Procedure : 2014/2247(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0314/2015

Ingediende teksten :

A8-0314/2015

Debatten :

PV 23/11/2015 - 16
CRE 23/11/2015 - 16

Stemmingen :

PV 24/11/2015 - 5.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0402

VERSLAG     
PDF 233kWORD 167k
30.10.2015
PE 554.719v02-00 A8-0314/2015

over cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen

(2014/2247(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Terry Reintke

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen

(2014/2247(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 151, 153, 162 en 174 t/m 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Europees Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Europese overeenkomsten tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, meer in het bijzonder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de overeenkomstige jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en de daarmee verband houdende aanbevelingen van het Europees Comité voor sociale rechten, en het Kaderverdrag van de Raad van Europa betreffende de bescherming van de nationale minderheden,

–   gezien de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren,

–   gezien het IAO-verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen,

–   gezien de EU-richtlijnen inzake non-discriminatie, artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en protocol nr. 12 bij dit verdrag,

–   gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 5 januari 2011 inzake de rechten van mensen met een handicap,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna "de GB-verordening")(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 437/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling wat betreft de subsidiabiliteit van huisvestingsprojecten voor gemarginaliseerde gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen(6),

–  gezien gedelegeerde verordening (EU) Nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen(7),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over het zevende en achtste voortgangsverslag van de Europese Commissie over het cohesiebeleid van de EU en het strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma(9),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie(10),

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(11),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(12),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2009 over de sociale situatie van de Roma en de verbetering van hun toegang tot de arbeidsmarkt in de EU(13),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie" van 23 juli 2014,

–  gezien de fiche met thematische richtsnoeren van de Commissie van 27 februari 2014 over Roma en gemarginaliseerde gemeenschappen (thematische doelstelling 9 – sociale inclusie en armoede),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2014 getiteld "Verslag over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2014)0209),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 mei 2012 getiteld "Nationale strategieën voor integratie van de Roma: eerste stap van de uitvoering van het EU-kader" (COM(2012)0226),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 getiteld "Strategie van de Europese Unie voor de Donau-regio" (COM(2010)0715),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 december 2010 "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(14),

–   gezien de ontwerpnota van de Commissie van 1 juli 2015 met richtsnoeren inzake het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de aanpak van onderwijs- en ruimtelijke segregatie,

–  gezien de vraag aan de Commissie met verzoek om schriftelijk antwoord van 24 februari 2015 over financiering voor gemarginaliseerde gemeenschappen (E-002782-15),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's over "Strategieën voor integratie van de Roma"(15),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0314/2015),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid gericht is op de bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie, de vermindering van sociale ongelijkheden, met inbegrip van de vermindering en de uitroeiing van armoede en exclusie, en dat hiertoe segregatie moet worden voorkomen en gelijke toegang en gelijke kansen moeten worden bevorderd voor alle burgers, inclusief de meest gemarginaliseerde gemeenschappen, alsmede groepen en individuen van alle leeftijden die te maken hebben met armoede en sociale uitsluiting en beperkte toegang tot onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg;

B.  overwegende dat het cohesiebeleid, zoals gedefinieerd in de Europese Akte van 1986, gericht is op het verkleinen van de verschillen tussen de afzonderlijke regio's en van de achterstand van de minst begunstigde regio's; overwegende dat het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hier nog een ander facet aan toevoegt en verwijst naar "economische, sociale en territoriale samenhang";

C.  overwegende dat de doelstelling van sociale cohesie het nodig maakt dat Europa een rol speelt bij de beleidsmaatregelen inzake de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen en vereist dat de lidstaten hun bevoegdheden op dit gebied gebruiken, door ondersteunende acties ten uitvoer te leggen en door werk te verrichten in het kader van transnationale samenwerkingsprogramma's en nationale programma's;

D.  overwegende dat in 2010 financieringsmogelijkheden voor gemarginaliseerde gemeenschappen in het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) zijn ingevoerd; overwegende dat het wetgevingskader voor het cohesiebeleid 2014-2020 een strategische aanpak biedt;

E.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1304/2013(16) is bepaald dat het ESF ten goede komt aan mensen, inclusief kansarme groepen zoals langdurig werklozen, mensen met een handicap, migranten, etnische minderheden, gemarginaliseerde gemeenschappen en mensen uit alle leeftijdsgroepen die met armoede en sociale uitsluiting worden geconfronteerd;

F.   overwegende dat in de programmeringsperiode 2014-2020 minstens 23,1% van de begroting voor het cohesiebeleid zal worden toegewezen aan investeringen in het kader van het ESF; overwegende dat het EFRO en het ESF een specifieke en significante rol spelen, waarbij tenminste 20% van het ESF in elke lidstaat is toegewezen aan de specifieke doelstelling van bevordering van sociale inclusie, bestrijding van armoede en alle discriminatie, zodat het cruciale instrumenten zijn voor de bevordering van een grotere inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

G.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1303/2013 een aantal voorwaarden is vastgesteld in verband met non-discriminatie, gender en handicap waaraan moet worden voldaan(17);

H.  overwegende dat het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie toont dat de economische crisis de armoede en de sociale uitsluiting heeft vergroot;

I.  overwegende dat de economische crisis en de daaruit voortvloeiende bezuinigingen en soberheidsmaatregelen hebben geleid tot talrijke problemen, met vaak als resultaat ernstige begrotingsproblemen voor gemeenten, zodat er een gebrek aan keuzemogelijkheden is ontstaan voor de omgang met gemarginaliseerde groepen en voor het streven naar een verbetering van hun inclusie en naar de voorkoming van verdere segregatie, omdat dergelijke maatregelen in hoge mate, en soms uitsluitend, afhankelijk zijn van ESIF-financiering;

J.  overwegende dat de gevolgen van de economische crisis en de bezuinigingen op openbare diensten de situatie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen hebben verslechterd;

K.  overwegende dat vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen te maken hebben met een ernstiger meervoudige discriminatie en er bij hen sprake is van een veel lagere arbeidsparticipatie dan bij mannen uit die gemeenschappen en bij andere vrouwen;

L.   overwegende dat een groot aantal publieke en particuliere spelers op diverse niveaus en in diverse sectoren, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, betrokken is en vaak een belangrijke rol speelt bij de tenuitvoerlegging van het integratiebeleid, zodat een coherente en goed gecoördineerde aanpak nodig is;

M.   overwegende dat er op EU-niveau geen definitie bestaat van gemarginaliseerde gemeenschappen; overwegende dat voor een begrip van het verslag allereerst inzicht nodig is in marginalisering op basis van een analyse van bepaalde hoedanigheden en kenmerken van gemarginaliseerde groepen, waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke situatie en behoeften, zoals leef- en werkomstandigheden en beperkte toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en werk, en vroegtijdig schoolverlaten, in combinatie met structurele en systemische exclusie, met als doel om te zorgen voor hun effectieve sociaaleconomische inclusie;

N.  overwegende dat de Commissie gemarginaliseerde gemeenschappen niet heeft gedefinieerd en het aan de lidstaten overlaat een definitie op te stellen op basis van hun nationale indicatoren; overwegende dat marginalisering echter kan worden vastgesteld door te kijken naar een reeks relevante indicatoren, zoals sociale uitsluiting, een hoog niveau van langdurige werkloosheid, een laag opleidingsniveau, (zeer) slechte huisvesting, een hoge mate van discriminatie en een overmatige blootstelling aan gezondheidsrisico's en/of een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg, met andere woorden, die bevolkingsgroepen die het kwetsbaarst en het meest hulpbehoevend worden geacht;

O.  overwegende dat marginalisering een sociaal fenomeen is waarbij individuen of gemeenschappen sociaal worden uitgesloten en stelselmatig worden buitengesloten van deelname aan of toegang tot sociale en politieke processen die essentieel zijn voor hun maatschappelijke integratie; overwegende dat het begrip 'gemarginaliseerde gemeenschappen' betrekking heeft op diverse groepen en individuen, zoals minderheden, Roma, mensen met een handicap, mensen die onder de armoedegrens leven of door armoede worden bedreigd, migranten, vluchtelingen en sociaal uitgesloten groepen in de samenleving; overwegende dat racisme, patriarchaal ingestelde samenlevingen, homofobie, economische achterstand en andere discriminatoire factoren bijdragen aan het ontstaan van ongelijkheid en een zwakkere positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen;

P.   overwegende dat het gemeenschappelijke kenmerk van een gemarginaliseerde gemeenschap een plaats kan zijn, bijvoorbeeld voor gemarginaliseerde gemeenschappen in plattelandsgebieden en achtergestelde buurten; of een gezamenlijk belang, zoals vluchtelingen en asielzoekers en etnische en taalkundige minderheden; en mensen met een handicap, ouderen, daklozen en inheemse bevolkingen; overwegende dat deze verschillende typen gemarginaliseerde gemeenschappen gemeenschappelijke problemen kennen en allemaal lijden onder diverse vormen van stigmatisering en discriminatie;

Q.  overwegende dat in Europa vele groepen gemarginaliseerde mensen te vinden zijn; merkt op dat de Roma, een benaming die in Europa op verschillende manieren wordt gedefinieerd, de grootste etnische minderheid en een van de meest gemarginaliseerde gemeenschappen in Europa vormen;

R.  overwegende dat het cohesiebeleid gemarginaliseerde gemeenschappen moet benaderen overeenkomstig hun diversiteit, rekening houdend met specifieke behoeften; overwegende dat de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen in financiering vereist dat inspanningen worden geleverd op alle niveaus, met behulp van een geïntegreerde en coherente aanpak op lange termijn, permanente oplossingen, empowerment, voortbouwen op ervaring en capaciteitsopbouw, ook voor vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen, en de overgang van institutionele naar binnen de gemeenschap georganiseerde zorg, om een einde te maken aan de segregatie en te komen tot normalisatie;

S.  overwegende dat in strategieën van het Europees cohesiebeleid voor het versterken van de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen rekening moet worden gehouden met de situatie van oudere vrouwen, vrouwen met een handicap, vrouwelijke verzorgers en vrouwen met geestelijke gezondheidsproblemen;

T.  overwegende dat projecten op basis van kunst en cultuur ter bevordering van interculturele uitwisselingen, empowerment van de deelnemers, ontwikkeling van creatieve en sociale vaardigheden en actieve participatie in het leven van de plaatselijke gemeenschap behoren tot de meest effectieve instrumenten om sociale inclusie en integratie aan te pakken;

U.  overwegende dat onderwijs, zowel formeel als informeel, cruciaal is voor het uitbannen van marginalisering en meervoudige discriminatie, wat betreft het tot stand brengen van dialoog, openheid en begrip tussen gemeenschappen en het versterken van de positie van gemarginaliseerde gemeenschappen; overwegende dat een genderperspectief in het onderwijs, en de rol ervan bij het versterken van de positie van vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen, niet uit het oog mag worden verloren;

Algemene beginselen

1.  herinnert eraan dat de kwestie van gemarginaliseerde gemeenschappen dringend moet worden aangepakt; onderstreept het feit dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt voor de ondersteuning van de economische, sociale en territoriale inclusie van deze gemeenschappen;

2.  herinnert eraan dat gemarginaliseerde gemeenschappen zijn aangewezen als prioriteit van de cohesiebeleidsmaatregelen vanwege de toenemende bezorgdheid over, en inzet voor de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede bezorgdheid over de situatie van de Roma en de reeds lang bestaande noodzaak om hun levensomstandigheden te verbeteren;

3.  verzoekt de Commissie om richtsnoeren te geven voor een definitie van gemarginaliseerde gemeenschappen en een aantal hoedanigheden en kenmerken van gemarginaliseerde groepen aan te geven, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie, uitdagingen en behoeften van elke potentiële doelgroep, om de sociaaleconomische inclusie ervan te bevorderen, en waarbij vertegenwoordigers van die gemeenschappen betrokken worden; benadrukt dat deze richtsnoeren de doeltreffendheid van het cohesiebeleid voor de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de hele Europese Unie voort zouden bevorderen;

4.  is tevreden met het feit dat met het wetgevingskader voor het cohesiebeleid 2014-2020 nieuwe elementen zijn ingevoerd waarmee de oorspronkelijke aanpak wordt geconsolideerd, door de financieringsmogelijkheden uit te bereiden en mechanismen in te voeren om ervoor te zorgen dat de steun voor gemarginaliseerde gemeenschappen strookt met de Europese waarden en doelstellingen en dat bij deze steun rekening wordt gehouden met het feit dat de groepen in kwestie bij het hele proces moeten worden betrokken;

5.  verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verstrekken over het gebruik dat van de financieringsmogelijkheden voor gemarginaliseerde gemeenschappen is gemaakt; verzoekt om de uitvoering van een analyse om passende conclusies te kunnen trekken en om de belemmeringen voor een verder gebruik of de best mogelijke resultaten te kunnen identificeren;

6.  verzoekt de Commissie eveneens toe te zien op het effectieve toepassing van de Europese gedragscode met betrekking tot het partnerschapsprincipe en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld; herinnert eraan dat de horizontale beginselen in de GB-verordening, die fundamentele rechten belichamen zoals de bevordering van gelijke kansen, de voorkoming van discriminatie en de bevordering van duurzame ontwikkeling, moeten worden toegepast bij de opstelling en tenuitvoerlegging van programma's in het kader van het ESIF; herinnert eraan dat alle acties van de lidstaten die worden gefinancierd in het kader van het EU-cohesiebeleid de principes van de grondrechten moeten eerbiedigen en in geen geval mogen bijdragen aan segregatie;

7.  benadrukt dat gelijke kansen en non-discriminatie horizontale principes voor de nieuwe verordeningen van de ESI-fondsen zijn en dat deze moeten worden toegepast om de systemische oorzaken van de ongelijkheid weg te werken, ongeacht of het gaat om economische, sociale of gendergerelateerde oorzaken, alsmede met betrekking tot de toegang tot cultuur en onderwijs; benadrukt dat bij de analyse van de wortels van de exclusie moet worden gefocust op een begrip en op bewustmaking van de systemische vreemdelingenhaat en racisme;

8.  herinnert eraan dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een principe is dat horizontaal van toepassing is op het cohesiebeleid; betreurt de meervoudige discriminatie waar vooral vrouwen, migranten en personen met een handicap binnen gemarginaliseerde gemeenschappen mee te maken hebben;

9.  benadrukt dat bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid de cruciale uitdaging moet worden aangepakt van de armoede en uitsluiting van jongeren en kinderen, volwassenen en mensen met een handicap, inclusief de overgang van institutionele zorg en diensten voor kwetsbare kinderen naar zorg en diensten die gebaseerd zijn op de gemeenschap; dringt er bij de betrokken lidstaten op aan passende actie te ondernemen en maatregelen te treffen om strategieën te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen om dit te bereiken, met toepassing van een geïntegreerde aanpak;

10.  wijst erop dat de vormgeving van beleid dat is gericht op specifieke groepen volgens het principe van "uitdrukkelijke maar niet-exclusieve gerichtheid" vereist dat andere doelgroepen die verkeren in soortgelijke sociaaleconomische omstandigheden, niet worden uitgesloten, om het aanwakkeren van defensieve reacties te voorkomen; benadrukt dat dit principe slechts een eerste stap is in de richting van de erkenning van het feit dat aandacht moet worden besteed aan gemeenschappen en individuen die behoren tot de kwetsbaarste en meest gemarginaliseerde;

11.  benadrukt het feit dat er op verantwoordingsplicht berustende, transparante en democratische structuren moeten zijn voor de bestrijding van corruptie en het frauduleuze gebruik van middelen om te zorgen voor de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

12.  beschouwt toegang tot de dienstverlening van de overheid als een van de belangrijkste doelstellingen om de inclusie van gemarginaliseerde groepen aan te pakken; roept de lidstaten op tot verbetering van het verstrekken van toegesneden gezondheidsinformatiemateriaal en de ontwikkeling van ziektepreventiestrategieën en gemeenschapsinitiatieven op het gebied van de gezondheidszorg in gemarginaliseerde gemeenschappen; roept op tot de oprichting van gespecialiseerde structuren, zoals informatieposten die advies verstrekken over kwesties in verband met toegang tot de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt en het onderwijs; vraagt dat actie wordt ondernomen voor een omschakeling van een aanpak op basis van vraag naar een gastvrije, dienstverleningsgerichte aanpak;

13.  roept ertoe op om de nationale strategieën voor gemarginaliseerde gemeenschappen, inclusief de nationale strategieën voor de integratie van Roma, de nationale armoedebestrijdingsstrategieën, de strategieën voor de inclusie van andere gemarginaliseerde en achtergestelde gemeenschappen en de strategieën voor gendergelijkheid, beter te coördineren en sterker te koppelen aan het cohesiebeleid;

14.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om kinderen centraal te stellen bij de uitvoering van het EU-kader voor nationale strategieën inzake de Roma en wijst nogmaals op het belang van de bevordering van gelijke toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en waardige levensomstandigheden voor kinderen;

15.  verzoekt de lidstaten en de plaatselijke autoriteiten het gebruik aan te moedigen van ESF-financiering voor de ondersteuning van projecten op het gebied van informeel onderwijs en een leven lang leren, alsmede projecten op basis van cultuur, om de doelstellingen te realiseren inzake investeringen in nieuwe vaardigheden voor innovatie en inzake de strijd tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting;

16.  wijst erop – gezien de toenemende regionale verschillen, de demografische uitdagingen en de situatie van jongeren die steeds meer wegtrekken of van plan zijn weg te trekken uit hun land van herkomst – dat in de begrotingscyclus voor de periode 2014-2020 minder middelen ter beschikking staan voor het cohesiebeleid; is van mening dat het cohesiebeleid nog steeds voor toegevoegde waarde kan zorgen met betrekking tot het werk dat reeds wordt verricht in de lidstaten en dat het cohesiebeleid, door de nadruk te leggen op het verbeteren van de kansen op werk, maatschappelijke participatie en investeringen in vaardigheden, met name in die regio's die dit het meest nodig hebben, naast andere voordelen kan resulteren in meer sociale inclusie en de terugdringing van armoede door voldoende flexibiliteit te bieden om de lidstaten in staat te stellen op de lokale behoeften afgestemde geïndividualiseerde steun te verlenen en ervoor te zorgen dat de financiering wordt gebruikt in die gebieden waar de werkloosheid het hoogst en het geld het meest nodig is;

17.  roept de Commissie op om erop toe te zien dat de lidstaten deze principes toepassen bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma's; verzoekt de Commissie haar analyse op te nemen in haar rapportering, inclusief met betrekking tot de nationale strategieën voor integratie van de Roma;

18.  benadrukt dat de bezuinigingen op openbare diensten die tijdens de crisis in enkele lidstaten zijn doorgevoerd, tot hogere werkloosheid, een gebrek aan sociale zekerheid, een moeilijke huisvestingssituatie en gezondheidsproblemen hebben geleid; verzoekt de lidstaten de ESF-steun efficiënter te gebruiken om de kwaliteit van en gelijke toegang tot de openbare diensten voor gemarginaliseerde gemeenschappen te verbeteren en elke vorm van discriminatie te bestrijden;

19.  pleit voor de inachtneming van een mensenrechtenperspectief bij het opzetten van door cohesiefondsen gesteunde acties en benadrukt dat culturele, economische en sociale rechten moeten worden verwerkt in beleidsmaatregelen die gericht zijn op de erkenning van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen als volwaardige actieve burgers en dat racisme, zowel openlijk als verhuld, bij het ontwerp van elke actie en beleidsmaatregel expliciet moet worden aangepakt;

Opstellen van programma’s

20.  benadrukt dat het partnerschapsprincipe moet leiden tot betrokkenheid op alle niveaus en dat het door de lidstaten verplicht moet worden toegepast, en niet slechts pro forma; benadrukt dat het belangrijk is dat de gedragscode inzake partnerschap ten uitvoer wordt gelegd, om te zorgen voor gelijke participatie en vertegenwoordiging van de partners, waarbij specifieke aandacht moet worden besteed aan de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen, om rekening te houden met hun specifieke situatie en potentiële uitdagingen, wat het leveren van een substantiële bijdrage aan het partnerschap betreft; is bezorgd over de slechte naleving van de voorschriften inzake verplichte betrokkenheid van partners overeenkomstig de desbetreffende principes die zijn vastgesteld in de GB-verordening en de Europese gedragscode inzake partnerschap; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan te zorgen voor de betrokkenheid van partners, inclusief de meest belanghebbenden, en een systeem van stimulansen en uitwisseling van beste praktijken ten uitvoer te leggen, met inbegrip van specifieke ondersteuning voor de beheersautoriteiten en begunstigden die bijzonder goede resultaten hebben behaald op dit gebied;

21.  betreurt dat de Commissie partnerschapsovereenkomsten heeft aanvaard die in onvoldoende mate gemarginaliseerde gemeenschappen omvatten; vraagt de Commissie maatregelen te treffen om te waarborgen dat de gemarginaliseerde gemeenschappen worden opgenomen in de voorbereiding, tenuitvoerlegging en beoordeling van de projecten, als manier om te zorgen voor de empowerment van de gemeenschappen in kwestie; stelt voor om aanbevelingen te presenteren in het kader van het Europees Semester als passend instrument om het ondernemen van actie door de lidstaten te bevorderen;

22.  verzoekt de lidstaten gevolg te geven aan de landenspecifieke aanbevelingen die ten aanzien van de sociale inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen zijn gedaan, en verzoekt de Commissie deze nauwlettend op te volgen;

23.  is verheugd dat sommige lidstaten, waaronder die welke aanbevelingen hebben ontvangen, ervoor kiezen om van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen een investeringsprioriteit te maken in hun operationele programma's; waarschuwt echter dat dit ook moet worden doorgevoerd op beleidsterreinen zoals onderwijs en werkgelegenheid;

24.  verzoekt de lidstaten volledig gebruik te maken van de middelen; benadrukt dat specifiek de nadruk moet worden gelegd op financieringsmaatregelen die verder gaan dan gerichte actie in het kader van de thematische doelstelling voor sociale inclusie, bestrijding van armoede en elke vorm van discriminatie, waarbij de voorkeur moet worden gegeven aan een geïntegreerde en systematische aanpak;

25.  is van mening dat meerlagige governance en coördinatie een belangrijke rol spelen; benadrukt dat de betrokkenheid van de lokale autoriteiten en belanghebbenden van wezenlijk belang is om de doelgroep te bereiken en dat daarvoor de grootst mogelijke territoriale nabijheid vereist is;

Uitvoering van de programma’s

26.  wijst op het belang van een geïntegreerde benadering; is van mening dat de middelen moeten worden gebruikt op meer geïntegreerde wijze, inclusief door middel van meerfondsenprogramma's, door de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, geïntegreerde territoriale investeringen en kruisfinanciering, overeenkomstig artikel 98, lid 2, van de GB-verordening, en dat synergieën tot stand moeten worden gebracht met andere EU- en nationale financieringsinstrumenten; verzoekt de betrokken diensten en autoriteiten te streven naar actieve samenwerking alle niveaus, ook grensoverschrijdend;

27.  merkt op dat kruisfinanciering momenteel beperkt gebruikt wordt, in zekere mate vanwege het complexe karakter van de regels in artikel 98, lid 2, van de GB-verordening; is van mening dat een grotere flexibiliteit van de regels voor kruisfinanciering, met name met betrekking tot gemarginaliseerde gemeenschappen, kan leiden tot meer doeltreffendheid van de projecten en een belangrijke meerwaarde kan opleveren voor de impact ervan; verzoekt de Commissie daarom een analyse uit te voeren van de toepassing van kruisfinanciering en van de mate waarin deze wordt gebruikt;

28.  merkt op dat gemarginaliseerde gemeenschappen vaak wonen in minder gunstige wijken; benadrukt het belang van de reële tenuitvoerlegging van stadsvernieuwingsprogramma's voor achtergestelde wijken, waarin geïntegreerde en plaatsgerichte benaderingen worden gecombineerd en waarmee economische. sociale en territoriale uitdagingen worden aangepakt, en het stedelijke milieu wordt verbeterd, en waarbij tevens nadruk wordt gelegd op grotere connectiviteit, om deze gemeenschappen een betere toegang te verlenen; is van mening dat de toekomstige stedelijke agenda van de EU op adequate wijze aandacht moet besteden aan de centrale uitdagingen en behoeften in verband met gemarginaliseerde gemeenschappen in stedelijke gebieden, teneinde het ontstaan van gettowijken te voorkomen en segregatie, armoede en sociale uitsluiting met succes te kunnen bestrijden;

29.  wijst op de specifieke behoeften van gemarginaliseerde gemeenschappen in rurale, afgelegen en berggebieden, inclusief uitdagingen op het gebied van connectiviteit, mobiliteit en toegang tot diensten, maar ook met betrekking tot culturele en sociale mogelijkheden; benadrukt het belang van een betere verbinding van de regio's; merkt ook op dat mensen in grensoverschrijdende gebieden vaak gemarginaliseerd worden als gevolg van hun geografische situatie en dat daar bij het formuleren van het cohesiebeleid beter rekening mee moet worden gehouden, met name in het kader van de doelstelling van Europese territoriale samenwerking;

30.  onderstreept het feit dat de capaciteit van de belanghebbenden moet worden opgebouwd, inclusief overheidsdiensten, administraties en instanties van het maatschappelijk middenveld, om te zorgen voor de empowerment van gemeenschappen, met name door hen in staat te stellen beter te participeren in de totstandkoming van het beleid; roept ertoe op om met dit doel ook gebruik te maken van gerichte technische assistentie en financiering;

31.  verzoekt de Commissie de technische bijstand te verlenen die nodig is ter verbetering van de administratieve capaciteit van organen die zich bezighouden met het beheer van de structuurfondsen, en roept de lidstaten op advies en administratieve steun te bieden, bijvoorbeeld door het organiseren van cursussen, hulp bij steunaanvragen en het verstrekken van uitleg, om het voor gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma gemakkelijker te maken om aan informatie te komen over Europese en nationale financieringsprogramma's ter ondersteuning van ondernemerschap en werkgelegenheid en om daartoe strekkende aanvragen in te dienen;

32.  benadrukt dat de sociale partners toegang moeten hebben tot technische bijstand om niet alleen hun capaciteiten te versterken maar ook te zorgen voor hun coördinatie en vertegenwoordiging in de ad-hoc-comités die de operationele programma's vaststellen en uitvoeren;

33.  wijst erop dat de Commissie, in een partnerschap met vertegenwoordigers van gemarginaliseerde gemeenschappen, na het geven richtsnoeren voor een definitie van gemarginaliseerde gemeenschappen, een ad hoc deskundigengroep voor het geven van advies moet opzetten, en het geven van adequate training aan het administratieve personeel moet bevorderen, om te zorgen voor specifieke kennis van de problemen van gemarginaliseerde gemeenschappen en de bestrijding van discriminerende praktijken, teneinde inclusie te bevorderen door middel van een constructieve en doeltreffende dialoog, en de tenuitvoerlegging en controle van de door de EU gefinancierde projecten in verband met gemarginaliseerde gemeenschappen op geïntegreerde en effectieve wijze uit te voeren en te controleren, om de impact ervan zo groot mogelijk te maken;

34.  acht het van essentieel belang dat gelijkheidsorganen, vrouwenorganisaties en vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen worden betrokken bij het besluitvormingsproces over de toewijzing, aanwending, uitvoering en controle van de middelen, op alle niveaus, van lokaal en regionaal niveau tot lidstaat- en EU-niveau, en is van oordeel dat het toezicht op en de evaluatie van de uitgevoerde programma's moeten worden beschouwd als een essentieel proces ter verbetering van de participatie van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen;

35.  neemt kennis van de aanpak dat alle voorzieningen inzake strategisch en operationeel beleid, inclusief voldoende administratieve of institutionele capaciteit, voorhanden moeten zijn voordat investeringen worden gedaan; moedigt de Commissie ertoe aan grondig te volgen of aan deze voorwaarden wordt voldaan en ervoor te zorgen dat de betrokken lidstaten aanvullende acties ondernemen, met name op het gebied van de bevordering van inclusie en de bestrijding van armoede en discriminatie;

Monitoring en aanbevelingen

36.  wijst erop dat door de EU gefinancierde projecten een langetermijnperspectief moeten hebben om effectief te zijn en dat met de middelen investeringen moeten worden ondersteund in de feitelijke behoeften van de begunstigden, met mechanismen om ervoor te zorgen dat de doelgroepen worden bereikt en uitsluiting en marginalisering worden aangepakt; vraagt kwalitatief hoogstaande evaluatie- en monitoringmechanismen; verzoekt de Commissie te zorgen voor proactieve en participerende mechanismen voor monitoring en waarneming van de acties van de lidstaten in het proces van de planning en de evaluatie van de middelen die worden gebruikt voor gemarginaliseerde gemeenschappen;

37.  benadrukt dat uitsluiting met betrekking tot huisvesting, dakloosheid, onderwijs en werkloosheid vaak essentiële elementen van marginalisering zijn; benadrukt daarom dat geïntegreerde huisvesting en interventies ten gunste van gemarginaliseerde gemeenschappen op het gebied van onderwijs en werk belangrijk zijn;

38.  herinnert eraan – gezien het feit dat de recente economische en financiële crisis met name gemarginaliseerde groepen heeft getroffen die bij onrust op de arbeidsmarkt het grootste risico lopen hun baan te verliezen – dat onderwijs en werk de beste manier zijn om aan armoede te ontkomen en dat het integreren van gemarginaliseerde gemeenschappen in de samenleving en de arbeidsmarkt derhalve een prioriteit moet zijn; stelt met bezorgdheid vast dat leden van gemarginaliseerde gemeenschappen vaak het slachtoffer worden van sociale uitsluiting en discriminatie en als gevolg daarvan worden geconfronteerd met belemmeringen van de toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs, werk, gezondheidszorg, vervoer, informatie en diensten in het algemeen, wat een complex probleem is dat naar behoren moet worden aangepakt door middel van het complementaire gebruik en een doeltreffende combinatie van het ESIF en nationale middelen; benadrukt derhalve dat er ten aanzien van bestaande EU-programma's, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, Erasmus+ en Creatief Europa, bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om leden van gemarginaliseerde gemeenschappen te bereiken, gekoppeld aan een regelmatige controle van het succes daarvan, teneinde de armoede- en marginaliseringscyclus te doorbreken en de beroepsvaardigheden en -kwalificaties van mensen te verbeteren;

39.  dringt erop aan dat de middelen worden aangewend om de leefomstandigheden te verbeteren en om vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen gemakkelijker toegang te bieden tot kwalitatief hoogwaardig en stabiel onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg, werkgelegenheid, kinderopvang, sociale dienstverlening, slachtofferhulp en rechtsbedeling;

40.  benadrukt dat de vertegenwoordigers van de gemarginaliseerde gemeenschappen actief bij de zaak moeten worden betrokken en de mogelijkheid moeten krijgen als volwaardig lid in de monitoringmaatregelen te participeren; wijst erop dat aanzienlijke ervaring had kunnen worden opgedaan op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau; onderstreept het feit dat de beste praktijken moeten worden verspreid en dat er gebruik van moet worden gemaakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle bestaande beste prakrijken te analyseren, waaronder innoverende praktijken in verband met de inclusie van gemarginaliseerde groepen en individuen in de maatschappij, en netwerkactiviteiten te initiëren, onder meer tussen sociale, jeugd- en gemeenschapswerkers, alsmede academici en onderzoekers; benadrukt dat op EU-niveau een netwerkplatform moet worden ingesteld voor de facilitering van de uitwisseling van beste praktijken en de gezamenlijke oplossing van problemen, dat ook kan dienen als e-leer-faciliteit voor capaciteitsopbouw;

41.   verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan het cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen in haar jaarlijkse gestructureerde dialoog met het maatschappelijk middenveld en organisaties die partners vertegenwoordigen en er tegelijk voor te zorgen dat de vertegenwoordigers van gemarginaliseerde gemeenschappen participeren en een debat te faciliteren op basis van een kwantitatieve en kwalitatieve analyse;

42.  wijst erop dat bewustzijn van de structurele en systemische inclusie niet alleen nodig is aan de kant van de maatschappij als geheel, maar in het bijzonder essentieel is voor het werk van besluitvormers en belanghebbenden op alle administratieve niveaus en van andere betrokken publieke instanties; verzoekt alle publieke belanghebbenden en onderwijsinstellingen een grondige analyse uit te voeren van de oorzaken van discriminatie en marginalisering, en mensen bewust te maken van het feit dat vreemdelingenhaat en racisme en alle soorten marginalisering die leiden tot systemische exclusie, moeten worden bestreden; verzoekt de Commissie de EU-wetgeving inzake discriminatie strikt te handhaven en te controleren; verzoekt de openbare diensten voor arbeidsvoorziening kwalitatief hoogwaardige, op behoeften gebaseerde en op maat gesneden diensten aan te bieden;43.  benadrukt er een tweeledige aanpak nodig is om gemarginaliseerde groepen te helpen integreren, namelijk rechtstreeks samen met de betrokkenen door middel van voorlichting, met inbegrip van onderwijsvoorzieningen, opleiding, beroepskeuzebegeleiding en arbeidskansen, en samen met de plaatselijke gemeenschap en de lokale overheden om de beeldvorming onder de bevolking te verbeteren en/of te veranderen door ze meer bewust te maken van de gevolgen van vooroordelen, de openbare dienstverlening te verbeteren en de sociale stelsels aan te passen;

44.  benadrukt dat onderwijs een grondrecht is dat is verankerd in het Verdrag betreffende de Europese Unie; beklemtoont dat het waarborgen van een gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs voor alle leden van de samenleving de sleutel is voor het doorbreken van de cyclus van sociale uitsluiting; is van mening dat formeel, niet-formeel en informeel onderwijs dat gekenmerkt wordt door onderricht op het gebied van diversiteit, een eerste stap is in de richting van een reële politieke, economische en sociale integratie van de gemarginaliseerde gemeenschappen; benadrukt dat er programma's, projecten en steunactiviteiten voor gemarginaliseerde gemeenschappen ten uitvoer moeten worden gelegd om te zorgen voor voorschools onderwijs, tegemoet te komen aan de behoefte aan formeel onderwijs, en tevens mogelijkheden te bieden voor andere vormen van onderwijs alsmede levenslang leren, met name wat betreft beroepsvaardigheden en ICT, en de toegang tot de media te verbeteren, onder meer met het oog op de versterking van de positie van vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen;

45.  verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten het gebruik aan te moedigen van het EFRO voor de ondersteuning van kmo's en sociale ondernemingen die gemarginaliseerde gemeenschappen bij hun activiteiten betrekken en deze gemeenschappen ten goede komen; wijst erop dat er activiteiten voor gemarginaliseerde gemeenschappen uitgevoerd moeten worden om hulp te verlenen en de omstandigheden te scheppen voor micro-ondernemerschap, met behoud van verschillende manieren van zakendoen;

46.  wijst erop dat veel sectoren in de nabije toekomst een ingrijpende gedaanteverandering zullen ondergaan, deels vanwege het grootschaliger gebruik van online-instrumenten en -oplossingen; wijst erop dat dit zowel laaggeschoolde als middelbaar opgeleide werknemers onder druk zal zetten en dat vooral leden van gemarginaliseerde gemeenschappen hierdoor getroffen zullen worden, omdat momenteel vooral deze personen werk vinden in deze sectoren; benadrukt het belang van toegankelijke en betaalbare opleiding en diensten voor iedereen op het gebied van nieuwe technologieën en sectoren, met bijzondere aandacht voor kansen in de digitale sector en de groene economie, met name voor de meest benadeelde groepen; wijst op de belangrijke, ondersteunende rol van micro- en kleine ondernemingen bij het behoud van banen in plattelandsgebieden en dringt derhalve aan op een grotere nadruk op het waarborgen van de toegang tot financiering voor deze ondernemingen;

47.  wijst erop hoe belangrijk het is de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen te versterken door vrouwelijk ondernemerschap en de participatie van vrouwen in die gemeenschappen te stimuleren;

48.  benadrukt de belangrijke rol die maatschappelijk ondernemerschap, coöperatieve ondernemingen, onderlinge maatschappijen en alternatieve ondernemingen kunnen vervullen in het versterken van de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen; beveelt aan dat cohesiefondsen, in het bijzonder het ESF, steun verlenen aan investeringen op dit vlak met een sterk genderperspectief;

49.  verzoekt de Commissie de beperkingen te analyseren van de huidige toewijzingsregel voor de bepaling van steun met middelen van cohesiefondsen op basis van het bbp, door beter gebruik te maken van beschikbare indicatoren, zoals de EU-SILC-gegevens van Eurostat over inkomen en levensomstandigheden, waarmee zichzelf bestendigende armoede en sociale kwetsbaarheid op het grondgebied van de Unie kunnen worden geïdentificeerd, om de EU-steun voor gemarginaliseerde gemeenschappen beter te richten;

50.  onderstreept dat gemarginaliseerde gemeenschappen in het Europese politieke debat vaak het voorwerp zijn van een tendentieuze politieke instrumentalisering en dat een gedetailleerde analyse van de structurele uitsluiting nodig is, zowel in de partnerschapsovereenkomsten als in de betreffende operationele programma's; verzoekt de Commissie te zorgen voor coherente, consistente en duidelijke richtsnoeren voor de ontwikkeling, de tenuitvoerlegging en het beheer van de door de EU gefinancierde projecten in verband met gemarginaliseerde gemeenschappen, inclusief grondige analyses, voorbeelden van beste praktijken en beleidsaanbevelingen, om ervoor te zorgen dat gemarginaliseerde gemeenschappen in de EU-fondsen worden opgenomen, mede met het oog op de komende programmeringsperiode;

51.  dringt aan op de verwerking van een genderperspectief en een intersectorale analyse van financiering in alle door de EU gefinancierde initiatieven, programma's, acties en financieringsregelingen voor integratie en sociale inclusie, zodat aan de specifieke behoeften van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen tegemoet kan worden gekomen en de verscheidenheid van stemmen en standpunten van vrouwen in verschillende structurele posities en rollen beter in beeld kan worden gebracht; is van oordeel dat gendereffectbeoordelingen en genderbewust budgetteren nuttig kunnen zijn voor het evalueren van de effecten op vrouwen van financieringsprioriteiten, de toewijzing van financiële middelen en specificaties voor financieringsprogramma's; benadrukt dat er systematisch naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en dat deze regelmatig moeten worden geanalyseerd;

52.  verzoekt de lidstaten een prijs in te stellen voor voorbeeldige toewijding aan de integratie en inclusie van gemarginaliseerde groepen bij de tenuitvoerlegging van EU-fondsen; suggereert dat een dergelijke prijs voor uitmuntend werk wordt uitgereikt aan gemeenten of regio's in de lidstaten;

53.  verzoekt de lidstaten een netwerk tussen gemeenten en steden die zich bezighouden met de integratie van gemarginaliseerde groepen, mogelijk te maken en aan te moedigen; suggereert dat het burgemeestersconvenant inzake klimaatverandering kan dienen als voorbeeld voor dit netwerk;

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)

PB L 132 van 29.5.2010, blz. 1.

(4)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(5)

PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62.

(6)

PB L 72 van 12.3.2014, blz. 1.

(7)

PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1.

(8)

Aangenomen teksten, P7_TA (2014)0132.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0594.

(10)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0246.

(11)

Aangenomen teksten, P7_TA (2011)0092.

(12)

PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.

(13)

PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 60.

(14)

PB C 378 van 14.12.2013, blz. 1.

(15)

PB C 114 van 15.4.2014, blz. 73.

(16)

Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad.

(17)

Deel II van bijlage XI bij Verordening (EU) nr. 1303/2013.


TOELICHTING

Het cohesiebeleid is een van de sterkste instrumenten waarover de Europese Unie beschikt om ongelijkheid te bestrijden en de territoriale en sociale cohesie in haar regio's te ondersteunen.

In alle Europese maatschappijen zijn er groepen en gemeenschappen die te maken krijgen met structurele exclusie en segregatie van de maatschappij van de meerderheid en die zelfs geen toegang hebben tot essentiële publieke infrastructuur en diensten. Daarnaast worden zij erg vaak op onevenredige wijze getroffen door armoede, werkloosheid en een slechte gezondheidstoestand.

De verregaande besparingen op de overheidsuitgaven tijdens de crisis hebben ertoe geleid dat de bestaande problemen in de lidstaten erger zijn geworden, bijvoorbeeld werkloosheid, ontbreken van sociale zekerheid, een moeilijke huisvestingssituatie en ene gebrek aan openbare gezondheidszorg. Als gevolg hiervan heeft de crisis een directe negatieve impact gehad op de leden van gemarginaliseerde gemeenschappen. Bovendien zitten vele gemeenten nog steeds met ernstige budgettaire beperkingen, waardoor zij de marginalisering in de samenleving niet op adequate wijze kunnen aanpakken.

Ondanks alles berust de hoofdverantwoordelijkheid voor het veranderen van de situatie van gemarginaliseerde gemeenschappen bij de lidstaten. Hoewel de specifieke nationale omstandigheden, behoeften en oplossingen in Europa erg variëren, vereist de doelstelling van sociale cohesie dat Europa een rol speelt in de beleidsmaatregelen voor de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen.

Gemarginaliseerde gemeenschappen en discriminerende structuren

Er is geen uniforme EU-definitie van gemarginaliseerde gemeenschappen; in plaats hiervan dekt de term een brede waaier aan concepten, zoals achtergestelde wijken, meest behoeftigen of materieel behoeftigen, mensen die het risico van armoede lopen en groepen in de maatschappij die worden benadeeld of waartegen wordt gediscrimineerd.

Toch is het concept van gemarginaliseerde gemeenschappen in 2013 opgenomen in de EFRO-verordening, met als duidelijk doel de gevolgen van marginalisering te bestrijden. Bijgevolg valt het nu onder de verantwoordelijkheid van de EU om op consistente wijze te zorgen voor de follow-up en het nastreven van dit doel.

Tegelijk bestaat er een grote variëteit aan discriminerende structuren, inclusief op het gebied van seksuele oriëntatie en genderidentiteit, alsmede verschillende culturele, religieuze en etnische achtergronden. Velen hebben te maken met diverse vormen van discriminatie tegelijk, in het bijzonder binnen de Romagemeenschappen, die binnen de Europese samenlevingen vaak gemarginaliseerd zijn.

Het cohesiebeleid is een krachtig instrument

Het cohesiebeleid kan een krachtige rol spelen om deze realiteiten te veranderen. Niet alleen door te kijken naar de uitdagingen op het gebied van huisvesting of toegang tot openbare infrastructuur, zoals al gebeurt in het kader van het EFRO, maar ook door te zorgen voor een geïntegreerde benadering van de aanpak van alle verschillende vormen van discriminatie waarmee gemarginaliseerde gemeenschappen te maken krijgen.

De gemarginaliseerde gemeenschappen genieten evenwel vaak niet de voordelen het Europese cohesiebeleid. Zij maken geen deel uit van de besluitvormingsstructuren en zijn niet betrokken bij de processen voor de tenuitvoerlegging en de monitoring van projecten. Dit kan ertoe leiden dat de EU de problemen van kwetsbare groepen vergroot en er zijn diverse voorbeelden van misbruik van middelen, met name met betrekking tot gemarginaliseerde gemeenschappen.

Bij de analyse van de redenen voor exclusie moet worden gefocust op een begrip en op bewustmaking van systematische vormen van discriminatie, zoals zigeunerhaat.

Een geïntegreerde aanpak: uitdrukkelijk, maar niet exclusief

Voor de integratie van gemarginaliseerde groepen is door een aantal belanghebbenden het principe aangenomen van "uitdrukkelijke maar niet-exclusieve gerichtheid". Met dit principe wordt voorgesteld te focussen op specifieke doelgroepen, zonder dat andere in soortgelijke sociaaleconomische omstandigheden worden uitgesloten. Het noemen van gemarginaliseerde gemeenschappen als de Roma alleen garandeert niet dat specifieke maatregelen worden vastgesteld om hun situatie aan te pakken.

Daarom is een behoorlijke tenuitvoerlegging van de gedragscode inzake partnerschap, waarmee wordt gestreefd naar gelijke participatie en vertegenwoordiging van de belanghebbenden, van essentieel belang. Er wordt melding gemaakt van grote verschillen tussen de lidstaten wat de tenuitvoerlegging van het partnerschapsprincipe betreft, gaande van periodiek overleg met de sociale partners tot totale veronachtzaming van de gedragscode en onwetendheid over het bestaan ervan.

Voorts heeft de evaluatie van projecten tijdens de vorige programmeringsperiode aangetoond dat de financiering niet altijd gericht is op de reële behoeften van de begunstigden. De ten uitvoer leggende instanties voldoen soms zelfs aan de criteria door gewoon "vakjes aan te kruisen", bijvoorbeeld door ngo's bij de zaak te betrekken waarvan wordt beweerd dat zij Roma vertegenwoordigen of door pseudo-overleg zonder enige reële dialoog.

Er is dus duidelijk vraag naar kwalitatief hoogstaande evaluatie- en monitoringmechanismen. Er is een omschakeling nodig naar kwalitatief hoogstaande monitoring, zodat acties leiden tot duurzame resultaten op lange termijn. Dit is een complex en tijdrovend proces waarvoor gerichte en effectieve capaciteitsopbouw van de organisaties van het maatschappelijk middenveld op lokaal en nationaal niveau vereist is, alsmede een empowerment van de gemarginaliseerde gemeenschappen, zodat deze op proactieve wijze kunnen participeren in het ontwerpen en ten uitvoer leggen van acties. De middelen voor technische assistentie blijven vaak onbenut en moeten worden toegewezen aan capaciteitsopbouwprojecten en opleidingsprogramma's voor het maatschappelijk middenveld.

In dit verslag worden aanbevelingen gedaan om de hierboven beschreven problemen op te lossen. Zo kan het gebruik van EU-middelen voor de inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen een geweldige kans bieden om meer cohesie in de Europese maatschappijen te bevorderen en te ondersteunen.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (25/06/2015}25.6.2015)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen

(2014/2247(INI))

Rapporteur voor advies: Ádám Kósa

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat het cohesiebeleid, zoals gedefinieerd in de Europese Akte van 1986, gericht is op het verkleinen van de verschillen tussen de afzonderlijke regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's; overwegende dat het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hier nog een ander facet aan toevoegt en verwijst naar "economische, sociale en territoriale samenhang";

B.  overwegende dat de Commissie gemarginaliseerde gemeenschappen niet heeft gedefinieerd en het aan de lidstaten overlaat hierover te beslissen, op basis van hun nationale indicatoren; overwegende dat marginalisering echter kan worden vastgesteld door te kijken naar een reeks relevante indicatoren, zoals sociale uitsluiting, een hoog niveau van langdurige werkloosheid, een laag opleidingsniveau, discriminatie, (zeer) slechte huisvesting, een hoge mate van discriminatie en een overmatige blootstelling aan gezondheidsrisico's en/of een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg, met andere woorden, die bevolkingsgroepen die het kwetsbaarst en het meest hulpbehoevend worden geacht;

C.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1304/2013(1) is bepaald dat het Europees Sociaal Fonds (ESF) ten goede komt aan mensen, inclusief kansarme groepen zoals langdurig werklozen, mensen met een handicap, migranten, etnische minderheden, gemarginaliseerde gemeenschappen en mensen uit alle leeftijdsgroepen die met armoede en sociale uitsluiting worden geconfronteerd;

D.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 223/2014(2) is bepaald dat het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen de sociale samenhang bevordert, de sociale inclusie versterkt en daarmee uiteindelijk bijdraagt aan de uitbanning van de armoede in de Unie, en tevens de maatregelen van de lidstaten ondersteunt om de meest behoeftigen materiële bijstand te verlenen;

1.  herinnert eraan – gezien het feit dat de recente economische en financiële crisis met name gemarginaliseerde groepen heeft getroffen die bij onrust op de arbeidsmarkt het grootste risico lopen hun baan te verliezen – dat onderwijs en werk de beste manier zijn om aan armoede te ontkomen en dat het integreren van gemarginaliseerde gemeenschappen in de samenleving en de arbeidsmarkt derhalve een prioriteit moet zijn; stelt met bezorgdheid vast dat leden van gemarginaliseerde gemeenschappen vaak het slachtoffer worden van sociale uitsluiting en discriminatie en als gevolg daarvan worden geconfronteerd met belemmeringen van de toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs, werk, gezondheidszorg, vervoer, informatie en diensten in het algemeen, wat een complex probleem is dat naar behoren moet worden aangepakt door middel van het complementaire gebruik en een doeltreffende combinatie van de Europese structuur- en investeringsfondsen en nationale middelen; benadrukt derhalve dat er ten aanzien van bestaande EU-programma's, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, Erasmus+ en Creatief Europa, bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om leden van gemarginaliseerde gemeenschappen te bereiken, gekoppeld aan een regelmatige controle van het succes daarvan, teneinde de armoede- en marginaliseringscyclus te doorbreken en de beroepsvaardigheden en -kwalificaties van mensen te verbeteren;

2.  stipt aan dat er een tweeledige aanpak nodig is om gemarginaliseerde groepen te helpen integreren, namelijk rechtstreeks samen met de betrokkenen door middel van voorlichting, met inbegrip van onderwijsvoorzieningen, opleiding, beroepskeuzebegeleiding en arbeidskansen, en samen met de plaatselijke gemeenschap en de lokale overheden om de beeldvorming onder de bevolking te verbeteren en/of te veranderen door ze meer bewust te maken van de gevolgen van vooroordelen, de openbare dienstverlening te verbeteren en de sociale stelsels aan te passen;

3.  wijst erop dat de belangrijkste doelstelling van het cohesiebeleid erin bestaat territoriale ontwikkeling te bevorderen en regionale ongelijkheden terug te dringen, en benadrukt derhalve dat er als onderdeel van de tenuitvoerlegging en het beheer van de relevante EU-fondsen specifieke, horizontale maatregelen moeten worden genomen om deze doelstelling te bereiken; beklemtoont dat het ESF het belangrijkste instrument moet zijn voor het uitvoeren van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, het arbeidsmarktbeleid, mobiliteit, onderwijs, opleiding en sociale inclusie en op die manier moet bijdragen tot economische, sociale en territoriale samenhang; benadrukt dat de Europese structuur- en investeringsfondsen onderzoeken en analyses moeten stimuleren om kennis te vergaren over de daadwerkelijke levensomstandigheden van gemarginaliseerde gemeenschappen; beklemtoont dat het cohesiebeleid een belangrijk instrument is om tot resultaatgerichte beleidsvorming te komen teneinde doeltreffend slimme en duurzame groei tot stand te brengen in de regio's die daar het meest behoefte aan hebben, door de oprichting en ontwikkeling van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen en het belang van micro- en kleine ondernemingen bij de instandhouding van banen in landelijke en perifere gebieden te onderstrepen;

4.  wijst erop – gezien de toenemende regionale verschillen, de demografische uitdagingen en de situatie van jongeren die steeds meer wegtrekken of van plan zijn weg te trekken uit hun land van herkomst – dat in de begrotingscyclus voor de periode 2014-2020 minder middelen ter beschikking staan voor het cohesiebeleid; is van mening dat het cohesiebeleid nog steeds voor toegevoegde waarde kan zorgen met betrekking tot het werk dat reeds wordt verricht in de lidstaten en dat het cohesiebeleid, door de nadruk te leggen op het verbeteren van de kansen op werk, maatschappelijke participatie en investeringen in vaardigheden, met name in die regio's die dit het meest nodig hebben, naast andere voordelen kan resulteren in meer sociale inclusie en de terugdringing van armoede door voldoende flexibiliteit te bieden om de lidstaten in staat te stellen op de lokale behoeften afgestemde geïndividualiseerde steun te verlenen en ervoor te zorgen dat de financiering wordt gebruikt in die gebieden waar de werkloosheid het hoogst en het geld het meest nodig is;

5.  is verheugd dat Verordening (EU) nr. 1303/2013(3) met ingang van 2014 historische nieuwe elementen bevat om de meest kansarme mensen te ondersteunen; dringt er bij de lidstaten op aan deze elementen in hun operationele programma's op te nemen, onmiddellijk concrete maatregelen te treffen om het verplicht te maken een strategie uit te stippelen voor de overgang van grote instellingen naar gemeenschapsgerichte diensten, en zich in te spannen om passende maatregelen te nemen; is voorts van mening dat de lidstaten moeten bijdragen aan de bevordering van sociale insluiting, de bestrijding van armoede en alle vormen van discriminatie zoals verankerd in EU-wetgeving, de bestrijding van haatmisdrijven tegen mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen en het stimuleren van antidiscriminatiebeleid, zo nodig door, onder meer, passende wetgeving aan te nemen, de nationale antidiscriminatieorganen te versterken en specifieke opleidingen voor ambtenaren te bevorderen; merkt op dat de voormelde verordening gemarginaliseerde gemeenschappen ook integreert en/of insluit door in te spelen op hun behoeften in het licht van de steeds grotere uitdagingen waarmee zij in een kennismaatschappij worden geconfronteerd; is van mening dat, overeenkomstig de verordening, de Europese gedragscode inzake partnerschap gevolgd en strikt toegepast moet worden;

6.  benadrukt dat onderwijs een grondrecht is dat is verankerd in het Verdrag betreffende de Europese Unie en dat het beleid op het gebied van onderwijs en opleiding ervoor moet zorgen dat alle leden van de samenleving kunnen profiteren van kwalitatief hoogwaardig onderwijs; merkt op dat er nog steeds ongelijkheid bestaat in Europese onderwijssystemen en dat een geërfde sociale status de voornaamste factor is die hiertoe bijdraagt; beklemtoont dat het waarborgen van een gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs voor alle leden van de samenleving de sleutel is voor het doorbreken van de cyclus van sociale uitsluiting; stipt in dit verband aan dat er investeringen nodig zijn om alle mensen in staat te stellen deel te nemen aan stimulerende leerervaringen, in welke fase van hun leven dan ook, en een leven lang leren te stimuleren ter bevordering van sociale inclusie, actief burgerschap en zelfvoorziening; wijst in dit verband op de behoefte aan beroepsopleiding en de ontwikkeling van basisvaardigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen de arbeidsmarkten en onderwijsstelsels van de lidstaten en een standaardaanpak moet worden vermeden; wijst op de noodzaak van een kader voor beleidsontwikkeling dat rekening houdt met de mogelijke innovaties en ondernemingskansen die gepaard gaan met de bestaande kenmerken en het realistische diversificatiepotentieel van de regio, teneinde op basis van deze kenmerken en de beoogde resultaten een passende strategische interventie te ontwikkelen en zo het risico te voorkomen dat geschoolde arbeidskrachten naar meer ontwikkelde regio's trekken;

7.  herinnert in dit verband aan de behoefte aan beroepsopleidingen en de ontwikkeling van basisvaardigheden voor mensen met weinig of geen vaardigheden of kwalificaties, uitgaande van toegesneden beleidsaanbevelingen, afhankelijk van de bestaande kennis in de regio, in plaats van een standaardbeleidsoplossing; wijst op de publiek-private agenda voor beleidsleren, die het resultaat is van partnerschappen tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld en lokale autoriteiten en kan profiteren van de resultaat- en uitkomstindicatoren, een voortdurende controle en evaluatie, proeven, beleidsexperimenten en testcases;

8.  benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het garanderen dat de EU-fondsen nooit op enige manier bijdragen tot segregatie; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op de naleving van het non-discriminatiebeginsel en de hieraan gerelateerde wetgeving en steunt de Commissie bij het inleiden van inbreukprocedures tegen lidstaten die Richtlijn 2000/43/EG inzake gelijke behandeling ongeacht ras of etnische afstamming overtreden;

9.  verzoekt de Commissie de technische bijstand te verlenen die nodig is ter verbetering van de administratieve capaciteit van organen die zich bezighouden met het beheer van de structuurfondsen, en roept de lidstaten op advies en administratieve steun te bieden, bijvoorbeeld door het organiseren van cursussen, hulp bij steunaanvragen en het verstrekken van uitleg, om het voor gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma gemakkelijker te maken om aan informatie te komen over Europese en nationale financieringsprogramma's ter ondersteuning van ondernemerschap en werkgelegenheid en om daartoe strekkende aanvragen in te dienen;

10.  roept er in de context van de bevordering van gemeenschapsdiensten toe op om zorgverlening in de gezinswoning (bijvoorbeeld kinderopvang of de zorg voor ouderen of zorgbehoevenden) als daadwerkelijke arbeid te erkennen en mechanismen in het leven te roepen om zwartwerk te bestrijden; verzoekt om de erkenning van het recht op sociale uitkeringen, sociale bijstand en de verwerving van activa;

11.  verzoekt de lidstaten gevolg te geven aan de landenspecifieke aanbevelingen die ten aanzien van de sociale inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen zijn gedaan, en verzoekt de Commissie deze nauwlettend op te volgen;

12.  benadrukt dat de sociale partners toegang moeten hebben tot technische bijstand om niet alleen hun capaciteiten te versterken maar ook te zorgen voor hun coördinatie en vertegenwoordiging in de ad-hoc-comités die de operationele programma's vaststellen en uitvoeren;

13.  is verheugd dat sommige lidstaten, waaronder die welke aanbevelingen hebben ontvangen, ervoor kiezen om van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen een investeringsprioriteit te maken in hun operationele programma's; waarschuwt echter dat dit ook moet worden doorgevoerd op beleidsterreinen zoals onderwijs en werkgelegenheid;

14.  merkt op dat de Roma, de grootste etnische minderheid van Europa en een van de meest gemarginaliseerde gemeenschappen in de EU, lijden onder een slechtere gezondheid dan de rest van de bevolking en waarschuwt dat volgens onderzoeksgegevens van het Ontwikkelingsprogramma van de VN ongeveer 20 % van de Roma geen ziektekostenverzekering heeft of niet weet of zij deze heeft en dat ongeveer 15 % van de Roma-kinderen onder de 14 niet is gevaccineerd, ten opzichte van 4 % van de kinderen uit niet-Roma-huishoudens; verzoekt de lidstaten meer werk te maken van en door te gaan met het verstrekken van toegesneden gezondheidsinformatiemateriaal en de ontwikkeling van ziektepreventiestrategieën en gemeenschapsinitiatieven om de inzet voor de gezondheid in Roma-gemeenschappen te verbeteren;

15.  verzoekt de lidstaten met de multidimensionale en territoriale aspecten van armoede rekening te houden, voldoende financiële middelen bijeen te brengen van zowel hun nationale begrotingen als EU-programma's door gebruik te maken van vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling, gezamenlijke actieplannen, geïntegreerde territoriale investeringen en geïntegreerde acties, teneinde de doelstellingen in hun nationale strategieën voor integratie van de Roma te verwezenlijken, en geïntegreerde multisectorale en meerfondsenprogramma's te ontwikkelen voor de micro-regio's met de grootste achterstanden;

16.  vestigt de aandacht van de lidstaten en de Commissie erop dat er na 2020, hoewel er steeds minder mensen in de werkende leeftijd zullen zijn, een beleid van actieve insluiting voor de betrokkenen nodig zal zijn en dat er alsmaar meer om banen zal worden gestreden omdat de particuliere sector steeds minder werk zal bieden aan thans relatief laaggeschoolden; wijst erop dat zelfs in sommige zeer rijke lidstaten (bijvoorbeeld Denemarken en Luxemburg) een zorgwekkende toename van de langdurige werkloosheid waarneembaar is (haast 12 miljoen mensen in de EU staan te boek als langdurig werkloos, wat neerkomt op 5 % van de beroepsbevolking, en 59 % van hen zit al twee jaar zonder werk); verzoekt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, praktische oplossingen te zoeken om bijzonder laaggeschoolde of ongeschoolde werknemers overbruggend werk te verschaffen en/of hen te helpen weer werk te vinden, wat een nieuwe aanpak vergt, samen met niet alleen strategieën voor de lange termijn maar ook maatregelen op korte termijn, zoals vormen van inkomensondersteuning, om de sociale uitsluiting van de meest kansarme groepen te voorkomen, en een aanpassing van bestaande instrumenten, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het ESF, om permanente langdurige werkloosheid, een herhaling van de recente vlucht van de bevolking – en met name van mensen boven de 50 jaar en jongeren – naar meer ontwikkelde regio's, en een aanhoudende toename van die uitstroom te voorkomen; verzoekt de Commissie na te gaan in hoeverre banen in de particuliere sector openstaan voor bijzonder laaggeschoolden, en aan te geven welke nieuwe banen waarvoor geen opleiding vereist is, op korte termijn tot 2020 kunnen worden geschapen;

17.  verzoekt de Commissie – in nauwe samenwerking met de sociale partners, gelijkheidsorganen en andere mensenrechtenmechanismen – de EU-wetgeving inzake discriminatie strikt te handhaven en te controleren, met name op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding; verzoekt de openbare diensten voor arbeidsvoorziening kwalitatief hoogwaardige, toegesneden diensten aan te bieden aan klanten die zich in kwetsbare situaties bevinden, en bewustmakingscursussen aan te bieden aan personeelsleden van arbeidsbureaus om het begrip te vergroten voor de diverse elkaar overlappende nadelen waarmee werklozen in kwetsbare situaties worden geconfronteerd, en een einde te maken aan vooroordelen en negatieve houdingen ten opzichte van hen;

18.  wijst erop dat veel sectoren in de nabije toekomst een ingrijpende gedaanteverandering zullen ondergaan, deels vanwege het grootschaliger gebruik van online-instrumenten en -oplossingen; stipt aan dat dit zowel laaggeschoolde als middelhoog opgeleide werknemers onder druk zal zetten en dat vooral mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen hierdoor getroffen zullen worden, daar doorgaans zij nu werk vinden in deze sectoren; benadrukt het belang van toegankelijke en betaalbare opleiding en diensten voor iedereen op het gebied van nieuwe technologieën en sectoren, met bijzondere aandacht voor kansen in de digitale sector en de groene economie, met name voor de meest benadeelde groepen; wijst op de belangrijke, ondersteunende rol van micro- en kleine ondernemingen bij het behoud van banen in landelijke gebieden en dringt derhalve aan op een grotere nadruk op het waarborgen van de toegang tot financiering voor deze ondernemingen;

19.  verzoekt de Commissie onverwijld te komen met een alomvattend pakket regels en richtsnoeren ter bevordering van de toegankelijkheid voor en de inclusie van personen met een handicap;

20.  vestigt de aandacht van de Commissie erop dat er meer inspanningen nodig zijn om ervoor te zorgen dat technologische innovaties ook daadwerkelijk een positief effect op de arbeidsmarkt hebben, en is tegelijkertijd van mening dat aan de lidstaten meer steun moet worden verleend om hun onderwijs- en opleidingsstelsels dusdanig op te zetten dat relatief kansarme werknemers in de toekomst beter in staat zijn complexere, flexibelere en meer concurrerende kennis op te doen, teneinde hun arbeidsdeelname te vergroten; verzoekt de Europese instellingen bij de opstelling van arbeidsmarktprognoses voortaan meer aandacht te besteden aan innovatieve en geavanceerdere technologieën, waarbij ook het door het Parlement opgezette nieuwe onderzoeksproject(4) als uitgangspunt kan dienen, en moedigt bovendien de Commissie aan opdracht te geven tot vergelijkbare onderzoeken;

21.  dringt er bij de lidstaten op aan hun begroting voorzichtig in evenwicht te brengen en tegelijk bijzondere aandacht te schenken aan de sociale impact van economische maatregelen, zich ertoe te verbinden meer en voldoende middelen beschikbaar te stellen, en doeltreffende gerichte maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de verschillen in ontwikkeling in geografische regio's (zowel landelijke als stedelijke gebieden) zich niet vertalen in sociale ongelijkheid en kansenongelijkheid, die zich reeds op jonge leeftijd voordoen; is van mening dat dit in latere stadia evenmin door de beugel kan en dat daarom, op basis van sociale en economische indicatoren, gebieden (kleine plaatsen of delen van gemeenten) moeten worden vastgesteld met een hoge concentratie van economische, sociale en andere nadelen; benadrukt dat meer aandacht moet worden besteed aan het wegwerken van de achterstand van deze gebieden; stelt met bezorgdheid vast dat kinderen uit kansarme gezinnen zonder reden oververtegenwoordigd zijn in speciale scholen; benadrukt in dit verband dat het zaak is behoeften te erkennen, en wijst op het belang van ontwikkeling in de vroege kinderjaren, non-discriminatie, een gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs, en stabiele gezinnen;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de hoge jeugdwerkloosheid waarmee gemarginaliseerde groepen, en met name de Roma, te maken hebben, aan te pakken door gebruik te maken van bestaande mechanismen, zoals de jongerengarantie, en gespecialiseerde opleidingsprogramma's, zoals het Erasmus+-programma, de toegang van Roma-kinderen tot vroegschools onderwijs te waarborgen en de toegang van Roma-volwassenen tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken door programma's voor een leven lang leren te ondersteunen; dringt daarnaast aan op een doeltreffend gebruik van andere EU-instrumenten, zoals het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), om hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid te bevorderen, een adequate en fatsoenlijke sociale bescherming te waarborgen en armoede en sociale uitsluiting te bestrijden;

23.  beseft dat de meeste Roma zwartwerken en verzoekt daarom de lidstaten, gezien de noodzaak de duurzaamheid van de socialezekerheidsstelsels te waarborgen, om in samenwerking met de sociale partners dit probleem op doeltreffende wijze aan te pakken door volledig gebruik te maken van het Europese platform om de samenwerking inzake de bestrijding van zwartwerk te intensiveren;

24.  verzoekt de Commissie de uitvoerbaarheid van de verordeningen betreffende de EU-fondsen in de gaten te houden en te evalueren, aangezien er zeer dringend een oplossing moet komen voor het probleem van de levensomstandigheden van de Roma, waarbij de situatie van mensen die in slechte omstandigheden op afgezonderde plekken leven, slechts middels een geïntegreerde aanpak kan worden verbeterd, zodat voor de uitvoering van die programma's maatregelen in het kader van zowel het ESF (sociale aangelegenheden) als het EFRO (infrastructuur) vereist zijn;

25.  merkt op dat Roma-vrouwen dubbel worden gediscrimineerd, aangezien in Roma-gemeenschappen erg grote verschillen tussen vrouwen en mannen bestaan inzake werkgelegenheid en beloning; benadrukt dan ook dat in de nationale strategieën voor integratie van de Roma specifieke maatregelen voor de rechten van vrouwen en gendermainstreaming moeten worden opgenomen;

26.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om kinderen centraal te stellen bij de uitvoering van het EU-kader voor nationale strategieën inzake de Roma en wijst nogmaals op het belang van de bevordering van gelijke toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en waardige levensomstandigheden voor kinderen;

27.  benadrukt dat de bezuinigingen op openbare diensten die tijdens de crisis in enkele lidstaten zijn doorgevoerd, tot hogere werkloosheid, een gebrek aan sociale zekerheid, een moeilijke huisvestingssituatie en gezondheidsproblemen hebben geleid; verzoekt de lidstaten de ESF-steun efficiënter te gebruiken om de kwaliteit van en gelijke toegang tot de openbare diensten voor gemarginaliseerde gemeenschappen te verbeteren en elke vorm van discriminatie te bestrijden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

7

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, David Casa, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Marian Harkin, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Kostadinka Kuneva, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Ulla Tørnæs, Marita Ulvskog, Renate Weber, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Maria Arena, Georges Bach, Heinz K. Becker, Miapetra Kumpula-Natri, Paloma López Bermejo, António Marinho e Pinto, Edouard Martin, Tamás Meszerics, Csaba Sógor, Helga Stevens, Monika Vana, Tom Vandenkendelaere

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Branislav Škripek

(1)

Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad.

(2)

Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen.

(3)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad.

(4)

Het project "Impact of Digitalisation on the labour market" werd door het panel voor de beoordeling van wetenschappelijke en technische opties en het Bureau aangenomen op de vergadering van 30 april 2015.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (15.7.2015)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

over cohesiebeleid en gemarginaliseerde gemeenschappen

(2014/2247(INI))

Rapporteur voor advies: Ernest Urtasun

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat marginalisering een sociaal fenomeen is waarbij individuen of gemeenschappen sociaal worden uitgesloten en stelselmatig worden buitengesloten van of de toegang wordt ontzegd tot deelname aan sociale en politieke processen die essentieel zijn voor hun maatschappelijke integratie; overwegende dat het begrip 'gemarginaliseerde gemeenschappen' betrekking heeft op diverse groepen en individuen, zoals minderheden, Roma, mensen met een handicap, mensen die onder de armoedegrens leven of door armoede worden bedreigd, migranten, vluchtelingen en sociaal uitgesloten groepen in de samenleving; overwegende dat racisme, patriarchaal ingestelde samenlevingen, homofobie, economische achterstand en andere discriminatoire factoren bijdragen aan het ontstaan van ongelijkheid en een zwakkere positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen;

B.  overwegende dat de armoede waarin de gemarginaliseerde gemeenschappen verkeren andere gevolgen heeft voor vrouwen en kinderen dan voor mannen, aangezien vrouwen en kinderen doorgaans moeilijker toegang krijgen tot de sociale dienstverlening en tot voldoende inkomsten;

C.  overwegende dat deze marginalisering en de dubbele discriminatie waarmee vrouwen in deze groepen te maken hebben een belemmering vormen voor hun toegang tot diensten, informatie en openbare en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor gelijke kansen;

D.  overwegende dat vrouwen een cruciale rol spelen in gemarginaliseerde gemeenschappen, zowel op economisch gebied als wat betreft onderwijs en zorg; overwegende dat specifieke maatregelen moeten worden gewijd aan de cruciale rol van vrouwen, om de belemmeringen voor de opname van vrouwen in en gelijke deelname van vrouwen aan de besluitvorming te overwinnen, om de leefomstandigheden van vrouwen te verbeteren en om ze een passende opleiding te bieden zodat ze actief kunnen deelnemen aan het sociale en economische leven van het land;

E.  overwegende dat de gevolgen van de economische crisis en de bezuinigingen op openbare diensten de situatie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen hebben verslechterd;

F.  overwegende dat vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen te maken hebben met een hevigere meervoudige discriminatie en er bij hen sprake is van een veel lagere arbeidsparticipatie dan bij mannen uit die gemeenschappen en andere vrouwen;

G.  overwegende dat voor het uitbannen van marginalisering en meervoudige discriminatie directe fundamentele samenwerking met de gemeenschappen in kwestie is vereist, op sociaal, politiek en economisch vlak, met inbegrip van de betrokkenheid van belanghebbenden, het maatschappelijk middenveld en burgers bij beleidsvormingsprocessen; overwegende dat in deze processen altijd een genderperspectief moet worden opgenomen, met als doel vrouwen die met meervoudige discriminatie te maken hebben in staat te stellen aan die processen deel te nemen en zich te laten horen in het openbare leven;

H.  overwegende dat onderwijs, zowel formeel als informeel, cruciaal is voor het uitbannen van marginalisering en meervoudige discriminatie, wat betreft het tot stand brengen van dialoog, openheid en begrip tussen gemeenschappen en het versterken van de positie van gemarginaliseerde gemeenschappen; overwegende dat een genderperspectief in het onderwijs, en de rol ervan bij het versterken van de positie van vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen, niet uit het oog mag worden verloren;

I.  overwegende dat de vertegenwoordiging van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen op het vlak van kunst en cultuur en in de media van belang is voor het uitbannen van marginalisering, stereotypering en meervoudige discriminatie;

J.  overwegende dat in strategieën van het Europees cohesiebeleid voor het versterken van de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen rekening moet worden gehouden met de situatie van ouder wordende vrouwen, vrouwen met een handicap, vrouwelijke verzorgers en vrouwen met geestelijke gezondheidsproblemen;

K.  overwegende dat de lidstaten een beslissende rol spelen in het creëren van een omgeving die marginalisering definieert en vormgeeft, en dat zij rekening moeten houden met de behoeften van gemarginaliseerde gemeenschappen en hun belangen bij de opstelling en argumentatie van operationele programma's die bij de Commissie worden ingediend;

1.  wijst erop dat vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen te kampen hebben met meervoudige discriminatie, waardoor zij een nog groter risico lopen op armoede en sociale uitsluiting, met name wat betreft de toegang tot werk, onderwijs, gezondheid en sociale diensten;

2.  dringt aan op de verwerking van een genderperspectief en een intersectorale analyse van financiering in alle door de EU gefinancierde initiatieven, maatregelen en financieringsregelingen voor integratie en sociale inclusie, zodat beter aan de specifieke behoeften van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen tegemoet kan worden gekomen en de verscheidenheid van stemmen en standpunten van vrouwen in verschillende structurele posities en rollen beter in beeld kan worden gebracht; is van oordeel dat gendereffectbeoordelingen en genderbewust budgetteren nuttig kunnen zijn voor het evalueren van de effecten op vrouwen van financieringsprioriteiten, de toewijzing van financiële middelen en specificaties voor financieringsprogramma's; benadrukt dat er systematisch naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en dat deze regelmatig moeten worden geanalyseerd;

3.  roept de Commissie op om tijdens het opstellen van regionale programma's na te denken over positieve acties, om de verdere verslechtering van de situatie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen die onder de armoedegrens leven te voorkomen en armoede onder kinderen in een vroeg stadium voor te zijn;

4.  pleit voor het verbeteren van de vaardigheden en de kwaliteit van de gespecialiseerde sociale diensten (waaronder reclasseringsambtenaren) op het gebied van het werken met gemarginaliseerde gezinnen;

5.  verzoekt de Europese Commissie rekening te houden met Aanbeveling 92/441/EEG, die "het basisrecht van iedere persoon op inkomsten en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden" erkent, een vraagstuk dat essentieel is voor vrouwen, die meer risico lopen in armoede te belanden dan mannen; herinnert aan het belang van de uitwerking van een gemeenschappelijke berekeningswijze voor het minimuminkomen en de kosten voor levensonderhoud ('korf van goederen en diensten') om over vergelijkbare metingen op het vlak van armoede te kunnen beschikken en om sociale initiatieven uit te werken, met inbegrip van minimuminkomensregelingen, hetgeen essentieel is voor een economische en sociale samenhang van de mensen die op de verschillende grondgebieden van de Europese Unie wonen;

6.  acht het van essentieel belang dat gelijkheidsorganen, vrouwenorganisaties en vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen worden betrokken bij het besluitvormingsproces over de toewijzing en aanwending van de middelen, op alle niveaus, van de lokale en regionale autoriteiten tot de lidstaten en Europese instellingen, en is van oordeel dat het toezicht op en de evaluatie van de uitgevoerde programma's moeten worden beschouwd als een essentieel proces ter verbetering van de participatie van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen;

7.  wijst erop hoe belangrijk het is de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen te versterken door vrouwelijk ondernemerschap en de participatie van vrouwen in die gemeenschappen te stimuleren;

8.  roept de Commissie ertoe op haar inspanningen te vergroten ter bevordering van duurzame en uitgebreide capaciteitsopbouw voor vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen;

9.  benadrukt dat alle Europese financieringsmogelijkheden ter ondersteuning van gemarginaliseerde gemeenschappen en vrouwen in het bijzonder op geïntegreerde wijze moeten worden gebruikt om de synergieën en complementariteit tussen de structuurfondsen en het programma 'Rechten, gelijkheid en burgerschap' te verhogen; verzoekt de betrokken overheden en autoriteiten op alle bestuursniveaus te streven naar een actieve onderlinge samenwerking;

10.  wijst erop dat de maatschappij de marginalisering van bepaalde gemeenschappen niet erkent, zoals vrouwen in onzekere arbeidsomstandigheden, 'werkende armen', alleenstaande moeders en achtergestelde gepensioneerde bejaarde vrouwen; roept de lidstaten op deze groepen duidelijk te identificeren en programma's goed te keuren die zijn gericht op het verbeteren van de levensomstandigheden en de toegang tot gezondheidszorg en basisdiensten;

11.  uit scherpe kritiek op het feit dat het genderaspect niet in aanmerking is genomen in het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting, hetgeen een van de zeven kerninitiatieven van de Europa 2020-strategie is voor een duurzame, slimme en inclusieve groei, die naast andere doelstellingen een betere besteding van EU-middelen beoogt ter ondersteuning van sociale integratie, waarvan 20 % van het Europees Sociaal Fonds bestemd is voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

12.  pleit voor de ondersteuning op alle overheidsniveaus van de uitwisseling van optimale werkwijzen en netwerken tussen vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen; onderstreept dat vrouwen op leidinggevende posities binnen deze gemeenschappen moeten worden bevorderd en dat zij betrokken moeten worden bij bewustmakingscampagnes en de verspreiding van openbare diensten en programma's ter bestrijding van de marginalisering en discriminatie van vrouwen;

13.  dringt erop aan dat de middelen worden aangewend om de leefomstandigheden in gemarginaliseerde gemeenschappen te verbeteren en om vrouwen in deze gemeenschappen gemakkelijker toegang te bieden tot kwalitatief hoogwaardig en stabiel onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg, werkgelegenheid, kinderopvang, sociale diensten, rechtsbedeling en diensten voor slachtofferhulp;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van het EU-cohesiebeleid zich te concentreren op gebieden met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, als bedoeld in artikel 121, punt 4, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, en bijzondere voorzieningen te treffen met mogelijkheden tot alternatieve werkgelegenheid en arbeid voor de gemarginaliseerde groep vrouwen in deze gemeenschappen, die worden gekenmerkt door een hoge mate van armoede, een gebrek aan arbeidsperspectieven, het vrijwillig voortijdig verlaten van school, een gebrek aan sociale diensten, sociale isolatie en, als gevolg hiervan, een hoger risico op armoede onder kinderen;

15.  pleit voor de inachtneming van een mensenrechtenperspectief bij het opzetten van door cohesiefondsen gesteunde acties en benadrukt dat culturele, economische en sociale rechten moeten worden verwerkt in beleidsmaatregelen die gericht zijn op de erkenning van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen als volwaardige actieve burgers en dat racisme, zowel openlijk als verhuld, bij het ontwerp van elke actie en beleidsmaatregel expliciet moet worden aangepakt;

16.  onderstreept het belang van het geven van speciale aandacht aan de situatie en de specifieke behoeften van de meest kwetsbare groepen vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen, zoals oudere vrouwen, vrouwen met een handicap, vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld en mensenhandel, immigranten, vrouwen die behoren tot etnische minderheden, vluchtelingen enz., in alle programma's, initiatieven en acties die met Europese middelen worden gefinancierd;

17.  erkent dat een grotere deelname van vrouwen aan het bedrijfsleven en de economische groei kan worden bewerkstelligd door het financieren van diensten ter ondersteuning van de kmo's en financiële diensten die tegemoetkomen aan de behoeften van vrouwen die een bedrijf starten en ontwikkelen;

18.  benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het wegnemen van belemmeringen voor de toegang tot werk waarmee vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen te kampen hebben, en aan het dichten van alle gendergerelateerde loon- en pensioenkloven in deze gemeenschappen;

19.  wijst op het belang van zorgvuldig en consistent toezicht op de wijze waarop voor gemarginaliseerde gemeenschappen bestemde financiële middelen worden aangewend;

20.  onderstreept dat vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen een groter risico lopen slachtoffer te worden van seksueel geweld en van andere schendingen van hun grondrechten; is van oordeel dat de strijd tegen alle vormen van geweld tegen vrouwen een cruciale factor moet zijn in de integratieprogramma's van de gemarginaliseerde gemeenschappen en bij de toewijzing van EU-middelen;

21.  wijst op de belangrijke rol die maatschappelijk ondernemerschap, coöperatieve ondernemingen, onderlinge maatschappijen en alternatieve ondernemingen kunnen vervullen in het versterken van de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen; beveelt aan dat cohesiefondsen, in het bijzonder het Europees Sociaal Fonds, steun verlenen aan investeringen op dit vlak met een sterk genderperspectief;

22.  herinnert aan het besluit van de Europese ombudsman in zaak OI/8/2014/AN betreffende de eerbiediging van de grondrechten bij de tenuitvoerlegging van het EU-cohesiebeleid; benadrukt met klem dat alle cohesieprogramma's van de lidstaten volledig in overeenstemming moeten zijn met het Handvest van de grondrechten; is het ermee eens dat het maatschappelijk middenveld, waaronder vrouwenorganisaties, een platform moet krijgen voor het melden van misbruik van fondsen en schendingen van het Handvest;

23.  wijst op het belang van een leven lang leren ter verbetering van de gelijkheid in onderwijs en opleiding, met name wat betreft beroepsvaardigheden en ICT; erkent de behoefte aan flexibiliteit bij het verstrekken van onderwijs en opleiding aan vrouwen in plattelandsgebieden;

24.  benadrukt dat regionale, nationale en Europese netwerken van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen moeten worden versterkt, in het bijzonder op het gebied van het bedrijfsleven, ondernemerschap, wetenschap en technologie, onderwijs, media en civiel en politiek leiderschap;

25.  dringt erop aan dat Europese cohesiefondsen, en in het bijzonder het Europees Sociaal Fonds, formele en informele onderwijsprogramma's steunen, waaronder beroepsopleiding en een leven lang leren, met het oog op de versterking van de positie van vrouwen en meisjes in gemarginaliseerde gemeenschappen;

26.  dringt erop aan dat cohesiefondsen steun verlenen aan kunst-, cultuur- en mediaprojecten die de positie van vrouwen in gemarginaliseerde gemeenschappen versterken en erop gericht zijn stereotypen, stigmatisering en meervoudige discriminatie uit te bannen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.7.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

1

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Catherine Bearder, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Elissavet Vozemberg, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Biljana Borzan, Louise Bours, Stefan Eck, Linnéa Engström, Julie Girling, António Marinho e Pinto, Dubravka Šuica, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Nedzhmi Ali, Therese Comodini Cachia


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, José Blanco López, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Edward Czesak, Rosa D’Amato, Tamás Deutsch, Bill Etheridge, Anna Hedh, Ivan Jakovčić, Marc Joulaud, Constanze Krehl, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Konstantinos Papadakis, Stanislav Polčák, Julia Reid, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Kerstin Westphal, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Daniel Buda, Viorica Dăncilă, Andor Deli, Elena Gentile, Josu Juaristi Abaunz, Jan Olbrycht, Bronis Ropė, Julie Ward, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Enrique Calvet Chambon, Boris Zala

Juridische mededeling - Privacybeleid