Procedure : 2013/2100(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0048/2014

Ingediende teksten :

A7-0048/2014

Debatten :

PV 10/03/2014 - 18
CRE 10/03/2014 - 18

Stemmingen :

PV 11/03/2014 - 9.27
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0205

VERSLAG     
PDF 166kWORD 107k
27.1.2014
PE 506.199v02-00 A7-0048/2014

over de toekomst van de Europese tuinbouwsector - groeistrategieën

(2013/2100(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Anthea McIntyre

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de toekomst van de Europese tuinbouwsector - groeistrategieën

(2013/2100(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien deel III, hoofdstuk III en VII van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen,

–   gezien Richtlijn 2009/128/EG van 21 oktober 2009 betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening)(1), die moet worden overgenomen door het wetgevingsvoorstel van de Commissie van 19 oktober 2011, dat was ingediend in het kader van de gewone wetgevingsprocedure uit hoofde van het VWEU (voormalige medebeslissingsprocedure) voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de markten in agrarische producten (integrale-GMO-verordening) (COM(2011)0626), en dat onlangs was goedgekeurd door de drie instellingen in kwestie,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1182/2007 van de Raad van 26 september 2007 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de sector groenten en fruit(2), en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft(3),

–   gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten(4),

–   gezien Verordening (EG) nr. 834/2007 van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten(5),

–   gezien Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu(6),

–   gezien zijn resolutie van 21 juni 1996 over een communautair initiatief ten behoeve van de sierplantenteelt(7),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 9 december 2008 over voedselprijzen in Europa (COM(2008)0821),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 16 juli 2008 getiteld "Actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid" (COM(2008)0397),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009 over een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa (COM(2009)0591),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 28 mei 2009 over het kwaliteitsbeleid ten aanzien van landbouwproducten (COM(2009)0234),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 mei 2011, getiteld "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" (COM(2011)244),

–   gezien het Commissiebesluit van 28 april 2008 tot oprichting van de groep op hoog niveau inzake het concurrentievermogen van de voedingsmiddelenindustrie, en gezien het verslag van die groep op hoog niveau van 17 maart 2009 over het concurrentievermogen van de voedingsmiddelenindustrie, samen met de aanbevelingen en het overzicht van de voornaamste initiatieven van de groep(8),

–   gezien de studie van november 2012 met de titel "Steun voor landbouwcoöperaties" (SFC), waarin de bevindingen worden uiteengezet van het door de Commissie gelanceerde SFC-project(9),

–   gezien de studie uit 2013 van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie - Instituut voor technologische prognose met de titel "Short Food Supply Chains and Local Food Systems in the EU. A State of Play of their Socio-Economic Characteristics" (Korte voedselvoorzieningsketens en lokale voedselsystemen in de EU. Een overzicht van de sociaal-economische kenmerken daarvan)(10),

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7‑0048/2014),

A. overwegende dat de groente- en fruitsector ongeveer 3 % van de GLB-steun ontvangt, terwijl deze 18 % van de totale waarde van de landbouwproductie in de EU voor zijn rekening neemt, 3 % van de bruikbare landbouwgrond van de EU beslaat en meer dan EUR 50 miljard waard is;

B.  overwegende dat de tuinbouw de teelt van fruit, groente, aardappelen, sla, kruiden en sierplanten omvat, en overwegende dat de tuinbouwsector boomkwekerijen, vasteplantenteelt, diensten met betrekking tot tuinonderhoud, groenonderhoud van begraafplaatsen, winkels voor tuinbenodigdheden, tuincentra, bloemisten en landschaps- en tuinaanleg omvat;

C. overwegende dat de toeleveringsketen van de groente- en fruitsector een geschatte omzet heeft van meer dan EUR 120 miljard, met ongeveer 550 000 werknemers, en van belang is voor de economieën van de gebieden in de EU waar het werkloosheidspercentage doorgaans hoog is;

D. overwegende dat de EU de op een na grootste producent en de op een na grootste importeur van groente en fruit ter wereld is; overwegende dat de vraag in deze sector toeneemt en momenteel het aanbod zelfs overstijgt; overwegende dat de handel in groente en fruit tussen 2000 en 2010 is toegenomen van 90 miljard USD naar bijna 218 miljard USD en goed is voor een kleine 21 % van de wereldwijde handel in levensmiddelen en dierlijke producten; overwegende dat de EU haar markten wagenwijd heeft opengesteld voor invoer uit derde landen waarmee zij bilaterale en multilaterale overeenkomsten heeft gesloten;

E.  overwegende dat de tuinbouwsector – de primaire productie- en verwerkingsindustrie – op Europees niveau dienstdoet als economische versterker die zowel de vraag als het genereren van toegevoegde waarde in andere economische sectoren zoals de handel, de bouw en financiële diensten stimuleert;

F.  overwegende dat de groente- en fruitsector de snelst groeiende biologische sector van alle EU-markten is, met een geschatte waarde van 19,7 miljard EUR in 2011 en een groei van 9 % tussen 2010 en 2011, waarbij de trend van het afgelopen decennium een jaarlijkse groei vertoonde van 5 à 10 %; overwegende dat de beplante oppervlakte voor biologisch fruit met 18,2 % is toegenomen tussen 2010 en 2011, en voor biologische groente met 3,5 %;

G. overwegende dat de consumptie van groente en fruit per persoon voor de EU-27 met 3 % is gedaald in 2011 ten opzichte van de gemiddelde consumptie in de vijf jaar daarvoor, ondanks het feit dat de consumptie van groente en fruit een positieve invloed heeft op de gezondheid van de mens;

H. overwegende dat de EU de grootste producent van bloemen, bloembollen en potplanten ter wereld is (44 % van de mondiale productie), met de hoogste dichtheid per hectare; overwegende dat de omzet van de sierplantensector geraamd wordt op 20 miljard EUR voor de productie, 28 miljard EUR voor de groothandel en 38 miljard EUR voor de detailhandel, en dat deze sector werk biedt aan ongeveer 650 000 mensen;

I.   overwegende dat de groente- en fruitregeling deel uitmaakt van het GLB en onder meer ten doel heeft het evenwicht in de voedselvoorzieningsketen te herstellen, de groente- en fruitproductie te bevorderen, het concurrentievermogen te vergroten en innovatie te steunen; overwegende dat de participatiegraad in producentenorganisaties moet worden opgetrokken, zo ook in de regio's waar al een aantal jaar geen bedrijfsfondsen beschikbaar zijn gesteld en/of de productiemethoden verouderd zijn, door het stelsel aantrekkelijker te maken, aangezien meer dan de helft van alle EU-telers nog steeds geen deel uitmaakt van een producentenorganisatie, ondanks de Commissiedoelstelling dat gemiddeld 60 % van de producenten tot 2013 lid moet zijn van een producentenorganisatie; overwegende dat de geringe mate van organisatie in sommige lidstaten deels het gevolg is van de opheffing van producentenorganisaties, wat tot onzekerheid leidt bij de producenten; overwegende dat, gezien het feit dat producentenorganisaties een sleutelrol vervullen bij het mondiger maken van tuinbouworganisaties tijdens onderhandelingen, het cruciaal is om onzekerheid onder producenten te vermijden door opheldering te verschaffen over de Europese wetgeving aangaande de erkenning van producentenorganisaties;

J.   overwegende dat de totale inputkosten voor de Europese boeren volgens Eurostat van 2000 tot 2010 gemiddeld met bijna 40 % zijn toegenomen, terwijl de outputprijzen met minder dan 25 % zijn gestegen; overwegende dat de inputkosten voor kunstmeststoffen en bodemverbeteraars met bijna 80 % zijn gestegen, voor zaden en teeltmateriaal met bijna 30 % en voor gewasbeschermingsmiddelen met bijna 13 %;

K. overwegende dat een verminderde bodemvruchtbaarheid als gevolg van erosie, een beperktere aanwending van organisch materiaal – waardoor de kruimelstructuur en het humusgehalte van de bodem erop achteruitgaan – het feit dat voedingsstoffen en water minder goed worden vastgehouden en ecologische processen achteruitgaan, aanzienlijke kosten met zich meebrengt voor zowel de landbouwers als de overheidsbegroting;

L.  overwegende dat de "kennispijpleiding" om onderzoek te vertalen naar de praktijk voor de tuinbouw onder druk staat, en overwegende dat er in de particuliere sector over de hele linie weinig wordt uitgegeven aan onderzoek, waarbij onderzoek en ontwikkeling in de EU-15 slechts 0,24 % van de totale uitgaven in de voedingsindustrie vormden in 2004, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn;

M. overwegende dat een groot aantal groente- en fruitsoorten dreigt te verdwijnen ten gevolge van hun lage economische levensvatbaarheid, en dat de landbouwers die deze rassen blijven verbouwen, een ecologische, sociale en culturele waardevolle rol vervullen, omdat zij belangrijke Europese landbouwgewassen in stand houden;

N. overwegende dat de toenemende problemen bij de preventie, beheersing en uitroeiing van schadelijke organismen en de beperkte beschikbaarheid van beschermingsmiddelen voor tuinbouwgewassen de diversiteit van de landbouw en de kwaliteit van de Europese tuinbouw in gevaar dreigen te brengen;

O. overwegende dat tuinbouwbedrijven vaak zowel produceren als verkopen en diensten verlenen;

P.  overwegende dat cisgenese gedefinieerd kan worden als een genetische manipulatietechniek waarbij een gen van een verwant of hetzelfde geslacht of van een verwante of dezelfde soort in een doelplant wordt ingebracht;

1.  benadrukt dat de tuinbouwsector van de EU moet worden gestimuleerd en in staat moet worden gesteld om te concurreren op de wereldmarkt, door middel van innovatie, onderzoek en ontwikkeling, energie-efficiëntie en energiezekerheid, de aanpassing aan en de matiging van de klimaatverandering en maatregelen om de verkoop aan te wakkeren, en dat de inspanningen moeten worden voortgezet om de wanverhouding tussen marktdeelnemers en distributeurs op te heffen door het concentratieniveau van de sector te verhogen;

2.  benadrukt dat het gemakkelijker moet worden gemaakt voor producenten om toegang te krijgen tot de markten van derde landen; verzoekt de Commissie om meer inspanningen te leveren om exporteurs van fruit, groente, bloemen en sierplanten te helpen om het toenemende aantal non-tarifaire belemmeringen, waaronder de gewasbeschermingsnormen van bepaalde derde landen die de uitvoer vanuit de EU moeilijk of zelfs onmogelijk maken, te boven te komen;

3.  roept de Commissie op alle marktdeelnemers in de EU dezelfde toegangsvoorwaarden op te leggen wat betreft handelsnormen, oorsprongsbenamingen, enz. en de naleving ervan te waarborgen aan de hand van controles teneinde concurrentieverstoring te vermijden;

4.  is voorstander van de stimulering van groente- en fruitconsumptie in de lidstaten door middel van educatieve activiteiten zoals het EU-schoolfruitprogramma en nationale programma's zoals de campagnes "Poot je eigen aardappel" en "Kook je eigen aardappel" in het VK;

5.  merkt op dat de plaatselijke en regionale markten vaak niet over voldoende ter plaatse geproduceerde tuinbouwproducten beschikken en dat landbouwondernemerschap in die regio's daarom dient te worden aangemoedigd, met name met stimuli voor jonge ondernemers, die banenmogelijkheden in de landbouwsector kunnen opleveren en de voorziening van lokaal geproduceerde verse producten kunnen garanderen;

6.  wijst op de gunstige invloed van de sierplantenteelt op de gezondheid en het welzijn van de mensen vanwege de toename van groene ruimtes, wat leidt tot een stadsomgeving die beter bestand is tegen klimaatverandering en de plattelandseconomie ten goede komt; wijst op de noodzaak van actievere ondersteuning voor deze sector, door investeringen te stimuleren en de loopbaanontwikkeling in de sector te verbeteren;

7.  is ingenomen met de maatregelen van de Europese groente- en fruitregeling, die erop gericht zijn de marktoriëntatie onder EU-telers te verbeteren, innovatie aan te wakkeren, de productie van groente en fruit te bevorderen, het concurrentievermogen van telers te vergroten, alsook de verkoop, kwaliteit en milieuaspecten van de productie te verbeteren, via steunverlening aan producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en de erkenning van brancheorganisaties, door tevens de bundeling van krachten te bevorderen om nieuwe inkomstenstromen te genereren die in nieuwe investeringen moeten worden gepompt; wijst er tegelijkertijd op dat er maatregelen moeten worden genomen zodat telers die hun producten zelf of rechtstreeks verhandelen niet gediscrimineerd worden maar juist de mogelijkheid hebben om innovatieve projecten uit te voeren en hun concurrentievermogen te vergroten;

8.  wijst erop dat lokale en regionale productie en verkoop bij kunnen dragen aan het scheppen en behoud van economische bedrijvigheid en banen in plattelandsgebieden;

9.  wijst erop dat korte productieketens bijdragen tot de vermindering van voor het klimaat schadelijke emissies;

10. merkt op dat zogenaamde stadslandbouw nieuwe mogelijkheden biedt voor de tuinbouwsector;

11. is ingenomen met het verslag over de openbare raadpleging van de Commissie met de titel "Evaluatie van de EU-regeling voor de groente- en fruitsector", en vooral met sectie 3.8, waarin de noodzaak voor een vereenvoudiging van de huidige regels inzake producentenorganisaties wordt onderkend, schaart zich achter het voorstel van de Commissie om producentenorganisaties te versterken, en constateert dat de meeste reacties de basisfilosofie achter de huidige steunregelingen wilden handhaven;

12. benadrukt dat het verminderen van de administratieve rompslomp vooral belangrijk is voor kleine en middelgrote ondernemingen, zonder echter afbreuk te doen aan de rechtszekerheid waarvan dergelijke ondernemingen ook afhankelijk zijn;

13. is ingenomen met het feit dat in het akkoord over de hervorming van het GLB het Europese, op de producentenorganisaties gebaseerde stelsel voor steun aan de groente- en fruitsector behouden blijft, omdat de huidige instrumenten niet altijd doeltreffend zijn gebleken, hetgeen de Commissie ook onderkent in haar document over de openbare raadpleging "Evaluatie van de EU-regeling voor de groente- en fruitsector", en steunt dan ook het werk van de Newcastle-groep dat de verbetering van de groente- en fruitregeling van de EU beoogt en daarbij rekening moet houden met de bijzondere kenmerken van de wettelijke regelingen voor coöperaties in de verschillende lidstaten, om de oprichting van nieuwe producentenorganisaties niet te beperken en ook rekening te houden met feit dat telers ervoor kunnen kiezen om zich niet aan te sluiten bij een producentenorganisatie; wijst tevens op de instelling van een Europees instrument voor het beheer van ernstige crises die meerdere lidstaten treffen, en benadrukt dat dit voor alle producenten moet openstaan, ongeacht of zij lid zijn van een producentenorganisatie of niet;

14. verzoekt de Commissie, teneinde de activiteiten die producentenorganisaties ontplooien ten gunste van producenten te versterken, in haar evaluatie van de groente- en fruitregeling van de EU duidelijke en praktische regels op te stellen voor het opzetten en de werkmethodes van producentenorganisaties en de regeling af te stemmen op de bestaande marktstructuren in de lidstaten zodat producentenorganisaties hun beoogde rol kunnen spelen en het voor telers aantrekkelijk wordt zich aan te sluiten bij een producentenorganisatie, mits de verwezenlijking van de hoofddoelstellingen van de regeling niet in het gedrang komt en telers hun beslissingsvrijheid over deze kwesties mogen behouden;

15. stelt tot zijn bezorgdheid vast dat de voorschriften voor de regeling voor producentenorganisaties erg vatbaar zijn voor interpretatie door de controleurs van de Commissie, wat voor een hoge mate van onzekerheid zorgt en waardoor de lidstaten het risico lopen op niet-erkenning van uitgaven en op rechterlijke toetsing; benadrukt voorts dat de controleprocedures en financiële correcties sneller moeten worden verricht, binnen een overeengekomen controleperiode;

16. merkt op dat er in de hele EU nog steeds oneerlijke handelspraktijken bestaan als gevolg waarvan tuinbouwbedrijven en hun producentenorganisaties worden ondermijnd en het vertrouwen van telers om te investeren in de toekomst daalt, en is van mening dat gedragscodes die worden afgesproken tussen alle deelnemers aan de toeleveringsketen, die ingebed zijn in een wetgevingskader en waarop toezicht wordt uitgeoefend door een nationale arbiter in elke lidstaat om handelspraktijken in de gaten te houden, het functioneren van de voedselketen en de interne markt aanzienlijk ten goede zal komen;

17. is van mening dat de particuliere normen voor residuen van gewasbeschermingsmiddelen, die door veel grote detailhandelketens zijn vastgesteld, de concurrentie verstoren en indruisen tegen de belangen van groente- en fruittelers; verzoekt de Commissie een einde te maken aan dergelijke praktijken, aangezien de residueniveaus van gewasbeschermingsmiddelen, die zijn vastgelegd in de EU‑wetgeving, voldoende bescherming bieden voor de gezondheid van zowel consumenten als producenten;

18. verzoekt de Commissie en de lidstaten om geïntegreerde gewasbescherming te stimuleren, innovatie en ondernemerschap te ondersteunen via meer onderzoek en ontwikkeling op het gebied van niet-chemische alternatieven, zoals natuurlijke vijanden en parasieten van schadelijke organismen, en Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, aan te wenden om toegepast onderzoek te financieren waarmee de ontwikkeling van geïntegreerde strategieën voor ongedierte-, ziekte- en onkruidbestrijding wordt ondersteund, en producenten de nodige instrumenten en informatie krijgen om te voldoen aan Richtlijn 2009/128/EG, waar in artikel 14 is bepaald dat de lidstaten "alle nodige maatregelen [moeten nemen] om bestrijding met lage pesticideninzet te bevorderen, waarbij zij waar mogelijk voorrang geven aan niet‑chemische methoden" en "de noodzakelijke voorwaarden [moeten scheppen], of steun daartoe [verlenen], voor het in de praktijk brengen van geïntegreerde gewasbescherming";

19. verzoekt de Commissie en de lidstaten om de intensivering te stimuleren en te benadrukken van ecologische processen die de bodemgezondheid, -vruchtbaarheid en ‑vorming op de lange termijn garanderen en populaties schadelijke organismen beheersen en reguleren; is van mening dat dit op de lange termijn de productiviteit van de landbouwers ten goede kan komen en de kosten voor de overheidsbegrotingen kan inperken;

20. benadrukt dat de tuinbouw afhankelijk is van een heel scala aan gewasbeschermingsmiddelen, en dringt bij de Commissie aan op een risicogebaseerde benadering voor de regulering van deze producten, die wordt gestaafd door collegiaal getoetst, onafhankelijk, wetenschappelijk bewijs; benadrukt dat vooral beperkte toepassingen kwetsbaar zijn als gevolg van het gebrek aan beschikbare werkzame stoffen; verzoekt de Commissie om de coördinatie van het genereren van gegevens in de lidstaten te versterken, met name voor gegevens over residuen, die een essentiële vereiste vormen voor vergunningen voor eetbare gespecialiseerde gewassen; verzoekt DG Landbouw en plattelandsontwikkeling, DG Gezondheid en consumentenbescherming, DG Milieu en DG Mededinging strategisch samen te werken om vanuit verschillende invalshoeken stil te staan bij de impact van veranderingen in de regelgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen;

21. spoort de Commissie aan een evaluatie uit te voeren van de werking van de regelingen voor wederzijdse erkenning van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, als vastgelegd in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, om de uitvoering daarvan te stroomlijnen en onnodige bureaucratische rompslomp op te heffen, en om een mondiale harmonisatie van de regelgeving inzake gewasbescherming en een beperking van de non‑tarifaire belemmeringen voor de export te overwegen als langetermijndoelstellingen;

22. spoort de Commissie aan zonder verdere vertraging en overeenkomstig de verplichtingen in artikel 51, lid 9 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een verslag in te dienen bij het Parlement en de Raad over de oprichting van een Europees fonds voor beperkte toepassingen en speciale gewassen; onderstreept dat een dergelijk fonds moet worden ingezet om financiering te verstrekken aan een lopend Europees werkprogramma voor de coördinatie en samenwerking tussen de exploitanten van agrolevensmiddelen, de bevoegde autoriteiten en belanghebbenden, met inbegrip van onderzoeksinstituten, bij de uitvoering en in voorkomend geval financiering van onderzoek en innovatieactiviteiten gericht op de bescherming van speciale gewassen en beperkte toepassingen;

23. wijst erop dat ingevoerde producten niet aan dezelfde gewasbeschermingsvereisten hoeven te voldoen als Europese producten; benadrukt dat deze aanhoudende ongelijkheid niet alleen het concurrentievermogen van de Europese producenten ondermijnt, maar ook indruist tegen de belangen van de Europese consumenten;

24. herinnert eraan dat zowel de verordening inzake gewasbeschermingsmiddelen (Verordening (EG) nr. 1107/2009 van 21 oktober 20091) en de nieuwe verordening inzake biociden (Verordening (EU) nr. 528/2012 van 22 mei 2012(11)) van de Commissie vergen dat zij vóór december 2013 specifieke wetenschappelijke criteria vaststelt voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen; vindt het kwalijk dat met deze criteria belangrijke stoffen worden verwijderd die met een aanvaardbaar risico nog kunnen worden gebruikt; benadrukt het belang van een transparante procedure, zodat de betrokken marktspelers de wetenschappelijke basis voor de beslissingen begrijpen en op de hoogte zijn wie er betrokken waren bij het ontwikkelen van nieuwe criteria; dringt er bij de Commissie op aan terdege rekening te houden met de gevolgen van verschillende benaderingen als ze voorstellen indient voor hormoonontregelende stoffen;

25. verzoekt de Commissie de huidige beperkingen op het gebruik van bepaalde neonicotinoïden opnieuw te beoordelen en nieuw wetenschappelijk bewijs op dit terrein systematisch te onderzoeken; dringt er bij de Commissie tevens op aan de ecologische gevolgen van beperkingen voor de plaats, de wijze en het tijdstip van gebruik, grondig te beoordelen alvorens ze in te laten gaan, en terdege stil te staan bij de eventuele economische gevolgen;

26. benadrukt dat de tuinbouwsector sterk afhankelijk is van het gebruik van kwalitatief hoogwaardige, duidelijk gespecificeerde meststoffen; is ingenomen met de huidige herziening van de EU-meststoffenverordening, maar stelt tot zijn bezorgdheid vast dat de Commissie beoogt daarin bodemverbeteraars met stoffen op te nemen die daar voordien niet in voorkwamen; benadrukt dat de productie en het gebruik van deze stoffen geen precisie vereisen, en verzoekt de Commissie om deze stoffen niet op te nemen in het toepassingsgebied van de meststoffenverordening;

27. benadrukt het feit dat de tuinbouwsector vooroploopt in de ontwikkeling en de toepassing van innovatieve precisielandbouwsystemen, en is van mening dat dergelijke systemen het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen en meststoffen zullen beperken, de verkoopbare oogst zullen vergroten, de hoeveelheid afval zullen beperken en de continuïteit van het aanbod en de economische prestaties zullen verbeteren; benadrukt dat gewasteelttechnieken zoals vruchtwisseling of tussenteelt, de teelt van conventionele en nieuwe soorten gewassen, en onderzoek en ontwikkeling erop gericht moeten zijn de milieubelasting zo gering mogelijk te houden;

28. wijst op het voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende teeltmateriaal (COM(2013)0262), en vreest dat dit voorstel onevenredige gevolgen zou hebben voor de tuinbouwsector, en met name voor sierplanten en fruit; benadrukt dat eventuele wetgeving evenredig moet zijn en moet voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel; benadrukt dat wijzigingen in de wetgeving traditioneel gekweekte soorten en gewassen niet in gevaar mogen brengen, en juist moeten bijdragen aan de genetische diversiteit van en binnen gewaspopulaties met het oog op voedselzekerheid en de weerbaarheid van de voedselsystemen op de lange termijn;

29. wijst op de gevolgen van niet-inheemse invasieve tuinbouwsoorten op de ruimere omgeving, maar beveelt aan een regionale of landenspecifieke benadering te hanteren in het Commissievoorstel voor een verordening betreffende preventie en beheer van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (COM(2013)0620), waarin wordt onderkend dat sommige gebieden in Europa kwetsbaarder zijn dan andere en dat het klimaat per Europees gebied kan verschillen waardoor er per klimaat andere soorten gewassen worden ondersteund;

30. dringt er bij de Commissie op aan als algemeen beginsel de vrijheid van gewastelers te waarborgen om bestaand plantaardig materiaal naar eigen inzicht te gebruiken om nieuw materiaal te ontwikkelen en op de markt aan te bieden, ongeacht eventuele octrooiaanspraken met betrekking tot plantaardig materiaal;

31. verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van lokale groente- en fruitmarkten en van korte toeleveringsketens te ondersteunen om zodoende de versheid van de producten te waarborgen;

32. verzoekt de Commissie financiering en onderzoek in de eerste plaats beschikbaar te stellen voor tuinbouwgewassen waarbij gebruik wordt gemaakt van nieuwe en innovatieve gewaskweektechnieken, duidelijkheid te verschaffen over de wettelijke status van gewassen die geproduceerd zijn met deze technieken, en ervoor te zorgen dat zulke technieken, wanneer is vastgesteld dat zij geen aanleiding geven tot ggo's, worden behandeld als conventionele gewaskweektechnieken en daarom niet onderworpen worden aan op processen gebaseerde vergunningsprocedures voor het in de handel brengen;

33. verzoekt de Commissie onderscheid te maken tussen cisgene en transgene gewassen en een ander goedkeuringsproces in te stellen voor cisgene gewassen, waarmee wordt onderkend dat cisgenese een versnelde manier van conventionele gewassenteelt is; wacht het door DG Gezondheid en consumentenbescherming aangevraagde advies van EFSA af waarin de bevindingen van de werkgroep inzake nieuwe biotechnologische gewaskweektechnieken worden geëvalueerd;

34. benadrukt de grote behoefte aan seizoenswerkers in de tuinbouwsector, en verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat er doeltreffende regelingen voorhanden zijn zodat tuinbouwproducenten aan de arbeidskrachten kunnen komen die ze tijdens cruciale periodes in het jaar nodig hebben, waarbij de voorschriften van de richtlijn betreffende seizoenarbeiders volledig moeten worden nageleefd, met inbegrip van het beginsel van billijke lonen;

35. is verheugd over de hernieuwde nadruk die wordt gelegd op bijscholingen en stages van arbeidskrachten, maar constateert met bezorgdheid dat het aantal mensen dat een tuinbouwstage afrondt in sommige lidstaten laag is met als gevolg dat de mogelijkheden voor jongeren die in de sector actief willen worden, afnemen; onderkent dat niet alle jongeren een stage kiezen die bij ze past; benadrukt dat jongeren warm moeten worden gemaakt voor een baan in de tuinbouwsector en het volgen van een tuinbouwopleiding, met behulp van voorlichtingscampagnes waardoor de sector in een beter daglicht komt te staan;

36. dringt er bij de agrovoedingssector en de onderzoeksgemeenschap op aan stelselmatig samen te werken om een nieuwe generatie onderzoekers aan te trekken en op te leiden en het bestaande personeelsbestand bij te scholen;

37. benadrukt de voordelen van sterkere en uitgebreidere partnerschappen tussen de regering, de bedrijfstak en onderzoeksorganisaties, en de noodzaak om ervoor te zorgen dat de regelingen ter ondersteuning van zulke partnerschappen zodanig gestructureerd zijn dat de impact en de samenhang van investeringen over de hele linie worden geoptimaliseerd;

38. benadrukt dat het van cruciaal belang is efficiënt gebruik te maken van geschikte wetenschappelijke hulpmiddelen om onderzoeks- en innovatieresultaten sneller te kunnen toepassen door innovatieve landbouwproductietechnologieën ook in de tuinbouwsector in te zetten en door onderzoek, innovatie, opleiding en uitbreiding in de landbouwsector te combineren met een economisch beleid dat aan de vereisten van de ontwikkeling van de tuinbouwproductie voldoet en daarnaast de productie efficiënter maakt;

39. is van mening dat de bloementeelt- en de sierplantensector de mogelijkheid moeten krijgen om de Unieprogramma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie beter te benutten, en verzoekt de Commissie om "beschermde teelt" op te nemen in de oproepen in het kader van Horizon 2020, om zo innovatie op het gebied van onder meer duurzame gewasbescherming, duurzaam water- en voedingsstoffengebruik, energie-efficiëntie, geavanceerde teelt- en productiesystemen en duurzaam vervoer te stimuleren

40. is van mening dat nu er in de lidstaten gekort wordt op subsidies voor landbouw- en tuinbouwonderzoek, financiering door derde partijen, waaronder detailhandelaren, moet worden aangemoedigd en moet aansluiten op de algemene onderzoeksbelangen van de sector;

41. verzoekt de Commissie en de lidstaten gemakkelijker toegang te verschaffen tot langetermijnfinanciering voor de investering in moderne tuinbouwproductietechnologieën teneinde het concurrentievermogen van tuinbouwproducten en -diensten te bevorderen;

42. onderstreept het cruciale belang van een kwalitatief hoogstaand bedrijfsplan voor het verschaffen van kapitaal; stelt voor dat kwekers meer gebruik maken van bedrijfsondersteunende en adviesdiensten, en verzoekt de Commissie met klem nauwer samen te werken met de sector om te garanderen dat deze diensten goed toegankelijk zijn voor kwekers;

43. spoort de Commissie aan om de producten van de gecombineerde nomenclatuur voor 2012 in hoofdstuk zes (levende planten en producten van de bloementeelt), bij te werken als onderdeel van een transparante procedure en met de betrokkenheid van de personen die in de sector werkzaam zijn;

44. maakt zich zorgen over het vooruitzicht dat de tuinbouwproductie wordt verplaatst naar landen buiten de EU;

45. stelt met grote bezorgdheid vast dat tussen een derde en de helft van de eetbare oogst wordt vernietigd vanwege de uiterlijke kenmerken ervan, en verzoekt de Commissie met spoed mogelijkheden te creëren om oogsten met een breder scala aan kwaliteitsspecificaties op de markt te brengen, vooral op de lokale en de regionale markt, waarbij wel de transparantie en de goede werking van de markt wordt gegarandeerd; wijst op de initiatieven in Oostenrijk en Zwitserland waar fruit en groenten met schoonheidsfoutjes als test worden verkocht; roept supermarkten op rekening te houden met marktonderzoek waaruit blijkt dat consumenten niet noodzakelijk inzitten over de uiterlijke kenmerken van groente en fruit en best bereid zijn om groente en fruit te kopen dat er niet zo goed uitziet, zeker als het goedkoper is;

46. wijst met bezorgdheid op het grootschalige verlies en de verspilling van groente en fruit bestemd voor gebruik op de eigen markt en de aanzienlijke economische verliezen voor bedrijven; onderkent dat het van essentieel belang is dat de systematische voedselverspilling wordt aangepakt om de groeiende wereldbevolking van voedsel te kunnen voorzien; is desondanks ingenomen met de inspanningen van de actoren in de voedselvoorzieningsketen om ervoor te zorgen dat deze producten op een volgende markt terechtkomen en niet worden weggegooid;

47. verzoekt de Commissie en de lidstaten om het wetgevingskader en het politieke klimaat zo bevorderlijk mogelijk te maken voor het benutten van tuinbouwafval; wijst erop dat er talloze materialen zijn, zoals afgedragen champignonmest, die gebruikt kunnen worden bij de productie van substraten met een toegevoegde waarde, als die niet als "afval" zouden worden bestempeld;

48. wijst erop dat aquaponicssystemen mogelijkheden bieden om levensmiddelen duurzaam en lokaal te produceren en, door de teelt van zoetwatervis en groenten te combineren in een gesloten systeem, minder hulpmiddelen verbruiken in vergelijking met conventionele systemen;

49. onderstreept het belang van een beter toezicht op de prijzen en de hoeveelheden die worden geproduceerd en op de markt gebracht, en de behoefte aan in de hele EU gegenereerde gebruikersstatistieken voor de tuinbouw om producenten meer inzicht te verschaffen in de markttendensen, hen te helpen crises te voorspellen en toekomstige oogsten voor te bereiden; verzoekt de Commissie sierplanten op te nemen in haar prognoses;

50. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)

PB L 273 van 17.10.2007, blz. 1.

(3)

PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.

(4)

PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18.

(5)

PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.

(6)

PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.

(7)

PB C 198 van 8.7.1996, blz. 266.

(8)

Beschikbaar via http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/food/competitiveness/high-level-group/documentation/

(9)

Beschikbaar via http://ec.europa.eu/agriculture/external-studies/2012/support-farmers-coop/fulltext_en.pdf

(10)

Beschikbaar via http://ftp.jrc.es/EURdoc/JRC80420.pdf

(11)

PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.


TOELICHTING

Tuinbouw vertegenwoordigt 18 % van de totale waarde van de landbouwproductie in de EU, maar gebruikt slechts 3 % van de landbouwgrond in de EU. Groente en fruit spelen een belangrijke rol in onze maatschappij en zijn onontbeerlijk in een gezond eetpatroon. De sector is zeer divers en is misschien wel het meest complexe en minst begrepen onderdeel van de EU-landbouw.

Men is zeer optimistisch over de toekomst van de tuinbouw in de lidstaten, er zijn legio gevarieerde mogelijkheden en voor de EU is een belangrijke rol weggelegd in het ontsluiten van het enorme potentieel van deze sector.

Kwekers produceren een geweldige variatie aan gewassen, waarvan de meerderheid op tijd moet worden geoogst, verwerkt en geleverd om aan de veeleisende normen van verwerkingsbedrijven, detailhandelaren en consumenten te voldoen. De Europese tuinbouwsector kampt met een groot aantal uitdagingen; van de aanpassing aan de effecten van klimaatverandering tot het voeden van een stijgende wereldbevolking met minder gevolgen voor het milieu.

Het effect van stijgende temperaturen en CO2-uitstoot zal ertoe leiden dat de huidige gewassen meer in het noorden van Europa zullen worden verbouwd. Tuinbouwgewassen zijn vatbaarder voor veranderende omstandigheden dan landbouwgewassen. Gebrek aan water zal de tuinbouwproductie direct aantasten.

De tuinbouwsector in de EU moet echter niet alleen gezien worden als een reeks uitdagingen; bovendien worden de universele uitdagingen waar de tuinbouw in de EU mee kampt tot op zekere hoogte al aangepakt. Het aantal kleine en minder gespecialiseerde producenten daalt, aangezien de concurrentie van importproducten en andere kwekers de sector verplichten zich aan te passen en gebruik te maken van de modernste machines en productiemethoden. Verder zou het onjuist zijn om te suggereren dat de toeleveringsketens over de hele linie niet werken. De laatste jaren is er in Europa een tendens te bespeuren richting meer geïntegreerde relaties binnen de toeleveringsketen van de sector verse groenten en fruit, en er zijn sprekende voorbeelden te vinden waarbij dit goed werkt. Om deze trend te versnellen, moet de sector een meer strategische bedrijfsvoering aan de dag leggen.

Kwekers werken tegenwoordig tegen een achtergrond van dalende rendabiliteit en de pan uit rijzende producentenkosten. De huidige uitdagingen komen vooral voort uit structurele veranderingen op de lange termijn. Consumenten willen steeds meer gemak bij het kopen en bereiden van voedsel, willen meer smaak en variatie, en zijn steeds meer begaan met voedselveiligheid en -kwaliteit. De verbanden binnen de toeleveringsketen van de sector verse groenten en fruit worden steeds complexer, terwijl de verkoop in handen is van steeds minder winkeliers. Tegelijkertijd daalt het aanbod aan verse groente en fruit in veel lidstaten, of moet het flink inleveren op het marktaandeel ten gunste van importproducten uit concurrerende landen in Europa en wereldwijd.

Dit probleem is verder verergerd door de mondiale economische crisis waardoor de consumptie terugloopt. In meer dan de helft van de Europese landen is de consumptie van verse groente en fruit nog altijd onder het door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen minimumniveau.

Een van de voornaamste structurele beperkingen van de groente- en fruitsector in de EU is de geringe omvang van boerderijen. In 2007 had meer dan 70 % van de groente- en fruitbedrijven niet meer dan 5 ha tot zijn beschikking, waardoor de productiekosten voor de landbouwers hoger uitvielen, de efficiëntie van de productie beperkt was en het mondiale concurrentievermogen afnam. De gemiddelde afmetingen van groente- en fruitbedrijven zijn veel groter in de landen aan de Noordzee dan aan de Middellandse Zee.

Wantrouwen binnen de toeleveringsketens is naar het zich laat aanzien de factor die het grootste effect heeft op de sector verse groente en fruit. Uit gesprekken met telers blijkt vaak dat een gebrek aan vertrouwen in combinatie met kleine marges resulteren in lage investeringsniveaus bij kwekerijen, wat vervolgens leidt tot minder efficiëntie en concurrentievermogen. Gedragscodes die worden afgesproken tussen alle deelnemers aan de toeleveringsketen, die zijn ingebed in een wetgevingskader en waarop toezicht wordt gehouden door een nationale arbiter in elke lidstaat, kunnen producenten het vertrouwen bieden dat ze nodig hebben om te investeren.

Ook het wetgevings- en politieke klimaat moet kwekers zo goed mogelijk ondersteunen. De Europese groente- en fruitregeling heeft de marktoriëntatie onder telers verbeterd, innovatie aangewakkerd en het concurrentievermogen van telers vergroot via steunverlening aan producentenorganisaties. Na 15 jaar maakt meer dan de helft van alle EU-telers geen deel uit van een producentenorganisatie, ondanks de doelstelling van de Europese Commissie dat gemiddeld 60 % van de producenten tot 2013 lid moet zijn van een producentenorganisatie; de geringe mate van organisatie is deels veroorzaakt door de opheffing van producentenorganisaties in de lidstaten, wat een grote bron van zorg is aangezien dit tot onzekerheid leidt bij de producenten en resulteert in scheve concurrentieverhoudingen tussen degenen die gebruik maken van deze regeling en de degenen die dat niet doen.

De Commissie moet bij haar evaluatie van de groente- en fruitregeling van de EU duidelijkere praktische regels opstellen over hoe producentenorganisaties moeten worden vormgegeven en beheerd, en de regeling afstemmen op de bestaande marktstructuren in de lidstaten. Het verbeteren van de positie van kwekers door nauwere samenwerking, een betere interne organisatie en een professionelere benadering van het beheer zal ertoe bijdragen dat kwekers voldoende winst behalen bij de contractonderhandelingen met grote inkopers en winkelketens. Hiervoor is het werk van de Newcastle-groep van bijzonder belang. Deze groep bestaat uit een aantal lidstaten die in 2012 samenkwamen in Newcastle om de groente- en fruitregeling van de EU te verbeteren, en vooral om de formuleringen over de criteria voor vereenvoudiging en erkenning in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 aan te scherpen.

De tuinbouw is afhankelijk van een heel scala aan gewasbeschermingsmiddelen. De Commissie moet een risicogebaseerde benadering hanteren voor de regulering van deze producten. Vooral beperkte toepassingen zijn kwetsbaar. Het zou zeer betreurenswaardig zijn als het zo ver zou komen dat producenten geen nieuwe producten meer ontwikkelen voor de EU-markt, maar zich in plaats daarvan op andere markten richten met lagere regelgevingskosten.

De Commissie moet bovendien het huidige verbod op het gebruik van bepaalde neonicotinoïden opnieuw beoordelen tegen de achtergrond van nieuw wetenschappelijk bewijs, en moet de economische en ecologische gevolgen van zulke beperkingen grondig beoordelen alvorens ze in te laten gaan. Verder moet er rekening worden gehouden met het potentieel van precisielandbouw in de tuinbouw. Dergelijke technieken zouden het gebruik van chemicaliën in de tuinbouw drastisch kunnen beperken.

Wetgeving alleen is niet voldoende. Nu er in de lidstaten bezuinigd wordt op overheidssubsidies voor tuinbouwonderzoek, is het des te belangrijker om meer onderzoek vanuit de sector aan te moedigen, en dat winkeliers, als direct begunstigden van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe producten een gedeelte van hun winst uit het segment verse groente en fruit investeren in de sector.

Gezamenlijke investeringen in onderzoek naar nieuwe soorten, productietechnieken en producten die de consument wil kopen, zullen EU-kwekers in staat stellen hun productie rendabel te houden en succesvol te concurreren op de wereldmarkten. De vertaalslag van onderzoek naar praktijk is van groot belang als de tuinbouw in de EU de concurrentie voor wil blijven.

Wat betreft de door de EU gefinancierde programma's voor onderzoek en ontwikkeling, moet er hernieuwde aandacht worden besteed aan de bloementeelt en sierplanten. Zo leidt ook het ontbreken van "beschermde teelt" in Horizon 2020 tot gemiste kansen voor klimaatbeheerste innovaties in de tuinbouw. Ook investeringen die zijn gericht op een verbetering van het waterbeheer en energie-efficiëntie moeten worden aangemoedigd.

Consumenten verwachten met recht dat voeding veilig, gezond, voedzaam en gemakkelijk bereikbaar is, maar zonder nieuwe technologisch geavanceerde producten zal het steeds moeilijker worden om aan deze verwachtingen te voldoen. Daarom moet de Commissie voorrang geven aan financiering en onderzoek voor economisch belangrijke tuinbouwgewassen waarvoor nieuwe en innovatieve gewaskweektechnieken worden gebruikt, en duidelijkheid verschaffen over de status in de regelgeving van de gewassen die met deze nieuwe technieken zijn gekweekt.

De huidige genoomtechnologieën kunnen doeltreffend worden ingezet in de programma's ter verbetering van tuinbouwgewassen. Deze technologieën bieden een schat aan informatie waaruit kan worden geput voor nuttige genen en moleculaire merkers. De vooruitgang die de afgelopen tien jaar in de biotechnologie is geboekt, heeft ook geleid tot gewaskweektechnieken waarbij gebruik kan worden gemaakt van deze informatie.

Het gebruik van genetische modificatie (GM) om genen van belang te verplaatsen tussen organismen is een krachtige techniek gebleken om nieuwe eigenschappen te introduceren, zoals ziekteresistentie, stresstolerantie en verbeterde voedingseigenschappen in gewassen. Deze technologie kan vooral waardevol zijn bij de ontwikkeling van rassen tuinbouwgewassen waarvan de productie met traditionele kweekmethoden moeilijk of tijdrovend is. Deze technologie wordt echter ook gebruikt om genen efficiënt te verplaatsen tussen gewassen van hetzelfde ras (nl. om cisgene gewassen te produceren).

In de tuinbouw is het nog steeds moeilijk om aan personeel te komen. Belanghebbenden geven aan dat er een tekort is aan gekwalificeerde en competente werknemers in deze sector, omdat dit niet gezien wordt als een aantrekkelijke carrièrekeuze. De agrovoedingssector en de onderzoeksgemeenschap moeten stelselmatig samenwerken om een nieuwe generatie onderzoekers aan te trekken en op te leiden en het bestaande personeelsbestand bij te scholen.

Er moet ook rekening worden gehouden met de specifieke arbeidsbehoeften in de tuinbouwsector, en dan met name de behoefte aan seizoenswerkers. De lidstaten moeten doeltreffende regelingen treffen zodat tuinbouwproducenten aan de arbeidskrachten kunnen komen die ze tijdens cruciale periodes in het jaar nodig hebben.

Daarnaast zijn stages tijdens de beroepsopleiding van cruciaal belang. Het aantal mensen dat een tuinbouwstage afrondt blijft in sommige lidstaten echter alarmerend laag. Er is ook een daling waar te nemen van het aantal tuinbouwgerelateerde cursussen dat wordt aangeboden door instellingen voor hoger onderwijs, wegens te weinig vraag. Tegelijkertijd is er een tekort aan tuinbouwvaardigheden, vooral op terreinen als botanica, plantenziektekunde en landbouwtechniek.

De EU-statistieken over de tuinbouw moeten alle categorieën omvatten, gebruiksvriendelijk zijn en elk kwartaal worden geactualiseerd om betere informatie over de sector te krijgen. Met hoogwaardige statistische informatie kunnen kwekers de ontwikkelingen op de markt beter begrijpen en voorbereidingen treffen voor toekomstige oogsten.

Kwekers moeten tevens worden aangespoord meer gebruik te maken van bedrijfsondersteunende en adviesdiensten. De Commissie moet in dit verband nauwer samenwerken met de sector om te garanderen dat deze diensten goed toegankelijk zijn. Voor alle ondernemingen in de EU, en vooral voor kmo's, is het van groot belang dat de regelgevingslast voor tuinbouwbedrijven wordt verlicht.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2014

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

10

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Eric Andrieu, Liam Aylward, José Bové, Luis Manuel Capoulas Santos, Michel Dantin, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Hynek Fajmon, Iratxe García Pérez, Julie Girling, Martin Häusling, Esther Herranz García, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Elisabeth Köstinger, George Lyon, Gabriel Mato Adrover, Mairead McGuinness, James Nicholson, Rareş-Lucian Niculescu, Marit Paulsen, Britta Reimers, Giancarlo Scottà, Czesław Adam Siekierski, Alyn Smith, Ewald Stadler, Marc Tarabella, Janusz Wojciechowski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Luís Paulo Alves, Pilar Ayuso, Esther de Lange, Christa Klaß, Anthea McIntyre, Petri Sarvamaa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Adam Gierek

Juridische mededeling - Privacybeleid