Procedure : 2015/2275(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0158/2016

Ingediende teksten :

A8-0158/2016

Debatten :

PV 06/06/2016 - 16
CRE 06/06/2016 - 16

Stemmingen :

PV 07/06/2016 - 5.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0249

VERSLAG     
PDF 409kWORD 124k
28.4.2016
PE 575.014v02-00 A8-0158/2016

over vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie

(2015/2275(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Geoffrey Van Orden

Rapporteur voor advies (*):

Paavo Väyrynen, Commissie ontwikkelingssamenwerking

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie

(2015/2275(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name de artikelen 21, 41, 42 en 43,

–  gezien artikel 220 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, en met name de hoofdstukken VI, VII en VIII,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 1 april 2015 over "Partners voor de vrede: op weg naar partnerschappen voor vredeshandhaving"(1),

–  gezien de gemeenschappelijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 28 april 2015 over "Capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling – De partners in staat stellen crises te voorkomen en te beheersen"(2),

–  gezien het rapport van het onafhankelijk VN-panel op hoog niveau over vredesoperaties van 16 juni 2015(3),

–  gezien de verklaring van de door de president van de Verenigde Staten Barack Obama bijeengeroepen topbijeenkomst inzake vredeshandhaving van 28 september 2015,

–  gezien het actieplan van 14 juni 2012 ter versterking van de GVDB-steun van de EU voor de VN-vredeshandhaving(4) en het document van 23 maart 2015 over de versterking van het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN op het gebied van vredeshandhaving en crisisbeheersing: prioriteiten 2015-2018(5),

–  gezien de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU, vastgesteld op de tweede EU-Afrikatop in Lissabon op 8 en 9 december 2007(6) en de gemeenschappelijke routekaart voor 2014-2017, vastgesteld op de vierde EU-Afrikatop in Brussel op 2 en 3 april 2014(7),

–  gezien Speciaal verslag nr. 3/2011 van de Europese Rekenkamer over "De efficiëntie en doeltreffendheid van EU-bijdragen, verstrekt in door conflicten getroffen landen via organisaties van de Verenigde Naties",

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over de rol van de EU binnen de VN – Hoe kunnen de doelstellingen van het buitenlands beleid van de EU beter worden verwezenlijkt?(8),

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 9 december 2015 over de evaluatie van de Vredesfaciliteit voor Afrika tien jaar na de oprichting: effectiviteit en vooruitzichten voor de toekomst,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien de richtsnoeren van Oslo van november 2007 inzake het gebruik van militaire en civiele defensiemiddelen met betrekking tot hulpverlening bij rampen,

–  gezien artikel 4, onder h) en j), van het Oprichtingsverdrag van de Afrikaanse Unie,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het tienjarig bestaan van resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 oktober 2012 getiteld "Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0158/2016),

A.  overwegende dat vredesondersteunende operaties (PSO's) een vorm van crisisrespons zijn, doorgaans ter ondersteuning van internationaal erkende organisaties zoals de VN of de Afrikaanse Unie (AU), met een VN-mandaat, en tot doel hebben gewapende conflicten te voorkomen, de vrede op te bouwen, te herstellen of te handhaven, vredesakkoorden te doen respecteren en de complexe noodsituaties en uitdagingen die gesteld worden door falende of zwakke staten aan te pakken; overwegende dat de stabiliteit in het Afrikaanse en Europese nabuurschap alle betrokken staten zeer ten goede zou komen;

B.  overwegende dat PSO's moeten bijdragen tot meer stabiliteit, veiligheid en welzijn op de langere termijn; overwegende dat behoorlijk bestuur, rechtvaardigheid, de versterking van de rechtsstaat, de bescherming van de burger, de eerbiediging van de mensenrechten en veiligheid hiervoor noodzakelijke voorwaarden zijn en dat succesvolle programma's voor verzoening, wederopbouw en economische ontwikkeling zullen bijdragen tot duurzame vrede en welvaart;

C.  overwegende dat de veiligheidssituatie met name in Afrika tijdens het laatste decennium dramatisch is veranderd met de opkomst van nieuwe terroristische en rebellengroeperingen in Somalië, Nigeria en in de regio van de Sahel en de Sahara, en dat vredeshandhavings- en terrorismebestrijdingsoperaties in veel gebieden veeleer de regel dan de uitzondering worden; overwegende dat er steeds meer kwetsbare staten en onbestuurde gebieden komen, waardoor velen te maken krijgen met armoede, wetteloosheid, corruptie en geweld; overwegende dat de poreuze grenzen op het continent criminele activiteiten in de hand werken, het geweld aanwakkeren en de veiligheid ondergraven;

D.  overwegende dat vrede in de nieuwe Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van essentieel belang wordt geacht voor ontwikkeling en dat duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 16 op vrede en gerechtigheid is gericht;

E.  overwegende dat organisaties en naties, idealiter met een duidelijk en realistisch VN-mandaat, met de passende ervaring en uitrusting de nodige middelen zouden moeten verstrekken voor een succesvolle PSO, om aldus een veilige omgeving te creëren waarin civiele organisaties hun werk kunnen doen;

F.  overwegende dat de VN de belangrijkste garant voor internationale vrede en veiligheid blijft en het meest uitgebreide kader voor multilaterale samenwerking in crisisbeheersing biedt; overwegende dat er momenteel 16 VN-vredeshandhavingsoperaties lopen, waarbij meer dan 120 000 man personeel is ingezet, hetgeen meer is dan ooit tevoren; overwegende dat 87% van de VN-vredeshandhavers actief zijn bij acht missies in Afrika; overwegende dat de VN in de reikwijdte van haar operaties aan beperkingen gebonden is;

G.  overwegende dat de situatie voor de AU anders is dan voor de VN, omdat zij partij kan kiezen, kan optreden zonder uitnodiging, en kan optreden waar geen vredesakkoord is ondertekend, zonder dat dit in strijd is met het Handvest van de Verenigde Naties; overwegende dat dit gezien het grote aantal interstatelijke en intra-statelijke conflicten in Afrika een wezenlijk verschil is;

H.  overwegende dat de NAVO steun heeft verleend aan missies van de AU, waaronder AMIS in Darfur en AMISOM in Somalië, in de vorm van planning en strategisch lucht- en zeetransport, alsook capaciteitsopbouw voor de Afrikaanse stand-bytroepenmacht (ASF);

I.  overwegende dat de crisissituaties in Afrika een coherente mondiale respons vergen die veel meer omvat dan veiligheidsaspecten alleen; overwegende dat vrede en veiligheid randvoorwaarden zijn voor ontwikkeling, en dat alle lokale en internationale actoren hebben benadrukt dat nauwe coördinatie tussen veiligheids- en ontwikkelingsbeleid nodig is; overwegende dat een langetermijnperspectief nodig is; overwegende dat de hervorming van de veiligheidssector, demobilisatie en re-integratie van ex-strijders van belang kunnen zijn voor het bereiken van stabiliteit en ontwikkelingsdoelen; overwegende dat het VN-Verbindingsbureau voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie en de permanente vertegenwoordiging van de Afrikaanse Unie in Brussel een prominente rol spelen bij de ontwikkeling van betrekkingen met de EU, de NAVO en de nationale ambassades;

J.  overwegende dat de in 2004 opgerichte Vredesfaciliteit voor Afrika met ca. 1,9 miljard euro aan steun via het door de lidstaten gefinancierde EOF het belangrijkste mechanisme voor Europese samenwerking met de AU is; overwegende dat toen de Vredesfaciliteit voor Afrika in 2003 werd opgericht, haar financiering middels EOF-fondsen slechts was bedoeld als een tijdelijke oplossing, maar dat het EOF twaalf jaar later nog altijd de belangrijkste financieringsbron van de Vredesfaciliteit voor Afrika is; overwegende dat het toepassingsgebied van de Vredesfaciliteit in 2007 een bredere invulling heeft gekregen en is uitgebreid tot activiteiten voor conflictpreventie en stabilisatie na afloop van een conflict; overwegende dat het actieprogramma voor de periode 2014-2016 rekening houdt met externe evaluaties en overleg met de lidstaten, en nieuwe elementen bevat die de doeltreffendheid ervan moeten verbeteren; overwegende dat in artikel 43 VEU wordt verwezen naar de zogenoemde Petersberg Plus-taken, die verschillende aspecten omvatten zoals advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, daaronder begrepen vredestichting, alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten; overwegende dat in 2014 meer dan 90 % van de begroting van de Vredesfaciliteit voor Afrika was bestemd voor vredesondersteunende operaties, waarvan 65 % voor AMISOM-personeel; overwegende dat de institutionele capaciteitsopbouw van de Afrikaanse Unie en van regionale Afrikaanse economische gemeenschappen van essentieel belang is voor het welslagen van PSO's en verzoenings- en rehabilitatieprocessen na afloop van een conflict;

K.  overwegende dat de rol van de EU moet worden gezien in de context van de bijdragen die talrijke landen en organisaties leveren tot de PSO's; overwegende dat de VS bijvoorbeeld wereldwijd de grootste financiële bijdrage levert tot de VN-vredeshandhavingsoperaties en de AU rechtstreeks ondersteunt via het snelleresponspartnerschap voor vredeshandhaving in Afrika, en daarnaast ook ca. 5 miljard dollar steun geeft aan VN-operaties in de Centraal-Afrikaanse Republiek, Mali, Ivoorkust, Zuid-Sudan en Somalië; overwegende dat de complementariteit van al die verschillende financieringsbronnen verzekerd wordt door de partnergroep van de Afrikaanse Unie inzake vrede en veiligheid; overwegende dat China actief deelneemt aan VN-vredesoperaties en dat het Forum voor Chinees-Afrikaanse samenwerking de Commissie van de AU omvat; overwegende dat India, Pakistan en Bangladesh na Ethiopië het grootste aantal vredeshandhavers voor VN-operaties ter beschikking stellen;

L.  overwegende dat de Europese landen en de EU een belangrijke bijdrage leveren aan het VN-stelsel, met name via financiële steun voor VN-programma's en -projecten; overwegende dat Frankrijk, Duitsland en het VK de grootste Europese geldschieters zijn achter de VN‑vredeshandhavingsoperaties; overwegende dat de EU-lidstaten samen met ca. 37 % de grootste financiële bijdrage leveren aan het VN-budget voor vredesoperaties, en momenteel troepen inzetten bij negen vredesmissies; voorts overwegende dat de financiële bijdragen van de EU aan de AU in 2014 en 2015 in totaal 717,9 miljoen EUR bedroegen en dat de AU slechts 25 miljoen EUR heeft bijgedragen; overwegende dat de Europese landen met 5 000 manschappen op een totaal van ongeveer 92 000 slechts ca. 5 % van de troepenmacht voor VN-vredesmissies leveren, maar dat Frankrijk op zich bijvoorbeeld jaarlijks 25 000 Afrikaanse soldaten opleidt en meer dan 4 000 manschappen inzet bij Afrikaanse vredesmissies;

M.  overwegende dat antipersonenmijnen een grote hinderpaal zijn geweest voor wederopbouw en ontwikkeling na conflicten, met name in Afrika, en dat de EU de voorbije 20 jaar ca. 1,5 miljard euro heeft uitgetrokken voor processen om ontmijning te steunen en bijstand te verlenen aan slachtoffers van mijnen, en hiermee de grootste donor is op dit gebied;

N.  overwegende dat de EU, naast de specifieke rol van individuele Europese landen, met multidimensionale acties een wezenlijke bijdrage kan leveren tot PSO's; overwegende dat de EU technische en financiële bijstand verleent aan de AU en de subregionale organisaties, in het bijzonder via de Vredesfaciliteit voor Afrika, het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede en het Europees Ontwikkelingsfonds; overwegende dat de EU in het kader van haar GVDB-missies counseling- en trainingsactiviteiten opzet en daarmee bijdraagt tot de versterking van de Afrikaanse capaciteiten op het gebied van crisisbeheersing;

O.  overwegende dat de vijf civiele en de vier militaire EU-operaties die momenteel in Afrika worden uitgevoerd vaak plaatsvinden naast of na VN-, AU- of nationale acties, bijvoorbeeld in Mali, de Centraal-Afrikaanse Republiek of Somalië;

P.  overwegende dat de EU zich heeft geëngageerd om de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur te helpen versterken, met name door steun voor het operationeel maken van de ASF;

Q.  overwegende dat de Europese Raad de EU en haar lidstaten heeft gevraagd hun steun aan partnerlanden en partnerorganisaties op te voeren, via opleiding, advies, uitrusting en andere hulpmiddelen, om de partners beter in staat te stellen crisissen zelf te voorkomen en te beheersen; overwegende dat er duidelijk behoefte is aan wederzijds versterkende operaties op het gebied van veiligheid en ontwikkeling om dit doel te realiseren;

R.  overwegende dat de EU het werk van anderen, die mogelijk beter in staat zijn om een bepaalde rol te vervullen, moet ondersteunen en daarbij overlappingen moet voorkomen en het werk van diegenen die reeds ter plaatse actief zijn, met name de lidstaten, moet helpen versterken;

S.  overwegende dat artikel 41, lid 2, van het VEU uitgaven ten laste van de EU-begroting voor operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied verbiedt, maar dat de financiering door de EU van militaire taken zoals vredeshandhavingsmissies met ontwikkelingsdoelstellingen niet expliciet wordt uitgesloten; overwegende dat de gemeenschappelijke kosten in het kader van het Athena-mechanisme ten laste van de lidstaten komen; overwegende dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EU als voornaamste doelstelling heeft de armoede terug te dringen en op termijn uit te bannen, maar dat de financiering van capaciteitsopbouw in de veiligheidssector in de artikelen 209 en 212 van het VWEU niet expliciet wordt uitgesloten; overwegende dat het EOF en de Vredesfaciliteit voor Afrika, als instrumenten die buiten de EU-begroting vallen, relevant zijn voor een totaalaanpak van het verband tussen veiligheid en ontwikkeling; overwegende dat bij de ontwikkeling van de programmering van het EDF moet worden voldaan aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA), die veiligheidsgerelateerde uitgaven grotendeels uitsluiten; overwegende dat de EU in de context van haar initiatief voor capaciteitsopbouw ter ondersteuning van veiligheid en ontwikkeling het opzetten van bijkomende specifieke instrumenten onderzoekt;

T.  overwegende dat de behoeften van de betrokken landen en de Europese veiligheid de drijfveer voor de betrokkenheid van de EU moeten vormen;

1.  benadrukt dat er behoefte is aan gecoördineerde externe maatregelen waarbij gebruik wordt gemaakt van diplomatieke, veiligheids- en ontwikkelingsinstrumenten om het vertrouwen te herstellen en het hoofd te bieden aan de uitdagingen die voortvloeien uit oorlogen, interne conflicten, onveiligheid, instabiliteit en transitie;

2.  merkt op dat het inzetten van verschillende door de VN goedgekeurde missies in hetzelfde conflictgebied, met verschillende actoren en regionale organisaties, steeds vaker de realiteit van moderne vredesoperaties is; onderstreept dat de coördinatie van deze complexe partnerschappen, zonder overlappingen tussen werk of missies, van essentieel belang is om van de operaties een succes te maken; dringt er in dit verband op aan dat de bestaande structuren worden geëvalueerd en gerationaliseerd;

3.  benadrukt het belang van tijdige communicatie en betere procedures voor crisisoverleg met de VN en de AU, alsook met andere organisaties zoals de NAVO en de OVSE; wijst op de noodzaak van betere informatie-uitwisseling, ook wat betreft de planning, uitvoering en analyse van missies; is verheugd over de sluiting en ondertekening van de administratieve overeenkomst tussen de EU en de VN voor de uitwisseling van geheime informatie; erkent het belang van het partnerschap Afrika-EU en van de politieke dialoog tussen de EU en de AU over vrede en veiligheid; stelt voor dat de AU, de EU en andere belangrijke actoren samen met de VN tot overeenstemming komen over een aantal gemeenschappelijke doelen inzake Afrikaanse veiligheid en ontwikkeling;

4.  verzoekt de EU met klem om, gezien de omvang van de uitdagingen en de complexe betrokkenheid van andere organisaties en naties, te streven naar een passende verdeling van het werk en na te gaan waar zij het meeste meerwaarde kan betekenen; merkt op dat verscheidene lidstaten zich al op het terrein hebben ingezet in Afrika en dat de EU een echte meerwaarde kan creëren door meer steun te verlenen aan deze operaties;

5.  merkt op dat de VN- en AU-missies in een steeds complexere veiligheidsomgeving behoefte hebben aan een alomvattende benadering waarbij, naast het inzetten van militaire, diplomatieke en ontwikkelingsinstrumenten, een grondige kennis van de veiligheidsomgeving, het uitwisselen van inlichtingen en informatie en moderne technologieën, kennis inzake de aanpak van contraterrorisme en criminaliteitsbestrijding in (post-)conflictgebieden, het inzetten van kritische facilitators, het verzekeren van humanitaire hulp en het herstel van de politieke dialoog essentieel zijn, en de Europese landen hiertoe kunnen bijdragen; benadrukt het werk dat op dit gebied reeds wordt gedaan door specifieke lidstaten en andere multinationale organisaties;

6.  onderstreept het belang van andere EU-instrumenten op veiligheidsgebied en met name de GVDB-missies en -operaties; herinnert eraan dat de interventie van de EU in Afrika bedoeld is om, in het bijzonder door middel van opleidingsmissies, bij te dragen tot de stabilisering van de landen die in een crisis zijn verwikkeld; benadrukt dat zowel de civiele als de militaire GVDB-missies van belang zijn om de hervormingen in de veiligheidssector te ondersteunen en een internationale crisisbeheersingsstrategie te helpen ontwikkelen;

7.  merkt op dat het voor het succes van een PSO van essentieel belang is dat zij als legitiem wordt beschouwd; meent derhalve dat de steun en de ingezette troepenmacht zo mogelijk uit de AU zouden moeten komen; merkt op dat dit ook belangrijk is in het licht van de doelstelling van de AU om op lange termijn zelf de orde te handhaven;

8.  verwelkomt het feit dat het nieuwe actieprogramma van de Vredesfaciliteit voor Afrika komaf maakt met een aantal tekortkomingen en meer aandacht besteedt aan exitstrategieën, een betere kostendeling met Afrikaanse landen, gerichtere steun en betere besluitvormingsprocedures;

9.  is ingenomen met het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN op het gebied van vredeshandhaving en crisisbeheersing en de prioriteiten daarvan voor 2015-2018, zoals overeengekomen in maart 2015; wijst op de huidige en voorbije GVDB-missies, gericht op vredeshandhaving, conflictpreventie en de versterking van de internationale veiligheid, en houdt rekening met de sleutelrol van andere organisaties, met inbegrip van pan-Afrikaanse en regionale organisaties, en van andere landen in die gebieden; moedigt de EU aan tot verdere inspanningen om de bijdragen van lidstaten te faciliteren; herinnert eraan dat de EU in Afrika crisisbeheersingsactiviteiten heeft ontplooid die gericht zijn op vredeshandhaving, conflictpreventie en de versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig het VN-Handvest; merkt op dat slechts 11 van de 28 EU-lidstaten toezeggingen hebben gedaan tijdens de topbijeenkomst inzake vredeshandhaving, terwijl China een stand-bytroepenmacht van 8 000 manschappen en Colombia een troepenmacht van 5 000 man heeft toegezegd; verzoekt de EU-lidstaten hun militaire en politionele deelname aan VN-vredeshandhavingsmissies aanzienlijk uit te breiden;

10.  beklemtoont de noodzaak van een snelle Afrikaanse respons in crisissituaties en wijst erop dat de Afrikaanse stand-bytroepenmacht hierin een sleutelrol zal spelen; benadrukt dat de EU, via de Vredesfaciliteit voor Afrika en de financiering van de AU, in belangrijke mate bijdraagt tot de versterking van de capaciteiten van de AU om een collectief antwoord te bieden in het geval van crisissituaties op het Afrikaanse continent; stimuleert regionale organisaties, zoals de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) en de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika (SADC), hun inspanningen met betrekking tot een snelle Afrikaanse respons in crisissituaties op te voeren en zodanig te werk te gaan dat hun inspanningen een aanvulling vormen op die van de AU;

11.  dringt niettemin aan op het belang van een grotere investering in conflictpreventie, rekening houdend met factoren zoals politieke of religieuze radicalisering, verkiezingsgeweld, bevolkingsverschuivingen en de klimaatverandering;

12.  erkent dat de Vredesfaciliteit voor Afrika een essentiële bijdrage levert aan de ontwikkeling van het trilaterale partnerschap tussen de VN, de EU en de AU; meent dat deze Vredesfaciliteit zowel een startpunt als een mogelijke hefboom is voor een sterker partnerschap tussen de EU en de AU, en onmisbaar is gebleken voor de Afrikaanse Unie en, via de AU, voor de acht regionale economische gemeenschappen, om hun operaties te plannen en te leiden; acht het van vitaal belang dat de EU-instellingen en de lidstaten nauw betrokken blijven bij de Faciliteit, zodat deze optimaal wordt ingezet, en dat de AU niet alleen doeltreffender gebruikt maakt van de middelen van de Faciliteit, maar daarbij ook meer transparantie aan de dag legt; is van mening dat de Vredesfaciliteit voor Afrika zich moet concentreren op structurele ondersteuning, in plaats van op het betalen van de soldij van Afrikaanse strijdkrachten; erkent dat er andere financieringsmechanismen beschikbaar zijn, maar meent dat de Faciliteit gezien haar focus op Afrika en haar duidelijke doelstellingen van bijzonder belang is voor de PSO's in Afrika; meent dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich bezighouden met vredesopbouw in Afrika inspraak moeten krijgen, in het kader van een meer strategische samenwerking met deze organisaties op het gebied van vrede en veiligheid; blijft zich zorgen maken over de voortdurende financieringsproblemen van de Afrikaanse landen en over het gebrek aan politieke bereidheid van hun kant; wijst op de conclusies van de Raad van 24 september 2012, waarin wordt gesteld dat moet worden nagedacht over andere financieringsvormen voor de Vredesfaciliteit voor Afrika dan het EOF;

13.  merkt op dat een versterking van de Europese militaire samenwerking de efficiëntie en de effectiviteit van de Europese bijdrage aan VN-vredesmissies ten goede zou komen;

14.  verwelkomt, gezien het belang van de eigen capaciteitsopbouw in Afrika, het succesvolle verloop van de Amani Afrika II-oefening in oktober 2015, waarbij meer dan 6 000 militairen, politiekrachten en civiele deelnemers betrokken waren, en kijkt uit naar het moment, zo vroeg mogelijk in 2016, waarop de 25 000 man sterke ASF operationeel zal worden;

15.  verzoekt de EU en de lidstaten, alsook andere leden van de internationale gemeenschap, om bijdragen te leveren in de vorm van opleiding (met inbegrip van training), uitrusting, logistieke steun, financiële steun en ontwikkeling van inzetregels (RoE), de Afrikaanse staten aan te moedigen en bij te staan en daarbij volledig en voortdurend engagement te tonen ten aanzien van de ASF; dringt erop aan dat de ambassades en EU-delegaties in de Afrikaanse hoofdsteden zich actiever inzetten voor de ASF; meent dat de ODA binnen het OESO-kader moet worden herzien vanuit het oogpunt van vredesopbouw; is van mening dat de EOF-verordening moet worden herzien, opdat het mogelijk wordt alle uitgaven op het gebied van vrede, veiligheid en gerechtigheid waarbij sprake is van ontwikkelingsdoeleinden in de programmering op te nemen;

16.  wijst op het belang van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) voor de veiligheid in Afrika, vooral via missies voor de opleiding en ondersteuning van Afrikaanse strijdkrachten, met name bij de missies EUTM Mali, EUCAP Sahel Mali en EUCAP Sahel Niger, EUTM Somalië en EUCAP Nestor; wijst erop dat deze missies een bijkomende steun vormen voor de inspanningen van andere missies van de Verenigde Naties; verzoekt de Europese Unie deze opleidingsmissies meer slagkracht te geven, met name door een opvolging toe te staan van opgeleide Afrikaanse soldaten op en na hun terugkeer van het operatietoneel;

17.  benadrukt dat de EU noch de lidstaten bij de ondersteuning van PSO's geïsoleerd mogen optreden, maar ten volle rekening moeten houden met de bijdragen van andere internationale actoren, de onderlinge coördinatie en snelheid van de respons moeten verbeteren en hun inspanningen moeten concentreren op een aantal prioritaire landen, waarbij de meest geschikte en ervaren lidstaten en Afrikaanse staten het voortouw moeten nemen; onderstreept het belang van regionale economische gemeenschappen voor de veiligheidsstructuur in Afrika; benadrukt de rol die EU-delegaties kunnen spelen bij de coördinatie met andere internationale actoren;

18.  is voorstander van de holistische EU-benadering, die het centrale instrument vormt om de slagkracht van de EU in de context van vredesoperaties en het stabilisatieproces volledig aan te spreken, alsook om verschillende methoden in te zetten ter ondersteuning van de ontwikkeling van de landen van de AU;

19.  dringt erop aan dat hulp bij het beheer van de grenzen een prioriteit vormt voor het engagement van de EU in Afrika; wijst erop dat de poreusheid van de grenzen een van de hoofdfactoren is voor de ontwikkeling van terrorisme in Afrika;

20.  is ingenomen met de gezamenlijke mededeling inzake capaciteitsopbouw en dringt evenals de Raad aan op de spoedige tenuitvoerlegging ervan; benadrukt dat de Unie, in het bijzonder door middel van haar alomvattende aanpak waarbij onder meer civiele en militaire middelen worden ingezet, kan bijdragen tot de veiligheid in kwetsbare en door conflicten getroffen landen en kan helpen voorzien in de behoeften van haar partners, vooral als het militaire begunstigden betreft, en herhaalt dat veiligheid een noodzakelijke voorwaarde is voor ontwikkeling en democratie; vindt het betreurenswaardig dat de Europese Commissie en de Raad beiden hebben nagelaten hun beoordeling van de juridische opties ter ondersteuning van capaciteitsopbouw te delen met het Parlement; roept beide instellingen op het Europees Parlement hiervan tijdig op de hoogte te stellen; verzoekt de Europese Commissie een rechtsgrond voor te stellen die in overeenstemming is met de oorspronkelijke Europese doelstellingen van 2013 zoals deze zijn uiteengezet in het initiatief "Enable and Enhance";

21.  onderstreept dat in de bijdrage van de Juridische Dienst van de Raad van 7 december 2015 getiteld "Capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling – juridische vragen" wordt nagedacht over financieringsmethoden voor de uitrusting van strijdkrachten uit Afrikaanse landen; verzoekt de Raad deze denkoefening verder uit te werken;

22.  is verheugd over de positieve reacties die Frankrijk heeft gekregen naar aanleiding van de activering van artikel 42, lid 7; is erg ingenomen met het vernieuwde engagement van Europese legers in Afrika;

23.  erkent dat het probleem vaak niet een gebrek aan financiering is, maar de manier waarop die financiering wordt gebruikt en welke andere middelen worden ingezet; merkt op dat de aanbevelingen van de Rekenkamer inzake EU-middelen niet volledig zijn uitgevoerd; pleit voor een regelmatige evaluatie van de manier waarop financiering van nationale regeringen via de EU en de VN wordt besteed; meent dat het van vitaal belang is om financiële steun doelmatig te gebruiken, gezien de omvang van de problemen en het feit dat de middelen niet onuitputtelijk zijn; meent dat aansprakelijkheid een essentieel onderdeel is van dit proces, evenals het helpen bestrijden van de diepgewortelde corruptie in Afrika; dringt aan op een grondiger en transparanter evaluatie van door de EU gesteunde PSO's; steunt initiatieven als het Bêkou-trustfonds voor de Centraal-Afrikaanse Republiek, waarmee wordt geprobeerd Europese middelen, deskundigheid en vaardigheden op het gebied van ontwikkeling uit te wisselen om de effecten van fragmentatie en het gebrek aan doeltreffendheid van het internationaal optreden in de context van de heropbouw van een land te verzachten; spoort sterk aan tot een gezamenlijke, meer systematische programmering tussen de verschillende EU-instrumenten;

24.  wijst op het evaluatierapport van de VN van 15 mei 2015 over handhavings- en bijstandsinspanningen ter bestrijding en voorkoming van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik door VN- en aanverwant personeel bij vredeshandhavingsoperaties; meent dat de AU, de VN, de EU en de lidstaten uiterst waakzaam moeten zijn voor dergelijke criminele feiten en dringt erop aan dat strenge disciplinaire en justitiële maatregelen worden genomen en dat alle mogelijke inspanningen worden gedaan om dergelijke misdaden te voorkomen; pleit voorts voor passende opleiding en onderwijs voor het personeel dat bij vredesmissies wordt ingezet, en meent dat het inzetten van vrouwelijk personeel en van genderadviseurs kan helpen om culturele misvattingen te overwinnen en gevallen van seksueel geweld te beperken;

25.  pleit voor een gecoördineerde inspanning voor capaciteitsopbouw door de EU en de VN; meent dat het huidige financieringsprogramma onhoudbaar is en dat voorwaarden moeten worden verbonden aan de Vredesfaciliteit voor Afrika om de AU ertoe aan te zetten zelf meer bij te dragen tot de PSO's;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Commissie van de AU, de voorzitter van het pan-Afrikaanse Parlement, de secretaris-generaal van de NAVO en de voorzitter van de parlementaire vergadering van de NAVO.

(1)

S/2015/229.

(2)

JOIN(2015)17 final.

(3)

A/70/95–S/2015/446.

(4)

Document 11216/12 van de Raad.

(5)

EEAS(2015)458, Document 7632/15 van de Raad.

(6)

Document 7204/08 van de Raad.

(7)

Document 8370/14 van de Raad.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0403.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0439.


MINDERHEIDSSTANDPUNT

over vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie

(2015/2275(INI))

Commissie buitenlandse zaken – Rapporteur: Geoffrey Van Orden

Minderheidsstandpunt van de leden van de GUE/NGL-Fractie Javier Couso Permuy, Sabine Lösing

Het verslag heeft tot doel de EU-bijdrage aan vredesondersteunende operaties en aan de samenwerking met de VN en de Afrikaanse Unie te verhogen. Het verslag verzoekt de EU-lidstaten hun militaire en politionele deelname aan VN-missies aanzienlijk uit te breiden.

Wij verwerpen dit verslag, omdat:

-  de EU wordt gevraagd meer inspanningen te doen om de internationale veiligheid te verbeteren en omdat wordt gesteld dat de Europese veiligheid de drijfveer moet zijn voor het optreden van de EU;

-  de negatieve en destabiliserende rol van het Westen niet wordt erkend;

-  veel (militaire) vredeshandhavingsmissies worden gefinancierd door de Vredesfaciliteit voor Afrika en dus in hoofdzaak worden gefinancierd uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

-  niet wordt erkend dat uitgebreide missies in het verleden verre van succesvol zijn geweest in de totstandbrenging van stabiliteit en vrede op lange termijn.

Wij vragen met klem:

-  dat geen financiering voor militaire of veiligheidsdoeleinden wordt verstrekt uit het EOF;

-  dat het beginsel van "verantwoordelijkheid tot bescherming" niet wordt gebruikt als excuus voor militaire interventie;

-  dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de plundering van de natuurlijke hulpbronnen en de schade die wordt veroorzaakt door multinationals en buitenlandse krachten;

-  dat een einde wordt gemaakt aan de NAVO-interventies op het Afrikaanse continent en aan de samenvoeging van civiele en militaire capaciteit en EU-NAVO-samenwerking en -interventies;

-  een strikte scheiding tussen EU en NAVO;

-  een onafhankelijk onderzoek naar alle gevallen van verkrachting en seksueel misbruik door PSO- en EU-troepen.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (16.3.2016)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake vredesondersteunende operaties – betrokkenheid van de EU bij de VN en de Afrikaanse Unie

(2015/2275(INI))

Rapporteur voor advies (*): Paavo Väyrynen

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissie – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  erkent dat er wereldwijd 1,5 miljard mensen in kwetsbare en door conflicten getroffen regio's en in kwetsbare landen leven en dat er steeds meer onbestuurde gebieden komen, waardoor velen in armoede vervallen en te maken krijgen met wetteloosheid, welig tierende corruptie en geweld;

2.  benadrukt dat er behoefte is aan gecoördineerde externe maatregelen waarbij gebruik wordt gemaakt van diplomatieke, veiligheids- en ontwikkelingsinstrumenten om het vertrouwen te herstellen en het hoofd te bieden aan de uitdagingen die voortvloeien uit oorlogen, interne conflicten, onveiligheid, instabiliteit en transitie;

3.  is ingenomen met het voornemen om de mate van betrokkenheid van de EU bij de vredesondersteunende operaties (PSO's) van de Verenigde Naties (VN) en de Afrikaanse Unie (AU) te preciseren; herinnert eraan dat operaties op militair of defensiegebied niet rechtstreeks vanuit de EU-begroting mogen worden gefinancierd (artikel 41, lid 2, VEU); keurt het af dat veel (militaire) vredeshandhavingsmissies worden gefinancierd door de Vredesfaciliteit voor Afrika, die veiligheid en de inzet van militaire troepen duidelijk als prioriteit stelt en met name gefinancierd wordt uit het Europees Ontwikkelingsfonds; herinnert eraan dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie (artikel 208 VWEU) als voornaamste doelstelling heeft de armoede terug te dringen en op termijn uit te bannen;

4.  vindt het betreurenswaardig dat slechts 11 van de 28 EU-lidstaten toezeggingen hebben gedaan tijdens de topbijeenkomst inzake vredeshandhaving van 28 september 2015;

5.  merkt bezorgd op dat bij de vredesondersteunende operaties van de EU sprake is van een gebrek aan transparantie; benadrukt dat er, als zich problemen aandienen, met inbegrip van financiële problemen, grondige onderzoeken moeten worden uitgevoerd; benadrukt dat eenieder die zich schuldig heeft gemaakt aan misdaden die gepaard gaan met schendingen van de mensenrechten, zoals seksueel geweld en mensenhandel, moet worden vervolgd en bestraft, aangezien bij recente zaken ook EU-vredeshandhavers betrokken bleken te zijn; beklemtoont eens te meer dat de verhoging van de EU-financiering voor vredesondersteunende operaties niet ten koste mag gaan van de financiering voor andere doeleinden, en zeker niet ten koste van de fondsen die gericht zijn op de ontwikkeling van de landen waar de operaties worden uitgevoerd; onderstreept dat de AU een grotere verantwoordelijkheid moet dragen op het vlak van de veiligheid in Afrika en hierbij moet worden ondersteund door de internationale gemeenschap; is in dit verband ingenomen met het besluit van de AU van 15 juni 2015 om 25 % van haar inkomsten toe te wijzen aan de begroting voor vredesondersteunende operaties; benadrukt dat de regionale mechanismen moeten worden versterkt; meent dat de financieringsinstrumenten en regionale programma's van de EU op samenhangende wijze moeten worden gebruikt, met een meer systematische gezamenlijke programmering, om de doeltreffendheid van het extern optreden van de EU te waarborgen;

6.  vindt het betreurenswaardig dat het EOF nog steeds de belangrijkste financieringsbron voor de Vredesfaciliteit voor Afrika (APF) is, terwijl de financiering middels EOF-fondsen bij de oprichting van de APF, in 2003, duidelijk als een tijdelijke oplossing was bedoeld; verzoekt de Commissie om tijdens de herziening van het meerjarig financieel kader van de EU een voorstel in te dienen om de financiering van de APF op te nemen in de EU-begroting, mogelijk via een nieuw instrument voor capaciteitsopbouw in de veiligheidssector; is van mening dat deze financieringsmethode een oplossing zou bieden voor de subsidiabiliteit van bepaalde APF-uitgaven;

7.  benadrukt dat de EDEO een veel efficiëntere en meer strategische aanpak moet ontwikkelen voor de VN-agentschappen, met name ten aanzien van de programmering van de externe financiële instrumenten; roept de hoge vertegenwoordiger en de relevante EU-delegaties in instabiele regio's op te zorgen voor een grotere zichtbaarheid van EU-hulp ter plaatse;

8.  is van oordeel dat vrede en veiligheid randvoorwaarden zijn voor ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is dat de onderliggende oorzaken van conflicten worden aangepakt en dringt aan op een alomvattend plan ter versterking van het beleid voor duurzame ontwikkeling, dit met het oog op het waarborgen van langetermijnontwikkeling; herinnert eraan dat er instrumenten moeten worden aangereikt waarmee niet alleen duidelijke vooruitgang kan worden geboekt ten aanzien van de democratie en de democratische waarden, zoals goed bestuur, de rechtsstaat, eerbiediging van de grondrechten en het verbod op discriminatie op welke grond dan ook, maar ook duidelijke stappen kunnen worden gezet richting een duurzame economie en een stabiele samenleving; merkt op dat de militaire en kortetermijncrisisbeheersingsaspecten van vrede en veiligheid niet ten koste mogen gaan van civiele activiteiten voor conflictpreventie en vredesopbouw; onderstreept het belang van een alomvattend plan inzake conflictgebieden en hun omgeving, dat erop gericht is het ontstaan van nieuwe conflicten te voorkomen; wenst in dit verband dat het systeem voor vroegtijdige waarschuwing ten volle wordt benut;

9.  betreurt dat "vredeshandhavingsoperaties" vaak slechts gericht zijn op wankel behoud van een oppervlakkige veiligheid; roept op tot een grondige herziening van het concept, de structuur en zelfs de naam van deze operaties; bevestigt en beklemtoont dat er behoefte is aan operaties met een groot weerstandsvermogen, die daadwerkelijk zijn opgezet om de dieperliggende oorzaken van oorlog, instabiliteit en onderontwikkeling in een bepaalde regio aan te pakken;

10.  verzoekt in dit verband EU-steun aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld een prominentere rol te laten spelen in alle partnerschappen en dringt aan op een meer strategische samenwerking met deze organisaties, als vast onderdeel van alle externe instrumenten en programma's en op alle relevante samenwerkingsterreinen, met name ten aanzien van de agenda voor vrede en veiligheid; wijst erop dat de Raad heeft erkend dat maatschappelijke organisaties hierbij een essentiële rol spelen;

11.  vestigt de aandacht op de dreiging die uitgaat van de opkomst van het terrorisme in Afrika en van de snelle toename van terroristische groeperingen zoals Boko Haram; onderstreept zowel het belang van de ondersteuning van een doeltreffend en duurzaam terrorismebestrijdingsbeleid in ontwikkelingslanden als het belang van de bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren, aangezien jongeren gemakkelijker door terroristische groeperingen worden aangeworven wanneer ze werkloos zijn;

12.  wijst er andermaal op dat seksueel geweld in veel conflictgebieden als wapen wordt gebruikt; benadrukt dat vrouwen en meisjes tijdens conflicten bijzonder kwetsbaar zijn; onderstreept dat ze behoefte hebben aan bescherming, en wel door daartoe opgeleide gewapende troepen die de mensenrechten eerbiedigen;

13.  herinnert eraan dat vrede in de nieuwe Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van essentieel belang voor ontwikkeling wordt geacht en dat duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16 (SDG 16) op vrede en gerechtigheid is gericht;

14.  benadrukt dat er behoefte is aan een samenhangende en brede benadering van vrede, stabiliteit en ontwikkeling; hamert erop dat ontwikkelingskwesties moeten worden aangepakt vanuit een langetermijnperspectief, rekening houdende met de onderliggende oorzaken van het probleem, maar veroordeelt alle pogingen om middelen die bestemd zijn voor ontwikkeling voor andere – al dan niet gerelateerde – terreinen, zoals veiligheid en vrede, te gebruiken;

15.  herinnert eraan dat ontwapening – in het bijzonder van niet-militaire strijders en niet-reguliere troepen – van cruciaal belang is voor het bereiken van stabiliteit en ontwikkelingsdoelen;

16.  beklemtoont dat vredesondersteunende operaties als een continuüm van conflictpreventie, conflictoplossing, vredesopbouw en ontwikkeling na conflicten moeten worden gezien; meent dat het extern optreden van de EU in kwetsbare en door conflicten getroffen landen vooral gericht moet zijn op conflictpreventie en capaciteitsopbouw ter ondersteuning van veiligheid en ontwikkeling, waardoor instabiliteit bij de bron kan worden aangepakt; herinnert eraan dat hervormingen in de veiligheidssector moeten worden ondersteund om de bescherming van de bevolking en de veiligheid van investeringen in ontwikkelingslanden te waarborgen; onderstreept de noodzaak tot een holistische benadering van de vredesondersteunende operaties van de VN, de AU, de EU en andere actoren;

17.  beklemtoont dat er voortdurend een politieke dialoog moet worden gevoerd tussen de EU en de AU over uitdagingen voor de vrede en veiligheid en over de mogelijkheden om de recent behaalde APF-resultaten op de lange termijn te consolideren;

18.  onderstreept dat de nadruk moet liggen op inspanningen op het gebied van politiek, humanitair en ontwikkelingsbeleid, daarbij ondersteund door civiele vredesondersteunende operaties, en dat ondersteuning door militaire actoren en vermogens als een laatste redmiddel moet worden beschouwd; raadt aan om militaire vredeshandhavingsoperaties deel te laten uitmaken van een bredere alomvattende aanpak, en daarbij niet alleen rekening te houden met het verband tussen veiligheid en ontwikkeling, maar ook coördinatie met humanitair en ontwikkelingsbeleid tot stand te brengen, tevens tijdens operaties, om zo conflicten op vreedzame wijze te helpen oplossen en om de houdbaarheid van regelingen op de lange termijn te waarborgen; herinnert eraan dat de mensenrechten en de rechtsstaat altijd een wezenlijk onderdeel van de opleiding van troepen moeten vormen; benadrukt dat op basis van grondige behoeftenanalyses tegemoet moet worden gekomen aan humanitaire behoeften;

19.  stelt met grote bezorgdheid vast, en betreurt het, dat vooral tijdens of meteen na vredeshandhavingsoperaties vaak op grote schaal sprake is van seksuele uitbuiting en gedwongen prostitutie van vrouwen, kinderprostitutie en kinderhandel; verzoekt alle relevante autoriteiten – met name wanneer de EU bij deze operaties betrokken is – onmiddellijk alles in het werk te stellen om deze schendingen een halt toe te roepen, slachtoffers te beschermen, daders voor het gerecht te brengen en mensenrechten centraal te stellen bij alle initiatieven die in het kader van deze operaties worden ontplooid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Nicolas Bay, Ignazio Corrao, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Eleni Theocharous, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Juan Fernando López Aguilar, Louis-Joseph Manscour, Paul Rübig, Jan Zahradil, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Michèle Rivasi, Estefanía Torres Martínez


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

58

6

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, Amjad Bashir, Goffredo Maria Bettini, Elmar Brok, Klaus Buchner, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Aymeric Chauprade, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Anna Elżbieta Fotyga, Eugen Freund, Iveta Grigule, Richard Howitt, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Ilhan Kyuchyuk, Barbara Lochbihler, Ulrike Lunacek, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Ioan Mircea Paşcu, Vincent Peillon, Alojz Peterle, Tonino Picula, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Sofia Sakorafa, Charles Tannock, László Tőkés, Geoffrey Van Orden, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Luis de Grandes Pascual, Marielle de Sarnez, Andrzej Grzyb, András Gyürk, Takis Hadjigeorgiou, Marek Jurek, Javi López, Antonio López-Istúriz White, Norbert Neuser, Norica Nicolai, Soraya Post, Marietje Schaake, Jean-Luc Schaffhauser, Helmut Scholz, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Paavo Väyrynen, Janusz Zemke

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Doru-Claudian Frunzulică, Monika Hohlmeier, Zdzisław Krasnodębski, Marian-Jean Marinescu, Indrek Tarand, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Ivan Štefanec

Juridische mededeling - Privacybeleid