Procedure : 2014/2150(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0208/2015

Ingediende teksten :

A8-0208/2015

Debatten :

PV 11/04/2016 - 18
CRE 11/04/2016 - 18

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.11
CRE 12/04/2016 - 5.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0104

VERSLAG     
PDF 232kWORD 165k
24.6.2015
PE 551.792v03-00 A8-0208/2015

over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten

(2014/2150(INI))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Sylvia-Yvonne Kaufmann

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT):

stand van zaken en vooruitzichten

(2014/2150(INI))

Het Europees Parlement,

–       gezien het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"(1),

–       gezien de praktische regelingen die op 22 juli 2011 zijn overeengekomen tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, VWEU bij akkoorden in eerste lezing,

–       gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid – negentiende verslag "De wetgeving verbeteren" 2011(2),

–       gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test(3),

–       gezien zijn resolutie van 25 februari 2012 over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(4),

–       gezien zijn resolutie van 13 september 2012 over het achttiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" – Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (2010)(5),

–       gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over betere wetgeving, subsidiariteit en proportionaliteit en slimme regelgeving(6),

–       gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over het garanderen van onafhankelijke effectbeoordelingen(7),

–       gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2014 over slimme regelgeving,

–       gezien het verslag van de Commissie over het Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten (COM(2014)0368),

–       gezien de eerdere mededelingen van de Commissie inzake gezonde EU-regelgeving (COM(2012)0746 en COM(2013)0685),

–       gezien het verslag van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid (negentiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" 2011) (COM(2012)0373),

–       gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Slimme regelgeving – Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen" (COM(2013)0122),

–       gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Monitoring and Consultation on Smart Regulation for SMEs" (SWD(2013)0060),

–       gezien de mededeling van de Commissie "Slimme regelgeving in de Europese Unie" (COM(2010)0543),

–       gezien de richtsnoeren van de Commissie voor de raadpleging van belanghebbenden 2014,

–       gezien het eindrapport van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake administratieve lasten van 24 juli 2014, getiteld: "Cutting Red Tape in Europe – Legacy and Outlook", en met name het afwijkend standpunt in bijlage 12 van vier leden van deze groep met een achtergrond op het gebied van werknemersrechten, volksgezondheid, milieu en consumentenrechten,

–       gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 november 2014(8),

–       gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda" (COM(2015)0215),

–       gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met als titel "Voorstel voor een interinstitutioneel akkoord over betere regelgeving" (COM(2015)0216),

–       gezien het besluit van de Commissie tot oprichting van het REFIT-platform (C(2015)3261) en de mededeling aan de Commissie met als titel "The REFIT Platform - Structure and Functioning" (C(2015)3260),

–       gezien het besluit van de voorzitter van de Europese Commissie tot oprichting van een onafhankelijke Raad voor regelgevingstoetsing (C(2015)3263), de mededeling aan de Commissie getiteld "Regulatory Scrutiny Board - Mission, tasks and staff" (C(2015)3262) en de mededeling aan de Commissie getiteld "Standard Explanatory Memorandum" (C(2015)3264/2),

–       gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Better Regulation Guidelines" (SWD(2015)0111),

–       gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0208/2015),

A.     overwegende dat het REFIT-programma een belangrijk element is van de nieuwe strategie van de Commissie om de wetgeving te verbeteren;

B.     overwegende dat met het REFIT-programma wordt beoogd de procedures voor betere wetgeving te consolideren, het EU-recht te vereenvoudigen, de administratieve en/of regelgevingslasten terug te dringen en de weg in te slaan naar goed bestuur op grond van op bewijs gebaseerde beleidsvorming, waarin effectbeoordelingen en evaluaties achteraf een belangrijke rol spelen, zonder evenwel politieke besluiten te vervangen;

C.     overwegende dat de Commissie een nieuw REFIT-platform in het leven heeft geroepen om haar werkzaamheden in de context van het REFIT-programma te ondersteunen, dat bestaat uit twee groepen: de groep regeringsvertegenwoordigers, bestaande uit vooraanstaande deskundigen uit het overheidsapparaat van iedere lidstaat, en de groep belanghebbenden, bestaande uit maximaal 20 deskundigen, waarvan er twee het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's vertegenwoordigen, en de rest het bedrijfsleven, met inbegrip van kmo's, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld;

D.     overwegende dat met het jaarlijkse REFIT-scorebord de voortgang op alle beleidsgebieden en met betrekking tot alle door de Commissie vastgestelde initiatieven, alsook de acties van het Parlement en de Raad, kunnen worden geëvalueerd;

E.     overwegende dat het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 2003 niet meer voldoende aansluit op het huidige, door het Verdrag van Lissabon gecreëerde wetgevingskader;

F.     overwegende dat de agenda voor betere regelgeving de afgelopen jaren desondanks een bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van wetgevingsprocedures; overwegende dat het grote aantal verschillende programma's en benamingen dat door de Commissie werd geïntroduceerd op dit gebied, zoals "betere regelgeving", "beter wetgeven", "slimme regelgeving", "gezonde regelgeving", "denk eerst klein", "fitness checks" en "ABR+", niet zorgen voor voldoende duidelijkheid en transparantie met betrekking tot de doelstellingen van de maatregelen, met name voor burgers, en bijgevolg beter gecombineerd kunnen worden;

G.     overwegende dat de Commissie met haar mededeling van 19 mei 2015 getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda" nu een coherente en holistische aanpak van betere wetgeving heeft voorgesteld in het kader waarvan rekening wordt gehouden met de volledige beleidscyclus en waarvoor gerichte interactie tussen alle instellingen nodig is, en overwegende dat de communicatie daarom nauwkeurig zal worden bestudeerd door het Parlement om te komen tot de best mogelijke resultaten in het belang van de burgers van de Unie;

H.     overwegende dat de doelen en doelstellingen van de Unie, zoals die in artikel 3 VEU zijn neergelegd, allemaal even belangrijk zijn; overwegende dat de Commissie benadrukt dat het REFIT-programma reeds vastgestelde beleidsdoelstellingen onverlet laat en ook niet ten koste mag gaan van de gezondheid en veiligheid van burgers, consumenten, werknemers of het milieu;

I.      overwegende dat de Commissie in de tweede helft van 2014 openbare raadplegingen heeft gehouden over de herziening van haar richtsnoeren voor effectbeoordeling en haar richtsnoeren voor de raadpleging van belanghebbenden;

J.      overwegende dat de Commissie bij het opstellen van haar werkprogramma voor 2015 voor het eerst het zogeheten beginsel van politieke discontinuïteit heeft aangevoerd als reden voor intrekking van een zeer groot aantal hangende wetsvoorstellen;

K.     overwegende dat de Commissie in het kader van haar werkprogramma voor 2015 van plan is met haar activiteiten de nadruk te leggen op de belangrijke economische en maatschappelijke uitdagingen, en dat haar nieuwe structuur tot doel heeft een meer coherente beleidsaanpak te waarborgen, waardoor eveneens de transparantie in de EU zou worden verhoogd en bijgevolg ook de aanvaarding bij de burgers;

Betere regelgeving

1.      neemt kennis van het besluit van Commissievoorzitter Juncker om de eerste vicevoorzitter van de Commissie te belasten met de portefeuille betere regelgeving, waarmee gevolg wordt gegeven aan de verzoeken van het Europees Parlement en waardoor het grote politieke belang van dit onderwerp wordt benadrukt; verwacht dat deze aanstelling zal leiden tot Europese regelgeving van de best mogelijke kwaliteit, die voldoet aan de verwachtingen van de burgers en belanghebbenden en die ervoor zorgt dat de doelstellingen van het openbaar beleid, waaronder milieu-, sociale en gezondheids- en veiligheidsnormen, niet in gevaar worden gebracht;

2.      wijst erop dat binnen de hele openbaar-bestuurscultuur op alle niveaus van de Europese Unie gewerkt moet worden aan betere regelgeving, rekening houdend met de overmatige bureaucratie in de EU en de noodzaak de wetgeving te vereenvoudigen, en dat dit niet alleen dient te gelden voor de tenuitvoerlegging en toepassing van handelingen van de Unie op Europees niveau, maar ook op nationaal, regionaal en lokaal niveau, zodat behoorlijk bestuur en een Europagezinde houding op alle niveaus gewaarborgd worden;

3.      benadrukt dat de Commissie voorrang moet verlenen aan de ontwikkeling van bepaalde maatregelen en zich meer op de kwaliteit van de wetgeving en een betere handhaving van bestaande wetgeving moet richten dan op de kwantiteit van wetgevingshandelingen; onderstreept in dit verband dat kosten niet de doorslaggevende factor mogen zijn, maar dat de kwaliteit van de wetgeving het enige passende ijkpunt is, en dat het REFIT-programma niet mag worden gebruikt om de duurzaamheid of de sociale, werk-, milieu- of consumentennormen te ondermijnen;

4.      stelt voor dat de Commissie de invoering van "horizonbepalingen" in overweging neemt in het kader van wetgevingsinitiatieven die in de tijd beperkt zijn, op voorwaarde dat dit niet leidt tot rechtsonzekerheid, en zo nodig "herzieningsclausules" opneemt in wetgevingsmaatregelen om de relevantie van deze maatregelen op Europees niveau regelmatig opnieuw te beoordelen;

5.      wijst erop dat een norm op Europees niveau in de regel in de plaats treedt van 28 nationale normen, hetgeen leidt tot een versterking van de interne markt en tot minder bureaucratie;

6.      is ingenomen met het pakket maatregelen van 19 mei 2015 ter verbetering van de regelgeving; steunt de blijvende inzet van de Commissie voor de agenda voor betere regelgeving; onderstreept dat de werkzaamheden waarin de REFIT-mededeling voorziet, beschouwd moeten worden als een continu proces, dat ervoor zorgt dat de wetgeving die op Europees niveau van kracht is, geschikt is voor het beoogde doel, de gemeenschappelijke doelstelling van de wetgevers bereikt en beantwoordt aan de verwachtingen van burgers, en met name werknemers, ondernemingen en andere belanghebbenden;

7.      neemt kennis van de toezegging van de Commissie om te onderhandelen over een nieuw interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven, dat rekening houdt met de wijzigingen ten gevolge van het Verdrag van Lissabon en de kaderovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie, waarmee de beste praktijken op het gebied van wetgevingsplanning, effectbeoordeling, systematische evaluatie achteraf van EU-wetgeving en het gebruik van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen worden geconsolideerd, en benadrukt zijn voornemen de onderhandelingen vóór het einde van het jaar af te ronden;

8.      is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft bevestigd dat haar strategie voor betere regelgeving niet gericht is op de deregulering van bepaalde beleidsdomeinen of waarden in vraag stelt waar we belang aan hechten, zoals sociale bescherming, milieubescherming en de grondrechten, met inbegrip van het recht op gezondheid;

9.      erkent de langlopende en intensieve werkzaamheden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau, die voorstellen heeft ingediend bij de Europese Commissie om de administratieve lasten te verminderen en die optimale werkwijzen heeft geïdentificeerd met als doel de EU-wetgeving op een zo onbureaucratisch mogelijke manier ten uitvoer te leggen in de lidstaten; neemt kennis van het feit dat vier leden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau het niet eens waren met een aantal van de conclusies in het eindverslag van deze groep over administratieve lasten, en een afwijkend standpunt hebben gepubliceerd; verwacht dat de Commissie rekening houdt met de standpunten van alle betrokken partijen;

10.    benadrukt het belang van sociaal overleg en de eerbiediging van de autonomie van de sociale partners; wijst er met name met betrekking tot artikel 9 VWEU op dat de sociale partners in overeenstemming met artikel 155 VWEU overeenkomsten kunnen sluiten die op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen kunnen leiden tot EU-wetgeving; verwacht dat de Commissie de autonomie van partijen en de overeenkomsten die zij hebben gesloten eerbiedigt en hun bezorgdheid serieus neemt, en benadrukt dat de agenda voor betere regelgeving niet mag worden misbruikt om overeenkomsten tussen de sociale partners te negeren of ter zijde te schuiven, en verwerpt bijgevolg alle eventuele effectbeoordelingen van overeenkomsten tussen sociale partners;

11.    wijst erop dat de keuze tussen uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen tijdens de vorige zittingsperiode geleid heeft tot talrijke interinstitutionele geschillen; acht het bijgevolg van belang dat specifieke richtsnoeren worden opgesteld, zoals gevraagd door het Europees Parlement in zijn op 25 februari 2012 aangenomen verslag;

12.    is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat ze van plan is de toekenning van subsidies in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), de Europese structuur- en investeringsfondsen en Horizon 2020 te vereenvoudigen;

Transparantie en raadpleging van belanghebbenden

13.    is verheugd dat de Commissie in het kader van het REFIT-programma de raadpleging van belanghebbenden zeer belangrijk acht; wijst erop dat de EU-instellingen op grond van artikel 11, lid 2, VEU verplicht zijn een open, transparante en regelmatige dialoog te voeren met representatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld; dringt er bij de instellingen op aan tijdens de onderhandelingen over een nieuw interinstitutioneel akkoord bijzondere aandacht te besteden aan deze regelmatige en verplichte dialoog met de representatieve organisaties;

14.    wijst erop dat de werking van de EU door middel van een toegenomen transparantie efficiënter kan worden gemaakt en dat het vertrouwen van het maatschappelijk middenveld in de EU kan worden versterkt;

15.    is in dit kader ingenomen met het feit dat de Commissie aangeeft dat de dialoog met burgers, sociale partners en andere belanghebbenden binnen het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld helpt ervoor te zorgen dat de wetgeving in de EU transparant, doelgericht en coherent tot stand komt, en steunt het voornemen van de Commissie om op een preciezere manier aan te geven hoe haar voorstellen tot stand komen, bijvoorbeeld door middel van wetgevingsteksten of mededelingen van de Commissie;

16.    merkt op dat de Commissie in het kader van haar strategie voor beter wetgeven de rol van openbare raadpleging aanzienlijk vergroot; neemt kennis van het feit dat de Commissie in de toekomst een openbare raadpleging van 12 weken zal uitvoeren a) vóór nieuwe wetgevingsvoorstellen op te stellen, b) wanneer bestaande wetgevingsbepalingen worden beoordeeld en hun geschiktheid wordt nagegaan, en c) met betrekking tot routekaarten en voorafgaande effectbeoordelingen; merkt verder op dat de Commissie bovendien, nadat een voorstel is aangenomen, de burgers en belanghebbenden de kans zal bieden binnen acht weken commentaar te geven op haar voorstel, en deze standpunten zal doen toekomen aan de Raad en het Parlement;

17.    verzoekt de Commissie tegen deze achtergrond een evenwichtige en transparante beoordeling uit te voeren van de standpunten en feedback van alle deelnemers in het kader van de raadplegingsprocedure en er met name voor te zorgen dat openbare raadplegingen niet voor eigen doeleinden misbruikt kunnen worden door goed gefinancierde en goed georganiseerde organisaties van belanghebbenden; verzoekt de Commissie haar conclusies naar aanleiding van de raadplegingen openbaar te maken;

18.    merkt op dat effectbeoordelingen enkel openbaar mogen worden gemaakt wanneer de Commissie het relevante politieke initiatief heeft goedgekeurd; acht het met het oog op de transparantie van de Commissiebesluiten noodzakelijk dat effectbeoordelingen eveneens openbaar worden gemaakt wanneer de Commissie besloten heeft geen wetgevingsvoorstel in te dienen;

19.    merkt op dat het Europees Economisch en Sociaal Comité, dat een raadgevende status heeft, een belangrijke spreekbuis is van het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat het Comité van de regio's, dat eveneens een raadgevende status heeft, een belangrijke spreekbuis is van de regionale en plaatselijke autoriteiten in de EU en een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving; merkt op dat beide raadgevende organen op grond van het geldende recht door het Parlement, de Raad en de Commissie kunnen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin het Parlement en de Raad dit wenselijk achten; is van oordeel dat een doelgerichte raadpleging ervan in een vroeg stadium over specifieke kwesties en gebruikmakend van de specifieke deskundigheid waarover deze organen beschikken, kan bijdragen tot de verwezenlijking van betere regelgeving;

20.    is van oordeel dat regionale en lokale autoriteiten meer betrokken moeten worden bij de totstandkoming van EU-beleid, en dat er met name in de eerste stadia van de uitwerking van wetgeving gebruik moet worden gemaakt van de deskundigheid en ervaring die er in de lidstaten op regionaal en lokaal niveau aanwezig is; wijst erop dat alle instellingen de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht moeten nemen in het kader van hun wetgevingswerkzaamheden;

21.    is ingenomen met het voornemen van de Commissie om het wetgevingsproces transparanter te maken en om het publiek en de belanghebbenden meer te betrekken bij het hele proces;

22.    is ingenomen met het besluit van de Commissie om in te toekomst eveneens openbare raadplegingen van vier weken te organiseren over ontwerpen van gedelegeerde handelingen en belangrijke uitvoeringshandelingen vóór de lidstaten stemmen over hun standpunt in het verantwoordelijke comité;

23.    verzoekt de Commissie haar richtsnoeren voor evaluatie te herzien en daarbij participatie door en raadpleging van belanghebbenden te stimuleren en ernaar te streven de lijnen zo kort mogelijk te maken, zodat EU-burgers daadwerkelijk in staat worden gesteld deel te nemen aan het besluitvormingsproces;

24.    neemt kennis van de nieuwe "Lighten the Load – Have Your Say"-pagina op de website van de Commissie betreffende betere wetgeving en vraagt een evenwichtige en transparante beoordeling door de Commissie en door het nieuwe REFIT-platform van de ontvangen opmerkingen; is echter van mening dat de procedures en beraadslagingen van het REFIT-panel niet te belastend mogen zijn, en dat dit orgaan in staat moet zijn zowel snel antwoord te bieden als meer diepgaande werkzaamheden uit te voeren in het kader van het Europese wetgevingsproces; is van mening dat raadplegingen via deze website van de Commissie niet in de plaats kunnen komen van openbare raadplegingen van belanghebbenden;

Effectbeoordelingen en Europese meerwaarde

25.    merkt op dat effectbeoordelingen een belangrijk instrument zijn ter ondersteuning van de besluitvorming binnen alle EU-instellingen en een belangrijke factor zijn voor de verwezenlijking van betere regelgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit opzicht hun toezegging meer nauwgezet na te komen en de gevolgen van bestaande en toekomstige regelgeving grondiger te bestuderen; benadrukt echter dat dergelijke beoordelingen geen vervanging vormen voor politieke inschattingen en politieke besluitvorming en dat de vrijheid van de leden van het Europees Parlement om hun politieke werkzaamheden uit te voeren op geen enkele manier mag worden beperkt;

26.    is van mening dat een beoordeling van de gevolgen voor het concurrentievermogen een belangrijk onderdeel moet vormen van de effectbeoordelingsprocedure; is van mening dat de voorgestelde herziene richtsnoeren aanwijzingen moeten bevatten wat betreft de manier waarop gevolgen voor het concurrentievermogen moeten worden beoordeeld en meegewogen in de uiteindelijke analyse; steunt het huidige uitgangspunt dat voorstellen met negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen niet mogen worden aangenomen door de Commissie, tenzij aangetoond wordt dat ze aanzienlijke niet-kwantificeerbare voordelen hebben;

27.    meent dat de beginselen van betere regelgeving zowel van toepassing moeten zijn op secundaire als op primaire wetgevingsbesluiten; dringt er bij de Commissie op aan indien nodig gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vergezeld te laten gaan van een effectbeoordeling, en in dat kader ook geïnteresseerden en belanghebbenden te raadplegen;

28.    is van mening dat effectbeoordelingen omvattend moeten zijn, dat er sprake moet zijn van een evenwichtige beoordeling van met name economische, sociale en ecologische gevolgen, en dat de gevolgen voor de grondrechten van burgers en voor de gelijkheid van vrouwen en mannen moeten worden geëvalueerd; benadrukt dat een kosten-batenanalyse lang niet alle aspecten dekt;

29.    wijst erop dat in veel lidstaten, zoals Zweden, Tsjechië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, onafhankelijke organen de regeringen constructieve bijdragen leveren in verband met wetgevingsprocessen, met als doel de administratieve lasten voor bedrijven en burgers te verminderen en de kosten met betrekking tot informatieverplichtingen op een meetbare en controleerbare manier terug te dringen; merkt op dat rekening kan worden gehouden met de optimale werkwijzen en de ervaringen van bestaande organen voor betere regelgeving; stelt vast dat de Raad voor effectbeoordeling van de Commissie is omgezet in een onafhankelijke "Raad voor regelgevingstoetsing" en verwacht dat de deelname van onafhankelijke deskundigen aan deze raad een positief effect zal hebben op de werkwijze van de Commissie op het gebied van effectbeoordelingen; staat erop dat de Raad voor regelgevingstoetsing uitsluitend een raadgevende functie vervult en geen bindende adviezen mag uitbrengen; benadrukt dat effectbeoordelingen consistent moeten zijn, rekening moeten houden met alle eventuele wijzigingen die worden ingevoerd tijdens het overleg tussen de diensten van de Commissie, en onder meer gebaseerd moeten zijn op ramingen van de bijkomende kosten voor de lidstaten indien geen oplossing wordt gevonden op Europees niveau; is van mening dat het standpunt van de Raad voor regelgevingstoetsing bij het definitieve wetgevingsvoorstel moet worden gevoegd; stelt voor in het kader van de komende onderhandelingen over het interinstitutioneel akkoord te bespreken of een raad voor regelgevingscontrole van gezamenlijk belang kan zijn voor de instellingen als louter adviserend orgaan;

30.    is verheugd over het feit dat de bevoegde Raadsgroepen nu verplicht zijn om in een vroeg stadium van de besprekingen over specifieke wetgevingsvoorstellen de effectbeoordelingen van de Commissie te bespreken aan de hand van een indicatieve checklist; betreurt evenwel dat het secretariaat van de Raad geen eigen afdeling effectbeoordelingen heeft en is van mening dat de voornoemde oplossing ervoor zou kunnen helpen zorgen dat de Raad aan zijn verplichting kan voldoen om alle eventuele materiële wijzigingen aan voorstellen van de Commissie te beoordelen;

31.    wijst erop dat het Parlement een intern directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde heeft opgericht dat een brede waaier aan diensten op het vlak van effectbeoordelingen voor- en achteraf aanbiedt aan de parlementaire commissies, de toegevoegde waarde van toekomstig of huidig EU-beleid beoordeelt, en beleidsopties op het gebied van wetenschap en technologie evalueert; merkt op dat er, volgens informatie van de Commissie, ongeveer twintig interne effectbeoordelingen werden uitgevoerd in het Parlement in verband met wijzigingen aan Commissievoorstellen; herinnert de deskundige commissies van het Parlement eraan consequenter gebruik te maken van eigen effectbeoordelingsinstrumenten, met name als er ingrijpende wijzigingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel worden overwogen; wijst er echter op dat dit niet mag leiden tot een beperking van de manoeuvreerruimte van de leden van het Europees Parlement;

32.    benadrukt dat het nodig is rekening te houden met alle beginselen waarop de Unie is gegrondvest, waaronder de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit; dringt er bij de EU-instellingen op aan altijd de korte- en langetermijneffecten van wetgeving te beoordelen;

33.    merkt op dat de afkoelingsperiode na de afronding van onderhandelingen maar voorafgaand aan de eindstemming, die momenteel wordt gebruikt voor revisie door juristen-vertalers, verder zou kunnen worden gebruikt voor de voltooiing van een effectbeoordeling en subsidiariteitscontrole;

34.    stelt zich op het standpunt dat alle EU-instellingen een gemeenschappelijke methode moeten vaststellen voor effectbeoordelingen, en verzoekt de instellingen het opstellen van een dergelijke methode tot een van de prioriteiten te maken bij de komende onderhandelingen over een nieuw interinstitutioneel akkoord; benadrukt dat de wetgevende bevoegdheid van het Parlement en de Raad om een voorstel van de Commissie te wijzigen niet aangetast mag worden;

35.    spoort de Commissie aan meer publiek en privaat overleg te plegen met alle belanghebbenden, onder meer de consumenten, bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, om na te gaan hoe voorstellen in een voorlopige fase beter bekend kunnen worden gemaakt;

Kmo's en denk eerst klein

36.    neemt kennis van de toezegging van de Commissie dat zij de kmo-test verder zal verbeteren, met name gelet op het feit dat de meer dan 20 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) 99% van alle ondernemingen in de EU vertegenwoordigen en dat kmo's als dusdanig de ruggengraat van onze economie, groei en werkgelegenheid vormen; is het ermee eens dat de effectbeoordelingen voor kmo's aangepast en vereenvoudigd kunnen worden indien vaststaat dat daarmee de doelmatigheid van de wetgeving niet afneemt en dat de vrijstellingen of vereenvoudigingen niet tot versnippering van de interne markt leiden of de toegang tot die markt bemoeilijken; is bijgevolg ingenomen met de toezegging van de Commissie om meer flexibele regels voor kmo's in overweging te nemen, met inbegrip van een regelrechte vrijstelling voor micro-ondernemingen, indien dit passend en doenbaar is en indien de daadwerkelijke verwezenlijking van de sociale, ecologische en economische doelstellingen van voorgestelde wetsbepalingen niet wordt ondergraven;

37.    verzoekt de Commissie om haar ambities niet te verlagen en zich te blijven richten op het creëren van hoogwaardige banen door middel van het verminderen van administratieve lasten voor kmo's, en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de doelstellingen van openbaar belang, waaronder milieunormen, sociale, gezondheids- en veiligheids- en consumentenbeschermingsnormen, en de normen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen niet in het gedrang komen; benadrukt dat de vermindering van de administratieve lasten niet mag leiden tot een verlaging van de arbeidsnormen of een toename van het aantal onzekere arbeidsovereenkomsten, en dat werknemers in kmo's en micro-ondernemingen dezelfde behandeling en hoge beschermingsnormen moeten genieten als werknemers in grotere bedrijven;

38.    onderstreept dat de beoordeling van de gevolgen van nieuwe voorschriften voor kmo's er niet toe mag leiden dat de rechten van werknemers worden aangetast;

39.    benadrukt dat duidelijker geformuleerde regels nodig zijn die op eenvoudige wijze ten uitvoer kunnen worden gelegd en die alle actoren kunnen helpen om binnen de rechtsstaat te handelen; benadrukt dat eenvoudigere en slimmere wetgeving de consistente omzetting en doeltreffender en meer uniforme handhaving door de lidstaten kan bevorderen;

Ex-postevaluatie

40.    is verheugd dat de Commissie ex-postevaluatie tot integraal onderdeel van betere regelgeving maakt; benadrukt dat ex-postevaluaties met het oog op de rechtszekerheid voor burgers en ondernemingen pas moeten worden uitgevoerd als er voldoende tijd is verstreken, bij voorkeur een aantal jaren na de termijn voor omzetting in nationaal recht; herhaalt echter nog eens zijn standpunt dat effectbeoordelingen achteraf nooit in de plaats kunnen treden van de verplichting van de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om op doeltreffende wijze en tijdig toezicht uit te oefenen op de toepassing van het recht van de Unie door de lidstaten en alle nodige maatregelen te nemen om de goede uitvoering ervan te waarborgen;

41.    benadrukt het belang van beoordelingen achteraf en de beoordeling van beleidsresultaten voor de evaluatie van de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van EU-regelgeving en EU-beleid in het licht van de door de wetgevingsautoriteit beoogde resultaten;

42.    is van mening dat de nationale parlementen bij de ex-postevaluatie van nieuwe wetgeving moeten worden betrokken, omdat daarmee een nuttige bijdrage wordt geleverd aan de verslagen van de Commissie en de verschillende nationale uitdagingen die afzonderlijke wetten en regelingen met zich meebrengen hierdoor kunnen worden bestudeerd;

Tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door de lidstaten

43.    stelt vast dat volgens de Commissie een derde van de administratieve en regelgevingslasten van EU-wetgeving voortvloeit uit omzettingsmaatregelen van de lidstaten;

44.    beseft dat de lidstaten in het geval van richtlijnen bevoegd zijn om op nationaal niveau strengere normen voor sociale, milieu- en consumentenbescherming vast te stellen dan de minimumnormen voor bescherming die op EU-niveau zijn overeengekomen en waardeert het als lidstaten een dergelijk besluit nemen; bevestigt opnieuw dat dergelijke strengere normen niet moeten worden beschouwd als overregulering ("gold plating"); verzoekt de bevoegde autoriteiten echter rekening te houden met de mogelijke gevolgen van overregulering, waardoor de EU-wetgeving extra wordt verzwaard met onnodige bureaucratische lasten, omdat dit een verkeerd beeld kan geven van de wetgevingswerkzaamheden van de EU, hetgeen euroscepticisme kan voeden; roept de lidstaten met het oog op gebruiksvriendelijkheid op onnodige administratieve regels bij de tenuitvoerlegging van richtlijnen en verordeningen te verwijderen;

45.    dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van de tenuitvoerlegging en toepassing van EU-richtlijnen te intensiveren; is van mening dat belanghebbenden en lokale en regionale autoriteiten hierdoor zullen worden aangespoord om de problemen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van EU-beleid op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau in kaart te brengen;

46.    benadrukt dat het Parlement, als medewetgever, er belang bij heeft te begrijpen wat de eigenlijke impact van EU-wetgeving is nadat ze ten uitvoer is gelegd; roept de Commissie bijgevolg op het Parlement volledige toegang te bieden tot alle beoordelingen in dit verband, met inbegrip van de verzamelde brongegevens en voorbereidende documenten;

47.    dringt er bij de Commissie op aan de wetenschappelijke grondslag, het nut en de uitvoerbaarheid van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen opnieuw te beoordelen, gelet op de ernstige, aanhoudende problemen bij de tenuitvoerlegging, waaronder de problemen op het gebied van mededingingsverstoring, en indien nodig het begrip "voedingsprofiel" te schrappen; is van mening dat de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006, met betrekking tot bijvoorbeeld waarheidsgetrouwe claims voor voedingsmiddelen en duidelijke claims met betrekking tot het vet-, suiker- en zoutgehalte, inmiddels worden verwezenlijkt door Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten;

48.    verwijst naar de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken en naar de gezamenlijke politieke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 27 oktober 2011 over toelichtende stukken, en verzoekt de Commissie te verzekeren dat het Parlement toegang heeft tot toelichtende stukken;

Intrekking door de Commissie van hangende wetgevingsvoorstellen

49.    stelt vast dat de nieuwe Commissie in haar werkprogramma voor 2015, onder verwijzing naar het beginsel van politieke discontinuïteit, alle aanhangige wetsvoorstellen opnieuw onder de loep neemt;

50.    wijst erop dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 april 2015(9) heeft bevestigd dat de Commissie op enig moment in een procedure tot vaststelling van een Uniehandeling, maar alleen zolang de Raad niet heeft gehandeld, haar oorspronkelijke voorstel kan intrekken; verzoekt de Commissie bijgevolg, om het interinstitutioneel evenwicht te bewaren, ingeval van een intrekking eerst het Parlement te raadplegen, met name na de eerste lezing, en naar behoren rekening te houden met zijn standpunten; verwijst in deze context in het bijzonder naar de resoluties van het Parlement van 15 januari 2015;

51.    wijst er verder op dat het Hof van Justitie in hetzelfde arrest de argumentatie van de Raad herhaalt dat de Commissie, in geval van de intrekking van een wetgevingsvoorstel, het beginsel van bevoegdheidstoedeling, het beginsel van institutioneel evenwicht en het beginsel van loyale samenwerking moet naleven, zoals opgenomen in artikel 13, lid 2, VEU, evenals het democratiebeginsel, zoals opgenomen in artikel 10, leden 1 en 2, VEU;

52.    wijst erop dat het belangrijk is dubbele wetgeving te voorkomen;

o

o       o

53.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1)

PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0061.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0069.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0127.

(5)

PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 117.

(6)

PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 87.

(7)

PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 31.

(8)

EESC-document INT/750.

(9)

Arrest van het Hof van Justitie van 14 april 2015 in zaak C-409/13, Raad/Commissie [ECLI:EU:C:2015:217].


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (28.5.2015)

aan de Commissie juridische zaken

inzake het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten

(2014/2150(INI))

Rapporteur voor advies: Anthea McIntyre

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  erkent dat REFIT een belangrijke eerste stap betekent in de richting van het vereenvoudigen van de wetgeving en het verlichten van de regeldruk op ondernemingen en het wegnemen van belemmeringen voor groei en de schepping van werkgelegenheid;

2.  is verheugd over het pakket maatregelen voor betere regelgeving van de Commissie en is van mening dat het een belangrijk instrument is voor betere regelgeving; roept ertoe op REFIT te richten op en toe te spitsen op kwalitatieve wetgeving en het vermogen ervan om de belangen van de EU-burgers te beschermen en bevorderen; wijst erop dat bij effectbeoordelingen ook de sociale en milieugevolgen van het niet uitvaardigen van wetten moeten worden nagegaan, alsook het effect daarvan op de grondrechten van burgers op EU-niveau; benadrukt dat de verbetering van de regelgeving zowel op kwalitatieve als op kwantitatieve basis moet gebeuren;

3.  benadrukt het feit dat bij de uitvoering van evaluaties en regelgevende gezondheidstests van wetgeving meer gewicht moet worden toegekend aan de grondrechten en sociale rechten dan aan economische overwegingen;

4.  herinnert eraan dat vier leden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake administratieve lasten, die de domeinen werknemers, volksgezondheid, milieu en consumenten vertegenwoordigen, een afwijkend standpunt hebben ingenomen over het eindverslag van de Groep op hoog niveau van 24 juli 2014(1);

5.  steunt het streven van de Commissie naar een vermindering van de administratieve lasten; is van mening dat een vermindering van de administratieve lasten empirisch onderbouwd moet zijn en in geen geval de bescherming voor werknemers mag aantasten;

6.  beschouwt REFIT als een eerste stap in de richting van het verlichten van onnodige regeldruk en het wegnemen van belemmeringen voor groei en de schepping van werkgelegenheid; benadrukt evenwel dat "betere regelgeving" niet als een excuus voor deregulering mag worden gebruikt om de rechten van werknemers of consumenten te ondermijnen;

7.  wijst op de horizontale clausules van de artikelen 9 en 11 van het VWEU, die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling en uitvoering van het beleid en het optreden op EU-niveau; onderstreept niet alleen de noodzaak van het beoordelen van de financiële factoren en kortetermijneffecten, maar ook de waarde van wetgeving op lange termijn, zoals de beperking van schadelijke gevolgen voor de gezondheid en het behoud van ecosystemen, wat over het algemeen moeilijk te kwantificeren is; betreurt dat hierdoor vaak geen rekening wordt gehouden met de milieu- en sociale voordelen en kosten;

8.  dringt er bij de Commissie op aan duidelijke definities te verschaffen ten aanzien van activiteiten in verband met REFIT zoals de "evaluatie", "vereenvoudiging", "consolidatie" en "gerichte herziening" van bestaande wetgeving om voor meer transparantie te zorgen;

9.  is ingenomen met de inspanningen om de gehele wetgevingsprocedure te vereenvoudigen terwijl hoge normen worden gehandhaafd; wijst op de noodzaak van eenvoudigere, duidelijker geformuleerde wetgeving die de complexiteit vermindert en op eenvoudige wijze ten uitvoer kan worden gelegd, teneinde de naleving ervan te verbeteren en onze werknemers betere bescherming te bieden; herinnert aan het belang van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

10. herinnert de Commissie eraan dat zij in de Small Business Act beloofd heeft in haar beleidsvorming uitvoering te geven aan het "denk eerst klein"-beginsel; is van mening dat bijkomende administratieve lasten en regeldruk, die al te vaak de goede werking van onze kmo's in de weg staan, hun concurrentievermogen belemmeren en hun vermogen om te innoveren en banen te scheppen beperken, middels dit beginsel moeten worden verminderd; verzoekt de Commissie met spoed de Small Business Act te evalueren om te bepalen hoe deze kan worden verbeterd zodat de werking ervan doeltreffender wordt, overeenkomstig de agenda voor betere regelgeving;

11. benadrukt de noodzaak van een "bottom-up"-aanpak ten aanzien van betere regelgeving; herinnert aan het verzoek van het Parlement om een nieuwe groep voor betere regelgeving op te richten, bestaande uit belanghebbenden en nationale deskundigen; is ingenomen met de voorstellen van de Commissie om een Europees platform van belanghebbenden voor betere regelgeving op te richten; benadrukt dat aan dit platform moet worden deelgenomen door relevante belanghebbenden, waaronder officiële vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, de sociale partners, consumentenorganisaties en het bedrijfsleven, met name kmo's, die goed zijn voor 80 % van de nieuwe banen in Europa; benadrukt dat het Europese platform van belanghebbenden zichtbaar en onafhankelijk moet zijn, het hoofd moet kunnen bieden aan de administratieve lasten die door de wetgevingsvoorstellen worden veroorzaakt en de kosten van naleving ervan, en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht moet nemen; benadrukt dat de Commissie de voorstellen van dit platform actief moet bestuderen; onderstreept dat het platform ook initiatieven voor betere regelgeving moet voorstellen en de lidstaten moet helpen bij de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving op nationaal niveau;

12. wijst erop dat de wetgeving inzake werkgelegenheid en gezondheid en veiligheid een minimumnorm voor de bescherming van werknemers vormt en dat de lidstaten verder kunnen gaan dan dat; herinnert eraan dat "gold-plating" door de lidstaten de regelgeving ingewikkelder kan maken en de naleving ervan verder kan beperken; is van mening dat omzettingsmaatregelen duidelijk en eenvoudig moeten zijn; raadt de lidstaten aan om verzwaring van de administratieve lasten te vermijden bij de omzetting van EU-wetgeving in nationale wetgeving;

13. wijst erop dat slimme regelgeving in overeenstemming moet zijn met de sociale dimensie van de interne markt zoals bepaald in het Verdrag; onderstreept dat de REFIT-agenda niet mag worden gebruikt om door sociale partners gesloten overeenkomsten op Europees niveau te ondermijnen; wijst erop dat de autonomie van de sociale partners moet worden gerespecteerd; herinnert eraan dat bij artikel 155 van het VWEU wordt gewaarborgd dat overeenkomsten van sociale partners op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen uitgroeien tot EU-regelgeving; is in dit verband ingenomen met de verklaring van Commissievoorzitter Juncker dat de sociale markteconomie alleen kan functioneren als er een sociale dialoog wordt gevoerd en dat hij een voorzitter van de sociale dialoog zou willen zijn;

14. beklemtoont dat werknemers recht moeten hebben op bescherming van de gezondheid en veiligheid op de werkplek en minimumarbeidsvoorwaarden, ongeacht of het om een werkplek in een kleine, middelgrote of grote onderneming gaat;

15. verzoekt de Commissie de onderhandelingen over de richtlijn inzake moederschapsverlof voort te zetten;

16. verzoekt de Commissie de bescherming van werknemers te verbeteren; verzoekt de Commissie met name een voorstel inzake aandoeningen van het bewegingsapparaat en omgevingstabaksrook in te dienen en de nodige aanpassingen door te voeren inzake de lijst van carcinogene en mutagene stoffen;

17. verzoekt de Commissie het Parlement en andere belanghebbende partijen te raadplegen voordat zij besluit tot de intrekking van wetgevingsvoorstellen;

18. wijst op de noodzaak om voorspelbaarheid, rechtszekerheid en transparantie te waarborgen om ervoor te zorgen dat REFIT geen bron van voortdurende rechtsonzekerheid wordt; onderstreept dat wijzigingen in de wetgeving ook in een langetermijnperspectief moeten worden beschouwd; merkt op dat het beginsel van politieke discontinuïteit en de intrekking van bestaande wetgeving geen aanleiding mogen geven tot twijfels over de politieke wenselijkheid van sociale doelstellingen;

19. betreurt dat de Commissie zeer huiverig is om de voorgestelde richtlijn betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid in het kader van REFIT kritisch te bekijken; waarschuwt dat de voorgestelde richtlijn ernstige problemen kan veroorzaken door te voorzien in nieuwe en makkelijke manieren om brievenbusmaatschappijen op te richten, maar ook door het ondermijnen van de sociale rechten van werknemers en het vermijden van de betaling van sociale premies;

20. is bezorgd over de voortdurende evaluatie van de huidige wetgeving inzake arbeidstijd met het oog op vereenvoudiging ervan; stelt voor om in plaats daarvan inspanningen te leveren met het oog op een verbeterde, correcte tenuitvoerlegging ervan;

21. is gekant tegen het voorstel om de steunregelingen voor de verdeling van fruit (bananen), groenten en melk op scholen stop te zetten;

22. verzoekt de Commissie de kmo-test te evalueren om ervoor te zorgen dat hierdoor de rechten op het gebied van gezondheid, veiligheid en arbeid en de bescherming van werknemers in kmo's niet dreigen te worden verzwakt;

23. verzoekt de Commissie met spoed maatregelen te overwegen om het effect van onlangs ten uitvoer gelegde Europese btw-regels voor digitale diensten op micro-ondernemingen aan te pakken, met name wat de aanzienlijke administratieve lasten betreft, zodat de digitale economie kan bloeien;

24. herinnert eraan dat commissaris Biénkowska tijdens haar hoorzitting heeft verklaard dat de Commissie heeft toegezegd de intrekking van voorstellen te overwegen die volgens de lidstaten gebaseerd zijn op een gebrekkige effectbeoordeling of elementen bevatten die niet volledig zijn bekeken; verzoekt de Commissie deze toezegging schriftelijk te bevestigen;

25. wijst erop dat het effect van wetgeving op grote ondernemingen en kmo's kan variëren, waarmee bij het opstellen ervan rekening moet worden gehouden; wijst erop dat elke werknemer recht heeft op het hoogste niveau van bescherming wat betreft gezondheid en veiligheid op de werkplek, ongeacht de grootte van de onderneming of het onderliggende contract;

26. ondersteunt de permanent lopende werkzaamheden van de Commissie, zoals het uitvoeren van betere effectbeoordelingen en evaluaties achteraf gedurende het gehele wetgevingsproces, het verder versterken van de onafhankelijkheid, objectiviteit en neutraliteit van effectbeoordelingen en het waarborgen van meer transparantie ten aanzien van de vraag in hoeverre rekening is gehouden met de standpunten die tijdens raadplegingen naar voren zijn gebracht; verzoekt om doeltreffend toezicht op de wetgeving om te controleren of die het gewenste effect heeft, en om gebieden in kaart te brengen waar sprake is van onsamenhangendheden tussen, alsook van ondoeltreffende maatregelen die een koppeling tot stand brengen tussen, bestaande en nieuwe regels die aanzienlijke lasten en kosten met zich mee kunnen brengen voor ondernemingen die deze regels trachten na te leven; benadrukt dat een betere handhaving van de bestaande wetgeving noodzakelijk is;

27. waarschuwt tegen de uitvoering van horizonbepalingen in wetgeving, aangezien deze rechtsonzekerheid en discontinuïteit op wetgevingsgebied dreigen te scheppen;

28. meent dat de beginselen van betere regelgeving van toepassing moeten zijn op zowel secundaire als primaire wetgeving; verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat alle gedelegeerde en uitvoeringshandelingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken op eenvoudige, duidelijke en transparante wijze uitvoeriger kunnen worden onderzocht;

29. verzoekt de Commissie haar gedetailleerde effectbeoordeling inzake de richtlijn betreffende de arbeidstijd op te stellen; maakt zich eveneens zorgen over de lasten voor kmo's als gevolg van de tenuitvoerlegging van de REACH-richtlijn en de invloed hiervan op de werkgelegenheid in de Europese kmo's uit de chemische industrie; is derhalve ingenomen met het feit dat de Commissie bereid is de lasten voor kmo's die voldoen aan de REACH-richtlijn te verlichten, zonder afbreuk te doen aan de normen op het gebied van gezondheid, veiligheid en werkgelegenheid;

30. wijst op het feit dat er geen bevredigende criteria zijn om "efficiëntie" en "kosten" te meten; merkt op dat deze termen niet adequaat zijn voor arbeidsongevallen en beroepsziekten; benadrukt dat dit kan leiden tot besluiten van de administratie en controleurs, waardoor de legitieme, democratisch verkozen wetgevers worden ontweken;

31. herinnert aan artikel 155 VWEU; verzoekt de sociale partners om betere regelgevingsinstrumenten te verwelkomen, in hun onderhandelingen vaker gebruik te maken van effectbeoordelingen en om overeenkomsten waarin wetshandelingen worden voorgesteld door te verwijzen naar de Raad voor effectbeoordeling van de Commissie;

32. verzet zich tegen een nettodoelstelling voor het verminderen van de regelgevingskosten, aangezien hiermee wordt voorbijgegaan aan zowel het doel van de regelgeving als de voordelen ervan;

33. dringt er bij de deskundige commissies van het Parlement op aan consequenter gebruik te maken van eigen effectbeoordelingsinstrumenten, met name als er ingrijpende wijzigingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel worden overwogen;

34. is op het gebied van overheidsopdrachten groot voorstander van verdere maatregelen, zoals de bevordering van kleinere aanbestedingspakketten zodat kmo's en micro-ondernemingen kunnen concurreren bij aanbestedingen voor overheidsopdrachten;

35. is van mening dat de termen "vereenvoudiging" en "vermindering van de lasten" in een steeds complexere situatie geen werkelijke betekenis hebben; benadrukt dat nieuwe technologieën en procedures de gezondheid van werknemers in gevaar kunnen brengen waardoor nieuwe beschermingsmaatregelen nodig zijn, die op hun beurt een extra administratieve last kunnen vormen;

36. dringt er bij de Commissie op aan de sociale en milieugevolgen van haar beleid beter te beoordelen, evenals de gevolgen van haar beleid voor de fundamentele rechten van burgers, door oog te hebben voor de kosten van het niet uitvaardigen van wetten op Europees niveau en het feit dat kosten-batenanalyses slechts een van de vele mogelijke criteriareeksen dekken;

37. is ervan overtuigd dat deugdelijke effectbeoordelingen een belangrijk instrument zijn ter ondersteuning van de besluitvorming en een belangrijke factor zijn voor de verwezenlijking van betere regelgeving; onderstreept echter dat dergelijke beoordelingen politieke beoordelingen en politieke besluitvorming niet kunnen vervangen;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

25

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Lampros Fountoulis, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Zdzisław Krasnodębski, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Terry Reintke, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Ulla Tørnæs, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Daniela Aiuto, Georges Bach, Amjad Bashir, Heinz K. Becker, Lynn Boylan, Mercedes Bresso, Tania González Peñas, Eva Kaili, António Marinho e Pinto, Evelyn Regner, Csaba Sógor, Michaela Šojdrová, Gabriele Zimmer

(1)

http://www.eeb.org/EEB/?LinkServID=93589C92-5056-B741-DBB964D531862603.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (30.3.2015)

aan de Commissie juridische zaken

over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten

(2014/2150(INI))

Rapporteur voor advies: Giovanni La Via

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met het streven van de Commissie naar een eenvoudig, duidelijk, geharmoniseerd en voorspelbaar regelgevingskader, zoals verwoord in het REFIT-programma; onderstreept dat de in de REFIT-mededeling bedoelde werkzaamheden beschouwd moeten worden als een continu proces, dat ervoor zorgt dat de wetgeving die op Europees niveau van kracht is, geschikt is voor het beoogde doel, de gemeenschappelijke doelstelling van de wetgevers verwezenlijkt en beantwoordt aan de verwachtingen van burgers, ondernemingen en andere belanghebbenden;

2.  neemt kennis van de eerste editie van het jaarlijkse REFIT-scorebord, waarmee de voortgang op alle beleidsgebieden en met betrekking tot alle door de Commissie vastgestelde initiatieven, alsook de acties van het Europees Parlement en de Raad, geëvalueerd kunnen worden; is van mening dat het scorebord moet worden aangevuld met een jaarlijkse opgave van de nettokosten en -baten van door de Europese Unie vastgestelde en ingetrokken Europese wetgeving, zodat ook de voortgang bij het elimineren van onnodige administratieve lasten beter beoordeeld kan worden en de Commissie kan laten zien dat zij beseft dat de cumulatieve kosten van wetgeving voor bedrijven vaak een probleem vormen;

3.  is verheugd over het feit dat de Commissie heeft aangekondigd bij de herziening van bestaande en geplande wetgeving rekening te zullen houden met de specifieke belangen van micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, en de lasten voor dergelijke ondernemingen te zullen verlichten door middel van uitzonderingsbepalingen en vereenvoudigingen;

4.  acht het niet wenselijk in wetgeving generieke vrijstellingen in te voeren voor kmo's; is van mening dat voorstellen die de invoering van versoepelde regelingen en vrijstellingen mogelijk maken per geval moeten worden beoordeeld;

5.  wijst op de raming van de Commissie dat tot een derde van de administratieve lasten in verband met EU-wetgeving toegeschreven kan worden aan nationale omzettingsmaatregelen of flexibele omzettingsopties; dringt er derhalve bij de Commissie op aan bij de herziening van het rechtskader van verordeningen en richtlijnen het beginsel van de gemeenschappelijke interne markt nieuw leven in te blazen en de mogelijkheid om bijzondere nationale regelingen vast te stellen zoveel mogelijk te beperken;

6.  steunt het doel van het programma om de administratieve lasten te verminderen en onnodige regelgevingsdruk op te heffen, omdat er daarmee voor gezorgd kan worden dat de burgers op evenredige wijze en op basis van feiten bescherming wordt geboden; is evenwel, met name op het gebied van milieu, voedselveiligheid en gezondheid, geen voorstander van deregulering onder het mom van vermindering van administratieve lasten; verzoekt de Commissie om de voordelen van milieu- en gezondheidswetgeving voor burgers, de economie, het milieu en de volksgezondheid volledig in aanmerking te nemen bij het beoordelen van de administratieve lasten van wetgeving, maar daarbij tevens te streven naar het behoud en de versterking van het concurrentievermogen van de EU; onderstreept in dit verband dat de kwaliteit van de wetgeving de passende benchmark is voor evaluaties, en niet het aantal wetgevingshandelingen; herinnert eraan dat de lidstaten vrij zijn om nadere regelgeving vast te stellen op die gebieden waar het EU-recht slechts minimumnormen voorschrijft; verzoekt de Commissie haar ambities niet terug te schroeven en dringt erop aan dat de doelstellingen van openbaar belang, waaronder de milieu- en gezondheidsnormen, niet in gevaar worden gebracht;

7.  wijst erop dat bepaalde administratieve lasten nodig zijn om te waarborgen dat de doelstellingen van de regelgeving en het beoogde niveau van bescherming op passende wijze worden gerealiseerd, met name op het gebied van het milieu en de bescherming van de volksgezondheid, sectoren waarvoor geldt dat de informatieverplichtingen gehandhaafd moeten blijven;

8.  wijst erop dat de Europese burgers onverminderd achter EU-maatregelen op het gebied van milieu staan; wijst er met nadruk op dat de inspanningen ter vereenvoudiging van wetgeving (REFIT), met name in de context van het werkprogramma van de Commissie, niet mogen worden gebruikt als een voorwendsel om minder ambitieus te zijn in zaken die van essentieel belang zijn voor de bescherming van het milieu;

9.  herinnert eraan dat vier leden van de Groep op hoog niveau inzake administratieve lasten, die de domeinen werknemers, volksgezondheid, milieu en consumenten vertegenwoordigen, een afwijkend standpunt hebben ingenomen over het eindverslag van de Groep op hoog niveau van 24 juli 2014(1);

10. benadrukt dat eenvoudiger, slimmere wetgeving leidt tot een consistente omzetting en een doeltreffender en meer uniforme handhaving door de lidstaten;

11. benadrukt dat 32 % van de Europese administratieve lasten het resultaat is van de beslissing van enkele lidstaten om meer verplichtingen op te leggen dan de Uniewetgeving vereist en van de inefficiëntie van hun administratieve procedures; merkt op dat het daarom belangrijk is dat overregulering, d.w.z. het bij de omzetting van EU-richtlijnen vaststellen van aanvullende vereisten en opleggen van extra lasten boven hetgeen noodzakelijk is op grond van het EU-recht, wordt voorkomen; vindt dat overregulering de regelgeving ingewikkelder en duurder maakt voor lokale en regionale overheden en voor publieke en particuliere ondernemingen; stelt zich op het standpunt dat er behoefte is aan een Europese definitie van overregulering, om te zorgen voor eenvormige toepassing van het EU-recht en om de landen die ontkennen dat zij zich schuldig maken aan overregulering te kunnen beoordelen;

12. is van mening dat de Commissie voorlopige effectbeoordelingen moet publiceren, met name ten behoeve van openbare raadplegingen, waarin alle mogelijke gevolgen van voorgestelde opties worden beschreven;

13. herinnert de Commissie eraan dat het Parlement heeft verzocht om een sterkere onafhankelijkheid van de Raad voor effectbeoordeling en dat het Parlement er met name op heeft aangedrongen dat leden van deze raad niet onder politiek toezicht van de Commissie staan; is van mening dat de Raad voor effectbeoordeling uitsluitend moet bestaan uit personen die over passende kwalificaties beschikken en die in staat zijn om de gepresenteerde analyse van de economische, sociale en milieueffecten te beoordelen;

14. benadrukt dat een analyse van onnodige lasten en kosten door degenen die deze moeten dragen een nuttige aanvulling kan zijn op de kosten-batenanalyse en dat om die reden raadplegingen en openbare debatten essentieel zijn en door de Commissie moeten worden gestimuleerd;

15. is geen voorstander van het vaststellen van nettoreductiedoelstellingen voor de vermindering van regelgevingskosten, omdat daarmee het instrumentarium dat ingezet kan worden om nieuwe of bestaande problemen aan te pakken onnodig wordt beperkt en voorbij wordt gegaan aan de eventuele voordelen van regelgeving;

16. is het niet eens met het uitgangspunt dat nieuwe regelgevingslasten moeten worden gecompenseerd door het schrappen van bestaande lasten; is van oordeel dat wetgeving die onnodige lasten creëert of verouderd is, geschrapt moet worden en dat regelgeving die een nuttig doel dient en meer voordelen oplevert dan zij lasten veroorzaakt, niet moet worden geschrapt alleen omdat op een ander gebied nieuwe regelgeving is ingevoerd;

17. benadrukt dat bij evaluaties en geschiktheidscontroles van wetgeving inzake milieu, voedselveiligheid en gezondheid aan milieu- en gezondheidsoverwegingen evenveel gewicht moet worden toegekend als aan economische overwegingen en dat rekening moet worden gehouden met de analyses die in het kader van de effectbeoordelingsprocedures zijn verricht; wijst erop dat langetermijnvoordelen voor het milieu of de volksgezondheid, anders dan bedrijfskosten, vaak moeilijk te kwantificeren zijn;

18. benadrukt dat bij deze evaluaties en geschiktheidscontroles van wetgeving inzake milieu ook rekening moet worden gehouden met het belang van een Europees gelijk speelveld, waarbij regelgeving in de verschillende lidstaten op gelijke wijze ten uitvoer wordt gelegd en wordt nageleefd;

19. wijst erop dat het belangrijk is om dubbele wetgeving te voorkomen;

20. is van mening dat de effectbeoordelingen, zowel ex ante als ex post, voortdurend verbeterd moeten worden, omdat daarmee een op feiten gebaseerde beleidsvorming wordt gestimuleerd;

21. verzoekt de Commissie om de doeltreffendheid van EU-Pilot, een mechanisme dat is opgezet om vragen van burgers en ondernemingen over EU-wetgeving snel en uitvoerig te kunnen beantwoorden, te verbeteren en meer bekendheid aan dit mechanisme te geven;; wijst erop dat de meeste vragen aan EU-Pilot betrekking hebben op inbreuken op de afvalwetgeving en op de verplichtingen inzake milieueffectbeoordeling, onderwerpen die van groot belang zijn voor de volksgezondheid en het milieu;

22. wijst erop dat de Commissie reeds heeft bevestigd dat milieunormen en progressieve wetgeving geen belemmeringen voor economische ontwikkeling vormen, maar de economische groei en de werkgelegenheid juist bevorderen;

23. verzoekt de Commissie haar richtsnoeren voor evaluatie te herzien en daarbij participatie door en raadpleging van belanghebbenden te stimuleren en ernaar te streven de lijnen zo kort mogelijk te maken, zodat EU-burgers daadwerkelijk in staat worden gesteld deel te nemen aan het besluitvormingsproces;

24. benadrukt dat een hoog niveau van milieu- en gezondheidsbescherming een positief effect heeft op innovatie, en kansen creëert voor het bedrijfsleven en dus gunstig is voor de Europese economie, en dat, in het kader van de overgang naar een duurzame, groene economie met een focus op een meer zelfvoorzienend Europa, met name kmo's hiervan zullen kunnen profiteren;

25. benadrukt dat het EU-milieubeleid heeft geleid tot meer innovatie en investeringen in milieuvriendelijke goederen en diensten en tot nieuwe banen en exportmogelijkheden;

26. wijst erop dat risicobeheer en wetenschap de basis vormen voor milieu- en gezondheidsbescherming in EU-wetgeving;

27. neemt kennis van het feit dat de Commissie de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn aan een geschiktheidscontrole onderwerpt; benadrukt dat deze richtlijnen de hoeksteen vormen van de Europese inspanningen om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen en in slechte toestand verkerende ecosystemen te herstellen, en dat het regelgevingskader dat deze richtlijnen scheppen zowel flexibel als modern is en een raamwerk vormt waarin bedrijven zich kunnen aanpassen en succesvol kunnen opereren;

28. verzet zich in dit verband tegen herziening van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn;

29. neemt met verbazing kennis van het feit dat de Commissie de voorstellen inzake de herziening van de afvalwetgeving en van de wetgeving inzake de transparantie van de gezondheidswetgeving heeft ingetrokken; neemt met zorg kennis van de mededeling van de Commissie dat zij voornemens is het voorstel inzake vermindering van nationale emissies te wijzigen, zonder dat de Commissie verdere details ter zake geeft; betreurt dat het voorstel om genoemde wetgeving in te trekken werd gedaan zonder overlegging van gegevens of een analyse ter onderbouwing van dit voorstel en zonder voorafgaande raadpleging van de medewetgevers of belanghebbenden; herinnert aan de toezegging van de Commissie, zoals neergelegd in het Werkprogramma 2015, om de zienswijze van het Europees Parlement en de Raad in aanmerking te nemen alvorens definitief te besluiten over het Werkprogramma 2015, en met name over de intrekking van wetgeving; wijst erop dat de meerderheid van de leden van het Europees Parlement zich bij diverse stemmingen in de plenaire vergadering heeft uitgesproken voor het ongewijzigd laten van het circulaire-economiepakket; betreurt ten zeerste dat de Commissie het voorstel inzake herziening van de afvalwetgeving desondanks heeft ingetrokken en betreurt het verlies van tijd en middelen ten gevolge van deze intrekking; betreurt dat de Commissie heeft meegedeeld voornemens te zijn haar voorstel voor een herziening van de energiebelastingrichtlijn in te trekken;

30. herinnert aan het verslag van de groep op hoog niveau inzake administratieve lasten getiteld "Cutting Red Tape in Europe", waarin wordt geconcludeerd dat milieuwetgeving niet behoort tot de categorie wetgeving die de meeste lasten creëert; dringt er bij de Commissie op aan om, als zij overweegt om voorstellen voor milieuwetgeving in te trekken of af te zien van indiening daarvan, met deze conclusie rekening te houden; benadrukt in dit verband dat in hetzelfde verslag wordt geconcludeerd dat milieuwetgeving niet meer dan 1 % bijdraagt aan de totale onnodige administratieve lasten;

31. is van mening dat de legitimiteit van het REFIT-programma uitsluitend gewaarborgd wordt als zaken die tot het domein van gezonde en resultaatgerichte regelgeving behoren gescheiden blijven van de met de wetgeving beoogde doelen en de afweging van de belangen van belanghebbenden, hetgeen tot de verantwoordelijkheid van de wetgevers behoort; benadrukt dat het belangrijk is dat de REFIT-acties die genoemd worden in bijlage 3 van het Werkprogramma 2015 van de Commissie op de gebieden klimaatactie en energie, milieu, maritieme zaken en visserij, gezondheid en voedselveiligheid, en interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijf, beperkt blijven tot vereenvoudiging van wetgeving en dat ondermijning van beleidsdoelstellingen moet worden voorkomen;

32. verzoekt de Commissie om in aanvulling op REFIT geen op zichzelf staande en eenzijdige cumulatieve-kostenbeoordelingen te verrichten (zoals zij voornemens is te doen met betrekking tot bijvoorbeeld de belangrijkste EU-wetgeving en beleidsinstrumenten voor de chemische industrie in Europa) maar dit aspect te integreren in de algemene geschiktheidscontrole, om te zorgen voor een evenwichtige aanpak waarbij ook rekening wordt gehouden met de voordelen van de desbetreffende wetgeving;

33. dringt er bij de Commissie op aan de wetenschappelijke grondslag, het nut en de uitvoerbaarheid van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen opnieuw te beoordelen, gelet op de ernstige, aanhoudende problemen bij de tenuitvoerlegging, waaronder de problemen op het gebied van mededingingsverstoring, en indien nodig het begrip "voedingsprofiel" te schrappen; is van mening dat de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006, met betrekking tot bijvoorbeeld waarheidsgetrouwe claims voor voedingsmiddelen en duidelijke claims met betrekking tot het vet-, suiker- en zoutgehalte, inmiddels worden verwezenlijkt door Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten;

34. dringt er bij de Commissie op aan de uitkomsten van het Europese burgerinitiatief "Right2Water" serieus te nemen en ervoor te zorgen dat de voorstellen naar aanleiding van dit initiatief naar tevredenheid van alle betrokkenen, en in het bijzonder de Europese burgers, ten uitvoer worden gelegd;

35. verwacht dat de Commissie gestructureerd overleg voert, waaronder met het Europees Parlement, voordat zij besluit tot intrekking van voorstellen;

36. benadrukt dat de Commissie krachtens de Kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie verplicht is om tijdig een gedetailleerde verklaring te verstrekken alvorens zij een voorstel intrekt waarover het Europees Parlement reeds een standpunt in eerste lezing heeft ingenomen, zoals het geval is bij de richtlijn betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling en de terugbetaling van geneesmiddelen;

37. betreurt dat de Commissie in de onderhandelingen over een nieuwe richtlijn betreffende plastic draagtassen niet faciliterend is opgetreden en kort voor het bereiken van een akkoord door de medewetgevers onder het mom van "betere regelgeving" zelfs in het openbaar heeft gedreigd haar voorstel in te trekken;

38. herinnert de Commissie aan de prerogatieven van de medewetgevers tijdens de wetgevingsprocedure en verzoekt de Commissie het recht van de medewetgevers om voorstellen van de Commissie te wijzigen te eerbiedigen; herinnert eveneens aan de verantwoordelijkheid van de medewetgevers om de beginselen van betere wetgeving na te leven, en met name de interinstitutionele akkoorden; is voorts van mening dat een herziening van het interinstitutioneel akkoord over betere wetgeving te lang op zich laat wachten en kijkt uit naar initiatieven van de Commissie om van start te gaan met de onderhandelingen over de actualisering van dit akkoord;

39. is van mening dat in gevallen waarin wetgeving wordt voorgesteld op een complex en veelzijdig gebied, er een tweede fase van raadpleging zou moeten plaatsvinden, waarin het ontwerp van wetgevingshandeling samen met een voorlopige effectbeoordeling gepubliceerd wordt, zodat alle relevante belanghebbenden daarop kunnen reageren; is van mening dat een dergelijke tweede fase bijdraagt aan de zorgvuldigheid waarmee de analyse van de Commissie tot stand komt en zorgt voor een betere onderbouwing van voorstellen die na een dergelijke procedure worden goedgekeurd;

40. verzoekt de Commissie het op 31 oktober 2014 verstreken mandaat van de groep op hoog niveau te verlengen en daarbij te waarborgen dat er onder de leden van de groep geen belangenconflicten spelen en dat ook een lid van de Commissie JURI van het Parlement deel gaat uitmaken van de groep;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

62

0

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Nessa Childers, Alberto Cirio, Birgit Collin-Langen, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Iratxe García Pérez, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Dubravka Šuica, Tibor Szanyi, Nils Torvalds, Glenis Willmott, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nicola Caputo, Herbert Dorfmann, Linnéa Engström, Luke Ming Flanagan, Jan Huitema, Karol Karski, Merja Kyllönen, Anne-Marie Mineur, Alessandra Mussolini, James Nicholson, Aldo Patriciello, Marit Paulsen, Bart Staes, Theodor Dumitru Stolojan, Tom Vandenkendelaere

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marie-Christine Boutonnet, Anthea McIntyre, Emilian Pavel

(1)

http://www.eeb.org/EEB/?LinkServID=93589C92-5056-B741-DBB964D531862603


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (18.3.2015)

aan de Commissie juridische zaken

inzake het Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten

(2014/2150(INI))

Rapporteur voor advies: Othmar Karas

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwelkomt de mededeling over gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT) en de blijvende inzet van de Commissie voor de agenda voor betere regelgeving; onderstreept dat de in de REFIT-mededeling bedoelde werkzaamheden beschouwd moeten worden als een continu proces, dat erop gericht is om ervoor te zorgen dat de wetgeving die op Europees niveau van kracht is, geschikt is voor het beoogde doel, en daarnaast ertoe dient om de gemeenschappelijke doelstelling van de wetgevers te verwezenlijken en te voldoen aan de verwachtingen van burgers, ondernemingen en alle andere belanghebbenden; benadrukt dat het REFIT-programma zich met name moet richten op betere regelgeving en geen negatieve gevolgen mag hebben voor gendergelijkheid en geen afbreuk mag doen aan sociale, arbeids- en milieunormen of milieu- en consumentenbescherming;

2.  stelt zich op het standpunt dat, als de noodzaak tot optreden op EU-niveau duidelijk is vastgesteld en als een dergelijk optreden strookt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, zorgvuldig moet worden onderzocht of een niet-wetgevingsinstrument dan wel een wetgevingsinstrument - en in dit laatste geval welk wetgevingsinstrument - het meest geschikt is om de beoogde politieke doelstellingen te verwezenlijken, en dat daarbij met name gekeken moet worden naar de Europese meerwaarde; is van mening dat een reeks indicatoren moet worden vastgesteld om de nalevingskosten en administratieve kosten in verband met nieuwe wetgevingshandelingen in kaart te brengen, zodat de gevolgen daarvan beter kunnen worden beoordeeld; benadrukt dat deze indicatoren gebaseerd moeten zijn op duidelijke, omvattende, (indien passend) kwantificeerbare en multidimensionele criteria, waaronder sociale, economische en milieucriteria, om de gevolgen van optreden of niet-optreden op EU-niveau afdoende te kunnen beoordelen;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gevolgen van bestaande en toekomstige regelgeving voor kmo's en voor het concurrentievermogen in het algemeen grondiger te bestuderen; is van mening dat de beoordeling van de gevolgen voor het concurrentievermogen een belangrijk onderdeel moeten vormen van de effectbeoordelingsprocedure; is van mening dat de voorgestelde herziene richtsnoeren instructies moeten bevatten over de manier waarop gevolgen voor het concurrentievermogen moeten worden beoordeeld en moeten worden meegewogen in de uiteindelijke analyse; steunt het huidige uitgangspunt dat voorstellen met negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen moeten worden afgewezen, tenzij aangetoond wordt dat ze aanzienlijke niet kwantificeerbare voordelen hebben;

4.  betreurt dat de te herziene maatregelen die worden opgesomd in het scorebord bij de mededeling geen nieuwe maatregelen zijn, maar een pakket maatregelen dat reeds voor herziening in aanmerking komt omdat de herzieningsclausules in eerder aangenomen wetgeving zijn verstreken; verwacht dat de nieuwe Commissie een ambitieuzere aanpak zal hanteren ten aanzien van de verwezenlijking van de doelstellingen van de REFIT-mededeling en zich met name actiever zal in zetten voor de aanpak van moeilijke kwesties, zoals de kwesties die naar voren zijn gekomen bij de "top 10"-raadpleging van kmo's;

5.  vindt dat de opzet van de scoreborden veranderd moet worden en dat er twee documenten moeten worden opgesteld, een document met een werkplan en een tweede nieuw document waarin de vorderingen van de Commissie uitvoerig worden beschreven en in cijfers worden weergegeven; vindt dat dit tweede document het uitgangspunt moet vormen voor een jaarlijkse verklaring over nieuwe kosten voor het bedrijfsleven, die de vorm moet krijgen van een gemakkelijk te begrijpen verklaring of een overzicht van "kosten en baten" met betrekking tot de administratieve en regelgevingseffecten van voorstellen die in het achterliggende wetgevingsjaar zijn goedgekeurd, omdat dat veel nuttiger zou zijn en de Commissie hiermee kan laten zien dat zij inziet dat het probleem hem vaak zit in de cumulatieve kosten van regelgeving;

6.  wijst er nogmaals op dat in EU-wetgeving terdege rekening moet worden gehouden met kmo's; dringt er bij de Commissie op aan het belang van het "denk eerst klein"-principe te erkennen door in de herziene richtsnoeren voor effectbeoordeling een verplichte kmo-test en een concurrentievermogenstest op te nemen, om de meerwaarde en de kosten en baten van EU-maatregelen met bewijs te kunnen onderbouwen, en de sociale, economische en milieugevolgen van voorgestelde wetgeving grondig te bestuderen;

7.  wijst erop dat Commissievoorstellen alleen door het college van commissarissen mogen worden goedgekeurd op basis van een positief advies van de Effectbeoordelingsraad, waarin deze aangeeft dat de desbetreffende effectboordeling op bevredigende wijze is uitgevoerd;

8.  wijst nogmaals op zijn standpunt inzake een algemene uitsluiting van micro-ondernemingen van wetgevingsvoorstellen, als vermeld in zijn resolutie van 23 oktober 2012 over kleine en middelgrote ondernemingen: concurrentievermogen en zakelijke kansen(1) en zijn resolutie van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test(2), inhoudende dat de wenselijkheid van vrijstelling van micro-ondernemingen voor ieder voorstel afzonderlijk moet worden beoordeeld, waarbij het principe van de omgekeerde bewijslast moet worden gehanteerd, d.w.z. dat micro-ondernemingen buiten het toepassingsgebied van wetgevingsvoorstellen dienen te vallen, behalve als is aangetoond dat zij daarbinnen dienen te vallen; spoort de Commissie met klem aan zich te blijven inzetten voor het terugdringen van de kosten van wetgeving voor micro-ondernemingen en kmo's en hierbij voort te bouwen op de vorderingen die zij op dit gebied reeds heeft geboekt; vestigt de aandacht op de aanbevelingen met betrekking tot dit onderwerp in eerdergenoemde resolutie van 27 november 2014;

9.  merkt op dat het Parlement zich met betrekking tot de "top 10"-raadpleging en de vermindering van de administratieve lasten ten gevolge van EU-regelgeving op het standpunt stelt, zoals blijkt uit zijn resolutie van 17 april 2014 over dit onderwerp(3), dat de regeldruk in verband met de arbeidswetgeving verminderd moet worden en dat de arbeidstijdenrichtlijn aan een fundamentele herziening toe is, aangezien zij voor micro-ondernemingen en kmo's te star is; merkt tevens op dat het Parlement er in dezelfde resolutie voor pleit om bedrijven met een laag risico niet meer te verplichten schriftelijke gezondheids- en veiligheidsevaluaties op te stellen, teneinde de druk van de gezondheids- en veiligheidswetgeving te verlagen;

10. merkt op dat tot een derde van de administratieve lasten in verband met EU-wetgeving toegeschreven kan worden aan nationale uitvoeringsmaatregelen, en wijst er nogmaals op dat naast de voorgestelde vereenvoudiging van wetgeving het ook noodzakelijk is ervoor te zorgen dat wetgeving snel en consistent wordt omgezet, tenuitvoergelegd en gehandhaafd en dat overregulering wordt voorkomen; verzoekt de Commissie om in het scorebord van EU-regelgeving criteria op te nemen om te kunnen beoordelen wanneer er sprake is van buitensporige nationale uitvoeringsmaatregelen en overregulering duidelijk te definiëren, zodat aanvullende regelgeving in de lidstaten die aan die criteria voldoet als zodanig wordt aangemerkt; wijst erop dat bij het vaststellen van een dergelijke definitie in het oog moet worden gehouden dat de lidstaten het recht hebben strengere normen vast te stellen als de EU-wetgeving slechts voorziet in minimumharmonisatie;

11. meent dat de beginselen van betere regelgeving zowel van toepassing moeten zijn op secundaire als op primaire wetgeving; dringt er bij de Commissie en haar agentschappen op aan gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen in alle gevallen waarin de te verwachten gevolgen van die handelingen aanzienlijk zijn, vergezeld te laten gaan van een effectbeoordeling, en in dat kader ook belanghebbenden te raadplegen; pleit met het oog hierop voor wijziging van de richtsnoeren voor uitvoeringshandelingen en aanpassing daarvan aan de algemene richtsnoeren voor gedelegeerde handelingen; benadrukt dat de medewetgevers in Tier 1-wetgeving zo gedetailleerd mogelijk moeten aangeven wat de doelstellingen van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen zijn; merkt op dat het Parlement in zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid(4) de Commissie heeft verzocht diepgaander onderzoek te doen naar de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, met name in verband met het gebruik van de artikelen 290 en 291 VWEU inzake gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen;

12. steunt het voornemen van de Commissie om de evaluaties te verbeteren, als cruciaal aspect van slimme regelgeving; wijst erop dat evaluaties betrouwbare informatie bieden over de werkelijke gevolgen van wetgeving voor de adressaten en dringt er in dit verband op aan formeel vast te leggen dat vertegenwoordigers van de adressaten tijdens evaluatieprocedures uitgebreid worden geraadpleegd;

13. dringt aan op hernieuwde onderhandelingen over en aanpassing van het Interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven", om rekening te houden met het Verdrag van Lissabon en de kaderovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie en beste praktijken te ontwikkelen en consolideren op het gebied van bijvoorbeeld wetgevingsplanning, effectbeoordeling, systematische evaluatie achteraf van de wettelijke bepalingen van de EU, en de tenuitvoerlegging en het gebruik van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen;

14. verzoekt de Commissie een methode voor te stellen voor de vaststelling van kwantitatieve streefcijfers voor het verminderen van de administratieve lasten op Europees niveau; wijst op de positieve ervaringen die sommige lidstaten hebben met het vaststellen van nettoreductiedoelstellingen, bedoeld om de nalevingskosten te verminderen; zou graag zien dat deze methode door de onlangs in het leven geroepen groep op hoog niveau inzake administratieve lasten wordt besproken en dat deze methode, als zij wordt goedgekeurd, in de toekomst wordt toegepast bij effectbeoordelingen;

15. dringt aan op nauwere betrokkenheid van belanghebbenden, waaronder de sociale partners, ondernemersorganisaties, consumentenorganisaties, milieuorganisaties, maatschappelijke organisaties en nationale, regionale en lokale overheden bij de subsidiariteits- en evenredigheidstoetsing, de beoordeling van de administratieve lasten (waaronder de positieve effecten en de kosten verbonden aan de naleving van wetgeving), de keuze van de rechtsgrondslag, geschiktheidscontrole en evaluatie achteraf, en bij het toezicht op de tenuitvoerlegging en handhaving van EU-wetgeving op nationaal niveau; meent dat deze controles en evaluaties verbeterd kunnen worden als de lidstaten gebruik gaan maken van "peer review"; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om een nieuwe groep op hoog niveau voor betere regelgeving in het leven te roepen, bestaande uit onder meer belanghebbenden en onafhankelijke nationale deskundigen en onder verantwoordelijkheid van de bevoegde vicevoorzitter; stelt voor deze groep een sterk mandaat te verlenen, zodat zij kan functioneren als een efficiënt en onafhankelijk adviesorgaan;

16. is van mening dat bestaande EU-wetgeving in het kader van het REFIT-programma eventueel ingetrokken of herzien moet worden als er sprake is van een onevenwichtige of onvolledige effectbeoordeling of als er geen effectbeoordeling is uitgevoerd;

17. benadrukt de noodzaak van een "bottom-up"-aanpak ten aanzien van deregulering; verzoekt de Commissie daarom een "Europees forum van belanghebbenden" voor betere regelgeving en minder bureaucratie op te richten, met als kwantitatieve doelstelling de administratieve lasten tegen 2020 met 25 % te verminderen; benadrukt dat aan dit forum moet worden deelgenomen door belanghebbenden, waaronder de sociale partners, consumentenorganisaties en het bedrijfsleven; benadrukt dat de Commissie de voorstellen van dit forum actief moet bestuderen en dat de Commissie ten aanzien van deze voorstellen het "pas toe of leg uit"-beginsel moet hanteren; is van oordeel dat dit forum zou kunnen dienen als platform voor ondernemingen of groeperingen die op nationaal of Europees niveau actief zijn, waar voorstellen kunnen worden ingediend ter ondersteuning van de beginselen van betere regelgeving of ter vermindering van de bureaucratische lasten ten gevolge van de voorschriften die in hun sector van toepassing zijn;

18. verzoekt de Commissie te waarborgen dat belanghebbenden in een vroege fase worden geraadpleegd en dat dit op transparante wijze geschiedt en dat de uitkomsten van deze raadplegingen kwantitatief en kwalitatief worden onderzocht, om ervoor te zorgen dat ook rekening gehouden wordt met minderheidsstandpunten; acht het van groot belang dat belanghebbenden de gelegenheid krijgen om zich in de eerste fasen van het wetgevingsproces uit te spreken over eventuele onnodig belastende aspecten van Commissievoorstellen door middel van indiening van een voorlopige effectbeoordeling bij de Raad voor effectbeoordeling in de fase voorafgaand aan het definitieve wetgevingsvoorstel en de effectbeoordeling daarvan, bijvoorbeeld door de groep op hoog niveau van deskundigen inzake betere regelgeving hierbij te betrekken;

19. verzoekt de Commissie de REFIT-exercitie in te passen in en te koppelen aan de ruimere context van de vaststelling en uitvoering van het werkprogramma en de belangrijkste prioriteiten van de Commissie;

20. spoort de Commissie aan bij de voorbereiding van uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen de raadpleging van alle belanghebbenden, zowel openbare instanties als particuliere organisaties en personen, waaronder consumenten, uit te breiden, teneinde te onderzoeken hoe meer bekendheid gegeven kan worden aan voorstellen die nog in een voorlopige fase verkeren; is er vast van overtuigd dat dergelijke inspanningen gericht op meer input van belanghebbenden voordat er definitieve voorstellen worden gedaan, zullen leiden tot betere wetgeving; verwelkomt in dit kader initiatieven om de procedures voor raadpleging over voorlopige regels of normen te vergelijken met de procedures die in andere rechtssystemen worden gebruikt, teneinde optimale werkwijzen te ontwikkelen;

21. is van mening dat belanghebbenden, de plaatselijke en regionale autoriteiten en de lidstaten nauwer betrokken moeten worden bij het in kaart brengen van problemen met betrekking tot de tenuitvoerlegging op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau en dat zij de Commissie hierover feedback moeten geven; dringt aan op het gebruik van indicatoren voor het beoordelen van nalevingskosten en de kosten van non-regulering (naar het voorbeeld van "de kosten van geen-Europa"); vindt dat dergelijke indicatoren veelomvattend moeten zijn en geschikt moeten zijn voor een kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling van de mogelijke voor- en nadelen en kosten en besparingen van een internemarktaanpak.

22. is van oordeel dat bij de beoordeling in het kader van REFIT en bij andere activiteiten die gericht zijn op betere regelgeving moet worden aangehaakt bij de huidige digitalisering in de economie en de maatschappij en binnen bestuursorganen; is van mening dat het zinvol is om ook bij de beoordeling van de samenhang binnen en consistentie van regelgevingsgebieden binnen het ruimere kader van de digitale interne markt op grote schaal gebruik te maken van het REFIT-instrument en van geschiktheidscontroles;

23. is ingenomen met de plannen om interne richtsnoeren op te stellen ter verbetering van de kwaliteit van raadplegingen en de evaluatie daarvan; is van mening dat, in verband met de complexiteit van de beleidskeuzes die op de verschillende gebieden moeten worden gemaakt, de vragen die in het kader van een raadpleging gesteld worden, concreter en duidelijker geformuleerd moeten worden; vindt dat wanneer wetgeving wordt voorgesteld voor een ingewikkeld beleidsterrein, er een extra raadplegingsfase moet plaatsvinden, waarin een ontwerpwetgevingshandeling gepubliceerd wordt, vergezeld van een voorlopige effectbeoordeling, waarop alle relevante belanghebbenden commentaar kunnen geven; is van mening dat een dergelijke extra fase bijdraagt aan de zorgvuldigheid waarmee de analyse van de Commissie tot stand komt en zorgt voor een betere onderbouwing van voorstellen die na een dergelijke procedure worden goedgekeurd;

24. herinnert eraan dat commissaris Bieńkowska tijdens de hoorzitting die voorafging aan haar benoeming heeft toegezegd dat de Commissie zal overwegen een voorstel in te trekken als de leden van oordeel zijn dat een effectbeoordeling gebrekkig is of bepaalde aspecten onvoldoende aan de orde zijn gekomen; vraagt de Commissie om schriftelijk te bevestigen dat het hele college van Commissarissen het met dit beleid eens is;

25. vindt dat het communicatiebeleid van de EU met betrekking tot EU-wetgeving verbetering behoeft en vindt dat de agenda voor betere regelgeving een waardevolle basis vormt om het optreden van de EU begrijpelijker en concreter te maken; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten verder te werken aan de ontwikkeling van de website "Uw Europa", zodat kmo's gemakkelijker en in hun eigen taal toegang krijgen tot praktische informatie over raadplegingen die gehouden zullen worden, relevante EU-wetgeving en de toepassing daarvan in de lidstaten;

26. verwelkomt en ondersteunt de plannen van de Commissie om op de middellange termijn een aantal nieuwe evaluaties en fitness checks in te voeren met betrekking tot de prestaties ten aanzien van bestaande EU-wetgeving en de toepassing van het Verdragsrecht, onder meer wat betreft betalingsachterstanden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

12

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Sergio Gaetano Cofferati, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Dennis de Jong, Pascal Durand, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Antanas Guoga, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Jiří Maštálka, Eva Paunova, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Mylène Troszczynski, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Lucy Anderson, Jussi Halla-aho, Kaja Kallas, Othmar Karas, Emma McClarkin, Jens Nilsson, Julia Reda, Adam Szejnfeld, Lambert van Nistelrooij, Josef Weidenholzer, Kerstin Westphal

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

José Blanco López, Andrea Bocskor, Roger Helmer, György Hölvényi, Emilian Pavel

(1)

PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 40.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0069.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0459.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0061.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

2

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Laura Ferrara, Enrico Gasbarra, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Sajjad Karim, Dietmar Köster, Gilles Lebreton, Jiří Maštálka, Emil Radev, Julia Reda, Pavel Svoboda, József Szájer, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pascal Durand, Angel Dzhambazki, Jytte Guteland, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Angelika Niebler, Cecilia Wikström

Juridische mededeling - Privacybeleid