VERSLAG over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Sergei Stanishev

9.3.2015 - (2014/2259(IMM))

Commissie juridische zaken
Rapporteur: Andrzej Duda

Procedure : 2014/2259(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A8-0045/2015
Ingediende teksten :
A8-0045/2015
Debatten :
Stemmingen :
Aangenomen teksten :

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Sergei Stanishev

(2014/2259(IMM))

Het Europees Parlement,

–       gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Sergei Stanishev, dat op 24 november 2014 door de Procureur-Generaal van de Republiek Bulgarije (ref. CCAN No C-280/2013) werd doorgezonden en de ontvangst waarvan op 15 december 2014 ter plenaire vergadering werd aangekondigd,

–       na Sergei Stanishev te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5 van zijn Reglement,

–       gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–       gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en donderdag 17 januari 2013[1],

–       gezien artikel 70 van de grondwet van de Republiek Bulgarije,

–       gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1 en artikel 9 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0045/2015),

A.     overwegende dat de Procureur-Generaal van de Republiek Bulgarije een verzoek heeft doorgezonden van het parket van de openbare aanklager bij de rechtbank van Sofia om toestemming tot voortzetting van het strafrechtelijk onderzoek tegen Sergei Stanishev in verband met een strafbaar feit als bedoeld in artikel 358, lid 1, juncto artikel 26, lid 1, van het Bulgaarse wetboek van strafrecht;

B.     overwegende dat ingevolge artikel 8 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en zij niet kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

C.     overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tijdens de zittingsduur van het Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

D.     overwegende dat een lid van de Nationale Vergadering ingevolge artikel 70, lid 1, van de grondwet van de Republiek Bulgarije immuniteit geniet tegen arrest of strafvervolging behalve wanneer het gaat om het plegen van een misdrijf, en dat in dat geval de toestemming van de Nationale Vergadering is vereist of indien met reces, van de voorzitter van de Nationale Vergadering, behalve in geval van betrapping op heterdaad; overwegende dat ingevolge artikel 70, lid 2, van de grondwet van de Republiek Bulgarije deze toestemming niet is vereist wanneer het betrokken lid van de Nationale Vergadering schriftelijk met de strafvervolging instemt;

E.     overwegende dat het uitsluitend aan het Parlement is te beslissen of de immuniteit in een bepaald geval al dan niet wordt opgeheven; overwegende dat het Parlement in redelijkheid rekening kan houden met het standpunt van het lid wanneer het zijn besluit neemt diens immuniteit al dan niet op te heffen[2];

F.     overwegende dat de ten laste gelegde feiten geen rechtstreeks duidelijk verband hebben met het functioneren van Sergei Stanishev als lid van het Europees Parlement, en dat het niet gaat om een mening of stem die hij in het kader van de uitoefening van zijn taken als lid van het Europees Parlement heeft uitgebracht, als bedoeld in artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

G.     overwegende dat het strafrechtelijk vooronderzoek tegen Sergei Stanishev al een aanvang had genomen lang voordat hij lid werd van het Europees Parlement, en dat de strafzaak dus geen verband houdt met zijn positie als lid van het Europees Parlement

H.     overwegende dat Sergei Stanishev al tweemaal, eerst als eerste minister en vervolgens als lid van de Nationale Vergadering, bij schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de Nationale Vergadering met strafvervolging heeft ingestemd, overeenkomstig artikel 70, lid 2, van de grondwet van de Republiek Bulgarije.

I.      overwegende dat het Parlement in deze zaak geen bewijs heeft gevonden dat duidt op fumus persecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en precies vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen;

1.      besluit de immuniteit van Sergei Stanishev op te heffen;

2.      verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de desbevoegde autoriteiten van de Republiek Bulgarije en aan Sergei Stanishev.

  • [1]  Vonnis in zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, EU:C:1964:28; vonnis in zaak 149/85, Wybot/Faure e.a., EU:C:1986:310; vonnis in zaak T-345/05, Mote/Parlement, EU:T:2008:440; vonnis in gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, EU:C:2008:579; vonnis in zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement, EU:T:2010:102; vonnis in zaak C-163/10, Patriciello, EU:C:2011:543; vonnis in gevoegde zaken T-346/11 en T-347/11, Gollnisch/Parlement, EU:T:2013:23.
  • [2]  Zaak T-345/05, Mote/Parlement (reeds aangehaald), punt 28.

TOELICHTING

1. Achtergrond

Sergei Stanishev wordt ervan verdacht in zijn vroegere hoedanigheid van premier van de Republiek Bulgarije, in de periode 4 november 2005 - 27 juli 2009, zeven documenten te hebben zoekgemaakt met informatie die als staatsgeheim was geclassificeerd in de zin van de Bulgaarse wet op bescherming van geclassificeerde informatie (hierna de "de BGI-wet"). Meer concreet luidt de beschuldiging dat hij die documenten aan anderen zou hebben overhandigd in strijd met de geldende regels, want in het register voor geclassificeerde informatie van de ministerraad was dit niet vermeld.

Het OM verwijt Sergei Stanishev daarom onzorgvuldigheid met de procedures voor bescherming, overdracht en circulatie van documenten als bedoeld in de BGI-wet met bijbehorende uitvoeringsbepalingen en de interne regels van de ministerraad voor de omgang met geclassificeerde informatie. Deze gedragingen zijn een strafbaar gesteld bij artikel 358, lid 1, (delicten inzake staatsgeheimen en buitenlandse geclassificeerde informatie) juncto artikel 26, lid 1 van het Bulgaarse wetboek van strafrecht.

Op 3 november 2009 richtte de toenmalige Procureur-Generaal van Bulgarije een verzoek aan de Nationale Vergadering om toestemming voor de instelling van strafvervolging tegen de eerste minister Stanishev. De heer Stanishev stemde zelf meteen in met de opening van een strafprocedure tegen hemzelf, en richtte daartoe een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de Nationale Vergadering overeenkomstig artikel 70, lid 2, van de Bulgaarse grondwet.

Toen de procedure eenmaal was ingesteld, in 2010, moest zij weer worden aangehouden omdat de heer Stanishev inmiddels lid was geworden van de Nationale Vergadering en dus op andere gronden immuniteit genoot. Wederom gaf de heer Stanishev zijn instemming en de procedure kon op 4 november 2013 weer worden hervat.

Op 19 december 2013 stelde het OM voor de heer Stanishev te ontslaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het delict van artikel 358, lid 1, wetboek van strafrecht, en hem in plaats daarvan een administratieve boete op te leggen als bedoeld in artikel 78a wetboek van strafrecht. Daarop werd een administratiefrechtelijke strafzaak geopend. Toen de heer Stanishev evenwel in mei 2014 in het Europees Parlement werd gekozen, besloot de rechtbank de procedure aan te houden omdat er wederom sprake was van een andere vorm van immuniteit.

Tijdens de plenaire vergadering van 15 december 2014 deelde de Voorzitter overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement mee een brief te hebben ontvangen van de Procureur-Generaal van de Bulgaarse Republiek met daarin een verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van de heer Stanishev met het oog op een lopende strafprocedure.

De Voorzitter verwees dit verzoek overeenkomstig artikel 9, lid 1, naar de Commissie juridische zaken. Op 9 maart 2014 heeft deze commissie de heer Stanishev gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van het Reglement.

2. De wetgeving en procedure inzake de immuniteit van de leden van het Europees Parlement

De artikelen 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie luiden als volgt:

Artikel 8

Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel 9

Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

a. op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

b. op het grondgebied van andere lidstaten, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

De artikelen 6, lid 1, en 9 van het Reglement van het Europees Parlement luiden als volgt:

Artikel 6 - Opheffing van de immuniteit:

1. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. Een verzoek om opheffing van de immuniteit wordt overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en de beginselen in dit artikel beoordeeld.

(...)

Artikel 9 - Immuniteitsprocedures:

1. Ieder tot de Voorzitter gericht verzoek door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat om opheffing van de immuniteit van een lid, of door een lid of voormalig lid om verdediging van privileges en immuniteiten, wordt ter plenaire vergadering medegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie.

Lid of voormalig lid kan worden vertegenwoordigd door een ander lid. Het verzoek kan niet door een ander lid worden gedaan zonder toestemming van het betrokken lid.

2. De commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteiten onverwijld en met inachtneming van de relatieve complexiteit ervan.

3. De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteit in te willigen dan wel af te wijzen.

4. De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij nodig acht om zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid van opheffing of verdediging van de immuniteit.

5. Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord

en kan alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die het voor het vormen van bovengenoemd oordeel nodig acht. Het betrokken lid kan zich doen vertegenwoordigen door een ander lid.

Behalve bij de hoorzitting zelf is het lid niet bij de debatten over het verzoek om opheffing of verdediging van zijn immuniteit aanwezig.

De voorzitter van de commissie nodigt het lid uit om te worden gehoord op een nader aangegeven datum en tijdstip. Het lid kan afstand doen van zijn recht om te worden gehoord.

Verschijnt het lid niet op de hoorzitting conform de uitnodiging, dan wordt het lid geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord, tenzij het lid onder opgave van redenen verzoekt te worden verschoond van verschijning op de hoorzitting op de voorgestelde datum en tijd. De voorzitter van de commissie is als enige bevoegd om te bepalen of een dergelijk verschoningsverzoek in het licht van de opgegeven redenen wordt ingewilligd; hiertegen is geen beroep mogelijk.

Wanneer de voorzitter van de commissie het verschoningsverzoek inwilligt, nodigt hij het lid uit om te worden gehoord op een nieuwe datum en tijdstip. Gaat het lid niet in op de tweede uitnodiging om te worden gehoord, dan wordt de procedure voortgezet zonder dat het lid is gehoord. Er kunnen dan geen nieuwe verzoeken om verschoning of om te worden gehoord meer worden aanvaard.

(...)

7. De commissie kan een met redenen omkleed advies uitbrengen over de bevoegdheid ter zake van de desbetreffende autoriteit en over de ontvankelijkheid van het verzoek, maar spreekt zich in geen geval uit over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de meningen of handelingen die het lid worden verweten, strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt.

(...)

Artikel 70 van de Bulgaarse grondwet luidt als volgt:

(1) Een lid van de Nationale Vergadering geniet immuniteit tegen arrest of strafvervolging behalve wanneer het gaat om het plegen van een misdrijf, in welk geval de toestemming van de Nationale Vergadering is vereist of indien deze in reces is, van de voorzitter van de Nationale Vergadering. Deze toestemming is niet vereist wanneer een lid wordt aangehouden na betrapping op heterdaad; de Nationale Vergadering of, indien deze in reces is, de voorzitter van de Nationale Vergadering, wordt onmiddellijk van het gebeuren in kennis gesteld.

(2) Er is geen toestemming voor instellen van strafvervolging vereist wanneer het betrokken lid van de Nationale Vergadering hiermee schriftelijk instemt.

Artikel 358, lid 1, van het Bulgaarse Wetboek van strafrecht luidt als volgt:

Degene die documenten, publicaties of materiaal verliest met daarin informatie die als staatsgeheim geldt, of buitenlandse geclassificeerde informatie die is verkregen op grond van een internationale overeenkomst waarbij de Republiek Bulgarije partij is, wordt gestraft met al dan niet voorwaardelijke vrijheidsstraf van ten hoogste twee jaar.

Artikel 78a, lid 1, van het Bulgaarse Wetboek van strafrecht luidt als volgt:

1. Een strafrechtelijk meerderjarige kan door de rechter worden ontslagen van strafrechtelijke aansprakelijkheid , waarbij hem bij wijze van sanctie een boete kan worden opgelegd van BGN 500 tot BGN 5 000, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) op het feit staat een vrijheidsstraf van maximaal drie jaar of lichtere straf indien met opzet gepleegd, en een vrijheidsstraf van maximaal vijf jaar of lichtere straf indien door onzorgvuldigheid gepleegd;

b) de dader niet is veroordeeld wegens een commuun delict en niet eerder ontslagen van strafrechtelijke aansprakelijkheid ingevolge deze bepalingen; en

c) de materiële schade die door het delict is veroorzaakt, is vergoed.

3. Motivering van het voorgestelde besluit

Op basis van voornoemde feiten komt onderhavig geval in aanmerking voor toepassing van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

Volgens dat artikel genieten EP-leden op hun eigen grondgebied de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend. Artikel 70 van de Bulgaarse grondwet bepaalt wederom dat voor strafvervolging tegen leden van de Nationale Vergadering voorafgaande toestemming van die Vergadering nodig is. Vervolging van de heer Stanishev is dus pas mogelijk als het Parlement daartoe een besluit neemt.

Bij zijn beslissing of de immuniteit van een lid al dan niet moet worden opgeheven, past het Parlement zijn eigen vaste beginselen toe. Een van deze beginselen is dat de immuniteit in de regel wordt opgeheven wanneer de beschuldiging geen enkel verband houdt met het functioneren van een lid van het EP – het gaat hier immers om artikel 9 van het Protocol –, mits geen sprake is van fumus persecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en precies vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen.

Blijkens voornoemde feiten was het bewuste delict gepleegd toen de heer Stanishev nog eerste minister van Bulgarije was, en wel uitsluitend in het kader van dat ambt, en was er al een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld lang voordat hij lid werd van het Europees Parlement. Dat betekent dat het strafrechtelijk vooronderzoek tegen Sergei Stanishev geen verband houdt met zijn huidig mandaat als lid van het Europees Parlement.

Bovendien heeft de heer Stanishev in de eerdere fasen van het onderzoek al tweemaal schriftelijk te kennen gegeven in te stemmen met de instelling van een tegen hem gerichte strafrechtelijke procedure in verband met de hierboven genoemde beschuldigingen. Uit deze instemming blijkt dat de heer Stanishev zelf erkent dat geen sprake is van fumus persecutionis.

Gezien bovenstaande heeft de commissie geconcludeerd dat er geen bewijs van fumus persecutionis bestaat.

4. Conclusie

Op grond van bovenstaande overwegingen en overeenkomstig artikel 9, lid 3, van het Reglement doet de Commissie juridische zaken het Europees Parlement de aanbeveling om de parlementaire immuniteit van de heer Stanishev op te heffen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Andrzej Duda, Mary Honeyball, Dietmar Köster, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, József Szájer, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Mario Borghezio, Heidi Hautala, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Constance Le Grip, Virginie Rozière