AANBEVELING over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen

18.5.2015 - (10400/2014 – C8-0029/2015 – 2013/0376(NLE)) - ***

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Rapporteur: Elisabetta Gardini
PR_NLE-AP_Agreement

Procedure : 2013/0376(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
A8-0167/2015
Ingediende teksten :
A8-0167/2015
Aangenomen teksten :

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen

(10400/2014 – C8-0029/2015 – 2013/0376(NLE))

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–       gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10400/2014),

–       gezien de wijziging van het Protocol van Kyoto die is goedgekeurd tijdens de achtste zitting van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen, in december 2012 in Doha (Qatar) (wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto),

-      gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0029/2015),

-      gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

-      gezien de brief van de Commissie industrie, onderzoek en energie,

–       gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0167/2015),

1.      hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto;

2.      verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan de Verenigde Naties.

KORTE TOELICHTING

bij het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen

Achtergrond

In het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering dat in 1997 werd ondertekend, werden internationaal bindende streefdoelen inzake emissiebeperking vastgesteld. De EU ratificeerde het protocol in 2002 en verklaarde dat zij en haar destijds 15 lidstaten gebruik zouden maken van deze bepaling om de emissieverplichting van de EU gezamenlijk te vervullen. De Europese Unie en haar lidstaten waren bijgevolg in het kader van het nalevingsmechanisme van het Protocol van Kyoto gezamenlijk verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichting om hun collectieve broeikasgasemissies gedurende de eerste periode (2008-2012) tot 8 % te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990.

In zijn conclusies van 9 maart 2012 is de Raad overeengekomen voor de Unie voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto een gezamenlijke gekwantificeerde reductieverplichting van 20 % onder het niveau van 1990 voor te stellen.

Dit standpunt van de Raad vond navolging van zijn lidstaten tijdens de klimaatconferentie van Doha in december 2012, waar de 192 partijen bij het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering een wijziging van het protocol hebben aangenomen.

De wijziging van Doha stelt een tweede verbintenisperiode in het kader van het Protocol van Kyoto (KP CP2) in, die ingaat op 1 januari 2013 en afloopt op 31 december 2020, met wettelijk bindende emissiereductieverplichtingen. Op grond van deze verplichtingen verbinden de Europese Unie, haar lidstaten en IJsland zich ertoe hun gemiddelde jaarlijkse broeikasgasemissie in de periode 2013-2020 te beperken tot 80 % van hun emissie in het referentiejaar (meestal 1990). Die verplichting is vastgesteld op basis van de totale broeikasgasemissies die gedurende de periode 2013-2020 krachtens het klimaat- en energiepakket van de EU zijn toegestaan.

Daarnaast worden met de wijziging van Doha nog drie wijzigingen aangebracht in de tekst van het Protocol van Kyoto die tijdens deze tweede verbintenisperiode ten uitvoer moeten worden gelegd en die betrekking hebben op de volgende elementen: ten eerste, de opname van een nieuw gas (stikstoftrifluoride); ten tweede, een ambitieus mechanisme dat voorziet in een vereenvoudigde procedure om het voor partijen mogelijk te maken hun verplichtingen aan te passen en hun ambities tijdens een verbintenisperiode te verhogen; en ten derde, een bepaling die de doelstelling van een partij automatisch aanpast om te voorkomen dat haar emissies in de periode 2013-2020 stijgen tot boven de gemiddelde emissies in de periode 2008-2010.

De wijziging van Doha moet worden aanvaard door de partijen bij het Protocol van Kyoto en treedt pas in werking na de datum waarop de depositaris van het Verdrag de akten van aanvaarding heeft ontvangen van ten minste drie vierde van de partijen bij het Protocol van Kyoto.

Standpunt van de rapporteur

Het ontwerpbesluit van de Raad legt voor de Europese Unie de basis om de wijziging van Doha goed te keuren en bepaalt de voorwaarden voor de gezamenlijke nakoming van de verplichtingen door de Europese Unie, haar lidstaten en IJsland. Zo wordt bepaald dat de lidstaten de nodige stappen moeten ondernemen om hun nationale bekrachtigingsprocedures uiterlijk in het derde kwartaal van 2015 af te ronden.

De rapporteur is ingenomen met het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen. Hierbij wil de rapporteur de aandacht vestigen op een aantal aspecten van het ontwerpbesluit van de Raad.

In de eerste plaats betreurt de rapporteur het dat met name de EU-landen zich aansluiten bij deze tweede verbintenisperiode, zoals opgenomen in bijlage B bij het Protocol van Kyoto, terwijl grote vervuilende landen zich onthouden. De EU moet alle mogelijke politieke, diplomatieke en economische middelen waarover zij beschikt aanwenden om deze landen ervan te overtuigen een bindende internationale overeenkomst te ondertekenen die gelijke voorwaarden creëert, zodat de EU niet de enige blijft die alle klimaatverbintenissen aangaat. Een nieuw internationaal akkoord later dit jaar in Parijs moet zeer ambitieus maar tegelijkertijd ook realistisch zijn als we ons willen blijven houden aan de doelstelling om de temperatuur op aarde met niet meer dan 2 °C te laten stijgen.

Met betrekking tot de overeenkomst inzake gezamenlijke nakoming herinnert de rapporteur eraan dat de EU en haar lidstaten, op basis van het in 2009 goedgekeurde klimaat- en energiepakket en met name de EU-regeling voor de emissiehandel (EU ETS) en de beschikking inzake de verdeling van de inspanningen, reeds een emissiebeperking van 20 % voor 2020 verwezenlijken, wat hun feitelijk in staat heeft gesteld om overeen te komen hun verplichtingen voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto na te komen. In dit verband wil de rapporteur erop wijzen dat het voorstel de streefdoelen of de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit het klimaat- en energiepakket uit 2009 niet verandert.

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het Protocol van Kyoto moeten partijen bij een overeenkomst inzake gezamenlijke nakoming de emissieniveaus die aan elk van de partijen worden toegekend evenals de ratificatie-instrumenten vaststellen en daarvan kennisgeving doen. De aan iedere lidstaat en IJsland toegekende emissieniveaus zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage I bij het ontwerpbesluit van de Raad (in ton kooldioxide-equivalent (tCO2eq)).

Hoewel IJsland geen lidstaat van de EU is, neemt het land wel deel aan de EU ETS en is het voornemens zijn verplichtingen in het kader van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto gezamenlijk met de EU en haar lidstaten na te komen. De rechten en plichten van de lidstaten in het kader van de gezamenlijke nakoming moeten ook op IJsland van toepassing worden gemaakt door middel van EU-wetgeving en de nieuwe overeenkomst tussen de EU, alle lidstaten en IJsland, die het voorwerp uitmaakt van een parallelle goedkeuringsprocedure.

Wat de rapportage- en boekhoudkundige vereisten betreft, moeten alle partijen in het kader van de tweede verbintenisperiode een verslag indienen om de berekening van de hun toegewezen hoeveelheid mogelijk te maken en om te bewijzen dat zij in staat zijn hun emissies en toegewezen hoeveelheid in hun boekhouding aan te tonen (aanvangsverslag). De nadere vereisten inzake aanvangsverslagen zijn vastgelegd in UNFCCC-besluit 2/CMP.8.

Het voorgestelde bekrachtigingsbesluit voorziet in een door de Commissie op te stellen gezamenlijk aanvangsverslag van de EU, haar leden en IJsland, en in individuele aanvangsverslagen van alle lidstaten en IJsland. Het gezamenlijke aanvangsverslag moet de vereiste informatie met betrekking tot de gezamenlijke verplichting bevatten, op basis waarvan de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid wordt berekend, evenals de aan de EU toegewezen hoeveelheid.

Conclusie

De rapporteur is van mening dat het bekrachtigingsbesluit betreffende de vaststelling van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto en de gezamenlijke nakoming van de verplichtingen door de Europese Unie een krachtig signaal zullen afgeven met betrekking tot de inspanningen en het leiderschap van de EU en haar lidstaten wat betreft de aanpak van de klimaatverandering op internationaal niveau. Daarom beschouwt de rapporteur de formele inwerkingtreding van de wijziging van Doha als een van de prioritaire doelstellingen van de Europese Unie, aangezien het Protocol van Kyoto een cruciale bijdrage levert aan de wereldwijde inspanningen om de klimaatverandering te bestrijden. De rapporteur dringt er daarnaast bij de Raad op aan erop toe te zien dat de nationale ratificatieprocedures in de lidstaten uiterlijk in het derde kwartaal van 2015 en tegelijkertijd met die van de EU kunnen plaatsvinden, en verzoekt hen hun akten van aanvaarding ruim voor de klimaatconferentie van Parijs in 2015 in te dienen.

Gezien de bovenstaande overwegingen stelt de rapporteur voor dat de commissie ten principale en het Europees Parlement zonder onnodige vertraging hun goedkeuring hechten aan het besluit van de Raad.

ADVIES IN BRIEFVORM VAN DE Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE)

305433 25.03.2015

Ref: IPOL-COM-ITRE D (2015) 9602

RvAimu

Giovanni La Via

Voorzitter

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Brussel,

Betreft:               Advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE) aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI) inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen

Mijnheer de voorzitter,

De Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE) verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI) aan te bevelen dat het Parlement zijn goedkeuring hecht aan het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen.

Hoogachtend,

(w.g.)

Jerzy Buzek

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

60

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Cristian-Silviu Bușoi, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Iratxe García Pérez, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Josu Juaristi Abaunz, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, Marcus Pretzell, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Dubravka Šuica, Tibor Szanyi, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Renata Briano, Nicola Caputo, Mark Demesmaeker, Jan Huitema, Merja Kyllönen, James Nicholson, Aldo Patriciello, Gabriele Preuß, Bart Staes

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marek Jurek, Emilian Pavel, Catherine Stihler