Procedure : 2014/2211(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0309/2015

Ingediende teksten :

A8-0309/2015

Debatten :

PV 24/11/2015 - 13
CRE 24/11/2015 - 13

Stemmingen :

PV 16/12/2015 - 11.11
CRE 16/12/2015 - 11.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0460

VERSLAG     
PDF 211kWORD 145k
23.10.2015
PE 557.241v03-00 A8-0309/2015

over de ontwikkeling van een duurzame Europese basismetaalindustrie

(2014/2211(INI))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: Edouard Martin

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de ontwikkeling van een duurzame Europese basismetaalindustrie

(2014/2211(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikelen 147, 173, 174, 192 en 345,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1),

  gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn(2),

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie(3), tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)(4),

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG(5),

  gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade(6), met name artikel 1 en de overeenkomstige overwegingen, Amendement

–  gelet op de geconsolideerde versie van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad(7), en de verschillende tenuitvoerleggingsregels daarvan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Pakket energie-unie" (COM(2015)0080),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 mei 2015 getiteld "Europese strategie voor energiezekerheid" (COM(2014)0330),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2013 getiteld "Actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa" en de daarbij behorende inventarisdocumenten van de "groep op hoog niveau",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 getiteld "Efficiënt gebruik van hulpbronnen – Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0021),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(8),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(9),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over de situatie in de EU-staalindustrie: bescherming van werknemers en bedrijfstakken(10),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 over het klimaat- en energiebeleidskader 2030,

–  gezien het rapport van 10 juni 2013 dat het Centrum voor Europese Beleidsstudies in opdracht van de Commissie heeft opgesteld, getiteld "Assessment of cumulative cost impact for the steel industry",

–  gezien het rapport van 31 oktober 2013 dat het Centrum voor Europese Beleidsstudies in opdracht van de Commissie heeft opgesteld, getiteld "Assessment of cumulative cost impact for the aluminium industry", Amendement

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van groene groei (SWD(2012)0092),

–  gezien de WTO-Overeenkomst, ook "GATT 1994" genoemd, met name artikel XX,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A80000/2015),

A.  overwegende dat tot de basismetalen behoren:

–  gangbaar en speciaal staal, roestvrij staal, zeer sterk staal en superlegeringen,

–  non-ferrometalen waarvan de referentieprijs door de termijnmarkt van Londen (LME) wordt bepaald, te weten aluminium, koper, tin, nikkel, lood en zink,

–  legeringsmetalen, zoals kobalt, molybdeen, magnesium, titanium,

–  zeldzame aardmetalen,

die allemaal voortkomen uit een primair productieproces,waartoe de winning en de metaalverwerking middels pyrometallurgie of hydrometallurgie behoren, terwijl het secundaire productieproces het resultaat is van terugwinning en recycling;

B.  overwegende dat de Europese staalsector historisch van aanzienlijk belang is geweest voor de Europese integratie en aan de basis ligt van de industriële toegevoegde productiewaarde en van de waardeketens in Europa; overwegende dat de basismetaalsector een essentiële rol speelt in de ontwikkeling van de economie als geheel, zowel technologisch gezien als voor het oplossen van knelpunten in de voorziening; overwegende dat de staalsector met de sluiting van staalproductie-installaties met een totale capaciteit van meer dan 40 miljoen ton sinds 2008 en meer dan 60 000 rechtstreekse banen en meer dan 100 000 onrechtstreekse banen die verloren zijn gegaan, de zwaarste crisis in zijn geschiedenis in vredestijd doormaakt, met grotere afhankelijkheid van de verwerkende industrie van import uit derde landen en verlies van industriële knowhow als gevolg, hetgeen een rechtstreekse uitwerking heeft op miljoenen banen; overwegende dat de wereldwijde overcapaciteit wordt geschat op circa 300 miljoen tot 400 miljoen ton, voornamelijk in China;

C.  overwegende dat de basismetaalindustrie geconfronteerd wordt met een forse daling van de vraag alsook met felle wereldwijde concurrentie, vooral van derde landen die niet dezelfde hoge normen en strikte regelgeving hebben als Europa;

D.  overwegende dat de energieprijzen in Europa hoger zijn dan in een aantal andere economieën, vooral als gevolg van onvoldoende integratie van de energiemarkt, stijgende belastingen, heffingen en netwerkkosten, en dat ze het concurrentievermogen van de Europese basismetaalindustrie op de wereldwijde markt aanzienlijk beperken;

E.  overwegende dat de Europese basismetaalindustrie hard getroffen wordt door het weglekken van investeringen naar derde landen, vooral als gevolg van relatief hoge energieprijzen en koolstofkosten;

F.  overwegende dat het feit dat de Europese elektrolysebedrijven voor de verwerking van metalen als aluminium, koper en magnesium een voor een zijn gesloten aantoont dat in Europa sprake is van een sterke de-industrialisatie ten aanzien van deze sector, die niet is te wijten aan een daling van de Europese vraag, maar voornamelijk aan de verhoging en toegenomen volatiliteit van de elektriciteitsprijs in meerdere lidstaten en dumping door derde landen;

G.  overwegende dat legeringen van metalen als staal, aluminium, zink, titaan en koper (met inbegrip van gegalvaniseerde platen), die in deze resolutie omschreven worden als basismetalen, essentieel zijn in de elektrotechnische industrie, voor de constructie van machines, werktuigen en motorvoertuigen, en in de bouwsector; overwegende dat de Europese basismetaalindustrie moet worden beschouwd als een strategisch voordeel voor het Europees concurrentievermogen, met name voor andere industriële sectoren alsook voor de ontwikkeling van bestaande en nieuwe infrastructuur;

H.  overwegende dat de aandacht vooral moet gaan naar de aanpak van het probleem van concurrentievermogen en het risico van koolstoflekkage, waarbij protectionistische maatregelen moeten worden vermeden;

I.  overwegende dat het EU-emissiehandelsysteem (ETS) sedert 2009 een groeiend overschot heeft aan rechten en internationale kredieten ten opzichte van emissies, wat een ernstige verzwakking van het koolstofprijssignaal betekent; overwegende dat wanneer de emissievergunningen van het emissiehandelssysteem (ETS) in de toekomst duurder worden, het waarschijnlijk is dat er een concurrentieschok ontstaat; overwegende dat tenzij er vergelijkbare inspanningen worden geleverd op internationaal of nationaal niveau, te weten door de invoering van een koolstofmarkt als in de EU, een aantal industriële sectoren en installaties in de EU aan internationaal concurrentievermogen zullen inboeten, wat kan leiden tot een zekere mate van koolstoflekkage; overwegende dat er in de basismetaalindustrie nog steeds een significant energiebesparingspotentieel bestaat, dat doeltreffend kan worden gerealiseerd met behulp van particuliere investeringen en steunregelingen voor de modernisering van fabrieken;

J.  overwegende dat de Europese basismetaalindustrie te maken heeft met een race tegen de klok om haar mondiaal concurrentievermogen en haar investeringsvermogen in Europa terug te krijgen, en dat zij derhalve haar sociale en milieu-uitdagingen moet overwinnen zonder daarbij haar wereldwijde leiderspositie op het gebied van de sociale en milieuverantwoordelijkheid van haar bedrijven te verliezen; overwegende dat als een gevolg van wereldwijde overcapaciteit en oneerlijke subsidies en dumping door derde landen de Europese markt voor basismetalen verder onder druk is komen te staan; overwegende dat productinnovatie een positief effect heeft op de groei van de werkgelegenheid in alle fasen van de conjunctuurcyclus van industrieën; overwegende dat een aantal ondernemingen anderzijds strategieën toepast die zijn toegespitst op financieel rendement op de korte termijn, ten koste van innovatie, investeringen in O&O, werkgelegenheid en vernieuwing van vaardigheden; overwegende dat de betrokkenheid van de werknemers bij innovatie en de vaststelling van strategieën de beste garantie voor economisch succes is; overwegende dat ook een eerlijke handel in staalproducten slechts mogelijk is indien fundamentele werknemersrechten en milieunormen in acht worden genomen;

K.  overwegende dat de valorisatie van secundaire metalen (die het product zijn van een terugwinnings- en recyclingproces) een vereiste is in een geïndustrialiseerde en hulpbronnenefficiënte economie en dat die moet worden ontwikkeld in het kader van een concurrerende en duurzame kringloopeconomie, maar dat die geenszins volstaat, zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit, om volledig aan de behoefte aan basismetalen van de Europese economieën te voldoen; overwegende dat het saldo van de schroothandel in de EU positief is en dat meer inspanningen moeten worden geleverd om schrootrecycling in Europa te stimuleren; overwegende dat voor de basismetaalindustrie en de leveranciers van grondstoffen en hulpstoffen van deze industrie een omvattende en geïntegreerde aanpak nodig is;

L.  overwegende dat dit met name het geval is voor de omvorming van het energiesysteem, aangezien basismetalen zoals zeldzame aardmetalen aan de grondslag liggen van de noodzakelijke nieuwe technologieën om dit te verwezenlijken; overwegende dat Europa nog altijd sterk afhankelijk is van de invoer van metalen die nodig zijn voor de productie van apparatuur voor het opwekken van energie uit hernieuwbare bronnen, die de sector reële kansen biedt om mogelijke problemen bij de toelevering te overwinnen; overwegende dat investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie een belangrijke drijvende kracht zijn voor investeringen in industriële producten, zoals koper, aluminium en staal; overwegende dat een ambitieus Europees beleid inzake hernieuwbare energie en energiebesparing de toekomstige vraag naar basismetalen in Europa zou kunnen doen stijgen en met name kansen zou kunnen bieden voor de productie van producten met een grote toegevoegde waarde; overwegende dat de milieuaansprakelijkheid van ondernemingen veel te wensen overlaat, en dat er industrieterreinen bestaan waar de Europese wetgeving ernstig wordt geschonden, alsmede verlaten terreinen die een gevaar vormen voor de volksgezondheid en het milieu; overwegende dat strenge milieunormen en de beginselen van de circulaire economie aan de basis moeten liggen van de ontwikkelings- en innovatie-investeringen in de sector van de basismetaalindustrie in Europa; overwegende dat in het Stappenplan Energie 2050 van de Commissie wordt gesteld dat het koolstofarm maken van de energiesector en een scenario waarbij sterk wordt ingezet op hernieuwbare energie, goedkoper zijn dan een voortzetting van het huidige beleid en dat de prijzen van energie uit kernenergie en fossiele brandstoffen zullen blijven stijgen, terwijl de kosten van hernieuwbare energie zullen dalen;

M.  overwegende dat in het advies van ITRE over de aanbevelingen aan de Commissie voor de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (2014/2228(INI)) wordt aangedrongen op een apart hoofdstuk inzake energie waarin alle bestaande maatregelen worden behandeld die de uitvoer van energie beperken of er voorwaarden aan stellen, en dat tegelijk wordt gewezen op het concurrentienadeel van de energie-intensieve bedrijfstakken van de EU en de noodzaak om hun concurrentievermogen te vrijwaren;

N.  overwegende dat alleen een ambitieus innovatiebeleid, dat kwalitatief hoogwaardige, energie-efficiënte en innovatieve producten (bijv. zeer sterke en tegelijk buigzame staalsoorten) en nieuwe fabricageprocédés mogelijk maakt, de EU in staat stelt om zich tegenover de steeds hardere mondiale concurrentie staande te houden; overwegende dat 65 % van de bedrijfsuitgaven voor O&O voor rekening van de be- en verwerkende industrie komt en dat de versterking van onze industriële basis dan ook essentieel is om deskundigheid en knowhow binnen de EU te houden;

O.  overwegende dat de basismetaalindustrie van de EU ten dele ook aan concurrentievermogen inboet als gevolg van de hoge regelgevings- en administratieve druk;

P.  overwegende dat het pakket voor de energie-unie tot doel heeft een zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energiemarkt tot stand te brengen om het wereldwijd concurrentievermogen van de Europese economie te vergroten, door een verlaging en een harmonisering van de energieprijzen in Europa en tussen de lidstaten;

Q.  overwegende dat het toekennen van de status van marktgerichte economie aan door de overheid geleide of andere niet-marktgerichte economieën de handelsbeschermingsinstrumenten zou aantasten en ernstige gevolgen zou hebben voor het concurrentievermogen van de Europese basismetaalindustrie;

R.  overwegende dat onderzoek, ontwikkeling en innovatie in deze sector cruciaal is voor de Europese industrie; overwegende dat fabriekssluitingen vaak uitmonden in een onomkeerbaar verlies van technologie en knowhow en van vaardigheden bij de werknemers in de industrie;

Het belang van basismetalen voor de Europese industrie

1.  onderstreept het belang van de basismetaalindustrie voor een hele reeks afnemende bedrijfstakken waaronder de automobielindustrie, de luchtvaartindustrie, de energieproductie, de bouw en de verpakkingsindustrie;

2.  is van oordeel dat Europa, dat reeds sterk afhankelijk is ten aanzien van grondstoffen, het zich niet kan permitteren een nieuwe afhankelijkheid op het stuk van basismetalen te laten ontstaan, die een zeer schadelijke invloed op de reeds genoemde bedrijfstakken lager in de bedrijfstakketen zou hebben;

3.  stelt vast dat de EU in de staalindustrie over te weinig productiecapaciteit voor platstaal beschikt ten gevolge van de massale sluitingen van de laatste jaren en een heropleving van de vraag;

4.  onderstreept dat de vraag naar non-ferrometalen, zoals aluminium en koper, ondanks de crisis constant stijgt;

De noodzaak om nu iets te doen aan de klimaatverandering en de hoge energieprijzen

5.  onderstreept dat een herziening van het huidige emissiehandelssysteem een van de meest dringende kwesties is voor het waarborgen van het concurrentievermogen van de basismetaalindustrie; is ervan op de hoogte dat de Commissie begonnen is met discussies die zullen leiden tot de hervorming van het emissiehandelssysteem voor de vierde periode (2021-2028) en vraagt in dat kader om hierbij ook de kwestie van het weglekken van koolstof aan te pakken en te werken aan verbetering van de doeltreffendheid, industriële innovatie en het optimale rendement die deze hervorming moet garanderen, en erover na te denken het ETS te vervangen door andere innoverende instrumenten en strategieën om de emissies effectief te verminderen; vraagt aan de Europese Commissie om bij de herziening van het emissiehandelssysteem de best performers binnen de energie-intensieve industrie op het gebied van produceren met lagere uitstoot te belonen;

6.  neemt nota van de invoering van de marktstabiliteitsreserve in 2019 en verwacht voorstellen van de Europese Commissie inzake de structurele hervorming voor de periode na 2020 van de EU-regeling voor de emissiehandel, die in het Parlement specifiek en apart zullen worden behandeld;

7.  vraagt de Commissie derhalve het systeem voor de toekenning van emissierechten te wijzigen door de gebruikte maatregel uit te breiden met de in de sector toegepaste referentiewaarden die gebaseerd zijn op de uitgestoten broeikasgassen per geproduceerde ton en niet per installatie, want het zijn de schoonste fabrieken die, als stimuleringsmaatregel, meer moeten kunnen produceren; benadrukt in dit verband het belang van een systeem dat het aantrekkelijk maakt om te investeren in energie-efficiënte oplossingen;

8.  vraagt in dit verband om de industriebrede correctiecoëfficiënt niet toe te passen op de 10 % best presterende installaties die te maken hebben met koolstoflekkage, zodat ze kunnen profiteren van de 100 % kosteloze toewijzing van rechten in de sectoren waar een risico van verlies van internationaal concurrentievermogen bestaat als gevolg van hoge koolstofkosten, teneinde de goede praktijken van de sectoren en werknemers, die het nodige hebben gedaan om de emissies tot een minimum te beperken door voor de bestbeschikbare technieken te kiezen, te bevorderen; is van oordeel dat een dergelijke maatregel zou geen invloed moeten hebben op het algemene plafond voor emissies; wijst erop dat het weglekken van koolstof naar die regio's in de wereld die verantwoordelijk zijn voor de hoogste CO2-emmissies negatieve gevolgen heeft voor wereldwijde milieukwesties;

9.  roept de energie-intensieve industrieën op hun inspanningen ter optimalisering van recycling en ter beperking van de uitstoot van CO2 voort te zetten, teneinde het concurrentievermogen van deze sectoren te behouden en de bindende reductiedoelstellingen van de EU te behalen; onderstreept in dit verband dat het industriële concurrentievermogen, hulpbronnenefficiëntie en terugdringing van de uitstoot elkaar aanvullende doelstellingen worden, want als de koolstofemissies van de Europese producenten gunstig evolueren, is het behoud van het aandeel daarvan op de Europese en wereldmarkten een efficiënt middel om bij te dragen tot een wereldwijde vermindering van industriële broeikasgasemissies; voegt daaraan toe dat dit ook het geval is voor de productie van ingevoerde goederen die beantwoorden aan de equivalente normen inzake energie-efficiëntie en emissies als die voor goederen die in de Europese Unie geproduceerd zijn; onderstreept dat ook ondernemingen in derde landen die deel uitmaken van de productieketen, zich in hun handelen moeten laten leiden door de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU en met name de vooruitgang bij de energie-efficiëntie moeten volgen;

Koolstofcorrecties aan de grenzen: een tijdelijke en flexibele maatregel van internationale dimensie in overeenstemming met de WTO

10.  onderstreept met klem dat de Europese Unie tracht te onderhandelen met derde landen, door middel van de oprichting van het Intergouvernementeel onderhandelingscomité dat het Verdrag van Rio in 1992 heeft voorbereid – een internationale overeenkomst die doelstellingen beoogt tot bescherming tegen de klimaatverandering, doch tot op heden zonder succes, ondanks de toenemende urgentie, die blijkt uit de zo goed als unanieme wetenschappelijke consensus; vraagt dat de EU leiderschap aan de dag blijft leggen en wijst erop dat op de Conventie van Parijs absoluut een wereldwijde bindende overeenkomst moet worden gesloten waarin alle partijen zich ten volle engageren om de gevaarlijke klimaatverandering effectief te voorkomen; benadrukt dat deze onderhandelingen moeten leiden tot een juridisch bindende overeenkomst met doelstellingen voor de hele economie voor alle partijen, waarbij de overeengekomen doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2°C, wordt gerespecteerd; onderstreept dat een omvattende internationale overeenkomst zal zorgen voor een gelijk speelveld voor de industrie en het risico van koolstoflekkage uit de EU zal beperken;

11.  benadrukt dat een internationale klimaatactie het beste recept is om koolstoflekkage te voorkomen; kijkt in dit verband uit naar de COP21-klimaatconferentie in Parijs; benadrukt het feit dat een ambitieus internationaal akkoord over de strijd tegen de klimaatverandering waardoor gelijke concurrentievoorwaarden ontstaan voor alle landen die bereid zijn op multilateraal niveau samen te werken en een coherente wereldwijde milieuregeling voor de reductie van koolstofemissies tot stand te brengen, de meest positieve manier zou zijn om de wereldwijde emissies aan te pakken; benadrukt dat een dergelijk akkoord eerlijke mededinging mogelijk zou maken voor alle producenten van basismetalen en overwegingen betreffende correcties aan de grenzen overbodig zou maken, op voorwaarde dat de tenuitvoerlegging ervan wordt onderworpen aan een effectieve monitoring en aan eventuele corrigerende maatregelen; wijst erop dat een dergelijk internationaal akkoord noodzakelijkerwijs ook betrouwbare toezeggingen moet omvatten van de landen met de hoogste emissies; wijst in dit verband ook op de noodzaak van naleving van sociale en milieunormen om voor gelijke concurrentievoorwaarden te zorgen;

12.  wijst erop dat, rekening houdend met zowel invoer als uitvoer, het mechanisme voor koolstofcorrecties aan de grenzen in de Europese regelgeving een model voor emissievermindering invoert dat ook de consumptie omvat die op het grondgebied heeft plaatsgevonden en dat die "bottom up"-aanpak als voordeel heeft dat die overal als universele oplossing kan worden toegepast met inachtneming van de soevereine beoordeling door elke lidstaat van het ambitieniveau van zijn klimaatbeleid, na een grondige effectbeoordeling van de gevolgen; roept de Commissie op om bij toekomstige handelsovereenkomsten te waarborgen dat de exportmogelijkheden en de toegang tot de markt voor Europese basismetaalproducten duidelijk worden verbeterd; herhaalt dat de Commissie het verbod op verstorende methoden in verband met grondstoffen (dubbele prijsstelling, uitvoerbeperkingen) moet opnemen in regionale, bi- en multilaterale handelsovereenkomsten;

13.  onderstreept dat alle maatregelen die de handel beïnvloeden de internationale handelsovereenkomsten moeten respecteren; bevestigt dat de doelstellingen die beoogd worden met het klimaatbeleid voor behoud van het leven en van de gezondheid van mensen, dieren en planten, alsook het behoud van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, indien op niet-discriminerende wijze nagestreefd en niet toegepast als verkapte beperking, overeenkomen met de uitzonderingen als vastgesteld in artikel XX van de GATT; verklaart dat klimaatverandering, gezien het wereldwijde karakter ervan, onderwerp van wetgeving moet zijn; is van mening dat atmosfeer met een laag koolstofgehalte (zuivere lucht), nu al wordt beschouwd als een natuurlijke hulpbron die uitgeput kan raken, en daarom moet worden beschouwd als publiek goed; preciseert bovendien dat vergeldingsmaatregelen naar aanleiding van de toepassing van koolstofcorrecties aan de grenzen niet mogelijk zijn zonder inbreuk te maken op de regels van de internationale handel en zonder het risico te worden veroordeeld; herinnert eraan dat het helemaal niet de bedoeling is de Europese bedrijven te beschermen, maar gelijke concurrentievoorwaarden ten opzichte van hun externe concurrenten te creëren;

14.  geeft aan dat het wenselijk is te overwegen om de inkomsten uit de veilingen gedeeltelijk te herverdelen over initiatieven op het gebied van milieubescherming en bestrijding van de klimaatverandering, zoals het in de overeenkomsten van Cancún bedoelde groene fonds en andere internationale klimaatfinancieringsinstrumenten;

15.  merkt op dat afspraken over normen voor de berekening van het koolstofgehalte en de emissies gedurende de hele levenscyclus van producten tot meer transparantie leiden en duurzame productie en consumptie aantrekkelijker kunnen maken, waaronder in de metalenindustrie;

16.  onderstreept dat het noodzakelijk is een databank op te richten met gegevens over het koolstofgehalte van de producten van de basismetaalindustrie in Europa;

Compensatie van indirecte emissies

17.  betreurt dat uit de op staatssteun gebaseerde regeling voor compensatie van de onrechtstreekse kosten een nieuwe bron van oneerlijke concurrentie op de Europese interne markt is ontstaan tussen de producenten uit de elektriciteitsintensieve sectoren, waarvan sommigen financiële steun van hun overheid ontvangen; hamert erop dat deze compensatie op Europees niveau moet worden geharmoniseerd en, in voorkomend geval, uitgevoerd, teneinde te zorgen voor een gelijk speelveld met de mondiale concurrenten en tussen Europese producenten, en doeltreffende bescherming te bieden tegen koolstoflekkage; wijst erop dat dit met name geldt voor de zes niet-ferrometalen die verhandeld worden tegen prijzen die via vraag en aanbod op de wereldmarkten, in het bijzonder de London Metal Exchange, tot stand komen; realiseert zich in dit verband dat de producenten van basismetalen 'prijsnemers' zijn, die hogere kosten niet aan hun klanten kunnen doorberekenen; concludeert dat de compensaties voor indirecte emissies moeten worden gehandhaafd; verwijst naar de overeenkomst betreffende de instelling en werking van een marktstabiliteitsreserve (2014/0011/COD), waarin staat: "Rekening houdend met het doel van een gelijk speelveld moet bij die evaluatie ook een geharmoniseerde regeling worden overwogen om indirecte kosten op het niveau van de Unie te compenseren"; verwijst in verband hiermee naar Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag(11), alsmede aan de artikelen 107 en 108 van het VWEU; verzoekt de Commissie te onderzoeken wat de gevolgen van de verschillende steunregelingen voor energie zijn op de detailhandelsprijs van energie, waarvan een indirecte invloed op het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën in de afzonderlijke lidstaten uitgaat;

18.  is van mening dat de verschillende gevolgen van koolstof op de elektriciteitsprijs door de energiemix van elke leverancier een concurrentiefactor vormen die onder andere overeenkomt met de keuze van iedere soevereine staat; verwelkomt het voorstel van de Commissie inzake de Europese energie-unie; meent dat een goed werkende interne energiemarkt die zorgt voor zekere en duurzame energie en adequate interconnecties van lidstaten garandeert, zal helpen om de energieprijzen voor de Europese industrie en consumenten te drukken; is van mening dat het emissiehandelssysteem een geharmoniseerde EU-maatregel is ter vermindering van de industriële uitstoot, en dat de effecten ervan daarom benaderd moeten worden door middel van een geharmoniseerd systeem;

Steun voor investeringen in de koolstofarme productie van metalen

19.  verzoekt dringend dat de gratis quota voor de efficiëntste installaties in de sectoren waar koolstoflekkage plaatsvindt zo spoedig mogelijk en in elk geval beginnend in 2018 en tijdens de vierde fase die de periode 2021-2030 beslaat worden verdeeld in functie van investeringsprogramma's voor nieuwe uitrusting, O&O (waaronder het opvangen, opslaan (CCS) en gebruiken van koolstof (CCU)) en opleiding van werknemers, teneinde tot een hoog niveau van klimaat- en milieubescherming en een stevig pakket arbeidsrechten te komen; onderstreept de absolute noodzaak van investeringen in onderzoek en ontwikkeling, zodat Europa een expertisecentrum voor de basismetaalproductie kan blijven; herinnert eraan dat bedrijven die investeren zich het beste handhaven in tijden van crisis; verzoekt dat de opbrengsten van de veilingen in het kader van de ETS gebruikt worden voor het financieren van klimaatmaatregelen in de EU en in ontwikkelingslanden, waaronder voor investeringen in hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntieprojecten in industriesectoren; steunt de plannen - in de context van het klimaat- en energiekader 2030 - voor de oprichting van een faciliteit (NER400) voor het afvangen en opslaan van koolstof, voor innovatieve hernieuwbare energiebronnen en voor op een laag koolstofgebruik stoelende innovatie in industriesectoren, zoals bedoeld in de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober 2014; stelt voor dat de proef- en demonstratieprojecten voor het afvangen, gebruiken en opslaan van koolstof deel moeten uitmaken van programma's voor de financiering van koolstofarme technologieën die door de Europese Commissie worden gesteund naar analogie van NER300 en het toekomstige NER400 met een financieel risico dat wordt gedeeld door de financierder en de marktdeelnemer; herinnert aan het belang van overheidsinvesteringen, en in Europees verband de Horizon 2020-middelen, om de milieu- en energie-efficiëntie van de basismetaalindustrie te verbeteren en onder meer te komen tot lagere koolstofemissies overeenkomstig de Europa 2020-doelstellingen; beschouwt de opleiding van de werknemers in koolstofarme technologieën en werkwijzen als een strategische investering die volledig deel moet uitmaken van de programma's ter financiering van de overgang naar koolstofarme technieken die door de Commissie worden gesteund;

Controle van de financiële transacties en transparantie

20.  stelt voor dat de koolstofquota openbaar gemaakt worden bij de publicatie van de jaarrekeningen van ondernemingen en dat de Europese Unie ervoor zorgt dat het werk aan een speciale internationale standaard voor jaarrekeningen wordt hervat;

21.  onderstreept het belang van transparantie bij het gebruik van de inkomsten uit de verkoop van emissiequota door de lidstaten; verwijst in dit verband naar de verplichting voor de lidstaten om de Commissie op de hoogte te stellen van het gebruik van de inkomsten die met de ETS worden gegenereerd; onderstreept dat meer transparantie zou helpen burgers te laten zien hoe de nationale overheid de inkomsten uit de ETS gebruikt;

22.  onderstreept dat installaties en ondernemingen zich moeten houden aan alle wettelijke verplichtingen inzake sociaal verantwoord ondernemen en rapportage, teneinde te zorgen voor een gelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging van de milieuregels en te waarborgen dat bevoegde autoriteiten en belanghebbende partijen, met inbegrip van werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke gemeenschappen, toegang hebben tot alle relevante informatie; onderstreept het recht van toegang tot informatie over milieukwesties, zoals bedoeld in het Verdrag van Aarhus en vastgesteld in Europese en nationale wetgeving, waaronder Richtlijn 2003/87/EG; stelt voor dat elke geklasseerde installatie waarop het emissiehandelssysteem van toepassing is jaarlijks volledige informatie over de bestrijding van de klimaatverandering en de naleving van de Europese richtlijnen op het gebied van milieu en veiligheid en gezondheid op het werk verstrekt die toegankelijk is voor zowel vertegenwoordigers van werknemers als vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld afkomstig uit gemeenschappen in de buurt van de installatie;

Elektriciteitsleveringsovereenkomsten

23.  wijst er met klem op dat het voor het concurrentievermogen van de Europese basismetaalindustrie van belang is dat het sluiten van langetermijncontracten mogelijk is onder bepaalde, door de Commissie te preciseren voorwaarden, die een terugverdientijd moeten hebben van niet minder dan vijftien jaar wanneer het gaat om bijzonder kapitaalintensieve industrieën; herinnert eraan dat industriëlen hun investeringen veilig moeten stellen middels voorspelbare prijzen en een duidelijk juridisch kader; onderstreept dat de stabiliteit van contracten voor de levering van elektriciteit op lange termijn de voorkeur verdient boven jaarlijkse veilingen van elektriciteit; maakt zich zorgen over marktregels die in sommige lidstaten een structurele kloof mogelijk maken tussen elektriciteitsprijzen en de kosten van de opwekking van elektriciteit; verzoekt de Commissie de strijd aan te binden met onverhoopte winsten van particuliere oligopolieën in de energiemarkt;

24.  maakt zich zorgen over marktregels die een structurele kloof mogelijk maken tussen elektriciteitsprijzen en de kosten van de opwekking van elektriciteit;

Overdracht van vaardigheden

25.  dringt erop aan dat de overdracht van vaardigheden tussen generaties van werknemers wordt georganiseerd in alle bedrijven die onbevredigende leeftijdspiramides voor alle hooggekwalificeerde functies binnen de productie hebben; is voorstander van het verwerven van meer vaardigheden door jonge werknemers in de bedrijven middels een structureel opleidingsbeleid waarmee wordt gezorgd voor de ontwikkeling van de collectieve vaardigheden van de werknemers; onderstreept het belang van vaardigheden en kwalificaties van werknemers in de basismetaalindustrie; dringt aan op actieve werkgelegenheids- en industriemaatregelen, teneinde te waarborgen dat deze kennis wordt ontwikkeld en erkend als een belangrijk pluspunt van de Europese basismetaalindustrie; vindt dat bij het beoordelen van de levensvatbaarheid van de productie in een bepaalde installatie rekening moet worden gehouden met behoud van industriële knowhow en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid;

Grondstoffenvoorziening

26.  dringt aan op Europees diplomatiek optreden met betrekking tot grondstoffen voor metaalproductie op basis van strategische partnerschappen voor het delen van de toegevoegde waarde door de Europese landen en de landen die grondstoffen produceren ten einde de ontwikkeling van geschoolde arbeid tijdens de gehele waardeketen te stimuleren; verzoekt de Commissie een instrument te ontwikkelen waarmee de staalmarkt diepgaand kan worden geanalyseerd en nauwkeurige informatie kan worden verkregen over de vraag- en aanbodsituatie in Europa en wereldwijd, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen de structurele en de cyclische componenten van de ontwikkeling van deze markten; is van mening dat het volgen van de primaire en secundaire basismetaalmarkten waardevolle gegevens kan opleveren als basis voor corrigerende en proactieve maatregelen, die onvermijdelijk zijn wegens het cyclische karakter van deze staalindustrieën; verwelkomt het rapport van het European Rare Earths Competency Network (ERECON)(12); verzoekt de Commissie in het kader van ERECON verder te werken aan de ontwikkeling van een gediversifieerde en duurzame toeleveringsketen voor zeldzame aardmetalen voor Europa, en in het bijzonder uitvoering te geven aan de beleidsaanbevelingen en steun toe te kennen aan vervangingsoplossingen en meer recycling;

Europese handelsbeschermingsmaatregelen voor basismetalen: liever preventie dan laattijdig herstel

27.  spoort de Raad aan de herziening van de twee verordeningen betreffende handelsbeschermingsinstrumenten (TDI's) af te ronden, teneinde deze instrumenten te stroomlijnen en te versterken, en daarmee te voorkomen dat zij worden afgezwakt; stelt een eerste fase van voorafgaand onderzoek gedurende maximaal een maand voor om antidumping- en antisubsidieklachten een eerste keer te analyseren, waarna op basis van de eerste gegevens preventieve corrigerende maatregelen kunnen worden genomen en een grondig onderzoek kan worden ingesteld; betreurt dat het wetgevingsvoorstel over de modernisering van de TDI's in de Raad is vastgelopen, ondanks het feit dat het Parlement ten volle steun geeft aan strengere maatregelen tegen oneerlijke invoer uit derde landen; verzoekt de Raad op korte termijn werk te maken van de modernisering van de TDI's, om eindelijk een adequaat antwoord op oneerlijke praktijken te krijgen en de Europese markt tegen dumping te kunnen beschermen, zodat een gelijk speelveld wordt gegarandeerd en de mogelijkheden die de energietransitie biedt, volledig kunnen worden benut;

28.  streeft naar een snelle vooruitgang van de recycling van zeldzame aarde en kritieke metalen die in de Unie worden gebruikt;

29.  onderstreept dat voor roestvrij staal en aluminium, net zoals voor alle basismetalen, wereldwijd concurrentie wordt gevoerd; is van mening dat de Commissie in haar analyses en vergelijkingen dringend de wereldmarkt moet analyseren als geografische referentiemarkt en haar onderzoek bij de definitie van de relevante markt niet beperkt tot de interne markt; dringt erop aan dat, voorafgaand aan de door DG Concurrentie van de Commissie te nemen besluiten, een effectbeoordeling wordt verricht van de productiecapaciteit waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de uitrusting en de arbeidsplaatsen, en dat de conclusies ervan worden verwerkt in de definitieve publicatie die aan de belanghebbenden wordt voorgelegd; dringt aan op herziening van het concurrentiebeleid en de staatssteunregels, teneinde overheden beter in staat te stellen te werken aan het handhaven van sociale en regionale cohesie, het verbeteren van de milieunormen, en het aanpakken van volksgezondheidskwesties; dringt erop dat bij voorbaat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de werkgelegenheid van alle besluiten van DG Concurrentie, dat deze gevolgen objectief worden gerechtvaardigd en dat, zo nodig, een schadeloosstelling wordt uitbetaald aan de werknemers die worden getroffen door maatregelen ter correctie van misbruik van een machtspositie; dringt aan op een grotere rol van de sociale partners en met name werknemersorganisaties en vakbonden op nationaal en Europees niveau, teneinde socialedumpingpraktijken in de sector te voorkomen en bij te dragen aan het scheppen van kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid; dringt erop aan de werknemers bij het besluitvormingsproces in deze sector te betrekken;

De rol van basismetalen in de circulaire economie

30.  onderstreept in dit verband de positieve impact van secundaire metalen, die helpen om de input van energie en grondstoffen aanzienlijk te verminderen; verzoekt de Commissie dan ook de ontwikkeling en de werking van secundaire metaalmarkten te faciliteren; moedigt de invoering van een kringloopeconomie aan op alle locaties waar basismetaal wordt geproduceerd om de opwerking van bijproducten en gerecycleerde metalen te combineren ter verhoging van het concurrentievermogen ervan; dringt aan op de verplichte invoering van een kringloopeconomie op alle locaties waar basismetaal wordt geproduceerd om de opwerking van bijproducten en gerecycleerde metalen te combineren ter verhoging van het concurrentievermogen ervan; streeft naar een snelle vooruitgang van de recycling van zeldzame aarde en kritieke metalen die in de Unie worden gebruikt; dringt aan op de ontwikkeling van sterke banden tussen de sector van basismetaalrecycling en andere industrieën om de omvang en de weerbaarheid van de industriële basis te versterken, met name in regio's die door de-industrialisatie zijn getroffen; wijst in dit verband op het grote potentieel van product- en materiaalvervanging en een intensiever gebruik van schrootmetaal in onder meer de staal- en aluminiumproductie; wijst erop dat de meeste basismetalen vele malen kunnen worden hergebruikt met een fractie van de energie die gebruikt wordt voor de primaire productie; maakt zich zorgen over het aanzienlijke energieverlies dat Europa lijdt als gevolg van de legale en illegale uitvoer van aluminium en koper naar landen als China en India, staten die zelf een uitvoerverbod op aluminium hebben ingesteld; is van oordeel dat strenge milieunormen en de beginselen van de circulaire economie aan de basis moeten liggen van de ontwikkelings- en innovatie-investeringen in de sector van de basismetaalindustrie in Europa; verzoekt de Commissie voor economische stimulansen te zorgen voor het recycleren van metalen, waaronder op dit moment oneconomische kritieke grondstoffen, inclusief zeldzame aardmetalen, te bekijken op welke wijze markten voor gerecycleerde materialen kunnen worden ondersteund, bijvoorbeeld door middel van groene certificaten voor gerecycleerde materialen, ecodesign-vereisten en fiscale prikkels, en ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) worden ingezet om grondstoffenefficiëntie en recycling te bevorderen; is van mening dat de afvalwetgeving moet worden verbeterd om de werking van de Europese markt voor staal en schroot te ondersteunen, bijvoorbeeld door de richtlijn betreffende voertuigen aan het einde van hun levensduur en andere afvalwetgeving te herzien; stelt voor maatregelen te nemen om inzamelingsdoelstellingen vast te stellen, de aansprakelijkheid van de producent te vergroten en de wetgeving betreffende voertuigen aan het einde van hun levensduur ook van toepassing te maken op vrachtwagens, bussen en motorfietsen; wijst op het belang van gekwalificeerd en goed opgeleid personeel voor de overgang op duurzamere productieprocessen en producten, en dringt aan op de vaststelling van een Europese onderwijs- en opleidingsstrategie die ondernemingen, onderzoeksinstituten en de sociale partners helpt bij het gezamenlijk in kaart brengen van de vaardigheden die nodig zijn met het oog op milieuduurzaamheid;

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

TOELICHTING

Het verlies van capaciteit en banen waar de Europese staalindustrie mee te kampen heeft gehad, is het resultaat van een afnemende vraag die in 2014 veertig megaton minder bedroeg dan in 2007. Deze capaciteitsaanpassing is zo groot dat elke opleving van de Europese vraag ontaardt in het ontstaan van een historisch handelstekort in Europa dat leidt tot afhankelijkheid en verlies van industriële knowhow, wat weer gevolgen heeft voor de afnemerssectoren van de automobielindustrie, de bouw en koolstofarme technologieën.

Anderzijds vinden sluitingen in de Europese aluminiumindustrie plaats tegen de achtergrond van een oplopende Europese vraag naar aluminium gedurende de voorbije jaren, waardoor de importen zijn toegenomen.

Daarmee zijn staal en aluminium twee duidelijke voorbeelden van de problemen in deze sectoren die tegelijkertijd moeten blijven moderniseren om energiezuiniger en milieuvriendelijker te worden, waarvoor een investeringsbeleid nodig is waarvoor slechts weinig sectoren over voldoende middelen beschikken.

Hoewel het klimaatbeleid geenszins aanleiding geeft tot de moeilijkheden in deze sectoren, kan dat in de toekomst wel het geval zijn als de investeringscrisis aanhoudt en geen Europees industrieel beleid inzake grondstoffen en basismetalen wordt ingesteld.

Dit industriële beleid moet over de noodzakelijke instrumenten en middelen beschikken voor een succesvolle overgang naar een laag koolstofgehalte en dat kan niet zonder strategische controle van haar basismetaalindustrie en zonder over de noodzakelijke instrumenten en middelen te beschikken om het hoofd te bieden aan een stijging van de koolstofprijs, waarop alle bij de bestrijding van de klimaatverandering betrokken internationale instellingen hun zinnen hebben gezet.

Hoewel het hergebruik van basismetalen en de ontwikkeling van een kringloopeconomie beslist cruciaal zijn voor de Europese economieën, is recycling alleen niet genoeg om te voorzien in de toekomstige behoeften van het Europese continent dat midden in de overgang naar een nieuw energiesysteem zit: als voorbeeld verbruiken windmolens en zonnetechnologieën voor hetzelfde geïnstalleerde vermogen tot 90 keer meer aluminium, 50 keer meer ijzer, koper en glas en 15 keer meer beton dan de huidige traditionelere elektriciteitscentrales (stookolie, aardgas of kernenergie) (om nog niet te spreken over zeldzame of essentiële metalen...).

De noodzaak om nu iets te doen aan de klimaatverandering

Het standpunt dat de Europese Unie heeft ingenomen in de bestrijding van de klimaatverandering en in de erkenning van een klimaatschuld ten aanzien van niet-geïndustrialiseerde landen moet worden verwelkomd.

De totstandbrenging van de koolstofmarkt in 2005 (Richtlijn 2003/87/EG) ligt in de lijn van de uitvoering door de Europese Unie van een unilaterale offensieve strategie tot bestrijding van de klimaatverandering die erin bestond het goede voorbeeld te geven door onafhankelijk van de hele wereld extra heffingen op te leggen aan al haar economieën via de elektriciteitsproducenten en elektriciteitsintensieve sectoren.

Er werd toen vanuit gegaan dat daar investeringen uit voort zouden komen die bedoeld waren om de koolstofemissies terug te dringen en bij zouden dragen tot de modernisering van de Europese industrie, die daarmee een voorsprong zou opbouwen ten opzichte van de concurrentie. Het resultaat is echter uitgebleven om verschillende redenen en ondanks de royale verdeling van gratis quota die ter bescherming beperkt worden, is de dreiging van koolstoflekkages toegenomen.

De situatie is sinds het in 1997 ondertekende Verdrag van Kyoto namelijk veranderd en Europa is niet meer toonaangevend op het gebied van basismetalen en moet daarentegen vechten om zijn onafhankelijkheid ten aanzien van snel industrialiserende landen te behouden ("koolstofkentering").

Het is voor de Europese basismetaalindustrie strategisch noodzakelijk om zich aan te passen aan deze nieuwe economische, sociale en klimaatsituatie door het voorbeeld te geven door doeltreffend en efficiënt te zijn in het energieverbruik en met grondstoffen en niet door te verdwijnen uit de industriële wereld van morgen.

Aanpassingen aan de grens is het meest doeltreffende structurele mechanisme om te voorkomen dat Europese industrieën met een koolstoflekkagerisico de strijd tegen de klimaatverandering opgeven, aangezien de toewijzing van gratis rechten, die als een regelrechte 'vervuilerssubsidie' kan werken, een verlies genereert dat zal toenemen in dezelfde mate als dat de prijs van CO2 op de markt oploopt.

Correcties aan de grenzen

Door te zorgen voor correcties aan de grenzen in het kader van het beleid voor bestrijding van de klimaatverandering, ontstaat een eerlijkere concurrentie zonder concurrentieverstoring tussen producenten van binnen en buiten Europa zowel op de interne markt als voor uitvoer, en wordt koolstoflekkage voorkomen.

- door ingevoerde producten aan dezelfde regels wat betreft de aankoop van emissierechten op de koolstofmarkt te onderwerpen als de Europese producenten op basis van de koolstofinhoud van de ingevoerde metalen;

- door uitgevoerde metalen te ontheffen van de aankoop van koolstofemissierechten.

De importeurs van basismetalen worden verplicht om bij de douane de koolstofemissies aan te geven voor de productie van op de Europese markt verkochte metalen en om zich te houden aan dezelfde regels als de Europese producenten overeenkomstig het beginsel van non-discriminatie tussen vergelijkbare producten van de WTO. Het betreft dus geenszins een middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de internationale handel.

Het toepassingsgebied van correcties aan de grenzen stemt overeen met dat van de huidige emissierechten van het emissiehandelssysteem.

Correcties aan de grenzen: een tijdelijke en flexibele maatregel

Ook indien een land koolstofemissierechten voor zijn basismetaalproducenten instelt die vergelijkbaar zijn met de Europese emissierechten, worden correcties aan de grenzen flexibel, afhankelijk van de koolstofprestaties van de producten die tussen de twee landen worden verhandeld. Het op elkaar aan laten sluiten van de wereldwijd opgezette markten van koolstofemissierechten zorgt ervoor dat correcties aan de grenzen kunnen worden afgeschaft. Gelijkwaardige regels zorgen voor eerlijke mededinging.

Koolstoflekkage voorkomen in overleg met de sector

Zo zijn op een aluminiumproducent die zijn aluinaarde (halffabricaat van bauxieterts en aluminium) in Europa produceert de verplichtingen van het emissiehandelssysteem van toepassing, terwijl dat niet het geval is voor een aluminiumproducent die zijn aluinaarde uit het buitenland invoert. Hetzelfde geldt voor alle halffabricaten van mineralen en metalen alsook voor metallurgische cokes waarvan de verplaatsing, en bijgevolg de invoer, een koolstoflekkage vormt.

Het meten van de koolstofinhoud van elk basismetaal moet daarom worden overwogen vanuit het oogpunt van de keten en niet vanuit de strikte Europese locatie van de eindproductie.

Aanduiding van de koolstofinhoud voor elk product waarvoor emissierechten gelden

Om ervoor te zorgen dat correcties aan de grenzen rechtvaardig kunnen worden uitgevoerd, moet de koolstofinhoud van elk product bekend zijn.

Dat is reeds het geval in Europa en dat kan overal zo zijn op twee voorwaarden:

–  de traceerbaarheid van verhandelde producten moet worden gewaarborgd (wat al het geval is in de basismetaalindustrie voor homologatie en certificering met erkende professionele normen);

–  en er moet op internationaal niveau een geharmoniseerde methode worden ingesteld voor de vaststelling van de koolstofinhoud van de verhandelde producten.

In dat geval zou een internationaal/multilateraal agentschap moeten worden opgericht of zou deze taak door een bestaande organisatie moeten worden vervuld.

Compensatie van indirecte emissies: oneerlijke concurrentie tussen Europese landen

Aluminiummultinationals hebben in de Golfstaten een sterke sector ontwikkeld op basis van lage energieprijzen. Naast de voordelen van goedkope energie profiteren deze landen die rijk zijn aan olie en gas ook van het feit dat er geen sprake is van heffingen voor koolstofemissies en dat ze geen rol spelen in de bestrijding van de klimaatverandering.

De Europese Commissie geeft toe dat er oneerlijke concurrentie is vanwege de hogere elektriciteitsprijs als gevolg van de koolstofemissierechten die door de elektriciteitsproducenten worden betaald en laat daarom compensaties van deze indirecte kosten door de nationale overheden toe (mededeling SWD(2012)).

Zo heeft Spanje daarvoor bijvoorbeeld de voorbije drie jaar 5 miljoen EUR (2013-2015) uitgetrokken, terwijl Duitsland gedurende dezelfde periode 756 miljoen EUR heeft besteed voor dit doeleinde.

Gratis quota voor investeringen in de koolstofarme productie van metalen

Correcties aan de grenzen zijn de eerste stap in het heroplevingsproces van de basismetaalindustrie waarbij de vermindering van de koolstofemissies wordt verbonden aan koolstofarme investeringen zodat deze rendabel worden met als doel de emissies terug te dringen en de klimaatverandering te bestrijden.

Boekhoudkundige en financiële transparantie

Momenteel worden de gratis koolstofquota die aan ondernemingen worden toegekend per productielocatie gepubliceerd en eenmaal toegekend wordt door de ondernemingen die de quota bezitten geen informatie meer verstrekt over het gebruik ervan.

Ook worden de inkomsten uit de veilingen van emissiequota, die ten minste deels zouden moeten worden gebruikt voor de bestrijding van de klimaatverandering, op geen enkele manier traceerbaar gemaakt door de Europese landen.

Transparantie over de risico's en gevaren in verband met de basismetaalindustrie

Eerste vereiste: de Europese basismetaalindustrie moet het voorbeeld geven op het gebied van milieu door haar impact te beperken voor zowel de werknemers als de plaatselijke bevolking. De nationale en Europese overheden moeten daarvoor instaan, aangezien het voor de markt niet mogelijk is om een concurrerende industriële economie te behouden en tegelijkertijd het milieu te beschermen.

Deze transparantie moet van toepassing zijn op informatie over emissies, nalevingsmaatregelen, investeringen in vooruitgang en de gevolgen daarvan voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers en de plaatselijke bevolking.

Elektriciteitsleveringsovereenkomsten

De basismetaalindustrie is op meerdere manieren een energie-intensieve industrie.

–  Doordat steenkool gebruikt wordt als onmisbare fossiele grondstof voor de productie van koolstofstalen;

–  Door een productiekostenstructuur die gekenmerkt wordt door de overheersende elektriciteitskosten in de kostprijs (met verschillen per land en zonder voorspelbaarheid) in het geval van zink- of aluminiumelektrolysebedrijven.

Doordat elektriciteitsleveranciers en -gebruikers geen langetermijnovereenkomsten voor elektriciteitsafname kunnen sluiten voor een vrij onderhandelde prijs, is de Europese elektriciteitsintensieve industrie zeer kwetsbaar geworden ten opzichte van de internationale concurrentie.

Bovendien moeten er vraagtekens worden gezet bij het gesubsidieerde openbare karakter van bepaalde internationale concurrenten die basismetalen uitvoeren en werken in een economisch stelsel waarin geen sprake is van vrije en niet-vervalste concurrentie op het gebied van energievoorziening.

Europese handelsbeschermingsmaatregelen voor basismetalen: liever preventie dan laattijdig herstel

Op het moment dat de opkomende landen hun basismetaalindustrieën tot ontwikkeling brengen, waarbij basismetalen de metalen van de economische opleving zijn, zijn ze grote concurrenten op de mondiale markt van staal, basismetalen en zeldzame aardmetalen geworden die profiteren van het vergelijkende voordeel van toegang tot grondstoffen dat soms versterkt wordt door overheidssteun en het veroveren van afzetgebieden door middel van dumping (vastgesteld als een verkoop die plaatsvindt onder de kostprijs).

Het is derhalve noodzakelijk dat de Europese Unie zich voorziet van flexibele en reactieve handelsbeschermingsmaatregelen die aangepast zijn aan deze nieuwe mondiale industriële werkelijkheid waarin de besluitvorming sneller moet verlopen tegenover de potentiële toename van grondstoffen-, producten-, informatie- en dienstenstromen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

11

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Nicolas Bay, David Borrelli, Jerzy Buzek, Philippe De Backer, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Peter Eriksson, Fredrick Federley, Ashley Fox, Theresa Griffin, Marek Józef Gróbarczyk, András Gyürk, Roger Helmer, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Ernest Maragall, Edouard Martin, Dan Nica, Angelika Niebler, Miroslav Poche, Miloslav Ransdorf, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Neoklis Sylikiotis, Antonio Tajani, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Boni, David Coburn, Cornelia Ernst, Jens Geier, Gunnar Hökmark, Benedek Jávor, Jude Kirton-Darling, Olle Ludvigsson, Notis Marias, Marian-Jean Marinescu, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Theodor Dumitru Stolojan, Pavel Telička, Cora van Nieuwenhuizen

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

47

+

ALDE

Dominique Riquet

ECR

Notis Marias

EFDD

David Borrelli, Dario Tamburrano

ENF

Barbara Kappel

GUE

Cornelia Ernst, Miloslav Ransdorf, Neoklis Sylikiotis

PPE

Michał Boni, Jerzy Buzek, Christian Ehler, András Gyürk, Gunnar Hökmark, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Janusz Lewandowski, Marian-Jean Marinescu, Angelika Niebler, Herbert Reul, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Theodor Dumitru Stolojan, Antonio Tajani, Vladimir Urutchev, Henna Virkkunen, Pilar del Castillo Vera

S&D

Zigmantas Balčytis, Jens Geier, Theresa Griffin, Eva Kaili, Jude Kirton-Darling, Jeppe Kofod, Miapetra Kumpula-Natri, Olle Ludvigsson, Edouard Martin, Dan Nica, Miroslav Poche, Patrizia Toia, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

VERTS/ALE

Peter Eriksson, Benedek Jávor, Ernest Maragall, Michel Reimon, Claude Turmes

11

-

ALDE

Philippe De Backer, Fredrick Federley, Kaja Kallas, Pavel Telička, Cora van Nieuwenhuizen

ECR

Ashley Fox, Marek Józef Gróbarczyk, Hans-Olaf Henkel, Evžen Tošenovský

EFDD

David Coburn, Roger Helmer

3

0

ENF

Nicolas Bay, Jean-Luc Schaffhauser

PPE

Paul Rübig

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)

PB L 188 van 18.7.9, blz. 93.

(3)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.

(4)

PB L 334, van17.12.2010, blz. 17.

(5)

PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.

(6)

PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(7)

PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(8)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0032.

(9)

C 251 E van 31.8.2013, blz. 75.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0104.

(11)

PB L 001 van 4.1.2003, blz. 1.

(12)

http://ec.europa.eu/growth/sectors/raw-materials/specific-interest/erecon/index_en.htm

Juridische mededeling - Privacybeleid