Procedure : 2015/2042(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0331/2015

Ingediende teksten :

A8-0331/2015

Debatten :

PV 14/12/2015 - 16
CRE 14/12/2015 - 16

Stemmingen :

PV 15/12/2015 - 4.23
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0446

VERSLAG     
PDF 212kWORD 136k
17.11.2015
PE 554.913v02-00 A8-0331/2015

over de tenuitvoerlegging van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit

(2015/2042(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Sven Schulze

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit

(2015/2042(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de tenuitvoerlegging van de Europese microfinancieringsfaciliteit (Progress Microfinance) - 2013 (COM(2014)0639),

–  gezien de tussentijdse evaluatie van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit van 5 mei 2015(1),

–  gezien de "Study on imperfections in the area of microfinance and options how to address them through an EU financial instrument"(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) (de "EaSI-verordening") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting(3) ("de faciliteit") (het "besluit"),

–  gezien Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting(4),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 met aanbevelingen aan de Commissie over een Europees initiatief voor de ontwikkeling van microkrediet ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid(5),

  gezien de diepgaande analyse van het onderzoekscentrum van het Europees Parlement van mei 2015 met als titel "European Progress Microfinance Facility – Interim evaluation"(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie begrotingscontrole (A8-0331/2015),

A.  overwegende dat microfinanciering bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; overwegende dat dankzij microfinanciering mensen zich aan armoede en werkloosheid kunnen ontworstelen en hun waardigheid kunnen herwinnen, en de maatschappelijke cohesie kan worden versterkt door het verbeteren van de sociale inclusie en het minimaliseren van de sociale verschillen;

B.  overwegende dat de faciliteit gericht is op een grotere toegankelijkheid en beschikbaarheid van microfinanciering voor personen die hun baan verloren hebben of dreigen te verliezen of die moeilijk toegang krijgen tot of kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt, alsook voor personen die met sociale uitsluiting worden bedreigd of kwetsbare personen die qua toegang tot de traditionele kredietmarkt in een nadelige positie verkeren en hun eigen micro-onderneming willen opzetten of verder ontwikkelen, o.a. als zelfstandige; overwegende dat de faciliteit ook gericht is op een grotere toegankelijkheid en beschikbaarheid van microfinanciering voor micro-ondernemingen en de sociale economie;

C.  overwegende dat de faciliteit tot doel heeft de intermediairs beter in staat te stellen het aantal potentiële verrichtingen te vergroten teneinde in lokale gemeenschappen werkgelegenheid in de vorm van kwalitatief hoogwaardige banen, groei en sociale integratie te bewerkstelligen;

D.  overwegende dat de financiële situatie van vrouwelijke kredietnemers slechter is dan die van mannelijke kredietnemers, in die zin dat meer vrouwen werkloos zijn of het risico lopen in armoede te vervallen(7); overwegende dat de verhouding tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers die van de faciliteit profiteren, slechts 36:64 is en nog altijd niet volstaat om van genderevenwicht te kunnen spreken;

E.  overwegende dat de marginalisering en de meervoudige discriminatie waar sommige groepen vrouwen mee te maken hebben hun economische achterstand en hun problemen bij de toegang tot financiering verder vergroten; overwegende dat de integratie van vrouwen die zich in een sociaal isolement bevinden een prioriteit moet zijn;

F.  overwegende dat een steeds groter aantal werkende vrouwen de primaire kostwinner in het gezin is; overwegende dat het percentage alleenstaande ouders hoger is voor vrouwen dan voor mannen; overwegende dat microfinanciering een steeds grotere groep vrouwen ten goede moet komen;

G.  overwegende dat de sociale economie coöperaties, onderlinge maatschappijen, verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen en sociale ondernemingen omvat, die een bijdrage leveren aan het EU-beleid op de gebieden werkgelegenheid, sociale cohesie, regionale en plattelandsontwikkeling, milieubescherming, consumentenbescherming, landbouw, ontwikkeling van derde landen en sociale zekerheid;

H.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting, alsook langdurige werkloosheid, jeugdwerkloosheid en sociale ongelijkheid zijn toegenomen als gevolg van de economische en financiële crisis;

I.  overwegende dat dankzij de faciliteit leningen tegen gunstiger voorwaarden kunnen worden verkregen en financiering beschikbaar is voor personen die er anders niet voor in aanmerking zouden komen; overwegende dat in 22 lidstaten intermediairs voor de microfinanciering (MFI's) van de faciliteit hebben geprofiteerd; overwegende dat het globale doel van de faciliteit erin bestaat tot 2020 46 000 microleningen te verstrekken voor een bedrag van naar schatting 500 miljoen EUR;

J.  overwegende dat het aflossingspercentage voor leningen wordt geraamd op 95 %; overwegende dat de faciliteit mensen heeft geholpen een baan te vinden of opnieuw een baan te vinden, of een eigen bedrijf op te zetten, en zelfstandigen heeft geholpen hun micro-onderneming voort te zetten of uit te breiden (behoud van banen, indienstneming van nieuwe medewerkers en behaalde omzet); overwegende dat de faciliteit tot in afgelegen Europese regio's is doorgedrongen en economische activiteit heeft teweeggebracht;

K.  overwegende dat het moeilijk te beoordelen blijft in hoeverre minderheden worden bereikt, aangezien de meeste MFI's zich er in hun activiteit niet specifiek op toeleggen om minderheden sterker te bereiken; overwegende dat de ontvangers van een microlening zichzelf niet noodzakelijkerwijs zien als gemarginaliseerde groep en niet bang zijn voor discriminatie als hun etnische achtergrond wordt bekendgemaakt;

L.  overwegende dat 60 % van de personen over wie gegevens beschikbaar zijn hetzij werkloos hetzij inactief waren op het moment van de aanvraag voor de microlening; overwegende dat 84 % van de ontvangers in de leeftijdsgroep van 25 tot 54 jaar zat en dat 36 % van de ondernemers aan wie leningen werden verstrekt vrouw waren;

M.  overwegende dat de faciliteit niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin moet worden beoordeeld; overwegende dat het weliswaar gemakkelijker is om de faciliteit in termen van economische efficiëntie te evalueren, maar dat ook de doelmatigheid bij de verwezenlijking van de doelstelling van sociale inclusie moet worden beoordeeld, evenals de kwaliteit en het indirecte effect van de gecreëerde banen;

N.  overwegende dat de beoogde verhouding van 40:60 tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers bijna is bereikt en daarmee aanzienlijk boven het gemiddelde voor de Unie ligt;

O.  overwegende dat de faciliteit het best heeft gefunctioneerd in de oostelijke en de zuidelijke lidstaten;

P.  overwegende dat diensten gericht op bedrijfsontwikkeling, zoals opleiding en begeleiding, cruciaal zijn voor het succes en de overlevingskansen van een micro-onderneming;

Q.  overwegende dat het niet financieren van ondernemingen in de sociale economie is onderkend als tekortkoming van de faciliteit;

R.  overwegende dat er aanwijzingen zijn dat microfinanciering een van de elementen is die bedrijven in staat stellen zich van de schaduweconomie los te maken en de status van onderneming met een officieel gemelde economische activiteit te verwerven;

S.  overwegende dat een grotere mate van openheid over de verstrekking van microleningen door MFI's de beste manier is om een betere besteding van overheidsmiddelen te bevorderen; overwegende dat een grotere mate van openheid het mogelijk maakt de prestaties van MFI's met elkaar te vergelijken;

T.  overwegende dat er ruimte is voor synergieën tussen de faciliteit en het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en andere EU-fondsen, om daarmee onwenselijke overlappingen te voorkomen;

U.  overwegende dat in artikel 6 van het Financieel Reglement is bepaald dat bij de opstelling en de uitvoering van de begroting het eenheids-, het begrotings­waarachtigheids-, het jaarperiodiciteits-, het evenwichts-, het rekeneenheids-, het universaliteits- en het specialiteitsbeginsel, het beginsel van goed financieel beheer, dat een effectieve en efficiënte interne controle vergt, en het transparantiebeginsel in acht moeten worden genomen;

V.  overwegende dat de faciliteit kan rekenen op financiering van de EU en een financiële bijdrage van de Europese Investeringsbank, die beide worden beheerd door het Europees Investeringsfonds (EIF); overwegende dat er ook is voorzien in extra financiering van particuliere investeerders;

W.  overwegende dat dit instrument nog weinig bekendheid geniet onder de mogelijke begunstigden, zoals blijkt uit het feit dat er minder microkredieten zijn verstrekt dan in de doelstellingen was voorzien;

X.  overwegende dat dit instrument nog steeds vrij onbekend is bij de potentiële begunstigden, zoals blijkt uit het feit dat de omvang van de verstrekte microkredieten achterblijft bij het vastgestelde doel, met name in Italië, zoals wordt opgemerkt in speciaal verslag nr. 8/2015 van de Europese Rekenkamer getiteld "Voorziet de financiële steun van de EU behoorlijk in de behoeften van micro-ondernemers?";

Microfinanciering toegankelijker maken

1.  onderstreept het belang van een financieel instrument als de faciliteit in tijden van financiële crisis voor het opzetten van nieuwe ondernemingen, het bevorderen van nieuwe werkgelegenheid en het verzekeren van een financieringsmogelijkheid voor kansarme werklozen en micro-ondernemingen, met beperking van de risico's voor de MFI's;

2.  merkt op dat het werkgelegenheidsscheppend effect kleiner was dan aanvankelijk verwacht, ondanks het feit dat veel begunstigden volledig van de kredietmarkt zouden zijn uitgesloten indien ze geen beroep hadden kunnen doen op microkrediet; is van mening dat dit kleinere werkgelegenheidsscheppend effect deels te wijten is aan het gelijktijdig optreden van een diepe economische crisis, die ernstige negatieve gevolgen heeft gehad voor zowel de kredietmarkt als de werkgelegenheid; merkt evenwel op dat de faciliteit in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot het behoud van banen; houdt er rekening mee dat dit in aanmerking zal worden genomen in het nieuwe, flexibelere EaSI-instrument;

3.  betreurt het grote aantal afgewezen aanvragen voor microfinanciering (bijna 2 000 aanvragen werden afgewezen, voor een deel wegens overmatige schuldenlast van particulieren en ondernemingen), en de nog steeds grote kloof op de microfinancieringsmarkt, ondanks de toename van het aantal microkredietnemers; verzoekt de Commissie om een meer gedetailleerde studie naar de redenen van deze afwijzingen te verrichten en daarbij ook mogelijke oplossingen aan te dragen;

4.  onderstreept het belang van de faciliteit, in het bijzonder in tijden van crisis, bij het openen van financieringsmogelijkheden voor werklozen en kansarmen; benadrukt dat, met name gezien de huidige migratie- en asielcrisis, microfinanciering kan fungeren als fundamentele steun voor vluchtelingen en migranten om toegang te krijgen tot de Europese arbeidsmarkt;

5.  verzoekt de lidstaten contactpunten in het leven te roepen om de faciliteit onder potentiële begunstigden en burgers in het algemeen meer bekendheid te geven;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, voortbouwend op de ervaring die tot nu toe is opgedaan, te werken aan de bekendheid van de faciliteit, de mogelijkheden die zij biedt en de wijze waarop een beroep op de faciliteit kan worden gedaan, in het bijzonder in perifere regio's en binnen gemeenschappen, met name die met een minderhedenachtergrond, of binnen organisaties van personen met een handicap;

7.  merkt op dat de in 2013 door de faciliteit gefinancierde maatregelen tevens niet-achtergestelde leningen en garanties omvatten; merkt verder op dat sommige MFI's zowel een garantie als een lening ontvangen, maar dat deze twee instrumenten altijd verschillende portfolio's bestrijken;

8.  wenst dat in het kader van de faciliteit de toegevoegde waarde van projecten in regio's met ernstige en permanente natuurlijke of demografische nadelen in aanmerking wordt genomen, bijvoorbeeld in dunbevolkte regio's of regio's die te kampen hebben met ontvolking, aangezien dit niet alleen het scheppen van banen zal bevorderen, maar ook zal bijdragen tot het in stand houden van de bevolking in het gebied;

9.  dringt er bij de Commissie en het EIF op aan om met de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap (MF/SE) van het EaSI-programma zo spoedig mogelijk de operationele fase in te gaan, zodat de begunstigden aan geld kunnen komen; gaat ervan uit dat EaSI de tekortkomingen van de faciliteit met succes zal opvangen;

10.  verzoekt de Commissie te beoordelen of de huidige definitie van microkrediet adequaat is, om er zeker van te zijn dat toekomstige financiële instrumenten aansluiten bij de behoeften van de markt en de begunstigden en beantwoorden aan de in artikel 2 van het besluit omschreven doelstellingen;

11.  spoort de Commissie en de lidstaten aan gegevens over de kenmerken, behoeften en overlevingskansen van micro-ondernemingen te verzamelen en te evalueren, en aanpassingen in de EaSI-verordening voor te stellen, zo nodig bij de tussentijdse evaluatie; juicht het toe dat het eindsaldo en de naar de faciliteit teruggevloeide bedragen in de begroting van de MF/SE-pijler van EaSI zullen worden gestort, zodat het aantal aan microkredietnemers aangeboden garanties en gefinancierde instrumenten kan worden uitgebreid;

12.  is verheugd over het feit dat alle zeven financiële instrumenten van de faciliteit die tot nu toe zijn onderzocht, aanvullende financiering uit de particuliere sector hebben aangetrokken; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het feit dat volgens het verslag van de Rekenkamer, met betrekking tot de garanties, de streefwaarden voor de hefboomverhouding slechts in één van de zeven gevallen zijn gehaald en in twee gevallen niet zijn gehaald;

13.  is ingenomen met de toegenomen flexibiliteit van het nieuwe programma in het kader van EaSI bij het inspelen op de veranderende behoeften door middel van herschikking van de middelen tussen de verschillende pijlers van het programma; vraagt de Commissie dubbele financiering te voorkomen door duidelijke en transparante synergieën uit te werken tussen het EaSI-programma en andere programma's en initiatieven van de Unie;

14.  verzoekt de Commissie meer bekendheid te geven aan en meer informatie te verstrekken over de faciliteit en de toegangsmogelijkheden daartoe;

15.  verzoekt de Commissie de geografische reikwijdte van de faciliteiten uit te breiden, teneinde deze in alle lidstaten te kunnen aanbieden; vindt dat ook de sectoriële reikwijdte van de faciliteit moet worden verruimd tot buiten de sectoren landbouw en handel;

Doelgroepen bereiken en over het maatschappelijk effect rapporteren

16.  betreurt het dat wegens het gebrek aan duidelijk omlijnde verslaglegging de maatschappelijke effecten van de faciliteit (nieuwe banen, duurzaamheid van bedrijven en participatie van minderheden) niet nauwkeuriger zijn gemeten; verzoekt de Commissie derhalve de normen voor het empirisch meten van sociale prestaties in acht te nemen, om een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bewerkstelligen, mede gelet op de Europa 2020-doelstellingen, en na te gaan of de definitie van doelgroepen, waaronder mensen met een handicap, nadere verduidelijking behoeft;

17.  merkt op dat de faciliteit als proefproject van start is gegaan; merkt verder op dat er tekortkomingen zijn vastgesteld op het gebied van het bereiken van kwetsbare groepen, zoals migranten en gehandicapten; is evenwel van mening dat men de geleerde lessen ter harte heeft genomen en dat sommige tekortkomingen reeds zijn aangepakt in het EaSI-instrument; is ingenomen met het feit dat er een strategische beoordeling van de doelstellingen is uitgewerkt, in overeenstemming met de Europa 2020-doelstellingen;

18.  verzoekt het EIF met de MFI's samen te werken en van hen te verlangen dat zij de Europese gedragscode voor microkredietverstrekkers toepassen, en prioriteit toe te kennen aan MFI's die hebben aangetoond te kunnen en willen samenwerken met organisaties die vervolgsteun bieden aan begunstigden; verzoekt het EIF tevens toe te zien op de naleving van bepalingen in overeenkomsten met MFI's die deze verplichten tot een nauwere samenwerking met organisaties die kwetsbare groepen vertegenwoordigen, teneinde de doelgroepen beter te bereiken;

19.  verzoekt de Commissie om een verbetering van de methodiek met het oog op de evaluatie van de levensvatbaarheid en het lokale effect van ondernemingen nadat het microkrediet is terugbetaald;

20.  verzoekt de Commissie en het EIF de rapportage over de begunstigden en de MFI's te verbeteren, in het besef dat er een evenwicht moet worden gevonden om overbelasting van de MFI's te voorkomen; onderstreept dat de informatie die voor een adequaat rapport vereist is, zowel door de MFI's wordt verstrekt als door de microkredietnemer die een lening aanvraagt;

21.  betreurt het dat de informatie over het gebruik van leningen en garanties in verband met de faciliteit fragmentarisch en onvolledig is en dat gedetailleerde informatie over de arbeidssituatie van de eindontvangers ontbreekt, hoewel de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de verslaglegging in overeenstemming was met de bepalingen van het besluit;

22.  verzoekt het EIF ervoor te zorgen dat MFI's informatie openbaar maken over het aantal verstrekte microleningen, het daarmee gemoeide bedrag en het soort begunstigden waaraan ze zijn toegekend;

23.  verzoekt de Commissie bij de toegang tot microfinanciering te streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen en in de toekomst hetzelfde streefpercentage voor mannelijke en vrouwelijk ondernemers te hanteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten MFI's aan te moedigen specifieke strategieën voor vrouwen en vrouwelijk ondernemerschap te hanteren, onder andere in de vorm van samenwerking met verenigingen en organisaties die op dit gebied actief zijn;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten daarnaast te werken aan de zichtbaarheid van en informatie over de financieringsmogelijkheden die deze faciliteit biedt, o.a. via bewustmakingscampagnes, de uitwisseling van goede praktijken tussen vrouwelijke ondernemers en specifiek op vrouwen gerichte workshops en trainingen, teneinde bij de toegang tot microfinanciering tot een beter genderevenwicht te komen;

25.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de voordelen van microfinanciering voor vrouwen, waaronder nieuwe duurzame banen; verzoekt de Commissie voorwaarden te scheppen voor de uitwisseling van kennis en goede praktijken tussen vrouwelijke ondernemers;

26.  onderkent het belang van de nagestreefde verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers; is overigens van oordeel dat het succes van de faciliteit niet alleen moet worden afgemeten aan algemene doelstellingen, maar ook aan de mate waarin de faciliteit erin slaagt micro-ondernemers en kleine en middelgrote ondernemingen te helpen bij het opstarten van hun projecten en bij te dragen aan economische groei en sociale cohesie;

27.  dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen in het bijzonder te richten op een betere toegang tot microfinanciering voor personen die met uitsluiting worden bedreigd, zoals migranten, vluchtelingen, langdurig werklozen, jongeren, mensen met een laag inkomen, laagopgeleiden en personen met een handicap, die op dit moment te weinig van de faciliteit profiteren;

28.  verzoekt de Commissie om vluchtelingen en asielzoekers als doelgroep aan te merken;

29.  verzoekt de Commissie meer initiatieven te ontplooien en meer geld ter beschikking te stellen voor het verlenen van microkredieten aan startende innovatieve ondernemingen onder leiding van jongeren, teneinde ondernemerschap onder jongeren en hoogwaardige technologische, wetenschappelijke en sociale innovatie ten tijde van economische crisis en moeilijke toegang tot krediet te ondersteunen; benadrukt voorts dat de lidstaten moeten streven naar vermindering van de bureaucratische rompslomp die ondernemers moeten overwinnen om toegang te krijgen tot de door de Unie ter beschikking gestelde middelen;

De sociale economie ondersteunen

30.  betreurt het dat via de faciliteit geen significant aantal sociale ondernemingen is gefinancierd; juicht het daarom toe dat een bepaald percentage van het EaSI-budget is uitgetrokken voor de financiering van sociale ondernemingen;

31.  moedigt de Commissie aan om dit nieuwe onderdeel nauwlettend te volgen en de lidstaten aan te sporen in dit verband gegevens, kennis en goede praktijken uit te wisselen, en toe te zien op adequate verslaglegging door de MFI's en de MFI's aan te sporen steun te verlenen aan projecten met een grote sociale impact bij de potentiële begunstigden;

32.  verzoekt de Commissie om het maximumpercentage dat voor leningen aan sociale ondernemingen in het kader van EaSI is vastgesteld, te beoordelen en, zo nodig, te herzien teneinde hun de noodzakelijke en adequate middelen voor een gunstige ontwikkeling te verstrekken en in de behoeften van de markt te voorzien;

33.  onderstreept dat het van belang is in financieringsprogramma's een genderperspectief op te nemen; is van oordeel dat gendereffectbeoordelingen en genderbewust budgetteren nuttig zijn voor het evalueren en verbeteren van de gevolgen die financieringsprioriteiten, de toewijzing van financiële middelen en specificaties voor financieringsprogramma's voor vrouwen hebben; benadrukt dat er systematisch naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en dat deze regelmatig moeten worden geanalyseerd;

Begeleiding en opleiding en complementariteit met andere instrumenten

34.  juicht het toe dat in het kader van EaSI de mogelijkheid bestaat capaciteitsopbouw bij MFI's en technische bijstand aan MFI's te financieren ter ondersteuning van hun professionalisering, hun dienstverlening en de verzameling en verwerking van gegevens met het oog op een betere feedback over de faciliteit; stelt daarom voor een website op te zetten waar projecten kunnen worden gepresenteerd en ingezien, alsook een EU-gegevensbank met informatie over kredieten en eventueel de mogelijkheid om mogelijke belemmeringen (ook en vooral van bureaucratische aard) te melden;

35.  verzoekt de Commissie de faciliteit te verbinden met een basisopleiding ondernemerschap, teneinde de economische levensvatbaarheid van de ondernemingen en het doel van de leningverstrekking te verzekeren;

36.  merkt op dat 44 % van alle door de faciliteit gesteunde ondernemers het minder dan één jaar volhoudt, terwijl 56 % het jaar erna nog bestaat; vraagt de Commissie de levensvatbaarheid van de via de faciliteit gefinancierde micro-ondernemingen nader te evalueren; vraagt de Commissie de ontwikkeling van duurzame werkgelegenheid aan te moedigen door middel van adequate begeleiding en opleiding, gefinancierd via EaSI, teneinde een duurzaam effect te bereiken;

37.  betreurt het dat diensten gericht op bedrijfsontwikkeling, waaronder begeleiding en opleiding, niet rechtstreeks door EaSI kunnen worden gefinancierd, en verzoekt de Commissie toekomstige financieringsmogelijkheden te onderzoeken, met nieuwe specifieke instrumenten die gezamenlijk door de nationale overheid en de EU worden gefinancierd;

38.  merkt op dat het ESF de voornaamste financiering moet verstrekken voor het opzetten van ondernemingen, levensvatbare microfinanciering en sociaal ondernemerschap, en dat dit vergezeld moet gaan van begeleidings- en opleidingsprogramma's; betreurt het dat een en ander niet rechtstreeks door EaSI wordt gefinancierd;

39.  beveelt aan dat de Commissie en de lidstaten hun strategische samenwerking met plaatselijke en regionale organisaties en instellingen met betrekking tot EaSI, het ESF en verder mogelijke nationale programma's ontwikkelen, en hun samenwerking met MFI's en begunstigden versterken, om de bijstand aan microkredietnemers in de vorm van opleiding, begeleiding en algemene steun voor grotere bedrijfskansen nog te verbeteren;

40.  is verheugd over de mogelijkheid om middelen uit het ESF te besteden voor de MF/SE-pijler van EaSI, en verzoekt de Commissie en het EIF de MFI's beter te informeren over deze mogelijkheid uit hoofde van artikel 38 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen(8);

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er geld uit het EFSI beschikbaar is voor de financiering van micro-ondernemingen;

Intermediairs voor microfinanciering

42.  spoort de Commissie aan de ESF-steun en de EaSI-steun te coördineren, teneinde tot een betere complementariteit wat betreft de microfinancieringsfaciliteiten te komen, en daarbij onder andere aandacht te schenken aan de samenwerking tussen MFI's en de door het ESF medegefinancierde centra voor bedrijfsondersteuning;

43.  is ingenomen met de selectieprocedure voor tussenpersonen voor microkredietverstrekking, die in overeenstemming is met de regels en procedures van het EIF, en herhaalt het verzoek van het Parlement dat deze tussenpersonen moeten voldoen aan de beginselen van verantwoord lenen en voorkoming van overmatige schuldenlast van particulieren en ondernemingen;

44.  beveelt aan de procedure voor toegang tot het instrument te vereenvoudigen en de overeenkomsten tussen MFI's en het EIF flexibeler en begrijpelijker te maken, zodat kleinere MFI's snel volledig gebruik kunnen maken van de financieringsinstrumenten en de EIF-faciliteiten;

45.  betreurt het dat een aanzienlijk aantal aanvragen voor de faciliteit niet zijn afgerond en niet konden worden goedgekeurd door de Commissie; verzoekt de Commissie na te gaan wat de redenen hiervoor waren (bijv. gebrek aan informatie of toegankelijkheid, of bureaucratische rompslomp die vereenvoudiging vergt); verzoekt de Commissie snel te handelen om dit probleem op te lossen;

46.  roept de Commissie op te zorgen voor meer voorlichting en informatie over de faciliteit en over de voorwaarden voor toegang, de procedure te vereenvoudigen, en de overeenkomsten tussen tussenpersonen voor microfinanciering en het EIF flexibeler en begrijpelijker te maken, waardoor kleinere tussenpersonen sneller toegang tot de markt kunnen krijgen;

47.  verzoekt de Commissie en het EIF na te gaan hoe, afgezien van de verplichtingen die nu al gelden voor MFI's, de voordelen van de faciliteit beter bekend kunnen worden gemaakt bij een breder publiek;

48.  spoort de Commissie aan de samenwerking te verbeteren tussen MFI's en de organisaties die de belangen van begunstigden behartigen, waarbij deze samenwerking meer moet inhouden dan het aanprijzen van producten of het werven van nieuwe klanten;

49.  verzoekt de lidstaten de sector van de microfinanciering te ontwikkelen zodat die zich kan uitbreiden, wat nodig is om de Europa 2020-doelstellingen te halen, en gebruik te maken van de faciliteit, door te onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor intermediairs die geen bank zijn, om op de markt voor microkrediet actief te worden zonder afhankelijk te zijn van een partnerbank;

50.  moedigt de Commissie aan tot een intensievere dialoog met de bij de microfinanciering betrokken partijen (MFI's, banken of niet-banken, netwerken zoals het Europees Microfinancieringsnetwerk), alsmede de belanghebbenden die op dit moment nog zijn uitgesloten, over de toegankelijkheid, het gebruik en de opzet van de producten die via door de Unie gefinancierde programma's zullen worden aangeboden;

51.  spoort de Commissie en de lidstaten aan de uitwisseling van goede praktijken tussen MFI's uit verschillende lidstaten te bevorderen;

52.  verzoekt de Commissie en het EIF ervoor te zorgen dat via de MF/SE-pijler van EaSI wordt bevorderd dat de Europese gedragscode voor microkredietverstrekkers verder wordt verspreid en wordt opgenomen in contracten met MFI's;

53.  is van mening dat het verslag van de Commissie over de uitvoering van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit – 2013 zeer algemeen is en onvoldoende details bevat over de uitvoering ervan;

54.  moedigt de Commissie aan ervoor te zorgen dat de faciliteit en het EaSI-instrument blijven bijdragen aan de toegevoegde waarde en de zichtbaarheid van de EU;

°

°  °

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

TOELICHTING

Achtergrond

De verstrekking van microkrediet komt oorspronkelijk uit Zuid-Azië en Latijns-Amerika, waar meer dan 40 jaar geleden de eerste microkredietinitiatieven zijn ontstaan, die zich sindsdien in de meeste gevallen zeer succesvol hebben ontwikkeld.

Aangezien met de verstrekking van microkrediet ter bestrijding van de armoede in ontwikkelingslanden positieve effecten op de plaatselijke economie zijn behaald, heeft de EU in 2010 het microfinancieringsinstrument Progress met een totaal volume van 205 miljoen EUR opgezet om ook in Europa sociaal en financieel benadeelde mensen de kans te geven een behoorlijk bestaan op te bouwen.

Momenteel is Progress in slechts 22 van de 28 lidstaten actief. Dit ligt aan de uiteenlopende ontwikkelingsgraad van de Europese economieën, het verschil in belangstelling vanuit de markt en de wettelijke voorwaarden.

De Commissie heeft voor het laatst in 2013 de situatie rond Progress in een voortgangsverslag onder de loep genomen en heeft voorts een interimverslag opgesteld over het nog tot 2016 doorlopende instrument.

Het microfinancieringsinstrument Progress is sociaal georiënteerd en maakt het gemakkelijker een kleine lening op te nemen om een micro-onderneming op te richten of te stimuleren. Progress financiert micro-ondernemers niet zelf, maar biedt de aan het programma deelnemende bemiddelaars van microkrediet ("intermediairs") in de EU de mogelijkheid meer leningen te verstrekken omdat Progress dankzij de refinancieringsmogelijkheid voor een grotere kredietwaardigheid zorgt.

Progress is een belangrijk en doeltreffend instrument met het oog op de verwezenlijking van de sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen van de EU in het kader van de Europa 2020-strategie. Want als er nieuwe bedrijven worden opgericht, ontstaat er een aanzienlijk aantal nieuwe banen. Bijna 85 % van deze banen wordt in micro-ondernemingen gecreëerd.Er bestaat daarom grote vraag naar microkredieten van de kant van mensen die geen lening van de klassieke banken kunnen krijgen, omdat zij voor deze banken een veel te kostenintensieve doelgroep vormen.

Progress helpt mensen om de weg (terug) naar de arbeidsmarkt te vinden, kansen als ondernemer te benutten, nieuwe vaardigheden te verwerven dankzij flankerende opleidingen en begeleiding, en zelf de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor een waardig leven.

Volgens de nu noch geldige EU-definitie (waar vraagtekens bij geplaatst kunnen worden) mag een microkrediet aan een micro-onderneming niet meer dan 25 000 EUR bedragen (onder micro-onderneming wordt een onderneming verstaan met minder dan 10 personeelsleden en een jaaromzet en/of een totale jaarbalans van maximaal 2 miljoen EUR (artikel 2 EaSI (Programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie)).

Doelgroepen

Het microfinancieringsinstrument Progress is in eerste instantie een sociaal instrument en pas in tweede instantie een economisch instrument. Het richt zich namelijk op doelgroepen waaraan in de economische context tot dusverre onvoldoende aandacht is besteed: (langdurig) werklozen, sociale minima, immigranten, leden van etnische minderheden, mensen die in de informele economie werkzaam zijn of in achtergebleven plattelandsgebieden wonen, en vrouwen.

Specifieke kenmerken van het Progress-microfinancieringsinstrument

Voor banken zijn microkredieten aan leden van de hiervoor genoemde doelgroepen riskant en kostenintensief, temeer daar naast de eigenlijke lening een tijdrovende advisering met betrekking tot het bedrijfsproject en de uitvoering daarvan (mentorschap en opleiding) noodzakelijk is. Dit alles maakt microkredieten duur, de marges smal en het aanbieden ervan dus onaantrekkelijk.

Dit betekent dat de microkredietsector zich altijd onderscheidt van de klassieke taken van banken, omdat deze sector een sociale opdracht heeft, namelijk het tot stand brengen van maatschappelijk integratie. De verstrekking van microkrediet is economisch en maatschappelijk zinvol, omdat het voor overheidsinstanties gunstiger is mensen financieel te steunen om op eigen benen te leren staan, dan uitkeringen aan werklozen te financieren; verder dient de financiële steun als springplank voor het ondernemerschap.

Situatie bij Progress halverwege de looptijd

Progress kan globaal gezien als succes worden betiteld; met de nodige extra middelen zou zelfs aan een aanzienlijk hogere vraag kunnen worden voldaan. Er zijn 13 252 microkredieten met een volume van 124,6 miljoen EUR verstrekt, iets minder dan het beoogde bedrag van 142,4 miljoen EUR.

Van de doelgroepen waarop wordt gemikt, worden er vele, zij het niet alle bereikt.

De nagestreefde verhouding 40:60 tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers is zo goed als gehaald (37 % van de begunstigden zijn vrouwen), hoewel niet alle bemiddelaars een speciaal programma voor vrouwelijke starters hadden. Daarmee ligt het aandeel vrouwelijke ondernemers significant hoger dan in de EU gemiddeld het geval is. Niettemin dient hier te worden gestreefd naar een evenwichtig percentage.

Volgens het interimverslag kon 17 % van de ondervraagden eerder geen conventionele lening bij een bank krijgen. Van de ondervraagden gaf 68 % aan dat zij voor de allereerste keer een lening hadden proberen op te nemen, terwijl nog eens 56 % ervan uitging dat zij elders geen lening met vergelijkbare voorwaarden hadden gekregen. 43 % van de respondenten bevindt zich naar eigen zeggen onder de nationale armoedegrens – duidelijk meer dan het EU-gemiddelde (18,2 %). Als behoeftig duidt zelfs 17 % zichzelf aan – een bijna twee keer zo hoog percentage als voor de EU-bevolking als geheel. Progress heeft dus daadwerkelijk een drempelverlagend effect als het gaat om het krijgen van een lening.

Minder duidelijk is de effectiviteit van Progress met betrekking tot achterstandsgroepen en de sociale economie. Dit kan enerzijds worden toegeschreven aan het feit dat veel ontvangers van een lening zich uit angst voor discriminatie niet als lid van een (etnische) minderheid te kennen geven. Anderzijds aan het feit dat als gevolg van onjuiste of onvoldoende ontwikkelde indicatoren ontoereikende gegevens worden verzameld en aan de bijbehorende rapportageplicht niet genoeg de hand wordt gehouden.

De effectiviteit in de sociale economie is gering, omdat enerzijds veel kredietbemiddelaars geen specifiek programma voor deze sector hebben gestart en anderzijds ondernemingen in de sociale economie vaak meer geld nodig hebben dan volgens de definitie van een microkrediet mogelijk is. Deze tekortkoming schijnt in het kader van EaSI te zijn onderkend: artikel 26, onder c), creëert betere financieringsmogelijkheden voor sociale ondernemingen. Wel moet worden nagegaan of de plafonnering waarin dit artikel voorziet, aansluit bij wat de markt nodig heeft.

De duurzaamheid van de gecreëerde banen valt momenteel nog moeilijk te beoordelen, omdat veel leningen via Progress nog geen jaar oud zijn. Het is evenwel van belang over een mogelijkheid te beschikken om het succes van de micro-ondernemingen te blijven volgen, ook nadat de looptijd van de lening is verstreken.

Toewijzing van ESF-middelen aan het EaSI-instrument uit hoofde van de verordening gemeenschappelijke bepalingen

Van bijzonder belang is de mogelijkheid om ESF-middelen aan het EaSI-instrument toe te wijzen. Volgens artikel 38, lid 1, onder a), van de verordening gemeenschappelijke bepalingen kan ESF-autoriteiten worden toegestaan een deel van de financiële middelen van het ESF toe te kennen aan andere financiële instrumenten van de EU, zoals EaSI. Zo zouden regionale steungelden uit het ESF die aan EaSI worden toegekend, dan in dezelfde regio moeten worden besteed.

Het aparte potje met ESF-middelen binnen EaSI zou moeten voldoen aan de algemene parameters die voor EaSI gelden (bijv. minimum hefboomeffect), maar zou ook aan enkele aanvullende voorwaarden kunnen worden onderworpen (bijv. een specifieke doelgroep, zoals jonge microkredietnemers, vrouwen, gehandicapten).

In een dergelijke overeenkomst zouden de algemene voorschriften van de financiële instrumenten van EaSI gelden, evenals de voorschriften die specifiek van toepassing zijn op het gekozen venster. Met deze specifieke voorschriften kan bijvoorbeeld worden gewaarborgd dat de garanties en leningen ten goede komen aan personen of bedrijven in het land of gebied dat onder het operationele programma valt, of eventueel aan specifieke bevolkingsgroepen, zoals jongeren ("bestemmingsbijdrage").Dit biedt het voordeel dat niet alleen de met het beheer belaste entiteit (het EIF) al door de Commissie geselecteerd is, maar dat ook praktisch alle parameters van de financiële instrumenten vaststaan.

De lidstaten die van deze optie gebruikmaken, zouden profiteren van een verlichting van hun administratieve lasten, aangezien het beheer van en de controle op de gelden tot de verantwoordelijkheid van het EIF zouden behoren.

De lidstaten en hun regio's kunnen dus financieringsmogelijkheden bundelen wanneer zij nationale en EU-middelen combineren, en zij kunnen profiteren van de deskundigheid van het EIF op het gebied van het beheer van financiële instrumenten.

Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en micro-ondernemingen

De Commissie EMPL is fractieoverkoepelend tot het standpunt gekomen dat de middelen van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) ook beschikbaar moeten worden gesteld aan micro-ondernemingen. Op deze opvatting wordt hier nogmaals gewezen.

Conclusie

Microkredieten functioneren niet alleen in ontwikkelingslanden, maar ook in Europa. Bij ons moeten zij echter in eerste instantie als sociaal beleidsinstrument worden gezien, waarmee mensen in een moeilijke sociale situatie een kans kan worden gegeven.Voor het subsidiëren van kmo's en innovatieve ideeën bestaan andere steunregelingen. De EU-definitie van microkrediet is aan heroverweging toe en dient te worden aangepast aan de huidige omstandigheden. Dag geldt ook voor de maximale omvang van een lening, die wellicht niet in alle EU-landen voldoende is. Ook niet-banken moeten in alle lidstaten de mogelijkheid krijgen bij de verstrekking van microkredieten bemiddelend op te treden. De steun die deskundigen verlenen bij de ontwikkeling van een zakelijk plan, de toetsing van het commerciële idee en de begeleiding bij de uitvoering ervan (opleiding en mentorschap) dienen voor financiële ondersteuning in het kader van EaSI in aanmerking te komen.

In algemene zin wordt aanbevolen het Progress-programma voort te zetten en daarbij de verbeteringen binnen EaSI en de suggesties in dit verslag in aanmerking te nemen.

20.10.2015

ADVIES van de Commissie begrotingscontrole

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake de uitvoering van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit – 2013

(2015/2042(INI))

Rapporteur voor advies: Inés Ayala Sender

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie werkgelegenheid en sociale zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat in artikel 6 van het Financieel Reglement is bepaald dat bij de opstelling en de uitvoering van de begroting het eenheids-, het begrotingswaarachtigheids-, het jaarperiodiciteits-, het evenwichts-, het rekeneenheids-, het universaliteits- en het specialiteitsbeginsel, het beginsel van goed financieel beheer, dat een effectieve en efficiënte interne controle vergt, en het transparantiebeginsel in acht moeten worden genomen;

B.  overwegende dat de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit (hierna "de faciliteit" genoemd) kan rekenen op financiering van de EU en een financiële bijdrage van de Europese Investeringsbank, die beide worden beheerd door het Europees Investeringsfonds (EIF); overwegende dat er ook is voorzien in extra financiering van particuliere investeerders;

C.  overwegende dat de faciliteit werd ingesteld om de groei en de werkgelegenheid te ondersteunen en sociale en financiële uitsluiting te bestrijden;

D.  overwegende dat ondernemingen van de sociale economie de werkgelegenheidssituatie en sociale inclusie van de meest kansarme groepen verbeteren en een betere toegang tot financiering nodig hebben;

E.  overwegende dat dit instrument nog steeds weinig bekend is bij de potentiële begunstigden, zoals blijkt uit het feit dat de omvang van verstrekt microkrediet achterblijft ten opzichte van het vastgestelde doel, met name in Italië, zoals wordt opgemerkt in speciaal verslag nr. 8/2015 van de Rekenkamer met als titel "Voorziet de financiële steun van de EU behoorlijk in de behoeften van micro-ondernemers?";

F.  overwegende dat de faciliteit niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin moet worden beoordeeld, en dat, hoewel het gemakkelijker is om het instrument in termen van economische efficiëntie te analyseren, ook de doelmatigheid bij de verwezenlijking van de doelstelling van sociale inclusie moet worden beoordeeld, evenals de kwaliteit en het indirecte effect van de gecreëerde banen;

1.  merkt op dat de in 2013 door de faciliteit gefinancierde maatregelen tevens niet-achtergestelde leningen en garanties omvatten; merkt bovendien op dat sommige tussenpersonen zowel een garantie als een lening ontvangen, maar dat deze twee instrumenten altijd verschillende portfolio's bestrijken;

2.  merkt op dat de faciliteit sedert 2010 als proefproject wordt uitgevoerd; merkt verder op dat er tekortkomingen zijn vastgesteld op het gebied van het bereiken van kwetsbare groepen zoals migranten en gehandicapten; is evenwel van mening dat men de geleerde lessen ter harte heeft genomen en dat sommige tekortkomingen reeds zijn aangepakt in het nieuwe instrument voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI); is ingenomen met het feit dat er een strategische beoordeling van de doelstellingen is uitgewerkt, in overeenstemming met de Europa 2020-doelstellingen;

3.  juicht toe dat er aanvullende begrotingsmiddelen zijn toegewezen aan het EaSI-programma voor microfinanciering;

4.  beklemtoont dat de geografische dekking van de faciliteit in de EU vooralsnog beperkt is, aangezien zij slechts 22, weldra 23, van de 28 lidstaten beslaat; verzoekt de Commissie meer inspanningen te leveren om te zorgen voor een volledige geografische dekking en na te gaan en te analyseren waarom sommige lidstaten niet onder het instrument vallen; moedigt de Commissie aan het grote publiek voldoende te informeren over de financieringsmogelijkheden die dit instrument biedt;

5.  onderstreept het toenemende belang van microfinanciering in de EU; is ingenomen met de door de vraag gestuurde aanpak van de faciliteit, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van micro-ondernemers en particuliere financiering wordt aangetrokken; beveelt echter aan de behoeften van de begunstigden aan een nadere beoordeling te onderwerpen;

6.  wenst dat in het kader van het instrument de toegevoegde waarde van projecten in regio's met ernstige en permanente natuurlijke of demografische nadelen wordt beoordeeld, bijvoorbeeld in dunbevolkte regio's of regio's die te kampen hebben met ontvolking, aangezien dit niet alleen het scheppen van banen zal bevorderen, maar ook zal bijdragen tot het in stand houden van de bevolking in het gebied;

7.  is ingenomen met de selectieprocedure voor tussenpersonen die microkrediet verstrekken, die in overeenstemming is met de regels en procedures van het EIF, en herhaalt het verzoek van het Parlement dat deze tussenpersonen moeten voldoen aan de beginselen van verantwoord lenen en voorkoming van overmatige schuldenlast van particulieren en ondernemingen;

8.  betreurt dat de sociale en werkgelegenheidsimpact van de faciliteit nauwelijks werd beoordeeld, met name met betrekking tot gegevens over ondernemerschap op oudere leeftijd en steun voor minderheden; verzoekt de Commissie te eisen dat de bemiddelende instellingen expliciet samenwerken met verenigingen van minderheden om kwetsbare groepen, zoals vrouwen en minderheidsgroepen, actief bij het programma te betrekken; vraagt de Commissie in dit verband een diepgaande effectbeoordeling in gang te zetten van de faciliteit en het vervolgprogramma in het kader van de MF/SE-pijler (microfinanciering en sociaal ondernemerschap) van EaSI;

9.  is verheugd over het feit dat alle zeven financiële instrumenten van de faciliteit die tot nu toe zijn onderzocht, aanvullende financiering uit de particuliere sector hebben aangetrokken; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het feit dat er, volgens het verslag van de Rekenkamer, met betrekking tot de garanties, slechts in één van de zeven gevallen precies is voldaan aan de richtwaarden voor de hefboomverhouding en dat deze in twee gevallen niet zijn behaald;

10.  is van mening dat het overlevingspercentage van de door de faciliteit gefinancierde projecten openbaar moet worden gemaakt en in aanmerking moet worden genomen bij de actualisering van de Europese gedragscode voor de verstrekking van microkrediet; vraagt de Commissie informatie over het overlevingspercentage verplicht te stellen bij het verstrekken van steun; benadrukt dat deze informatie zich leent voor een toekomstige beoordeling van de prestaties;

11.  is van mening dat het succes van de projecten niet uitsluitend kan worden geformuleerd in termen van behoud of scheppen van banen, maar dat ook de sociale component in aanmerking moet worden genomen;

12.  merkt op dat 44 % van alle door de faciliteit gesteunde ondernemers minder dan één jaar bestaat, terwijl 56 % het jaar erna nog altijd bestaat; vraagt de Commissie de levensvatbaarheid van de via de faciliteit gefinancierde micro-ondernemingen nader te evalueren; vraagt de Commissie bevordering van de ontwikkeling van duurzame werkgelegenheid aan te moedigen door middel van adequate richtsnoeren en opleiding, gefinancierd in het kader van het nieuwe EaSI-instrument, teneinde duurzaam effect te sorteren;

13.  is ingenomen met de toegenomen flexibiliteit van het nieuwe programma in het kader van EaSI bij het inspelen op de veranderende behoeften ten aanzien van de herschikking van de middelen tussen de verschillende pijlers van het programma; vraagt de Commissie dubbele financiering te voorkomen door duidelijke en transparante synergieën uit te werken tussen het EaSI-programma en andere programma's en initiatieven van de Unie;

14.  merkt op dat het ESF de voornaamste financiering moet verstrekken voor het opzetten van ondernemingen, levensvatbare microfinanciering en sociaal ondernemerschap, en dat dit vergezeld moet gaan van begeleidings- en opleidingsprogramma's; betreurt dat deze middelen niet rechtstreeks door EaSI worden gefinancierd;

15.  merkt op dat het werkgelegenheidsscheppend effect kleiner was dan aanvankelijk verwacht, ondanks het feit dat veel begunstigden volledig van de kredietmarkt zouden zijn uitgesloten indien ze geen beroep konden doen op microkrediet; is van mening dat het kleinere werkgelegenheidsscheppend effect deels is te wijten aan de gelijktijdige ontwikkeling van een diepe economische crisis die ernstige negatieve gevolgen heeft gehad voor zowel de kredietmarkt als de werkgelegenheid; merkt evenwel op dat de faciliteit aanzienlijk aan het behoud van de werkgelegenheid heeft bijgedragen; houdt er rekening mee dat dit in aanmerking zal worden genomen in het nieuwe, flexibelere EaSI-instrument;

16.  betreurt het grote aantal afgewezen aanvragen voor microfinanciering (bijna 2 000 aanvragen werden afgewezen, voor een deel wegens overmatige schuldenlast van particulieren en ondernemingen), en de nog steeds grote kloof op de microfinancieringsmarkt, ondanks de toename van het aantal verstrekkers van microfinanciering; verzoekt de Commissie om een meer gedetailleerde studie naar de redenen van deze afwijzingen te verrichten en onder meer ook mogelijke oplossingen aan te dragen;

17.  onderstreept het belang van de faciliteit, in het bijzonder in tijden van crisis, en met name zijn rol om werklozen en kansarmen in staat te stellen toegang te hebben tot financiering; benadrukt dat, met name gezien de huidige migratie- en asielcrisis, microfinanciering kan fungeren als fundamentele steun voor vluchtelingen en migranten om toegang te krijgen tot de Europese arbeidsmarkt;

18.  verzoekt de Commissie om vluchtelingen en asielaanvragers als specifieke doelgroep te erkennen;

19.  verzoekt de Commissie om meer inspanningen te leveren en aanvullende middelen ter beschikking te stellen voor het verlenen van microkredieten aan startende innovatieve ondernemingen onder leiding van jongeren, teneinde ondernemerschap onder jongeren, hoogwaardige technologische, wetenschappelijke en sociale innovatie ten tijde van economische crisis en moeilijke toegang tot krediet te ondersteunen; benadrukt voorts dat de lidstaten actie moeten ondernemen om de bureaucratische rompslomp te verminderen die ondernemers moeten overwinnen om toegang te krijgen tot de door de EU ter beschikking gestelde middelen;

20.  verzoekt de Commissie om de financiële toewijzing uit het fonds InnovFin, dat onder het programma Horizon 2020 valt, en in het bijzonder de financiële middelen voor het microfinancieringsproduct "InnovFin kmo-garantiefaciliteit" te verhogen;

21.  betreurt dat de informatie over het gebruik van leningen en garanties in verband met de faciliteit fragmentarisch en onvolledig is en dat gedetailleerde informatie over de arbeidssituatie van de eindontvangers ontbreekt, ondanks het feit dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de verslaglegging in overeenstemming was met de vereisten van het besluit over de faciliteit;

22.  is ingenomen met de sociale-innovatiecomponent van het EaSI-programma en met name de bevordering van ondernemingen van de sociale economie;

23.  betreurt het feit dat een aanzienlijk aantal aanvragen voor de faciliteit niet zijn afgerond en niet konden worden goedgekeurd door de Commissie; verzoekt de Commissie na te gaan wat de redenen voor deze mislukking zijn (bijvoorbeeld een gebrek aan informatie, de toegankelijkheid of bureaucratische rompslomp die vereenvoudiging vergt); verzoekt de Commissie snel te handelen om dit probleem op te lossen;

24.  roept de Commissie op te zorgen voor meer voorlichting en informatie over het instrument en over de voorwaarden voor toegang, de procedure te vereenvoudigen, en de overeenkomsten tussen tussenpersonen voor microfinanciering en het EIF flexibeler en begrijpelijker te maken, waardoor kleinere tussenpersonen sneller toegang tot de markt kunnen krijgen;

25.  is van mening dat het verslag van de Commissie over de uitvoering van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit – 2013 zeer algemeen is en onvoldoende details bevat over de uitvoering ervan;

26.  moedigt de Commissie aan ervoor te zorgen dat de faciliteit en het EaSI-instrument blijven bijdragen aan de toegevoegde waarde en zichtbaarheid van de EU.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Verónica Lope Fontagné, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Richard Ashworth, Gerben-Jan Gerbrandy, Brian Hayes, Karin Kadenbach, Barbara Kappel, Marian-Jean Marinescu, Julia Pitera, Patricija Šulin, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrejs Mamikins

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Arne Gericke, Thomas Händel, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Zdzisław Krasnodębski, Kostadinka Kuneva, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Dominique Martin, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Ulla Tørnæs, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Tim Aker, Georges Bach, Amjad Bashir, Lynn Boylan, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, António Marinho e Pinto, Edouard Martin, Joachim Schuster, Michaela Šojdrová, Ivo Vajgl, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Sorin Moisă

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

49

+

ALDE

ECR

EFDD

ENF

GUE/NGL

PPE

 

 

S&D

 

 

Verts/ALE

Enrique Calvet Chambon, António Marinho e Pinto, Yana Toom, Ulla Tørnæs, Ivo Vajgl, Renate Weber

Amjad Bashir, Arne Gericke, Zdzisław Krasnodębski, Ulrike Trebesius, Jana Žitňanská

Laura Agea, Tiziana Beghin

Mara Bizzotto

Lynn Boylan, Tania González Peñas, Thomas Händel, Kostadinka Kuneva, Inês Cristina Zuber

Georges Bach, David Casa, Danuta Jazłowiecka, Dieter-Lebrecht Koch, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Ádám Kósa, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Anne Sander, Sven Schulze, Romana Tomc, Michaela Šojdrová

Guillaume Balas, Vilija Blinkevičiūtė, Ole Christensen, Elena Gentile, Agnes Jongerius, Jan Keller, Javi López, Edouard Martin, Sorin Moisă, Joachim Schuster, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Marita Ulvskog, Flavio Zanonato

Tatjana Ždanoka

2

-

EFDD

ENF

Tim Aker

Dominique Martin

1

0

NI

Lampros Fountoulis

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=nl&pubId=7760

(2)

http://bookshop.europa.eu/fr/study-on-imperfections-in-the-area-of-microfinance-and-options-how-to-address-them-through-an-eu-financial-instrument-pbKE0214424/?CatalogCategoryID=ZjsKABstHnIAAAEjH5EY4e5L

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238.

(4)

PB L 87 van 7.4.2010, blz. 2.

(5)

PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 85.

(6)

http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2015/547555/EPRS_IDA(2015)547555_EN.pdf

(7)

Tussentijdse evaluatie van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit

(8)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad

van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

Juridische mededeling - Privacybeleid