Procedure : 2016/2005(ACI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0039/2016

Ingediende teksten :

A8-0039/2016

Debatten :

PV 08/03/2016 - 13
CRE 08/03/2016 - 13

Stemmingen :

PV 09/03/2016 - 11.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0081

VERSLAG     
PDF 379kWORD 148k
25.2.2016
PE 575.118v02-00 A8-0039/2016

over de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven

(2015/2005(ACI))

Commissie constitutionele zaken

Rapporteur: Danuta Maria Hübner

AMENDEMENTEN
ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

betreffende de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven

2015/2005(ACI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het op 16 december 2015 door de Conferentie van voorzitters genomen besluit,

–  gezien het ontwerp van interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven,

–  gezien artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord over betere regelgeving (COM(2015)0216 en de bijlagen daarbij),

–  gezien het Kaderakkoord van 20 oktober 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(1) ("het Kaderakkoord van 2010"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2003 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen over beter wetgeven(2) ("het Interinstitutioneel akkoord van 2003"),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid – negentiende verslag "De wetgeving verbeteren" 2011(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 september 2015 over het werkprogramma van de Commissie voor 2016(4),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 en 19 februari 2016,

–  gezien artikel 140, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A8-0039/2016),

A.  overwegende dat het Parlement er herhaaldelijk op heeft aangedrongen het Interinstitutioneel akkoord van 2003 open te breken om rekening te houden met het nieuwe, door het Verdrag van Lissabon gecreëerde wetgevingskader, de huidige beste praktijken te consolideren en het akkoord te actualiseren in overeenstemming met de agenda voor beter wetgeven;

B.  overwegende dat het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en diverse nationale parlementen zich hebben uitgesproken over de mededeling van de Commissie van 19 mei 2015 "Betere regelgeving voor betere resultaten – een EU-agenda" (COM(2015)0215), eerdergenoemd voorstel van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord over betere regelgeving of de consensus die tussen de instellingen is bereikt over een nieuw Interinstitutioneel akkoord "Beter Wetgeven";

C.  overwegende dat het Parlement in bovenvermelde resolutie van 16 september 2015 heeft aangegeven ingenomen te zijn met de start van de onderhandelingen over een nieuw interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven en een aantal prioriteiten heeft geformuleerd, met name met betrekking tot de kwaliteit van de wetteksten van de Commissie, de meerjarige en de jaarlijkse programmering, versterking van de effectbeoordeling van ontwerpwetgeving, gelijke behandeling van de twee takken van de wetgevende autoriteit wat betreft de informatie en documentatie die in de loop van de wetgevingsprocedure ter beschikking worden gesteld, passende interinstitutionele raadpleging, de follow-up door de Commissie van voorstellen en aanbevelingen van het Parlement en het overleggen door de Commissie van een gedegen motivering bij voorgenomen intrekking van wetgeving;

D.  overwegende dat de interinstitutionele onderhandelingen op 25 juni 2015 officieel geopend zijn;

E.  overwegende dat de Conferentie van voorzitters op 16 december 2015 bij meerderheid van stemmen haar steun heeft uitgesproken voor het voorlopig akkoord dat op 8 december 2015 door de onderhandelaars van de drie instellingen werd bereikt over de tekst van een nieuw Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven ("het nieuwe IIA");

F.  overwegende dat het nieuwe IIA het Interinstitutioneel akkoord van 2003 en de interinstitutionele gemeenschappelijke aanpak van effectbeoordelingen van 2005 moet gaan vervangen, en overwegende dat de bijlage bij het nieuwe IIA het Gezamenlijk akkoord over gedelegeerde handelingen van 2011 moet gaan vervangen;

G.  overwegende dat, in overeenstemming met de verklaring van het Europees Parlement en de Commissie zoals opgenomen in bijlage II, het nieuwe IIA geen afbreuk doet aan het Kaderakkoord van 2010;

H.  overwegende echter dat als gevolg van het nieuwe IIA enkele bepalingen van het Kaderakkoord van 2010 achterhaald kunnen raken of geactualiseerd moeten worden;

I.  overwegende dat in het nieuwe IIA wordt vastgelegd dat er verdere onderhandelingen zullen worden gevoerd over met name de praktische regelingen voor samenwerking en informatiedeling in het kader van de sluiting van internationale overeenkomsten en over de criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU inzake gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen;

J.  overwegende dat als gevolg van het nieuwe IIA enkele bepalingen van het Reglement van het Parlement zullen moeten worden herzien, zoals de bepalingen inzake het werkprogramma van de Commissie en de rechtsgrond van wetgevingshandelingen;

K.  overwegende dat in het nieuwe IIA tegemoet wordt gekomen aan de belangrijkste punten van zorg die de Commissie constitutionele zaken naar voren heeft gebracht in haar bijdrage aan het standpunt van het Europees Parlement inzake de onderhandelingen over de herziening van het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 22 april 2015;

1.  is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt tussen de instellingen en beschouwt dit als een goede basis voor het opbouwen en ontwikkelen van een nieuwe, meer open en transparante onderlinge relatie, om, in het belang van de burgers van de Unie, betere regelgeving te realiseren;

2.  betreurt in het kader van het streven naar betere regelgeving ten zeerste dat bij de onderhandelingen over het IIA niet de gevestigde praktijk van een commissieprocedure in het Europees Parlement is gevolgd;

3.  is met name ingenomen met de resultaten van de onderhandelingen op het gebied van de interinstitutionele meerjaren- en jaarprogrammering, de follow-up door de Commissie van wetgevingsinitiatieven van het Parlement, en het overleggen van een motivering bij en het houden van raadplegingen over eventuele intrekking van wetgevingsvoorstellen; benadrukt dat de overeengekomen sterke nadruk op het werkprogramma van de Commissie niet uitgelegd mag worden als een rechtvaardiging voor het beperken van de wetgevende bevoegdheden of het initiatiefrecht van het Parlement; is verheugd dat is overeengekomen een interinstitutionele gedachtewisseling te houden in geval van een voorgenomen wijziging van de rechtsgrondslag van een handeling en geeft aan vastbesloten te zijn zich te verzetten tegen elke poging om de wetgevende bevoegdheden van het Europees Parlement te ondermijnen door middel van wijziging van de rechtsgrondslag;

4.  onderstreept het belang van de bepalingen van het nieuwe IIA over instrumenten voor beter wetgeven (effectbeoordeling, openbare raadplegingen en raadplegingen van belanghebbenden, evaluaties, enz.) voor een goed gefundeerd, inclusief en transparant besluitvormingsproces en voor een juiste toepassing van wetgeving, en merkt op dat deze bepalingen de prerogatieven van de wetgevers beschermen; is van oordeel dat effectbeoordelingen omvattend en evenwichtig moeten zijn en onder meer betrekking moeten hebben op de kosten voor producenten, consumenten, werknemers en overheidsdiensten en de gevolgen voor het milieu van niet-vaststelling van de noodzakelijke wetgeving; is bezorgd dat de formulering die gebruikt wordt met betrekking tot effectbeoordelingen de drie instellingen er onvoldoende toe verplicht in hun effectbeoordelingen ook aandacht te schenken aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en concurrentievermogenstests; benadrukt dat in alle fasen van de wetgevingsprocedure rekening moet worden gehouden met en aandacht moet worden besteed aan de behoeften van kmo's; onderstreept dat, in overeenstemming met het werkdocument van de diensten van de Commissie van 19 mei 2015 over richtsnoeren voor betere regelgeving (SWD(2015)0211), effectbeoordelingsverslagen ook een beoordeling van de gevolgen van wetgeving voor kmo's moeten omvatten, en verzoekt de Commissie aanvullende informatie over deze praktijk te verstrekken; is ingenomen met de doelstelling om de tenuitvoerlegging en toepassing van de wetgeving van de Unie te verbeteren, onder meer door beter in kaart te brengen welke nationale maatregelen verder gaan dan nodig is om de wetgeving van de Unie om te zetten ("gold-plating"), en verwacht van de lidstaten dat zij dergelijke maatregelen rapporteren en duidelijk documenteren, ook al staat het de lidstaten vrij om strengere normen te hanteren als in het recht van de Unie slechts minimumnormen zijn vastgesteld;

5.   merkt op dat de cumulatieve kosten van wetgeving kunnen resulteren in aanzienlijke moeilijkheden voor bedrijven en individuele personen die de gevolgen van Unieregels ondervinden;

6.  neemt kennis van de brief van de eerste vicevoorzitter van de Commissie van 15 december 2015 over het functioneren van de nieuwe Raad voor regelgevingstoetsing, die toezicht moet houden op de kwaliteit van de effectbeoordelingen van de Commissie (maar niet de bevoegdheid krijgt om een veto uit te spreken over wetgevingsvoorstellen, aangezien dat is voorbehouden aan de gekozen autoriteiten); herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test(5) heeft verzocht om een sterkere onafhankelijkheid van de Raad voor regelgevingstoetsing (voorheen: "Raad voor effectbeoordeling"), en in het bijzonder wenste dat de leden van deze raad niet onder politiek toezicht staan; is in dit kader van oordeel dat de oprichting van de Raad voor regelgevingstoetsing een welkome eerste stap is op weg naar het bereiken van een dergelijke onafhankelijkheid; wijst erop dat de wetgevers, indien zij dit nodig achten, ook zelf effectbeoordelingen mogen uitvoeren; wijst erop dat effectbeoordelingen niet in de plaats komen van het politieke besluitvormingsproces; wijst er voorts op dat in het nieuwe IIA is vastgelegd dat de instellingen onderling informatie uitwisselen over beste praktijken en methodologieën in verband met effectbeoordelingen, waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om het functioneren van de Raad voor regelgevingstoetsing te gelegener tijd te evalueren met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschappelijke methodologie;

7.  is ingenomen met het akkoord tussen de instellingen om samen te werken aan het actualiseren en vereenvoudigen van wetgeving en om hierover van gedachten te wisselen, voorafgaand aan de voltooiing van het werkprogramma van de Commissie; wijst op het belang van het overeengekomen "jaarlijks lastenoverzicht" als instrument om op duidelijke en transparante wijze de resultaten van de Unie in kaart te brengen en te bewaken, ter voorkoming en vermindering van overregulering en administratieve lasten, en dat een lijst moet omvatten die specifiek betrekking heeft op kmo's en uitgesplitste gegevens moet bevatten over de aan afzonderlijke Commissievoorstellen verbonden lasten en de lasten in verband met handelingen van de verschillende lidstaten; wijst erop dat van geval tot geval zorgvuldig moet worden beoordeeld of het haalbaar en wenselijk is om voor bepaalde sectoren doelstellingen vast te stellen voor het terugdringen van de lasten en dat de instellingen hierbij nauw moeten samenwerken en dat daarbij vooral gekeken moet worden naar de kwaliteit van de wetgeving en dat belangrijke normen van de Unie niet ondermijnd mogen worden; verwacht van de Commissie dat ze op regelmatige basis voorstellen zal doen voor de intrekking van wetgevingshandelingen wanneer een dergelijke intrekking noodzakelijk wordt geacht; is in dit verband verheugd over het feit dat de drie instellingen het onderling eens zijn dat effectbeoordelingen ook betrekking moeten hebben op de gevolgen van voorstellen voor de administratieve lasten, met name die van kmo's; is van oordeel dat passende Uniewetgeving administratieve lasten voor kmo's kan verminderen, door 28 verschillende regelingen te vervangen door één regeling voor de hele interne markt;

8.  is van oordeel dat er in beginsel met betrekking tot gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen een evenwichtige oplossing is gevonden, die transparantie garandeert en de gelijkwaardigheid van de wetgevers waarborgt; benadrukt echter dat er snel overeenstemming moet worden bereikt over de afbakeningscriteria inzake uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen en dat er gezorgd moet worden voor een snelle afstemming van alle basishandelingen op het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde rechtskader;

9.  is van oordeel dat de overeengekomen maatregelen ter verbetering van de uitwisseling van standpunten en informatie tussen de beide wetgevers, Parlement en Raad, een stap voorwaarts betekenen; vindt evenwel dat deze maatregelen verder moeten worden ontwikkeld, met name met betrekking tot de wederzijdse toegang tot informatie en vergaderingen, om een daadwerkelijk volledig evenwicht tussen en gelijke behandeling van de wetgevers in de hele wetgevingsprocedure te waarborgen en om ervoor te zorgen dat het beginsel van wederzijdse loyale samenwerking tussen de instellingen wordt nageleefd; waarschuwt dat de overeengekomen uitwisseling van standpunten niet mag leiden tot een heel nieuw circuit van niet-transparante interinstitutionele onderhandelingen;

10.  herinnert eraan dat het VWEU voorziet in een gewone wetgevingsprocedure met drie lezingen; is van mening dat wanneer het Parlement en de Raad hun prerogatieven in de wetgevingsprocedure volledig uitoefenen, het bereiken van overeenstemming in tweede lezing de standaardprocedure zou moeten zijn, en het bereiken van overeenstemming in eerste lezing slechts zou moeten plaatsvinden indien daartoe een weloverwogen en uitdrukkelijk besluit is genomen;

11.  is ingenomen met het streven van de instellingen naar transparantie van de wetgevingsprocedures, maar benadrukt dat er, om dit ook daadwerkelijk te bereiken, behoefte is aan meer concrete bepalingen en instrumenten, met name wat betreft akkoorden in eerste lezing;

12.  is voorts van mening dat er beter gebruik moet worden gemaakt van de regelingen die er zijn op het gebied van de politieke dialoog met de nationale parlementen; wijst in dit verband op de belangrijke rol die in het Verdrag van Lissabon is toebedeeld aan de nationale parlementen en benadrukt dat de nationale parlementen niet alleen een rol spelen bij het toezicht op de eerbiediging van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, maar ook positieve bijdragen kunnen leveren, en dat feitelijk ook doen, in het kader van de politieke dialoog; spoort aan tot een beter gebruik van de bestaande subsidiariteits- en evenredigheidsmechanismen zoals neergelegd in de Verdragen; wijst op de noodzaak van meer flexibiliteit bij de handhaving van de termijn van acht weken waarbinnen nationale parlementen een gemotiveerd advies kunnen indienen inzake de niet-naleving van het subsidiariteitsbeginsel;

13.  dringt erop aan dat uitvoerig wordt onderzocht wat de consequenties zijn van het nieuwe IIA voor het Kaderakkoord van 2010 en andere bestaande interinstitutionele overeenkomsten, rekening houdend met de noodzaak om de positie en de prerogatieven van het Europees Parlement te beschermen en de architectuur van de talrijke regelingen op het gebied van de interinstitutionele betrekkingen te vereenvoudigen;

14.  is van oordeel dat dergelijke vereenvoudigingen moeten worden doorgevoerd als alle praktische regelingen ter uitvoering van het nieuwe IIA in hun geheel van kracht zijn, en dat de instellingen dan ook zouden kunnen beoordelen of het IIA, gelet op de tot dan toe bij de uitvoering van het nieuwe IIA opgedane ervaringen, moet worden aangepast;

15.  onderstreept het belang van een correcte tenuitvoerlegging en van de nakoming van gedane toezeggingen en de naleving van de in het IIA vastgestelde termijnen;

16.  wijst erop dat met name met betrekking tot de volgende onderwerpen vervolgmaatregelen op technisch en/of politiek niveau genomen moeten worden, en dat hierbij alle parlementaire commissies met relevante ervaring actief betrokken moeten worden en dat er gebruik moet worden gemaakt van hun deskundigheid:

•  programmering (technische herziening van het Kaderakkoord van 2010 en het Reglement van het Parlement);

•  controle van de rechtsgrond van handelingen (herziening van het Reglement: opname van bepalingen inzake trilaterale gedachtewisseling);

•  evaluatie van de toepassing door de Commissie van haar richtsnoeren voor betere regelgeving en van het functioneren van de onlangs opgerichte Raad voor regelgevingstoetsing, met name om te controleren of deze raad onafhankelijk functioneert en of de leden van de Raad niet onderworpen zijn aan politieke controle (zoals in paragraaf 6 hierboven reeds aangehaald);

•  de transparantie en coördinatie van het wetgevingsproces (waaronder passende toepassing van eerste- en tweedelezingprocedures, praktische regelingen voor gedachtewisselingen, informatie-uitwisseling en vergelijking van tijdschema's, transparantie in de context van trilaterale onderhandelingen, ontwikkeling van platformen en instrumenten voor de oprichting van een gezamenlijke databank over de stand van zaken met betrekking tot wetgevingsdossiers, de verstrekking van informatie aan nationale parlementen en praktische regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling inzake onderhandelingen over en de sluiting van internationale overeenkomsten);

•  een evaluatie van de onafhankelijkheid van de Raad voor regelgevingstoetsing bij de vervulling van zijn taken op het gebied van het houden van toezicht op en het verstrekken van objectief advies inzake effectbeoordelingen, inclusief eventuele follow-up;

•  de verwachting van het Parlement, op basis van de relevante bepalingen van het nieuwe IIA, dat de Commissie zo snel mogelijk voorstellen zal indienen met daarin doelstellingen, op die gebieden waar dat haalbaar is, voor het terugdringen van de lasten in bepaalde belangrijke sectoren, waarbij ervoor gezorgd wordt dat de doelstellingen van de wetgeving worden bereikt;

•  het waarborgen van de operationele en juridische samenhang tussen het nieuwe IIA en de samenwerkingsovereenkomsten betreffende de adviesorganen van de Unie;

•gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, op basis van de resolutie van het Parlement van 25 februari 2014 over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(6) (onderhandelingen over de afbakeningscriteria voor gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, het opzetten van een register van gedelegeerde handelingen en aanpassing van handelingen uit de tijd voor het Verdrag van Lissabon);

•de tenuitvoerlegging en toepassing van Uniewetgeving (toetsing van de melding door de lidstaten van de omzetting van richtlijnen en van elke nationale maatregel die verder gaat dan de bepalingen van de Uniewetgeving ("gold-plating"));

17.  hecht zijn goedkeuring aan het in bijlage I bij dit besluit opgenomen ontwerpakkoord;

18.  hecht zijn goedkeuring aan de in bijlage II bij dit besluit opgenomen verklaring van het Parlement en de Commissie;

19.  verzoekt zijn bevoegde commissie te onderzoeken in hoeverre het Reglement voor de uitvoering van het nieuwe IIA gewijzigd moet worden of nader moet worden uitgelegd en in hoeverre er wijzigingen noodzakelijk zijn met betrekking tot de praktijken, de administratie of de communicatiekanalen van het Parlement met andere instellingen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter het nieuwe IIA met de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, met de bijlagen, ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE I: INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD OVER BETER WETGEVEN TUSSEN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 295,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (hierna "de drie instellingen") hebben zich gecommitteerd aan loyale en transparante samenwerking in alle stadia van de wetgevingscyclus. In dit verband wijzen zij op de gelijkheid van beide wetgevers, als omschreven in de Verdragen.

(2) De drie instellingen erkennen hun gezamenlijke verantwoordelijkheid om tot wetgeving van hoge kwaliteit te komen en ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving zich richt op gebieden waar zij de grootste meerwaarde voor de Europese burgers oplevert, zo efficiënt en effectief mogelijk is voor het verwezenlijken van de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de Unie, zo eenvoudig en zo duidelijk mogelijk is, overregulering en administratieve lasten voor besturen, bedrijven en burgers vermijdt, vooral voor het midden- en kleinbedrijf (kmo's), en wordt opgesteld met het oog op het vlot doen verlopen van de omzetting en praktische toepassing ervan en op het versterken van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de economie van de Unie.

(3) De drie instellingen wijzen er nogmaals op dat Unie slechts wetgeving mag uitvaardigen wanneer en voor zover zulks nodig is, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de toepassing van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel.

(4) De drie instellingen herinneren aan de rol en de verantwoordelijkheid van de nationale parlementen, zoals vastgelegd in de Verdragen, in het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie en in Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(5) De drie instellingen zijn het erover eens dat bij het vaststellen van de wetgevingsagenda voor elk voorgesteld optreden ten volle rekening dient te worden gehouden met de analyse van de potentiële "Europese meerwaarde" en een beoordeling van de "kosten van geen Europa" indien niet op EU-niveau zou worden opgetreden.

(6) De drie instellingen zijn van oordeel dat het gebruik van raadpleging van de belang­hebbenden, ex-postevaluatie van bestaande wetgeving en effectbeoordelingen van nieuwe initiatieven zullen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van beter wetgeven.

(7) Ter facilitering van de onderhandelingen in het kader van de gewone wetgevingsprocedure en ter verbetering van de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU dienen in dit akkoord de beginselen te worden vastgelegd volgens welke de Commissie voorafgaand aan de vaststelling van gedelegeerde handelingen alle nodige deskundigheid bijeenbrengt.

(8) De drie instellingen bevestigen dat de doelstellingen om de EU-wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk te verminderen, moeten worden nagestreefd zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie, zoals bepaald in de Verdragen, of aan de bescherming van de integriteit van de eengemaakte markt.

(9) Dit akkoord vormt een aanvulling op de volgende akkoorden en verklaringen inzake betere regelgeving, waarvoor de drie instellingen zich ten volle zullen blijven inzetten:

– Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(7);

– Interinstitutioneel Akkoord van 22 december 1998 betreffende de gemeenschappelijke richtsnoeren voor de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving(8);

– Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(9);

– Gemeenschappelijke verklaring van 13 juni 2007 over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure(10);

– Gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken(11).

I. GEMEENSCHAPPELIJKE VERBINTENISSEN EN DOELSTELLINGEN

1. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (hierna "de drie instellingen" genoemd) komen overeen beter wetgeven na te streven door middel van een reeks in dit inter­institutioneel akkoord omschreven initiatieven en procedures.

2. In het kader van de uitoefening van de bevoegdheden en met inachtneming van de procedures die zijn vastgesteld in de Verdragen, komen de drie instellingen, wijzend op het belang dat zij aan de communautaire methode hechten, overeen dat zij algemene beginselen zoals democratische legitimiteit, subsidiariteit en evenredigheid, en de rechtszekerheid in acht zullen nemen. Voorts komen zij overeen eenvoud, duidelijkheid en coherentie bij de opstelling van wetgeving, alsmede maximale transparantie van het wetgevingsproces te bevorderen.

3. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie komen overeen dat het Unierecht:

– begrijpelijk en duidelijk dient te zijn;

– partijen in staat dient te stellen gemakkelijk hun rechten en verplichtingen te begrijpen;

– passende voorschriften over rapportage, toezicht en evaluatie dient te bevatten;

– overregulering en administratieve rompslomp dient te vermijden; en

– praktisch uitvoerbaar dient te zijn.

II. PROGRAMMERING

4. De drie instellingen komen overeen de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie te versterken overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, op grond waarvan de Commissie de initiatieven neemt tot de jaarlijkse en meerjarige programmering.

Meerjarige programmering

5. Zodra er een nieuwe Commissie is benoemd, wisselen de drie instellingen, om het plannen op langere termijn te vergemakkelijken, van gedachten over de belangrijkste beleids­doelstellingen en -prioriteiten van de drie instellingen voor de nieuwe mandaatsperiode en, indien mogelijk, over een indicatief tijdschema.

Op initiatief van de Commissie formuleren zij, naar gelang van het geval, gezamenlijke conclusies, die moeten worden ondertekend door de voorzitters van de drie instellingen.

De drie instellingen verrichten op initiatief van de Commissie een evaluatie halverwege van de gezamenlijke conclusies en sturen deze zo nodig bij.

Jaarlijkse programmering - Werkprogramma van de Commissie en interinstitutionele programmering

6. De Commissie treedt zowel voor als na de goedkeuring van haar jaarlijks werkprogramma in dialoog met het Europees Parlement en met de Raad. Deze dialoog omvat:

(a) vroegtijdige bilaterale gedachtewisseling over initiatieven voor het komende jaar, voordat de voorzitter en de eerste vicevoorzitter van de Commissie een schriftelijke bijdrage indienen met een voldoende nauwkeurige uiteenzetting van onderwerpen van groot politiek belang voor het komende jaar en met indicaties over voorgenomen intrekkingen (hierna "intentiebrief");

(b) na het debat over de Staat van de Unie, gedachtewisseling van het Europees Parlement en de Raad met de Commissie op basis van de intentiebrief, voordat het werk­programma van de Commissie wordt goedgekeurd;

(c) een trilaterale gedachtewisseling over het goedgekeurde jaarlijks werkprogramma, overeenkomstig punt 7.

De Commissie houdt terdege rekening met de door het Europees Parlement en de Raad in elk stadium van de dialoog geformuleerde standpunten, met inbegrip van initiatieven op verzoek van de medewetgevers.

7. Na de goedkeuring van het jaarlijks werkprogramma van de Commissie wisselen de drie instellingen op basis van dat werkprogramma van gedachten over initiatieven voor het komende jaar en bereiken zij overeenstemming over een, door de voorzitters van de drie instellingen te ondertekenen, gezamenlijke verklaring over interinstitutionele programmering, waarin brede doelstellingen en prioriteiten voor het komende jaar worden vermeld en onderwerpen van groot politiek belang worden bepaald die, onverminderd de bij de Verdragen aan de medewetgevers toegekende bevoegdheden, prioritair dienen te worden behandeld in het wetgevingsproces.

De drie instellingen monitoren het hele jaar door regelmatig de uitvoering van de jaarlijkse programmeringsverklaring.

Daartoe nemen de drie instellingen in het voorjaar van het betrokken jaar deel aan debatten over de uitvoering van de jaarlijkse programmeringsverklaring in het Europees Parlement en/of de Raad.

8. Het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie bevat belangrijke wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen voor het komende jaar, waaronder intrekkingen, herschikkingen, vereenvoudigingen en intrekkingen van voorstellen. Voor elk genoemd punt wordt in het werkprogramma van de Commissie aangegeven, voor zover beschikbaar: de voorgenomen rechtsgrondslag; het type rechtshandeling; een indicatief tijdschema voor de goedkeuring door de Commissie; andere relevante informatie in verband met de procedure, zoals over werkzaamheden in het kader van effectbeoordeling en evaluatie.

9. In overeenstemming met de beginselen van loyale samenwerking en institutioneel evenwicht verstrekt de Commissie, wanneer zij het voornemen heeft een wetgevingsvoorstel in te trekken, ongeacht of op die intrekking een herzien voorstel volgt, een motivering en, indien van toepassing, een indicatie van de voorgenomen volgende stappen en een precies tijd­schema, en voert zij op basis daarvan passend interinstitutioneel overleg. Zij houdt terdege rekening met de standpunten van de medewetgevers en reageert daarop.

10. De Commissie neemt de door het Europees Parlement of de Raad overeenkomstig respectievelijk artikel 225 of 214 VWEU gedane verzoeken om een voorstel voor een Uniehandeling snel en op gedetailleerde wijze in behandeling. Indien de Commissie geen voorstel indient, stelt zij de betrokken instelling in kennis van de redenen daarvoor.

De Commissie beantwoordt die verzoeken binnen drie maanden en vermeldt daarbij, door middel van een specifieke mededeling, welk gevolg zij voornemens is aan die verzoeken te geven. Indien de Commissie besluit geen voorstel in te dienen, vermeldt zij daarvoor de gedetailleerde redenen en voegt zij daarbij, wanneer passend, een analyse van mogelijke alternatieve oplossingen en van eventuele vraagstukken die door de medewetgevers zijn opgeworpen met betrekking tot de analyses in verband met de Europese meerwaarde en de kosten van geen Europa.

Indien zij daarom wordt verzocht, presenteert de Commissie haar antwoord in het Europees Parlement of in de Raad.

11. De Commissie verstrekt gedurende het hele jaar geregeld bijgewerkte informatie over haar planning en verstrekt redenen voor eventuele vertraging bij het indienen van de voorstellen in haar werkprogramma. De Commissie brengt geregeld verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van haar werkprogramma voor het betrokken jaar.

III. INSTRUMENTEN VOOR BETER WETGEVEN

Effectbeoordeling

12. De drie instellingen zijn het eens over de positieve bijdrage van effectbeoordelingen aan de verbetering van de kwaliteit van de EU-wetgeving.

Effectbeoordelingen zijn een instrument dat de drie instellingen helpt om tot goed onderbouwde besluiten te komen en nemen niet de plaats in van politieke besluiten in het democratische besluitvormingsproces. Zij mogen niet leiden tot onnodige vertraging in het wetgevingsproces, noch de wetgever beperken in zijn mogelijkheden om wijzigingen voor te stellen.

Effectbeoordelingen dienen betrekking te hebben op het bestaan, de omvang en de gevolgen van een probleem, en op de vraag of het optreden van de Unie nodig is. Zij dienen alternatieve oplossingen en, waar mogelijk, potentiële kosten en voordelen op de korte en de lange termijn in kaart te brengen op basis van een geïntegreerde en evenwichtige beoordeling van de gevolgen op economisch, ecologisch en sociaal gebied, waarbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwalitatieve als kwantitatieve analyses. Daarbij dienen het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, evenals de grondrechten, ten volle te worden geëerbiedigd. In effect­beoordelingen dient daarnaast, waar mogelijk, te worden ingegaan op de kosten van geen Europa en op de gevolgen van de diverse opties voor het concurrentievermogen en de administratieve lasten, met bijzondere aandacht voor het midden- en kleinbedrijf (kmo's) ("denk eerst klein"), digitale aspecten en territoriale gevolgen. Effectbeoordelingen dienen gebaseerd te zijn op accurate, objectieve en volledige informatie en dienen qua reikwijdte en aandachtsgebied evenredig te zijn.

13. De Commissie verricht effectbeoordelingen voor haar wetgevings- en niet-wetgevings­initiatieven, gedelegeerde handelingen en uitvoeringsmaatregelen die naar verwachting significante economische, ecologische of sociale gevolgen hebben. De initiatieven die zijn opgenomen in het werkprogramma van de Commissie en in de in punt 7 bedoelde gezamenlijke verklaring gaan in de regel vergezeld van een effectbeoordeling.

In haar eigen effectbeoordelingsproces voert de Commissie op zo breed mogelijke schaal overleg. De raad voor regelgevingstoetsing van de Commissie voert een objectieve kwaliteitscontrole van de effectbeoordelingen uit. De definitieve resultaten van de effect­beoordelingen worden voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen, en worden bekendgemaakt samen met het advies/de adviezen van de raad voor regelgevingstoetsing wanneer het voorstel van de Commissie wordt aangenomen.

14. Het Europees Parlement en de Raad houden bij de behandeling van wetgevingsvoorstellen van de Commissie ten volle rekening met de effectbeoordelingen van de Commissie.

Effectbeoordelingen worden derhalve zodanig gepresenteerd dat het Europees Parlement en de Raad de door de Commissie gemaakte keuzes gemakkelijk in beschouwing kunnen nemen.

15. Het Europees Parlement en de Raad verrichten, wanneer zij dit passend en noodzakelijk voor het wetgevingsproces achten, effectbeoordelingen met betrekking tot hun inhoudelijke wijzigingen van het Commissievoorstel. Het Europees Parlement en de Raad nemen in de regel de effectbeoordeling van de Commissie als uitgangspunt voor hun verdere werkzaamheden. Elke instelling dient zelf te definiëren wat zij onder een "inhoudelijke" wijziging verstaat.

16. De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van het Europees Parlement of de Raad, haar eigen effectbeoordeling aanvullen of verdere analyses verrichten die zij noodzakelijk acht. De Commissie houdt daarbij rekening met alle beschikbare informatie, het actuele stadium in het wetgevingsproces en de noodzaak om geen onnodige vertraging op te lopen. De medewetgevers houden ten volle rekening met alle extra gegevens die de Commissie in dit verband heeft verstrekt.

17. Elk van de drie instellingen is verantwoordelijk voor het vaststellen van de wijze waarop de effectbeoordelingswerkzaamheden worden georganiseerd, met inbegrip van de interne organisatorische middelen en kwaliteitscontroles. Zij werken op regelmatige basis samen door middel van informatie-uitwisseling over beste praktijken en methodologieën in verband met effectbeoordelingen, zodat elke instelling haar eigen methodologie en procedures kan verbeteren, en er wordt gezorgd voor samenhang in de algehele effectbeoordelings­werkzaamheden.

18. De initiële effectbeoordeling van de Commissie en eventuele verdere effectbeoordelings­werkzaamheden van de instellingen in het kader van het wetgevingsproces worden aan het einde van het wetgevingsproces openbaargemaakt en kunnen tezamen worden gebruikt als uitgangspunt voor evaluatie.

Raadpleging en feedback van het publiek en van belanghebbenden

19. Raadpleging van het publiek en van belanghebbenden vormt een wezenlijk onderdeel van een goed onderbouwde besluitvorming en is van belang voor het verbeteren van de kwaliteit van het wetgevingsproces. Onverminderd de specifieke regelingen die uit hoofde van artikel 155, lid 2, VWEU gelden voor de voorstellen van de Commissie, voert de Commissie, voordat zij haar voorstel goedkeurt, in openheid en transparantie openbare raadplegingen, waarbij zij wat betreft de wijze van uitvoering en de termijnen voor een zo breed mogelijke deelneming zorgt. De Commissie moedigt in het bijzonder de rechtstreekse participatie van het midden- en kleinbedrijf en van andere eindgebruikers in de raadplegingen aan, onder meer door middel van openbare raadplegingen via internet. De resultaten van die raadplegingen worden onverwijld aan de beide wetgevers meegedeeld en openbaargemaakt.

Ex-postevaluatie van bestaande wetgeving

20. De drie instellingen bevestigen het belang van een zo groot mogelijke consistentie en samenhang in de organisatie van de werkzaamheden om de doeltreffendheid van EU-wetgeving te evalueren, met inbegrip van de daarmee samenhangende openbare raad­plegingen en raadplegingen van belanghebbenden.

21. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van haar meerjarige planning voor evaluatie van bestaande wetgeving en houdt zoveel mogelijk rekening met hun verzoeken om diepgaande evaluatie van specifieke beleidsterreinen of wetsteksten.

Bij haar evaluatieprogrammering neemt de Commissie de in de EU-wetgeving neergelegde termijnen voor verslagen en evaluaties in acht.

22. In de context van de wetgevingscyclus dienen evaluaties van bestaande wetgeving en bestaand beleid op grond van doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde, de basis te vormen voor de effectbeoordeling van opties voor verdere acties. Om die processen te ondersteunen, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen om, naar gelang van het geval, in de wetgeving voorschriften inzake monitoring, evaluatie en rapportage op te nemen, met vermijding van overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder ten aanzien van de lidstaten. In voorkomend geval kunnen daarin ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van wetgeving op het terrein worden verzameld.

23. De drie instellingen komen overeen systematisch het gebruik van evaluatieclausules in de wetgeving te overwegen en rekening te houden met de tijd die vereist is voor uitvoering en voor het verzamelen van gegevens over de resultaten en de effecten.

De drie instellingen overwegen of zij de toepassing van bepaalde wetgeving zullen beperken tot een vaste tijdsperiode (vervalbepaling).

24. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie informeren elkaar tijdig voordat zij hun richtsnoeren inzake instrumenten voor betere wetgeving aannemen of herzien (raadpleging van het publiek en van belanghebbenden, effectbeoordelingen en evaluaties vooraf of achteraf).

IV. WETGEVINGSINSTRUMENTEN

25. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad bij elk voorstel toelichting en verantwoording met betrekking tot de door haar gekozen rechtsgrondslag en type rechts­handeling in de toelichtingen bij haar voorstellen. De Commissie dient terdege rekening te houden met het verschil in aard en gevolgen tussen verordeningen en richtlijnen.

De Commissie zet in haar toelichtingen ook uiteen hoe de voorgestelde maatregelen gerechtvaardigd zijn in het licht van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel en waarom zij verenigbaar zijn met de grondrechten. Zij gaat ook nader in op de reikwijdte en de resultaten van alle raadplegingen van belanghebbenden, ex-postevaluaties van bestaande wetgeving en effectbeoordelingen die zij heeft verricht.

Indien een wijziging van de rechtsgrondslag wordt overwogen waardoor een overstap van de gewone wetgevingsprocedure naar een speciale wetgevingsprocedure of een niet-wetgevings­procedure wordt overwogen, wisselen de drie instellingen daarover van gedachten.

De drie instellingen zijn het erover eens dat de keuze van de rechtsgrondslag een juridische keuze is die moet berusten op objectieve gronden die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn.

De Commissie blijft ten volle haar institutionele rol vervullen om ervoor te zorgen dat de Verdragen en de jurisprudentie van het Hof van Justitie worden nageleefd.

V. GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

26. De drie instellingen wijzen op de belangrijke rol die gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen in de wetgeving vervullen. Indien zij op doelmatige en transparante wijze en in gerechtvaardigde gevallen worden gebruikt, vormen zij een integraal onderdeel van betere regelgeving, doordat zij bijdragen aan eenvoudige, geactualiseerde wetgeving en aan een efficiënte en snelle uitvoering daarvan. De wetgever is bevoegd om te bepalen of en in welke mate, binnen de grenzen van de Verdragen, van gedelegeerde of uitvoerings­handelingen wordt gebruikgemaakt.

27. De drie instellingen onderkennen dat het noodzakelijk is dat alle bestaande wetgeving wordt afgestemd op het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde rechtskader, en verlenen met name hoge prioriteit aan een snelle aanpassing van alle basishandelingen waarin nog wordt verwezen naar de regelgevingsprocedure met toetsing. De Commissie dient vóór eind 2016 voorstellen in met betrekking tot deze aanpassing.

28. De drie instellingen hebben overeenstemming bereikt over het in de bijlage opgenomen "Gezamenlijk akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over gedelegeerde handelingen" (bijlage 1) en de ermee verband houdende standaardclausules (bijlage 2). Overeenkomstig dit akkoord en met het oog op meer transparantie en overleg verbindt de Commissie zich ertoe om, voorafgaand aan de vaststelling van gedelegeerde handelingen, alle nodige deskundigheid op te doen, onder meer door raadpleging van deskundigen van de lidstaten en door openbare raadplegingen. Telkens wanneer een ruimere expertise nodig is in een vroeg stadium van de voorbereiding van ontwerpuitvoerings­handelingen, doet de Commissie, naar gelang van het geval, een beroep op deskundigen­groepen, raadpleegt zij specifieke belanghebbenden en houdt zij openbare raadplegingen.

Ter wille van gelijke toegang tot alle informatie ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde ogenblik als de deskundigen van de lidstaten. Deskundigen van het Europees Parlement en de Raad hebben systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie waarvoor deskundigen van de lidstaten worden uitgenodigd en die betrekking hebben op de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.De Commissie kan worden uitgenodigd voor vergaderingen in het Europees Parlement of de Raad ten behoeve van een verdere gedachtewisseling over de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

Zodra dit akkoord in werking is getreden, vatten de drie instellingen onverwijld onderhandelingen aan, teneinde het bijgevoegde "Gezamenlijk akkoord over gedelegeerde handelingen" aan te vullen met niet-bindende criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU.

29. De drie instellingen verbinden zich ertoe om uiterlijk eind 2017 in nauwe onderlinge samenwerking een gemeenschappelijk functioneel register van gedelegeerde handelingen in te stellen, dat op een goed gestructureerde en gebruiksvriendelijke manier informatie verstrekt teneinde de transparantie te bevorderen, de planning te vergemakkelijken en een gedelegeerde handeling traceerbaar te maken in alle onderscheiden stadia van het proces.

30. Wat betreft de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie, komen de drie instellingen overeen in de Uniewetgeving geen procedurele voorschriften op te nemen waardoor er iets zou veranderen in de controlemechanismen die zijn ingevoerd bij Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad over de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren. De comités die hun taken volgens de bij deze verordening ingestelde procedure verrichten, mag in die hoedanigheid niet worden verzocht andere functies uit te oefenen.

31. Mits de Commissie zorgt voor objectieve rechtvaardigingen op basis van een wezenlijk verband tussen twee of meer bevoegdheidsdelegaties in één wetgevingshandeling, en tenzij in de wetgevingshandeling anders is bepaald, mogen bevoegdheidsdelegaties worden gebundeld. Overleg bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen dient tevens om te bepalen tussen welke bevoegdheidsdelegaties er een wezenlijk verband wordt geacht te bestaan. In die gevallen wordt in eventuele bezwaren van het Europees Parlement of de Raad duidelijk aangegeven op welke specifieke bevoegdheidsdelegatie het bezwaar betrekking heeft.

VI. TRASPARANTIE EN COÖRDINATIE VAN HET WETGEVINGSPROCES

32. De drie instellingen onderkennen dat het verloop van de gewone wetgevingsprocedure teruggaat op regelmatige contacten in alle stadia van de procedure. Zij blijven zich inzetten voor het verder verbeteren van de werkzaamheden die volgens die procedure gebeuren, in overeenstemming met de beginselen van loyale samenwerking, transparantie, verantwoording en efficiëntie.

Zij zijn het er met name over eens dat het Europees Parlement en de Raad, als mede­wetgevers, hun bevoegdheden op voet van gelijkheid uitoefenen. Bij het vervullen van haar rol van facilitator behandelt de Commissie de twee takken van de wetgevingsautoriteit gelijkwaardig, met volledige inachtneming van de rollen die in de Verdragen aan de instellingen zijn toebedeeld.

33. De drie instellingen houden elkaar in de diverse stadia van het wetgevingsproces geregeld op de hoogte van hun werkzaamheden, van lopende onderhandelingen die zij onderling voeren, en van eventuele feedback die zij ontvangen van belanghebbenden, via passende procedures, onder meer een dialoog tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

34. Het Europees Parlement en de Raad zijn het er in hun hoedanigheid van wetgever over eens dat het van belang is nog voordat de interinstitutionele onderhandelingen aanvangen, nauwe contacten te onderhouden, ten behoeve van een beter wederzijds begrip van de respectieve standpunten. Daartoe faciliteren zij in de context van de wetgevingsprocedure wederzijdse gedachtewisseling en informatie-uitwisseling, onder meer door de vertegenwoordigers van de andere instellingen op regelmatige basis uit te nodigen voor informele gedachtewisselingen.

35. Ter wille van de efficiëntie zorgen het Europees Parlement en de Raad voor een betere afstemming van hun behandeling van wetgevingsvoorstellen. Het Europees Parlement en de Raad vergelijken indicatieve tijdschema's voor de diverse stadia die moeten leiden tot de uiteindelijke aanneming van elk wetgevingsvoorstel.36. Waar dat nodig is, kunnen de drie instellingen overeenkomen de inspanningen voor het versnellen van het wetgevingsproces te coördineren, waarbij zij ervoor zorgen dat de bevoegdheden van de wetgevers worden nageleefd en de kwaliteit van de wetgeving wordt gevrijwaard.

37. De drie instellingen zijn het erover eens dat informatieverstrekking aan de nationale parlementen hen in staat moet stellen hun bevoegdheden uit hoofde van de Verdragen ten volle uit te oefenen.

38. De drie instellingen zorgen voor de transparantie van de wetgevingsprocedures, op basis van de relevante wetgeving en jurisprudentie, met inbegrip van een passende afhandeling van trilaterale onderhandelingen.

Zij verbeteren de communicatie met het publiek tijdens de gehele wetgevingscyclus en kondigen voor de gewone wetgevingsprocedure met name gezamenlijk aan dat het wetgevingsproces met succes is afgerond zodra zij overeenstemming hebben bereikt, met name door middel van gezamenlijke persconferenties of een ander, daartoe passend geacht middel.

39. Ter facilitering van de traceerbaarheid van de diverse stappen in het wetgevingsproces verbinden de drie instellingen zich ertoe uiterlijk 31 december 2016 aan te geven hoe daartoe verder platforms en instrumenten kunnen worden ontwikkeld, teneinde een specifieke gezamenlijke database over de stand van zaken van wetgevingsdossiers aan te maken.

40. De drie instellingen onderkennen dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat elke instelling, met betrekking tot de onderhandeling over en de sluiting van internationale overeenkomsten, haar rechten kan uitoefenen en haar verplichtingen kan nakomen, zoals die zijn verankerd in de Verdragen en zijn uitgelegd door het Hof van Justitie.

De drie instellingen verbinden zich ertoe binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit akkoord bijeen te komen om te onderhandelen over betere praktische regelingen voor samenwerking en informatiedeling in het kader van de Verdragen, als uitgelegd door het Hof van Justitie.

VII. UITVOERING EN TOEPASSING VAN UNIEWETGEVING

41. De drie instellingen zijn het erover eens dat een meer gestructureerde onderlinge samenwerking bij het beoordelen van de toepassing en de doeltreffendheid van het Unierecht van belang is met het oog op het verbeteren ervan door middel van toekomstige wetgeving.

42. De drie instellingen onderstrepen dat het noodzakelijk is dat de EU-wetgeving snel en correct wordt toegepast in de lidstaten. De termijn voor omzetting van richtlijnen moet zo kort mogelijk zijn en mag in het algemeen niet langer zijn dan twee jaar.

43. De drie instellingen verzoeken de lidstaten, wanneer deze maatregelen vaststellen om EU-wetgeving om te zetten of uit te voeren, of om te zorgen voor de uitvoering van de EU-begroting, het publiek duidelijk te informeren over die maatregelen. Wanneer de lidstaten bij de omzetting van richtlijnen in het nationaal recht elementen toevoegen die op geen enkele wijze verband houden met de betrokken Uniewetgeving, dienen die toevoegingen identificeerbaar te worden gemaakt in de omzettingshandeling(en) of in verwante documenten.

44. De drie instellingen verzoeken de lidstaten om met de Commissie samen te werken bij het verkrijgen van informatie en gegevens die nodig zijn voor toezicht op en evaluatie van de uitvoering van EU-wetgeving. De drie instellingen herinneren aan en onderstrepen het belang van de twee gezamenlijke politieke verklaringen over toelichtende stukken van 28 september en 27 oktober 2011 die bij de kennisgeving van omzettingsmaatregelen worden gevoegd.

45. De Commissie blijft jaarlijks bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen over de toepassing van de EU-wetgeving. In dit verslag wordt, waar passend, gewag gemaakt van de informatie als bedoeld in punt 43. De Commissie kan verdere informatie over de stand van de uitvoering van een bepaalde wetgevingshandeling verstrekken.

VIII. VEREENVOUDIGING

46. De drie instellingen bevestigen zich te committeren aan een frequenter gebruik van de wetgevingstechniek van herschikking voor het wijzigen van bestaande wetgeving, met volledige naleving van de bepalingen van het interinstitutionele akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van rechtshandelingen. Indien herschikking niet passend is, dient de Commissie een voorstel in overeenkomstig de bepalingen van het interinstitutionele akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten, zo spoedig mogelijk na de vaststelling van een wijzigingshandeling. Indien de Commissie geen voorstel indient, geeft zij de redenen daartoe aan.

47. De drie instellingen verbinden zich ertoe de efficiëntste regelgevingsinstrumenten te bevorderen, zoals het harmoniseren en het wederzijds erkennen, teneinde overregulering en administratieve lasten te vermijden, en de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken.

48. De drie instellingen komen overeen samen te werken voor het bijwerken en vereenvoudigen van de wetgeving en voor het vermijden van overregulering en administratieve lasten voor burgers, besturen en bedrijven, onder meer het midden- en kleinbedrijf, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat wordt tegemoetgekomen aan de doelstellingen van de wetgeving. In dit verband komen de drie instellingen overeen over deze aangelegenheid van gedachten te wisselen voordat het jaarlijks werkprogramma van de Commissie wordt afgerond.

De Commissie verbindt zich ertoe jaarlijks een overzicht te presenteren, waaronder een jaarlijks lastenoverzicht als bijdrage aan haar programma voor gezonde regelgeving (Refit), van de resultaten die door de Unie zijn geboekt met het vereenvoudigen van de wetgeving, het vermijden van overregulering en het verminderen van administratieve lasten.

Op basis van de werkzaamheden van de instellingen op het gebied van effectbeoordeling en evaluatie, en van de inbreng van de lidstaten en belanghebbenden, en rekening houdend met de kosten en de voordelen van regulering door de EU, kwantificeert de Commissie, telkens dat mogelijk is, de vermindering van de regelgevingslast of het besparingspotentieel van afzonderlijke voorstellen of wetgevingshandelingen.

De Commissie beoordeelt eveneens hoe haalbaar het is in haar programma voor gezonde regelgeving doelstellingen voor het terugdringen van lasten in specifieke sectoren vast te stellen.

IX. UITVOERING VAN EN TOEZICHT OP DIT AKKOORD

49. De drie instellingen treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij over de vereiste middelen en instrumenten beschikken voor de adequate uitvoering van dit akkoord.

50. De drie instellingen zien gezamenlijk en op regelmatige basis toe op de uitvoering van dit akkoord, zowel op politiek niveau door middel van jaarlijkse besprekingen als op technisch niveau in de interinstitutionele coördinatiegroep.

X. VERVANGING

51. Dit interinstitutioneel akkoord vervangt het interinstitutioneel akkoord "beter wetgeven" van 2003 en de interinstitutionele gemeenschappelijke aanpak van effectbeoordelingen van 2005.

De bijlagen 1 en 2 bij dit interinstitutioneel akkoord vervangen de consensus inzake gedelegeerde handelingen van 2011.

52. Dit akkoord treedt bij zijn ondertekening in werking.

Bijlage 1

Gezamenlijk akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over gedelegeerde handelingen

I. Toepassingsgebied en algemene beginselen

1. Dit gezamenlijk akkoord bouwt voort op en vervangt de consensus van 2011 en stroomlijnt de werkwijze die het Europees Parlement en de Raad nadien hebben vastgelegd. Het bevat de praktische regelingen en overeengekomen verduidelijkingen en voorkeuren die van toepassing zijn op delegaties van wetgevende bevoegdheid krachtens artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van dat artikel moeten de doelstellingen, de inhoud, het toepassingsgebied en de duur van een delegatie in elke wetgevingshandeling die in delegatie voorziet (hierna "de basishandeling" genoemd), uitdrukkelijk worden afgebakend.

2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden werken de drie instellingen, overeenkomstig de door het VWEU voorgeschreven procedures, gedurende de gehele procedure samen met het oog op een soepele uitoefening van de overgedragen bevoegdheid en een doeltreffende controle van die bevoegdheid door het Europees Parlement en de Raad. Hiertoe worden op administratief niveau de nodige contacten onderhouden.

3. De betrokken instellingen gebruiken, afhankelijk van de procedure voor de vaststelling van de basishandeling, bij het voorstellen of uitvoeren van een bevoegdheidsdelegatie krachtens artikel 290 VWEU, zo veel mogelijk de standaardclausules uit de bijlage bij dit gezamenlijke akkoord.

II. Overleg bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen

4. De Commissie raadpleegt door elke lidstaat aangewezen deskundigen bij de voorbereiding van ontwerpen van gedelegeerde handelingen. De deskundigen van de lidstaten worden tijdig geraadpleegd over elk ontwerp van gedelegeerde handeling dat door de diensten van de Commissie is opgesteld.(12)* De ontwerpen van gedelegeerde handelingen worden gedeeld met de deskundigen van de lidstaten. Deze raadplegingen vinden plaats via bestaande deskundigengroepen, of via ad-hocvergaderingen met deskundigen uit de lidstaten, waarvoor de Commissie de uitnodigingen via de permanente vertegenwoordigingen van alle lidstaten verzendt. Het is aan de lidstaten om te beslissen welke deskundigen zullen deelnemen. Aan de deskundigen worden met het oog op de voorbereiding tijdig de ontwerpen van gedelegeerde handelingen, de ontwerpagenda en alle andere relevante documenten verstrekt.

5. Aan het eind van elke vergadering met de deskundigen van de lidstaten of in de follow-up van deze vergaderingen formuleren de diensten van de Commissie de conclusies die zij uit het overleg hebben getrokken, onder meer over de vraag hoe zij de standpunten van de deskundigen zullen meenemen en hoe zij verder te werk denken te gaan. Deze conclusies worden opgenomen in de notulen van de vergadering.

6. De voorbereiding en de opstelling van gedelegeerde handelingen kan ook de raadpleging van belanghebbenden inhouden.

7. Indien de materiële inhoud van een ontwerp van gedelegeerde handeling op enigerlei wijze wordt gewijzigd, biedt de Commissie de deskundigen van de lidstaten de gelegenheid om, waar van toepassing, schriftelijk, te reageren op de gewijzigde versie van het ontwerp van de gedelegeerde handeling.

8. In de toelichting van de gedelegeerde handeling wordt een samenvatting van de raadpleging opgenomen.

9. De Commissie stelt regelmatig een indicatieve lijst van geplande gedelegeerde handelingen beschikbaar.

10. Bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen zorgt de Commissie ervoor dat alle documenten, waaronder de ontwerphandelingen, tijdig en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad en aan de deskundigen van de lidstaten.

11. Indien zij dat noodzakelijk achten, kunnen zowel het Europees Parlement als de Raad deskundigen sturen naar de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen waarvoor deskundigen van de lidstaten zijn uitgenodigd. Daartoe ontvangen het Europees Parlement en de Raad de planning voor de komende maanden en de uitnodigingen voor alle deskundigen­vergaderingen.

12. De drie instellingen delen elkaar mee welke functionele mailboxen gebruikt moeten worden voor het toezenden en ontvangen van alle op gedelegeerde handelingen betrekking hebbende documenten. Zodra het in punt 29 van de overeenkomst bedoelde register is ingesteld, wordt dat daartoe gebruikt.

III. Regeling voor de toezending van documenten en de berekening van de termijnen

13. De Commissie zendt de gedelegeerde handelingen via een passend mechanisme officieel toe aan het Europees Parlement en de Raad. Gerubriceerde documenten worden behandeld conform de interne administratieve procedures ter zake van elke instelling, zodat alle nodige waarborgen worden geboden.

14. Teneinde ervoor te zorgen dat het Europees Parlement en de Raad de in artikel 290 VWEU bedoelde rechten binnen de voor een basishandeling vastgelegde termijn kunnen uitoefenen, zendt de Commissie in de volgende perioden geen gedelegeerde handelingen toe:

- van 22 december tot en met 6 januari;

- van 15 juli tot en met 20 augustus.

Die perioden gelden alleen als de termijn voor het indienen van bezwaren gebaseerd is op lid 0.

Deze perioden gelden niet voor gedelegeerde handelingen die vastgesteld worden volgens de spoedprocedure (zie deel VII). Indien tijdens deze perioden een gedelegeerde handeling wordt vastgesteld volgens de spoedprocedure, gaat de in de basishandeling vermelde termijn voor het aantekenen van bezwaar pas in als die periode is verstreken.

Uiterlijk in oktober van het jaar vóór de verkiezingen van het Europees Parlement treffen de drie instellingen een regeling voor de kennisgeving van gedelegeerde handelingen tijdens het verkiezingsreces.

15. De termijn voor het maken van bezwaar vangt aan wanneer het Europees Parlement en de Raad alle officiële taalversies van de gedelegeerde handeling ontvangen hebben.

IV. Duur van de delegatie

16. In de basishandeling kan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om voor een bepaalde of een onbepaalde termijn gedelegeerde handelingen vast te stellen.

17. Indien in een bepaalde termijn is voorzien, moet in beginsel in de basishandeling worden bepaald dat de bevoegdheidsdelegatie stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur wordt verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. Uiterlijk negen maanden vóór het einde van elke termijn stelt de Commissie een verslag over de gedelegeerde bevoegdheid op. Dit punt doet geen afbreuk aan het recht van het Europees Parlement of de Raad om de delegatie in te trekken.

V. Termijn voor het maken van bezwaar door het Europees Parlement en de Raad

18. Onverminderd de spoedprocedure mag de bezwaartermijn die in elke basishandeling per geval wordt vastgesteld, in beginsel niet minder dan twee maanden bedragen; op initiatief van elke instelling (het Europees Parlement of de Raad) kan deze termijn met twee maanden verlengd worden.

19. Indien het Europees Parlement en de Raad de Commissie hebben meegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken, kan de gedelegeerde handeling echter vóór het verstrijken van de termijn worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en kan zij in werking treden.

VI. Spoedprocedure

20. De spoedprocedure moet alleen gebruikt worden in uitzonderlijke gevallen, zoals veiligheid, volksgezondheid of externe betrekkingen, waaronder humanitaire crises. Het Europees Parlement en de Raad moeten in de basishandeling de keuze van een spoedprocedure verantwoorden. In de basishandeling wordt vermeld in welke gevallen de spoedprocedure zal worden gebruikt.

21. De Commissie houdt het Europees Parlement en de Raad volledig op de hoogte van de mogelijkheid dat in het kader van de spoedprocedure een gedelegeerde handeling wordt vastgesteld. Zodra de Commissiediensten daartoe een mogelijkheid zien, lichten zij de secretariaten van het Europees Parlement en de Raad daarover informeel in via de in punt 12 bedoelde mailboxen.

22. Een gedelegeerde handeling die overeenkomstig de spoedprocedure wordt vastgesteld, treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang er binnen de in de basishandeling vermelde termijn geen bezwaar wordt gemaakt. Indien er bezwaar wordt gemaakt, trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

23. Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in het kader van een spoed­procedure in kennis stelt van een gedelegeerde handeling, vermeldt zij om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

VII. Bekendmaking in het Publicatieblad

24. Gedelegeerde handelingen worden pas bekendgemaakt in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie nadat de bezwaartermijn verstreken is, met uitzondering van punt 23. Volgens de spoedprocedure vastgestelde gedelegeerde handelingen worden onverwijld bekendgemaakt.

25. Onverminderd artikel 297 VWEU worden besluiten van het Europees Parlement of de Raad om een bevoegdheidsdelegatie in te trekken, bezwaar te maken tegen een volgens de spoedprocedure vastgestelde gedelegeerde handeling of zich te verzetten tegen de stilzwijgende verlenging van een bevoegdheidsdelegatie eveneens in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Een besluit tot intrekking van de delegatie wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

26. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie ook de besluiten tot intrekking van gedelegeerde handelingen bekend die volgens de spoedprocedure zijn vastgesteld.

VIII. Uitwisseling van informatie, met name bij intrekking

27. Bij de uitoefening van hun rechten ter toepassing van de in de basishandeling vermelde voorwaarden, informeren het Europees Parlement en de Raad elkaar en de Commissie.

28. Wanneer hetzij het Europees Parlement hetzij de Raad een procedure begint die tot intrekking van een bevoegdheidsdelegatie kan leiden, worden de twee andere instellingen uiterlijk één maand voordat het intrekkingsbesluit genomen wordt, daarvan op de hoogte gebracht.

Bijlage 2

Standaardclausules

Overweging:

Teneinde [doelstelling], moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van [inhoud en toepassingsgebied]. Het is bijzonder belangrijk dat de Commissie passend overleg pleegt tijdens haar voorbereidende werkzaamheden, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van [datum]. Om met name te zorgen voor gelijke deelneming aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

Artikel(en) waarbij bevoegdheden worden overgedragen

De Commissie [stelt vast/is bevoegd] overeenkomstig artikel a gedelegeerde handelingen [vast te stellen] met betrekking tot [inhoud en toepassingsgebied]. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundige overeenkomstig de beginselen in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van [datum].

Aanvullende alinea die moet worden toegevoegd wanneer de spoedprocedure van toepassing is:

Indien dit in geval van [inhoud en toepassingsgebied] om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel b neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vast­gestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel aUitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

[duur]

Optie 1:

De in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van (*).

Optie 2:

De in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van X jaar met ingang van (*). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van X jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

Optie 3:

De in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van X jaar met ingang van (*).

(*) datum van inwerkingtreding van de basishandeling of een andere door de wetgever vastgestelde datum.

Het Europees Parlement of de Raad kan de in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

Een overeenkomstig (de) artikel(en) … vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Aanvullend artikel dat moet worden toegevoegd wanneer de spoedprocedure van toepassing is:

Artikel b Spoedprocedure

Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel a, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

BIJLAGE II : VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE COMMISSIE TER GELEGENHEID VAN DE GOEDKEURING VAN HET INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD OVER BETER WETGEVEN

Volgens het Europees Parlement en de Europese Commissie is dit akkoord de afspiegeling van het evenwicht tussen de respectieve bevoegdheden van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, zoals vastgesteld in het Verdrag.

Het doet geen afbreuk aan het kaderakkoord van 20 oktober 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

0

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Elmar Brok, Fabio Massimo Castaldo, Richard Corbett, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Jo Leinen, Morten Messerschmidt, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Paulo Rangel, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Claudia Tapardel, Kazimierz Michał Ujazdowski, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Max Andersson, Gerolf Annemans, Sylvie Goulard, Viviane Reding, Helmut Scholz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Teresa Jiménez-Becerril Barrio

(1)

PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.

(2)

PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0061.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0323.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0069.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0127.

(7)

PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.

(8)

PB C 73 van 17.3.1999, blz. 1.

(9)

PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(10)

PB C 145 van 30.6.2007, blz. 5.

(11)

PB C 369 van 17.12.2011, blz. 15.

(12)

* Met de nadere details van de procedure voor het voorbereiden van technische reguleringsnormen, als omschreven in de ESA-Verordeningen 1093/2010 (EU), 1094/2010 (EU) en 1095/2010 (EU), wordt rekening gehouden onverminderd de in dit akkoord neergelegde regelingen voor raadpleging.

Juridische mededeling - Privacybeleid