Procedure : 2014/2203(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0149/2015

Ingediende teksten :

A8-0149/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 19/05/2015 - 5.3
CRE 19/05/2015 - 5.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0191

VERSLAG     
PDF 139kWORD 64k
11.5.2015
PE 554.963v02-00 A8-0149/2015

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich

(2014/2203(IMM))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Laura Ferrara

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich

(2014/2203(IMM))

Het Europees Parlement,

–       gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich, dat op 1 oktober 2014 werd ingediend door de procureur-generaal van Litouwen en van de ontvangst waarvan op 12 november 2014 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–       na Viktor Uspaskich te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–       gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–       gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–       gezien artikel 62 van de Grondwet van de Republiek Litouwen,

–       gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1 en artikel 9 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0149/2015),

A.     overwegende dat de procureur-generaal van Litouwen een verzoek heeft ingediend voor de opheffing van de parlementaire immuniteit van Viktor Uspaskich, lid van het Europees Parlement, in verband met een vooronderzoek ten aanzien van een vermeend strafbaar feit;

B.     overwegende dat artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.     overwegende dat artikel 62 van de Grondwet van de Republiek Litouwen en artikel 22, lid 3, van het Statuut van het parlement van de Republiek Litouwen (Seimas) bepaalt dat tegen een parlementslid geen strafrechtelijke procedures mogen worden ingeleid, en dat hij niet mag worden aangehouden of aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid mag worden onderworpen, zonder instemming van Seimas, behalve in geval van ontdekking op heterdaad;

D.     overwegende dat Viktor Uspaskich beschuldigd wordt van het beledigen van de rechter, een strafbaar feit op grond van artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht van de Republiek Litouwen;

E.     overwegende dat er geen bewijs is dat duidt op fumus persecutionis, d.w.z. een deugdelijk gemotiveerd vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen;

1.      besluit de immuniteit van Viktor Uspaskich op te heffen;

2.      verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de procureur-generaal van de Republiek Litouwen.

(1)

Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, C-101/63, ECLI:EU:C:1964:28. Arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure en anderen, C-149/85, ECLI:EU:C:1986:310. Arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2008, Mote/Europees Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440. Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579. Arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2010, Gollnisch/Europees Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102. Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, EU:C:2011:543. Arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Europees Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


TOELICHTING

I. DE FEITEN

Op 28 juli 2013 heeft Viktor Uspaskich tijdens de beantwoording van vragen van journalisten op het vliegveld van Vilnius, de rechters die hem op 12 juli 2013 schuldig hebben bevonden in een strafzaak, naar verluidt omschreven als lafaards, misdadigers en marionetten.

Op 7 augustus 2013 is het Openbaar Ministerie een vooronderzoek gestart op grond van aanwijzingen dat er sprake was van een strafbaar feit in de zin van artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht van Litouwen. In dit artikel wordt bepaald dat degene die op beledigende wijze door feitelijkheden, mondeling of in geschrift, van zijn minachting voor een rechtbank of een rechter in de uitoefening van zijn functie doet blijken, gestraft wordt met een boete, arrestatie of gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar.

Op het moment van het vermeende strafbare feit was Uspaskich lid van het parlement van Litouwen (Seimas). Bijgevolg is dan ook een verzoek tot opheffing van de parlementaire immuniteit bij de Seimas ingediend. Ondertussen had Uspaskich besloten zich kandidaat te stellen voor het Europees Parlement en is de vergunning om een strafrechtelijke procedure tegen hem in te leiden als verkiezingskandidaat voor het Europees Parlement, ingediend bij de hoogste verkiezingscommissie van Litouwen.

Op 25 mei 2014 werd Viktor Uspaskich verkozen tot lid van het Europees Parlement en verkreeg bijgevolg de politieke immuniteit die de leden van het Europees Parlement genieten.

Vervolgens heeft de procureur-generaal van Litouwen op 1 oktober 2014 bij de Voorzitter van het Europees Parlement een verzoek ingediend tot opheffing van de immuniteit van Viktor Uspaskich, teneinde te kunnen overgaan tot een vooronderzoek, arrestatie of andere beperkingen van de persoonlijke vrijheid van Viktor Uspaskich.

De Voorzitter van het Europees Parlement heeft van het verzoek mededeling gedaan op de plenaire vergadering van 12 november 2014 en het verzoek naar de Commissie juridische zaken verwezen.

Op 24 maart 2015 heeft de Commissie juridische zaken Uspaskich gehoord.

II. DE WET

(a) Europese wetgeving

Het primaire recht: Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie

Artikel 8:

Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel 9:

Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

a)      op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

b)     op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

Reglement van het Europees Parlement.

Artikel 6

Opheffing van de immuniteit

1.      Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. Een verzoek om opheffing van de immuniteit wordt overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en de beginselen in dit artikel beoordeeld.

Artikel 7 van het Reglement

Verdediging van de voorrechten en van de immuniteit

3.      Een verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van een lid is niet ontvankelijk, wanneer reeds een verzoek om opheffing of verdediging van de immuniteit van dat lid is ontvangen in verband met dezelfde gerechtelijke procedure, ongeacht de vraag of er op dat tijdstip al dan niet een besluit was genomen.

4.      Een verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van een lid wordt niet verder behandeld, wanneer een verzoek om opheffing van de immuniteit van dit lid in verband met dezelfde gerechtelijke procedure wordt ontvangen.

5.      Wanneer een besluit is genomen om de voorrechten en de immuniteit van een lid niet te verdedigen, kan het lid een verzoek indienen om het besluit in het licht van ingediend nieuw bewijsmateriaal te heroverwegen. Het verzoek om heroverweging is niet ontvankelijk, wanneer overeenkomstig artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tegen het besluit beroep is ingesteld of wanneer de Voorzitter van oordeel is dat het ingediende nieuwe bewijsmateriaal onvoldoende onderbouwd is om een heroverweging te rechtvaardigen.

(b)    Nationaal recht

De Grondwet van de Republiek Litouwen

(Aangenomen door de burgers van de Republiek van Litouwen in een referendum van 25 oktober 1992, in werking getreden op 2 november 1992)

Artikel 62

De persoon van een lid van de Seimas is onschendbaar.

Een lid van de Seimas kan niet strafrechtelijk vervolgd, aangehouden, of op aan enige andere beperking van zijn vrijheid onderworpen worden, zonder instemming van de Seimas.

Een lid van de Seimas mag niet worden vervolgd voor zijn stemgedrag of toespraken in de Seimas. Hij mag echter aansprakelijk worden gehouden voor persoonlijke belediging of laster, overeenkomstig de algemene procedure.

Reglement van orde (Statuut) van de Seimas van de Republiek Litouwen

(17 februari 1994, nr. I-399)

Laatste wijziging op 23 april 2009 - nr. XI-228) (officieuze vertaling)

Artikel 22 - Immuniteit van een lid van de Seimas

1.      De persoon van een lid van de Seimas is onschendbaar.

2.      Een lid van de Seimas kan niet worden vervolgd voor zijn stemgedrag of toespraken in de Seimas, d.w.z. tijdens de vergaderingen van de Seimas, de parlementaire comités, de parlementaire commissies en de fracties; hij mag echter aansprakelijk worden gehouden voor persoonlijke belediging of laster, overeenkomstig de algemene procedure.

3.      Tegen een parlementslid mogen geen strafrechtelijke procedures worden ingeleid, en hij mag niet worden aangehouden of aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid worden onderworpen, zonder instemming van Seimas, behalve in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit (in flagrante delicto). In dergelijke gevallen stelt de procureur-generaal de Seimas daarvan onmiddellijk in kennis.

Wetboek van Strafrecht van Litouwen

Artikel 232 - Belediging van de rechter

Degene die op beledigende wijze door feitelijkheden, mondeling of in geschrift, van zijn minachting voor een rechtbank of een rechter in de uitoefening van zijn functie doet blijken, wordt gestraft met een boete, aanhouding of een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar.

III. MOTIVERING VAN HET ONTWERPBESLUIT

De immuniteit van leden van het Europees Parlement wordt beschermd door de artikelen 8 en 9 van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

Om te kunnen genieten van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van het Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, moet de procedure betrekking hebben op een mening of een stem die het lid van het Europees Parlement in het kader van de uitoefening van zijn taken heeft uitgebracht. Bijgevolg is artikel 8 van het Protocol niet van toepassing op Viktor Uspaskich, aangezien hij ten tijde van de feiten geen lid was van het Europees Parlement.

Gezien artikel 9, onder a), van het Protocol en het feit dat de vermeende overtreding van de strafwet in Litouwen heeft plaatsgevonden, is het Litouwse recht van toepassing en met name artikel 62 van de Grondwet van Litouwen.

De immuniteit wordt in de regel opgeheven wanneer het strafbare feit geen enkel verband houdt met de taken van het lid – de zaak valt onder artikel 9 van het Protocol – , mits geen sprake is van fumus persecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en precies vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen.

Uit de bovenvermelde feiten kan worden opgemaakt dat het vermeende strafbare feit begaan is voordat Viktor Uspaskich lid is geworden van het Europees Parlement en dat het vooronderzoek al gestart was voordat hij zitting heeft genomen in het Europees Parlement. Hieruit volgt dat de tegen Viktor Uspaskich in te leiden strafrechtelijke procedure geen verband houdt met zijn huidige ambt als lid van het Europees Parlement. Ten slotte zijn er geen voldoende ernstige en specifieke vermoedens dat er sprake is van fumus persecutionis.

IV. CONCLUSIE

In het licht van het bovenstaande en overeenkomstig artikel 9, lid 3, van het Reglement doet de Commissie juridische zaken het Europees Parlement de aanbeveling om de parlementaire immuniteit van Viktor Uspaskich op te heffen.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

12

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Laura Ferrara, Dietmar Köster, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Pavel Svoboda, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Luis de Grandes Pascual, Angel Dzhambazki, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Virginie Rozière

Juridische mededeling - Privacybeleid