Procedure : 2014/2044(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0291/2015

Ingediende teksten :

A8-0291/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/10/2015 - 15.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0356

VERSLAG     
PDF 166kWORD 85k
12.10.2015
PE 565.125v03-00 A8-0291/2015

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács

(2014/2044(IMM))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Tadeusz Zwiefka

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács

(2014/2044(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács in verband met een door het bureau van de procureur-generaal van Hongarije uit te voeren onderzoek, dat op 12 mei 2014 werd ingediend door de procureur-generaal van Hongarije, dhr. Péter Polt, en op 3 juli 2014 ter plenaire vergadering werd aangekondigd, en gezien de nadere toelichting die dhr. Polt heeft gegeven in zijn brieven d.d. 16 oktober 2014 en 23 maart 2015 en de gedachtewisseling met dhr. Polt tijdens de vergadering van de Commissie juridische zaken op 14 juli 2015,

–  na dhr. Kovács te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 4, lid 2, van de Basiswet van Hongarije, artikel 10, lid 2, en artikel 12, lid 1, van wet LVII van 2004 inzake de status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement, en artikel 74, leden 1 en 3, van wet XXXVI van 2012 inzake de Nationale Vergadering van Hongarije,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0291/2015),

A.  overwegende dat de procureur-generaal van Hongarije een verzoek om de opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement, Béla Kovács, heeft ingediend opdat er onderzoek kan worden gedaan, op basis van een redelijk vermoeden, om te bepalen of er beroep tegen hem kan worden ingesteld wegens spionage bij de instellingen van de Europese Unie overeenkomstig artikel 261/A van wet C van 2012 inzake het Hongaarse wetboek van strafrecht; overwegende dat elke persoon die voor een land dat niet tot de Europese Unie behoort inlichtingenactiviteiten verricht tegen het Europees Parlement, de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie strafbaar is overeenkomstig artikel 261; overwegende dat, uit hoofde van artikel 261, lid 1, elke persoon die inlichtingenactiviteiten verricht voor een buitenlandse mogendheid of buitenlandse organisatie tegen Hongarije zich schuldig maakt aan een ernstig misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van twee tot acht jaar;

B.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten moeten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging van die lidstaat zijn verleend;

C.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de Basiswet van Hongarije, de nationale parlementsleden immuniteit genieten; overwegende dat, overeenkomstig artikel 10, lid 2, van wet LVII van 2004 inzake de status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement, de leden van het Europees Parlement dezelfde immuniteit genieten als de leden van het Hongaars parlement; overwegende dat er, overeenkomstig artikel 74, lid 1, van wet XXXVI van 2012 inzake de Nationale Vergadering, uitsluitend met voorafgaande toestemming van de Nationale Vergadering een strafprocedure kan worden ingesteld of gevoerd tegen/een dwangmaatregel uit hoofde van een strafprocedure kan worden opgelegd aan een lid; overwegende dat, overeenkomstig artikel 74, lid 3, van dezelfde wet, het verzoek om opheffing van immuniteit moet worden ingediend door de procureur-generaal om het onderzoek te kunnen openen;

D.  overwegende dat het Hongaarse hooggerechtshof in zaak Bf.I.2782/2002 heeft verklaard dat de parlementaire immuniteit beperkt is tot de strafprocedure en niet geldt voor niet in het wetboek van strafvordering geregelde maatregelen gericht op het voorkomen, opsporen of aantonen van een misdrijf;

E.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 261/A van wet C van 2012 inzake het Hongaarse wetboek van strafrecht, het strafbare feit op grond waarvan onderzoek kan worden gedaan naar Béla Kovács strafbaar is sinds 1 januari 2014;

F.  overwegende dat het onderzoek en alle daaruit voortvloeiende aanklachten op grond waarvan om de opheffing van immuniteit wordt verzocht, derhalve beperkt zijn tot gebeurtenissen die na 1 januari 2014 hebben plaatsgevonden;

G.  overwegende dat, volgens de jurisprudentie van het Hongaarse hooggerechtshof, de bewijsgaring overeenkomstig wet CXXV van 1995 inzake nationale veiligheidsdiensten vóór die datum wettig was en hiervoor geen opheffing van immuniteit was vereist;

H.  overwegende dat het strafrechtelijk onderzoek zal worden uitgevoerd door het bureau van de procureur-generaal; overwegende dat, uit hoofde van artikel 29, lid 1, van de Basiswet van Hongarije, de procureur-generaal en het parket onafhankelijk zijn, hun grondwettelijke taken onafhankelijk van externe organisaties uitvoeren en handelen onder eerbiediging van het vermoeden van onschuld;

I.  overwegende dat de opheffing van de immuniteit van Béla Kovács moet worden onderworpen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 9, lid 6, van het Reglement;

J.  overwegende dat in het onderhavige geval voor het Parlement niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de procedure is ingeleid met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen;

1.  besluit de immuniteit van Béla Kovács op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Hongarije en aan Béla Kovács.

TOELICHTING

1. Achtergrond

Tijdens de vergadering van 3 juli 2014 maakte de Voorzitter overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement bekend een brief te hebben ontvangen van de procureur-generaal van Hongarije, dhr. Polt, waarin om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács werd verzocht.

De Voorzitter verwees het verzoek overeenkomstig artikel 9, lid 1, naar de Commissie juridische zaken.

Gezien het feit dat het Europees Parlement de gerubriceerde bijlage bij de eerste brief van dhr. Polt niet kon accepteren, heeft dhr. Polt nadere toelichting gegeven in zijn brieven d.d. 16 oktober 2014 en 23 maart 2015 en werd er een gedachtewisseling met hem gehouden tijdens de vergadering van de Commissie juridische zaken op 14 juli 2015.

Het verzoek om de opheffing van de immuniteit van Béla Kovács is ingediend opdat er onderzoek kan worden gedaan, op basis van een redelijk vermoeden, om vast te stellen of er beroep tegen hem kan worden ingesteld wegens spionage bij de instellingen van de Europese Unie overeenkomstig artikel 261/A van wet C van 2012 inzake het Hongaarse wetboek van strafrecht. Volgens dat artikel is elke persoon die voor een derde land dat niet tot de Europese Unie behoort inlichtingenactiviteiten verricht tegen het Europees Parlement, de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie strafbaar overeenkomstig artikel 261, lid 1, op grond waarvan elke persoon die inlichtingenactiviteiten verricht voor een buitenlandse mogendheid of buitenlandse organisatie tegen Hongarije zich schuldig maakt aan een ernstig misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van twee tot acht jaar.

Overeenkomstig artikel 261/A van wet C van 2012 inzake het Hongaarse wetboek van strafrecht is het strafbare feit op grond waarvan onderzoek kan worden gedaan naar Béla Kovács strafbaar sinds 1 januari 2014.

Volgens de door de procureur-generaal verstrekte informatie werden de geheime contacten van dhr. Kovács met Russische inlichtingenfunctionarissen voor het eerst ontdekt in 2010 door de Hongaarse dienst voor de bescherming van de grondwet in de loop van haar onderzoek naar de activiteiten van bepaalde vreemdelingen. Volgens de jurisprudentie van het Hongaarse hooggerechtshof was deze bewijsgaring overeenkomstig wet CXXV van 1995 inzake nationale veiligheidsdiensten vóór 1 januari 2014 wettig en was hiervoor geen opheffing van immuniteit vereist.

De procureur-generaal heeft duidelijk gemaakt dat het onderzoek en alle daaruit voortvloeiende aanklachten op grond waarvan om de opheffing van immuniteit wordt verzocht, beperkt zijn tot gebeurtenissen die na 1 januari 2014 hebben plaatsgevonden.

Voorts dient te worden opgemerkt dat het strafrechtelijk onderzoek zal worden uitgevoerd door het bureau van de procureur-generaal en dat, uit hoofde van artikel 29, lid 1, van de Basiswet van Hongarije, de procureur-generaal en het parket onafhankelijk zijn, hun grondwettelijke taken onafhankelijk van externe organisaties uitvoeren en handelen onder eerbiediging van het vermoeden van onschuld.

Dhr. Kovács voert aan dat hij, aangezien artikel 261/A van wet C van 2012 pas sinds 1 januari 2014 van kracht is, niet kan worden aangeklaagd voor feiten die vóór die datum zijn gepleegd vanwege artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de EU waarin, overeenkomstig het algemene beginsel nullum crimen sine lege, wordt bepaald dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Dhr. Kovács stelt voorts dat zijn activiteiten in 2014 niet onder artikel 261/A vallen.

Dhr. Kovács beweert daarnaast dat het op hem uitgeoefende toezicht onwettig was, dat er sprake was van een schending van het vermoeden van onschuld, dat artikel 118, lid 5, van wet CLXXXVI van 2013 tot strafbaarstelling van spionage bij de instellingen van de EU specifiek werd aangenomen om het gedrag van dhr. Kovács strafbaar te stellen en dat de classificatie van de hele zaak onwettig en onredelijk is.

2. Het recht en de procedures inzake de immuniteit van leden van het Europees Parlement

Artikel 9 van het Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie luidt als volgt:

Artikel 9

Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

a. op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

b. op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.

Gezien het feit dat verzocht wordt om de opheffing van immuniteit voor Hongarije, is de Hongaarse wet inzake parlementaire immuniteit van toepassing overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a). Uit hoofde van artikel 4, lid 2, van de Basiswet van Hongarije genieten parlementsleden immuniteit. Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van wet LVII van 2004 inzake de status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement genieten de leden van het Europees Parlement dezelfde immuniteit als de leden van het Hongaars parlement, en overeenkomstig artikel 74, lid 1, van wet XXXVI van 2012 inzake de Nationale Vergadering kan uitsluitend met voorafgaande toestemming van de Nationale Vergadering een strafprocedure worden ingesteld of gevoerd tegen/een dwangmaatregel uit hoofde van een strafprocedure worden opgelegd aan een lid. Ten slotte, overeenkomstig artikel 74, lid 3, moet het verzoek om opheffing van immuniteit worden ingediend door de procureur-generaal.

Artikel 6, lid 1, en artikel 9 van het Reglement van het Europees Parlement luiden als volgt:

Artikel 6

Opheffing van vrijstelling van rechtsvervolging

1. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. Een verzoek om opheffing van de immuniteit wordt overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en de beginselen in dit artikel beoordeeld.

(...)

Artikel 9

Immuniteitsprocedures

1. Ieder tot de Voorzitter gericht verzoek door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat om opheffing van de immuniteit van een lid, of door een lid of voormalig lid om verdediging van privileges en immuniteiten, wordt ter plenaire vergadering medegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie.

Het lid of voormalig lid kan worden vertegenwoordigd door een ander lid. Het verzoek kan niet door een ander lid worden gedaan zonder toestemming van het betrokken lid.

2. De commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteiten onverwijld en met inachtneming van de relatieve complexiteit ervan.

3. De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteit in te willigen dan wel af te wijzen.

4. De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij nodig acht om zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid van opheffing of verdediging van de immuniteit.

5. Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord en kan

alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die het voor het vormen van bovengenoemd oordeel nodig acht

Behalve bij de hoorzitting zelf is het lid niet bij de debatten over het verzoek om opheffing of verdediging van zijn immuniteit aanwezig.

De voorzitter van de commissie nodigt het lid uit om te worden gehoord op een nader aangegeven datum en tijdstip. Het lid kan afstand doen van zijn recht om te worden gehoord.

Verschijnt het lid niet op de hoorzitting conform de uitnodiging, dan wordt het lid geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord, tenzij het lid onder opgave van redenen verzoekt te worden verschoond van verschijning op de hoorzitting op de voorgestelde datum en tijd. De voorzitter van de commissie bepaalt of een dergelijk verschoningsverzoek in het licht van de opgegeven redenen wordt ingewilligd; hiertegen is geen beroep mogelijk.

Wanneer de voorzitter van de commissie het verschoningsverzoek inwilligt, nodigt hij het lid uit om te worden gehoord op e en nieuwe datum en tijdstip. Gaat het lid niet in op de tweede uitnodiging om te worden gehoord, dan wordt de procedure voortgezet zonder dat het lid is gehoord. Er kunnen dan geen nieuwe verzoeken om verschoning of om te worden gehoord meer worden aanvaard.

(...)

7. De commissie kan een met redenen omkleed advies uitbrengen over de bevoegdheid ter zake van de desbetreffende autoriteit en over de ontvankelijkheid van het verzoek, maar spreekt zich in geen geval uit over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de meningen of handelingen die het lid worden verweten, strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt.

(...)

3. Motivering van het voorgestelde besluit

Onderhavig geval komt in aanmerking voor toepassing van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

Volgens die bepaling genieten de EP-leden op hun eigen grondgebied de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend.

Bij zijn beslissing of de immuniteit van een lid al dan niet moet worden opgeheven, past het Parlement zijn eigen vaste beginselen toe. Een van deze beginselen is dat de immuniteit in de regel wordt opgeheven wanneer de zaak valt onder artikel 9 van Protocol nr. 7, mits geen sprake is van fumus persecutionis, d.w.z. een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de zaak aanhangig is gemaakt met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen.

Na een briefwisseling met de nationale autoriteiten, de hoorzitting met het betrokken lid, de uitwisseling van schriftelijke stukken, een uitvoerig debat in de bevoegde commissie en een gevraagde aanvullende gedachtewisseling met de procureur-generaal, wordt aangenomen dat er in dit geval geen sprake is van fumus persecutionis.

Wat het argument gebaseerd op het beginsel nullum crimen sine lege betreft, blijkt duidelijk uit de verklaringen van de procureur-generaal dat het onderzoek en alle daaruit voortvloeiende aanklachten op grond waarvan om de opheffing van immuniteit wordt verzocht, beperkt zijn tot gebeurtenissen die na 1 januari 2014 hebben plaatsgevonden, de datum waarop artikel 261/A van wet C van 2012 inzake het Hongaarse wetboek van strafrecht in werking is getreden. Uit hoofde van artikel 29, lid 1, van de Basiswet van Hongarije zijn de procureur-generaal en het parket bovendien onafhankelijk, voeren zij hun grondwettelijke taken onafhankelijk van externe organisaties uit en handelen zij onder eerbiediging van het vermoeden van onschuld. Tot slot is het niet aan het Parlement om in een procedure inzake immuniteit te oordelen over de rechtmatigheid van de bewering van dhr. Kovács dat zijn activiteiten in 2014 niet onder artikel 261/A vallen.

De andere door dhr. Kovács aangevoerde argumenten in verband met fumus persecutionis lijken eveneens ongegrond te zijn of de reikwijdte van een procedure voor de opheffing van parlementaire immuniteit te boven te gaan.

Ten eerste, in het licht van bovengenoemde jurisprudentie van het Hongaarse hooggerechtshof op grond waarvan de parlementaire immuniteit beperkt is tot de strafprocedure en niet geldt voor niet in het wetboek van strafvordering geregelde maatregelen gericht op het voorkomen, opsporen of aantonen van een misdrijf, staat zijn bewering dat het op hem uitgeoefende toezicht onwettig was los van de procedure tot opheffing van zijn immuniteit, met name omdat zijn vermeende geheime contacten met Russische inlichtingenfunctionarissen voor het eerst werden opgemerkt door de Hongaarse dienst voor de bescherming van de grondwet in de loop van haar onderzoek naar de activiteiten van bepaalde vreemdelingen, en niet van dhr. Kovács.

Ten tweede stroken de beweringen dat er sprake was van een schending van het vermoeden van onschuld, dat artikel 118, lid 5, van wet CLXXXVI van 2013 tot strafbaarstelling van spionage bij de instellingen van de EU specifiek werd aangenomen om het gedrag van dhr. Kovács strafbaar te stellen en dat de classificatie van de hele zaak onwettig en onredelijk is, niet met het verzoek om opheffing van de immuniteit dat is ingediend met het oog op de instelling van een onderzoek, op basis van een redelijk vermoeden, om vast te stellen of er beroep tegen hem kan worden ingesteld.

Na een adequate analyse blijken deze beweringen slechts neer te komen op bezwaren of tegenwerpingen tegen hypothetische strafprocedures, die nog niet zijn ingesteld en mogelijk nooit zullen worden ingesteld. Dhr. Kovács geeft zelf ook toe dat hij geen officiële verdachte is. Nogmaals, het feit dat de procureur-generaal grondwettelijk onafhankelijk is en onder eerbiediging van het vermoeden van onschuld handelt, is voldoende om alle angst voor fumus persecutionis weg te nemen.

Tot slot wordt benadrukt dat opheffing van de immuniteit op geen enkele wijze een oordeel over de schuld of onschuld van het lid inhoudt.

4. Conclusie

Op grond van bovengenoemde overwegingen en in overeenstemming met artikel 9, lid 3, van het Reglement doet de Commissie juridische zaken het Europees Parlement de aanbeveling om de parlementaire immuniteit van Béla Kovács op te heffen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Kostas Chrysogonos, Mady Delvaux, Laura Ferrara, Dietmar Köster, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, József Szájer, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Heidi Hautala, Virginie Rozière

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Birgit Collin-Langen, Péter Niedermüller

(1)

Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964 in zaak 101/63, Wagner/Fohrmann en Krier, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986 in zaak 149/85, Wybot/Faure e.a., ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2008 in zaak T-345/05, Mote/Parlement, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008 in gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010 in zaak T-42/06, Gollnisch/Parlement, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011 in zaak C-163/10, Patriciello, ECLI: EU:C:2011:543; het arrest van het Gerecht van 17 januari 2013 in gevoegde zaken T-346/11 en T-347/11, Gollnisch/Parlement, ECLI:EU:T:2013:23.

Juridische mededeling - Privacybeleid