INTERIMVERSLAG over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie

    21.2.2014 - (COM(2013)0534 – 2013/0255(APP))

    Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
    Rapporteur: Salvatore Iacolino
    Rapporteur voor advies (*):
    Ingeborg Gräßle, Commissie begrotingscontrole
    (*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement


    Procedure : 2013/0255(APP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A7-0141/2014
    Ingediende teksten :
    A7-0141/2014
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie

    (COM(2013)05342013/0255(APP))

    Het Europees Parlement,

    –           gezien het voorstel voor een verordening van de Raad (COM(2013)0534),

    –           gezien het voorstel voor een verordening betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) (COM(2013)0535),

    –           gezien het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

    –           gezien de resolutie van de Raad van 30 november 2009 over een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures,

    –           gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven[1],

    –           gezien de andere strafrechtelijke instrumenten die het Europees Parlement en de Raad middels de medebeslissingsprocedure hebben goedgekeurd, zoals Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en betreffende het recht op communicatie bij aanhouding, de richtlijn inzake het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, enz.,

    –           gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

    –           gezien de artikelen 2, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

    –           gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 86, 218, 263, 265, 267, 268 en 340,

               gezien het advies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

    –           gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2013,

    –           gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 januari 2014,

    –           gezien artikel 81, lid 3, van zijn Reglement,

    –           gezien het interimverslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie begrotingscontrole, de Begrotingscommissie en de Commissie juridische zaken (A7-0141/2014),

    A.          overwegende dat met de oprichting van het Europees Openbaar Ministerie in de eerste plaats wordt beoogd bij te dragen aan de verbetering van de bescherming van de financiële belangen van de Unie, het vertrouwen van het Europese bedrijfsleven en de Europese burgers in de instellingen van de Unie te vergroten en te zorgen voor een efficiëntere en doeltreffendere opsporing en vervolging van strafbare feiten die de financiële belangen van de EU schaden, dit alles geheel in overeenstemming met de grondrechten zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

    B.          overwegende dat de EU zich tot doel heeft gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en justitie te ontwikkelen, en overwegende dat zij overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de mensenrechten en de grondrechten eerbiedigt; overwegende dat criminaliteit steeds minder aan grenzen gebonden is, en dat de EU bij strafbare feiten tegen de financiële belangen van de Unie, die de Unie elk jaar aanzienlijke financiële schade berokkenen, een doeltreffende respons moet bieden, die de gezamenlijke inspanningen van alle lidstaten een toegevoegde waarde geeft, aangezien de bescherming van de EU-begroting tegen fraude beter op EU-niveau kan worden bewerkstelligd;

    C.          overwegende dat voor de EU-begroting het beginsel van nultolerantie moet worden toegepast om zo de fraude tegen de financiële belangen van de Europese Unie op samenhangende en doeltreffende wijze te kunnen aanpakken;

    D.          overwegende dat de lidstaten de hoofdverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van ongeveer 80% van de begroting van de Unie, alsmede voor de inning van eigen middelen, zoals bepaald in Besluit van de Raad 2007/436/EG, Euratom[2], dat binnenkort wordt vervangen door een besluit van de Raad over het gewijzigde voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2011)739);

    E.          overwegende dat het evenzeer van belang is ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Unie bij de inning van de middelen van de EU worden beschermd als bij de besteding ervan;

    F.          overwegende dat 10% van de door OLAF uitgevoerde onderzoeken gevallen van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad betreft, die evenwel 40% vertegenwoordigen van de totale financiële impact op de financiële belangen van de Europese Unie;

    G.          overwegende dat de instelling van het Europees Openbaar Ministerie de enige handeling op het gebied van het strafrecht is waarop de gewone wetgevingsprocedure niet van toepassing is;

    H.          overwegende dat het voorstel voor een verordening tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie onlosmakelijk verbonden is met het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt en met het voorstel voor een verordening betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), die onder de gewone wetgevingsprocedure vallen;

    I.           overwegende dat de eerbiediging van de rechtsstaat een leidend beginsel moet zijn bij alle Europese wetgeving, in het bijzonder op het gebied van de rechtspleging en de bescherming van de fundamentele mensenrechten;

    J.           overwegende dat 14 nationale parlementaire kamers uit 11 lidstaten de "gele kaart"-procedure hebben opgestart naar aanleiding van het Commissievoorstel, en overwegende dat de Commissie op 27 november 2013 heeft besloten het voorstel te handhaven, maar daarbij wel heeft aangegeven dat zij bij het wetgevingsproces terdege rekening zal houden met de gemotiveerde adviezen van de nationale parlementaire kamers;

    K.         overwegende dat voor de instelling van een Europees Openbaar Ministerie overeenkomstig artikel 86, lid 1, VWEU eenparigheid van stemmen in de Raad vereist is; overwegende dat het uiterst onwaarschijnlijk lijkt dat deze eenparigheid tot stand zal komen en dat het om die reden waarschijnlijker lijkt dat een aantal lidstaten een Europees Openbaar Ministerie zal oprichten middels de procedure inzake nauwere samenwerking, in welk geval de Commissie een nieuw voorstel zal moeten indienen;

    1.          meent dat met het voorstel van de Commissie wordt beoogd een nieuwe stap te zetten voor de oprichting van een Europese strafrechtelijke ruimte en ter versterking van de instrumenten ter bestrijding van fraude ten koste van de financiële belangen van de Unie, hetgeen het vertrouwen van de belastingbetalers in de EU zal versterken;

    2.          meent dat de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie van werkelijke toegevoegde waarde voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en justitie, zou kunnen zijn, indien alle lidstaten deelnemen, aangezien de financiële belangen van de Unie en daarmee ook de belangen van de Europese belastingbetalers in alle lidstaten moeten worden beschermd;

    3.          verzoekt de Raad het Parlement nauw te betrekken bij zijn wetgevende werkzaamheden door het voortdurend van informatie te voorzien en te raadplegen, zodat deze werkzaamheden tot een resultaat zullen leiden dat overeenstemt met de wijzigingen aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die zijn aangebracht naar aanleiding van het Lissabonproces en waarin beide partijen zich kunnen vinden;

    4.          wijst erop dat de Europese Unie uitsluitend doeltreffend kan handelen op het gebied van de rechtspleging indien haar acties samenhangend zijn, en verzoekt de Europese wetgever derhalve bij de behandeling van dit voorstel rekening te houden met andere hiermee nauw samenhangende voorstellen, zoals het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, het voorstel voor een verordening betreffende het EU-Agentschap voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), alsmede andere relevante instrumenten op het gebied van het strafrecht en procedurele rechten, om ervoor te zorgen dat het volledig met deze voorstellen verenigbaar is en op coherente wijze ten uitvoer kan worden gelegd;

    5.          benadrukt dat de bevoegdheden en het handelen van het Europees Openbaar Ministerie volledig in overeenstemming moeten zijn met het geheel aan grondrechten zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de grondwettelijke tradities van de lidstaten; verzoekt de Raad daarom terdege rekening te houden met de volgende aanbevelingen:

    (i)          het Europees Openbaar Ministerie dient bij zijn werkzaamheden het recht op een eerlijk proces nauwlettend na te leven en dus het beginsel van de wettelijk bevoegde rechter te eerbiedigen, op grond waarvan de criteria waarmee wordt vastgesteld welke rechter bevoegd is om recht te spreken, duidelijk van tevoren worden vastgesteld; aangezien artikel 27, lid 4, in de huidige versie het Europees Openbaar Ministerie buitensporige vrijheid biedt bij de toepassing van deze criteria, dienen deze bindend te zijn en te worden gerangschikt om voorspelbaarheid te garanderen; in dit verband dient rekening te worden gehouden met de rechten van de verdachte; voorts dient de vaststelling van de bevoegdheid overeenkomstig deze criteria vatbaar te zijn voor rechterlijke toetsing;

    (ii)         het Europees Openbaar Ministerie dient volledig onafhankelijk te zijn van zowel de nationale regeringen als de instellingen van de EU en dient tegen elke politieke druk te worden beschermd;

    (iii)         het bevoegdheidsterrein van het Europees Openbaar Ministerie dient nauwkeurig te worden afgebakend, zodat van tevoren kan worden bepaald voor welke strafbare feiten het bevoegd is; het Parlement wenst dat de in artikel 13 van het voorstel van de Commissie opgenomen definities inzake impliciete bevoegdheid, nauwkeurig worden herzien, omdat deze in hun huidige vorm de grenzen van het toepassingsgebied van artikel 86, lid 1 t/m 3, VWEU, overschrijden; dit dient zo te gebeuren dat de bevoegdheden van het Europees Openbaar Ministerie uitsluitend kunnen worden uitgebreid tot strafbare feiten anders dan die de financiële belangen van de Unie schaden, indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

    a)          de gedraging in kwestie houdt tegelijkertijd een strafbaar feit tegen de financiële belangen van de Unie in en andere strafbare feiten; en

    b)          de strafbare feiten tegen de financiële belangen van de Unie hebben de overhand, terwijl de andere feiten slechts van bijkomend belang zijn; en

    c)          de andere feiten zouden niet kunnen worden vervolgd en bestraft indien deze niet tezamen met de feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, zouden worden vervolgd;

                 voorts dient de vaststelling van de bevoegdheid overeenkomstig deze criteria vatbaar te zijn voor rechterlijke toetsing;

    (iv)         aangezien de in artikel 12 van het voorstel bedoelde richtlijn tot vaststelling van de strafbare feiten waarvoor het Europees Openbaar Ministerie bevoegd is, nog niet is aangenomen, dient in het voorstel uitdrukkelijk te worden vermeld dat het Europees Openbaar Ministerie geen vervolging kan instellen tegen strafbare feiten waarin de desbetreffende wetgeving van de lidstaten op het moment dat deze feiten werden gepleegd, nog niet voorzag; bovendien mag het Europees Openbaar Ministerie vóór het volledig operationeel is, zijn bevoegdheid niet uitoefenen met betrekking tot gepleegde feiten; in dit verband dient artikel 71 van het voorstel dienovereenkomstig te worden gewijzigd;

    (v)         de opsporingsinstrumenten en -maatregelen die het Europees Openbaar Ministerie ter beschikking staan moeten homogeen zijn, nauwkeurig worden gedefinieerd en ingepast kunnen worden in de rechtsstelsels van de lidstaten waar deze ten uitvoer worden gelegd; bovendien dienen de criteria voor de inzet van opsporingsmaatregelen gedetailleerder te worden uiteengezet, om te waarborgen dat "forum shopping" wordt uitgesloten;

    (vi)        de bepaling van de ontvankelijkheid van het bewijsmateriaal en de beoordeling ervan overeenkomstig artikel 30 zijn sleutelelementen van het strafrechtelijk onderzoek; de regels ter zake dienen dan ook helder en eenvormig te zijn over de gehele reikwijdte van de bevoegdheden van het Europees Openbaar Ministerie, en volledig te voldoen aan de procedurele waarborgen; voor dit laatste dienen de aan de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal gestelde voorwaarden dusdanig te zijn dat alle rechten die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, worden geëerbiedigd;

    (vii)        het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dient te allen tijde te worden geëerbiedigd bij de activiteiten van het Europees Openbaar Ministerie op het gehele grondgebied van de Unie; door het Europees Openbaar Ministerie genomen besluiten moeten dan ook vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing door de bevoegde rechtbank; in dit verband dienen besluiten die door het Europees Openbaar Ministerie worden genomen voorafgaand aan of onafhankelijk van het proces, zoals die welke zijn vastgesteld in de artikelen 27, 28 en 29 inzake bevoegdheid, sepot en schikking, bij de gerechtshoven van de Unie te kunnen worden aangevochten.

                 Artikel 36 van het voorstel dient te worden herschreven om te voorkomen dat de Verdragsbepalingen over de bevoegdheid van de gerechtshoven van de Unie worden omzeild en dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens artikel 47, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, onevenredig wordt beperkt.

    (viii)       in artikel 28 van het voorstel dient duidelijk te worden bepaald dat het de nationale vervolgingsinstanties, na sepot door het Europees Openbaar Ministerie van een zaak in verband met lichtere feiten, niet wordt belet de zaak verder te onderzoeken en te vervolgen indien dit krachtens hun wetgeving is toegestaan; en dat het verplicht is te seponeren indien het onvoldoende bewijs naar verwachting niet middels verdere proportionele opsporingsactiviteiten alsnog tot sluitend bewijs leidt; bovendien dient bij de opsporing zo vroeg mogelijk te worden nagegaan of er verplichte sepotgronden bestaan en dient een zaak onverwijld na vaststelling van het bestaan van dergelijke gronden te worden geseponeerd;

    (ix)        willekeurige rechtsbedeling dient onder alle omstandigheden te worden voorkomen; dat betekent dat de in artikel 29, lid 1, van het voorstel neergelegde voorwaarde van "goede rechtsbedeling" als schikkingsgrond moet worden vervangen door specifiekere criteria; meer in het bijzonder dient er niet te worden geschikt op het moment van tenlastelegging en zeker niet in gevallen die kunnen worden geseponeerd krachtens artikel 28 van het voorstel, alsook in ernstige zaken;

    (x)         aangezien de bevoegdheden van het Europees Openbaar Ministerie niet alleen rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie, maar ook toezicht van het Europees Parlement en de nationale parlementen vereisen, dienen er dienaangaande bepalingen te worden opgenomen, met name ter waarborging van doeltreffende en tussen de lidstaten samenhangende praktijken en van verenigbaarheid met de beginselen van de rechtsstaat;

    6.          verzoekt de Raad rekening te houden met de volgende aanbevelingen en dienovereenkomstig te handelen, terwijl het oproept tot de volledige eerbieding van de grondbeginselen, zoals het recht op een eerlijk proces, waaruit het recht op verdediging in strafzaken rechtstreeks voortvloeit:

    (i)          bij alle activiteiten van het Europees Openbaar Ministerie dient het recht op verdediging volledig te worden beschermd, met name aangezien de Unie een ruimte zou kunnen worden waarbinnen het Europees Openbaar Ministerie op dienstsnelheid zou kunnen optreden, zonder haar toevlucht te hoeven nemen tot instrumenten voor wederzijdse rechtshulp; in dit opzicht is het van wezenlijk belang voor de adequate werking van het Europees Openbaar Ministerie dat de EU-minimumnormen op het gebied van de rechten van personen in strafzaken in alle lidstaten worden geëerbiedigd.

                 Overigens is de routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures, aangenomen door de Raad op 30 november 2009, nog niet voltooid en worden op grond van het voorstel alle kwesties op het gebied van het recht op zwijgen, onschuldpresumptie, het recht op gratis rechtsbijstand en onderzoek ter verdediging, naar nationaal niveau terugverwezen; de wetgeving die van toepassing is op de verdachten of beklaagden die betrokken zijn bij procedures van het Europees Openbaar Ministerie, dient met het oog op het beginsel van processuele gelijkheid eveneens van toepassing te zijn op de procedurele waarborgen tegen de opsporings- en vervolgingshandelingen van het Europees Openbaar Ministerie, zonder afbreuk te doen aan eventuele aanvullende of strengere normen betreffende procedurele waarborgen op grond van de wetgeving van de Unie;

    (ii)         na verstrijking van de betrokken overgangsperiode kan niet-omzetting of verkeerde omzetting van de EU-wetgeving inzake procedurele rechten nooit worden geïnterpreteerd ten nadele van individuen tegen wie een onderzoek of vervolging loopt en de tenuitvoerlegging ervan zal altijd geschieden overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de rechten van de mens;

    (iii)         de eerbiediging van het beginsel van ne bis in idem dient te worden gewaarborgd;

    (iv)        de vervolging dient in overeenstemming te zijn met artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de toepasselijke EU-wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens; wanneer persoonsgegevens worden overgedragen aan derde landen of internationale organisaties dient bijzondere aandacht uit te gaan naar de rechten van de betrokkene;

    7.          verzoekt de Raad rekening te houden met de volgende aanbevelingen, om ervoor te zorgen dat het Europees Openbaar Ministerie een soepele, gestroomlijnde en doelmatige structuur krijgt waarmee optimale resultaten kunnen worden geboekt:

    (i)          om goede en eerlijke resultaten en coördinatie van onderzoeken te waarborgen, dienen diegenen die ermee belast zijn te beschikken over diepgaande kennis van de rechtsstelsels van de betrokken landen; op het centrale niveau van het Europees Openbaar Ministerie dient er daarom voor te worden gezorgd dat de benodigde vaardigheden, ervaring en kennis van de rechtsstelsels van de lidstaten aanwezig zijn;

    (ii)         om ervoor te zorgen dat besluiten snel en doeltreffend worden genomen, dient het besluitvormingsproces door het Europees Openbaar Ministerie te kunnen worden ontwikkeld, dat hierin wordt bijgestaan door gedelegeerde nationale aanklagers met deskundigheid op specifieke gebieden;

    (iii)         om ervoor te zorgen dat het Europees Openbaar Ministerie een hoog niveau van onafhankelijkheid, doeltreffendheid, ervaring en professionaliteit kan waarborgen, dient zijn personeel zo hooggekwalificeerd mogelijk te zijn en een waarborg te bieden voor de verwezenlijking van de in deze resolutie opgenomen doelstellingen; dit personeel kan met name afkomstig zijn uit de rechterlijke macht, de advocatuur of uit andere sectoren waarin het de bovengenoemde ervaring en professionaliteit heeft opgedaan, alsmede de nodige kennis van de rechtsstelsels van de lidstaten; in dit verband dienen de uitlatingen van de Commissie in paragraaf 4 van de toelichting bij het voorstel betreffende de algehele kosten, overeen te stemmen met de effectieve vereisten wat betreft de doeltreffendheid en de werking van het Europees Openbaar Ministerie;

    (iv)        er dient een controlemechanisme te worden ingesteld op basis waarvan jaarlijks verslag wordt uitgebracht over de activiteiten van het Europees Openbaar Ministerie;

    8.          neemt kennis van het idee om het Europees Openbaar Ministerie te baseren op bestaande structuren, een oplossing die naar verwachting van de Commissie geen hoge nieuwe kosten met zich zal meebrengen voor de Unie of de lidstaten, omdat de administratieve diensten van het Europees Openbaar Ministerie verzorgd zullen worden door Eurojust en het personeel afkomstig zal zijn van bestaande organen als OLAF;

    9.          is echter niet overtuigd door het argument van kosteneffectiviteit in het voorstel, aangezien het Europees Openbaar Ministerie gespecialiseerde afdelingen moet opzetten, één voor elke lidstaat, die grondige kennis moeten bezitten van de nationale rechtskaders om op doeltreffende wijze onderzoek te kunnen doen en vervolgingen te kunnen instellen; wenst dat een evaluatie wordt uitgevoerd om de kosten van het opzetten van het Europees Openbaar Ministerie voor de EU-begroting te beoordelen, evenals eventuele kosten voor de nationale begrotingen; wenst dat in het kader van deze evaluatie eveneens de voordelen worden beoordeeld;

    10.        is bezorgd over het feit dat het voorstel is gebaseerd op de aanname dat de door Eurojust geleverde administratieve dienstverlening geen financiële of personele gevolgen zal hebben voor dit gedecentraliseerde agentschap; is daarom van mening dat het financieel memorandum misleidend is; vestigt in dit verband de nadruk op zijn verzoek aan de Commissie om een geactualiseerd financieel memorandum te presenteren waarin rekening wordt gehouden met mogelijke wijzigingen door de wetgever voorafgaand aan de afronding van het wetgevingsproces;

    11.        beveelt aan dat, overeenkomstig artikel 86, lid 1, VWEU, op grond waarvan de Raad "op de grondslag van Eurojust" een Europees Openbaar Ministerie kan instellen, de Commissie een loutere overdracht van financiële middelen van OLAF naar het Europees Openbaar Ministerie overweegt, en dat het Europees Openbaar Ministerie gebruik maakt van de deskundigheid en de meerwaarde van de personeelsleden van Eurojust;

    12.        benadrukt dat het geen duidelijke aanwijzing heeft gekregen of het Europees Openbaar Ministerie, als nieuw orgaan, onderworpen wordt aan de vermindering van personeel die wordt voorzien voor alle instellingen en organen van de Unie; benadrukt dat het een dergelijke benadering niet zou steunen;

    13.        verzoekt de Raad de bevoegdheden van alle bestaande organen die belast zijn met de bescherming van de financiële belangen van de Unie duidelijker te definiëren; wijst erop dat het uitermate belangrijk is om de relatie tussen het Europees Openbaar Ministerie en andere bestaande organen, zoals Eurojust en OLAF, nader te definiëren en duidelijk af te bakenen; benadrukt dat het Europees Openbaar Ministerie moet profiteren van de jarenlange ervaring van OLAF op het gebied van het uitvoeren van onderzoeken, zowel op nationaal als op EU-niveau, op gebieden die verband houden met de bescherming van de financiële belangen van de Unie tegen onder meer corruptie; benadrukt in het bijzonder dat de Raad de complementariteit van de werkzaamheden van OLAF en het Europees Openbaar Ministerie moet verduidelijken wanneer het gaat om "interne" en "externe" onderzoeken; benadrukt dat uit het huidige voorstel van de Commissie noch duidelijk wordt wat de relatie tussen OLAF en het Europees Openbaar Ministerie is, noch op welke manier interne onderzoeken binnen de EU-instellingen moeten worden uitgevoerd;

    14.        is van mening dat een nadere evaluatie van het gelijktijdige functioneren van OLAF, Eurojust en het Europees Openbaar Ministerie moet worden uitgevoerd teneinde het risico op conflicterende bevoegdheden te beperken; verzoekt de Raad de respectievelijke bevoegdheden van deze organen te verduidelijken, zowel mogelijke gedeelde bevoegdheden als inefficiënties te identificeren, en waar nodig oplossingen hiervoor voor te stellen;

    15.        verzoekt, gezien het feit dat een aantal lidstaten waarschijnlijk niet zal deelnemen aan het voorstel voor een Europees Openbaar Ministerie, om een evaluatie om te verduidelijken welke eenheden en welke personeelsleden van OLAF zullen worden overgedragen naar het Europees Openbaar Ministerie en welke bij OLAF zullen blijven; eist dat OLAF de nodige middelen behoudt om werkzaamheden ter bestrijding van fraude uit te voeren die niet onder het mandaat van het Europees Openbaar Ministerie vallen;

    16.        wijst erop dat OLAF bevoegd zal blijven voor de lidstaten die niet deelnemen aan het Europees Openbaar Ministerie, en dat voor deze lidstaten moet worden voorzien in een gelijkwaardig niveau van procedurele waarborgen;

    17.        verzoekt de Commissie dan ook om bij de wijziging van de OLAF-verordening ten gevolge van de instelling van het Europees Openbaar Ministerie, te voorzien in voldoende procedurele waarborgen, waaronder de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van door OLAF genomen opsporingsmaatregelen;

    18.        is van mening dat de verplichting jegens nationale autoriteiten om het Europees Openbaar Ministerie te informeren over gedragingen die een strafbaar feit zouden kunnen vormen dat binnen haar bevoegdheden valt, in lijn moet zijn met, en niet strenger moet zijn dan, de verplichtingen die gelden op het niveau van de lidstaten en de onafhankelijkheid van die autoriteiten moet eerbiedigen;

    19.        roept op tot de vaststelling van een speciale reeks regels op het niveau van de Unie om te zorgen voor een geharmoniseerde bescherming van klokkenluiders;

    20.        betreurt dat het Europees Openbaar Ministerie niet bevoegd is voor ernstige vormen van grensoverschrijdende misdaad, zoals de georganiseerde misdaad; spoort de Commissie aan om hierover een effectbeoordeling uit te voeren;

    21.        verzoekt de Raad de doelmatigheid en doeltreffendheid van de respectievelijke rechtbanken in de lidstaten verder te verbeteren, die een doorslaggevende rol zullen spelen bij het welslagen van het project voor een Europees Openbaar Ministerie;

    22.        verwelkomt het idee om het Europees Openbaar Ministerie in te bedden in bestaande gedecentraliseerde structuren door middel van de deelname van nationale gedelegeerde aanklagers als "bijzondere adviseurs"; is zich bewust van de noodzaak om de onafhankelijkheid van de gedelegeerde aanklagers ten opzichte van de nationale gerechtelijke apparaten en de transparante procedures voor hun benoeming verder uit te werken, teneinde te voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat er sprake is van nepotisme van de kant van het Europees Openbaar Ministerie;

    23.        is van mening dat er op uniforme en doeltreffende wijze een passende opleiding in EU-strafrecht moet worden aangeboden aan gedelegeerde Europese aanklagers en hun personeel;

    24.        herinnert de Raad en de Commissie eraan dat het uiterst belangrijk is dat het Europees Parlement in zijn hoedanigheid van medewetgever in kwesties betreffende het materiële en formele strafrecht, nauw betrokken blijft bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie en dat in alle fasen van de procedure terdege met zijn standpunt rekening wordt gehouden; is dan ook voornemens regelmatig contact met de Commissie en de Raad te onderhouden, zodat de samenwerking vruchten kan afwerpen; is zich volledig bewust van het complexe karakter van de werkzaamheden en van het feit dat een redelijke termijn moet worden bepaald voor de verwezenlijking ervan, en verbindt zich ertoe zijn standpunt uiteen te zetten, indien noodzakelijk in latere interimverslagen, over de toekomstige ontwikkelingen rond het Europees Openbaar Ministerie;

    25.        verzoekt de Raad de tijd te nemen die nodig is voor een diepgaande beoordeling van het voorstel van de Commissie en de onderhandelingen niet overhaast af te ronden; benadrukt dat een voorbarige overgang naar de procedure voor nauwere samenwerking moet worden vermeden;

    26.        draagt zijn Voorzitter op te verzoeken om voortzetting van het onderzoek naar het voorstel met de Raad;

    27.        wijst de Raad erop dat de hierboven genoemde politieke richtsnoeren zijn vervangen door de bij deze resolutie gevoegde technische bijlage;

    28.        verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE

    Overweging 22

    Wijziging 1

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    (22) Strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, houden vaak nauw verband met andere strafbare feiten. In het belang van efficiënte procedures en om een mogelijke inbreuk op het ne bis in idem-beginsel te voorkomen, dient de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie zich ook uit te strekken tot strafbare feiten die in het nationale recht technisch gezien niet worden gedefinieerd als feiten die de financiële belangen van de Unie schaden wanneer de bestanddelen daarvan identiek en onlosmakelijk verbonden zijn met die van de strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden. Wanneer in dergelijke gemengde gevallen het strafbare feit dat de financiële belangen van de Unie schaadt, dominant is, dient het Europees Openbaar Ministerie zijn bevoegdheid uit te oefenen na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat. De dominantie dient te worden vastgesteld op basis van criteria zoals de financiële gevolgen van het strafbare feit voor de Unie, voor nationale begrotingen, het aantal slachtoffers of andere omstandigheden die verband houden met de ernst van het feit, of de toepasselijke sancties.

    (22) Strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, houden vaak nauw verband met andere strafbare feiten. Om een mogelijke inbreuk op het ne bis in idem-beginsel te voorkomen, dient de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie zich ook uit te strekken tot strafbare feiten die in het nationale recht technisch gezien niet worden gedefinieerd als feiten die de financiële belangen van de Unie schaden wanneer de bestanddelen daarvan identiek en verbonden zijn met die van de strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden. Wanneer in dergelijke gemengde gevallen het strafbare feit dat de financiële belangen van de Unie schaadt, de overhand heeft, dient het Europees Openbaar Ministerie zijn bevoegdheid uit te oefenen na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.Dit laatste dient te worden vastgesteld op basis van criteria zoals de financiële gevolgen van het strafbare feit voor de Unie, voor nationale begrotingen, het aantal slachtoffers of andere omstandigheden die verband houden met de ernst van het feit, of de toepasselijke sancties.

    Artikel 13

    Wijziging 2

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    1. Wanneer de in artikel 12 bedoelde strafbare feiten onlosmakelijk zijn verbonden met andere dan de in artikel 12 bedoelde strafbare feiten en het in het belang van een goede rechtsbedeling is dat beide soorten feiten gezamenlijk worden opgespoord en vervolgd, is het Europees Openbaar Ministerie ook bevoegd voor die andere strafbare feiten, mits de in artikel 12 bedoelde feiten dominant zijn en de andere strafbare feiten op dezelfde elementen zijn gebaseerd.

    1. Wanneer de in artikel 12 bedoelde strafbare feiten zijn verbonden met andere dan de in artikel 12 bedoelde strafbare feiten, is het Europees Openbaar Ministerie ook bevoegd voor die andere strafbare feiten, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

    - een specifiek geheel aan strafbare feiten omvat zowel strafbare feiten tegen de financiële belangen van de Unie als een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten; en

    - het strafbare feit of de strafbare feiten tegen de financiële belangen van de Unie heeft/hebben de overhand en het andere feit of de andere feiten is/zijn slechts van bijkomend belang; en

    - verdere vervolging en bestraffing van het andere feit of de andere feiten zouden niet meer mogelijk zijn indien dit/deze niet vervolgd zou/zouden worden tezamen met het feit/de feiten die de financiële belangen van de Unie schaadt/schaden.

    Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, is de lidstaat die bevoegd is voor de andere feiten, ook bevoegd voor de in artikel 12 bedoelde feiten.

    Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, is de lidstaat die bevoegd is voor de andere feiten, ook bevoegd voor de in artikel 12 bedoelde feiten.

    2. Het Europees Openbaar Ministerie en de nationale vervolgingsinstanties raadplegen elkaar om vast te stellen welke instantie op grond van artikel 1 bevoegd is. Overeenkomstig artikel 57 kan Eurojust eventueel worden ingeschakeld om gemakkelijker te kunnen vaststellen wie er bevoegd is.

    2. Het Europees Openbaar Ministerie en de nationale vervolgingsinstanties raadplegen elkaar om vast te stellen welke instantie op grond van artikel 1 bevoegd is. Overeenkomstig artikel 57 kan Eurojust eventueel worden ingeschakeld om gemakkelijker te kunnen vaststellen wie er bevoegd is.

    3. Indien het Europees Openbaar Ministerie en de nationale vervolgingsinstanties van mening verschillen over de bevoegdheid als bedoeld in lid 1, beslist de nationale rechter die bevoegd is voor de toewijzing van vervolgingsbevoegdheden op nationaal niveau over de impliciete bevoegdheid.

    3. Indien het Europees Openbaar Ministerie en de nationale vervolgingsinstanties van mening verschillen over de bevoegdheid als bedoeld in lid 1, beslist de nationale rechter die bevoegd is voor de toewijzing van vervolgingsbevoegdheden op nationaal niveau over de impliciete bevoegdheid.

    4. Tegen de vaststelling van de bevoegdheid uit hoofde van dit artikel is geen beroep mogelijk.

    4. De overeenkomstig artikel 27, lid 4, van het voorstel aangewezen procesrechter kan uit eigen beweging tegen de vaststelling van de bevoegdheid uit hoofde van dit artikel beroep aantekenen.

     

    Wijziging 3

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    (46) De algemene transparantievoorschriften die gelden voor de organen van de Unie, dienen weliswaar ook te gelden voor het Europees Openbaar Ministerie, maar alleen voor de administratieve taken, zodat de vereiste vertrouwelijkheid van de operationele werkzaamheden op geen enkele manier wordt geschonden. Evenzo dient de Europese Ombudsman bij zijn administratieve onderzoeken de vereiste vertrouwelijkheid van het Europees Openbaar Ministerie te eerbiedigen.

    (46) De algemene transparantievoorschriften die gelden voor de organen van de Unie, dienen ook te gelden voor het Europees Openbaar Ministerie; de Europese Ombudsman dient bij zijn administratieve onderzoeken de vereiste vertrouwelijkheid van het Europees Openbaar Ministerie te eerbiedigen.

    Artikel 27

    Wijziging 4

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    1. De Europese openbare aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers hebben dezelfde bevoegdheden als nationale openbare aanklagers bij het vervolgen en voor het gerecht brengen, met name de bevoegdheid om een requisitoir te houden, deel te nemen aan de bewijsvoering en de beschikbare rechtsmiddelen in te stellen.

    1. De Europese openbare aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers hebben dezelfde bevoegdheden als nationale openbare aanklagers bij het vervolgen en voor het gerecht brengen, met name de bevoegdheid om een requisitoir te houden, deel te nemen aan de bewijsvoering en de beschikbare rechtsmiddelen in te stellen.

    2. Indien de bevoegde gedelegeerd Europees aanklager van oordeel is dat de opsporing is afgerond, legt hij een samenvatting van de zaak met een ontwerp-tenlastelegging en de lijst van bewijsstukken voor aan de Europese openbare aanklager. Wanneer deze geen opdracht geeft de zaak te seponeren op grond van artikel 28, geeft hij de betrokken gedelegeerd Europees aanklager opdracht de zaak met een tenlastelegging voor de bevoegde nationale rechter te brengen, of verwijst hij de zaak terug voor nader onderzoek. De Europese openbare aanklager kan de zaak ook zelf voor de bevoegde nationale rechter brengen.

    2. Indien de bevoegde gedelegeerd Europees aanklager van oordeel is dat de opsporing is afgerond, legt hij een samenvatting van de zaak met een ontwerp-tenlastelegging en de lijst van bewijsstukken voor aan de Europese openbare aanklager. Wanneer deze geen opdracht geeft de zaak te seponeren op grond van artikel 28 of ingeval op diens bevel een voorstel tot schikking is gedaan krachtens artikel 29 en dit voorstel niet is aanvaard, geeft hij de betrokken gedelegeerd Europees aanklager opdracht de zaak met een tenlastelegging voor de bevoegde nationale rechter te brengen, of verwijst hij de zaak terug voor nader onderzoek. De Europese openbare aanklager kan de zaak ook zelf voor de bevoegde nationale rechter brengen.

    3. De tenlastelegging die bij de bevoegde nationale rechter wordt ingediend, bevat de lijst van bewijsstukken die in het proces zullen worden aangevoerd.

    3. De tenlastelegging die bij de bevoegde nationale rechter wordt ingediend, bevat de lijst van bewijsstukken die in het proces zullen worden aangevoerd.

    4.        De Europese openbare aanklager kiest, in nauw overleg met de gedelegeerd Europees aanklager die de zaak inleidt, en uitgaande van een correcte rechtsbedeling, het forum en bepaalt welke nationale rechter bevoegd is aan de hand van de volgende criteria:

    4. De bevoegde nationale rechter wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria, in volgorde van prioriteit:

    a)        de plaats waar het strafbare feit of, indien het om meerdere strafbare feiten gaat, de meerderheid van de strafbare feiten is gepleegd;

    a) de plaats waar het strafbare feit of, indien het om meerdere strafbare feiten gaat, de meerderheid van de strafbare feiten is gepleegd;

    b)        de gewone verblijfplaats van de verdachte;

    b) de gewone verblijfplaats van de verdachte;

    c)        de plaats waar het bewijs zich bevindt;

    c) de plaats waar het bewijs zich bevindt;

    d)        de gewone verblijfplaats van de directe slachtoffers.

    d) de gewone verblijfplaats van de directe slachtoffers.

    5.        Indien dit nodig is voor de invordering, de administratieve follow-up of het toezicht stelt de Europese openbare aanklager de bevoegde nationale autoriteiten, de betrokken personen en de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie in kennis van de tenlastelegging.

    5. Indien dit nodig is voor de invordering, de administratieve follow-up of het toezicht stelt de Europese openbare aanklager de bevoegde nationale autoriteiten, de betrokken personen en de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie in kennis van de tenlastelegging.

    Artikel 28

    Wijziging 5

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    1. De Europese openbare aanklager seponeert de zaak wanneer vervolging om een van de volgende redenen onmogelijk is geworden:

    1. De Europese openbare aanklager seponeert de zaak wanneer vervolging om een van de volgende redenen onmogelijk is geworden:

    a) de verdachte is overleden;

    a) de verdachte is overleden;

    b) de onderzochte gedragingen houden geen strafbaar feit in;

    b) de onderzochte gedragingen houden geen strafbaar feit in;

    c) de verdachte wordt amnestie of immuniteit verleend;

    c) de verdachte wordt amnestie of immuniteit verleend;

    d) de nationale verjaringstermijn is verstreken;

    d) de nationale verjaringstermijn is verstreken;

    e) de verdachte is binnen de Unie definitief vrijgesproken van of veroordeeld voor dezelfde feiten, of de zaak is afgehandeld overeenkomstig artikel 29.

    e) de verdachte is binnen de Unie definitief vrijgesproken van of veroordeeld voor dezelfde feiten, of de zaak is afgehandeld overeenkomstig artikel 29;

     

    f) volledige, allesomvattende en proportionele opsporing door het Europees Openbaar Ministerie heeft onvoldoende bewijs opgeleverd.

    2. De Europese openbare aanklager mag de zaak om elk van de volgende redenen seponeren:

    a) het strafbaar feit is als licht strafbaar feit aangemerkt in de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2013/xx/EU betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt;

    b) er is onvoldoende bewijs.

    2. De Europese openbare aanklager mag de zaak seponeren indien het strafbaar feit als licht strafbaar feit is aangemerkt in de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2013/xx/EU betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt;

    3. Het Europees Openbaar Ministerie kan zaken die het seponeert naar OLAF of naar de bevoegde nationale bestuurlijke of rechterlijke instanties verwijzen voor invordering, andere administratieve follow-up of toezicht.

    3. Het Europees Openbaar Ministerie kan zaken die het seponeert naar OLAF of naar de bevoegde nationale bestuurlijke of rechterlijke instanties verwijzen voor invordering, andere administratieve follow-up of toezicht.

    4. Indien de opsporing was ingesteld op basis van door de benadeelde partij verstrekte informatie, stelt het Europees Openbaar Ministerie deze partij in kennis van de seponering of verwijzing.

    4. Indien de opsporing was ingesteld op basis van door de benadeelde partij verstrekte informatie, stelt het Europees Openbaar Ministerie deze partij in kennis van de seponering of verwijzing.

    Artikel 29

    Wijziging 6

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    1. Wanneer de zaak niet wordt geseponeerd en het in het belang van een goede rechtsbedeling is, kan het Europees Openbaar Ministerie, nadat de schade is vergoed, de verdachte een forfaitaire geldboete voorstellen waarmee de zaak definitief wordt afgehandeld (schikking). Indien de verdachte hiermee instemt, betaalt hij de geldboete aan de Unie.

    1. Wanneer de zaak niet krachtens artikel 28 kan worden geseponeerd en indien gevangenisstraf, zelfs wanneer de gedraging volledig ten overstaan van de rechtbank zou zijn bewezen, onevenredig zou zijn, kan het Europees Openbaar Ministerie, nadat de schade is vergoed, de verdachte een forfaitaire geldboete voorstellen waarmee de zaak definitief wordt afgehandeld (schikking). Indien de verdachte hiermee instemt, betaalt hij de geldboete aan de Unie.

    2. Het Europees Openbaar Ministerie houdt toezicht op de inning van de bij de schikking opgelegde boete.

    2. Het Europees Openbaar Ministerie houdt toezicht op de inning van de bij de schikking opgelegde boete.

    3. Nadat de verdachte de boete heeft betaald, sluit de Europese openbare aanklager de zaak af; hij stelt de bevoegde nationale rechtshandhavings- en rechterlijke instanties hiervan officieel in kennis en licht de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie in.

    4. De in lid 3 bedoelde afsluiting is niet vatbaar voor rechterlijke toetsing.

    3. Nadat de verdachte de boete heeft betaald, sluit de Europese openbare aanklager de zaak af; hij stelt de bevoegde nationale rechtshandhavings- en rechterlijke instanties hiervan officieel in kennis en licht de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie in.

    Artikel 30

    Wijziging 7

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    1. Bewijs dat door het Europees Openbaar Ministerie aan de geadieerde rechter wordt voorgelegd en dat volgens de rechter een eerlijk proces of de rechten van de verdediging in de zin van de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten niet in de weg staat, wordt toegelaten zonder validering of vergelijkbare procedure, ook als volgens het nationale recht van de lidstaat waar het proces wordt gevoerd andere regels gelden voor de vergaring of aanvoering van dat bewijs.

    1. Bewijs dat door het Europees Openbaar Ministerie aan de geadieerde rechter wordt voorgelegd wordt toegelaten indien volgens de rechter de toelating ervan een eerlijk proces of de rechten van de verdediging in de zin van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de verplichtingen van de lidstaten krachtens artikel 6 VEU niet in de weg staat.

    2. Het feit dat het bewijs is toegelaten, laat de bevoegdheid van de nationale rechter om het door het Europees Openbaar Ministerie aangevoerde bewijs vrijelijk te beoordelen, onverlet.

    2. Het feit dat het bewijs is toegelaten, laat de bevoegdheid van de nationale rechter om het door het Europees Openbaar Ministerie aangevoerde bewijs vrijelijk te beoordelen, onverlet.

    Artikel 33

    Wijziging 8

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    1. Wie als verdachte of beklaagde betrokken is bij de procedures van het Europees Openbaar Ministerie, heeft overeenkomstig het nationale recht het recht om bij verhoor te zwijgen over de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, en wordt erop gewezen dat hij niet verplicht is een voor zichzelf belastende verklaring af te leggen.

    1. Wie als verdachte of beklaagde betrokken is bij de procedures van het Europees Openbaar Ministerie, heeft het recht om bij verhoor te zwijgen over de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, en wordt erop gewezen dat hij niet verplicht is een voor zichzelf belastende verklaring af te leggen.

    2.        De verdachte of beklaagde wordt voor onschuldig gehouden tot zijn schuld volgens het nationale recht is bewezen.

    2. De verdachte of beklaagde wordt voor onschuldig gehouden tot zijn schuld is bewezen.

    Artikel 34

    Wijziging 9

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    Een ieder die wordt verdacht of beschuldigd van een feit dat onder de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie valt, heeft er overeenkomstig het nationale recht recht op dat de nationale autoriteiten hem geheel of gedeeltelijk kosteloze rechtsbijstand aanbieden als hij over onvoldoende middelen beschikt om hiervoor te betalen.

    Een ieder die wordt verdacht of beschuldigd van een feit dat onder de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie valt, heeft er recht op dat de nationale autoriteiten hem geheel of gedeeltelijk kosteloze rechtsbijstand aanbieden als hij over onvoldoende middelen beschikt om hiervoor te betalen.

    Artikel 36

    Wijziging 10

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    1. Wanneer het Europees Openbaar Ministerie bij de uitvoering van zijn functies procedurele maatregelen vaststelt, geldt het uit het oogpunt van rechterlijke toetsing als een nationale autoriteit.

    Het Europees Openbaar Ministerie geldt uit het oogpunt van rechterlijke toetsing als een nationale autoriteit ten aanzien van alle door hem in het kader van zijn vervolgingsbevoegdheden ten overstaan van de bevoegde procesrechter vastgestelde procedurele maatregelen. Voor al het andere handelen of nalaten geldt het Europees Openbaar Ministerie als orgaan van de Unie.

    2. Wanneer bepalingen van het nationale recht door deze verordening van toepassing worden, gelden deze niet als onderdeel van de Uniewetgeving als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag.

     

     

    Wijziging 11

    Voorstel voor een Verordening

    Amendement

    De administratieve activiteiten van het Europees Openbaar Ministerie kunnen worden onderzocht door de Europese Ombudsman overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag.

    Het Europees Openbaar Ministerie kan worden onderzocht door de Europese Ombudsman wegens vermeend wanbestuur overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag.

    TOELICHTING

    Met de instelling van een Europees Openbaar Ministerie wordt een nieuwe stap gezet in het proces van samenwerking tussen de lidstaten in strafzaken. Het Europees Parlement wordt verzocht zich uit te spreken over een wetgevingsvoorstel dat, op een moment waarop overheidsfinanciën worden gesaneerd, ingaat op de concrete behoefte van burgers aan duidelijke tekenen dat de financiële belangen van de Europese Unie worden beschermd. Overigens moet een Europees antwoord worden geboden op de huidige situatie waarin aan de sociale zekerheid en de openbare diensten jaarlijks een bedrag ter waarde van 500 miljoen euro wordt onttrokken.

    In het onderhavige document wordt overeenkomstig het Verdrag van Lissabon een aantal suggesties gedaan en worden specifieke opmerkingen gemaakt van politieke aard over de door de Commissie voorgestelde tekst, die kunnen worden onderworpen aan een nauwkeurige beoordeling door de Raad. De rapporteur hoopt dat het Europees Parlement nauw zal worden betrokken bij de discussie over en de aanpassing van het onderhavige voorstel, en dat de medewetgever de opmerkingen en aangedragen oplossingen nauwlettend zal overwegen.

    De rapporteur vindt verder dat samenwerking met Eurojust, OLAF en Europol functioneel kan zijn en een aanvulling kan vormen op de strafvervolging, met het oog op volledige samenwerking in strafzaken in het kader waarvan nationale sleutelervaringen binnen een enkel orgaan worden samengebracht, waarbinnen indien mogelijk alle lidstaten zullen samenwerken.

    In het bijzonder moeten de mogelijkheden voor voorziening in rechte worden herzien wat betreft de vaststelling van de bevoegde rechterlijke instantie, de strafbare feiten waarvoor de openbare aanklager impliciete bevoegdheid heeft, de opsporingsmaatregelen, de ontvankelijkheid van het bewijsmateriaal en de beëindiging van de opsporing.

    Bovendien wordt, wat betreft procedurele waarborgen, verwezen naar een aantal beginselen en rechten die de bescherming van verdachten versterken zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de vaststelling en bestraffing van misdrijven.

         Ten slotte stelt de rapporteur voor het Europees Openbaar Ministerie een soepele en gestroomlijnde structuur te geven, die een hoog niveau van onafhankelijkheid, ervaring en professionaliteit kan waarborgen, waarbinnen snelle besluiten gepaard gaan met nauwgezet onderzoek en kennis van nationale contexten waarbinnen misdrijven worden begaan.

    ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (18.2.2014)

    aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    inzake het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie
    (COM(2013)0534 – C7-0000/2014 – 2013/0255(APP))

    Rapporteur voor advies (*): Ingeborg Gräßle

    (*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

    PA_Consent_Interim

    SUGGESTIES

    De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar tussentijds verslag op te nemen:

    Aanbevelingen

    1.  steunt het besluit van de Commissie om de reikwijdte en het mandaat van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) te richten op de bescherming van de financiële belangen van de Unie tegen fraude en andere illegale activiteiten die de begroting van de EU schaden, zoals bedoeld in artikel 86 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

    2.  verzoekt de Raad de bevoegdheden van alle bestaande organen die belast zijn met de bescherming van de financiële belangen van de Unie duidelijker te definiëren; wijst erop dat het uitermate belangrijk is om de relatie tussen het EOM en andere bestaande organen, zoals Eurojust en OLAF, nader te definiëren en duidelijk af te bakenen; benadrukt dat het EOM moet profiteren van de jarenlange ervaring van OLAF op het gebied van het uitvoeren van onderzoeken, zowel op nationaal als op EU-niveau, op gebieden die verband houden met de bescherming van de financiële belangen van de Unie tegen onder meer corruptie; benadrukt in het bijzonder dat de Raad de complementariteit van de werkzaamheden van OLAF en het EOM moet verduidelijken wanneer het gaat om "interne" en "externe" onderzoeken; benadrukt dat uit het huidige voorstel van de Commissie noch duidelijk wordt wat de relatie tussen OLAF en het EOM is, noch op welke manier interne onderzoeken binnen de EU-instellingen moeten worden uitgevoerd; verzoekt in dit verband om EU-ambtenaren op gelijke voet te stellen met andere EU-burgers door middel van wijziging van artikel 11, letter a), van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 19 van het Ambtenarenstatuut van de Unie, zodat het EOM onmiddellijk actie kan ondernemen;

    3.  is van mening dat een nadere evaluatie van het gelijktijdige functioneren van OLAF, Eurojust en het EOM moet worden uitgevoerd teneinde het risico op conflicterende bevoegdheden te beperken; verzoekt de Raad de respectievelijke bevoegdheden van deze organen te verduidelijken, mogelijke gedeelde bevoegdheden en inefficiënties te identificeren en waar nodig oplossingen hiervoor voor te stellen;

    4.  benadrukt tegelijkertijd dat er moet worden gewezen op de complementaire en ondersteunende bevoegdheden van de bevoegde nationale autoriteiten en het EOM en dat deze moeten worden verduidelijkt teneinde inefficiënte en kostbare overlappende werkzaamheden op de twee niveaus te vermijden; verzoekt in dit verband om een evaluatie; verzoekt de Raad de invoering te overwegen van een recht van overdaging, waarbij de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten door het EOM op de hoogte moeten worden gebracht van zijn onderzoeken en de mogelijkheid moet worden gegeven om strafbare feiten te onderzoeken en te vervolgen die de financiële belangen van de Unie schaden, met inbegrip van zaken waarin het EOM nog geen onderzoek is gestart, of een onderzoek heeft afgesloten zonder daaraan een vervolg te geven;

    5.  is van mening dat de procedure voor de benoeming van de leden van het EOM, zoals voorzien in het Commissievoorstel, ondemocratisch en ondoorzichtig is; eist dat het Parlement een centralere rol krijgt toebedeeld in de benoemingsprocedure en dat het in het bijzonder het recht krijgt de helft van de leden van de jury aan te wijzen die de shortlist van kandidaten opstelt; wijst erop dat de hoofdaanklager, teneinde zijn/haar onafhankelijkheid te garanderen, in onderlinge overeenstemming tussen het Parlement en de Raad moet worden benoemd; stelt voor dat een formele procedure voor het ontslag van de Europese openbare aanklager wordt opgenomen in de EOM-verordening; is van mening dat de huidige bepalingen van artikel 8 van het Commissievoorstel in dit verband ontoereikend zijn;

    6.  verwelkomt het idee om het EOM in te bedden in bestaande gedecentraliseerde structuren door middel van de deelname van nationale gedelegeerde aanklagers als "bijzondere adviseurs"; ziet de noodzaak de onafhankelijkheid van gedelegeerde aanklagers tegenover het nationale gerechtelijke apparaat en de transparante procedures voor hun benoeming verder uit te werken teneinde te voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat er sprake is van nepotisme van de kant van het EOM; wenst dat een evaluatie wordt uitgevoerd om de kosten van de oprichting van het EOM voor de EU-begroting te beoordelen, evenals eventuele daaruit voortvloeiende kosten voor de nationale begrotingen; wenst dat bij deze evaluatie eveneens de voordelen worden onderzocht;

    7.  verzoekt, gezien het feit dat een aantal lidstaten waarschijnlijk niet zal deelnemen aan het EOM-voorstel, om een evaluatie om te verduidelijken welke eenheden en welke personeelsleden van OLAF zullen worden overgedragen naar het EOM en welke bij OLAF zullen blijven; eist dat OLAF de nodige middelen behoudt om werkzaamheden ter bestrijding van fraude uit te voeren die niet onder het mandaat van het EOM vallen;

    8.  wijst erop dat OLAF bevoegd zal blijven voor de lidstaten die niet deelnemen aan het EOM, en dat voor deze lidstaten moet worden voorzien in een gelijkwaardig niveau van procedurele waarborgen;

    9.  verzoekt de Commissie dan ook om bij de wijziging van de OLAF-verordening ten gevolge van de instelling van het EOM, te voorzien in voldoende procedurele waarborgen, waaronder de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van door OLAF genomen opsporingsmaatregelen;

    10. verzoekt de Raad en de Commissie toe lichten hoe het EOM zal functioneren en gefinancierd zal worden indien het voorstel van de Commissie wordt uitgevoerd in het kader van de procedure voor nauwere samenwerking, zoals voorzien in artikel 20 VEU en artikel 326 tot 334 VWEU;

    11. verzoekt de Raad, in de geest van het diepste respect voor de rechtsstaat, de volgende aanbevelingen in overweging te nemen:

    a.  het EOM moet het billijkheidsbeginsel strikt naleven, waarbij het noodzakelijk is om het beginsel van verplichte vervolging vooraf uit te leggen; het EOM dient elk vermeend strafbaar feit dat onder zijn bevoegdheid valt te vervolgen op basis van transparante en objectieve criteria op grond waarvan wordt bepaald welke rechters bevoegd zijn;

    b.  de materiële bevoegdheid en in het bijzonder de impliciete bevoegdheid van het EOM moet zo nauwkeurig en ondubbelzinnig mogelijk worden afgebakend om te zorgen voor een uniforme toepassing in elke lidstaat en het EOM in staat te stellen zijn mandaat op doeltreffende wijze uit te voeren, en moet onlosmakelijk verbonden zijn met de bescherming van de financiële belangen van de Unie; hiertoe stelt het Parlement een zorgvuldige evaluatie voor van de definitie van impliciete bevoegdheid, zoals vastgelegd in artikel 13 van het voorstel van de Commissie;

    c.  de onderzoeksinstrumenten waarover het EOM beschikt dienen homogeen te zijn en gebaseerd te zijn op wettelijke bepalingen van de EU die in de gehele ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van toepassing zijn; daarnaast moeten ze verenigbaar zijn met het recht van de lidstaat waarin het vermeende misdrijf wordt vervolgd;

    d.  een speciale set van regels moet worden vastgesteld op Unieniveau teneinde de gegevensbescherming te versterken en te zorgen voor een geharmoniseerde bescherming van klokkenluiders;

    e.  bijzonder ingrijpende opsporingsmethoden moeten worden goedgekeurd door bevoegde nationale rechters, overeenkomstig de op Unieniveau vastgestelde geharmoniseerde normen en criteria; beslissingen die de fundamentele vrijheden van individuen op ingrijpende wijze beïnvloeden, moeten onderworpen zijn aan beroep voor een hogere rechter en uiteindelijk voor het Hof van Justitie van de Europese Unie;

    f.   de toelaatbaarheid van bewijs dat in strijd met het nationale recht is verzameld door het EOM, zoals bedoeld in overweging 32 en artikel 30 van het voorstel van de Commissie, moet krachtig worden afgewezen, om te voorkomen dat twee verschillende soorten recht naast elkaar van toepassing zijn in de lidstaten, om de procedurele rechten van de betrokken personen te beschermen en om de rechtszekerheid ten aanzien van de werkzaamheden van het EOM te vergroten;

    g.  om zijn onderzoeken succesvol te kunnen uitvoeren, moet het EOM beschikken over een grondige kennis van de rechtsstelsels van de betrokken landen; er moet derhalve voor worden gezorgd dat binnen de organisatiestructuur van het EOM op centraal niveau deskundigheid bestaat ten aanzien van de rechtsstelsels van elke lidstaat, met inbegrip van hun respectievelijke procedurele en fundamentele rechten; deze organisatiestructuur moet het beginsel van kostenefficiëntie eerbiedigen en beperkte gevolgen hebben voor de begroting van de EU;

    h.  de beslissingen van het EOM ten aanzien van de keuze van fora, het seponeren van zaken en transacties moeten ook worden onderworpen aan beroep voor een hogere rechter en uiteindelijk voor het Hof van Justitie van de Europese Unie;

    i.   de verplichtingen van nationale autoriteiten om het EOM te informeren over gedragingen die een strafbaar feit zouden kunnen vormen en onder de bevoegdheid van het EOM vallen, moeten aansluiten bij, en niet strenger zijn dan, de verplichtingen die gelden op het niveau van de lidstaten en moeten de onafhankelijkheid van die autoriteiten eerbiedigen;

    j.   de eerbiediging van het beginsel van ne bis in idem moet worden gewaarborgd;

    12. betreurt het feit dat het EOM-voorstel niet vergezeld gaat van een voorstel voor een Europese rechtbank voor strafzaken als gespecialiseerde rechtbank verbonden aan het Gerecht, op te richten overeenkomstig artikel 257 VWEU, noch van een voorstel inzake een kader voor het Europees procesrecht; verzoekt om een evaluatie van dit onderwerp uit te voeren;

    13. verlangt dat een EU-begrotingslijn wordt ingevoerd voor het verlenen van rechtsbijstand aan behoeftige personen die worden vervolgd door het EOM;

    14. benadrukt dat bij alle activiteiten van het EOM zowel de rechtszekerheid als de bescherming van persoonsgegevens gewaarborgd moeten worden, waarbij moet worden voldaan aan de hoogste normen wat betreft de rechten van de verdediging, rekening houdend met het feit dat de routekaart inzake waarborgen in strafzaken nog niet is voltooid en voor deze rechten slechts naar de nationale rechtsstelsels verwijst; verzoekt om bij het aanwerven van personeel voor het EOM te zorgen voor een voldoende geografische spreiding en een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen op alle hiërarchische niveaus;

    15. verzoekt de Raad nauw samen te werken met het Parlement tijdens de onderhandelingen over het wetgevingsvoorstel voor het oprichten van een EOM; is ervan overtuigd dat de beginselen die zijn vastgelegd in het voorstel van de Commissie, dat is gebaseerd op een uitgebreide effectbeoordeling, met inbegrip van een vergelijkende analyse van de bestaande rechtsstelsels en een groenboek, tijdens de onderhandelingen de basis blijven voor een open en transparante discussie tussen de lidstaten en constructieve inspiratie bieden voor de oprichting van het EOM;

    16. verzoekt de Raad de tijd te nemen die nodig is voor een diepgaande beoordeling van het voorstel van de Commissie en de onderhandelingen niet overhaast af te ronden; benadrukt dat een voorbarige overgang naar de procedure voor nauwere samenwerking moet worden vermeden;

    17. verzoekt de Raad de doelmatigheid en doeltreffendheid van de respectievelijke rechtbanken in de lidstaten verder te verbeteren, die een doorslaggevende rol zullen spelen bij het welslagen van het project voor een EOM.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    18.2.2014

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    21

    4

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Marta Andreasen, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Ryszard Czarnecki, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Gerben-Jan Gerbrandy, Ingeborg Gräßle, Rina Ronja Kari, Bogusław Liberadzki, Jan Mulder, Monika Panayotova, Crescenzio Rivellini, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Theodoros Skylakakis, Georgios Stavrakakis, Michael Theurer

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Philip Bradbourn, Karin Kadenbach, Marian-Jean Marinescu

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Peter Jahr, Iosif Matula, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Marie-Thérèse Sanchez-Schmid

    ADVIES van de Begrotingscommissie (22.1.2014)

    aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    inzake het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie
    (COM(2013)0534 – C7-0000/2013 – 2013/0255(APP))

    Rapporteur voor advies: Alain Lamassoure

    SUGGESTIES

    De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    Overwegingen

    A. overwegende dat de EU en de lidstaten overeenkomstig de Verdragen de gedeelde verantwoordelijkheid hebben voor het beschermen van de financiële belangen van de Unie en de bestrijding van fraude, en dat het voor de verwezenlijking van deze doelen van wezenlijk belang is dat de Commissie en de lidstaten nauw samenwerken;

    B.  overwegende dat de lidstaten de hoofdverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van ongeveer 80% van de begroting van de Unie, alsmede voor de inning van eigen middelen, zoals bepaald in Besluit van de Raad 2007/436/EG, Euratom[1], dat binnenkort wordt vervangen door een besluit van de Raad over het gewijzigde voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2011)739);

    C. overwegende dat het evenzeer van belang is ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Unie zowel bij de inning van de middelen van de EU als bij de besteding worden beschermd;

    Aanbevelingen

    1.  neemt kennis van het idee om het Europees Openbaar Ministerie te baseren op bestaande structuren, een oplossing die naar verwachting van de Commissie geen hoge nieuwe kosten met zich mee zal brengen voor de Unie of de lidstaten, omdat de administratieve diensten van het Europees Openbaar Ministerie verzorgd zullen worden door Eurojust en het personeel afkomstig zal zijn van bestaande organen als OLAF;

    2.  is echter niet overtuigd door het argument van kosteneffectiviteit in het voorstel, aangezien het Europees Openbaar Ministerie gespecialiseerde afdelingen moet opzetten, één voor elke lidstaat, die grondige kennis moeten bezitten van de nationale rechtskaders om op doeltreffende wijze onderzoek te kunnen doen en vervolgingen te kunnen instellen;

    3.  betreurt dat het voorstel geen overzicht bevat van de menselijke hulpbronnen die OLAF nodig heeft voor de uitvoering van zijn resterende belangrijke fraudebestrijdingswerkzaamheden op gebieden die niet binnen de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie zullen vallen;

    4.  is daarnaast bezorgd dat sommige lidstaten deze Europese benadering niet zullen steunen en er niet aan zullen deelnemen; waarschuwt ervoor dat het afzien van deelname door een of meerdere lidstaten zal leiden tot naast elkaar bestaande structuren, waarvoor bijkomende middelen nodig zullen zijn;

    5.  is bezorgd dat het voorstel is gebaseerd op de aanname dat de door Eurojust geleverde administratieve dienstverlening geen financiële of personele gevolgen zal hebben voor dit gedecentraliseerde agentschap; is daarom van mening dat het financieel memorandum misleidend is; benadrukt derhalve zijn verzoek aan de Commissie om een geactualiseerd financieel memorandum te presenteren waarin rekening wordt gehouden met mogelijke wijzigingen door de wetgever voorafgaand aan de afronding van het wetgevingsproces;

    6.  heeft geen duidelijke aanwijzing gekregen of het Europees Openbaar Ministerie, als nieuw orgaan, onderworpen wordt aan de vermindering van personeel die wordt voorzien voor alle instellingen en organen van de Unie; zou een dergelijke benadering niet steunen;

    7.  acht het van wezenlijk belang om zoveel mogelijk synergie te verwezenlijken tussen het Europees Openbaar Ministerie, OLAF en Eurojust en de relevante autoriteiten van de lidstaten, en benadrukt dat deze organen permanent nauw moeten samenwerken;

    8.  onderstreept het belang van rechtmatigheidscontroles van alle maatregelen en acties die het Europese Openbaar Ministerie uitvoert; is ervan overtuigd dat deze rechtmatigheidscontroles uitsluitend door het Europees Hof van Justitie uitgevoerd kunnen worden; beseft tegelijkertijd ten volle dat het Hof 2000 lopende zaken moet afhandelen, zodat efficiencyverhoging voor deze instelling noodzakelijk is om de nieuwe en bestaande taken aan te kunnen;

    9.  stelt met bezorgdheid vast dat de voorgestelde structuur van het Europees Openbaar Ministerie kan leiden tot overlappende en concurrerende structuren, verdubbeling en versnippering van werkzaamheden, alsmede tot problemen met de specifieke verantwoording, wat de juridische geloofwaardigheid zou kunnen ondermijnen;

    10. stelt daarom tegen de achtergrond van bovengenoemde juridische punten van zorg voor dat de commissie ten principale haar behandeling van het voorstel uitstelt tot na de Europese verkiezingen, zodat de andere bevoegde commissies nauwer bij de procedure betrokken kunnen worden, gewaarborgd kan worden dat het voorstel in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel en het voorgestelde rechtskader juridisch passend is;

    11. benadrukt dat een besluit door de wetgevingsautoriteit over de voorgestelde verordening de besluiten van de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure onverlet moet laten.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    22.1.2014

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    27

    1

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Richard Ashworth, Zuzana Brzobohatá, Jean-Luc Dehaene, Isabelle Durant, José Manuel Fernandes, Věra Flasarová, Eider Gardiazábal Rubial, Salvador Garriga Polledo, Ivars Godmanis, Lucas Hartong, Monika Hohlmeier, Sidonia Elżbieta Jędrzejewska, Ivailo Kalfin, Jan Kozłowski, Alain Lamassoure, George Lyon, Jan Mulder, Juan Andrés Naranjo Escobar, Andrej Plenković, Dominique Riquet, László Surján, Helga Trüpel, Oleg Valjalo, Derek Vaughan, Angelika Werthmann

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Maria Da Graça Carvalho, Peter Šťastný, Georgios Stavrakakis

    • [1]  PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

    ADVIES van de Commissie juridische zaken (12.2.2014)

    aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

    inzake het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie
    (COM(2013)0534 – C7-0000/2014 – 2013/0255(APP))

    Rapporteur voor advies: Evelyn Regner

    PA_Consent_Interim

    SUGGESTIES

    De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar verslag op te nemen:

    Overwegingen

    A.  overwegende dat het beginsel van wederzijdse erkenning de hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken moet worden en moet worden gezien als de drijfveer achter de integratie van het Europese strafrecht;

    Aanbevelingen

    1.   verzoekt de Raad om bij de bestudering van het voorstel van de Commissie de volgende aanbevelingen in overweging te nemen:

    (i)        de criteria inzake de impliciete bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie (EPPO) krachtens artikel 13 van het voorstel moeten vooraf duidelijk worden gedefinieerd. In het bijzonder:

    a)  moeten in artikel 13 uitsluitend de strafbare feiten worden vermeld die zijn vastgelegd in wetgevingshandelingen van de Unie;

    b)  moeten dergelijke feiten worden beschouwd als "onlosmakelijk verbonden" met de in artikel 12 bedoelde strafbare feiten wanneer deze bijdragen aan het plegen ervan of wanneer zij gepleegd worden om straffeloosheid ervan te verzekeren;

    c)  moet de voorwaarde dat de in artikel 12 bedoelde feiten dominant zijn tevens een kwalitatieve -en niet alleen een kwantitatieve- beoordeling omvatten;

    d)  moet de voorwaarde dat de in artikel 13 bedoelde feiten op dezelfde elementen zijn gebaseerd, worden geschrapt, zodat de impliciete bevoegdheid zowel van toepassing is wanneer dezelfde dader zich schuldig maakt aan diverse afzonderlijke strafbare feiten als wanneer één enkele handeling een inbreuk vormt op verschillende bepalingen;

    (ii)        de betrekkingen tussen het EPPO en Eurojust, Europol en OLAF moeten zoveel mogelijk worden vastgelegd bij de verordening tot vaststelling van het EPPO. De in de artikelen 57 en 58 van het voorstel bedoelde overeenkomsten moeten derhalve uitsluitend betrekking hebben op louter praktische regelingen;  

    (iii)       het EPPO mag in geen geval vóór het volledig operationeel is zijn bevoegdheid uitoefenen met betrekking tot gepleegde feiten. Artikel 71 van het voorstel moet dienovereenkomstig worden gewijzigd;

    (iv)      omwille van de rechtszekerheid moet op voorhand worden vastgesteld welke rechtbank bevoegd is, overeenkomstig het beginsel van de wettelijk bevoegde rechter. Artikel 27 van het voorstel moet dienovereenkomstig worden gewijzigd;

    (vi)      er moet worden gezorgd voor homogeniteit van de onderzoeksinstrumenten om "forum-shopping" te voorkomen, en voor de verenigbaarheid van die instrumenten met de rechtsstelsels van de lidstaten;

    2.        is ingenomen met het feit dat het Hof van Justitie, op grond van de regeling die van toepassing is op de niet-contractuele aansprakelijkheid van het EPPO, rechtsbevoegdheid heeft in geschillen over de vergoeding van schade onder vergelijkbare voorwaarden als die van artikel 268 VWEU; wijst echter op het feit dat twee verschillende rechterlijke instanties -respectievelijk op EU- en nationaal niveau- bevoegd zouden zijn voor beroepen in verband met de niet-contractuele aansprakelijkheid van het EPPO en beroepen tot nietigverklaring van zijn procedurele maatregelen, met inbegrip van de maatregelen op grond waarvan een rechtop een vergoeding van schade kan ontstaan;

    3.        verzoekt de Commissie voor het EPPO en Eurojust een samenhangend rechtskader te ontwikkelen, dat de verschillende taken van de twee lichamen zoals neergelegd in de artikelen 85 respectievelijk 86 VWEU weerspiegelt;

    4.        beveelt aan dat de Raad, overeenkomstig het bepaalde in artikel 86, lid 1, VWEU "op de grondslag van Eurojust" een EPPO kan instellen en een loutere overdracht van financiële middelen van OLAF naar het EPPO overweegt, en dat het EPPO gebruik maakt van de deskundigheid en de meerwaarde van de personeelsleden van Eurojust;

    5.        verzoekt de Commissie met klem om, wanneer lidstaten ervoor kiezen om niet deel te nemen aan nauwere samenwerking die overeenkomstig artikel 86, lid 1, VWEU wordt aangegaan, passende voorstellen te doen om de justitiële samenwerking tussen deelnemende en niet-deelnemende lidstaten te regelen, vooral in gevallen waarin grensoverschrijdende feiten worden gepleegd of wanneer de plegers van die feiten gevestigd zijn in niet-deelnemende lidstaten;

    6.        betreurt het dat het gezien de huidige ervaringen met wederzijdse erkenning nauwelijks te verwachten is dat de lidstaten bereid zullen zijn bewijs dat in andere lidstaten op basis van fundamenteel verschillende standaarden vergaard is, te erkennen en toe te laten; wijst erop dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen van de lidstaten vooral treffend zijn waar het gaat om sociale onderzoekstechnieken, aangezien het vaak voorkomt dat een bepaalde techniek in sommige lidstaten strikt geregeld is en in andere lidstaten in het geheel niet;

    7.        is van mening dat het EPPO een extra lid van Eurojust zou kunnen worden wanneer er kwesties worden besproken die betrekking hebben op de bescherming van de financiële belangen van de Unie;

    8.        is van mening dat de toepasbaarheid van het nationale procesrecht zorgvuldig bestudeerd en zo mogelijk beperkt moet worden, want als de bevoegdheden van het EPPO van lidstaat tot lidstaat zouden verschillen, zou dat de doeltreffendheid ervan ondermijnen en "forum-shopping" in de hand werken, en zou dat schadelijk zijn voor de rechten van verdachten of aangeklaagden;

    9.        is van mening dat er op uniforme, doeltreffende wijze een passende opleiding in EU-strafrecht moet worden aangeboden aan gedelegeerde Europese aanklagers en hun personeel;

    10.      is ingenomen met de scholingscursussen voor advocaten die de Europese vereniging van strafrechtadvocaten (ECBA) en de Europese Rechtsacademie (ERA) gezamenlijk organiseren en pleit voor cursussen op maat om de kwaliteit van de verdediging in strafzaken voor het EPPO te verbeteren.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    11.2.2014

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    19

    4

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Raffaele Baldassarre, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sajjad Karim, Klaus-Heiner Lehne, Antonio López-Istúriz White, Antonio Masip Hidalgo, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Francesco Enrico Speroni, Alexandra Thein, Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Eva Lichtenberger, Angelika Niebler, József Szájer, Axel Voss

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Sylvie Guillaume, Jan Mulder, Jaroslav Paška

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    20.2.2014

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    34

    7

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Jan Philipp Albrecht, Edit Bauer, Emine Bozkurt, Arkadiusz Tomasz Bratkowski, Salvatore Caronna, Philip Claeys, Carlos Coelho, Ioan Enciu, Frank Engel, Kinga Gál, Kinga Göncz, Nathalie Griesbeck, Anna Hedh, Salvatore Iacolino, Sophia in ‘t Veld, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Timothy Kirkhope, Juan Fernando López Aguilar, Svetoslav Hristov Malinov, Véronique Mathieu Houillon, Anthea McIntyre, Louis Michel, Georgios Papanikolaou, Carmen Romero López, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Renate Sommer, Wim van de Camp, Axel Voss, Renate Weber, Cecilia Wikström, Janusz Wojciechowski, Tatjana Ždanoka, Auke Zijlstra

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

    Michael Cashman, Cornelis de Jong, Mariya Gabriel, Franziska Keller, Jean Lambert, Marian-Jean Marinescu, Juan Andrés Naranjo Escobar, Salvador Sedó i Alabart

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

    Zdravka Bušić, Ingeborg Gräßle, Constanze Angela Krehl