Procedure : 2013/2196(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0246/2014

Ingediende teksten :

A7-0246/2014

Debatten :

PV 02/04/2014 - 24
CRE 02/04/2014 - 24

Stemmingen :

PV 03/04/2014 - 7.13
CRE 03/04/2014 - 7.13
PV 16/04/2014 - 7.33
CRE 16/04/2014 - 7.33
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0289
P7_TA(2014)0428

VERSLAG     
PDF 260kWORD 238k
24.3.2014
PE 521.588v01-00 A7-0246/2014

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, Afdeling I – Europees Parlement

COM(2013)0570 – C7‑0274/2013 – 2013/2196(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Cătălin Sorin Ivan

 1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT


1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, Afdeling I – Europees Parlement

(COM(2013)0570 – C7‑0274/2013 – 2013/2196(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012(1),

–   gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2013)0570 – C7-00274/2013) (2),

–   gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer - Afdeling I - Europees Parlement - Begrotingsjaar 2012(3),

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur over het begrotingsjaar 2012,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2012, tezamen met de antwoorden van de instellingen(4),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2012 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 314, lid 10, en 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6), en met name de artikelen 145, 146 en 147,

–   gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–   gezien artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(8),

–   gezien artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, waarbij alle EU-instellingen verplicht zijn alles in het werk stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2012 – afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX en X(9),

–   gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2012 - Afdeling I - Parlement(10),

–   gezien artikel 77 en artikel 80, lid 3, van en bijlage VI bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0246/2014),

A. overwegende dat de Rekenkamer heeft verklaard dat, wat de administratieve uitgaven in 2012 betreft, alle instellingen de bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 voorgeschreven toezichts- en controlesystemen op bevredigende wijze hebben toegepast;

B.  overwegende dat de secretaris-generaal op 6 september 2013 heeft bevestigd dat er redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van goed financieel beheer en dat het toegepaste controlesysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

C. overwegende dat de secretaris-generaal tevens heeft verzekerd dat hem geen niet-vermelde feiten bekend zijn die nadelige gevolgen voor de belangen van de instelling zouden kunnen hebben;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2012;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, Afdeling I – Europees Parlement

(COM(2013)0570 – C7-0274/2013 – 2013/2196(DEC))

Het Europees Parlement,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012(11),

–   gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2013)0570 – C7‑00274/2013)(12),

–   gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer - Afdeling I - Europees Parlement - Begrotingsjaar 2012(13),

–   gezien het jaarverslag van de intern controleur over het begrotingsjaar 2012,

–   gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2012, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(14),

–   gezien de verklaring van de Rekenkamer(15) voor het begrotingsjaar 2012 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 314, lid 10 en 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–   gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(16), en met name de artikelen 145, 146 en 147,

–   gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(17), en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–   gezien artikel 13 van de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(18),

–   gezien artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, waarbij alle EU-instellingen verplicht zijn alles in het werk stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat,

–   gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2012 – afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX en X(19),

–   gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2012 - Afdeling I - Parlement(20),

–   gezien artikel 77 en artikel 80, lid 3, van en bijlage VI bij zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0246/2014),

A.     overwegende dat de Voorzitter de jaarrekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2012 op 4 juli 2013 heeft goedgekeurd;

B.     overwegende dat de rekenplichtige van het Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen aangeeft ervan overtuigd te zijn dat deze een getrouw en juist beeld geven van de financiële positie van het Europees Parlement in alle materiële aspecten en dat er geen zaken onder zijn aandacht zijn gebracht die het maken van een voorbehoud rechtvaardigen;

C.     overwegende dat de secretaris-generaal op 6 september 2013 heeft bevestigd dat er redelijke zekerheid bestaat dat de begroting van het Europees Parlement is uitgevoerd volgens de beginselen van goed financieel beheer en dat het toegepaste controlesysteem de nodige garanties biedt ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

D.     overwegende dat de secretaris-generaal tevens heeft verzekerd dat hem geen niet-vermelde feiten bekend zijn die nadelige gevolgen voor de belangen van de instelling zouden kunnen hebben;

E.     overwegende dat de Rekenkamer naar aanleiding van zijn controle heeft besloten dat, wat de administratieve uitgaven in 2012 betreft, de door de instellingen toegepaste toezichts- en controlesystemen aan de vereisten van het Financieel Reglement voldoen en dat één van de 151 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen een fout vertoonde, terwijl de Rekenkamer de meest waarschijnlijke fout op 0% raamt;

F.     overwegende dat volgens de gebruikelijke procedure een vragenlijst aan de administratie van het Parlement is gezonden en dat de antwoorden door de Commissie begrotingscontrole zijn ontvangen en besproken in aanwezigheid van de secretaris-generaal en de interne controleur;

G.     overwegende de toegevoegde waarde van de jaarlijkse procedure voor het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Parlement, waarbij de rekeningen grondig worden onderzocht om enerzijds de verantwoording aan en volledige transparantie tegenover de Europese burgers te waarborgen door hen gedetailleerde informatie te verschaffen over het financiële beheer van deze instelling, en om anderzijds het Parlement de kans te bieden om kritisch te zijn voor zichzelf en verbeteringen door te voeren op die gebieden waar de kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid van het beheer van de overheidsfinanciën en bijgevolg ook van het geld van de belastingbetaler verder kunnen worden verbeterd;

Begrotings- en financieel beheer van het Parlement in 2012

Toegevoegde waarde van de kwijtingsprocedure van het Parlement

1.  wijst op de toegevoegde waarde van de parlementaire procedure voor de jaarlijkse kwijting van het Parlement;

2.  wijst erop dat deze resolutie hoofdzakelijk betrekking heeft op de begrotingsuitvoering en de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 en dat zij er met name op gericht is om te garanderen dat het geld van de belastingbetaler zo goed mogelijk wordt aangewend en aan te geven waar eventueel ruimte voor verbetering bestaat; spoort de verantwoordelijke instanties van het Parlement ertoe aan om de efficiëntie van de dagelijkse activiteiten van het Parlement op alle mogelijke niveaus te blijven verbeteren;

3.  roept het Bureau nogmaals op om meer witboeken over de beleidsthema's te verspreiden onder alle leden, zodat die beleidsthema's in de fracties kunnen worden besproken voordat een definitief besluit wordt genomen;

4.  neemt kennis van het feit dat de begroting van de Unie voor 2012 een totaal van 148 200 miljoen EUR beliep aan vastleggingskredieten, waarvan 1 718 miljoen EUR voor de begroting van het Parlement; merkt voorts op dat dit bedrag overeenkomt met net iets meer dan 1% van de begroting van de Unie en met 20% van het bedrag van 8 278 miljoen EUR dat werd uitgetrokken voor de administratieve uitgaven van de EU-instellingen als geheel in 2012; wijst erop dat dit bedrag in overeenstemming is met het interinstitutioneel akkoord tussen het Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer, en de uitgaven voor gebouwen en infrastructuur, salarissen en pensioen van het personeel, informatietechnologie en beveiliging omvat;

5.  merkt op dat hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20 (Gebouwen en daarmee samenhangende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden) de vier omvangrijkste hoofdstukken in de begroting van het Parlement zijn, die 70% van de totale vastleggingen uitmaken;

6.  constateert dat de goedgekeurde kredieten in de definitieve begroting van het Parlement voor 2012 in totaal 1 717 868 121 EUR beliepen, wat neerkomt op een stijging van 1,9% ten opzichte van de begroting 2011 (1 685 829 393 EUR), en dat er, net als in 2011, geen gewijzigde begroting is ingediend; is van mening dat het Parlement blijk heeft gegeven van verantwoordelijkheid en terughoudendheid op budgettair gebied door in 2012 onder het inflatiepercentage van 2,6% te blijven; verwacht dat ten aanzien van de begroting van 2015 dezelfde terughoudendheid aan de dag zal worden gelegd door de begroting onder de 20% van hoofdstuk 5 te houden;

7.  wijst erop dat in 2012 99% (tegen 93% in 2011) van de definitieve lopende kredieten zijn vastgelegd, met een annuleringspercentage van 1% (tegen 6% in 2011), en dat net als in voorgaande jaren een hoog uitvoeringspercentage van de begroting werd bereikt, al is dit mede het gevolg van een overdracht van niet-bestede middelen aan het eind van het jaar op verzoek van de gezamenlijke werkgroep van het Bureau en de Begrotingscommissie en een aan positief advies van de Begrotingscommissie;

Verslag van het Parlement over het begrotings- en financieel beheer

8.  constateert dat de totale in het boekjaar 2012 in de boekhouding van het Parlement opgenomen ontvangsten op 31 december 2012 175 541 860 EUR bedroegen (tegen 173 293 432 in 2011), waaronder 22 274 843 EUR (tegen 23 815 077 EUR in 2011) aan bestemmingsontvangsten;

9.  wijst erop dat het Parlement heeft besloten om aan het eind van het jaar een bedrag van in totaal 45 000 000 EUR aan onbestede middelen uit diverse begrotingslijnen collectief over te schrijven voor de tweede termijn van de koopsom van het Trebel-gebouw in Brussel (35 000 000 EUR) en de bouw van het nieuwe KAD-gebouw in Luxemburg; neemt kennis van het feit dat als gevolg hiervan gedurende de bouw en de aflossing van de lening naar schatting 10,4 miljoen EUR zal kunnen worden bespaard op de financieringskosten; betreurt evenwel dat het Parlement er omwille van een transparante begroting herhaaldelijk om heeft verzocht uitgaven voor gebouwen in de begroting op te nemen in plaats van deze door een collectieve overschrijving te financieren, zoals gevraagd in diverse eerdere kwijtingsresoluties;

De jaarrekening van het Parlement voor 2012

10. neemt kennis van de onderstaande cijfers, op grond waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2012 werden gesloten:

a) Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2012

1 717 868 121

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2011

21 700 000

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2011

222 900 384

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2012

22 274 843

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2011

107 592 247

Totaal:

2 092 335 595

b) Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2012 (EUR)

vastleggingen:

2 061 149 089

verrichte betalingen:

1 623 172 878

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

412 253 714

niet-automatisch overgedragen kredieten:

0

geannuleerde kredieten:

55 790 384

c) Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2012

175 541 860

d) Totale balans op 31 december 2012 (EUR)

1 539 591 147

11.    wijst op de sterke stijging van de overdrachten naar 2012 (244 600 384 EUR) en dringt erop aan de uitgaven beter te plannen;

12.    merkt op dat de rekenplichtige van het Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen aangeeft ervan overtuigd te zijn dat deze een getrouw en juist beeld geven van de financiële positie van het Europees Parlement in alle materiële aspecten; wijst voorts op zijn verklaring dat er geen zaken onder zijn aandacht zijn gebracht die het maken van een voorbehoud rechtvaardigen;

13.    herinnert aan de beslissing van zijn Voorzitter van 4 juli 2013 met betrekking tot de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 2012;

Adviezen van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de jaarrekening over 2012 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

14.    is verheugd dat de Rekenkamer in haar specifieke beoordeling van de administratieve en andere uitgaven als geheel heeft vastgesteld dat uit de toetsing van de verrichtingen naar voren is gekomen dat de meest waarschijnlijke fout in de populatie nul bedraagt en dat de toezicht- en controlesystemen doeltreffend waren; is tevens verheugd dat uit de controle door de Rekenkamer blijkt dat de goedgekeurde betalingen in 2012 geen foutenpercentage van materieel belang vertonen; merkt op dat de controle een analyse omvatte van een steekproef van 151 betalingsverrichtingen – 91 betalingen van salarissen, pensioenen en toelagen daarbij plus 60 betalingen voor opdrachten betreffende gebouwen en andere uitgaven –, tegen 56 gecontroleerde betalingen in 2011;

15.    wijst erop dat de rubriek "Administratieve en andere uitgaven" uitgaven omvatten voor personele middelen (salarissen, toelagen en pensioenen), die goed zijn voor 60% van de totale administratieve en andere uitgaven, alsook uitgaven voor gebouwen, uitrusting, energieverbruik, communicatie en informatietechnologie en dat de Rekenkamer deze rubriek weinig onderhevig aan risico acht; vestigt de aandacht op het feit dat volgens de Rekenkamer de voornaamste risico's voor de administratieve en andere uitgaven in de niet-naleving van de procedures voor het plaatsen van opdrachten, voor de tenuitvoerlegging van contracten, voor wervingsprocedures en voor de berekening van salarissen en toelagen bestaan;

Werving van tijdelijk personeel en arbeidscontractanten

16.    stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer bij haar controle van 15 door het Parlement in 2012 uitgevoerde wervingsprocedures geen fouten of gebreken heeft aangetroffen; verzoekt de secretaris-generaal evenwel om de geldende voorschriften voor de aanstelling of promotie van personeel in het algemeen, en met name van personeel in een leidinggevende functie, strikt toe te passen;

Aanbesteding

17.    merkt op dat bij de controle van de Rekenkamer 18 aanbestedingsprocedures van het Parlement werden onderzocht; benadrukt dat de Rekenkamer in één geval gebreken in verband met de toepassing van een gunningscriterium en in een ander geval gebreken inzake het beheer en de documentatie van de aanbestedingsprocedure heeft geconstateerd;

18.    beveelt aan de ordonnateurs de opzet, de coördinatie en de uitvoering van het voorschriftenkader en de procedures van het Parlement voor het plaatsen van opdrachten te verbeteren door middel van adequate verificaties en duidelijkere instructies; merkt op dat het nieuwe Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften daarbij vergezeld dienen te gaan van nieuw-uitgewerkte templates voor contracten en uitnodigingen tot inschrijving en de ontwikkeling van specifieke opleidingscursussen inzake de opstelling en toepassing van selectie- en gunningscriteria;

19.    bevestigt de antwoorden van het Parlement in het kader van de procedure op tegenspraak met de Rekenkamer;

Beoordeling door de Rekenkamer van de vooruitgang bij het opvolgen van de in eerdere jaarverslagen gedane aanbevelingen

Uitvoering van de verificatie vooraf van de wervingsprocedures

20.    herinnert eraan dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat in de dossiers betreffende de aanwerving van geaccrediteerde parlementaire medewerkers geen documenten werden gevonden die bewijzen dat de wervingsdocumenten vooraf waren gecontroleerd; neemt nota van het feit dat de Rekenkamer van oordeel is dat het Parlement haar aanbeveling volledig heeft opgevolgd en inmiddels een behoorlijke documentatie ter onderbouwing van de wervingsbesluiten heeft ingevoerd en ervoor heeft gezorgd dat de nodige documentatie voor een dergelijke controle wordt bijgehouden ter rechtvaardiging van de besluiten met betrekking tot de aanwerving van tijdelijk personeel en arbeidscontractanten; verzoekt de secretaris-generaal om zijn Commissie begrotingscontrole tegen september 2014 te informeren over de doeltreffendheid van de getroffen maatregelen, waaronder de maatregelen die zijn getroffen op basis van de bevindingen van de interne controleur, ook in het licht van de aanwerving van een groot aantal nieuwe parlementaire medewerkers na de verkiezingen;

Aanbesteding

21.    betreurt dat uit het onderzoek door de Rekenkamer van een steekproef van aanbestedingsprocedures is gebleken dat er nog steeds sprake is van fouten in het ontwerp, de coördinatie en de prestaties van de aanbestedingsprocedures en dat derhalve uit de door de Rekenkamer verrichte analyse van de geboekte vooruitgang naar voren komt dat haar eerdere aanbeveling in de meeste opzichten nog steeds in uitvoering is; dringt er nogmaals op aan om onverwijld voor daadwerkelijke vooruitgang te zorgen met betrekking tot alle controlemechanismen betreffende aanbestedingen, teneinde de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen te verhelpen en tegelijkertijd te waarborgen dat goederen en diensten tegen zo gunstig mogelijke prijzen worden verworven;

Betaling van sociale toelagen en uitkeringen aan personeelsleden

22.    herinnert aan de specifieke bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot de informatie over de situatie van personeelsleden waarover de diensten van het Parlement beschikken; is verheugd dat bij de controle van de Rekenkamer geen nieuwe tekortkomingen aan het licht zijn gekomen, maar stelt vast dat het risico van onjuiste of onterechte betalingen blijft bestaan; wijst er voorts op dat het Parlement in 2012 maatregelen heeft getroffen die tot een nog hogere respons hebben geleid bij de jaarlijkse elektronische validatie/bijwerking van de persoonsgegevens van de personeelsleden en dat de verklaringen van de personeelsleden waar nodig door adequate bewijsstukken worden gestaafd;

Jaarverslag van de interne controleur

23.    wijst erop dat de interne controleur op 21 januari 2014 in de bevoegde commissie zijn op 12 juli 2013 ondertekende jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft uitgelegd dat hij de administratie van het Parlement in 2012 aan de onderstaande controles heeft onderworpen:

-  raadpleging van de dienst Interne audit over de procedure voor de selectie van VoIP-telefoons(21);

-  een transversale follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit het verslag van de interne controleur – fase I 2012;

-  een transversale follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit het verslag van de interne controleur – fase II 2012;

- een controle van parlementaire medewerkers die niet de status van ambtenaren van de Unie hebben;

- een controle van de procedure voor de transactieboekhouding;

- een follow-up van de controle op het gebouwenbeleid: planning, beoordeling en beheer van de behoeften aan accommodatie;

24.    wijst op de belangrijkste conclusies in het jaarverslag van de interne controleur, te weten:

-  dat de budgettaire regularisatie van de uitgaven uit bepaalde permanente gelden ter goede rekening (Voorlichtingsbureaus en Reiskosten van de leden) nog steeds onderhevig is aan aanzienlijke vertraging;

-  dat vooruitgang is geboekt op het gebied van bijdragen aan politieke partijen en stichtingen op Europees niveau;

-  dat bij de raadpleging van de dienst Interne audit inzake de procedure voor de selectie van VoIP-telefoons gebreken zijn vastgesteld met betrekking tot de formalisering van de besluitvorming over het VoIP-project, ten aanzien waarvan DG ITEC heeft aangegeven reeds de nodige stappen te ondernemen om de daaraan verbonden risico's te beperken;

-  dat belangrijke stappen zijn genomen op het gebied van IT-governance en de ontwikkeling van IT-applicaties, met name de methodische vorderingen van DG ITEC bij de ontwikkeling van applicaties;

-  dat uit de eerste follow-up van de controle van de dienst Bezoekersgroepen is gebleken dat geen van de acties is afgewikkeld, maar dat het aan de acties verbonden restrisico gedeeltelijk is beperkt;

-  dat vijf niet-afgewikkelde acties waarvoor de vereiste maatregelen buiten het bevoegdheidskader van de betrokken directoraten-generaal vallen, met het oog op de afwikkeling ervan naar een hogere autoriteit zijn verwezen;

25.    neemt nota van en steunt de standpunten van de interne controleur inzake de "follow-up van de controle op het gebouwenbeleid: planning, beoordeling en beheer van de behoeften aan accommodatie" met betrekking tot:

- het vaststellen van een passende planning met betrekking tot accommodatiebehoeften op middellange en lange termijn in verband met de verwachte groei van het aantal gebruikers van kantoorruimte;

- de toewijzing van kantoorruimte op basis van op institutioneel niveau overeengekomen criteria en de vaststelling van regels en procedures met het oog op de handhaving van deze criteria; en

- zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van kantoorruimte;

26.    neemt nota van en schaart zich achter de standpunten van de interne controleur betreffende de controle van geaccrediteerde parlementaire medewerkers die niet de status van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen hebben, namelijk dat de controle-omgeving en de controleactiviteiten in DG Personeel en DG Financiën over het geheel genomen redelijke zekerheid bieden dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers worden aangenomen in overeenstemming met de regels van het Statuut en dat hun bezoldiging op correcte wijze wordt voldaan uit de vergoeding aan de leden voor parlementaire medewerkers; verzoekt beide DG's de nodige maatregelen te treffen om deze waarborgen degelijk en ondubbelzinnig te maken;

27.    neemt nota van het feit dat er in 2012 een overdracht van 7,3 miljoen EUR nodig was van de subpost voor plaatselijke medewerkers (onderdeel 4220-01) naar subpost 4220-02 (geaccrediteerde medewerkers) en dat subpost 4220-01 werd verlaagd met in het totaal 14,1 miljoen EUR (14,3%) ten gevolge van een verkeerde raming van de behoeften voor zowel plaatselijke medewerkers als geaccrediteerde medewerkers, hoewel het aantal geaccrediteerde medewerkers in 2012 slechts marginaal gestegen was in vergelijking met 2011; is van mening dat de behoeften voor deze subposten in de toekomst beter moeten worden geraamd om de beginselen van goed financieel beheer te eerbiedigen en te kunnen inspelen op de werkelijke behoeften;

28.    merkt evenwel op dat bepaalde beheers- en controleprocedures die onderhevig zijn aan een gematigd restrisico verder dienen te worden verbeterd om volledig en consequent aan de interne controledoelstellingen te kunnen voldoen en om de correcte toepassing van niet alleen het Reglement van het Parlement en de relevante daaruit voortvloeiende, door de bevoegde organen van het Parlement vastgestelde voorschriften, maar ook van het Financieel Reglement te verzekeren, en wel door:

-  ervoor te zorgen dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers tijdig en op regelmatige basis op de hoogte worden gehouden van eventuele actualiseringen of aanpassingen van de regels die op hen van toepassing zijn, alsmede van de analoog daaraan toepasselijke regels, en dat hun vertegenwoordigers een met redenen omkleed verslag krijgen van deze veranderingen of actualiseringen om zo de transparantie en de beginselen van gelijke behandeling en kansen te waarborgen;

-  ervoor te zorgen dat tijdig en op correcte wijze verslag wordt uitgebracht aan de leden en de geaccrediteerde parlementaire medewerkers over de arbeidsrechten en -plichten bij beëindiging van het arbeidscontract van geaccrediteerde parlementaire medewerkers (vakantiedagen, werkloosheidsuitkering, pensioenrechten enz.);

-  de interne controles op het gebruik van geaccrediteerde parlementaire medewerkers te verbeteren;

-  te zorgen voor een soepeler en doeltreffender beheer van de aanstelling van nieuwe geaccrediteerde parlementaire medewerkers na de verkiezingen van 2014 door vroegtijdige planning en de beschikbaarstelling van de nodige middelen, met name personele middelen, om de voortdurende ondersteuning van de voor het nieuwe mandaat verkozen leden te verzekeren door ervoor te zorgen dat er de contracten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers die ondersteuning blijven bieden niet worden onderbroken;

29.    herinnert er nogmaals aan dat vijf jaar na de invoering van het nieuwe Statuut van de parlementaire medewerkers zo snel mogelijk een volledige evaluatie van dit Statuut en van eventuele aanpassingen van de regels moet worden uitgevoerd;

Audit van het kader voor interne controle

30.    herinnert eraan dat de oorspronkelijke herziening van het kader voor interne controle in 2003 en 2004 aanleiding gaf tot 14 controleverslagen voor alle departementen en centrale diensten, die 452 overeengekomen acties bevatten ter verbetering van de algemene niveaus van:

– naleving van de minimumnormen voor interne controle van de instelling;

– verwezenlijking van de belangrijkste controledoelstellingen van de instelling (naleving van de toepasselijke wetten, voorschriften en beleidslijnen; betrouwbaarheid van de beheersinformatie en registratie; en zuinigheid, effectiviteit en efficiëntie van de activiteiten);

Resterende "open acties"

31.    wijst erop dat eind 2012 na opeenvolgende follow-up-controles 15 van de 452 acties die oorspronkelijk binnen het kader voor interne controle waren overeengekomen, nog steeds niet afgewikkeld waren; neemt nota van de conclusie van de interne controleur dat gebleken is dat twee directoraten-generaal (Financiën en Infrastructuur en logistiek) hun aanbestedingsprocedures hebben weten te verbeteren;

32.    neemt kennis van de nieuwe transversale toezichtprocedure van de dienst Interne audit voor de follow-up van de overeengekomen acties uit de verslagen van de interne controleur waarbij elke follow-up-toewijzing transversaal van aard is en gelijktijdig betrekking heeft op alle nog af te wikkelen acties; neemt tevens nota van het feit dat de toewijzingen voortaan halfjaarlijks worden gedaan, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 10 mei 2011 over het verlenen van kwijting voor zijn begroting voor het begrotingsjaar 2009;

33.    merkt op dat de interne controleur eind 2012 van oordeel was dat 73 acties nog moesten worden uitgevoerd, waaronder twee acties van kritiek belang, 35 acties met een aanzienlijk risico en 36 acties met een gematigd risico; stelt met voldoening vast dat in 2012 80 acties, waaronder de twee acties van kritiek belang, volledig zijn uitgevoerd en daarom afgesloten zijn; spoort alle betrokken directoraten-generaal aan zich te blijven inspannen om hun beheers- en controleprocedures te verbeteren; verzoekt de interne controleur strakkere tijdschema's vast te stellen voor nog uit te voeren acties; verzoekt de interne controleur de Begrotingscommissie op de hoogte te houden van alle nog af te wikkelen acties van de oorspronkelijke evaluatie van het kader voor interne controle; dringt er nogmaals bij het beheer van de departementen en het centrale beheer op aan om de resterende "open acties" voor het eind van deze zittingsperiode uit te voeren;

34.    neemt nota van de conclusie van de dienst Interne audit dat in de follow-up-procedure van 2012 over het geheel genomen verbeteringen zijn bereikt doordat 80 van de 153 vastgestelde niet-afgewikkelde acties konden worden afgesloten, terwijl het aantal kritieke acties met een hoog risico kon worden verminderd (van acht tot drie); is echter bezorgd over het relatief grote aantal acties (73) waarvan de uitvoering vertraagd is en die naar 2013 zijn overgeheveld; erkent dat het risicoprofiel van het Parlement voor wat betreft de nog niet afgewikkelde acties aan het eind van het jaar een groter aandeel acties in de categorie met een gematigd risico laat zien dan aan het begin van 2012, waaruit blijkt dat diensten vorderingen hebben gemaakt, ook op gebieden waar de acties nog niet zijn afgesloten;

Follow-up door de secretaris-generaal van de kwijtingsresolutie voor 2011

35.    neemt nota van de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor 2010 die de Commissie begrotingscontrole op 25 oktober 2013, dat wil zeggen vóór het begin van de kwijtingsprocedure 2012, heeft ontvangen; is ingenomen met de daarop volgende presentatie door de secretaris-generaal betreffende de antwoorden en de follow-up van de administratie van het Parlement op 25 november 2013 naar aanleiding van de diverse vragen en verzoeken in de kwijtingsresolutie van het Parlement voor 2011 en de in aansluiting daarop gehouden gedachtewisseling met de leden;

36.    is verheugd dat de vertalings- en vertolkingsdiensten van het Parlement sinds 2011 belangrijke wijzigingen hebben ondergaan; erkent dat de efficiëntie in dit gehele proces kon worden verhoogd, zodat de financiële middelen vervolgens konden worden verlaagd met handhaving van de kwaliteit en het aanbod voor de leden; merkt op dat in het kader van het beleid van integrale meertaligheid met efficiënt gebruik van middelen op permanente basis 11 miljoen euro kon worden bespaard op de vertaling op verzoek van de volledige verslagen en schriftelijke vragen;

37.    herinnert aan de tweede beslissing van het Bureau van 12 maart 2012 inzake integrale meertaligheid met efficiënt gebruik van middelen, waarin is bepaald dat voor delegaties die uitzonderingen vragen om te reizen tijdens commissieweken, een beperkte taalregeling geldt die inhoudt dat in niet meer dan één taal wordt vertolkt; wijst erop dat als gevolg van deze maatregel het aantal missies tijdens weken die voor externe parlementaire activiteiten zijn gereserveerd, zijn toegenomen van 36% van alle missies in 2011 tot 46% in 2012, terwijl het aantal tolkdagen voor missies tussen 2011 en 2012 met 23% is gedaald;

38.    merkt op dat de secretaris-generaal vervolgens op 23 maart 2013 heeft besloten dat de dinsdag- en woensdagmiddag tijdens commissieweken geheel en al worden gereserveerd voor commissie- en trialoogvergaderingen; stelt met voldoening vast dat als gevolg van de reeds geïmplementeerde maatregelen het aandeel van externe vertolkingskosten in de totale begroting van het Parlement is gedaald van 3,5% in 2011 tot 2,6% in 2012; meent dat het beginsel van goed financieel beheer ook van toepassing dient te zijn op vertolkingsdiensten en dat een voortdurende kritische analyse noodzakelijk is om te beoordelen hoe de efficiëntie kan worden verbeterd en de kosten kunnen worden beheerst of beperkt, teneinde de belastingbetalers in de Unie waar voor hun geld te bieden; verzoekt de secretaris-generaal het jaarverslag over de toepassing van de gedragscode meertaligheid toegankelijk te maken voor de leden van de bevoegde commissie;

39.    neemt nota van het antwoord van de secretaris-generaal waarin is vermeld dat de met de LUX-prijs gemoeide kosten zijn verminderd overeenkomstig het voorstel van de Commissie begrotingscontrole en het door de plenaire vergadering aangenomen kwijtingsverslag voor 2010; neemt er nota van dat een reeks concrete maatregelen is genomen om de uitgaven in verband met de LUX-prijs tot een minimum te beperken, met name door bezuinigingen op promotieactiviteiten tijdens internationale festivals en in de gebouwen van het Parlement; constateert dat de uitgaven voor de LUX-prijs in 2012 434 421 EUR bedroegen, wat een vermindering met 24% betekent ten opzichte van 2011 (573 722 EUR); verzoekt dat nog meer gebieden worden gevonden waarop bespaard kan worden;

40.    is van mening dat het uitreiken van prijzen geen kerntaak van het Parlement is en verzoekt dat er een kosten-batenanalyse wordt verricht voordat er nieuwe prijzeninitiatieven worden ontwikkeld;

41.    merkt op dat het Bureau in het licht van het gestaag toenemende aantal klanten en de ontwikkeling van de instelling tijdens zijn vergadering van 10 juni 2013 een omvattende strategie heeft vastgesteld, waarin de hoofdlijnen van het cateringbeleid van het Parlement tot 2019 zijn uitgestippeld; herinnert eraan dat de cateringactiviteiten tussen 2002 en 2011 in totaal met 150% zijn toegenomen, van 1,472 miljoen klanten in 2002 tot 3,711 miljoen klanten in 2011; wijst erop dat de cateringdiensten van het Parlement nog steeds operationeel verlies lijden, dat niet uitsluitend door prijsverhogingen dient te worden gecompenseerd; merkt op dat het prijsbeleid bij het Parlement in lijn moet blijven met dat bij de andere instellingen en dat het Parlement gezien het grote aantal klanten dat van de cateringdiensten gebruik maakt, betere mogelijkheden heeft om op dat gebied betere voorwaarden bij contractanten te verkrijgen en schaalvoordelen te benutten;

Kwijting van het Europees Parlement voor 2012

42.    wijst erop dat de kwijtingsprocedure niet alleen de begrotingsuitvoering en het beheer door de secretaris-generaal van het Parlement en de administratie voor het jaar 2012 moet omvatten, maar ook de besluiten die door zijn bestuurlijke organen, d.w.z. de Voorzitter, het Bureau en de Conferentie van voorzitters, zijn genomen; benadrukt dat het Parlement in zijn kritische beoordeling van het financieel beheer van de instelling geen kwijting verleent aan de secretaris-generaal, maar aan zijn Voorzitter;

43.    is in dit verband verheugd over de kwaliteit van de gedachtewisseling tussen de secretaris-generaal en de Commissie begrotingscontrole, die in het kader van de kwijtingsprocedure van het Parlement op 21 januari 2014 in aanwezigheid van de interne controleur is gehouden; herhaalt dat de bestuurlijke organen van het Parlement gedurende deze gehele procedure verantwoording moeten afleggen om te waarborgen dat de burgers van de Unie een getrouw en juist beeld krijgen van de manier waarop het Parlement de middelen die het ontvangt, aanwendt en de manier waarop het zijn besluiten neemt en dat het bijgevolg van essentieel belang is dat het besluitvormingsproces op volstrekt transparante wijze verloopt; verzoekt in dat verband om zowel de agenda's van de vergaderingen, als de besluiten die worden aangenomen door de besluitvormingsorganen van het Parlement systematisch onmiddellijk mee te delen aan zowel de leden en de medewerkers van het Parlement als aan de bevolking in het algemeen;

44.    wijst erop dat, ongeacht alle politieke overwegingen, allereerst het advies van de onafhankelijke externe controleur en in de tweede plaats het advies van de interne controleur van het Parlement en zijn evaluatie van het interne controlesysteem van het Parlement de belangrijkste referentiepunten voor de beoordeling van de uitvoering van de begroting van het Parlement moeten vormen; spreekt nogmaals zijn tevredenheid uit over het positieve advies van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de jaarrekening van het Parlement en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

45.    brengt in herinnering dat de leden volgens de nieuwe gedragscode voor de leden van het Europees Parlement inzake financiële belangen en belangenconflicten, die op 1 december 2011 door de plenaire vergadering is goedgekeurd, alle bezoldigde activiteiten die zij naast hun taken in het Parlement uitoefenen, elke bezoldiging die zij ontvangen en alle andere functies die zij uitoefenen en die aanleiding kunnen geven tot een belangenconflict volledig openbaar moeten maken, en dat de gedragscode het de leden uitdrukkelijk verbiedt geldbedragen of andere geschenken te aanvaarden in ruil voor het aanwenden van invloed met betrekking tot de besluiten van het Parlement; merkt op dat de gedragscode duidelijke voorschriften bevat over het aanvaarden van geschenken en over oud-leden van het Parlement die zich bezighouden met lobbyactiviteiten; vraagt de administratie om regelmatig en op jaarbasis ten minste 15% van deze verklaringen te onderzoeken;

46.    neemt nota van het feit dat de uitvoeringsmaatregelen voor de gedragscode voor de leden op 15 april 2013 zijn aangenomen door het Bureau; stelt met voldoening vast dat de sinds 1 juli 2013 van kracht zijnde uitvoeringsmaatregelen voor artikel 5, lid 3 van de gedragscode die de transparantie van door derden gefinancierde reis- en verblijfskosten van de leden moet waarborgen, bepalen dat alle door derden betaalde vergoedingen voor reis- en verblijfkosten in verband met de aanwezigheid van leden bij door derden georganiseerde evenementen openbaar moeten worden gemaakt; wijst er tevens op dat wanneer er geen sprake is van dergelijke vergoedingen, maar slechts de kosten voor een maaltijd, entreebiljet enz. met een waarde van minder dan 150 EUR worden betaald, dit niet hoeft te worden aangegeven;

47.    uit kritiek over het feit dat een verslag van het Comité van toezicht van het OLAF gericht aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement door de Voorzitter van het Parlement niet aan die commissie is doorgezonden, maar meer dan twee maanden is achtergehouden; uit kritiek over het feit dat een dagvaarding van getuigen door een Belgische rechtbank pas na drie maanden vertraging door de administratie van het Parlement aan de drie betrokken parlementsleden is doorgezonden; uit kritiek over het feit dat de werkzaamheden van de Commissie begrotingscontrole zijn belemmerd door de afgelasting van een hoorzitting over de werkzaamheden van de Task Force voor Griekenland en het meer dan een jaar lange uitstel van een hoorzitting over het onderwerp "Governance – de Europese Commissie als bestuurslichaam";

48.    verlangt dat alle bijlagen van schriftelijke parlementaire vragen (artikel 117 van het Reglement van het Parlement) samen met de vragen op de homepagina van het Europees Parlement worden bekendgemaakt;

Politieke activiteiten van de Voorzitter

49.    verlangt uitvoerige informatie over de manier waarop de ambtsuitoefening van de Voorzitter als politiek neutrale persoon wordt gescheiden van de voorbereiding van zijn sociaaldemocratische topkandidatuur voor de Europese verkiezingen, vooral wat betreft zijn kabinetsmedewerkers, de medewerkers van het extern bureau van het EP en de reiskosten; is van oordeel dat bij een groot aantal van deze activiteiten geen onderscheid tussen beide rollen is gemaakt; eist dat functionarissen een duidelijk onderscheid tussen hun verschillende rollen aanbrengen, zoals dat bij de Commissie gebeurt, opdat de Europese belastingbetaler niet moet betalen voor de verkiezingscampagnes van de Europese topkandidaten;

Werklocaties van het Parlement

50.    wijst erop dat aan het Parlement bij Protocol nr. 6 bij de Verdragen, betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, dat in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten is vastgesteld, drie zetels zijn toegewezen; herinnert eraan dat het de secretaris-generaal en het Bureau in zijn resolutie van 17 april 2013 over de kwijting 2011 heeft opgeroepen actuele cijfers en informatie aan de leden te verstrekken over de financiële en milieugevolgen van het stelsel van meerdere werklocaties, welke resolutie volgde op de resolutie van het Parlement van 6 februari 2013 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2014 en het verslag over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie dat op 20 november 2013 is aangenomen;

51.    brengt in herinnering dat de zetel van het Parlement op grond van belangrijke historische overwegingen is gevestigd en dat de aanwijzing van de zetel van een instelling van de Unie uitsluitend tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort; merkt in dit verband op dat een eventueel besluit om de regeling inzake de zetel van het Europees Parlement te wijzigen een wijziging van de Verdragen zou vergen, waartoe de lidstaten alleen met eenparigheid van stemmen kunnen besluiten;

52.    wijst erop dat de uitgaven die uit de geografische verspreiding van het Parlement voortvloeien een belangrijk gebied voor mogelijke besparingen vormt; is ingenomen met het verslag van de secretaris-generaal(22) van augustus 2013 inzake de financiële gevolgen van de geografische spreiding van het Europees Parlement; onderstreept dat in de berekeningen van het verslag rekening is gehouden met de volgende parameters:

-  de ontwerpbegroting van 2014 diende als uitgangspunt;

-  de onderliggende berekeningen zijn bijgewerkt in gevallen waarin recentere gegevens beschikbaar zijn gekomen (bijvoorbeeld statistieken over missies);

-  de methode voor de raming van de afschrijvingskosten is aangepast op basis van de veronderstelde aanwijzing van Brussel als enige werklocatie, waardoor die kosten lager uitvielen;

-  kosten voor de locaties Straatsburg en Luxemburg zijn apart aangegeven;

-  er zijn nieuwe ramingen gemaakt van eventuele bijkomende terugkerende kosten die zich zouden voordoen indien er nog maar één werklocatie zou zijn, alsook eenmalige investeringen en kosten in verband met de samenvoeging van de werklocaties;

53.    wijst erop dat in het verslag wordt gesteld dat in het geval van een onderbrenging van de drie werklocatie op één locatie, in Brussel, theoretisch een netto besparing van naar schatting 88,9 miljoen EUR per jaar kan worden bereikt, wat neerkomt op rond 5% van de begroting van het Parlement in 2014, 1,03% van de totale administratieve begroting van de Unie en 0,06% van de totale begroting van de Unie; neemt nota van het geschatte netto effect van 0,18 EUR per burger van de Unie als de drie werklocatie op één locatie worden samengevoegd;

54.    wijst erop dat in het verslag wordt aangegeven dat een mogelijke verhuizing van de locatie Luxemburg naar Brussel bijkomende jaarlijkse kosten van 14 miljoen EUR met zich zou brengen; benadrukt de in het verslag vermelde verschillen in het kwalitatieve en kwantitatieve niveau van de ondersteuning die door de lidstaten van vestiging aan het Parlement wordt geboden; neemt nota van het feit dat die potentiële kosten niet zijn meegenomen in de berekening van de mogelijke besparingen op basis van de veronderstelde aanwijzing van Brussel als enige zetel;

55.    benadrukt dat de CO2-uitstoot jaarlijks met 10 703 ton zou worden verminderd indien Straatsburg (10 235 ton) en Luxemburg (468 ton) niet langer als werklocaties zouden dienen; betreurt dat dit milieueffect van de geografische spreiding van het Parlement in termen van koolstofemissies overeenkomt met 11,16% van de totale koolstofvoetafdruk van het Parlement in 2011;

56.    kijkt uit naar de publicatie van de studie van de Rekenkamer, die een omvattende analyse moet verschaffen van de potentiële besparingen op de begroting van de Unie als het Parlement slechts één zetel zou hebben, zoals gevraagd in zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie(23), en verzoekt om in deze analyse ook aandacht te besteden aan begrotingsaspecten en bijkomende kosten, zoals besparingen doordat er minder arbeidstijd verloren gaat en er efficiënter kan worden gewerkt; verzoekt om niet enkel de reiskosten voor parlementaire medewerkers (met inbegrip van tijdelijke medewerkers, externe deskundigen en tijdelijke functionarissen) te bekijken, maar ook de hogere reiskosten die meerdere zetels met zich meebrengen voor medewerkers van de Commissie en de Raad;

Beheer van de administratie van het Parlement: verhoging van de operationele efficiency

57.    bevestigt andermaal dat deze resolutie hoofdzakelijk betrekking heeft op de begrotingsuitvoering en de kwijting voor het begrotingsjaar 2011 en dat zij er met name op gericht is te garanderen dat het geld van de belastingbetaler zo goed mogelijk wordt aangewend en aan te geven waar eventueel doeltreffender besparingen kunnen worden bereikt; dringt er bij de verantwoordelijke instanties van het Parlement op aan om de efficiëntie van de dagelijkse activiteiten van het Parlement op alle mogelijke niveaus te blijven verbeteren en voortdurend te blijven streven naar een betere dienstverlening aan de burgers van de Unie; verwacht dat de secretaris-generaal in zijn volgende jaarverslag aan de Commissie begrotingscontrole meer aandacht zal schenken aan de efficiëntie en de effectiviteit van de uitgaven;

58.    is van mening dat tijdens de zittingsperiode 2009-2014, in een moeilijke economische en financiële situatie, besparingen zijn bereikt die dikwijls willekeurig en van tijdelijke aard, maar toch belangrijk zijn; vindt dat de administratie van het Parlement aanvullende bezuinigingsmaatregelen dient te formuleren die systematische en structurele besparingen van permanente aard opleveren, eerst en vooral door de begroting van het Parlement te verlagen, en ook door middelen vrij te maken voor de nieuwe activiteitenterreinen van het Parlement, met name ter versterking van het toezicht op de uitvoering van het beleid van de Unie door de Commissie;

59.    verzoekt de administratie van het Parlement te overwegen de beschikbare technologieën, zoals teleconferenties en telewerken, vaker te gebruiken om zo de administratieve kosten en reiskosten te beperken; verzoekt om een concreet voorstel voor een uitgebreider gebruik van deze technologieën; is van mening dat hierdoor aanzienlijke aanvullende besparingen kunnen worden gerealiseerd zonder de kwaliteit van de acties in het gedrang te brengen en dat het gebruik van videoconferenties en telewerken niet alleen financiële voordelen biedt, maar ook kan bijdragen tot een efficiëntere tijdsbesteding en een milieuvriendelijker Parlement;

60.    verzoekt de administratie om slimme besparingsmaatregelen te blijven treffen waarmee kan worden bezuinigd zonder dat dit de doeltreffendheid, de doelmatigheid of de kwaliteit van de activiteiten van het Parlement in het gedrang brengt;

Directoraat-Generaal presidium

61.    neemt nota van het feit dat het Directoraat-Generaal presidium werd gereorganiseerd en dat dit tot de instelling van een nieuw Directoraat-Generaal parlementaire onderzoeksdiensten (DG ERPS) heeft geleid, alsook van het feit dat de veiligheidsdiensten van het Parlement werden geïnternaliseerd, wat in de oprichting van het Directoraat-Generaal veiligheid heeft geresulteerd; is ingenomen met het feit dat de internalisering van de veiligheid naar verwachting in de periode 2013-2016 voor besparingen van meer dan 11 miljoen EUR zal zorgen; stelt echter vast dat vijf medewerkers uit het kabinet van de Voorzitter zijn aangewezen voor functies als directeur-generaal of directeur in de administratie van het Europees Parlement; bekritiseert deze politieke greep op leidende functies en de uitholling van het ambtenarenstatuut; herinnert eraan dat de EU wereldwijd kritiek uitoefent op politiek nepotisme, en eist dat deze criteria ook in de administratie van het Europees Parlement worden nageleefd; wenst door de secretaris-generaal op jaarbasis op de hoogte te worden gehouden van de exacte bedragen die zijn bespaard en is van mening dat dit hier een goede voorbeeldwerking van zou kunnen uitgaan die leidt tot de internalisering van andere diensten die nu door derden worden verricht;

62.    merkt op dat een positie van directeur-generaal weliswaar is ingevuld, maar dat de geselecteerde medewerker deze functie zes maanden na zijn benoeming nog steeds niet heeft opgenomen; eist dat deze post van directeur-generaal wordt geschrapt;

Directoraat-Generaal extern beleid

63.    stelt bezorgd vast dat het vermogen van de interparlementaire delegaties om het Parlement in deze sector evenveel zichtbaarheid te geven als de andere Europese instellingen, en met name de Commissie en de Raad, vanwege de algemene behoefte aan besparingen kan worden beperkt en dat de aandacht van het Parlement voor het buitenlandse beleid en de consolidatie van de parlementaire diplomatie, als aanvulling op de activiteiten van de Commissie en de EDEO, hierdoor kan worden afgezwakt; acht het daarom van fundamenteel belang dat de kennis en ervaring die het Parlement heeft opgedaan op het gebied van toezicht op en verbetering van de zichtbaarheid van de Europese projecten niet verloren gaan en dat de voorgestelde maatregelen geen afbreuk doen aan de capaciteit en doeltreffendheid van de interparlementaire dialoog tussen het Parlement en andere landen, met name bij politieke instabiliteit en bedreigingen van de democratie (de Arabische Lente, het conflict in het Midden-Oosten, het Oekraïense conflict, de voorbereiding van verkiezingen in conflictsituaties, enz.);

Directoraat-Generaal communicatie

64.    merkt op dat DG COMM over een ruime begroting beschikt uit hoofde van begrotingslijn 3242 "Kosten van publicatie, voorlichting en deelneming aan openbare evenementen"; ziet dat er steeds meer taken worden uitbesteed, wat extra kosten met zich meebrengt voor de belastingbetaler; verzoekt om een gedetailleerde lijst van uitbestedingsmaatregelen en de kosten daarvan binnen DG COMM;

65.    maakt zich zorgen over mogelijke onontdekte belangenconflicten bij de gunning van subsidies uit de begroting van het Parlement; herinnert aan artikel 58 van het Financieel Reglement en de controleplicht van de administratie voor afgegeven verklaringen van ontvangers van subsidies en begunstigden; vraagt informatie over de risicoanalyses die de administratie van het Parlement voor deze verklaringen opstelt om het waarheidsgehalte van die verklaringen te controleren;

Voorlichtingsbureaus

66.    neemt nota van het feit dat de uitgaven voor diensten van het personeel van de voorlichtingsbureaus in 2012 1,8 miljoen EUR bedroegen, waarbij dienstreizen naar Straatsburg goed waren voor iets meer dan 1 miljoen EUR; wijst er met klem op dat prioriteit moet worden gegeven aan het gebruik van videoconferenties, om zo de kosten voor de begroting van het Parlement structureel te verminderen en het milieu te ontzien, zonder dat dit de werkzaamheden van het Parlement in de weg staat;

Bezoekersgroepen

67.    merkt op dat sinds januari 2012 een nieuwe regeling voor de ontvangst van bezoekersgroepen van kracht is, die onder meer betrekking heeft op de methode voor subsidiebetalingen; neemt nota van het feit dat het Bureau heeft besloten de mogelijkheid van contante betalingen aan bezoekersgroepen te handhaven; is bezorgd over de grote risico's voor de reputatie en de veiligheid die contante betalingen aan bezoekersgroepen met zich brengen; verzoekt het Bureau om een nieuw besluit om contante betalingen te verbieden, aangezien deze betalingen indruisen tegen Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(24); wijst erop dat van de rond 2 000 groepen die het Parlement jaarlijks bezoeken, in 2012 slechts 365 groepen meer dan 15 000 EUR hebben ontvangen, maar dat de meerderheid van deze bezoekersgroepen voor contante betaling heeft gekozen, hoewel de administratie van het Parlement in plaats daarvan overmakingen of een combinatie van deze beide methoden aanmoedigt;

Huis van de Europese geschiedenis

68.    neemt kennis van het feit dat de cofinanciering van de exploitatiekosten van het Huis van de Europese geschiedenis door de Commissie veilig is gesteld doordat een bedrag van 800 000 EUR aan vastleggingskredieten onder rubriek 3 van het meerjarig financieel kader is opgenomen in haar begroting 2014; neemt tevens nota van het feit dat dit bedrag 30% van de begrote bedrijfskosten voor dat jaar uitmaakt en ook bedoeld is om de kosten te dekken die ontstaan wanneer het Huis van de Europese geschiedenis ook op de zevende dag van de week wordt geopend;

69.    herinnert eraan dat het Bureau het concept voor de permanente tentoonstelling van het Huis van de Europese Geschiedenis op 22 oktober 2012 heeft goedgekeurd;

EuroparlTV

70.    merkt op dat in de door het Parlement in zijn plenaire vergadering aangenomen begroting 2012 onder begrotingslijn 3246 een bedrag van 8,5 miljoen EUR was gereserveerd voor EuroparlTV; constateert dat de begroting van EuroparlTV aanzienlijk is verlaagd van 9 miljoen EUR in 2008 tot 5 miljoen EUR in 2014, maar erkent dat de prestaties van deze dienst desondanks zijn verbeterd door een aantal nieuwe activiteiten en projecten, waaronder de uitbreiding van het aantal kant-en-klare audiovisuele producten met een langere levensduur en een reeks exclusieve coproducties met nationale tv-zenders in verschillende lidstaten, die tot hogere kijkcijfers hebben geleid; is verheugd dat het Parlement door steeds meer mensen wordt gevolgd via sociale media, met name door momenteel meer dan 1,2 miljoen "vrienden" op Facebook voor wie exclusieve EuroparlTV-producties worden ontwikkeld; ziet uit naar de onafhankelijke evaluatie van de multimediaproducties van het Parlement voor het internet, waartoe het Bureau in zijn besluit van 3 december 2012 opdracht heeft gegeven;

71.    vreest dat de berichtgeving over de werkzaamheden van het Parlement in de media ondanks de dure, ultramoderne studio's en het uitgebreide team van communicatiespecialisten waarover het Parlement beschikt, wordt ontmoedigd door de satellietkosten die omroepen die van de studio's van het Parlement gebruik maken verplicht zijn te betalen; verzoekt de secretaris-generaal om na te gaan of een wijziging van de regelingen zou leiden tot een ruimere berichtgeving over parlementaire debatten en discussies waarbij de leden zijn betrokken en daarover verslag uit te brengen;

72.    is van mening dat EuroparlTV geen kerntaak van het Parlement is en verzoekt dat er een kosten-batenanalyse wordt verricht voordat er nieuwe activiteiten rond EuroparlTV worden ontwikkeld;

Directoraat-Generaal personeelszaken

73.    wijst op de moeilijkheden die worden ondervonden bij het aanwerven van ambtenaren en functionarissen uit bepaalde lidstaten, waaronder Duitsland, het VK, Oostenrijk en Nederland, waarvan het personeelsaandeel in het secretariaat van het Parlement aanzienlijk kleiner is dan het "demografische gewicht" van het desbetreffende land in de Unie, en neemt nota van het feit dat een relatief groot aantal personeelsleden de Belgische of de Luxemburgse nationaliteit heeft (13,6%, respectievelijk 2,2%) vanwege het feit dat het Parlement in die landen werklocaties heeft; verzoekt het Bureau om de wervingsprocedures en -vereisten te evalueren om na te gaan wat het aandeel hiervan is in de moeilijkheden bij de werving van personeelsleden uit die lidstaten;

74.    vraagt opheldering over het tewerkstellingsmodel van de plaatselijke kantoorbedienden in Straatsburg en informatie over de tewerkstelling van de kantoorbedienden in Brussel tijdens de weken in Straatsburg; dringt aan op een mededeling van de administratie van het Parlement waarin wordt gemeld of het Europese arbeids- en sociaal recht wordt nageleefd voor plaatselijke bodes in Straatsburg en hoe schijnzelfstandigheid wordt voorkomen; vraagt om een kostenvergelijking die uitwijst welke oplossing voor de belastingbetalers het voordeligst uitkomt;

75.    neemt terdege nota van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 december 2013 in zaak F-129/12 en betreurt ten zeerste dat het Parlement is veroordeeld omdat het geen bijstand kon verlenen bij psychisch geweld en onregelmatige ontslagen; draagt de bevoegde diensten daarom op om alle nodige maatregelen te treffen om zulke situaties in de toekomst te voorkomen;

76.    vraagt een verslag over de toename van de posten in de categorieën AD en AST in de administratie van het Parlement van 2005 tot de momenteel geldige begroting; vraagt om een indeling volgens graad en nationaliteit;

77.    vraagt een verslag over de toename van de posten voor de functies van directeur en directeur-generaal in de administratie van het Parlement vanaf 2005; vraagt om een indeling volgens nationaliteit;

78.    vraagt een verslag over het aantal fractiemedewerkers sinds 2009 dat via a) een gebruikelijke selectiemethode, b) de zogenoemde "passerelle" als ambtenaar werd aangesteld;

79.    herinnert eraan dat meer dan 1 500 parlementaire medewerkers hun kinderen hebben ingeschreven in een Europese School; stelt met klem dat het Europees Parlement een leidende functie moet krijgen in het organigram van de Europese Scholen;

Directoraat-Generaal infrastructuur en logistiek (DG INLO)

Het gebouwenbeleid van het Parlement

80.    vestigt de aandacht op het feit dat het Parlement mettertijd eigenaar van gebouwen is geworden en dat deze strategie risico's inhoudt en de kosten voor de exploitatie en het onderhoud van de technische faciliteiten in de toekomst onontkomelijk zullen toenemen met de leeftijd van de gebouwen; benadrukt in het bijzonder dat in elke strategie op het gebied van vastgoed en gebouwen rekening moet worden gehouden met die stijgende kosten en de noodzaak om gebouwen op middellange termijn te renoveren; wijst erop dat de strategie inzake vastgoed en gebouwen de houdbaarheid van de begroting van het Parlement moet waarborgen en een zekere mate van flexibiliteit moet behouden door een combinatie van aankoop, huur en vruchtgebruik, teneinde een zo voordelig mogelijke oplossing voor het Parlement te garanderen; onderstreept dat het kopen van een gebouw niet altijd de beste oplossing is;

81.    neemt nota van het feit dat in 2012 een begin is gemaakt met een reeks herzieningen van individuele contracten met betrekking tot de financiële voorwaarden, met name tegen de achtergrond van ontwikkelingen op de verhuurmarkt; is verheugd dat de nieuwe onderhandelingen over deze contracten in de komende jaren de volgende structurele besparingen zullen opleveren:

- het in vruchtgebruik nemen van het Wiertz-gebouw heeft geleid tot een jaarlijkse kostenvermindering van 0,45 miljoen EUR aan onroerendezaakbelasting en heffingen;

- de verhuizing naar het GEOS-gebouw in 2014 levert een kostenvermindering van 5 miljoen EUR over 45 maanden op;

- de herziening van het huurcontract voor het Goldbell-gebouw levert tot eind 2017 een kostenvermindering van 2,5 miljoen EUR op;

- de herziening van het huurcontract voor het voorlichtingsbureau in Madrid levert een kostenvermindering van 0,27 miljoen EUR op;

Konrad Adenauer-gebouw (KAD)

82.    herinnert eraan dat oorspronkelijk geen kandidaten konden worden geselecteerd in verband met de aanbesteding voor het project rond het Konrad Adenauer-gebouw omdat de prijzen van de offertes die als reactie op de uitnodiging tot inschrijving werden ingediend, aanzienlijk hoger lagen dan de ramingen; merkt op dat het Bureau daarop in 2012 heeft besloten de opzet van de aanbesteding voor het Konrad Adenauer-gebouw te wijzigen, wat tot duidelijk lagere offertes heeft geleid, zodat het mogelijk was om binnen het kader van de oorspronkelijk voor dit bouwproject overeengekomen begroting te blijven; merkt op dat de werkzaamheden in september 2013 van start zijn gegaan met een nieuwe projectmanager en verbeterde partnerschapsregelingen, die ook ondersteuning door de Luxemburgse overheid inhouden; verwacht dat het oorspronkelijk overeengekomen globale budget voor dit bouwproject ondanks de onvermijdelijke vertraging zal worden gerespecteerd;

De vergaderzaal van het Parlement in Brussel

83.    neemt nota van het feit dat met de reparatie van de dakconstructie van de vergaderzaal van het Parlement in Brussel kosten van net iets meer dan 2 miljoen EUR gemoeid zijn, wat minder is dan de geraamde 3 miljoen EUR, en dat vanwege de leeftijd van het gebouw geen juridische stappen konden worden ondernomen om verhaal te halen; erkent dat de problemen met de constructie van de houten dakbalken in het kader van het in 2012 ingevoerde beleid van regelmatige en doorlopende inspecties en preventief onderhoud voor de gebouwen van het Parlement werden ontdekt, waardoor een grote ramp kon worden voorkomen die mogelijkerwijs mensenlevens had gekost en enorme schade aan het gebouw had kunnen toebrengen; merkt op dat de diensten die het gebouw hebben moeten ontruimen in andere gebouwen van het Parlement konden worden ondergebracht gedurende de tijdelijke sluiting van zone A van het Paul-Henri Spaak-gebouw (PHS) en dat de vergaderzaal naar verwachting vanaf begin april 2014 weer ter beschikking zal staan;

Directoraat-Generaal vertolking en conferenties en Directoraat-Generaal vertalingen

84.    constateert met tevredenheid dat de tenuitvoerlegging van het besluit van het Bureau betreffende meertaligheid met efficiënt gebruik van middelen in 2012 bij de vertolkings- en de vertalingsdiensten besparingen van respectievelijk 10,9 miljoen EUR en 10 miljoen EUR heeft opgeleverd, zonder afbreuk te doen aan het beginsel van meertaligheid of de kwaliteit van de parlementaire werkzaamheden; herhaalt dat interinstitutionele samenwerking essentieel is voor de uitwisseling van beste praktijken, die zorgen voor meer efficiëntie en besparingen mogelijk maken;

Directoraat-Generaal financiën

Vrijwillig pensioenfonds

85.    constateert dat de waarde van de activa van het vrijwillig pensioenfonds(25) in 2012 is toegenomen met een rendement op investeringen van 9,4%, nu de beleggingsmarkten zich verder hebben hersteld van de wereldwijde financiële crisis;

86.    constateert dat de waarde van de activa van het vrijwillig pensioenfonds1 in 2012 is toegenomen met een rendement op investeringen van 9,4%, nu de beleggingsmarkten zich verder hebben hersteld van de wereldwijde financiële crisis; onderstreept dat deze geraamde toekomstige verplichtingen over meerdere decennia zijn uitgesmeerd;

87.    wijst er evenwel op dat dit aanleiding vormt tot bezorgdheid met betrekking tot de mogelijke uitputting van het fonds en dat het Parlement garant staat voor de pensioenuitkeringen waarop alle voormalige en enkele huidige leden die bij dit vrijwillige pensioenfonds zijn aangesloten aanspraak kunnen maken, indien en wanneer dit fonds niet in staat blijkt aan zijn verplichtingen te voldoen; brengt in herinnering dat het vrijwillig pensioenfonds als overgangsoplossing in het leven is geroepen voordat het nieuwe Statuut van de leden van het Europees Parlement op 14 juli 2009 van kracht werd;

88.    neemt nota van het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in 2013 heeft geoordeeld dat de door het Bureau in 2009 genomen besluiten, met name het besluit om de pensioengerechtigde leeftijd voor de leden van het fonds te verhogen van 60 tot 63 jaar om een vroegtijdige uitputting van het kapitaal te voorkomen en aldus in overeenstemming te brengen met die waarin het Statuut van de leden van het Europees Parlement voorziet, geldig waren; herinnert eraan dat tweederde van de in het pensioenfonds gestorte premies door het Parlement, en niet door de individuele leden is betaald;

Directoraat-Generaal innovatie en technologische ondersteuning

89.    maakt zich ernstige zorgen over het feit dat is ingebroken in persoonlijke en vertrouwelijke individuele mailboxen van bepaalde leden, parlementaire medewerkers en functionarissen nadat het Parlement het doelwit was van een man-in-the-middle-aanval waarbij een hacker de communicatie tussen particuliere smartphones en het publieke wifi-netwerk van het Parlement heeft afgetapt; stelt met klem dat de beveiliging van alle ICT- en telecommunicatiesystemen van het Parlement moet worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde partij, in overeenstemming met de specificaties van bijlage I, met het oog op de uitwerking van een duidelijk stappenplan voor een robuuster ICT-beveiligingsbeleid in 2015;

90.    is van oordeel dat gastgebruikers toegang moeten hebben tot een wifi-netwerk dat geen toegang biedt tot het intranet of interne IT-diensten van het Parlement zoals webmail, op dusdanig wijze dat de functies van het particuliere wifi-netwerk en het wifi-netwerk voor gasten van elkaar gescheiden zijn; is de mening toegedaan dat een onafhankelijke veiligheidscontrole op de gehele ICT-infrastructuur van het Parlement moet worden uitgevoerd om te verzekeren dat het de hoogst beschikbare veiligheidsnormen ter bescherming tegen hacking en het afluisteren van telefoons hanteert;

91.    is van mening dat de aanzienlijke vorderingen aangevuld moeten worden met passende investeringen in ondersteunings- en onderhoudswerkzaamheden voor deze projecten, alsmede met de nodige samenwerking met de leden en medewerkers; wijst met name op de geslaagde lancering van het AT4AM-systeem; betreurt dat de Linux-distributie van het Europees Parlement, die nooit is aangeboden aan of bestemd is geweest voor de leden en de medewerkers – die wel belangstelling zouden hebben gehad voor een dergelijk project – is beëindigd; merkt op dat nieuwe werkinstrumenten voor de leden en de medewerkers eerst getest moeten worden tijdens een proefperiode, in samenwerking met leden en medewerkers die bereid zijn om het extra werk dat een dergelijke proeffase met zich brengt, op zich te nemen;

92.    dringt er in dezelfde geest op aan dat het Parlement nauwer samenwerkt met het Directoraat-Generaal informatica om niet alleen op zoek te gaan naar nieuwe, innovatieve ICT-tools van nieuwe leveranciers, maar ook naar geschikte vervangers voor oude ICT-tools en –infrastructuur, waarbij de voorkeur moet uitgaan naar open, interoperabele en niet-leveranciersgebonden oplossingen, met het oog op maatschappelijke, ethische en financiële verantwoordelijkheid;

93.    neemt nota van de internalisering van het personeel van het Directoraat-generaal innovatie en technologische ondersteuning en de beloofde kostenvermindering en toename van de deskundigheid en de corporate identity onder het personeel op IT-gebied; herinnert eraan dat de toename van de deskundigheid op het gebied van voortdurende innovaties jaren geleden ook als reden werd genoemd voor het externaliseren van deze sector; heeft zijn twijfels bij kostenvermindering als argument; is zich bewust van de beperkingen en uitdagingen met betrekking tot de aanwerving van de beste professionals die op de arbeidsmarkt beschikbaar zijn; verzoekt de secretaris-generaal samen te werken met het Europees Bureau voor personeelsselectie om manieren te vinden waarop de wervingsprocedure kan worden bespoedigd en de beste deskundigen op het gebied van IT-technologie en beveiliging kunnen worden aangetrokken;

94.    vindt onverminderd dat het Parlement het laatste woord moet hebben bij alles wat met ICT te maken heeft;

95.    merkt op dat de bestaande ICT-infrastructuur van het Parlement slechts gedeeltelijk gebaseerd is op open-sourcesoftware en bijgevolg het gebruik van hardware- en softwaretoepassingen door het Parlement beperkt; verzoekt om geleidelijk over te stappen op een open ICT-infrastructuur om zo de kostenefficiëntie en de interoperabiliteit te bevorderen en tegelijkertijd het hoogst mogelijke niveau van beveiliging te garanderen; verzoekt in dit verband ook om voldoende technische en administratieve ondersteuning om te kunnen voorzien in het nodige onderhoud;

96.    stelt voor dat de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën meer gebruikt worden in de vertalings- en de vertolkingsdiensten;

97.    dringt er bij de secretaris-generaal op aan om er voorts voor te zorgen dat leden en medewerkers een beroep kunnen doen op ICT-medewerkers op de werkplek, zodat zowel het ICT-personeel als de parlementaire medewerkers en de leden kunnen profiteren van de veiligheid en het gemak van persoonlijke interactie; herinnert de secretaris-generaal eraan dat toegang op afstand voor ICT-ondersteuning onhandig en minder geschikt kan zijn voor het opbouwen van een vertrouwensband tussen het IT-personeel en de personen die IT-onderhoud nodig hebben; wijst er voorts op dat het niet verstandig is om volledig te vertrouwen op oplossingen op afstand totdat de hierboven genoemde beveiligingscontrole terdege is uitgevoerd;

98.    verlangt dat de secretaris-generaal ervoor zorgt dat uiterlijk op 1 december 2014 de volgende controles hebben plaatsgevonden:

-  black box-penetratietest

-  white box-penetratietest

-  evaluatie van de cryptografische protocols

-  evaluatie van de applicaties

-  evaluatie van de lijsten voor het beheer van de toegang tot de applicaties

-  evaluatie van de lijsten voor het beheer van de toegang tot fysieke infrastructuur

-  evaluatie van de compilatieketen voor applicaties

-  evaluatie van de broncode voor applicaties;

verwacht dat de resultaten van de controle worden voorgelegd aan de Commissie begrotingscontrole en de Begrotingscommissie, samen met een raming van de uitgaven, de personele middelen en de tijd die nodig is om eventuele tekortkomingen op het gebied van beveiliging die tijdens de controle zijn vastgesteld, te remediëren;

99.    is van mening dat de gegevens niet door een platformspecifieke of systeemafhankelijke architectuur mogen worden beperkt en dat het gegevensformaat op algemene en gratis toegankelijke standaarden gebaseerd moet zijn en door producentonafhankelijke organisaties moet worden ondersteund en onderhouden; benadrukt dat een volledige documentatie van het formaat en alle aanvullingen vrij toegankelijk moeten zijn;

Reisbureau

100.  is ingenomen met het feit dat het nieuwe contract met het reisbureau, dat op 1 januari 2014 is ingegaan, zoals verzocht door de Commissie begrotingscontrole voorziet in de mogelijkheid om controles van de financiën en de prestaties te verrichten; neemt er nota van dat de enige onderneming die op de uitnodiging tot inschrijving gereageerd heeft BCD Travel N.V. is, het bureau dat het vorige contract in de wacht had gesleept, en dat het huidige contract een looptijd van twee jaar heeft;

101.  verlangt dat leden van het Europees Parlement voor vluchten binnen Europa uitsluitend tickets in Economy Class of het dienovereenkomstige bedrag uit de EP-begroting terugbetaald krijgen;

Jaarverslag over gegunde opdrachten

102.  herinnert eraan dat in het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften daarbij, die op 1 januari 2013 in werking zijn getreden, is bepaald welke informatie aan de begrotingsautoriteit en het publiek moet worden verstrekt over de door de instelling gegunde opdrachten; merkt op dat het nieuwe Financieel Reglement voorziet in de openbaarmaking van de gegunde opdrachten met een waarde van meer dan 15 000 EUR (voorheen: 25 000 EUR), een waarde die overeenstemt met de drempel waarboven een openbare, op concurrentie gebaseerde aanbestedingsprocedure verplicht is geworden;

103.  constateert dat alle directoraten-generaal in 2012 opdrachten met een waarde van meer dan 25 000 EUR hebben geplaatst en dat de totale waarde van deze opdrachten 724 miljoen EUR beliep (tegen 603 miljoen EUR in 2011); constateert voorts dat de centrale diensten het jaarverslag aan de begrotingsautoriteit over de in 2012 gegunde opdrachten heeft opgesteld op basis van door de opdrachtgevende diensten in het register van gegunde opdrachten ingevoerde informatie;

104.    neemt kennis van onderstaande onderverdeling naar type van gebruikte procedure van de in 2012 en 2011 gegunde opdrachten:

Type opdracht

(tussen 15 000 EUR en 25 000 EUR)

2012

 

Aantal

Waarde (EUR)

Diensten

Benodigdheden

Werken

Gebouwen

66

13

15

0

1 363 733

246 663

289 561

0

Totaal

94

1 899 957

Type opdracht

(waarde 25 000 EUR of meer)

2012

2011

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Diensten

Benodigdheden

Werken

Gebouwen

167

39

21

3

73%

17%

9%

1%

168

43

29

5

68%

18%

12%

2%

Totaal

230

100%

245

100%

Type opdracht

(waarde 25 000 EUR of meer)

2012

2011

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Diensten

Benodigdheden

Werken

Gebouwen

478 867 118

20 050 555

48 097 311

177 282 082

66%

3%

7%

24%

372 679 542

181 515 814

33 142 238

15 881 213

61%

30%

6%

3%

Totaal

724 297 066

100%

603 218 807

100%

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement gegunde opdrachten, 2012, blz. 6)

105.  neemt kennis van onderstaande onderverdeling naar type van gebruikte procedure van de in 2012 en 2011 gegunde opdrachten:

Soort procedure

(tussen 15 000 EUR en 25 000 EUR)

2012

 

Aantal

Waarde (EUR)

Open

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Concurrentie

Uitzondering

0

0

94

-

-

0

0

1 899 958

-

-

Totaal

94

1 899 958

Soort procedure

(waarde 25 000 EUR of meer)

2012

2011

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Open

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Concurrentie

Uitzondering

93

4

133

-

-

40%

2%

58%

-

-

90

12

138

2

3

37%

5%

56%

1%

1%

Totaal

230

100%

245

100%

Soort procedure

(waarde 25 000 EUR of meer)

2012

2011

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Open

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Concurrentie

Uitzondering

268 775 678

245 111 639

210 409 749

-

-

37%

34%

29%

-

-

436 253 061

126 420 563

31 283 089

4 668 600

4 593 494

72 %

21 %

5 %

1 %

1 %

Totaal

724 297 066

100%

603 218 807

100%

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement gegunde opdrachten, 2012, blz. 8)

106.  merkt op dat van de in totaal 230 opdrachten die in 2012 werden gegund, er 97, met een totale waarde van 514 miljoen EUR, gebaseerd waren op openbare of niet-openbare procedures, terwijl er 133, met een waarde van 210 miljoen EUR, gebaseerd waren op onderhandelingsprocedures; constateert dat de aanzienlijke toename qua waarde van het gebruik van de onderhandelingsprocedure tussen 2011 en 2012 te wijten is aan de drie bouwopdrachten met een gezamenlijke waarde van 177,28 miljoen EUR, die voor een aanmerkelijke stijging van het desbetreffende totale bedrag hebben gezorgd;

107.  betreurt dat de administratie vanwege een beperking van de administratieve lasten voor opdrachten van geringe waarde, bedoeld om de deelname van kmo's aan inschrijvingen voor die opdrachten te verhogen, geen informatie heeft over het aantal kmo's dat een opdracht van geringe waarde in de wacht heeft gesleept; het secretariaat-generaal kan dan ook niet aantonen of de beperking van de administratieve lasten inderdaad heeft geleid tot een hogere deelname van kmo's en of de getroffen maatregelen doeltreffend zijn geweest; vraagt dat gegevens worden bijgehouden over het aantal kmo's waaraan opdrachten van geringe waarde zijn gegund;

108.  is van mening dat voor opdrachten onder de drempel van 60 000 EUR volledige transparantie inzake de gunningscriteria moet worden geboden en dat in een controle op eventuele belangenverstrengelingen dient te worden voorzien;

Buitengewone onderhandelingsprocedures

109.  stelt vast dat het gebruik van buitengewone onderhandelingsprocedures door het Parlement in 2012 qua aantallen is gedaald (van 59 in 2011 naar 43 in 2012), wat neerkomt op een vermindering met 27% voor de instelling als zodanig, en dat vijf directoraten-generaal deze procedure in 2012 in het geheel niet hebben toegepast, terwijl door één directoraat-generaal hetzelfde aantal opdrachten en door twee andere meer opdrachten volgens die procedure zijn gegund als in 2011; wijst er voorts op dat de bevoegde ordonnateur sinds 2012 in een bijlage bij de jaarlijkse activiteitenverslagen voor alle gevallen de redenen moet vermelden voor de gebruikmaking van de buitengewone onderhandelingsprocedure;

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

110.  is van mening dat de fracties centrale actoren van het Parlement en de Unie als geheel zijn aangezien hun transnationale karakter een unieke voorbeeldfunctie voor de hele wereld heeft, en meent dat zij een cruciale rol spelen als het erom gaat te waarborgen dat alle instellingen van de Unie aan een sterke democratische verantwoordingsplicht zijn onderworpen;

111.    merkt op dat de voor 2012 op begrotingspost 4 0 0 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt:

Fractie

2012

2011

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikma-kingsper-centage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikma-kingsper-centage van de jaarlijkse kredieten

Naar de volgende periode (2011) overge-dragen bedragen

PPE

21 128

2 024

18 974

89,81%

4 178

20 336

1 918

20 442

100,42%

1 832

S&D

14 908

6 313

14 520

97,40%

6 702

14 302

5 499

13 696

95,76%

6 105

ALDE

6 673

2 281

6 855

102,72%

2 100

6 477

2 416

6 676

103,07%

2 217

Verts/ALE

4 319

1 460

4 002

92,65%

1 778

4 025

1 242

3 820

94,91%

1 447

GUE/NGL

2 563

1 094

2 602

101,52%

1 055

2 535

1 088

2 553

100,71%

1 070

 

-

 

 

 

 

-

 

 

 

 

 

-

 

 

 

 

-

 

 

 

 

ECR

3 765

1 219

3 407

90,51%

1 577

3 831

720

3 375

88,09%

1 176

EFD

2 538

881

2 494

98,29%

925

2 088

835

2 046

98,03%

876

Niet-fractiegebonden leden

1 362

413

963

70,73%

367

1 270

409

924

72,72%

413

Totaal

57 255

15 687

53 817

94,00%

18 680

54 866

14 126

53 514

97,53%

15 137

*          alle bedragen x 1000 euro

 

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

112.  merkt op dat de voor 2012 op begrotingspost 4 0 2 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt(26):

Partij

Afkorting

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85%)

Ontvangsten-overschot (overgedragen naar reserves) of -verlies

Europese Volkspartij

PPE

1 471

6 483

8 863

85%

242

Partij van de Europese Sociaaldemocraten

PES

977

4 323

5 514

85%

91

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

440

1 950

2 784

85%

60

Europese Groenen

VERT

397

1 333

1 908

84%

127

Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers

AECR

216

1 139

1 701

85%

13

Europese Linkse Partij

EL

269

835

1 263

79%

47

Europese Democratische Partij

EDP/PDE

79

363

630

84%

0

Europese Vrije Alliantie

EVA

91

382

530

85%

23

EU Democraten

EUD

29

195

271

85%

-6

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

44

242

285

85%

0,6

Europese Alliantie voor Vrijheid

EAF

65

357

428

85%

2

Alliantie van Europese Nationale Bewegingen

 

AEMN

44

186

333

85%

-2

Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie

MELD

81

458

702

85%

0

Totaal

 

4 203

18 247

25 214

84%

598

(*)          alle bedragen x 1000 euro

113.  merkt op dat de voor 2012 op begrotingspost 4 0 3 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt(27):

Stichting

Afkorting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85%)

Centrum voor Europese Studies

CES

PPE

786

3 719

4 505

83%

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PES

517

2 795

3 312

85%

Europees Liberaal Forum

ELF

ALDE

183

996

1 179

85%

Green European Foundation

GEF

VERT

156

865

1 020

85%

Transform Europe

TE

EL

120

550

671

83%

Institute of European Democrats

IED

PDE

48

238

286

85%

Organisation For European Interstate Cooperation

OEIC

EUD

20

132

152

85%

Centrum Maurits Coppieters

CMC

EVA

36

200

235

85%

New Direction

ND

AECR

141

679

820

85%

European Christian Political Foundation

ECPF

ECPM

30

167

197

82%

European Foundation for Freedom

EFF

EAF

44

234

279

84%

Foundation for a Europe of Liberties and Democracy

FELD

MELD

56

194

250

78%

Totaal

 

 

2 136

10 768

12 905

84%

(*)          alle bedragen x 1000 euro

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.3.2014

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marta Andreasen, Jean-Pierre Audy, Inés Ayala Sender, Zuzana Brzobohatá, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Gerben-Jan Gerbrandy, Ingeborg Gräßle, Cătălin Sorin Ivan, Rina Ronja Kari, Monica Luisa Macovei, Jan Mulder, Eva Ortiz Vilella, Monika Panayotova, Crescenzio Rivellini, Bogusław Sonik, Bart Staes, Georgios Stavrakakis, Michael Theurer, Derek Vaughan

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Amelia Andersdotter, Philip Bradbourn, Esther de Lange, Vojtěch Mynář, Jan Olbrycht, Markus Pieper

(1)

PB L 56 van 29.2.2012.

(2)

PB C 334 van 15.11.2013, blz. 1.

(3)

PB C 188 van 29.6.2013, blz. 1.

(4)

PB C 331 van 14.11.2013, blz. 1.

(5)

PB C 334 van 15.11.2013, blz. 122.

(6)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(7)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(8)

PE 349.540/Bur/bijl./def.

(9)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 90.

(10)

PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 226.

(11)

PB L 56 van 29.2.2012.

(12)

PB C 334 van 15.11.2013, blz. 1.

(13)

PB C 188 van 29.6.2013, blz. 1.

(14)

PB C 331 van 14.11.2013, blz. 1.

(15)

PB C 334 van 15.11.2013, blz. 122.

(16)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(17)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(18)

PE 349.540/Bur/bijl./def.

(19)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 90.

(20)

PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 226.

(21)

Toestellen voor IP-telefonie (VoIP = Voice over Internet Protocol).

(22)

"The three places of work of the European Parliament – financial, environmental and regional impacts of geographic dispersion", nota van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 30 augustus 2013.

(23)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0498.

(24)

Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).

(25)

Het vrijwillig pensioenfonds werd opgericht als een vereniging zonder winstoogmerk (ASBL) onder Luxemburgs recht op 14 juli 1993.

(26)

Bron: PV BUR. 09.09.2013 (PE 512.496/BUR) punt 14 en PV BUR. 07.10.2013 (PE 516.110/BUR) punt 12.

(27)

Bron: PV BUR. 09.09.2013 (PE 512.496/BUR) punt 14, nota van de secretaris-generaal ter attentie van de leden van het Bureau: D(2013)33164

Juridische mededeling - Privacybeleid