Procedure : 2015/2325(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0024/2016

Ingediende teksten :

A8-0024/2016

Debatten :

PV 08/03/2016 - 5
CRE 08/03/2016 - 5

Stemmingen :

PV 08/03/2016 - 6.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0073

VERSLAG     
PDF 351kWORD 147k
10.2.2016
PE 571.702v03-00 A8-0024/2016

over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU

(2015/2325(INI))

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteur: Mary Honeyball

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU

(2015/2325(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 8 en 78 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het Protocol daarbij van 1967,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV) en algemene aanbeveling nr. 32 van 14 november 2014 van de IVDV-commissie inzake de gendergerelateerde aspecten van de vluchtelingenstatus, asiel, nationaliteit en de staatloosheid van vrouwen,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op de speciale zittingen van de Verenigde Naties "Peking+5", "Peking+10", en "Peking+15", en "Peking+20",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2015 getiteld "Een Europese migratieagenda" (COM(2015)0240),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2015 getiteld "EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015 – 2020)" (COM(2015)0285),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 oktober 2015 over migratie, en met name de sterke betrokkenheid bij de mensenrechten van vrouwen en meisjes die daarin tot uiting wordt gebracht,

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers hiervan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit van de Raad 2001/220/JBZ,

–  gezien Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming,

–  gezien Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven,

–  gezien Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming,

–  gezien het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU,

–  gezien Verordening (EG) nr. 862/2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming,

–  gezien Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 getiteld "Genderactieplan 2016‑2020",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 maart 2015 met de titel "Implementation of the European Neighbourhood Policy in 2014" (Tenuitvoerlegging van het Europees nabuurschapsbeleid in 2014) (SWD(2015)0076),

–  gezien de resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad (UNSCR) over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien zijn resolutie van 2 december 2015 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex (OI/5/2012/BEH-MHZ)(1),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0024/2016),

A.  overwegende dat een ongekend en toenemend aantal mannen, vrouwen en kinderen internationale bescherming zoekt in de EU ten gevolge van aanhoudende conflicten, regionale instabiliteit en schendingen van de mensenrechten, waaronder op gender gebaseerd geweld en verkrachting als oorlogswapen;

B.  overwegende dat er in de Europese Unie een sterke mate van genderongelijkheid bestaat onder asielzoekers; overwegende dat vrouwen gemiddeld een derde van de asielaanvragers uitmaken; overwegende dat tussen januari en november 2015 ongeveer 900 000 mensen de Europese kust hebben bereikt via de Middellandse Zee en dat ongeveer 38 % hiervan vrouwen en kinderen zijn; overwegende dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) melding heeft gemaakt dat sinds januari 2016, 55 % van degenen die Griekenland bereikt hebben om asiel aan te vragen, uit vrouwen en kinderen bestond; overwegende dat reeds te veel personen om het leven zijn gekomen tijdens hun door hoop ingegeven reis en dat velen van hen vrouwen zijn;

C.  overwegende dat vrouwen en LGBTI-personen te maken hebben met specifieke vormen van op gender gebaseerde vervolging, wat nog al te vaak niet wordt erkend in de asielprocedures;

D.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, te weten het beschermen van vrouwen en het aanmerkelijk versterken van hun deelname aan politieke en besluitvormingsprocessen, niet is verwezenlijkt;

E.  overwegende dat volgens de UNHCR jaarlijks naar schatting 20 000 vrouwen en meisjes afkomstig uit landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt, asiel zoeken in de EU-lidstaten; overwegende dat een aanzienlijk aantal vrouwen die een asielaanvraag indienen, dit doet vanwege angst voor vrouwelijke genitale verminking (VGV);

F.  overwegende dat volgens de UNHCR naar schatting 71 % van de vrouwelijke asielaanvragers in de EU vanuit landen waar VGV wordt toegepast, overlevenden van VGV zijn; overwegende dat op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens de uitzetting is stopgezet van meisjes die het gevaar lopen slachtoffer van genitale verminking te worden en daarmee het risico lopen dat hun lichamelijke en geestelijke gezondheid onherstelbaar wordt beschadigd;

G.  overwegende dat vrouwen en meisjes die asiel zoeken specifieke beschermingsbehoeften en andere zorgen dan mannen hebben, hetgeen vereist dat de uitvoering van alle asielbeleidsmaatregelen en ‑procedures, met inbegrip van de beoordeling van asielaanvragen, gendergevoelig en individueel is; overwegende dat geweldgerelateerde asielaanvragen moeten worden behandeld op een manier die vrouwen beschermt tegen secundaire victimisatie tijdens de asielprocedure;

H.  overwegende dat het integratieproces en de rechten van vrouwen en meisjes worden ondermijnd wanneer hun rechtspositie afhankelijk is van hun echtgenoot;

I.  overwegende dat de betreffende maatregelen die het gemeenschappelijk Europees asielstelsel vormen omgezet en uitgevoerd moeten worden overeenkomstig het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, en andere toepasselijke instrumenten;

J.  overwegende dat de behandeling van vrouwen en meisjes die asiel zoeken in de lidstaten sterk uiteenloopt en er nog steeds sprake is van zeer grote tekortkomingen;

K.  overwegende dat vrouwelijke vluchtelingen en vrouwen die asiel zoeken vaak het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie en kwetsbaarder zijn voor seksueel en op gender gebaseerd geweld in de landen van herkomst, van doorreis en bestemming; overwegende dat met name niet-begeleide vrouwen en meisjes, vrouwen die hoofd van een gezin zijn, zwangere vrouwen, personen met een handicap en ouderen kwetsbaar zijn;

L.  overwegende dat vrouwelijke vluchtelingen niet alleen te kampen hebben met bedreigingen van hun persoonlijke veiligheid (een lange en gevaarlijke reis in ballingschap, intimidatie, ambtelijke onverschilligheid en met regelmaat seksueel misbruik en geweld, zelfs als ze een ogenschijnlijk veilige plek hebben bereikt en met de sociale stigmatisering die daar het gevolg van is), maar dat zij ook moeten zorgen voor de fysieke veiligheid, het welzijn en het overleven van hun gezin;

M.  overwegende dat veel vluchtelingen die in Europa zijn aangekomen in provisorische omstandigheden in kampen of op straat leven, en dat vooral vrouwen en meisjes kwetsbaar zijn;

N.  overwegende dat criminele netwerken misbruik maken van het ontbreken van een veilige doorgang naar de EU voor asielzoekers en vluchtelingen, de regionale instabiliteit, conflicten en de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes die proberen te vluchten, om hen middels mensenhandel en seksuele uitbuiting te exploiteren;

O.  overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van geweld en mensenhandel een groter risico lopen op seksueel overdraagbare aandoeningen;

P.  overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) melding heeft gemaakt van misbruik van en geweld, waaronder seksueel geweld, tegen gevluchte vrouwen en kinderen, tijdens hun reis en in overbevolkte opvangcentra in de EU;

Q.  overwegende dat vrouwen en meisjes die een veilig heenkomen zoeken in de EU vaak vluchten voor een regime dat vrouwen onderdrukt, de gelijkheid tussen man en vrouw niet erkent, geweld tegen vrouwen en misbruik van vrouwen gedoogt en kindhuwelijken, gedwongen huwelijken en huwelijken op jonge leeftijd toestaat;

R.  overwegende dat de opvangcentra heel vaak niet zijn uitgerust met ruimten waar moeders hun kinderen kunnen verzorgen; en dat de voorzieningen voor rechtsbijstand geen passende ondersteuning bieden bij het verkrijgen van inlichtingen en de zoektocht naar familieleden;

S.  overwegende dat in de opvang- en doorgangscentra in de gehele Europese Unie niet wordt tegemoetgekomen aan de meest elementaire behoeften die gendergerelateerd geweld kunnen voorkomen, namelijk gescheiden badkamers, douches en slaapruimten voor vrouwen;

T.  overwegende dat meisjes die voor conflicten en vervolging vluchten een verhoogd risico lopen op kindhuwelijken, gedwongen huwelijken, huwelijken op jonge leeftijd, verkrachting, seksueel misbruik en mishandeling, en prostitutie;

U.  overwegende dat scheiding van hun familieleden, onder meer wanneer zij worden vastgehouden, vrouwen en kinderen aan grotere risico's blootstelt;

V.  overwegende dat gezinshereniging een grondrecht is dat evenwel stelselmatig wordt vertraagd en zelfs geschonden, en dat vrouwen en kinderen de eerste slachtoffers zijn van de ontzegging of vertraging van dit recht;

W.  overwegende dat vrouwen dikwijls worden gedwongen om zwartwerk en werk tegen vernederende voorwaarden te accepteren om maar in het land van aankomst te kunnen blijven;

X.  overwegende dat het actieprogramma van Peking duidelijk heeft gemaakt dat vrouwen op besluitvormingsniveau moeten deelnemen aan de oplossing van conflicten, en vrouwelijke vluchtelingen, ontheemde vrouwen en vrouwelijke migranten op passende wijze betrokken moeten worden bij besluiten die op hen van toepassing zijn;

Y.  overwegende dat de vijfde doelstelling inzake duurzame ontwikkeling erop is gericht tegen 2030 gendergelijkheid en betere levensomstandigheden voor vrouwen tot stand te brengen;

1.  is van mening dat, om de beveiliging en veiligheid van vrouwen en meisjes onder de vluchtelingen te verbeteren, veilige en legale routes naar de EU beschikbaar moeten worden gesteld aan hen die voor conflicten en vervolging vluchten, en dat daarbij het genderaspect in aanmerking moet worden genomen; benadrukt in het bijzonder dat meer lidstaten moeten deelnemen aan de hervestigingsprogramma's van de EU; is van oordeel dat wetgeving en beleid inzake irreguliere migratie niet aan de toegang tot EU-asielprocedures in de weg mag staan; benadrukt dat het recht op asiel is verankerd in artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de EU;

2.  onderstreept dat er dringend rechtstreekse legale en veilige asielroutes moeten worden opengesteld om smokkelnetwerken tegen te gaan en vrouwen, kinderen, bejaarden en personen met een handicap beter in staat te stellen om zonder gevaar voor eigen leven een veilig heenkomen te zoeken; maakt zich grote zorgen over sterfgevallen, terugdringoperaties en ernstige schendingen van mensenrechten aan de buitengrenzen van de EU; is van mening dat de verantwoordelijkheid en de kosten en baten moeten worden verdeeld over alle 28 lidstaten en niet slechts over de landen van binnenkomst; betreurt het gebrek aan solidariteit tussen de EU-lidstaten;

3.  benadrukt hoe belangrijk het is dat vrouwelijke vluchtelingen in individuele procedures worden ingeschreven en de relevante documenten ontvangen om hun individuele veiligheid, de vrijheid van verkeer en de toegang tot diensten op het gebied van de eerste levensbehoeften te garanderen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen eist;

4.  benadrukt dat de coördinatiecomités en andere instanties die de vluchtelingen vertegenwoordigen, hetzij in stedelijke of plattelandsgebieden, hetzij in de vluchtelingenkampen of de terugkeergebieden, het beginsel van gendergelijkheid in acht moeten nemen, teneinde de eerbiediging van de rechten en behoeften van vrouwelijke vluchtelingen en vrouwen die asiel zoeken te waarborgen;

5.  vraagt alle lidstaten en de Europese Unie nogmaals om het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul) te ondertekenen en te ratificeren;

6.  verzoekt de lidstaten om samen met de EU gespecialiseerde traumatherapie en psychosociale zorg te waarborgen voor vrouwen die gendergerelateerd leed hebben ondervonden, met de rechtstreekse betrokkenheid van vrouwen die gekwalificeerd en gespecialiseerd zijn op dit terrein;

7.  uit zijn ernstige zorgen over meldingen dat vrouwen en kinderen zich overgeven aan overlevingsseks om smokkelaars te betalen, teneinde hun reis naar de EU voort te zetten en daar asiel aan te vragen; benadrukt nogmaals dat veilige en legale routes naar Europa van cruciaal belang zijn om deze realiteit doeltreffend te voorkomen;

8.  dringt er bij de EU op aan dat zij bij het opzetten van een klachtenmechanisme in het bureau van de grondrechtenfunctionaris bij Frontex tevens oog heeft voor genderspecifieke kwesties, en de mensenrechtenschendingen door Frontex, de lidstaten en functionarissen van derde landen in het kader van de samenwerking met Frontex, naar behoren aan te pakken, zoals het Europees Parlement verzocht heeft in zijn resolutie van 2 december 2015 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex (OI/5/2012/BEH-MHZ);

9.  verzoekt om gerichte maatregelen om de volledige integratie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers te waarborgen door iedere vorm van uitbuiting, misbruik, geweld en mensenhandel te voorkomen;

10.  benadrukt dat bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van EU-beleidslijnen en ‑maatregelen op het gebied van migratie en asiel altijd rekening moet worden gehouden met genderaspecten;

Genderaspecten van de vaststelling van de vluchtelingenstatus

11.  verzoekt om een nieuwe, alomvattende reeks EU-brede genderrichtsnoeren, die moet worden vastgesteld als onderdeel van bredere hervormingen van het migratie- en asielbeleid, die volledig recht doen aan de sociale, culturele en politieke dimensie van vervolging en onder meer maatregelen omvatten op het gebied van opvang en integratie;

12.  onderstreept dat zelfs in veilig gewaande landen vrouwen het slachtoffer kunnen zijn van op gender gebaseerde vervolging, terwijl LGBTI-personen ook te maken kunnen krijgen met mishandeling, waardoor ze een legitiem verzoek om bescherming kunnen indienen; verzoekt alle lidstaten om asielprocedures vast te stellen en te streven naar de ontwikkeling van opleidingsprogramma's die ingaan op de behoeften van vrouwen met diverse gemarginaliseerde identiteiten, waaronder LGBTI-vrouwen; dringt er bij de lidstaten op aan om schadelijke stereotypen over het gedrag en de eigenschappen van LGBTI-vrouwen te bestrijden en om ten aanzien van hun asielaanvragen het Europees Handvest van de grondrechten volledig toe te passen; benadrukt het belang van LGBTI-gevoelige opvangcentra in alle lidstaten; benadrukt dat geweld tegen LGBTI-personen regelmatig voorkomt in opvangcentra;

13.  benadrukt dat gendergerelateerde vormen van geweld, met inbegrip van (maar niet beperkt tot) vrouwelijke genitale verminking, gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, verkrachting, seksueel geweld en zogeheten eermisdrijven, vormen van vervolging zijn en geldige motieven zijn om asiel aan te vragen en dit moet worden weerspiegeld in de nieuwe genderrichtsnoeren;

14.  verzoekt de Commissie op grondige wijze statistieken te verzamelen over migratie en internationale bescherming met het oog op de toevoeging van meer naar gender uitgesplitste gegevenscategorieën, met name in verband met stadia van de asielprocedure na de vaststelling van een eerste besluit;

15.  dringt er bij de Commissie op aan interpretatierichtsnoeren te ontwikkelen ten aanzien van vrouwelijke genitale verminking, die ten volle rekening houden met de UNHCR-richtsnoeren over op gender gebaseerde vervolging en de VGV-leidraad, en de verplichtingen van lidstaten duidelijk uiteenzetten, met speciale aandacht voor het identificeren van en communiceren met kwetsbare asielzoekers; benadrukt dat overlevenden van VGV hun trauma als gevolg van VGV wellicht moeilijk zullen kunnen uiten; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van genitale verminking, worden erkend als een vorm van vervolging, zodat de slachtoffers uit hoofde van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden beschermd, overeenkomstig artikel 60 van de Overeenkomst van Istanbul;

16.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat asielprocedures aan de grens voldoen aan de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming, in het bijzonder met betrekking tot gendergerelateerde vervolging;

17.  verzoekt de Commissie gezien deze situatie te overwegen de financiering en reikwijdte van de Daphne- en Odysseus-programma's te vergroten en de mogelijkheid te overwegen deze programma's aan te passen aan de huidige situatie, ter bescherming van vrouwelijke vluchtelingen;

18.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst; eist dat alle passende stappen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat deze aanpak overeenstemt met het beginsel van non-refoulement en dat de rechten van vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen niet worden ondermijnd; verzoekt om de toepassing van genderdifferentiatie; is van mening dat een lijst met veilige landen van herkomst niet mag resulteren in een minder gunstige procedurele behandeling van vrouwen die asiel aanvragen op basis van hun angst voor of ervaringen met gendergerelateerd geweld; benadrukt dat haastige besluiten moeten worden voorkomen waarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met het gevaar of zelfs het levensgevaar voor vrouwen die slachtoffer zijn van op gender gebaseerd geweld als hun verzoek wordt afgewezen en ze moeten terugkeren naar hun eigen land;

19.  verzoekt om meer objectieve en gendergevoelige benaderingen van de geloofwaardigheidsbeoordelingen in alle lidstaten, en betere scholing van besluitvormers wat geloofwaardigheidsbeoordelingen betreft, en dat in deze scholing genderaspecten worden opgenomen; beklemtoont dat geloofwaardigheidsbeoordelingen nimmer volledig accuraat kunnen zijn en derhalve niet mogen worden gebruikt als basis voor een negatief asielbesluit; beveelt aan om bij de beoordeling van asielaanvragen van vrouwen rekening te houden met culturele, sociale en psychologische profielen, met inbegrip van culturele achtergrond, opleiding, trauma, angst, schaamte en/of culturele ongelijkheden tussen mannen en vrouwen;

20.  verzoekt de lidstaten positieve asielbesluiten te motiveren, teneinde de beschikking te hebben over bruikbare gegevens betreffende de aandacht die aan gender gebaseerd geweld besteed is en om te zorgen voor transparantie inzake de gronden waarop asielaanvragen uit hoofde van het Verdrag zijn gehonoreerd;

21.  dringt er bij de lidstaten op aan vrouwen te informeren over de asielprocedure, hun rechten en de specifieke voorzieningen voor vrouwen die asiel aanvragen; onderstreept het recht van vrouwen om onafhankelijk van hun echtgenoot een asielaanvraag in te dienen en wijst erop dat dit recht cruciaal is voor de positie van de vrouw en het beginsel van non-refoulement; dringt er bij de lidstaten op aan alle vrouwen te informeren over hun recht om een zelfstandige asielaanvraag in te dienen, zodat vrouwen de vluchtelingen- of asielstatus kunnen aanvragen en behouden ongeacht de situatie van hun gezinsleden;

22.  roept de lidstaten op om Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan en Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten volledig ten uitvoer te leggen;

23.  is van mening dat er bij vermoedens van gendergerelateerd geweld onmiddellijk humanitaire hulp moet worden geboden, aangezien kwetsbare groepen, zoals vrouwen en kinderen, langs de illegale migratieroutes in hoge mate aan fysiek en geestelijk geweld worden blootgesteld en allerlei rechten worden onthouden;

24.  benadrukt dat vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn voor uitbuiting door smokkelaars; verzoekt de lidstaten derhalve hun politiële en justitiële samenwerking, waaronder die met Europol, Frontex, Eurojust en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), te versterken teneinde de migrantensmokkel en ‑handel doeltreffend te bestrijden;

25.  benadrukt dat het van cruciaal belang is om kinderopvang en zorg aan zorgbehoevenden te bieden tijdens de screening- en asielgesprekken, zodat een eerlijke kans wordt geboden om een asielaanvraag in te dienen;

Behoeften van vrouwen in asielprocedures

26.  dringt er bij de lidstaten op aan vrouwen die asiel aanvragen naar behoren te informeren over hun rechten en met name het recht om te verzoeken om een vrouwelijke gehoormedewerker en tolk, en het recht op een persoonlijk gehoor, gescheiden van derde partijen; dringt er bij de lidstaten op aan gehoormedewerkers en tolken uitgebreid en verplicht te scholen over seksueel geweld, trauma en geheugen; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat deze rechten worden nageleefd;

27.  constateert met bezorgdheid dat veel functionarissen bij de asielopvang in de EU niet bekend zijn met VGV; vraagt de lidstaten op nationaal niveau samen te werken met de asielautoriteiten om te zorgen voor betere procedures en zo bij te dragen aan de ondersteuning en bijstand van vrouwen en meisjes die VGV hebben ondergaan of gevaar daarop lopen;

28.  dringt er bij alle lidstaten op aan om geactualiseerde en toegankelijke informatie te verstrekken over de specifiek voor vrouwelijke asielaanvragers geldende asielprocedure, ‑rechten en ‑aanspraken;

29.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met inbegrip van toegang tot veilige abortus, en dringend extra middelen toe te wijzen aan de verlening van gezondheidszorg;

30.  vraagt de Commissie en de lidstaten met klem om vrouwen te beschermen en te ondersteunen tijdens het verblijf in vluchtelingenkampen, bij grenscontroles en uiteraard na binnenkomst in de EU;

31.  dringt er bij alle lidstaten op aan het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul) te ratificeren en uitvoering te geven aan artikel 59 daarvan, waarin duidelijk is bepaald dat de partijen de maatregelen nemen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitzettingsprocedure van vrouwelijke migranten wier verblijfstitel afhangt van die van hun echtgenoot bij beëindiging van het huwelijk wordt opgeschort en/of dat deze vrouwen een eigen verblijfsvergunning krijgen;

32.  roept ertoe op om vrouwelijke asielzoekers en migranten een rechtspositie te verlenen die niet afhangt van die van hun echtgenoot, teneinde uitbuiting te vermijden, hun kwetsbaarheid te verminderen en te zorgen voor meer gelijkheid;

33.  benadrukt dat (al dan niet meerderjarige) migrantes zonder papieren volledige toegang moeten hebben tot hun grondrechten en dat er kanalen voor legale migratie moeten worden ontwikkeld;

34.  wijst op de noodzaak van procedures voor gezinshereniging teneinde te voorzien in de individuele rechten van vrouwen en meisjes die zich in de EU met hun gezin herenigen, zodat zij voor gezondheidszorg, onderwijs en werk niet afhankelijk hoeven te zijn van een relatie met een mannelijk familielid, waarbij mogelijk sprake is van misbruik;

35.  veroordeelt ten stelligste het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen als oorlogswapen; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan (al dan niet meerderjarige) migrantes die tijdens conflicten zijn misbruikt, door te waarborgen dat zij toegang hebben tot medische en psychische ondersteuning;

36.  verwelkomt de ontwikkeling van een nieuwe opleidingsmodule inzake gender, genderidentiteit en seksuele oriëntatie door het EASO; vraagt om volledige opname van gendermainstreaming en genderbewuste budgettering in de werkzaamheden van het EASO door middel van gendersteunpunten en een formele koppeling met het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE); vraagt om informatie over het land van herkomst die tevens de toestand van vrouwen omvat, zowel wettelijk als in de praktijk, met inbegrip van informatie over vervolging of het gevaar daarop door niet-overheidsactoren;

37.  beveelt aan dat ambtenaren bij de beoordeling van asielaanvragen een proactieve houding aannemen, met name ten aanzien van vrouwen uit Afghanistan, Irak en Somalië, gelet op het feit dat deze vrouwen bij de terugkeer naar hun land van herkomst een groter risico lopen om het slachtoffer te worden van seksueel of op gender gebaseerd geweld;

38.  moedigt alle lidstaten aan volledig gebruik te maken van de Dublinverordening en te zorgen dat gezinnen samen kunnen zijn en dat hun asielaanvragen door dezelfde autoriteiten worden behandeld;

Opvang en detentie

39.  roept ertoe op een einde te maken aan de opsluiting van kinderen in de EU en te zorgen voor huisvesting op maat waar ouders in afwachting van hun asielbesluit samen met hun kinderen kunnen wonen;

40.  onderstreept dat detentie van asielzoekers moet worden vermeden en uitsluitend mag worden toegepast voor een legitiem doel en indien voor elk geval apart is vastgesteld dat dit zowel nodig als evenredig is, en detentie nooit gerechtvaardigd kan zijn voor personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt hebben; is van mening dat eerbiediging van het recht om asiel aan te vragen met zich meebrengt dat er open en humane opvangregelingen voor asielzoekers bestaan, waaronder een veilige, fatsoenlijke behandeling met eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat er alternatieven voor detentie moeten worden ontwikkeld, waaronder een op verbintenissen gerichte aanpak die tegemoetkomt aan de behoeften van kwetsbare groepen;

41.  beklemtoont dat vele vrouwelijke asielzoekers en vluchtelingen buitensporig geweld hebben ondergaan en dat detentie hun trauma's kan verergeren; benadrukt dat detentie van asielzoekers voor louter bestuurlijk gemak in strijd is met het recht op vrijheid, zoals uiteengezet in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; verzoekt dat in alle lidstaten onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de detentie van kinderen, zwangere en borstvoeding gevende vrouwen en overlevenden van verkrachting, seksueel geweld en mensenhandel, en dat passende psychologische ondersteuning beschikbaar wordt gesteld;

42.  dringt er bij alle lidstaten op aan de maximale duur van de detentie met het oog op verwijdering zodanig te beperken dat deze korter is dan de in de terugkeerrichtlijn vermelde termijn; is van mening dat langdurige detentie kwetsbare groepen onevenredig treft;

43.  dringt erop aan dat vrouwelijke asielzoekers in detentie die te maken hebben gekregen met seksueel geweld, passend medisch advies en passende medische counseling krijgen, ook als ze door het seksueel geweld zwanger zijn geraakt, en tevens de vereiste lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg, ondersteuning en juridische bijstand moeten ontvangen; eist dat de Commissie en de lidstaten onmiddellijke maatregelen nemen om te zorgen voor veilige en adequate omstandigheden voor opvang, doorreis en detentie, met gescheiden accommodatie en sanitaire voorzieningen voor vrouwen en gezinnen; wijst erop dat het beschikbaar stellen van hygiëne-artikelen voor vrouwen en meisjes standaard deel moet uitmaken van zorgprogramma's;

44.  benadrukt dat door een directe en indirecte betrokkenheid van vrouwelijke vluchtelingen bij het regelen van de verdeling van voedsel en niet-levensmiddelen gewaarborgd wordt dat deze direct worden verdeeld en beheerd door de volwassen vrouwelijke gezinsleden, zodat ze ook eerlijk worden verdeeld;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de centra waar vluchtelingen en asielzoekers worden opgevangen uit te rusten met passende ruimten waar deze hun kinderen kunnen verzorgen;

46.  verzoekt de lidstaten om te zorgen voor de tenuitvoerlegging of versterking van mechanismen voor toezicht op overbevolkte opvangcentra in de Unie waar niet wordt voldaan aan de nodige minimumvoorwaarden voor het verminderen van gendergeweld en om aldus te voorkomen dat vrouwen en kinderen ook in het land van aankomst worden geïntimideerd;

47.  wijst erop dat de behoeften van kwetsbare groepen zoals vrouwelijke slachtoffers van geweld en meisjes, met name niet-begeleide meisjes, voorrang moeten krijgen bij de opvangprocedures;

48.  wijst erop hoe belangrijk het is dat vrouwen passende rechtsbijstand krijgen in de opvangcentra opdat zij daadwerkelijk ondersteund worden bij het verkrijgen van informatie en de zoektocht naar familieleden;

49.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen ter voorkoming van gedwongen huwelijken waaraan meisjes en vrouwen, zodra zij de vluchtelingenstatus hebben verkregen, worden blootgesteld om zekere toegang te waarborgen voor mannen die daartoe anders geen recht hadden;

50.  benadrukt de dringende behoefte aan onafhankelijk onderzoek van alle beschuldigingen, met inbegrip van seksueel misbruik en gendergerelateerd geweld, in detentiecentra voor immigranten of aan de grenzen, en aan verlening van toegang aan journalisten en relevante maatschappelijke organisaties;

51.  wijst erop dat, wanneer vrouwelijke asielzoekers in bewaring worden gehouden, er faciliteiten en materialen vereist zijn om aan de specifieke hygiënische behoeften van vrouwen te voldoen, dat het inzetten van vrouwelijke bewakers en cipiers moet worden bevorderd, en dat al het personeel dat werkt met vrouwelijke gedetineerden scholing moet krijgen over de genderspecifieke behoeften en de mensenrechten van vrouwen;

52.  is van mening dat vrouwelijke asielzoekers in detentie die melding maken van misbruik, onmiddellijk bescherming, ondersteuning en counseling moeten krijgen en dat hun beweringen moeten worden onderzocht door bevoegde en onafhankelijke autoriteiten, met volledige naleving van het beginsel van vertrouwelijkheid, ook wanneer vrouwen in bewaring worden gehouden samen met hun echtgenoten, partners of andere familieleden; wijst er op dat beschermingsmaatregelen in het bijzonder rekening moeten houden met het gevaar voor vergelding;

53.  vraagt de Commissie, de lidstaten en de lokale autoriteiten om samen met het maatschappelijk middenveld en de mensenrechtenorganisaties te werken aan het verlichten van de benarde situatie van vluchtelingen die zich moeten handhaven in provisorische omstandigheden, en dan met name de situatie van kwetsbare vrouwen en meisjes;

Sociale inclusie en integratie

54.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te ontwikkelen en uit te voeren ter bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, onder meer in de vorm van taalcursussen, alfabetiseringsprogramma's, een leven lang leren en scholing; roept de Commissie, de lidstaten en de lokale autoriteiten op om het recht van meisjes in vluchtelingenkampen op toegang tot wettelijk verplicht onderwijs te waarborgen; benadrukt het belang van informeel en niet-formeel onderwijs en culturele uitwisseling ten behoeve van de inclusie en verbetering van de positie van jonge vrouwen en meisjes; benadrukt het belang van een verruimde toegang tot hoger onderwijs voor vrouwelijke vluchtelingen; verzoekt om solide en transparante procedures voor de erkenning van in het buitenland behaalde kwalificaties;

55.  roept de Commissie en de lidstaten op financiering en andere middelen beschikbaar te stellen voor maatschappelijke en mensenrechtenorganisaties die bijstand verlenen, inclusie bevorderen en de toestand van vluchtelingen en asielzoekers in de EU monitoren, in het bijzonder ten aanzien van de aanpak van de obstakels en kwetsbaarheden waarmee vrouwen en meisjes worden geconfronteerd;

56.  verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat gevluchte vrouwelijke leiders die in hun land van herkomst worden vervolgd, veilig hun politieke en sociale activiteiten ten gunste van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid binnen de EU kunnen uitvoeren;

57.  beklemtoont het essentiële belang van toegankelijke en kwalitatief goede kinderopvang en opvang van andere zorgbehoevenden bij de bevordering van de versterking van de economische en maatschappelijke positie van vrouwelijke vluchtelingen;

58.  moedigt de lidstaten aan om gebruik te maken van de structuur- en investeringsfondsen, ter aanvulling van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, om de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt te bevorderen, met bijzondere aandacht voor kinderopvang;

59.  verzoekt om snellere, meer efficiënte gezinsherenigingsprocedures en de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens met betrekking tot besluiten inzake gezinshereniging; benadrukt het belang van toegang tot juridische bijstand in gevallen van gezinshereniging;

60.  is van mening dat wederzijdse erkenning van positieve asielbesluiten leidt tot grotere kansen op banen, integratie en gezinshereniging;

61.  benadrukt dat de gastlanden moeten zorgen voor volledige toegang tot het recht op gratis openbaar onderwijs van hoge kwaliteit, tot gezondheidsdiensten, met name op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, tot werkgelegenheid die overeenkomt met de behoeften en capaciteiten van vrouwelijke vluchtelingen, en tot huisvesting, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van vrouwen en meisjes die vluchteling zijn; benadrukt dat sociaal beleid van cruciaal belang is voor integratie;

62.  pleit voor uitgebreide programma's met adequate middelen ter invulling van de gezondheidsbehoeften van vrouwelijke vluchtelingen op korte en lange termijn waaraan nog niet wordt voldaan, met inbegrip van psychosociale counseling en traumatherapie;

63.  benadrukt de belangrijke positieve rol die sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen, zoals mutualiteiten en coöperaties, kunnen vervullen in het bieden van economische mogelijkheden aan vrouwelijke vluchtelingen en de integratie van deze vrouwen op de arbeidsmarkt en in de sociale en culturele sfeer;

64.  spoort aan tot het delen van optimale praktijken tussen de lidstaten ten aanzien van de betrokkenheid van gemeenschapsorganisaties, evenals van vluchtelingen zelf, die de standpunten van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers bij de beleidsmakers vertegenwoordigen;

65.  is van mening dat de regionale en lokale overheden een fundamentele rol spelen bij de integratie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, met name als het gaat om hun opname op de arbeidsmarkt; spoort deze overheden voorts aan de dialoog en de uitwisseling tussen vrouwelijke vluchtelingen en autochtone vrouwen te bevorderen;

°

°  °

66.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de UNHCR.

TOELICHTING

In 2014 bestond de helft van de vluchtelingen in de wereld uit vrouwen en meisjes(2). Van oudsher is in de internationale verdragen en in nationaal asielbeleid weinig aandacht besteed aan de specifieke positie van vrouwelijke asielzoekers en de genderaspecten van de vluchtelingensituatie. Voor de asielstelsels zijn vooral de ervaringen van mannen bepalend geweest. Ondanks de inrichting van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System — CEAS), blijven de wetgeving, het beleid en de praktijk in de lidstaten uiteenlopen en is er een opmerkelijke leemte in de bescherming van vrouwen die in de EU asiel zoeken.

Nauwkeurige statistieken over de demografische diversiteit van vluchtelingen die Europa trachten te bereiken zijn, gezien hun aard, moeilijk te genereren. Alle hedendaagse onderzoeken tonen aan dat meer alleenstaande mannen de EU binnenkomen om internationale bescherming te vragen dan vrouwen en kinderen. Dit is vooral een gevolg van de op gender gebaseerde belemmeringen die vrouwen tijdens hun hele reis bij de toegang tot bescherming ondervinden. Van oudsher ongelijke arbeidsdeling leidt ertoe dat vrouwen vaak achter worden gelaten om voor kinderen en oudere familieleden te zorgen. Veel vrouwen beschikken niet over de zelfstandigheid – zowel financieel als administratief – om hun land van herkomst überhaupt te kunnen verlaten.

De toenemende aantallen vrouwen die vluchten zijn tijdens alle etappes van hun reis kwetsbaar, in de landen van herkomst, doorreis en bestemming. Op gender gebaseerd geweld is niet alleen een belangrijke oorzaak dat vrouwen besluiten te vluchten maar ook een algemeen kenmerk van de reizen naar en binnen de EU.

De genderaspecten van de vaststelling van de vluchtelingenstatus

Er wordt beweerd dat het Europees Parlement het eerste internationale orgaan was dat de noodzaak van een gendergevoelige uitleg van het Vluchtelingenverdrag heeft erkend, in een resolutie van 13 april 1984(3), en wat vervolgens in conclusies en richtsnoeren van de UNHCR is herhaald. Veel EU-lidstaten hebben hun eigen genderrichtsnoeren vastgesteld, maar deze zijn niet-bindend, en maar voor een deel en niet overal even doeltreffend.

Alom wordt erkend dat dikwijls niet-statelijke actoren, waaronder familieleden, verantwoordelijk zijn voor het leed dat aan asielzoekende vrouwen is toegebracht. Vervolging vindt plaats wanneer de staat in dergelijke gevallen geen bescherming aan vrouwen kan of wil verlenen. Als gevolg hiervan moet vervolging zowel in haar horizontale als verticale dimensie worden beschouwd, in het bijzonder in de context van op gender gebaseerde aanvragen.

Veel lidstaten hebben het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (de Overeenkomst van Istanbul) nog steeds niet ondertekend of geratificeerd. De Overeenkomst schrijft voor dat staten die partij zijn, de gronden uit het Vluchtelingenverdrag op een gendergevoelige wijze uitleggen en gendergevoelige opvang, ondersteuningsdiensten en asielprocedures bieden.

De kwaliteit en de vorm van de besluitvorming in asielprocedures hebben voor vrouwen en mannen verschillende gevolgen. Het ligt niet voor de hand dat vrouwen over bewijs beschikken om een aanvraag te onderbouwen. Dit is aan verschillende factoren te wijten, onder meer hun economische, maatschappelijke en politieke status in hun land van herkomst, de aard van de vervolging waaraan zij blootgesteld zijn geweest, of angst. Daarom spelen mondelinge getuigenissen vaak een belangrijkere rol bij het asielverzoek van vrouwen, met name bij de beoordeling van de geloofwaardigheid.

Wanneer vrouwen trauma's hebben opgelopen is het mogelijk dat ze aarzelen of weinig bereid zijn relevante informatie te verstrekken. Enkele ngo's hebben melding gemaakt van een cultuur van ongeloof waarin besluitvormers geen rekening houden met de complexiteit van de herinnering van traumatische ervaringen en te hoge eisen stellen aan vluchtelingen die een asielaanvraag hebben ingediend waarbij weinig schriftelijk bewijs is gevoegd.

Het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst(4) doet belangrijke vragen rijzen over de situatie van vrouwen die een asielaanvraag indienen in de EU. Indien aangenomen, moet de Commissie ervoor zorgen dat in deze wijzigingen ten volle rekening wordt gehouden met de situatie van vrouwen, LGBTI's en andere kwetsbare groepen, en, waar nodig, in specifieke uitzonderingen voorzien. Geen land kan werkelijk geacht worden "veilig" te zijn voor vrouwen en meisjes wanneer op gender gebaseerd geweld een wereldwijd en hardnekkig probleem vormt. Dit moet uitdrukkelijk in elke nieuwe regel erkend worden en genderdifferentiatie moet worden toegepast.

Een nieuwe, omvattende reeks van EU-wijde genderrichtsnoeren moet worden vastgesteld als onderdeel van bredere hervormingen van het migratie- en asielbeleid.

De behoeften van vrouwen in asielprocedures

Vrouwen die asiel zoeken moeten in een zo vroeg mogelijk stadium toegang hebben tot kwalitatief hoogstaand juridisch advies. Als gevolg van geweld ondervinden veel vrouwen psychologisch trauma's, schaamte en stigmatisering wat het voor juridische vertegenwoordigers moeilijk kan maken om vertrouwen te winnen. Vrouwen moeten vertrouwen hebben om over intieme, traumatische ervaringen te kunnen vertellen.

Gendergerelateerde asielaanvragen zijn dikwijls ingewikkeld en kunnen als gevolg daarvan meer juridische werk vereisen. De afgelopen jaren zijn in veel lidstaten als gevolg van de bezuinigingsprogramma's de uitgaven voor rechtshulp aanzienlijk verlaagd. Een gebrek aan financiering kan ertoe leiden dat juridische vertegenwoordigers bij ingewikkelde gendergerelateerde zaken geen beroep instellen en, dientengevolge, veel vrouwelijke asielzoekers geen andere keuze hebben dan beroep in te stellen zonder enige vorm van juridische vertegenwoordiging.

Onjuiste besluiten kunnen leiden tot onherstelbare tragedies. Rechtshulp is dan ook een essentiële waarborg tegen onjuiste besluiten. Het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten heeft ook gewezen op obstakels voor asielaanvragers bij de toegang tot effectieve rechtsmiddelen(5). Een tekort aan juridische bijstand leidt er ook toe dat erkende vluchtelingen dikwijls hun recht op gezinshereniging niet kunnen uitoefenen.

Vrouwen hebben specifieke behoeften binnen antecedentenonderzoeken en gehoorprocessen en normen blijven aanzienlijk verschillen tussen de lidstaten. Om hierin verandering te brengen moeten lidstaten ten minste:

·het recht waarborgen en bekendmaken om om een vrouwelijke gehoormedewerker en tolk te verzoeken;

·gehoormedewerkers en tolken uitgebreid en verplicht scholen over seksueel geweld, trauma en geheugen;

·traumabegeleiding bieden aan vrouwen die op gender gebaseerd leed hebben ondervonden;

·informatie verstrekken over het asielproces, de specifieke rechten en aanspraken van vrouwelijke asielzoekers;

·in kinderopvang voorzien tijdens antecedentenonderzoek en gehoren;

·vrouwen informeren over hun recht om een onafhankelijke asielaanvraag in te dienen.

Er is behoefte aan meer gecoördineerde scholing van alle beroepsbeoefenaren die in contact kunnen komen met hen die vrouwelijke genitale verminking (VGV) hebben ondergaan, waaronder scholing over bestaande initiatieven zoals het internetkennisplatform voor een brede scholing van beroepsbeoefenaren(6).

Mensenhandel, smokkel en seksueel geweld

Gedwongen verplaatsing gaat gepaard met vele gendergerelateerde vormen van uitbuiting en vervolging, waaronder mensenhandel gericht op seksuele uitbuiting of uitbuiting als arbeidskracht. Vrouwen en meisjes die voor conflicten en vervolging vluchten, lopen een groter risico op kindhuwelijken, gedwongen huwelijken of huwelijken op jonge leeftijd. Er zijn ook aanwijzingen dat overlevingsseks een ruilmiddel is geworden waarmee gewetenloze smokkelaars in enkele regio's zich laten betalen.

Seksueel geweld is dikwijls een strategie om vrouwen en meisjes hun elementaire mensenrechten te onthouden en kan uitmonden in gedwongen, ongewilde en kindzwangerschappen. Meer dan een derde van aan zwangerschap gerelateerde sterfgevallen wereldwijd vindt plaats in crisisomstandigheden zoals in vluchtelingenkampen. Dit is vooral het gevolg van gebrek aan toegang tot elementaire verloskundige verzorging en bekwame gezondheidswerkers. Vanwege onvoldoende of afwezige voorzieningen voor seksuele en reproductieve gezondheidszorg lopen miljoenen vrouwen en kinderen onnodig de kans om ziek te worden of te overlijden.

De Commissie en de lidstaten moeten volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten waarborgen, met inbegrip van toegang tot veilige abortus. Dringend moeten extra middelen worden toegewezen.

Mensenhandel en ‑smokkel zijn dikwijls verwante en met elkaar verbonden problemen. De twee categorieën zijn echter verschillend en geven aanleiding tot verschillende juridische verplichtingen. Mensenhandel gaat altijd gepaard met dwang en uitbuiting en hoeft niet tot irreguliere grensoverschrijding te leiden. Om te komen tot passende en gerichte strafrechtelijke en beleidsantwoorden moeten de twee verschijnselen los van elkaar worden benaderd.

Het toegenomen gebruik van smokkelaars en onveilige migratieroutes leiden voor vrouwen tot specifieke problemen. Wanneer vrouwen en hun gezinnen alleen nog kunnen kiezen voor gevaarlijkere routes neemt het risico op geweld en de afhankelijkheid van criminele smokkelaars toe. Uiteindelijk moeten, om de beveiliging en veiligheid van vrouwelijke vluchtelingen te verbeteren, veilige en legale routes naar de EU beschikbaar gesteld worden aan hen die voor conflicten en vervolging vluchten.

Veiligheid en eerbied voor de rechten van vrouwen hoeven geen tegenstrijdige beleidsdoelstellingen te zijn.

Opvang en detentie

Vrouwen hebben specifieke opvangbehoeften, zoals erkend is in artikel 60, lid 3, van de Overeenkomst van Istanbul, waarin bepaald wordt dat partijen:

de wetgevende of andere maatregelen [moeten nemen] die nodig zijn om gendersensitieve opvangprocedures en ondersteuningsdiensten voor asielzoekers op te zetten [...]

Op grond van de richtlijn opvangvoorzieningen vallen vrouwen echter niet stelselmatig onder de categorie "kwetsbare personen" en hebben zij geen recht op aangepaste accommodatie.

Druk op de asielopvangstelsels mag nooit als excuus gelden voor het niet beschermen van vrouwen tegen geweld en op vrouwen die asiel zoeken mogen geen dubbele maatstaven worden toegepast; zij behoren over dezelfde rechten te beschikken als andere slachtoffers van op gender gebaseerd geweld. In de richtlijn slachtofferbescherming wordt voorts bepaald dat de daarin opgenomen rechten niet afhankelijk gesteld mogen worden van de verblijfsstatus, het burgerschap of de nationaliteit van het slachtoffer.

Een aantal andere kwesties in verband met de opvangomstandigheden moeten worden aangepakt:

•  genderspecifieke scholing van personeel met inbegrip van uitgebreide scholing over seksueel geweld, mensenhandel en VGV;

•  gescheiden sanitaire en slaapfaciliteiten voor vrouwen en mannen;

•  toegang tot gendergevoelige gezondheidszorg waaronder pre- en postnatale zorg;

•  toegang tot individuele begeleiding;

•  kinderopvang.

Tot detentie mag uitsluitend in laatste instantie overgegaan worden en kwetsbare personen mogen niet opgesloten worden. Aan de behoeften van zwangere vrouwen, vrouwen met jongere kinderen en overlevenden van seksueel geweld wordt beter tegemoetgekomen met alternatieven voor detentie, zoals afgifte van reisdocumenten en meldplicht.

Sociale inclusie en integratie

Vrouwelijke vluchtelingen worden geconfronteerd met een aantal specifieke integratieproblemen en ondergaan meervoudige en intersectionele discriminatie op grond van eigenschappen zoals gender of afkomst van een etnische minderheid. Hierdoor lopen zij nog meer risico op sociale uitsluiting, geweld en armoede.

In het Europa van vandaag leven asielzoekers van inkomens die ver beneden de armoedegrens liggen en zijn sommige asielzoekers gedwongen een beroep op liefdadigheid te doen om in hun elementaire menselijke behoeften te voorzien. Het is uiterst verontrustend dat zwangere vrouwen en zij die net moeder zijn geworden geen toereikende financiële bijstand ontvangen. Zelfs nadat de vluchtelingenstatus verleend is stuiten vrouwen bij het zoeken naar werk en sociale bijstand op grote obstakels, zoals een gebrek aan toegang tot kinderopvang.

De lidstaten zouden meer gebruik moeten maken van cohesiefondsen, samen met het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), om de integratie op de arbeidsmarkt te bevorderen. Kinderopvang is cruciaal om vrouwelijke vluchtelingen in de samenleving te laten participeren en dient prioriteit te zijn.

Vanwege de opkomst van extreemrechts populisme en extremisme in Europa lopen vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers nog meer risico op racisme, discriminatie en geweld. De lidstaten hebben de verplichting om veilige en gastvrije omstandigheden te bevorderen voor de mensen die internationale bescherming zoeken en alle vormen van discriminatie te bestrijden. Beleidsmakers op alle niveaus moeten zich uitspreken over de positieve economische, sociale en culturele bijdragen die vluchtelingen kunnen leveren.

Conclusie

De belangrijkste maatregelen die het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) vormen hebben nog niet geleid tot een samenhangende en gendergevoelige behandeling van vrouwen die bescherming zoeken in Europa. Ondanks het bestaan van wetgeving en beleid dat gendergevoelig zou moeten worden uitgevoerd blijft er nog steeds zeer veel te wensen over. Zelfs wanneer beleid gendergevoelige aspecten bevat betekent dit niet altijd dat de uitvoering daarvan in de praktijk effectief is.

Het asielbeleid van de Europese Unie moet in ieder stadium openstaan voor de ervaringen van vrouwen. Willen beleidsmakers volledig kunnen begrijpen hoe op gender gebaseerde machtsverhoudingen leiden tot gedwongen verplaatsing en aanleiding geven tot specifieke gendergerelateerde ervaringen en behoeften, moeten vrouwelijke asielzoekers en vluchtelingen een grotere stem krijgen.

De enorme omvang van de humanitaire crisis waarmee Europa momenteel geconfronteerd wordt is een reden tot grote bezorgdheid. In zulke tijden van crisis neemt de ongelijkheid in genderrelaties toe. Deze tijd van onzekerheid en verwarring biedt echter ook de gelegenheid om de optimale praktijken met betrekking tot de behandeling van vrouwelijke asielzoekers en vluchtelingen in Europa te harmoniseren.

MINDERHEIDSSTANDPUNT

over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU (2015/2325(INI))

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, Rapporteur: Mary Honeyball

Minderheidsstandpunt ingediend door het lid Beatrix von Storch (ECR)

Angela Merkel (CDU/EVP) ruïneert de EU zoals nog niemand anders gedaan heeft sinds 1945. Zij heeft als bondskanselier met haar zonder overleg genomen besluit het constitutionele recht en het Europese recht geschonden en de vluchtelingencrisis teweeggebracht.

Haar wensenlijst maakt inbreuk op de bevoegdheden van de Commissie binnenlandse zaken, zadelt vrijwilligers, regionale raden en regionale besturen met aanzienlijk meer lasten op, en gaat voorbij aan het beginsel van gelijkheid voor de wet. Voor kleine meisjes worden bijzondere opvangprocedures geëist, maar niet voor minderjarige jongens. Homoseksuele vluchtelingen zouden bijzondere wachtruimten moeten krijgen (hoe zouden die eigenlijk ingericht moeten worden?). Vervolgde christenen die in opvangcentra voor asielzoekers door moslims aantoonbaar worden aangevallen, wordt de noodzakelijke bescherming echter uitdrukkelijk geweigerd. Het verzoek om abortusmaatregelen is de schijnheiligheid ten top: ongeboren kinderen van vluchtelingen zijn voor de linksliberale meerderheid natuurlijk te veel.

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen oorlogsvluchtelingen en welvaartsvluchtelingen. De lidstaten zouden hun eigen staatsgrenzen niet zelf mogen bewaken. Voor dit alles wil ik geen medeverantwoordelijkheid dragen.

In alle lidstaten zijn de infrastructurele grenzen bereikt. Er zijn zelfs wetten in voorbereiding om particulier eigendom te onteigenen en daarvan vluchtelingenaccomodaties te maken. Het Europees Parlement zou concrete hulp kunnen bieden door zijn ongebruikte gebouwen in Straatsburg voor tijdelijke huisvesting van migranten beschikbaar te stellen: 750 eenpersoonskamers met bed, douche en wc, volledig operationele restaurants en vergaderruimten voor scholingsdoeleinden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Malin Björk, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Mary Honeyball, Vicky Maeijer, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Jordi Sebastià, Ernest Urtasun, Beatrix von Storch, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, Stefan Eck, Eleonora Forenza, Ildikó Gáll-Pelcz, Constance Le Grip, Clare Moody, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pedro Silva Pereira, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Kristina Winberg

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

18

+

S&D

Maria Arena, Iratxe García Pérez, Mary Honeyball, Clare Moody, Maria Noichl, Pedro Silva Pereira, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Julie Ward

ALDE

Catherine Bearder, Izaskun Bilbao Barandica, Angelika Mlinar

GUE/NGL

Malin Björk, Stefan Eck, Eleonora Forenza

VERTS/ALE

Terry Reintke, Jordi Sebastià, Ernest Urtasun,

EFDD

Daniela Aiuto

10

-

EPP

Anna Maria Corazza Bildt, Ildikó Gáll-Pelcz, Constance Le Grip, Angelika Niebler, Marijana Petir

ECR

Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská, Beatrix von Storch

EFDD

Kristina Winberg

ENF

Vicky Maeijer

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0422.

(2)

"World at war. UNHCR Global Trends. Forced displacements in 2014", http://unhcr.org/556725e69.html

(3)

Resolutie van het Europees Parlement over de toepassing van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, PB C 127 van 14.5.1984, blz.137.

(4)

COM (2015) 452 final van 9 september 2015.

(5)

Bureau voor de grondrechten, "Access to effective remedies: The asylum-seeker perspective" Thematic report, 2011.

(6)

www.uefgm.org

Juridische mededeling - Privacybeleid