Procedure : 2012/0193(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0251/2014

Ingediende teksten :

A7-0251/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/04/2014 - 7.32
CRE 16/04/2014 - 7.32
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0427

VERSLAG     ***I
PDF 524kWORD 600k
25.3.2014
PE 524.832v02-00 A7-0251/2014

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

(COM(2012)0363 – C7‑0192/2012 – 2012/0193(COD))

Commissie begrotingscontrole

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteurs: Ingeborg Gräßle, Juan Fernando López Aguilar

Rapporteur voor advies (*):

Tadeusz Zwiefka, Commissie juridische zaken

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

(Gezamenlijke commissievergaderingen – Artikel 51 van het Reglement)

PR_COD_1amCom

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGROND
 ADVIES van de Commissie juridische zaken (*)
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

(COM(2012)0363 – C7‑0192/2012 – 2012/0193(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0363),

–   gezien artikel 294, lid 2, en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0192/2012),

–   gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–   gezien het advies van de Rekenkamer van 15 november 2012(1),

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's van 10 oktober 2012(2),

–   gezien de artikelen 55 en 37 van zijn Reglement,

–   gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 51 van het Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A7‑0251/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Visum 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 325, lid 4,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 2,

Amendement  2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2) Om ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Unie op doeltreffende, evenredige en afschrikkende wijze worden beschermd, dient het strafrecht in de lidstaten de civiel- en bestuursrechtelijke bescherming tegen de ernstigste fraudegerelateerde gedragingen te blijven aanvullen, waarbij inconsistenties binnen en tussen deze rechtsgebieden dienen te worden vermeden.

(2) Om te zorgen voor een doeltreffende en evenredige bescherming, met een afschrikkende werking, tegen de ernstigste fraudegerelateerde gedragingen, en om de financiële belangen van de Unie zo goed mogelijk te beschermen, moeten in de lidstaten maatregelen op basis van civiel en bestuursrecht worden aangevuld met wetgeving op basis van strafrecht, waarbij inconsistenties binnen en tussen deze rechtsgebieden dienen te worden vermeden.

Amendement  3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3) De bescherming van de financiële belangen van de Unie vereist een gemeenschappelijke definitie van fraude die frauduleuze gedragingen aan de uitgaven- én ontvangstenzijde van de EU-begroting bestrijkt.

(3) De bescherming van de financiële belangen van de Unie vereist een gemeenschappelijke definitie van fraude, die frauduleuze gedragingen omvat met betrekking tot uitgaven- én ontvangsten, activa én passiva ten koste van de begroting van de Unie, met inbegrip van opgenomen en verstrekte leningen.

Amendement  4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6) De financiële belangen van de Unie kunnen worden geschaad wanneer afzonderlijke inschrijvers gegevens die zij verstrekken aan aanbestedende of subsidieverlenende autoriteiten baseren op informatie die zij op onrechtmatige wijze direct of indirect van het betrokken orgaan hebben verkregen, teneinde de aanbestedings- of subsidieregels te omzeilen of te verdraaien. Dergelijke gedragingen lijken sterk op fraude, maar hoeven niet te betekenen dat de inschrijver een fraudedelict heeft gepleegd, aangezien de inschrijving wellicht geheel voldoet aan alle vereisten. Manipulatie van aanbestedingsprocedures is in strijd met de mededingingsregels van de Unie en met nationale wetgeving van gelijke strekking. Dit gedrag wordt in de hele Unie al vervolgd en dient dan ook buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven.

(6) De financiële belangen van de Unie kunnen worden geschaad wanneer afzonderlijke inschrijvers gegevens die zij verstrekken aan aanbestedende of subsidieverlenende autoriteiten baseren op informatie die zij op illegale wijze direct of indirect van het betrokken orgaan hebben verkregen, teneinde de aanbestedings- of subsidieregels te omzeilen of te overtreden. Dergelijke gedragingen lijken sterk op fraude, maar hoeven aan de zijde van de inschrijver niet alle kenmerken van fraude te hebben, aangezien de inschrijving wellicht geheel voldoet aan alle vereiste criteria. Manipulatie van aanbestedingsprocedures is in strijd met de mededingingsregels van de Unie en met nationale wetgeving van gelijke strekking. Dit gedrag wordt in de hele Unie al vervolgd en dient dan ook buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven.

Amendement  5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8) Corruptie vormt een bijzonder ernstige bedreiging van de financiële belangen van de Unie, die in veel gevallen gepaard gaat met frauduleus gedrag. Op dit punt is dan ook specifieke strafbaarstelling nodig. Er dient te worden gewaarborgd dat de betrokken feiten, of deze nu in strijd zijn met de ambtsplicht of niet, onder de definitie vallen. Wat passieve corruptie en misbruik betreft, dient het begrip overheidsfunctionaris zodanig te worden gedefinieerd dat hieronder iedere functionaris valt die op grond van een benoeming, verkiezing of contract een ambt bekleedt, alsook personen die tot taak hebben om namens de overheid of andere openbare instanties diensten te verlenen aan de burger of in het algemeen belang, maar geen ambt bekleden, zoals aannemers die betrokken zijn bij het beheer van EU-middelen.

(8) Corruptie vormt een bijzonder ernstige bedreiging van de financiële belangen van de Unie, die in veel gevallen gepaard gaat met frauduleus gedrag. Op dit punt is dan ook specifieke strafbaarstelling nodig. Er dient te worden gewaarborgd dat de betrokken feiten, of deze nu in strijd zijn met de ambtsplicht of niet, onder de definitie vallen. Wat passieve corruptie en misbruik betreft, dient het begrip overheidsfunctionaris zodanig te worden gedefinieerd dat hieronder iedere functionaris valt die benoemd is, verkozen is, of werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst, dan wel een openbaar ambt bekleedt binnen de Unie, in de lidstaten of in derde landen. Particulieren worden in toenemende mate bij het beheer van de middelen van de Unie betrokken. Om de middelen van de Unie adequaat tegen corruptie en misbruik te beschermen, moeten voor de doeleinden van deze richtlijn in de definitie van "overheidsfunctionaris" daarom ook personen worden opgenomen die geen openbaar ambt bekleden, maar toch zijn aangewezen om op vergelijkbare wijze een overheidsfunctie in verband met de middelen van de Unie uit te oefenen, zoals contractanten die betrokken zijn bij het beheer van deze middelen.

Amendement  6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9) Een overheidsfunctionaris kan de financiële belangen van de Unie aantasten door bepaalde gedragingen die erop zijn gericht middelen of activa te misbruiken teneinde de financiële belangen van de Unie te schaden. Dergelijke gedragingen dienen dan ook uitdrukkelijk strafbaar te worden gesteld.

(9) Een overheidsfunctionaris kan de financiële belangen van de Unie aantasten door bepaalde gedragingen die erop zijn gericht middelen of activa te misbruiken teneinde de financiële belangen van de Unie te schaden. Dergelijke gedragingen dienen dan ook uitdrukkelijk en ondubbelzinnig strafbaar te worden gesteld.

Amendement  7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis) Een door een natuurlijke persoon gepleegd strafbaar feit, in de zin van deze richtlijn, veronderstelt opzet met betrekking tot alle bestanddelen van het strafbare feit. Strafbare feiten die zonder opzet zijn gepleegd door een natuurlijke persoon vallen niet onder deze richtlijn.

Amendement  8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14 bis) Het is passend om met betrekking tot de in deze richtlijn gedefinieerde strafbare feiten een minimale strafmaat in te voeren, maar tegelijkertijd mag de richtlijn geen inbreuk maken op de bevoegdheid van de gerechten en rechters in de lidstaten om in individuele gevallen zelfstandig te beslissen.

Amendement  9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(14 ter) Om te zorgen voor samenhangende Uniewetgeving met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie, is het passend om minimumstraffen in te voeren voor de in deze richtlijn gedefinieerde strafbare feiten. Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast. De lidstaten moeten de mogelijkheid behouden om met betrekking tot deze strafbare feiten strengere straffen te handhaven of in te voeren.

Amendement  10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17) Onverminderd andere verplichtingen op grond van het EU-recht, dient de samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie, waaronder de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, passend te worden geregeld, opdat er doeltreffend kan worden opgetreden tegen de in deze richtlijn omschreven strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden.

(17) Onverminderd andere verplichtingen op grond van het EU-recht, dient de samenwerking tussen de lidstaten, Eurojust en de Commissie, waaronder de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, passend te worden geregeld, opdat er doeltreffend kan worden opgetreden tegen de in deze richtlijn omschreven strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden.

Amendement  11

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bij deze richtlijn worden maatregelen vastgesteld op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad; hiertoe worden strafbare feiten gedefinieerd en sancties bepaald.

Bij deze richtlijn worden maatregelen vastgesteld op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en worden strafbare feiten gedefinieerd en sancties bepaald, om in de lidstaten en binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden en de geloofwaardigheid van de instellingen en initiatieven van de Unie te bevorderen.

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van deze richtlijn worden onder "de financiële belangen van de Unie" alle ontvangsten en uitgaven verstaan die worden gedekt door, zijn verworven in het kader van, of zijn verschuldigd aan:

Voor de toepassing van deze richtlijn worden onder "de financiële belangen van de Unie" verstaan: alle activa en passiva die door of namens de Unie en haar instellingen, organen en instanties worden beheerd, al haar financiële activiteiten, waaronder leningactiviteiten, alsmede, met name, alle ontvangsten en uitgaven die worden gedekt door, zijn verworven in het kader van, of zijn verschuldigd aan:

Motivering

Deze definitie is ruimer en omvat activa en passiva en leningactiviteiten.

Amendement  13

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b) de begrotingen van de instellingen, organen en de instanties die op grond van de Verdragen zijn opgericht, en de begrotingen die zij beheren en controleren.

(b) de begrotingen van de instellingen, organen en de instanties die krachtens de Verdragen zijn opgericht, en de begrotingen die zij direct dan wel indirect beheren en controleren.

Amendement  14

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4– lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het verstrekken van informatie, of het niet-verstrekken daarvan, aan aanbestedende of subsidieverlenende entiteiten of autoriteiten in een aanbestedings- of subsidieprocedure die raakt aan de financiële belangen van de Unie, door gegadigden of inschrijvers, of door personen die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij het opstellen van de inschrijvingen op aanbestedingen of van de subsidieaanvragen van die gegadigden of inschrijvers, indien dit opzettelijk gebeurt en met het oogmerk de subsidiabiliteits-, uitsluitings-, selectie- of toekenningscriteria te omzeilen of de toepassing ervan te verstoren, strafbaar wordt gesteld.

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het verstrekken van informatie, of het niet-verstrekken daarvan, aan aanbestedende of subsidieverlenende entiteiten of autoriteiten in een aanbestedings- of subsidieprocedure die raakt aan de financiële belangen van de Unie, door gegadigden of inschrijvers, of door personen die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij het opstellen van de inschrijvingen op aanbestedingen of van de subsidieaanvragen van die gegadigden of inschrijvers, indien dit opzettelijk gebeurt en met het oogmerk de subsidiabiliteits-, uitsluitings-, selectie- of toekenningscriteria te omzeilen of de toepassing ervan te verstoren, of de natuurlijke mededinging tussen inschrijvers te verstoren of belemmeren, strafbaar wordt gesteld.

Motivering

Het is belangrijk uitdrukkelijk te verwijzen naar onregelmatige activiteiten in verband met openbare aanbestedingen.

Amendement  15

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4– lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het witwassen van geld in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad33 waarbij activa betrokken zijn die afkomstig zijn uit de strafbare feiten waarop de onderhavige richtlijn betrekking heeft, strafbaar wordt gesteld.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het witwassen van geld in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad33 waarbij activa of inkomsten betrokken zijn die afkomstig zijn uit de strafbare feiten waarop de onderhavige richtlijn betrekking heeft, strafbaar wordt gesteld.

__________________

__________________

33 PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.

33 PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.

Amendement  16

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4– lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen, indien opzettelijk begaan, strafbaar worden gesteld:

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat passieve en actieve corruptie, indien opzettelijk begaan, strafbaar worden gesteld:

(a) de handeling van een overheidsfunctionaris die rechtstreeks of via een tussenpersoon voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander vraagt of aanneemt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde in strijd met zijn ambtsplicht, een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten, waardoor de financiële belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad (passieve corruptie);

(a) In deze richtlijn wordt onder passieve corruptie verstaan de handeling van een overheidsfunctionaris die rechtstreeks of via een tussenpersoon vooraf voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander vraagt of accepteert, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging, in ruil voor handelen dan wel uitstellen of afzien van handelen overeenkomstig zijn ambtsplicht of in de uitoefening van zijn ambt, al dan niet in strijd met zijn ambtelijke plichten, waardoor de financiële belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad.

(b) de handeling van wie een overheidsfunctionaris rechtstreeks of via een tussenpersoon een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor hemzelf of voor een ander belooft of verstrekt, om in strijd met zijn ambtsplicht een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten, waardoor de financiële belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad (actieve corruptie).

(b) In deze richtlijn wordt onder actieve corruptie verstaan de handeling van degene die een overheidsfunctionaris rechtstreeks of via een tussenpersoon een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor hemzelf of voor een ander belooft, aanbiedt of verstrekt, in ruil voor handelen, dan wel uitstellen of afzien van handelen overeenkomstig zijn ambtsplicht of in de uitoefening van zijn ambt, waardoor de financiële belangen van de Unie worden of kunnen worden geschaad, of als tegenprestatie voor één van deze handelingen in het verleden.

Amendement  17

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4– lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het opzettelijk door een overheidsfunctionaris vastleggen, besteden, toeëigenen of gebruiken van middelen voor andere dan doeleinden dan die waarvoor zij bestemd waren, met het oogmerk de financiële belangen van de Unie te schaden, strafbaar wordt gesteld (misbruik).

4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat misbruik, indien opzettelijk begaan, strafbaar wordt gesteld.

 

In deze richtlijn wordt onder misbruik verstaan het door een overheidsfunctionaris vastleggen, besteden, toe-eigenen of gebruiken van middelen voor andere doeleinden dan die waarvoor zij bestemd waren, waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

Amendement  18

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "overheidsfunctionaris" verstaan:

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "overheidsfunctionaris" verstaan:

(a) een ieder die voor de Unie of in een lidstaat of in een derde land een overheidsfunctie bekleedt en een wetgevend, uitvoerend, administratief of rechterlijk ambt uitoefent;

(a) een ambtenaar van de Unie of een nationale ambtenaar, met inbegrip van elke nationale ambtenaar van een andere lidstaat en elke nationale ambtenaar van een derde land.

 

Onder "ambtenaar van de Unie" wordt verstaan:

 

i) eenieder die bij overeenkomst is aangesteld in de hoedanigheid van ambtenaar of ander personeelslid in de zin van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie of van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie ("het personeelsstatuut"),

 

ii) eenieder die door de lidstaten of door een overheids- of particuliere instelling ter beschikking van een van de instellingen, organen of instanties van de Unie is gesteld om daar functies uit te oefenen die overeenstemmen met de functies die worden uitgeoefend door ambtenaren of andere personeelsleden van de Unie.

 

De leden van organen die overeenkomstig de Verdragen zijn ingesteld en het personeel van die organen en instanties worden als ambtenaren van de Unie behandeld, voor zover het personeelsstatuut niet op hen van toepassing is;

 

De term "nationaal ambtenaar" wordt uitgelegd overeenkomstig de definitie van "ambtenaar" of "overheidsfunctionaris" in de zin van het nationaal recht van de lidstaat of het derde land waar betrokkene die hoedanigheid heeft.

 

In geval van een door een lidstaat ingestelde strafvervolging tegen een ambtenaar van een andere lidstaat, of een nationaal ambtenaar van een derde land, is eerstgenoemde lidstaat evenwel slechts gehouden de definitie van "nationaal ambtenaar" toe te passen voor zover deze verenigbaar is met zijn nationale recht;

(b) ieder ander die, zonder een dergelijk ambt uit te oefenen, voor de Unie of in een lidstaat of in een derde land een overheidsfunctie bekleedt en betrokken is bij het beheer van of de besluitvorming inzake de financiële belangen van de Unie.

(b) ieder ander die is aangewezen om een overheidsfunctie te bekleden die het beheer van of de besluitvorming inzake de financiële belangen van de Unie in de lidstaten of in derde landen behelst.

Motivering

Dit amendement is gebaseerd op de huidige definitie van een ambtenaar die is opgenomen in het eerste protocol bij de van kracht zijnde PIF-overeenkomst, waarvan de lidstaten goed op de hoogte zijn en die door hen is goedgekeurd.

Amendement  19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5– lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van en medeplichtigheid aan de in titel II bedoelde feiten strafbaar worden gesteld.

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van en medeplichtigheid aan het plegen van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde feiten strafbaar worden gesteld.

Motivering

Technische wijziging.

Amendement  20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5– lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een poging om het in artikel 3 of artikel 4, lid 4, bedoelde feit te plegen, strafbaar wordt gesteld.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een poging om een van de in artikel 3 en artikel 4, lid 4, bedoelde feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld.

Motivering

Technische wijziging.

Amendement  21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor elk van de in titel II genoemde strafbare feiten wanneer die feiten tot hun voordeel zijn gepleegd door een persoon die hetzij individueel, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon optreedt en bij de rechtspersoon een leidende functie bekleedt op grond van:

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor elk van de in de artikelen 3, 4 en 5 genoemde strafbare feiten wanneer die feiten tot hun voordeel zijn gepleegd door een persoon die hetzij individueel, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon optreedt en bij de rechtspersoon een leidende functie bekleedt op grond van:

Motivering

Technische wijziging.

Amendement  22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6– lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Tevens zorgt iedere lidstaat ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer ten gevolge van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 bedoelde persoon, strafbare feiten als bedoeld in titel II konden worden begaan ten voordele van die rechtspersoon door een onder diens gezag staande persoon.

2. Tevens zorgt iedere lidstaat ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer ten gevolge van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 bedoelde persoon, strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 konden worden begaan ten voordele van die rechtspersoon door een onder diens gezag staande persoon.

Motivering

Technische wijziging.

Amendement  23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6– lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon krachtens de leden 1 en 2 sluit niet de strafrechtelijke vervolging uit van natuurlijke personen die als dader bij de in titel II bedoelde handelingen betrokken zijn of uit hoofde van artikel 5 strafrechtelijk aansprakelijk zijn.

3. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon krachtens de leden 1 en 2 sluit niet de strafrechtelijke vervolging uit van natuurlijke personen die als dader bij de in de artikelen 3 en 4 bedoelde handelingen betrokken zijn of uit hoofde van artikel 5 strafrechtelijk aansprakelijk zijn.

Motivering

Technische wijziging.

Amendement  24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7– lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Wat natuurlijke personen betreft, zorgen de lidstaten ervoor dat de in titel II bedoelde strafbare feiten kunnen worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen, waaronder boetes en gevangenisstraf als vastgesteld in artikel 8.

1. Wat natuurlijke personen betreft, zorgen de lidstaten ervoor dat de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen, waaronder boetes en gevangenisstraf als vastgesteld in artikel 8.

Motivering

Technische wijziging.

Amendement  25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7– lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. In het geval van lichtere strafbare feiten waarbij de schade minder dan 10 000 EUR bedraagt en de voordelen minder dan 10 000 EUR, mogen de lidstaten, als er geen sprake is van bijzondere verzwarende omstandigheden, ook in andere dan strafrechtelijke sancties voorzien.

2. In het geval van strafbare feiten waarbij de schade minder dan 5 000 EUR bedraagt en de voordelen minder dan 5 000 EUR, mogen de lidstaten, als er geen sprake is van verzwarende omstandigheden, ook in andere dan strafrechtelijke sancties voorzien.

Amendement  26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7– lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Lid 1 geldt onverminderd de uitoefening van disciplinaire bevoegdheden tegen overheidsfunctionarissen door de bevoegde instanties.

3. Lid 1 van dit artikel geldt onverminderd de uitoefening van disciplinaire bevoegdheden tegen overheidsfunctionarissen door de bevoegde instanties, als bedoeld in artikel 4, lid 5.

Amendement  27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – alinea 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a) een minimumstraf van minimaal zes maanden gevangenisstraf;

Schrappen

Motivering

Minimumstraffen doen geen recht aan de diversiteit van de rechtsstelsels en de behoefte aan rechterlijke beoordelingsvrijheid. De opneming ervan in deze richtlijn zou bovendien niet in overeenstemming zijn met het standpunt dat het Parlement heeft ingenomen ten aanzien van het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij.

Amendement  28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – alinea 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a) een minimumstraf van minimaal zes maanden gevangenisstraf;

Schrappen

Motivering

Minimumstraffen doen geen recht aan de diversiteit van de rechtsstelsels en de behoefte aan rechterlijke beoordelingsvrijheid. De opneming ervan in deze richtlijn zou bovendien niet in overeenstemming zijn met het standpunt dat het Parlement heeft ingenomen ten aanzien van het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij.

Amendement  29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Dit lid doet geen afbreuk aan de discretionaire bevoegdheid van rechtbanken en rechters in de lidstaten om in elke afzonderlijke zaak de meest passende en evenredige straf vast te stellen.

Amendement  30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8– lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in titel II bedoelde feiten strafbaar worden gesteld met een maximale gevangenisstraf van minimaal tien jaar wanneer deze worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals gedefinieerd in Kaderbesluit 2008/841/JBZ.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde feiten strafbaar worden gesteld met een maximale gevangenisstraf van minimaal tien jaar wanneer deze worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ.

Amendement  31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 8 bis

 

Verzwarende omstandigheden

 

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer is vastgesteld dat een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 3, 4 of 5 is gepleegd binnen een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ, dit als verzwarende omstandigheid wordt meegewogen bij de strafoplegging.

Motivering

Het is beter om dit als verzwarende omstandigheid te laten gelden dan het te behandelen als afzonderlijk strafbaar feit.

Amendement  32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9 – letter a bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(a bis) tijdelijke of permanente uitsluiting van de aanbestedingsprocedures van de Unie;

Amendement  33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 9 bis

 

Ne bis in idem

 

De lidstaten passen in hun nationale strafrecht het "ne bis in idem"-beginsel toe, volgens hetwelk een persoon die bij onherroepelijk vonnis in een lidstaat is berecht, in een andere lidstaat niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of feitelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende staat niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.

Amendement  34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11– lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om te voorzien in zijn rechtsmacht ten aanzien van de in de titel II bedoelde strafbare feiten die:

1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om te voorzien in zijn rechtsmacht ten aanzien van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten die:

(a) geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied zijn gepleegd; of

(a) geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied zijn gepleegd;

(b) zijn gepleegd door een eigen onderdaan.

(b) zijn gepleegd door een eigen onderdaan of op hun grondgebied gevestigde persoon; of

 

(c) zijn gepleegd door een persoon op wie het personeelsstatuut van toepassing is, of op wie het personeelsstatuut van toepassing was op het moment waarop het strafbare feit werd begaan.

Motivering

Met dit amendement op lid 1, letter b) wordt beoogd de werkingssfeer van de richtlijn te verruimen. Invoering in lid 1, letter c) van een derde categorie plegers van strafbare feiten sluit aan bij de operationele ervaring binnen OLAF: ambtenaren met een niet-EU-nationaliteit die niet op EU-grondgebied verblijven (in delegaties) behoren eveneens onder de PIF-jurisdictie te vallen.

Amendement  35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de terugvordering van bedragen die ten onrechte zijn betaald als gevolg van de in titel II bedoelde strafbare feiten.

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de terugvordering van bedragen die ten onrechte zijn betaald als gevolg van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten.

 

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de terugvordering van deze bedragen en de overdracht daarvan naar de begroting van de Unie te waarborgen, onverminderd de ter zake geldende sectorspecifieke regelgeving van de Unie inzake financiële correcties en terugvordering van ten onrechte uitgegeven bedragen. De lidstaten houden voorts een boekhouding bij van de teruggevorderde bedragen en stellen de bevoegde instellingen of organen van de Unie van de omvang van die bedragen in kennis of, ingeval bedragen niet konden worden teruggevorderd, delen de redenen mee waarom deze niet konden worden teruggevorderd.

Amendement  36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Commissie (Europees Bureau voor fraudebestrijding)

Samenwerking

Motivering

De samenwerking in het kader van deze richtlijn mag niet beperkt blijven tot samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie, maar moet ook de samenwerking tussen de lidstaten onderling betreffen.

Amendement  37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15– lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten en de Commissie werken samen bij de bestrijding van de in titel II bedoelde strafbare feiten. Daartoe verleent de Commissie de technische en operationele bijstand die de bevoegde nationale autoriteiten nodig kunnen hebben om coördinatie van het door hen ingestelde onderzoek te vergemakkelijken.

1. Onverminderd de regels inzake grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp in strafzaken, werken de lidstaten, Eurojust en de Commissie, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, samen bij de bestrijding van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten. Daartoe verleent de Commissie, en in voorkomend geval Eurojust, de technische en operationele bijstand die de bevoegde nationale autoriteiten nodig kunnen hebben om coördinatie van het door hen ingestelde onderzoek te vergemakkelijken.

Amendement  38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15– lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Teneinde de constatering van de feiten te vergemakkelijken en te zorgen voor een daadwerkelijke bestrijding van de in titel II bedoelde strafbare feiten kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten gegevens uitwisselen met de Commissie. De Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten houden in elk bijzonder geval rekening met de eisen inzake geheimhouding van het onderzoek en gegevensbescherming. Daartoe kan een lidstaat bij het verstrekken van informatie aan de Commissie bijzondere voorwaarden stellen aan het gebruik van die informatie door de Commissie dan wel door een andere lidstaat waaraan die informatie kan worden doorgegeven.

2. Teneinde de constatering van de feiten te vergemakkelijken en te zorgen voor een daadwerkelijke bestrijding van de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde strafbare feiten kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, gegevens uitwisselen met de Commissie en met Eurojust. De Commissie, Eurojust en de bevoegde nationale autoriteiten voldoen in elk bijzonder geval aan artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het toepasselijk EU-recht inzake de bescherming van persoonsgegevens, en houden rekening met de eisen inzake geheimhouding van het onderzoek. Daartoe kan een lidstaat bij het verstrekken van informatie aan de Commissie of aan Eurojust bijzondere voorwaarden stellen aan het gebruik van die informatie door de Commissie of door Eurojust, dan wel door een andere lidstaat waaraan die informatie kan worden doorgegeven.

Amendement  39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. De Rekenkamer, de nationale controleorganen (bijvoorbeeld als zij activiteiten onder gedeeld beheer controleren) en de controleurs die belast zijn met de controle van de begrotingen van de krachtens de Verdragen opgerichte instellingen, organen en instanties, of de door de instellingen beheerde en gecontroleerde begrotingen, melden aan OLAF alle strafbare feiten waarvan zij kennis krijgen tijdens hun onderzoek.

Amendement  40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 ter. Ambtenaren van de Unie melden aan OLAF alle strafbare feiten waarvan zij kennis krijgen tijdens hun onderzoek;

Amendement  41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 17 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 17 bis

 

Verslaglegging, statistieken en evaluatie

 

1. Uiterlijk op [24 maanden na het verstrijken van de termijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn] en daarna jaarlijks, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen en waarin wordt geëvalueerd in hoeverre de doelstellingen van de richtlijn zijn bereikt.

 

Dit verslag dient te verwijzen naar de informatie die door de lidstaten overeenkomstig lid 2 beschikbaar wordt gesteld.

 

2. Ter beoordeling van de doeltreffendheid van de systemen die zij ter bescherming van de financiële belangen van de Unie hebben opgezet, houden de lidstaten uitgebreide statistieken bij, die zij met behulp van bij de bevoegde autoriteiten verzamelde gegevens regelmatig bijwerken. De verzamelde statistische gegevens worden jaarlijks aan de Commissie toegezonden en omvatten:

 

a) het aantal keren dat strafvervolging is ingesteld, onderverdeeld naar het aantal strafprocedures dat geleid heeft tot seponering, tot vrijspraak en tot veroordeling, en het aantal lopende strafrechtelijke procedures,

 

b) de na strafrechtelijke procedures teruggevorderde bedragen en de niet-teruggevorderde bedragen,

 

c) het aantal verzoeken om bijstand, afkomstig van andere lidstaten, onderverdeeld naar het aantal ingewilligde en het aantal verworpen verzoeken.

 

3. Uiterlijk op [60 maanden na het verstrijken van de termijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn], legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een volledig evaluatieverslag voor over deze richtlijn, gebaseerd op de opgedane ervaringen en, in het bijzonder, op de verslagen en statistieken, ingediend overeenkomstig de leden 1 en 2. De Commissie dient zo nodig tegelijkertijd een voorstel in tot wijziging van deze richtlijn, waarbij zij naar behoren rekening houdt met de resultaten van deze evaluatie.

(1)

PB C 383 van 12.12.2012, blz. 1.

(2)

PB C 391 van 18.12.2012, blz. 134.


TOELICHTING

De rapporteurs zijn ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. De rapporteurs zijn het er met name mee eens dat fraude en daarmee samenhangende onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden een ernstig probleem vormen, met nadelige gevolgen voor de Unie en dus ook voor de belastingbetalers, die een dringend beroep doen op de Europese instellingen om ervoor te zorgen dat openbare middelen worden ingezet voor structurele groei, begrotingsconsolidatie en het creëren van werkgelegenheid.

De rapporteurs maken zich ernstige zorgen over de verschillen tussen de nationale rechtsstelsels en de voor fraude geldende sanctieregelingen in de lidstaten. In dit kader merken de rapporteurs op dat er op het gebied van fraudebestrijding weliswaar een goed gestructureerd acquis communautaire bestaat, maar dat de tenuitvoerlegging hiervan door de lidstaten tot nu toe slechts heeft geleid tot de vaststelling van onvoldoende geharmoniseerde en onderling aangepaste regels en voorschriften, waaronder sanctieregels. Dit gefragmenteerde rechtskader maakt het voor potentiële daders aantrekkelijk om zich binnen de Europese Unie te verplaatsen, op zoek naar het voor hen gunstigste rechtsstelsel. Het Europees Parlement is van oordeel dat de Unie en de lidstaten bij de aanpak van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad met één stem moeten spreken en afschrikkende maatregelen moeten vaststellen om in alle lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden.

Het wetgevingsvoorstel van de Commissie is in dit verband een stap in de goede richting, omdat daarbij bepalingen worden ingevoerd om de nationale rechtsstelsels beter op elkaar af te stemmen, onder meer strafrechtelijke maatregelen, om fraude en andere onwettige activiteiten met negatieve gevolgen voor de begroting van de Unie tegen te gaan. De rapporteurs zouden het voorstel echter verder willen verbeteren en stellen daartoe het volgende voor:

-     een nauwkeuriger en ruimere definitie van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Europees Parlement is in dit kader ingenomen met het feit dat de Commissie voorstelt btw-fraude ook in de richtlijn op te nemen;

-     een bepaling ter bevordering van de onderlinge afstemming van maatregelen gericht tegen onwettige activiteiten in verband met de toegang tot openbare aanbestedingen van de EU, zoals activiteiten die de natuurlijke mededinging tussen inschrijvers belemmeren of verstoren;

-     bepalingen die ieder strafbaar feit dat de financiële belangen van de Unie schaadt aanmerken als strafbaar, zonder onderscheid te maken tussen lichte en ernstige strafbare feiten op grond van de omvang van de voordelen. Om op EU-niveau rekening te houden met de bestaande nationale bepalingen, stellen de rapporteurs in dit verband ook voor om de drempel te verlagen van 10 000 EUR naar 5 000 EUR, en de lidstaten de mogelijkheid te bieden om, als zij dat willen, te voorzien in andere dan strafrechtelijke sancties beneden deze drempel. De rapporteurs willen fraudeurs het duidelijke signaal afgeven dat hun activiteiten boven deze drempel overal in Europa aangemerkt worden als strafbaar feit.

-     lagere normen voor gevangenisstraf wegens fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden, bedoeld om de nationale wetgevingen nader tot elkaar te brengen tot op een duidelijk bepaald niveau. De rapporteurs hebben hun aanpak gebaseerd op een vergelijkende analyse van de bestaande wettelijke bepalingen in de lidstaten. Het Europees Parlement stelt zich op het standpunt dat het belangrijk is de boodschap uit te dragen dat het plegen van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad niet langer wordt getolereerd.

-     een bepaling die rekening houdt met de rol van Eurojust bij de samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie in het kader van de bescherming van de financiële belangen van de Unie.

De rapporteurs zijn van mening dat het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt een belangrijke stap is op het gebied van het EU-strafrecht. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn er op dit gebied belangrijke verbeteringen doorgevoerd, zoals de afschaffing van de driepijlerstructuur en de versterkte positie van het Europees Parlement als volwaardig medewetgever op het gebied van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

De algemene doelstelling van het voorstel is het op doeltreffende, evenredige en afschrikkende wijze beschermen van de financiële belangen van de Unie. Met het oog daarop worden minimumvoorschriften vastgesteld, waaronder delictsomschrijvingen en minimum- en maximumsancties, op het gebied van de bestrijding van fraude en andere activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

De rapporteurs benadrukken dat het de bedoeling is dat deze richtlijn een kader biedt waarbinnen een toekomstig Europees openbaar ministerie moet gaan functioneren. De richtlijn vormt een belangrijke stap in de richting van een Europese ruimte voor strafrecht.

De rapporteurs zijn van mening dat het met het oog op de rechtszekerheid beter is geen onderscheid te maken tussen "lichte" en "ernstige" strafbare feiten. Zij vinden in dit verband dat alle fraude die de financiële belangen van de EU schaadt serieus genomen moet worden.

Voorts zijn zij het met de Commissie eens dat onderscheid gemaakt moet worden tussen enerzijds fraude en anderzijds corruptie en het witwassen van geld. Zij vinden echter, anders dan de Commissie, dat de verschillen tussen die strafbare feiten (en niet slechts de daarmee gemoeide bedragen) moeten doorklinken in de voorgestelde minimumsancties.

Voorts zijn de rapporteurs van mening dat het passend is om strafrechtelijke minimumstraffen in te voeren voor gevallen waarin de financiële belangen van de Unie op het spel staan, teneinde in de hele EU een zekere homogeniteit te bewerkstelligen wat betreft de sancties die worden opgelegd aan personen die de financiële belangen van de Unie schaden. Een dergelijke maatregel kan witwassers en fraudeurs ontmoedigen om te gaan forumshoppen en vormt bovendien een stap in de richting van een Europese ruimte voor strafrecht. Er mag daardoor echter geen inbreuk worden gemaakt op de bevoegdheid van de afzonderlijke gerechten en rechters in de lidstaten.

De rapporteurs vinden het belangrijk dat er tussen de lidstaten en de ter zake bevoegde instellingen en instanties van de Unie nauw wordt samengewerkt op het gebied van onderzoek en vervolging van fraude. In dit verband is het belangrijk te wijzen op de grotere rol die Eurojust kan gaan spelen bij toekomstige ontwikkelingen op het gebied van het EU-strafrecht.

De rapporteurs willen er voorts op wijzen dat er bij de invoering van een doeltreffend en afschrikkend middel ter bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, ook voor moet worden gezorgd dat in strafzaken in de hele EU voor procedurele waarborgen hoge normen gelden, in het bijzonder met betrekking tot het beginsel ne bis in idem.

Met dit verslag willen de rapporteurs tegemoetkomen aan de wensen van de burgers en belastingbetalers en een sterkere grondslag bieden ter waarborging van een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming van de financiële belangen van de Unie op haar hele grondgebied.


ADVIES VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN INZAKE DE RECHTSGROND

De heer Michael Theurer

Voorzitter

Commissie begrotingscontrole

BRUSSEL

Betreft:            Advies inzake de rechtsgrondslag van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363 – C7‑0192/2012 – 2012/0193(COD))

Geachte heer Theurer,

In haar vergadering van 27 november 2012 besloot de Commissie juridische zaken om ambtshalve, overeenkomstig artikel 37, lid 3, van het Reglement, de vraag te behandelen of er goede gronden zijn voor wijziging van de rechtsgrondslag van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363), door artikel 325, lid 4, VWEU, dat de Commissie als rechtsgrondslag noemt, te vervangen door artikel 83, lid 2 VWEU.

Achtergrond

1. Het voorstel

De voorgestelde richtlijn bevat geharmoniseerde strafrechtelijke bepalingen, waaronder ook delictsomschrijvingen en minimum- en maximumsanctions, op het gebied van fraudebestrijding en andere vormen van bescherming van de financiële belangen van de Unie.

In het voorstel wordt nader omschreven welke gedragingen strafbaar moeten worden gesteld als fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (artikel 3) en fraudegerelateerde strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad (artikel 4), zoals obstructie van aanbestedingsprocedures, witwassen van geld, actieve en passieve corruptie en misbruik van gelden. In dit verband voorziet het voorstel ook een definitie van "overheidsfunctionaris" (artikel 4, lid 5). Voorts wordt bepaald dat uitlokking van, medeplichtigheid aan en poging tot deze strafbare feiten eveneens strafbaar worden gesteld (artikel 5), en wordt de aansprakelijkheid van rechtspersonen geregeld (artikel 6). Ook wordt geregeld welke (bijzonder ernstige) feiten met gevangenisstraf moeten worden bestraft, waarbij minimum- en maximumstraffen worden voorgeschreven (artikel 8). Concreet moeten de lidstaten op dergelijke ernstige gevallen een minimumstraf stellen van ten minste 6 maanden en een maximumstraf van ten minste 5 jaar gevangenis. Op feiten gepleegd in georganiseerd crimineel verband moet een maximumstraf worden gesteld van ten minste tien jaar. Tevens worden de soorten minimumsancties voor rechtspersonen nader genoemd (artikel 9). Voorts zijn er bepalingen over bevriezing en confiscatie (artikel 10) en rechtsmacht (artikel 11). Daarnaast worden een aantal aspecten rond de verjaring geharmoniseerd (artikel 12), zoals een voorgestelde minimum-verjaringstermijn van 5 jaar en regels voor stuiting van de verjaring en voor het moment waarop de verjaringstermijn begint te lopen.

Tenslotte bevat het voorstel bepalingen over de verhouding tot andere toepasselijke rechtshandelingen van de Unie (artikel 14) en over samenwerking tussen de lidstaten en OLAF (artikel 15).

2. De rechtsgrondslagen in kwestie

a) De rechtsgrondslag volgens het voorstel

Het Commissievoorstel is gebaseerd op artikel 325, lid 4, VWEU dat als volgt luidt:

"Het Europees Parlement en de Raad nemen volgens de gewone wetgevingsprocedure, na raadpleging van de Rekenkamer, de nodige maatregelen aan op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, om in de lidstaten alsmede in de instellingen, de organen en de instanties van de Unie een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden.”

b) Voorgestelde wijziging van de rechtsgrondslag

Aan de Commissie juridische zaken wordt gevraagd na te gaan of het juister is artikel 83, lid 2, tot rechtsgrondslag te nemen in plaats van artikel 325, lid 4 VWEU. Artikel 83, lid 2, VWEU luidt als volgt:

"2. Indien onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij richtlijnen minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel 76 worden deze richtlijnen vastgesteld volgens de gewone of een bijzondere wetgevings­procedure die gelijk is aan de procedure voor de vaststelling van de betrokken harmonisatie­maatregelen.”

Analyse

1. De door het Hof van Justitie geformuleerde beginselen

Ten aanzien van de keuze van de rechtsgrondslag zijn uit de vaste rechtspraak van het Hof een aantal beginselen af te leiden. Allereerst is de keuze van de juiste rechtsgrondslag van constitutioneel belang, gelet op de gevolgen van de rechtsgrondslag voor de fundamentele bevoegdheden en de procedure(1). Ten tweede handelt iedere instelling volgens artikel 13, lid 2, van het VEU binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar volgens de Verdragen zijn toegedeeld(2). Ten derde moet volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie "de keuze van de rechtsgrondslag van een gemeenschapshandeling [...] berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling"(3).

2. De door de Commissie gekozen rechtsgrondslag

De Commissie motiveert haar keuze van de rechtsgrondslag als volgt: a)"Artikel 325 betreft de bevoegdheid van de EU om op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de nodige maatregelen aan te nemen die "afschrikkend moeten werken'(4). In artikel 325, lid 4, is vastgesteld welke wetgevingsprocedure geldt voor het aannemen van maatregelen die nodig zijn om een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden"(5). De “bestrijding van onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad” noemt zij een “bijzonder specifiek beleidsterrein", en artikel 325 moet nu juist dat ene belang beschermen waarover dat prioritaire beleid gaat, namelijk de openbare middelen van de Unie, zowel bij de inning als bij de besteding ervan.

3. Doel en inhoud van het voorstel voor een richtlijn

Bij de voorgestelde richtlijn worden maatregelen vastgesteld “op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad; hiertoe worden strafbare feiten gedefinieerd en sancties bepaald” (Artikel 1). In overweging 2 wordt dit nader toegelicht als volgt: “om ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Unie op doeltreffende, evenredige en afschrikkende wijze worden beschermd, dient het strafrecht in de lidstaten de civiel- en bestuursrechtelijke bescherming tegen de ernstigste fraudegerelateerde gedragingen te blijven aanvullen, waarbij inconsistenties binnen en tussen deze rechtsgebieden dienen te worden vermeden”.

De belangrijkste onderdelen van het voorstel die deze doelstelling moeten dienen zijn de delictsomschrijvingen, de invoering van minimum-straffen en de harmonisering van een aantal aspecten rond de verjaring. Die maatregelen worden hierboven ("Achtergrond", onder 1) nader besproken.

Aanscherping van de strafrechtelijke bepalingen in de lidstaten, met het oog op betere fraudebestrijding en betere bescherming van de financiële belangen van de Unie, èn harmonisering van die bepalingen, blijken dus samen met een enige verduidelijking en herordening, de voornaamste doelen van de voorgestelde richtlijn te zijn.

De vraag of artikel 325, lid 4, dan wel artikel 83, lid 2, VWEU de juiste rechtsgrondslag is voor dit voorstel komt in wezen neer op de vraag welke van deze bepalingen de lex specialis is in een geval als het onderhavige: is artikel 325, lid 4, VWEU een lex specialis voor maatregelen ter bestrijding van fraude of ter bescherming van de financiële EU-belangen, of is artikel 83, lid 2, VWEU een lex specialis voor bepaalde onderdelen van de harmonisatie van nationaal strafrecht, waar deze harmonisatie onmisbaar is voor een doeltreffende uitvoering van uniebeleid op een gebied waar harmonisatiemaatregelen zijn getroffen?

Artikel 325 VWEU is in de plaats gekomen van het vroegere artikel 280, lid 4, EG(6), dat als grondslag voor te nemen maatregelen de volgende beperking kende: "Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling". In artikel 325, lid 4, VWEU is die beperking niet terug te vinden. Daaruit zou men kunnen afleiden dat dit artikel thans ook in de bevoegdheid voorziet om harmonisatiemaatregelen op strafrechtelijk gebied te treffen. Dat schijnt in de toelichting bij het voorstel inderdaad de gedachtegang van de Commissie te zijn geweest, ofschoon zij zich hierover niet uitdrukkelijk uitlaat.

Anderzijds moet worden bedacht dat het Verdrag van Lissabon met artikel 83, lid 2, VWEU een nieuwe rechtsgrondslag heeft ingevoerd voor harmonisatie van materieel strafrecht, met het oog op een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waar harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld. Deze bepaling bekrachtigt de eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie, dat het strafrecht in het algemeen weliswaar niet tot de bevoegdheden van de Unie behoort, maar dat er uitzonderingen gelden, zoals wanneer gebruik van doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen onontbeerlijk is om de bestrijding van ernstige milieuaantastingen en de doeltreffendheid van de vastgestelde normen te kunnen verzekeren(7). De schrapping van de laatste zin van artikel 280, lid 4, EG kan dus ook te maken hebben met de invoering van deze nieuwe rechtsgrondslag. Interessant is dat op het gebied van douanesamenwerking ook zo’n schrapping heeft plaatsgevonden: De slotzin in artikel 135 EG(8) was gelijkluidend aan die van artikel 280 EG en is evenmin overgenomen in het corresponderende artikel 33 VWEU(9).

Wat de ontstaansgrond betreft van artikel 83, lid 2, VWEU, zijn in de documenten van de Conventie aanwijzingen te vinden voor de veronderstelling, dat de invoeging van een rechtsgrondslag in het Verdrag die de vaststelling van minimumregels inzake materieel strafrecht mogelijk maakt, wenselijk werd geacht in verband met de bescherming van de financiële belangen van de Unie(10). Dit biedt steun voor de opvatting dat artikel 83, lid 2, – de nieuwe rechtsgrondslag – een lex specialis waar het gaat om toekenning van bevoegdheid inzake materieel strafrecht. Voorts is hier van belang dat artikel 83, lid 2, VWEU specifieke eisen stelt ("nodig (…) voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie [...]") en de op deze bepaling te baseren regels aan inhoudelijke beperkingen onderwerpt ("minimumvoorschriften (…) met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied"). Bovendien is er nog een specifieke noodremclausule opgenomen in artikel 83, lid 3. Het zou vreemd zijn als deze beperkingen konden worden omzeild door aanwending van een andere materiële rechtsgrondslag. Zouden verschillende mogelijke rechtsgrondslagen voor materiële beleidsterreinen kunnen worden gebruikt dan zou dat ook de samenhang in toekomstige wetgeving op gebied van strafrechtharmonisatie schaden. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest van het Verdrag van Lissabon.

Tenslotte moet artikel 86 VWEU worden genoemd, dat voorziet in instelling van een Europees openbaar ministerie "ter bestrijding van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden"(11). Hieruit blijkt dat niet alle maatregelen in verband met bestrijding van fraude en andere schadelijke activiteiten voor de financiële belangen van de Unie uitputtend in artikel 325 VWEU zijn geregeld, zodat er ook voor artikel 83, lid 2, VWEU ruimte overblijft om terzake materieel-strafrechtelijke regelingen te treffen.

Tegen deze achtergrond bezien kan artikel 83, lid 2, VWEU de voorgestelde richtlijn dekken als vast komt te staan dat de voorgestelde maatregelen "nodig" zijn voor het anti-fraudebeleid. De Commissie voert in haar toelichting sterke argumenten aan voor deze stelling.

De voorgestelde maatregelen moeten ook nog op hun inhoud worden getoetst om te zien of zij geen verder reikende strekking hebben dan die van "minimumvoorschriften (…) met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied". Omdat de Commissie hoofdzakelijk geharmoniseerde definities en minimum sancties voorstelt, met wat flankerende maatregelen, schijnt artikel 83, lid 2, VWEU de belangrijkste elementen van het voorstel op het eerste gezicht wel te dekken. Dit punt moet evenwel in gedachten worden gehouden voor het verdere debat in de wetgevingsprocedure.

Aanbeveling van de Commissie juridische zaken

De Commissie juridische zaken behandelde deze kwestie op haar vergadering van 27 november 2012. Op deze vergadering heeft zij met algemene stemmen, met 22 stemmen vóór bij 0 onthouding(12) besloten de aanbeveling uit te spreken dat artikel 83, lid 2, VWEU de juiste rechtsgrondslag is van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.

Hoogachtend,

Klaus-Heiner Lehne

(1)

Advies 2/00 Protocol van Cartagena, Jurispr. 2001, blz. I-9713, par. 5; Zaak C-370/07 Commissie/ Raad, Jurispr. 2009, blz. I-8917, punten 46-49; Advies 1/08, Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten, Jurispr. 2009 blz. I-11129, par. 110.

(2)

Zaak C-403/07 Commissie/ blz. I-9045, punt 49 en de daarin aangehaalde jurisprudentie.

(3)

Zie meest recentelijk Zaak C-411/06 Commissie/Parlement en Raad, Jurispr. 2009, blz I-7585.

(4)

Zie tekst artikel 325(1) VWEU: "1. De Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten, alsmede in de instellingen, organen en instanties van de Unie, een doeltreffende bescherming moeten bieden”.

(5)

COM(2012)0363, toelichting, blz. 6.

(6)

Artikel 280, lid 4, EG-Verdrag: "4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 251, na raadpleging van de Rekenkamer, de nodige maatregelen aan op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financile belangen van de Gemeenschap worden geschaad, om in de lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.". (onderstreping toegevoegd).

(7)

Zaak C-176/07 Commissie/ Raad, Jurispr. 2005, blz. I-8917, punten 46-49; 48-51; Zaak C-440/05 Commissie tegen Raad, Jurisprudentie 2007, blz. I-09097; 66-69.

(8)

Artikel 135 VEG Binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag neemt de Raad volgens de procedure van artikel 251 maatregelen ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.". (Nadruk toegevoegd)

(9)

Artikel 33 VEG Binnen het toepassingsgebied van de Verdragen nemen het Europees parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie.

(10)

Slotverslag van Werkgroep X "vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid" "De werkgroep acht het daarom wenselijk een rechtsgrondslag in het nieuwe Verdrag in te voegen die de vaststelling van minimumregels mogelijk maakt [...] wanneer het feit een aanslag vormt op een gemeenschappelijk Europees belang dat op zich reeds materie van gemeenschappelijk beleid van de Unie uitmaakt (bv. vervalsing van de Euro, bescherming van een financieel belang van de Unie), behoort de onderlinge aanpassing van materieel strafrecht in de gereedschapskist van maatregelen voor het nastreven van dat beleid wanneer met niet-strafrechtelijke bepalingen niet kan worden volstaan".

(11)

Artikel 86 VEG "1. Ter bestrijding van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, kan de Raad op de grondslag van Eurojust volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen een Europees openbaar ministerie instellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

(12)

Bij de eindstemming waren aanwezig: Raffaele Baldassarre (ondervoorzitter), Sebastian Valentin Bodu (ondervoorzitter), Françoise Castex (ondervoorzitter), Sergio Gaetano Cofferati, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Klaus-Heiner Lehne (voorzitter), Eva Lichtenberger, Antonio Masip Hidalgo, Alajos Mészáros, Angelika Niebler, Evelyn Regner (ondervoorzitter), Rebecca Taylor, Alexandra Thein, Axel Voss, Cecilia Wikström.


ADVIES van de Commissie juridische zaken (*) (6.11.2013)

aan de Commissie begrotingscontrole en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

(COM(2012)0363 – C7‑0192/2012 – 2012/0193(COD))

Rapporteur voor advies (*): Tadeusz Zwiefka

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

AMENDEMENTEN

De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Amendement  1

Voorstel voor een richtlijn

Visum 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 325, lid 4,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 83, lid 2,

Amendement  2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2) Om ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Unie op doeltreffende, evenredige en afschrikkende wijze worden beschermd, dient het strafrecht in de lidstaten de civiel- en bestuursrechtelijke bescherming tegen de ernstigste fraudegerelateerde gedragingen te blijven aanvullen, waarbij inconsistenties binnen en tussen deze rechtsgebieden dienen te worden vermeden.

(2) Om te zorgen voor een doeltreffende en evenredige bescherming tegen de ernstigste fraudegerelateerde gedragingen, en om de financiële belangen van de Unie zo goed mogelijk te beschermen, moeten in de lidstaten maatregelen op basis van civiel en bestuursrecht worden aangevuld met wetgeving op basis van strafrecht, waarbij inconsistenties binnen en tussen deze rechtsgebieden dienen te worden vermeden.

Amendement  3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6) De financiële belangen van de Unie kunnen worden geschaad wanneer afzonderlijke inschrijvers gegevens die zij verstrekken aan aanbestedende of subsidieverlenende autoriteiten baseren op informatie die zij op onrechtmatige wijze direct of indirect van het betrokken orgaan hebben verkregen, teneinde de aanbestedings- of subsidieregels te omzeilen of te verdraaien. Dergelijke gedragingen lijken sterk op fraude, maar hoeven niet te betekenen dat de inschrijver een fraudedelict heeft gepleegd, aangezien de inschrijving wellicht geheel voldoet aan alle vereisten. Manipulatie van aanbestedingsprocedures is in strijd met de mededingingsregels van de Unie en met nationale wetgeving van gelijke strekking. Dit gedrag wordt in de hele Unie al vervolgd en dient dan ook buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven.

(6) De financiële belangen van de Unie kunnen worden geschaad wanneer afzonderlijke inschrijvers gegevens die zij verstrekken aan aanbestedende of subsidieverlenende autoriteiten baseren op informatie die zij op illegale wijze direct of indirect van het betrokken orgaan hebben verkregen, teneinde de aanbestedings- of subsidieregels te omzeilen of te overtreden. Dergelijke gedragingen lijken sterk op fraude, maar hoeven aan de zijde van de inschrijver niet alle kenmerken van fraude te hebben, aangezien de inschrijving wellicht geheel voldoet aan alle vereiste criteria. Manipulatie van aanbestedingsprocedures is in strijd met de mededingingsregels van de Unie en met nationale wetgeving van gelijke strekking. Dit gedrag wordt in de hele Unie al vervolgd en dient dan ook buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven.

Amendement  4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Corruptie vormt een bijzonder ernstige bedreiging van de financiële belangen van de Unie, die in veel gevallen gepaard gaat met frauduleus gedrag. Op dit punt is dan ook specifieke strafbaarstelling nodig. Er dient te worden gewaarborgd dat de betrokken feiten, of deze nu in strijd zijn met de ambtsplicht of niet, onder de definitie vallen. Wat passieve corruptie en misbruik betreft, dient het begrip overheidsfunctionaris zodanig te worden gedefinieerd dat hieronder iedere functionaris valt die op grond van een benoeming, verkiezing of contract een ambt bekleedt, alsook personen die tot taak hebben om namens de overheid of andere openbare instanties diensten te verlenen aan de burger of in het algemeen belang, maar geen ambt bekleden, zoals aannemers die betrokken zijn bij het beheer van EU-middelen.

Corruptie vormt een bijzonder ernstige bedreiging van de financiële belangen van de Unie, die in veel gevallen gepaard gaat met frauduleus gedrag. Op dit punt is dan ook specifieke strafbaarstelling nodig. Er dient te worden gewaarborgd dat de betrokken feiten, of deze nu in strijd zijn met de ambtsplicht of niet, onder de definitie vallen. Wat passieve corruptie en misbruik betreft, dient het begrip overheidsfunctionaris zodanig te worden gedefinieerd dat hieronder iedere functionaris valt die op grond van een benoeming, verkiezing of contract in de Unie, in de lidstaten dan wel in derde landen een ambt bekleedt. Particulieren worden in toenemende mate bij het beheer van de middelen van de Unie betrokken. Om de middelen van de Unie adequaat tegen corruptie en misbruik te beschermen, moeten voor de doeleinden van deze richtlijn in de definitie van "overheidsfunctionaris" daarom ook personen worden opgenomen die geen ambt bekleden, maar toch zijn aangewezen om op vergelijkbare wijze een overheidsfunctie in verband met de middelen van de Unie uit te oefenen, zoals contractanten die betrokken zijn bij het beheer van deze middelen.

Amendement  5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9) Een overheidsfunctionaris kan de financiële belangen van de Unie aantasten door bepaalde gedragingen die erop zijn gericht middelen of activa te misbruiken teneinde de financiële belangen van de Unie te schaden. Dergelijke gedragingen dienen dan ook uitdrukkelijk strafbaar te worden gesteld.

(9) Een overheidsfunctionaris kan de financiële belangen van de Unie aantasten door bepaalde gedragingen die erop zijn gericht middelen of activa te misbruiken teneinde de financiële belangen van de Unie te schaden. Dergelijke gedragingen dienen dan ook uitdrukkelijk en ondubbelzinnig strafbaar te worden gesteld.

Amendement  6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12) Teneinde de financiële belangen van de Unie in de gehele Unie op gelijkwaardige wijze te beschermen door middel van afschrikkende maatregelen, dienen de lidstaten bovendien te voorzien in bepaalde minimumsancties, qua soort en strafmaat, voor de in deze richtlijn vastgestelde strafbare feiten. De strafmaat dient niet verder te gaan dan wat evenredig is met de strafbare feiten en er dient dan ook een bedrag te worden vastgesteld waaronder strafbaarstelling niet nodig is.

(12) Teneinde de financiële belangen van de Unie in de gehele Unie op gelijkwaardige wijze te beschermen door middel van afschrikkende maatregelen, dienen de lidstaten bovendien te voorzien in bepaalde qua soort en strafmaat verschillende sancties, voor de in deze richtlijn vastgestelde strafbare feiten.

Amendement  7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14) Aan natuurlijke personen dient in ernstiger gevallen gevangenisstraf te kunnen worden opgelegd. Als ernstig dienen te worden aangemerkt gevallen waarin als gevolg van het criminele gedrag een bepaalde minimale totale schade, uitgedrukt in een geldbedrag, is toegebracht aan de begroting van de Unie alsook aan eventuele andere begrotingen. Er dienen minimale maximumgevangenisstraffen te worden vastgesteld om te waarborgen dat de financiële belangen van de Unie in heel Europa op gelijkwaardige wijze worden beschermd. De minimumsanctie van zes maanden waarborgt dat voor de strafbare feiten die zijn vastgelegd in artikel 2 van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en uitgevoerd, teneinde de justitiële en politiële samenwerking zo doeltreffend mogelijk te laten verlopen. De sancties dienen ook om in heel Europa potentiële criminelen af te schrikken. Er dient te worden voorzien in strengere sancties voor gevallen waarin het strafbare feit wordt gepleegd binnen een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad.

(14) Aan natuurlijke personen dient gevangenisstraf te kunnen worden opgelegd. Er dienen minimale maximumgevangenisstraffen te worden vastgesteld om te waarborgen dat de financiële belangen van de Unie in heel Europa op gelijkwaardige wijze worden beschermd. De minimumsanctie van zes maanden waarborgt dat voor de strafbare feiten die zijn vastgelegd in artikel 2 van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en uitgevoerd, teneinde de justitiële en politiële samenwerking zo doeltreffend mogelijk te laten verlopen. De sancties dienen ook om in heel Europa potentiële criminelen af te schrikken. Er dient te worden voorzien in strengere sancties voor gevallen waarin het strafbare feit wordt gepleegd binnen een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad.

Amendement  8

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – lid 1– letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b) de begrotingen van de instellingen, organen en de instanties die op grond van de Verdragen zijn opgericht, en de begrotingen die zij beheren en controleren.

b) de begrotingen van de instellingen, organen en de instanties die krachtens de Verdragen zijn opgericht, en de begrotingen die zij beheren en controleren.

Amendement  9

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "overheidsfunctionaris" verstaan:

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "overheidsfunctionaris" verstaan:

a) een ieder die voor de Unie of in een lidstaat of in een derde land een overheidsfunctie bekleedt en een wetgevend, uitvoerend, administratief of rechterlijk ambt uitoefent;

a) een ambtenaar van de Unie of een nationale ambtenaar, met inbegrip van elke nationale ambtenaar van een andere lidstaat en elke nationale ambtenaar van een derde land;

 

i) onder "ambtenaar van de Unie" wordt verstaan:

 

- eenieder die bij overeenkomst is aangesteld in de hoedanigheid van ambtenaar of ander personeelslid in de zin van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie of van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie,

 

- eenieder die door de lidstaten of door een overheids- of particuliere instelling ter beschikking van de Europese Unie is gesteld om daar functies uit te oefenen die overeenstemmen met de functies die worden uitgeoefend door ambtenaren of andere personeelsleden van de Unie.

 

De leden van organen die overeenkomstig de Verdragen zijn ingesteld en het personeel van die organen worden als ambtenaren van de Unie behandeld, voor zover het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie niet op hen van toepassing zijn;

 

ii) de term "nationaal ambtenaar" wordt uitgelegd overeenkomstig de definitie van "ambtenaar" of "overheidsfunctionaris" in de zin van het nationaal recht van de lidstaat waar betrokkene die hoedanigheid heeft.

 

In geval van een door een lidstaat ingestelde strafvervolging tegen een ambtenaar van een andere lidstaat, of een nationaal ambtenaar van een derde land, is eerstgenoemde lidstaat evenwel slechts gehouden de definitie van "nationaal ambtenaar" toe te passen voor zover deze verenigbaar is met zijn nationale recht;

b) ieder ander die, zonder een dergelijk ambt uit te oefenen, voor de Unie of in een lidstaat of in een derde land een overheidsfunctie bekleedt en betrokken is bij het beheer van of de besluitvorming inzake de financiële belangen van de Unie.

b) ieder ander die is aangewezen om een overheidsfunctie te bekleden die het beheer van of de besluitvorming inzake de financiële belangen van de Unie in de lidstaten of in derde landen behelst.

Motivering

Dit amendement is gebaseerd op de huidige definitie van een ambtenaar die is opgenomen in het eerste protocol bij de van kracht zijnde PIF-overeenkomst, waarvan de lidstaten goed op de hoogte zijn en die door hen is goedgekeurd.

Amendement  10

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Commissie (Europees Bureau voor fraudebestrijding)

Samenwerking tussen de lidstaten, de Europese Rekenkamer, de nationale controleorganen, ambtenaren van de Europese instellingen, auditeurs en de Europese Commissie (Europees Bureau voor fraudebestrijding)

Amendement  11

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. De Europese Rekenkamer, de nationale controleorganen, bijvoorbeeld voor de controle van activiteiten onder gedeeld beheer, en de auditeurs die een controleopdracht moeten uitvoeren binnen de begrotingen van de instellingen, organen en de instanties die als toepassing van de Verdragen zijn opgericht en de begrotingen die zij beheren en controleren, onthullen, op straffe van de ingebrekestelling van hun strafrechtelijke aansprakelijkheid, aan OLAF de strafbare feiten die zij tijdens hun opdracht te weten zijn gekomen zonder dat hun aansprakelijkheid in gebreke kan worden gesteld wegens die onthulling;

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 ter. Ambtenaren van de Europese instellingen onthullen, op straffe van de ingebrekestelling van hun strafrechtelijke aansprakelijkheid, aan OLAF de strafbare feiten waarvan zij op de hoogte zijn zonder dat hun aansprakelijkheid in gebreke kan worden gesteld wegens die onthulling;

PROCEDURE

Titel

Strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

Document- en procedurenummers

COM(2012)0363 – C7-0192/2012 – 2012/0193(COD)

Commissies ten principale

       Datum bekendmaking

CONT

11.9.2012

LIBERALISERING

11.9.2012

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

Rapporteur(s)

11.9.2012

Medeverantwoordelijke commissie(s) - datum bekendmaking

13.6.2013

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Tadeusz Zwiefka

18.9.2012

Artikel 51 - Gezamenlijke commissievergaderingen

       Datum bekendmaking

       

       

10.6.2013

Behandeling in de commissie

30.5.2013

9.7.2013

 

 

Datum goedkeuring

5.11.2013

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raffaele Baldassarre, Luigi Berlinguer, Sebastian Valentin Bodu, Françoise Castex, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Sajjad Karim, Klaus-Heiner Lehne, Antonio Masip Hidalgo, Alajos Mészáros, Bernhard Rapkay, Evelyn Regner, Rebecca Taylor, Alexandra Thein, Cecilia Wikström, Zbigniew Ziobro, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Eva Lichtenberger, József Szájer


PROCEDURE

Titel

Strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

Document- en procedurenummers

COM(2012)0363 – C7-0192/2012 – 2012/0193(COD)

Datum indiening bij EP

11.7.2012

 

 

 

Commissies ten principale

       Datum bekendmaking

CONT

11.9.2012

LIBE

11.9.2012

 

 

Medeadviserende commissie(s)

       Datum bekendmaking

ECON

11.9.2012

JURI

11.9.2012

 

 

Geen advies

       Datum besluit

ECON

11.9.2012

 

 

 

Medeverantwoordelijke commissie(s)

       Datum bekendmaking

JURI

13.6.2013

 

 

 

Rapporteur(s)

       Datum benoeming

Ingeborg Gräßle

9.12.2013

Juan Fernando López Aguilar

9.12.2013

 

 

Artikel 51 - Gezamenlijke commissievergaderingen

       Datum bekendmaking

       

       

10.6.2013

Betwisting rechtsgrondslag

       Datum JURI-advies

JURI

27.11.2012

 

 

 

Behandeling in de commissie

22.1.2014

20.2.2014

20.3.2014

 

Datum goedkeuring

20.3.2014

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

44

2

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Marta Andreasen, Inés Ayala Sender, Arkadiusz Tomasz Bratkowski, Zuzana Brzobohatá, Philip Claeys, Carlos Coelho, Ioan Enciu, Frank Engel, Cornelia Ernst, Monika Flašíková Beňová, Kinga Gál, Kinga Göncz, Ingeborg Gräßle, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Anna Hedh, Lívia Járóka, Timothy Kirkhope, Juan Fernando López Aguilar, Monica Luisa Macovei, Svetoslav Hristov Malinov, Anthea McIntyre, Nuno Melo, Louis Michel, Claude Moraes, Jan Mulder, Monika Panayotova, Antigoni Papadopoulou, Carmen Romero López, Paul Rübig, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Renate Sommer, Rui Tavares, Kyriacos Triantaphyllides, Axel Voss, Renate Weber, Cecilia Wikström, Tatjana Ždanoka, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Cornelis de Jong, Mariya Gabriel, Iliana Malinova Iotova, Jean Lambert, Hubert Pirker, Olle Schmidt, Czesław Adam Siekierski, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Jo Leinen, Emilio Menéndez del Valle, Luis Yáñez-Barnuevo García

Datum indiening

25.3.2014

Juridische mededeling - Privacybeleid