name om de Unie in derde landen meer bekendheid, vertrouwdheid en zichtbaarheid te geven. |
Amendement 2 Voorstel voor een verordening Overweging 12 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(12) Met name het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de grote uitdagingen waarvoor de Unie zich gesteld ziet en het terrein waarop urgent internationaal optreden nodig is. In overeenstemming met het in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" uitgesproken voornemen het klimaatgerelateerde gedeelte van de begroting van de Unie tot ten minste 20% te verhogen, zou deze verordening een bijdrage moeten leveren aan dat doel. |
(12) Het uitbannen van de armoede en het tegengaan van klimaatverandering worden gezien als de twee grote uitdagingen waarvoor de Unie zich gesteld ziet en de terreinen waarop urgent internationaal optreden nodig is. In overeenstemming met het in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" uitgesproken voornemen het klimaatgerelateerde gedeelte van de begroting van de Unie tot ten minste 20% te verhogen, zou deze verordening onder meer een bijdrage moeten leveren aan dat doel. |
Amendement 3 Voorstel voor een verordening Overweging 13 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(13) De Unie heeft zich erop vastgelegd bij te dragen aan het nakomen van de internationale doelstellingen op het gebied van biodiversiteit voor 2020 en van de daarmee verbonden strategie voor het mobiliseren van middelen. |
(13) De Unie heeft zich erop vastgelegd bij te dragen aan het nakomen van de internationale doelstellingen op het gebied van biodiversiteit voor 2020 en van de daarmee verbonden strategie voor het mobiliseren van middelen en het duurzame en geïntegreerde beheer daarvan. |
Amendement 4 Voorstel voor een verordening Overweging 14 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(14) Krachtens deze verordening zou de Unie de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie, met name wat betreft de doelstellingen die betrekking hebben op klimaatverandering, de overgang naar een groenere economie en efficiënt hulpbronnengebruik, handel en investering, samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied met derde landen, moeten ondersteunen en openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten moeten bevorderen. |
(14) Krachtens deze verordening zou de Unie de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie, met name wat betreft de doelstellingen die betrekking hebben op het uitbannen van armoede, klimaatverandering, de overgang naar een groenere economie en efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, handel en investering, samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied met derde landen en beleidscoherentie voor ontwikkeling moeten ondersteunen en openbare diplomatie, goed financieel en fiscaal bestuur, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten, met name op het gebied van toegang tot gezondheidszorg voor vrouwen en kinderen, moeten bevorderen. |
Amendement 5 Voorstel voor een verordening Overweging 16 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(16) Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is een gedifferentieerde en flexibele benadering nodig waarbij modellen worden ontwikkeld voor samenwerking met de belangrijkste partnerlanden, rekening houdend met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie, terwijl het mogelijk blijft waar nodig overal ter wereld maatregelen te nemen. |
(16) Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is een gedifferentieerde en flexibele benadering nodig waarbij modellen worden ontwikkeld voor samenwerking met de belangrijkste partnerlanden en beginselen van goed bestuur waarmee corruptie wordt voorkomen en rekening wordt gehouden met de economische, sociale en politieke context van deze landen en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie, terwijl het mogelijk blijft waar nodig overal ter wereld maatregelen te nemen. |
Amendement 6 Voorstel voor een verordening Overweging 16 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(16 bis) De EU moet zorgen voor meer transparantie en een behoorlijke toetsing van de samenwerkingsprogramma’s, om kwaliteit te kunnen leveren. |
Amendement 7 Voorstel voor een verordening Overweging 17 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(17) De Unie moet in staat zijn tijdig en flexibel te reageren op veranderende en/of onvoorziene behoeften teneinde het voornemen om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen meer kans van slagen te geven, door speciale maatregelen vast te stellen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen. |
(17) De Unie moet in staat zijn tijdig en flexibel te reageren op veranderende en/of onvoorziene behoeften teneinde het voornemen om de wederzijdse belangen in de betrekkingen met derde landen te bevorderen meer kans van slagen te geven, door speciale maatregelen vast te stellen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen. |
Amendement 8 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(1) Bij deze verordening wordt een partnerschapsinstrument vastgesteld voor samenwerking met derde landen om de belangen van de EU en wederzijdse belangen te bevorderen. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen die een doeltreffende en flexibele reactie vormen op doelstellingen die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen en die ingaan op uitdagingen van mondiaal belang. |
(1) Bij deze verordening wordt een partnerschapsinstrument vastgesteld voor samenwerking met derde landen om de wederzijdse belangen te bevorderen, uitgaande van eerbiediging van alle mensenrechten, bevordering van gedeelde waarden en belangen, en van het principe van wederzijdse rekenschap. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen die een doeltreffende, transparante en flexibele reactie vormen op doelstellingen die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen en die, op basis van wederzijds respect, ingaan op uitdagingen van mondiaal belang. |
Amendement 9 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 2 – letter a | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(a) het ten uitvoer leggen van de internationale dimensie van de Europa 2020-strategie door het ondersteunen van de strategieën van de Unie voor bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en partnerschap, het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang, zoals energiezekerheid, klimaatverandering en milieu. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan de mate waarin belangrijke partnerlanden het beleid en de doelstellingen van "Europa 2020" overnemen; |
(a) het ten uitvoer leggen van de internationale dimensie van de Europa 2020-strategie door het ondersteunen van de strategieën van de Unie voor bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en partnerschap, het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van beginselen van goed bestuur, en collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang, zoals het bevorderen van sociale cohesie, veilige en duurzame energie en energie-efficiëntie, klimaatverandering, schepping van banen, voedselzekerheid, armoedebestrijding en milieubescherming, alsmede duurzaam beheer van biodiversiteit en ecosystemen; Deze doelstelling wordt afgemeten aan het beleid en de prioriteiten van de partnerlanden ten aanzien van "Europa 2020". |
Amendement 10 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 2 – letter b | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(b) het verbeteren van toegang tot de markt en het ontwikkelen van handels-, investerings- en zakelijke kansen voor Europese bedrijven door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten; |
(b) het verbeteren van toegang tot de markt en het ontwikkelen van handels-, investerings- en zakelijke kansen voor Europese bedrijven door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk, juridisch en fiscaal regelgevingsgebied, teneinde een vruchtbare bodem te bieden voor de vergroting van het concurrentievermogen en de ontwikkeling, en volgens internationale normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten; het combineren van faciliteiten zal onderworpen zijn aan mechanismen, toezicht en effectstudies die het aspect van sociale samenhang en bestrijding van ongelijkheid omvatten; |
Amendement 11 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 2 – letter c | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(c) het wijder verbreiden van het begrip voor en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel door middel van openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. De verwezenlijking van deze doelstelling kan onder andere worden afgemeten aan opinieonderzoeken en evaluaties. |
(c) het wijder verbreiden van het begrip voor en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel door middel van openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. Projecten die in dit verband worden uitgevoerd moeten echter voldoen aan resultaatgerichte criteria en ook onder andere worden afgemeten aan opinieonderzoeken en evaluaties. |
Amendement 12 Voorstel voor een verordening Artikel 2 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(1) Alle derde landen, regio's en gebieden kunnen in aanmerking komen voor samenwerking krachtens deze verordening. |
(1) Alle derde landen, regio's en gebieden, ook die welke met de Unie zijn geassocieerd, kunnen in aanmerking komen voor samenwerking krachtens deze verordening. Bij de beslissing welke landen en sectoren in aanmerking komen, moet worden gelet op relevante beste praktijken en ervaring die met de eerdere instrumenten is opgedaan. |
Amendement 13 Voorstel voor een verordening Artikel 2 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(2) Deze verordening steunt echter vooral maatregelen voor samenwerking met ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds prominentere rol spelen in de internationale economie en handel, in multilaterale fora, op het vlak van het mondiale bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, en waar de Unie aanmerkelijke belangen heeft. |
(2) Deze verordening steunt echter vooral maatregelen voor samenwerking met ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds prominentere rol spelen in de internationale economie en handel, in multilaterale fora, op het vlak van het mondiale bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, en waar de Unie aanmerkelijke belangen heeft. De meerwaarde van EU-maatregelen dient ook de drijfveer te zijn van onze samenwerking met strategische partners. |
Amendement 14 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(1) De Unie streeft naar het door middel van dialoog en samenwerking met derde landen bevorderen, ontwikkelen en consolideren van de grondslagen van vrijheid, democratie, eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsorde waarop de Unie gebaseerd is. |
(1) De Unie streeft naar het door middel van dialoog en samenwerking met derde landen bevorderen, ontwikkelen en consolideren van de grondslagen van vrijheid, democratie, eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rechtsorde, alsmede goed bestuur gepaard gaand met inclusieve en duurzame groei, waarop de Unie gebaseerd is. |
Amendement 15 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 2 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(2) Om het effect van de door de Unie verstrekte hulp te verhogen, wordt, indien van toepassing, een gedifferentieerde en flexibele aanpak gevolgd bij het ontwerpen van de samenwerking met partnerlanden, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische, sociale en politieke context en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. |
(2) Om het effect van de door de Unie verstrekte hulp te verhogen, wordt, indien van toepassing, een gedifferentieerde, flexibele en doelgerichte aanpak gevolgd bij het ontwerpen van de samenwerking met partnerlanden, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische, sociale en politieke context, de noodzaak van goed bestuur op administratief en fiscaal vlak en met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. Bij bilaterale samenwerking met middeninkomenslanden moet er vooral aandacht worden geschonken aan de strijd tegen ongelijkheid door de hulp doelgericht in te zetten per sector, activiteit, begunstigde of specifiek geografisch gebied in een land. |
Amendement 16 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 3 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(3) Binnen hun respectieve bevoegdheidsdomeinen bevorderen de Unie en de lidstaten een multilaterale aanpak voor mondiale uitdagingen en samenwerking met internationale of regionale organisaties en instanties, waaronder internationale financiële instellingen, fondsen, programma's en agentschappen van de Verenigde Naties, de OESO, de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20) en andere bilaterale donoren. |
(3) Binnen hun respectieve bevoegdheidsdomeinen bevorderen de Unie en de lidstaten een samenhangende multilaterale aanpak voor mondiale uitdagingen en samenwerking met internationale of regionale organisaties en instanties, waaronder internationale financiële instellingen, fondsen, programma's en agentschappen van de Verenigde Naties, de OESO, de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20) en andere bilaterale donoren. |
Amendement 17 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 4 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(4) Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening richt de Unie zich op samenhang en consistentie met andere gebieden van het extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden, en met ander relevant beleid van de Unie bij het formuleren van beleid, strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen. |
(4) Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening richt de Unie zich op beleidscoherentie voor ontwikkeling, complementariteit, doeltreffendheid en effect, en consistentie met andere gebieden van het extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden, en met ander relevant beleid van de Unie bij het formuleren van beleid, strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen. |
Amendement 18 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 5 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(5) De maatregelen die gefinancierd worden krachtens deze verordening zijn, waar van toepassing, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten als overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de derde landen en regio's in kwestie en hebben ook betrekking op gebieden die liggen op het vlak van de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. |
(5) De maatregelen die gefinancierd worden krachtens deze verordening zijn, waar van toepassing, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten als overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de derde landen en regio's in kwestie en hebben ook betrekking op gebieden die liggen op het vlak van wederzijdse beleidsprioriteiten en strategieën die van belang zijn voor de Unie en het betrokken partnerland. |
PROCEDURE
|
Titel |
Invoering van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen |
||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2011)0843 – C7-0495/2011 – 2011/0411(COD) |
||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
AFET
|
|
|
|
|
|
Advies uitgebracht door Datum bekendmaking |
DEVE 17.1.2012 |
||||
|
Rapporteur voor advies Datum benoeming |
Enrique Guerrero Salom 25.4.2012 |
||||
|
Behandeling in de commissie |
14.5.2012 |
|
|
|
|
|
Datum goedkeuring |
4.6.2012 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
22 0 3 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Thijs Berman, Ricardo Cortés Lastra, Corina Creţu, Véronique De Keyser, Nirj Deva, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Eva Joly, Filip Kaczmarek, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Alf Svensson, Keith Taylor, Ivo Vajgl, Iva Zanicchi |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Emer Costello, Enrique Guerrero Salom, Fiona Hall, Edvard Kožušník, Judith Sargentini, Horst Schnellhardt, Patrizia Toia |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Marisa Matias |
||||
ADVIES van de Begrotingscommissie (11.6.2012)
aan de Commissie buitenlandse zaken
inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
(COM(2011)0843 – C7‑0495/2011 – 2011/0411(COD))
Rapporteur voor advies: Jan Kozłowski
BEKNOPTE MOTIVERING
Het voorgestelde partnerschapsinstrument (PI) moet het bestaande financieringsinstrument voor de samenwerking met geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog inkomen (ICI) vervangen, dat sinds 2007 het voornaamste instrument van de EU is voor samenwerking met hoog ontwikkelde landen.
Het Commissievoorstel wil verhelpen aan enkele nadelen van het ICI door de EU een echt instrument voor samenwerking met nieuwe opkomende economieën ter beschikking te stellen, en streeft de volgende doelstellingen na:
· het ten uitvoer leggen van de externe dimensie van de Europa 2020-strategie door deze mondiaal te maken, waarbij de nadruk met name ligt op een koolstofarme toekomst en duurzame ontwikkelingsdoelstellingen;
· het verbeteren van toegang tot de markt en het ontwikkelen van handels-, investerings- en zakelijke kansen voor Europese bedrijven, met name kmo's, door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied, in het bijzonder ten aanzien van strategische economische partners;
· het vergroten van de zichtbaarheid van de EU bij het publiek en van haar rol op het wereldtoneel;
· dialoog en samenwerking met de belangrijkste mondiale energieproducenten en -verbruikers om de uitdaging van het veiligstellen van de energievoorziening van de EU aan te pakken.
De Commissie stelt voor het partnerschapsinstrument voor de periode 2014-2020 een begroting van EUR 1 miljard voor, in constante prijzen van 2011. Het beschikbare bedrag voor het ICI en het ICI + in het huidige MFK was EUR 304 miljoen, in constante prijzen van 2011.
Hoewel het voorstel een goede stap vormt in de richting van eenvoudigere regelgeving en betere toegang tot EU-bijstand voor partnerlanden en begunstigden, wil de rapporteur toch wijzen op enkele problemen die nog blijven bestaan:
· de behoefte aan meer samenhang en coördinatie van de diverse financieringsvormen om overlapping te vermijden;
· de begrotingsautoriteit volledig betrekken bij de besluitvorming en de uitvoering als er sprake is van besteding van EU-middelen;
· meer coördinatie met de bepalingen van het Financieel Reglement;
· rechtvaardige toewijzing van EU-middelen, door nader te bepalen of dit instrument al dan niet met prestatiereserves moet werken en door de toepassingsregels ervan vast te stellen.
AMENDEMENTEN
De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1 Ontwerpwetgevingsresolutie Paragraaf 1 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
1 bis. wijst erop dat de in het wetgevingsvoorstel genoemde financiële middelen slechts een indicatie voor de wetgevingsautoriteit vormen en dat deze niet kunnen worden vastgesteld zolang er geen overeenstemming is bereikt over de verordening betreffende het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020; |
Amendement 2 Ontwerpwetgevingsresolutie Paragraaf 1 ter (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
1 ter. herinnert aan zijn resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa1; wijst er nogmaals op dat er in het volgende meerjarig financieel kader voldoende aanvullende middelen nodig zijn om de Unie in staat te stellen haar huidige beleidsprioriteiten en de nieuwe uit het Verdrag van Lissabon voortvloeiende taken te vervullen, alsook in te spelen op onverwachte gebeurtenissen; wijst erop dat, zelfs als het niveau van de middelen van het volgende MFK ten minste 5% hoger ligt dan het niveau van 2013, slechts een bescheiden bijdrage kan worden geleverd aan de verwezenlijking van de afgesproken doelstellingen en toezeggingen van de Unie en het beginsel van solidariteit in de Unie; vraagt de Raad, indien hij deze benadering niet deelt, duidelijk aan te geven welke van zijn politieke prioriteiten of projecten geheel opgegeven kunnen worden, ondanks de bewezen Europese meerwaarde daarvan;
|
|
|
________________ |
|
|
1 Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0266. |
Amendement 3 Voorstel voor een verordening Overweging -1 (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(-1) Bij deze verordening moeten voor de gehele looptijd van het instrument financiële middelen worden vastgesteld die voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure vormen, in de zin van punt [] van het interinstitutioneel akkoord van XX/201Z tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer. |
Amendement 4 Voorstel voor een verordening Overweging -1 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(-1 bis) Een betere uitvoering en een betere kwaliteit van de bestedingen moeten de richtsnoeren zijn om de doelstellingen van het instrument te verwezenlijken, waarbij een optimaal gebruik van de financiële middelen wordt gewaarborgd. |
Amendement 5 Voorstel voor een verordening Overweging -1 ter (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(-1 ter) Het is belangrijk ervoor te zorgen dat het instrument financieel goed wordt beheerd en zo doeltreffend en gebruikersvriendelijk mogelijk wordt uitgevoerd, en tevens zorg te dragen voor rechtszekerheid en de toegankelijkheid van het instrument voor alle deelnemers. |
Amendement 6 Voorstel voor een verordening Overweging 8 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(8) De EU heeft een financieel instrument met een alomvattende werkingssfeer nodig dat het mogelijk maakt maatregelen te financieren die wellicht niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, maar die van cruciaal belang zijn voor het verdiepen en bestendigen van de betrekkingen met de partnerlanden in kwestie, met name via beleidsdialogen en de ontwikkeling van partnerschappen. |
(8) De EU heeft een financieel instrument met een alomvattende werkingssfeer nodig dat het mogelijk maakt maatregelen te financieren die wellicht niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, maar die van cruciaal belang zijn voor het verdiepen en bestendigen van de betrekkingen met de partnerlanden in kwestie, met name via beleidsdialogen en de ontwikkeling van strategische partnerschappen. |
Amendement 7 Voorstel voor een verordening Overweging 13 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(13) De Unie heeft zich erop vastgelegd bij te dragen aan het nakomen van de internationale doelstellingen op het gebied van biodiversiteit voor 2020 en van de daarmee verbonden strategie voor het mobiliseren van middelen. |
(13) De Unie heeft zich erop vastgelegd bij te dragen aan het nakomen van de internationale doelstellingen op het gebied van biodiversiteit voor 2020 en aan een resultaatgerichte daarmee verbonden strategie voor het mobiliseren van middelen. |
Amendement 8 Voorstel voor een verordening Overweging 15 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(15) De bevordering van gediversifieerde initiatieven voor samenwerking en partnerschap binnen het bestek van één enkel instrument zou bovendien schaalvoordelen, synergie-effecten, meer doeltreffendheid, beter gestroomlijnde besluitvorming en beheer en een hoge mate van zichtbaarheid van het externe optreden van de Unie mogelijk moeten maken. |
(15) De bevordering van gediversifieerde initiatieven voor samenwerking en partnerschap binnen het bestek van één enkel instrument zou bovendien schaalvoordelen, synergie-effecten, meer doeltreffendheid, beter gestroomlijnde besluitvorming en beheer en een hoge mate van zichtbaarheid van het externe optreden van de Unie mogelijk moeten maken en het gevaar voor overlapping met andere externe en interne instrumenten moeten verminderen. |
Amendement 9 Voorstel voor een verordening Overweging 16 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(16 bis) In zijn resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa1, wees het Parlement erop "dat het hoogste percentage van de armste mensen in de wereld, in opkomende economieën woont", en drong het er "teneinde de betreffende regeringen aan te sporen om op hun grondgebied de armoede effectiever te bestrijden", echter op aan "geleidelijk alternatieve regelingen in te voeren voor de ontwikkelingssamenwerking met deze landen, bijvoorbeeld op basis van medefinanciering". |
|
|
__________________ |
|
|
1 Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0266. |
Motivering | |
Er moet worden verwezen naar paragraaf 118 van de resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa. | |
Amendement 10 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – lid 2 – letter c | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(c) het wijder verbreiden van het begrip voor en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel door middel van openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. De verwezenlijking van deze doelstelling kan onder meer worden afgemeten aan opinieonderzoeken en evaluaties. |
(c) het wijder verbreiden van het begrip voor en de zichtbaarheid van de Unie en haar rol op het wereldtoneel door middel van openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking, stimuleringsactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen, en steun voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. De verwezenlijking van deze doelstelling kan onder meer worden afgemeten aan opinieonderzoeken en evaluaties. |
Amendement 11 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 4 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
4 bis. Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening zorgt de Unie ervoor dat de steun aan derde landen ook voorziet in financiering van mondiale collectieve goederen, de uitwisseling van goede praktijken op politiek, bestuurlijk, economisch en sociaal gebied, openbare diplomatie en contacten van mens tot mens, en niet in het nadeel is van de doelstellingen van de Unie voor de op groei gerichte agenda van de EU om de economie te moderniseren, het concurrentievermogen te stimuleren, de omstandigheden voor kmo's te verbeteren en de werkloosheid onder jongeren aan te pakken. |
Amendement 12 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 5 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
5. De maatregelen die gefinancierd worden krachtens deze verordening zijn, waar van toepassing, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten als overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de derde landen en regio's in kwestie en hebben ook betrekking op gebieden die liggen op het vlak van de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. |
5. De maatregelen die gefinancierd worden krachtens deze verordening zijn, waar van toepassing, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten als overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en internationale organisaties, de derde landen en regio's in kwestie en hebben ook betrekking op gebieden die liggen op het vlak van de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. |
Amendement 13 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – lid 6 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
6. De steun die de Unie krachtens deze verordening verleent, wordt uitgevoerd in overeenstemming met de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening. |
6. De steun die de Unie krachtens deze verordening verleent, wordt uitgevoerd in overeenstemming met de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening en het Financieel Reglement. |
Amendement 14 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 3 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
3. In de indicatieve meerjarenprogramma's worden tevens de prioritaire terreinen bepaald die voor financiering door de Unie in aanmerking komen en wordt de indicatieve financiële toewijzing beschreven van fondsen, zowel in hun totaliteit als per prioritair terrein en per partnerland of per groep partnerlanden voor de betreffende periode inclusief de deelneming aan mondiale initiatieven, eventueel met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag. |
3. In de indicatieve meerjarenprogramma's worden tevens de prioritaire terreinen bepaald die voor financiering door de Unie in aanmerking komen en wordt de indicatieve financiële toewijzing beschreven van fondsen, zowel in hun totaliteit als per prioritair terrein en per partnerland of per groep partnerlanden voor de betreffende periode inclusief de deelneming aan mondiale initiatieven, zonder evenwel afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit, eventueel met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag. |
Amendement 15 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 5 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
5. In de indicatieve meerjarenprogramma's kan een reserve voor niet-toegewezen fondsen worden vastgesteld. Over de toewijzing van deze middelen wordt beslist overeenkomstig de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening. |
5. In de indicatieve meerjarenprogramma's kan een reserve voor niet-toegewezen fondsen worden vastgesteld. Over de toewijzing van deze middelen wordt beslist overeenkomstig de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening, waarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de prerogatieven van de begrotingsautoriteit. |
Motivering | |
Hoewel dit artikel betrekking heeft op de "indicatieve" toewijzing van fondsen, waarover in de loop van de begrotingsprocedure moet worden beslist, acht de rapporteur het noodzakelijk dat het Parlement zich explicieter kan uitspreken over de inhoud van de nog niet toegewezen fondsen. | |
Amendement 16 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 5 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
5 bis. De Commissie kan overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vaststellen om gedetailleerde samenwerkingsgebieden voor niet-toegewezen fondsen te bepalen, binnen de doelstellingen en de werkingssfeer die zijn omschreven in de artikelen 1 en 2. |
Motivering | |
Hoewel dit artikel betrekking heeft op de "indicatieve" toewijzing van fondsen, waarover in de loop van de begrotingsprocedure moet worden beslist, acht de rapporteur het noodzakelijk dat het Parlement zich explicieter kan uitspreken over de inhoud van de nog niet toegewezen fondsen. | |
Amendement 17 Voorstel voor een verordening Artikel 5 – lid 6 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
6. Niet-ingrijpende wijzigingen van indicatieve meerjarenprogramma's, zoals technische aanpassing, herschikking van de kredieten binnen de indicatieve toewijzingen per prioritair gebied of verhoging of verlaging van de aanvankelijke algehele toewijzing met een bedrag van minder dan 20%, hoeven niet volgens de in punt 1 bedoelde onderzoeksprocedure te geschieden, voor zover de wijziging de in de indicatieve meerjarenprogramma's vastgestelde prioritaire terreinen en oorspronkelijke doelstellingen onverlet laat. Dergelijke aanpassingen worden binnen één maand ter kennis van het Europees Parlement en de Raad gebracht. |
6. Niet-ingrijpende wijzigingen van indicatieve meerjarenprogramma's, zoals technische aanpassing, herschikking van de kredieten binnen de indicatieve toewijzingen per prioritair gebied of verhoging of verlaging van de aanvankelijke algehele toewijzing binnen de percentagelimieten die zijn vastgesteld in artikel 2, lid 2, van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening, hoeven niet volgens de in punt 1 bedoelde onderzoeksprocedure te geschieden, voor zover de wijziging de in de indicatieve meerjarenprogramma's vastgestelde prioritaire terreinen en oorspronkelijke doelstellingen onverlet laat. Dergelijke aanpassingen worden binnen één maand ter kennis van het Europees Parlement en de Raad gebracht. |
Amendement 18 Voorstel voor een verordening Artikel 5 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Artikel 5 bis |
|
|
Coherentie en aanvullend karakter van de EU-bijstand |
|
|
1. Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening moet worden gezorgd voor samenhang met de andere onderdelen en instrumenten van het externe optreden van de Unie en met andere relevante beleidsterreinen van de Unie. |
|
|
2. De Unie en de lidstaten stemmen hun steunprogramma's op elkaar af om te zorgen voor meer doeltreffendheid en doelmatigheid van de steun en de beleidsdialoog, overeenkomstig de beginselen inzake de versterking van de operationele coördinatie op het gebied van externe bijstand, en voor de harmonisering van hun beleid en procedures. Coördinatie betekent ook regelmatig overleg en frequente uitwisseling van relevante informatie tijdens de verschillende fasen van de steuncyclus. |
|
|
3. De Unie doet, in overleg met de lidstaten, het nodige voor een goede coördinatie en samenwerking met multilaterale en regionale organisaties en entiteiten, waaronder, maar niet beperkt tot, Europese financiële instellingen, internationale financiële instellingen, agentschappen, fondsen en programma's van de Verenigde Naties, particuliere en politieke stichtingen en niet-EU-donoren. |
Amendement 19 Voorstel voor een verordening Artikel 7 – lid -1 (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
-1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. |
Amendement 20 Voorstel voor een verordening Artikel 7 – lid 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
1. De in artikel 4 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening. |
1. De in de artikelen 4 en 5 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening. |
Amendement 21 Voorstel voor een verordening Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Zoals vastgesteld in artikel 13, lid 2, van de "Erasmus voor iedereen"-verordening wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag van 1 812 100 000 euro van de verschillende externe instrumenten (ontwikkelingssamenwerkingsinstrument, Europees nabuurschapsinstrument, instrument inzake pretoetredingssteun, partnerschapsinstrument en Europees ontwikkelingsfonds) toegewezen aan acties van leermobiliteit naar of vanuit niet-EU-landen en aan samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten/instellingen/organisaties afkomstig uit die landen. De bepalingen van de "Erasmus voor iedereen"-verordening zullen van toepassing zijn op het gebruik van die middelen. |
2. Zoals vastgesteld in artikel 13, lid 2, van de "Erasmus voor iedereen"-verordening wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag ten belope van 2% van de beschikbare financiële middelen voor de deelnemende instrumenten (ontwikkelingssamenwerkingsinstrument, Europees nabuurschapsinstrument, instrument inzake pretoetredingssteun, partnerschapsinstrument en Europees ontwikkelingsfonds) toegewezen aan acties van leermobiliteit naar of vanuit niet-EU-landen en aan samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten/instellingen/organisaties afkomstig uit die landen. De bepalingen van de "Erasmus voor iedereen"-verordening zullen van toepassing zijn op het gebruik van die middelen. |
Amendement 22 Voorstel voor een verordening Artikel 8 – lid 2 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
2 bis. De financiële belangen van de Unie worden tijdens de volledige uitgavencyclus door adequate maatregelen beschermd, onder meer door preventie, opsporing en onderzoek van onregelmatigheden, terugvordering van ten onrechte ontvangen of onrechtmatig bestede middelen, en eventueel door sancties. Deze maatregelen worden uitgevoerd conform de geldende overeenkomsten die met internationale organisaties en derde landen zijn gesloten. |
PROCEDURE
|
Titel |
Invoering van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen |
||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2011)0843 – C7-0495/2011 – 2011/0411(COD) |
||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
AFET
|
|
|
|
|
|
Advies uitgebracht door Datum bekendmaking |
BUDG 17.1.2012 |
||||
|
Rapporteur voor advies Datum benoeming |
Jan Kozłowski 29.2.2012 |
||||
|
Behandeling in de commissie |
29.3.2012 |
|
|
|
|
|
Datum goedkeuring |
31.5.2012 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
31 3 3 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Marta Andreasen, Richard Ashworth, Francesca Balzani, Zuzana Brzobohatá, Jean-Luc Dehaene, James Elles, Göran Färm, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazábal Rubial, Salvador Garriga Polledo, Jens Geier, Ivars Godmanis, Lucas Hartong, Jutta Haug, Sidonia Elżbieta Jędrzejewska, Anne E. Jensen, Ivailo Kalfin, Sergej Kozlík, Jan Kozłowski, Alain Lamassoure, Claudio Morganti, Juan Andrés Naranjo Escobar, Nadezhda Neynsky, Dominique Riquet, Alda Sousa, László Surján, Jacek Włosowicz |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
François Alfonsi, Alexander Alvaro, Charles Goerens, Edit Herczog, Jürgen Klute, María Muñiz De Urquiza, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Peter Šťastný, Gianluca Susta |
||||
ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (26.6.2012)
aan de Commissie buitenlandse zaken
inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
(COM(2011)0843 – C7‑0495/2011 – 2011/0411(COD))
Rapporteur voor advies: Niki Tzavela
BEKNOPTE MOTIVERING
Het partnerschapsinstrument (PI) dient ter implementatie van de internationale dimensie van de EU 2020-strategie via steun voor bilaterale, regionale en interregionale partnerschappen, verbetering van markttoegang en ontwikkeling van handel, investeringen en zakelijke kansen voor Europese bedrijven en verbetering van de zichtbaarheid van de EU op het wereldtoneel. Het moet in de plaats komen van het bestaande financieringsinstrument voor de samenwerking met geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog inkomen (ICI), en moet alle derde landen gaan bestrijken. Via doelstellingen en werkingssfeer moet het PI bijdragen tot de externe toepassing van het intern beleid van de EU. In die zin moet het nieuwe instrument als aanvulling fungeren op maatregelen in het kader van andere EU-programma's, zoals het Horizon 2020-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het Programma voor concurrentievermogen en kmo's, die onder de bevoegdheden van het commissie ITRE vallen.
Gezien het geografische toepassingsgebied en de algemene beleidsdoelstellingen zal het partnerschapsinstrument zeer flexibel kunnen worden ingezet, maar daarbij moet er wel op gelet worden dat er geen verwarring bij de potentiële begunstigden ontstaat. De rapporteur voor advies begrijpt dat de Commissie van gedelegeerde handelingen gebruik wil maken wanneer aanpassing nodig is van de samenwerkingsgebieden die in een bijlage bij het PI vermeld staan. Dit is weliswaar een methode om snel in te spelen op economische uitdagingen, maar de voorgestelde formulering van de bijlage is zeer ruim en algemeen gesteld, zodat deze in de verordening zelf kan worden opgenomen zonder afbreuk te doen aan de flexibiliteit.
Daarvan uitgaande stelt de rapporteur amendementen op het verordeningsvoorstel voor ter verduidelijking van de bepalingen over de mogelijkheid van acties ter aanvulling van andere EU-programma's. De rapporteur is van oordeel dat dubbel werk voorkomen moet worden met het oog op een zo groot mogelijk effect van de financiële steun uit hoofde van het PI. Voorts worden amendementen voorgesteld op de bijlage bij het PI waarin de samenwerkingsgebieden worden afgebakend, omdat bepaalde terreinen die onder de commissie ITRE vallen, te weten onderzoek en innovatie, energiezekerheid, nijverheid en industrie, en ICT, meer aandacht verdienen.
AMENDEMENTEN
De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:
Amendement 1 Voorstel voor een verordening Overweging 3 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(3) Bovendien heeft de Unie sinds 2007 de samenwerking en het partnerschap met ontwikkelings- en overgangslanden in Azië, Centraal-Azië en Latijns-Amerika en met Irak, Iran, Jemen en Zuid-Afrika op basis van Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) versterkt en verdiept. |
(3) Bovendien heeft de Unie sinds 2007 de samenwerking en het partnerschap met ontwikkelings- en overgangslanden in Latijns-Amerika, Azië, Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Zuid-Afrika op basis van Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) versterkt en verdiept. |
Motivering | |
Verordening (EG) nr. 1905/2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking noemt, afgezien van Zuid-Afrika, geen andere landen. Gezien de inhoud van de onderhavige verordening is het zaak al te specifieke aanduidingen te vermijden, zodat uiteenlopende landen van het financieringsinstrument gebruik kunnen maken, en tevens de consistentie van de wetgeving gegarandeerd is. | |
Amendement 2 Voorstel voor een verordening Overweging 6 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(6) Bovendien heeft de Unie de bilaterale betrekkingen versterkt met andere steeds prominentere midden-inkomensontwikkelingslanden in Azië en Latijns-Amerika door de besprekingen over samenwerkingspartnerschap en beleid uit te breiden naar terreinen en onderwerpen die verder gaan dan ontwikkelingssamenwerking. In het geval van Rusland zijn de betrekkingen ook verder ontwikkeld, onder meer via het Partnerschap voor modernisering tussen Rusland en de Unie, waarmee het belang wordt onderstreept van Rusland als strategische partner voor de Unie binnen zowel de bilaterale betrekkingen als op het gebied van mondiale aangelegenheden. |
(6) Bovendien heeft de Unie de bilaterale betrekkingen versterkt met andere steeds prominentere midden-inkomensontwikkelingslanden in Azië en Latijns-Amerika door de besprekingen over samenwerkingspartnerschap en beleid uit te breiden naar terreinen en onderwerpen die verder gaan dan ontwikkelingssamenwerking. In het geval van Rusland zijn de betrekkingen ook verder ontwikkeld, onder meer via initiatieven als het Partnerschap voor modernisering tussen Rusland en de Unie en de energiedialoog tussen de EU en Rusland, waarmee het belang wordt onderstreept van Rusland als strategische partner voor de Unie binnen zowel de bilaterale betrekkingen als op het gebied van mondiale aangelegenheden. |
Amendement 3 Voorstel voor een verordening Overweging 7 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(7) Deze betrekkingen met partners die een steeds belangrijkere rol spelen in de internationale economie en handel, bij de zuid-zuid-handel en samenwerking, in multilaterale fora waaronder de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20), op het vlak van het mondiale bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, moeten in het belang van de Unie worden verdiept. De Unie moet uitgebreide partnerschappen opbouwen met nieuwe spelers op het internationale toneel teneinde een stabiele en inclusieve internationale orde te bevorderen, gemeenschappelijke mondiale collectieve goederen na te streven, de kernbelangen van de Unie te verdedigen en de kennis over de Unie in deze landen te vergroten. |
(7) Deze betrekkingen met partners die een steeds belangrijkere rol spelen in de internationale economie en handel, bij de zuid-zuid-handel en samenwerking, bij het beheer van grondstoffen- en energiemarkten, in multilaterale fora waaronder de ministers van Financiën van de G-20 en de presidenten van centrale banken (G-20), op het vlak van het mondiale bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, moeten in het belang van de Unie worden verdiept. De Unie moet uitgebreide partnerschappen opbouwen met nieuwe spelers op het internationale toneel teneinde een stabiele en inclusieve internationale orde te bevorderen, gemeenschappelijke mondiale collectieve goederen na te streven, de kernbelangen van de Unie te verdedigen en de kennis over de Unie in deze landen te vergroten. |
Amendement 4 Voorstel voor een verordening Overweging 8 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(8) De EU heeft een financieel instrument met een alomvattende werkingssfeer nodig dat het mogelijk maakt maatregelen te financieren die wellicht niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, maar die van cruciaal belang zijn voor het verdiepen en bestendigen van de betrekkingen met de partnerlanden in kwestie, met name via beleidsdialogen en de ontwikkeling van partnerschappen. |
(8) De EU heeft een financieel instrument met een alomvattende werkingssfeer nodig dat het mogelijk maakt maatregelen te financieren die wellicht niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, maar die van cruciaal belang zijn voor het verdiepen en bestendigen van de betrekkingen met de partnerlanden in kwestie, met name via beleidsdialogen en partnerschappen, alsook de ontwikkeling van kardinale projecten van wederzijds belang. |
Amendement 5 Voorstel voor een verordening Overweging 10 bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(10 bis) Maatregelen uit hoofde van deze verordening vormen een aanvulling op de externe dimensie van intern beleid dat gevoerd wordt in verband met andere EU-programma's (zoals het Horizon 2020-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en het programma voor concurrentievermogen en kmo's), zij het met vermijding van overlap. |
Motivering | |
Het is zaak tot synergieën tussen de EU en derde landen te komen, met name via EU-programma's als Horizon 2020 en andere programma's voor het mkb. | |
Amendement 6 Voorstel voor een verordening Overweging 12 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(12) Met name het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de grote uitdagingen waarvoor de Unie zich gesteld ziet en het terrein waarop urgent internationaal optreden nodig is. In overeenstemming met het in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" uitgesproken voornemen het klimaatgerelateerde gedeelte van de begroting van de Unie tot ten minste 20% te verhogen, zou deze verordening een bijdrage moeten leveren aan dat doel. |
(12) Het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de uitdagingen waarvoor de wereld zich gesteld ziet en een terrein waarop dringend internationaal optreden nodig is. De Unie moet daarom streven naar een mondiaal akkoord voor de aanpak van de klimaatverandering. |
Amendement 7 Voorstel voor een verordening Overweging 14 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(14) Krachtens deze verordening zou de Unie de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie, met name wat betreft de doelstellingen die betrekking hebben op klimaatverandering, de overgang naar een groenere economie en efficiënt hulpbronnengebruik, handel en investering, samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied met derde landen, moeten ondersteunen en openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten moeten bevorderen. |
(14) Krachtens deze verordening zou de Unie de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie, met name wat betreft de doelstellingen die betrekking hebben op klimaatverandering, energiezekerheid, de overgang naar een groenere economie en efficiënt hulpbronnengebruik, wetenschap, onderzoek en innovatie, handel en investering, samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied met derde landen en betere markttoegang voor Europese bedrijven, moeten ondersteunen en openbare diplomatie, onderwijskundige/universitaire samenwerking en stimuleringsactiviteiten moeten bevorderen. |
Amendement 8 Voorstel voor een verordening Overweging 17 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(17) De Unie moet in staat zijn tijdig en flexibel te reageren op veranderende en/of onvoorziene behoeften teneinde het voornemen om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen meer kans van slagen te geven, door speciale maatregelen vast te stellen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen. |
(17) De Unie moet in staat zijn een tijdig en op de situatie toegesneden antwoord te geven op veranderende behoeften en/of onvoorziene gebeurtenissen teneinde het voornemen om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen meer kans van slagen te geven, door speciale maatregelen vast te stellen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen. |
Amendement 9 Voorstel voor een verordening Artikel 1 – punt 2 – letter b | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(b) het verbeteren van toegang tot de markt en het ontwikkelen van handels-, investerings- en zakelijke kansen voor Europese bedrijven door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten; |
(b) het verbeteren van toegang tot de markt en het ontwikkelen van handels-, investerings- en zakelijke kansen voor Europese bedrijven en met name het Europese mkb, door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied; De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten. Er wordt speciale aandacht besteed aan steun voor het midden- en kleinbedrijf in de Unie en de internationale ontplooiing ervan, gelet op de rol van het mkb in de economie van de Unie. |
Amendement 10 Voorstel voor een verordening Artikel 3 – punt 4 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(4) Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening richt de Unie zich op samenhang en consistentie met andere gebieden van het extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden, en met ander relevant beleid van de Unie bij het formuleren van beleid, strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen. |
(4) Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening en de formulering van beleid, strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen richt de Unie zich op samenhang en consistentie met andere gebieden van het extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingslanden, en met ander relevant beleid en programma's van de Unie. |
Amendement 11 Voorstel voor een verordening Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Zoals vastgesteld in artikel 13, lid 2, van de "Erasmus voor iedereen"-verordening wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag van 1 812 100 000 euro van de verschillende externe instrumenten (ontwikkelingssamenwerkingsinstrument, Europees nabuurschapsinstrument, instrument inzake pretoetredingssteun, partnerschapsinstrument en Europees ontwikkelingsfonds) toegewezen aan acties van leermobiliteit naar of vanuit niet-EU-landen en aan samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten/instellingen/organisaties afkomstig uit die landen. De bepalingen van de "Erasmus voor iedereen"-verordening zullen van toepassing zijn op het gebruik van die middelen. |
2. Zoals vastgesteld in artikel 13, lid 2, van de "Erasmus voor iedereen"-verordening wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag van 1 812 100 000 euro van de verschillende externe instrumenten (ontwikkelingssamenwerkingsinstrument, Europees nabuurschapsinstrument, instrument inzake pretoetredingssteun, partnerschapsinstrument en Europees ontwikkelingsfonds) toegewezen aan acties van leermobiliteit, onder meer op het gebied van ondernemerschap, naar of vanuit niet-EU-landen en aan samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten/instellingen/organisaties afkomstig uit die landen. De bepalingen van de "Erasmus voor iedereen"-verordening zullen van toepassing zijn op het gebruik van die middelen. |
Amendement 12 Voorstel voor een verordening Bijlage – letter e bis (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(e bis) steun voor maatregelen met het oog op de energiezekerheid van de Unie, de uitvoering van de agenda 2050 van de Routekaart Energie en bevordering van de transparantie en voorspelbaarheid op mondiale energiemarkten en technologieoverdracht; |
Amendement 13 Voorstel voor een verordening Bijlage – letter e ter (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(e ter) bevordering van partnerschappen, initiatieven en maatregelen ter versterking van het concurrentievermogen van de nijverheidssector in de Unie en van initiatieven ter verbetering van de prestaties van de Unie op het gebied van onderzoek en innovatie, alsmede de uitvoering van de digitale agenda van de Unie; |
Amendement 14 Voorstel voor een verordening Bijlage – letter e quater (nieuw) | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
(e quater) het bevorderen en ondersteunen van initiatieven en acties om echte functionerende markten te creëren en het wegnemen van bureaucratische rompslomp en handelsbelemmeringen om het concurrentievoordeel van de Unie te versterken; |
Amendement 15 Voorstel voor een verordening Bijlage – letter f | |
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
(f) het bevorderen van initiatieven en acties van Unie- of wederzijds belang op terreinen als klimaatverandering, milieuaangelegenheden waaronder begrepen biodiversiteit, efficiënt hulpbronnengebruik, grondstoffen, energie, transport, wetenschap, onderzoek en innovatie, werkgelegenheid en sociaal beleid, duurzame ontwikkeling, waaronder het bevorderen van fatsoenlijk werk, en maatschappelijk verantwoord ondernemen, zuid-zuid-handel en samenwerking, onderwijs, cultuur, toerisme, informatie- en communicatietechnologieën, gezondheid, justitie, douane, belastingen, financiën, statistieken en andere zaken die verband houden met de specifieke belangen van de Unie of die van wederzijds belang zijn voor de Unie en derde landen; |
(f) het bevorderen van initiatieven, acties en projecten van Unie- of wederzijds belang op terreinen als klimaatverandering, milieuaangelegenheden waaronder begrepen biodiversiteit, efficiënt hulpbronnengebruik, grondstoffen, transport, werkgelegenheid en sociaal beleid, duurzame ontwikkeling, waaronder het bevorderen van fatsoenlijk werk, en maatschappelijk verantwoord ondernemen, zuid-zuid-handel en samenwerking, onderwijs, cultuur, toerisme, gezondheid, justitie, douane, belastingen, financiën, statistieken en andere zaken die verband houden met de specifieke belangen van de Unie of die van wederzijds belang zijn voor de Unie en derde landen; |
PROCEDURE
|
Titel |
Invoering van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen |
||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2011)0843 – C7-0495/2011 – 2011/0411(COD) |
||||
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
AFET
|
|
|
|
|
|
Advies uitgebracht door Datum bekendmaking |
ITRE 17.1.2012 |
||||
|
Rapporteur voor advies Datum benoeming |
Niki Tzavela 7.3.2012 |
||||
|
Behandeling in de commissie |
24.4.2012 |
|
|
|
|
|
Datum goedkeuring |
19.6.2012 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
50 1 1 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Amelia Andersdotter, Josefa Andrés Barea, Zigmantas Balčytis, Ivo Belet, Bendt Bendtsen, Reinhard Bütikofer, Maria Da Graça Carvalho, Giles Chichester, Jürgen Creutzmann, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Vicky Ford, Gaston Franco, Adam Gierek, Norbert Glante, Fiona Hall, Roger Helmer, Kent Johansson, Romana Jordan, Krišjānis Kariņš, Lena Kolarska-Bobińska, Philippe Lamberts, Bogdan Kazimierz Marcinkiewicz, Marisa Matias, Jaroslav Paška, Aldo Patriciello, Vittorio Prodi, Miloslav Ransdorf, Teresa Riera Madurell, Michèle Rivasi, Paul Rübig, Salvador Sedó i Alabart, Francisco Sosa Wagner, Konrad Szymański, Patrizia Toia, Ioannis A. Tsoukalas, Claude Turmes, Niki Tzavela, Marita Ulvskog, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Kathleen Van Brempt, Alejo Vidal-Quadras, Henri Weber |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
António Fernando Correia de Campos, Jolanta Emilia Hibner, Seán Kelly, Werner Langen, Mario Pirillo, Peter Skinner, Lambert van Nistelrooij |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Jorgo Chatzimarkakis |
||||
PROCEDURE
|
Titel |
Invoering van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen |
||||
|
Document- en procedurenummers |
COM(2011)0843 – C7-0495/2011 – 2011/0411(COD) |
||||
|
Datum indiening bij EP |
7.12.2011 |
|
|
|
|
|
Commissie ten principale Datum bekendmaking |
AFET
|
|
|
|
|
|
Medeadviserende commissie(s) Datum bekendmaking |
DEVE 17.1.2012 |
INTA
|
BUDG 17.1.2012 |
ITRE 17.1.2012 |
|
|
Medeverantwoordelijke commissie(s) Datum bekendmaking |
INTA 24.5.2012 |
|
|
|
|
|
Rapporteur(s) Datum benoeming |
Antonio López-Istúriz White 14.12.2011 |
|
|
|
|
|
Vervangen rapporteur(s) |
Mario Mauro |
|
|
|
|
|
Behandeling in de commissie |
9.7.2012 |
|
|
|
|
|
Datum goedkeuring |
5.12.2013 |
|
|
|
|
|
Uitslag eindstemming |
+: –: 0: |
47 0 2 |
|||
|
Bij de eindstemming aanwezige leden |
Elmar Brok, Jerzy Buzek, Mark Demesmaeker, Michael Gahler, Marietta Giannakou, Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Anna Ibrisagic, Anneli Jäätteenmäki, Jelko Kacin, Tunne Kelam, Nicole Kiil-Nielsen, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Alexander Graf Lambsdorff, Vytautas Landsbergis, Ulrike Lunacek, Marusya Lyubcheva, Willy Meyer, María Muñiz De Urquiza, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Norica Nicolai, Raimon Obiols, Kristiina Ojuland, Ria Oomen-Ruijten, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Bernd Posselt, Hans-Gert Pöttering, Cristian Dan Preda, Libor Rouček, Tokia Saïfi, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, György Schöpflin, Werner Schulz, Marek Siwiec, Charles Tannock, Inese Vaidere, Geoffrey Van Orden, Nikola Vuljanić, Sir Graham Watson, Boris Zala |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s) |
Marije Cornelissen, Kinga Gál, Barbara Lochbihler, Antonio López-Istúriz White, Doris Pack, Ivo Vajgl, Paweł Zalewski |
||||
|
Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2) |
Hiltrud Breyer |
||||
|
Datum indiening |
6.12.2013 |
||||