Procedure : 2016/0011(CNS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0189/2016

Ingediende teksten :

A8-0189/2016

Debatten :

PV 07/06/2016 - 2
CRE 07/06/2016 - 2

Stemmingen :

PV 08/06/2016 - 12.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0265

VERSLAG     *
PDF 763kWORD 489k
27.5.2016
PE 578.569v02-00 A8-0189/2016

over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken die de werking van de interne markt rechtstreeks schaden

(COM(2016)0026 – C8-0031/2016 – 2016/0011(CNS))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Hugues Bayet

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken die de werking van de interne markt rechtstreeks schaden

(COM(2016)0026 – C8-0031/2016 – 2016/0011(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0026),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0031/2016),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door het Maltese en het Zweedse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0189/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  In de huidige politieke prioriteiten op het gebied van de internationale belastingheffing wordt benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat belastingen worden betaald waar winsten en waarde worden gegenereerd. Het is dan ook absoluut noodzakelijk om het vertrouwen in de billijkheid van de belastingstelsels te herstellen en overheden in staat te stellen hun fiscale soevereiniteit daadwerkelijk uit te oefenen. Deze nieuwe politieke doelstellingen zijn omgezet in aanbevelingen voor concrete maatregelen in het kader van het initiatief ter bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Als antwoord op de behoefte aan een eerlijkere belastingheffing heeft de Commissie in haar mededeling van 17 juni 2015 een actieplan voor eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de Europese Unie (het actieplan) gepresenteerd.

(1)  In de huidige politieke prioriteiten op het gebied van de internationale belastingheffing wordt benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat belastingen worden betaald waar winsten worden gegenereerd en waarde wordt gecreëerd. Het is dan ook absoluut noodzakelijk om het vertrouwen in de billijkheid van de belastingstelsels te herstellen en overheden in staat te stellen hun fiscale soevereiniteit daadwerkelijk uit te oefenen. Deze nieuwe politieke doelstellingen zijn omgezet in aanbevelingen voor concrete maatregelen in het kader van het initiatief ter bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Als antwoord op de behoefte aan een eerlijkere belastingheffing heeft de Commissie in haar mededeling van 17 juni 2015 een actieplan voor eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de Europese Unie3 (het actieplan) gepresenteerd, waarin zij onderkent dat een volwaardige gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), met een geëigende en billijke verdeelsleutel, echt een doorbraak zou zijn in de strijd tegen kunstmatige BEPS-strategieën. In dit licht zou de Commissie een ambitieus voorstel voor een CCCTB moeten indienen, terwijl het Parlement en de Raad de onderhandelingen over dit uitermate belangrijke voorstel zo snel mogelijk moeten afronden.

 

  Er moet terdege rekening worden gehouden met de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 19 april 2012 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB).

__________________

__________________

3 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad - Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden (COM(2015) 302 final van 17 juni 2015).

3 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad - Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden (COM(2015) 302 final van 17 juni 2015).

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis)  De Unie beschouwt de bestrijding van belastingfraude, -ontduiking en ‑ontwijking als politieke topprioriteiten omdat misbruikpraktijken in de vorm van agressieve fiscale planning vanuit het oogpunt van integriteit van de interne markt en sociale rechtvaardigheid onaanvaardbaar zijn.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  In hun hoedanigheid van OESO-lid hebben de meeste lidstaten zich ertoe verbonden de resultaten van de vijftien actiepunten tegen grondslaguitholling en winstverschuiving, die op 5 oktober 2015 bekend gemaakt zijn, te implementeren. Het is derhalve van essentieel belang voor de goede werking van de interne markt dat de lidstaten, ten minste, op een voldoende coherente en gecoördineerde wijze hun verbintenissen inzake BEPS implementeren en meer in het algemeen actie ondernemen om belastingontwijkingspraktijken te ontmoedigen en een billijke en doeltreffende belastingheffing in de Unie te waarborgen. In een markt van sterk geïntegreerde economieën is er behoefte aan gemeenschappelijke strategische benaderingen en gecoördineerde maatregelen om de werking van de interne markt te verbeteren en de positieve effecten van het BEPS-initiatief te maximaliseren. Bovendien kan alleen een gemeenschappelijk kader een versnippering van de markt voorkomen en een einde maken aan bestaande mismatches en marktverstoringen. Tot slot bieden nationale uitvoeringsmaatregelen die overal in de Unie langs dezelfde lijnen verlopen, belastingplichtigen rechtszekerheid in die zin dat deze maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht.

(2)  In hun hoedanigheid van OESO-lid hebben de meeste lidstaten zich ertoe verbonden de resultaten van de vijftien actiepunten tegen daadwerkelijke grondslaguitholling en winstverschuiving, die op 5 oktober 2015 bekend gemaakt zijn, te implementeren. Het is derhalve van essentieel belang voor de goede werking van de interne markt dat de lidstaten, ten minste, op een voldoende coherente en gecoördineerde wijze hun verbintenissen inzake BEPS implementeren en meer in het algemeen actie ondernemen om belastingontwijkingspraktijken te ontmoedigen en een billijke en doeltreffende belastingheffing in de Unie te waarborgen. In een markt van sterk geïntegreerde economieën is er behoefte aan gemeenschappelijke strategische benaderingen en gecoördineerde maatregelen om de werking van de interne markt te verbeteren en de positieve effecten van het initiatief tegen daadwerkelijke BEPS-strategieën te maximaliseren, er onderwijl voor zorgend dat het concurrentievermogen van de bedrijven die op die interne markt actief zijn niet wordt aangetast. Bovendien kan alleen een gemeenschappelijk kader een versnippering van de markt voorkomen en een einde maken aan bestaande mismatches en marktverstoringen. Tot slot bieden nationale uitvoeringsmaatregelen die overal in de Unie langs dezelfde lijnen verlopen, belastingplichtigen rechtszekerheid in die zin dat deze maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. In een Unie die gekenmerkt wordt door onderling sterk verschillende nationale markten is een breed opgezette effectbeoordeling van alle geplande maatregelen cruciaal om ervoor te zorgen dat deze gemeenschappelijke aanpak in de lidstaten een stevig draagvlak heeft.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  Gezien het feit dat "belastingparadijzen" door de OESO als transparant kunnen worden geclassificeerd, dienen voorstellen te worden gedaan ter vergroting van de transparantie van trustfondsen en stichtingen.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Het is van essentieel belang de belastingdiensten de passende middelen in handen te geven om BEPS doeltreffend te kunnen aanpakken en aldus de transparantie te vergroten ten aanzien van de activiteiten van grote multinationals, en met name ten aanzien van gemaakte winsten, over de winst betaalde belastingen, ontvangen subsidies en belastingteruggaven, de aantallen werknemers en aangehouden activa.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)  Met het oog op consistentie bij de behandeling van vaste vestigingen is het van cruciaal belang dat de lidstaten zowel in de relevante wetgeving als in bilaterale belastingverdragen een gemeenschappelijke definitie van vaste vestiging hanteren in overeenstemming met artikel 5 van het OESO-modelverdrag inzake belastingen op inkomen en op kapitaal.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quater)  Om verschillen bij de toewijzing van winsten aan vaste vestigingen te vermijden, dienen de lidstaten de regels in kwestie overeenkomstig artikel 7 van het OESO‑modelverdrag inzake belastingen op inkomen en op kapitaal na te leven en hun toepasselijke wetgeving en bilaterale verdragen aan die regels aan te passen wanneer deze worden herzien.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Er moeten regels worden vastgesteld tegen de uitholling van de belastinggrondslagen op de interne markt en de verschuiving van winsten weg uit de interne markt. Op de volgende gebieden moeten er regels komen om dat doel te helpen bereiken: beperking van de aftrekbaarheid van rente, exitheffingen, een switch-over bepaling, een algemene antimisbruikregel, regels betreffende gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en een kader om hybride mismatches aan te pakken. Wanneer de toepassing van deze regels tot dubbele heffing leidt, moet aan belastingplichtigen voorkoming worden verleend middels aftrek van de in een andere lidstaat of een derde land, naargelang het geval, betaalde belasting. De regels moeten dus niet alleen tot doel hebben belastingontwijkingspraktijken tegen te gaan maar ook te voorkomen dat er andere marktobstakels ontstaan, zoals dubbele heffing.

(5)  Er moeten regels worden vastgesteld tegen de uitholling van de belastinggrondslagen op de interne markt en de verschuiving van winsten weg uit de interne markt. Op de volgende gebieden moeten er regels komen om dat doel te helpen bereiken: beperking van de aftrekbaarheid van rente en rotaltybetalingen, elementaire verdedigingsmaatregelen tegen het gebruik van belastingparadijzen of laagbelastende jurisdicties voor BEPS, exitheffingen, een duidelijke definitie van een vaste inrichting, duidelijke regels voor verrekenprijzen, een kader voor octrooiboxsystemen, een switch-over bepaling bij ontstentenis van een goed belastingverdrag met een derde land dat hetzelfde effect sorteert, een algemene antimisbruikregel, regels betreffende gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en een kader om hybride mismatches aan te pakken. Wanneer de toepassing van deze regels tot dubbele heffing leidt, moet aan belastingplichtigen voorkoming worden verleend middels aftrek van de in een andere lidstaat of een derde land, naargelang het geval, betaalde belasting. De regels moeten dus niet alleen tot doel hebben belastingontwijkingspraktijken tegen te gaan maar ook te voorkomen dat er andere marktobstakels ontstaan, zoals dubbele heffing. Om deze regels correct te kunnen toepassen, dienen de belastingautoriteiten in de lidstaten over voldoende middelen te beschikken. Daarnaast dient snel één enkel pakket regels te worden vastgesteld voor het berekenen van de belastbare winsten van grensoverschrijdende bedrijven in de Unie, waarbij bedrijfsgroepen voor belastingdoeleinden als één entiteit zijn te beschouwen, teneinde de interne markt te versterken en veel van de onvolkomenheden van het bestaande kader voor vennootschapsbelasting, die agressieve belastingplanning mogelijk maken, te elimineren.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  In een poging om hun totale belastingschuld te verlagen, zijn grensoverschrijdende ondernemingsgroepen steeds meer met winsten gaan schuiven, vaak door middel van sterk opgedreven rentebetalingen, van hoogbelastende jurisdicties naar landen met gunstigere belastingregimes. De regel inzake renteaftrekbeperking is noodzakelijk om dergelijke praktijken te ontmoedigen door de aftrekbaarheid van de netto financiële lasten van belastingplichtigen (dat wil zeggen het verschil tussen financiële lasten en financiële baten) te beperken. Daarom moet een ratio voor aftrekbaarheid worden vastgesteld die gekoppeld is aan de winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (ebitda) van een belastingplichtige. Van belasting vrijgestelde financiële baten mogen niet worden verrekend met financiële lasten. Dit is omdat alleen belastbare inkomsten in aanmerking mogen worden genomen om te bepalen hoeveel rente in mindering kan worden gebracht. Om een en ander te vergemakkelijken voor belastingplichtigen bij wie het risico van grondslaguitholling en winstverschuiving kleiner is, moet de nettorente altijd aftrekbaar zijn tot een vastgesteld maximumbedrag, dat toepassing vindt als de aftrek hoger zou zijn dan de op ebitda gebaseerde ratio. Wanneer de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep die wettelijk voorgeschreven geconsolideerde rekeningen voorlegt, moet de schuldenlast van de groep als geheel in aanmerking worden genomen om te bepalen of belastingplichtigen een hoger bedrag aan netto financiële lasten mogen aftrekken. De regel inzake renteaftrekbeperking moet gelden ter zake van de netto financiële lasten van een belastingplichtige, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang deze lasten voortvloeien uit een schuld die in het binnenland, in een andere EU-lidstaat dan wel in een derde land is aangegaan. Hoewel algemeen wordt aanvaard dat beperkingen van de renteaftrekbaarheid ook moeten gelden voor financiële ondernemingen, dat wil zeggen financiële instellingen en verzekeringsondernemingen, wordt ook erkend dat deze twee sectoren bijzondere kenmerken hebben, die een meer op hen toegesneden aanpak vereisen. Aangezien het debat hierover in de internationale en de EU-context nog geen beslissende conclusies heeft opgeleverd, kunnen nog geen specifieke regels voor de financiële en de verzekeringssector worden vastgesteld.

(6)  In een poging om hun totale belastingschuld te verlagen, zijn grensoverschrijdende ondernemingsgroepen steeds meer met winsten gaan schuiven, vaak door middel van sterk opgedreven rente- of royaltybetalingen, van hoogbelastende jurisdicties naar landen met gunstigere belastingregimes. De regels inzake renteaftrekbeperking en royaltyaftrekbeperking zijn noodzakelijk om dergelijke daadwerkelijke BEPS‑praktijken te ontmoedigen door de aftrekbaarheid van de netto financiële lasten van belastingplichtigen (dat wil zeggen het verschil tussen financiële lasten en financiële baten) en inkomen uit royaltybetalingen te beperken. Wat rentekosten betreft, moet daarom een ratio voor aftrekbaarheid worden vastgesteld die gekoppeld is aan de winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (ebitda) van een belastingplichtige. Van belasting vrijgestelde financiële baten mogen niet worden verrekend met financiële lasten. Dit is omdat alleen belastbare inkomsten in aanmerking mogen worden genomen om te bepalen hoeveel rente in mindering kan worden gebracht. Om een en ander te vergemakkelijken voor belastingplichtigen bij wie het risico van grondslaguitholling en winstverschuiving kleiner is, moet de nettorente altijd aftrekbaar zijn tot een vastgesteld maximumbedrag, dat toepassing vindt als de aftrek hoger zou zijn dan de op ebitda gebaseerde ratio. Wanneer de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep die wettelijk voorgeschreven geconsolideerde rekeningen voorlegt, moet de schuldenlast van de groep als geheel in aanmerking worden genomen om te bepalen of belastingplichtigen een hoger bedrag aan netto financiële lasten mogen aftrekken. De regel inzake renteaftrekbeperking moet gelden ter zake van de netto financiële lasten van een belastingplichtige, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang deze lasten voortvloeien uit een schuld die in het binnenland, in een andere EU‑lidstaat dan wel in een derde land is aangegaan. In het algemeen wordt aanvaard dat beperkingen van de renteaftrekbaarheid ook moeten gelden voor financiële ondernemingen, dat wil zeggen financiële instellingen en verzekeringsondernemingen, zij het mogelijkerwijs middels een meer op hen toegesneden aanpak vereisen.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  In het geval van financiering voor langetermijninfrastructuurprojecten van algemeen belang door middel van de verstrekking van leningen aan derden, wanneer de schuld hoger is dan de drempel voor de vrijstelling zoals vastgelegd in deze richtlijn, moeten lidstaten de mogelijkheid hebben onder bepaalde voorwaarden vrijstelling te verlenen voor leningen die aan derden worden verstrekt voor de financiering van overheidsinfrastructuurprojecten, aangezien het toepassen van de voorgestelde bepalingen inzake renteaftrekbeperking in dergelijke gevallen contraproductief zou zijn.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 ter)  Het verschuiven van winsten naar belastingparadijzen of laagbelastende jurisdicties vormt een grote bedreiging voor de belastinginkomsten van de lidstaten en zet grote druk op het beginsel van gelijke en billijke behandeling van (grote en kleine) bedrijven die niet en die wel aan belastingontwijking doen. Naast de algemeen toepasselijke maatregelen die in deze richtlijn voor alle jurisdicties worden voorgesteld, is het van cruciaal belang geheimhoudings- en laagbelastende jurisdicties enerzijds ervan te weerhouden hun vennootschapsbelastingsysteem en rechtskader te stoelen op het beschermen van winsten van bedrijven die belastingen ontwijken en anderzijds ertoe aan te zetten de algemene normen inzake goede belastingpraktijken, zoals de automatische uitwisseling van belastinginformatie, volledig te eerbiedigen en te stoppen met stilzwijgende niet-naleving door ‑ ondanks politieke toezeggingen – geen toezicht uit te oefenen op de handhaving van belastingwetten en internationale overeenkomsten. Er worden dan ook specifieke maatregelen voorgesteld om deze richtlijn ervoor te gebruiken de huidige geheimhoudings- en laagbelastende jurisdicties ertoe te brengen zich aan te sluiten bij de internationale inspanningen gericht op transparantie en billijkheid ten aanzien van belastingen.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Exitheffingen zorgen ervoor dat wanneer een belastingplichtige activa of zijn fiscale woonplaats buiten de belastingjurisdictie van een staat brengt, de economische waarde van vermogenswinsten die op het grondgebied van die staat zijn gecreëerd, daar in de heffing worden betrokken, ook als deze winsten op het tijdstip van vertrek nog niet gerealiseerd werden. Daarom dient te worden gespecificeerd in welke gevallen belastingplichtigen onderworpen zijn aan exitheffingsregels en belast worden over niet-gerealiseerde vermogenswinsten die in de door hen overgebrachte activa zijn opgebouwd. Om het bedrag daarvan te berekenen, is het van wezenlijk belang om voor de overgebrachte activa een marktwaarde vast te stellen op basis van het zakelijkheidsbeginsel. Het is noodzakelijk om binnen de Unie de toepassing van exitheffingen te regelen en te verduidelijken onder welke voorwaarden deze heffingen verenigbaar zijn met het Unierecht. In die situaties moeten belastingplichtigen het recht hebben om het vastgestelde bedrag aan exitheffingen onmiddellijk te betalen dan wel de betaling ervan uit te stellen, eventueel in combinatie met berekening van rente en zekerheidstelling, over een bepaald aantal jaren en hun belastingschuld in termijnen te voldoen. Er mag geen exitheffing plaatsvinden wanneer de overbrenging van activa van tijdelijke aard is en voor zover het de bedoeling is dat de activa terugkomen naar de lidstaat van de overbrenger, wanneer de overbrenging gebeurt naar aanleiding van prudentiële vereisten of liquiditeitsbeheer of wanneer het gaat om financieringstransacties van effecten of activa die als zekerheid worden gesteld.

(7)  Exitheffingen zorgen ervoor dat wanneer een belastingplichtige activa en winsten of zijn fiscale woonplaats buiten de belastingjurisdictie van een staat brengt, de economische waarde van vermogenswinsten die op het grondgebied van die staat zijn gecreëerd, daar in de heffing worden betrokken, ook als deze winsten op het tijdstip van vertrek nog niet gerealiseerd werden. Daarom dient te worden gespecificeerd in welke gevallen belastingplichtigen onderworpen zijn aan exitheffingsregels en belast worden over niet-gerealiseerde vermogenswinsten die in de door hen overgebrachte activa of winsten zijn opgebouwd. Om het bedrag daarvan te berekenen, is het van wezenlijk belang om voor de overgebrachte activa of winsten een marktwaarde vast te stellen op basis van het zakelijkheidsbeginsel. Het is noodzakelijk om binnen de Unie de toepassing van exitheffingen te regelen en te verduidelijken onder welke voorwaarden deze heffingen verenigbaar zijn met het Unierecht. In die situaties moeten belastingplichtigen het recht hebben om het vastgestelde bedrag aan exitheffingen onmiddellijk te betalen dan wel de betaling ervan uit te stellen, eventueel in combinatie met berekening van rente en zekerheidstelling, over een bepaald aantal jaren en hun belastingschuld in termijnen te voldoen. Er mag geen exitheffing plaatsvinden wanneer de overbrenging van activa of winsten van tijdelijke aard is en voor zover het de bedoeling is dat de activa of winsten terugkomen naar de lidstaat van de overbrenger, wanneer de overbrenging gebeurt naar aanleiding van prudentiële vereisten of liquiditeitsbeheer of wanneer het gaat om financieringstransacties van effecten of activa die als zekerheid worden gesteld. De lidstaten moeten in deze gevallen echter de mogelijkheid hebben een bronbelasting vast te stellen.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)  Al te vaak organiseren multinationale ondernemingen zich om hun winsten naar belastingparadijzen te verschuiven zonder enige of slechts heel weinig belasting te hebben betaald. De vaste inrichting zal het mogelijk maken duidelijk en bindend vast te stellen onder welke voorwaarden kan worden bevestigd dat een multinationale onderneming in een land gevestigd is. Zo worden multinationale ondernemingen ertoe verplicht op billijke wijze hun belastingen te betalen.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 ter)  De term "verrekenprijzen" verwijst naar de voorwaarden en verrichtingen betreffende transacties binnen een multinational, inclusief dochterbedrijven en brievenbusmaatschappijen, waarbij winsten aan een multinationaal moederbedrijf worden overgedragen. Het gaat om prijzen die tussen gelieerde ondernemingen die in verschillende landen gevestigd zijn, worden toegepast voor hun intragroeptransacties, zoals de overdracht van goederen en diensten. Aangezien de prijzen worden vastgesteld door gelieerde leden binnen de multinationale onderneming, stemmen ze niet noodzakelijk overeen met de onafhankelijke marktprijs. De Unie moet ervoor zorgen dat de belastbare winsten van multinationale ondernemingen niet kunstmatig buiten hun rechtsgebied worden verschoven en dat de belastinggrondslagen die multinationale ondernemingen in hun land declareren, overeenstemmen met de economische activiteit die daar plaatsvindt. Voor de belastingbetaler is het essentieel om het risico van dubbele niet-belastingheffing te beperken dat zou kunnen resulteren uit een verschil van inzicht tussen twee landen over de vaststelling van de arm's‑lengthbeloning van hun internationale transacties met gelieerde ondernemingen. Dit systeem is geen beletsel voor een reeks kunstmatige verrichtingen, met name voor producten waarvoor geen marktprijs bestaat (bv. recht op vrijstelling of zakelijke dienstverlening).

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 quater)  De OESO heeft de "gemodificeerde nexus"-benadering ontwikkeld om het systeem van octrooiboxen te regelen. Deze methode garandeert dat in het kader van het systeem van octrooiboxen alleen inkomsten die op uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling betrekking hebben, een gunstige fiscale behandeling krijgen. Nu reeds wordt zichtbaar dat lidstaten problemen ondervinden bij het toepassen van de concepten "nexus" en "economische substantie" op hun octrooiboxen. Als de lidstaten de "gemodificeerde nexus"-benadering in januari 2017 nog steeds niet volledig en op homogene wijze toepassen teneinde bestaande schadelijke octrooiboxregelingen te elimineren, moet de Commissie een nieuw, bindend wetgevingsvoorstel indienen op grond van artikel 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De CCCTB moet de kwestie van winstverschuiving door middel van fiscale planning van intellectuele eigendom uitbannen.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 quinquies)  Exitheffingen zijn niet‑toepasselijk in het geval van de overbrenging van materiële activa die een actief inkomen genereren. De overbrenging van dergelijke activa maakt deel uit van een doeltreffende verdeling van hulpbronnen door een bedrijf en dient niet in eerste instantie voor belastingoptimalisatie en -ontwijking, en dient derhalve van de toepassing van die bepalingen te zijn vrijgesteld.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Gezien de problemen die inherent zijn verbonden aan de verrekening van in het buitenland betaalde belastingen, wordt in de woonstaat steeds vaker vrijstelling voor buitenlandse inkomsten verleend. Het onbedoelde negatieve gevolg van deze aanpak is evenwel dat hij een aanzuigend effect heeft op niet- of laagbelaste inkomsten die vervolgens — veelal onbelast — binnen de Unie vrij kunnen circuleren op de interne markt, met gebruikmaking van de in het Unierecht beschikbare instrumenten. Dergelijke praktijken worden gewoonlijk bestreden met switch-over bepalingen. Er moet dus een switch-over bepaling worden vastgesteld die een aantal soorten buitenlandse inkomsten treft, zoals winstuitkeringen, vervreemdingsopbrengsten van aandelen en winsten van vaste inrichtingen die in de Unie van belasting zijn vrijgesteld en hun oorsprong vinden in derde landen. Deze inkomsten moeten in de Unie belastbaar zijn als de belastingheffing in het derde land onder een bepaald niveau is gebleven. Aangezien de switch-over bepaling niet vereist dat er zeggenschap wordt uitgeoefend over de laagbelaste entiteit en het bijgevolg mogelijk is dat de wettelijke voorgeschreven rekeningen van de entiteit niet toegankelijk zijn, kan het zeer moeilijk zijn om het effectieve belastingtarief te berekenen. Daarom moeten de lidstaten zich baseren op het wettelijk vastgestelde belastingtarief wanneer zij de switch-over bepaling toepassen. Om dubbele heffing te voorkomen, moeten de lidstaten die de switch-over bepaling toepassen, verrekening verlenen voor de in het buitenland betaalde belasting.

(8)  Gezien de problemen die inherent zijn verbonden aan de verrekening van in het buitenland betaalde belastingen, wordt in de woonstaat steeds vaker vrijstelling voor buitenlandse inkomsten verleend. Het onbedoelde negatieve gevolg van deze aanpak is evenwel dat hij een aanzuigend effect heeft op niet- of laagbelaste inkomsten die vervolgens — veelal onbelast — binnen de Unie vrij kunnen circuleren op de interne markt, met gebruikmaking van de in het Unierecht beschikbare instrumenten. Dergelijke praktijken worden gewoonlijk bestreden met switch-over bepalingen. Er moet dus een switch-over bepaling worden vastgesteld die een aantal soorten buitenlandse inkomsten treft, zoals winstuitkeringen, vervreemdingsopbrengsten van aandelen en winsten van vaste inrichtingen die in de Unie van belasting zijn vrijgesteld. Deze inkomsten moeten in de Unie belastbaar zijn als de belastingheffing in het land van oorsprong onder een bepaald niveau is gebleven en indien met dat land geen goed belastingverdrag bestaat dat hetzelfde effect sorteert. Om dubbele heffing te voorkomen, moeten de lidstaten die de switch-over bepaling toepassen, verrekening verlenen voor de in het buitenland betaalde belasting.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Algemene antimisbruikregels worden in belastingstelsels opgenomen om fiscale misbruikpraktijken aan te pakken waartegen nog geen voorzieningen zijn getroffen door middel van doelgerichte bepalingen. Het doel van deze regels is dus mazen te dichten zonder dat zij de toepasselijkheid van specifieke antimisbruikregels doorkruisen. De toepassing van algemene antimisbruikregels in de Unie moet beperkt blijven tot volstrekt kunstmatige constructies; voor het overige moet de belastingplichtige het recht hebben om zijn handelsactiviteiten in de fiscaal efficiëntste vorm te gieten. Voorts is het belangrijk te waarborgen dat de algemene antimisbruikregels op uniforme wijze toepassing vinden in binnenlandse situaties, binnen de Unie en ten aanzien van derde landen, zodat de reikwijdte ervan en de toepassingsresultaten in binnenlandse en grensoverschrijdende situaties niet uiteenlopen.

(9)  Algemene antimisbruikregels worden in belastingstelsels opgenomen om fiscale misbruikpraktijken aan te pakken waartegen nog geen voorzieningen zijn getroffen door middel van doelgerichte bepalingen. Het doel van deze regels is dus mazen te dichten zonder dat zij de toepasselijkheid van specifieke antimisbruikregels doorkruisen. De toepassing van algemene antimisbruikregels in de Unie moet gelden voor constructies die schadelijk worden geacht. Voorts is het belangrijk te waarborgen dat de algemene antimisbruikregels op uniforme wijze toepassing vinden in binnenlandse situaties, binnen de Unie en ten aanzien van derde landen, zodat de reikwijdte ervan en de toepassingsresultaten in binnenlandse en grensoverschrijdende situaties niet uiteenlopen.

 

Om de potentiële gevallen van belangenverstrengeling waar auditbedrijven bij het geven van belastingadviezen mee worden geconfronteerd afdoende aan te pakken, moet Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad worden gewijzigd.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)  Een constructie of een reeks van constructies kan als kunstmatig worden beschouwd voor zover deze ertoe leidt dat bepaalde soorten inkomsten, bijvoorbeeld inkomsten uit octrooien, anders worden belast.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 ter)  De lidstaten stellen gedetailleerdere bepalingen vast die duidelijk maken wat wordt verstaan onder kunstmatige constructies die gebruik maken van hun belastingjurisdictie. Ondernemingen die dergelijke kunstmatige constructies bevorderen moeten sancties krijgen opgelegd. Om een hoger niveau van bescherming tegen belastingontwijkingspraktijken tot stand te brengen, moeten de lidstaten zich richten op constructies die er uitsluitend of voornamelijk op gericht zijn een oneerlijk belastingvoordeel te behalen.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 quater)  Lidstaten dienen overeenkomstig het nationaal recht over een sanctiesysteem te beschikken en dienen de Commissie hiervan op de hoogte te brengen.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 quinquies)  Om te voorkomen dat er special purpose vehicles zoals brievenbusmaatschappijen of lege vennootschappen worden opgericht die lagere belastingen betalen, moeten ondernemingen voldoen aan de in artikel 2 vastgelegde definities van vaste inrichting en minimale economische substantie.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 sexies)  Het gebruik van brievenbusmaatschappijen door belastingplichtigen die in de Europese Unie opereren moet worden verboden. Belastingplichtigen moeten de belastingautoriteiten in het kader van hun jaarlijkse verslagleggingsplicht per land bewijsstukken verstrekken met betrekking tot de economische substantie van alle entiteiten in hun groep.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 septies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 septies)  Om de huidige mechanismen voor de beslechting van grensoverschrijdende belastinggeschillen binnen de Unie te verbeteren, waarbij niet alleen aandacht moet worden besteed aan gevallen van dubbele belastingheffing, maar ook van dubbele niet-belastingheffing, dient voor januari 2017 een mechanisme voor geschillenbeslechting te worden geïntroduceerd met duidelijkere regels en striktere termijnen.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 octies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 octies)  Een goede identificatie van belastingbetalers is van essentieel belang voor een effectieve uitwisseling van informatie tussen belastingdiensten. De invoering van een geharmoniseerd, gemeenschappelijk Europees fiscaal identificatienummer (EU FIN) is hiervoor het meest geschikte instrument. Het zou derde partijen in staat stellen bij grensoverschrijdende transacties op snelle, eenvoudige en waterdichte wijze te achterhalen met wie ze van doen hebben middels de registratie van hun FIN's, en het zou als basis kunnen dienen voor een effectieve automatische uitwisseling van informatie tussen de nationale belastingdiensten. De Commissie moet zich er ook actief voor inzetten om op mondiaal niveau een vergelijkbaar identificatienummer te ontwikkelen, zoals de mondiale identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI) van het Regulatory Oversight Committee.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Door de toepassing van regels betreffende gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (cfc's) worden de inkomsten van een laagbelaste dochteronderneming waarover een moedermaatschappij zeggenschap uitoefent, opnieuw aan deze moedermaatschappij toegerekend. De moedermaatschappij wordt vervolgens door de staat waarvan zij fiscaal inwoner is, over deze toegerekende inkomsten belast. Afhankelijk van de beleidsprioriteiten van die staat kunnen de cfc-regels gericht zijn op een laagbelaste dochteronderneming in haar geheel of beperkt zijn tot inkomsten die kunstmatig naar de dochteronderneming zijn gesluisd. Het is wenselijk dat situaties zowel in derde landen als in de Unie worden aangepakt. Om verenigbaar te zijn met de fundamentele vrijheden, mag het effect van de regels binnen de Unie niet verder reiken dan constructies die resulteren in een kunstmatige verschuiving van winsten van de lidstaat van de moedermaatschappij naar de cfc. In dat geval moeten de aan de moedermaatschappij toegerekende bedragen worden gecorrigeerd op basis van het zakelijkheidsbeginsel, zodat de staat van de moedermaatschappij cfc-inkomsten slechts in de heffing betrekt voor zover zij geen zakelijke grondslag hebben. Financiële ondernemingen, inclusief in de Unie gelegen vaste inrichtingen daarvan, moeten buiten het toepassingsgebied van de cfc-regels blijven wanneer zij hun fiscale woonplaats in de Unie hebben. Voor een legitieme toepassing van cfc-regels binnen de Unie moet het toepassingsgebied immers beperkt blijven tot kunstmatige situaties zonder economische substance, hetgeen zou betekenen dat de sterk gereglementeerde financiële sector en verzekeringssector naar alle waarschijnlijkheid buiten het bereik van die regels zouden blijven.

(10)  Door de toepassing van regels betreffende gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (cfc's) worden de inkomsten van een laagbelaste dochteronderneming waarover een moedermaatschappij zeggenschap uitoefent, opnieuw aan deze moedermaatschappij toegerekend. De moedermaatschappij wordt vervolgens door de staat waarvan zij fiscaal inwoner is, over deze toegerekende inkomsten belast. Afhankelijk van de beleidsprioriteiten van die staat kunnen de cfc-regels gericht zijn op een laagbelaste dochteronderneming in haar geheel of beperkt zijn tot inkomsten die kunstmatig naar de dochteronderneming zijn gesluisd. Het is wenselijk dat situaties zowel in derde landen als in de Unie worden aangepakt. De regels binnen de Unie moeten gelden voor alle constructies waarvan een van de voornaamste oogmerken het kunstmatig verschuiven van winsten van de lidstaat van de moedermaatschappij naar de cfc is. In dat geval moeten de aan de moedermaatschappij toegerekende bedragen worden gecorrigeerd op basis van het zakelijkheidsbeginsel en onder verwijzing naar ondeugdelijke belastingpraktijken zoals herverzekeringscaptives, zodat de staat van de moedermaatschappij cfc-inkomsten slechts in de heffing betrekt voor zover zij geen zakelijke grondslag hebben. Overlappingen tussen de cfc-regels en de switch-overbepalingen moeten worden vermeden.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  Hybride mismatches zijn het gevolg van verschillen in de wettelijke kwalificatie van betalingen (financiële instrumenten) of entiteiten en deze verschillen komen naar boven in de interactie tussen de wettelijke stelsels van twee jurisdicties. Dergelijke mismatches leiden vaak tot een dubbele aftrek (dat wil zeggen een aftrek in beide staten) dan wel een aftrek van de inkomsten in de ene staat zonder dat deze inkomsten worden opgenomen in de belastinggrondslag van de andere staat. Om dat te voorkomen, moeten er regels worden vastgesteld die erin voorzien dat een van de twee jurisdicties die bij een mismatch betrokken zijn, een wettelijke kwalificatie aan het hybride instrument of de hybride entiteit geeft en de andere jurisdictie deze kwalificatie aanvaardt. Hoewel de lidstaten in het kader van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) richtsnoeren hebben aanvaard voor de fiscale behandeling van hybride entiteiten4 en hybride vaste inrichtingen5 in de Unie alsook voor de fiscale behandeling van hybride entiteiten in relaties met derde landen, is het toch nog nodig bindende regels vast te stellen. Het toepassingsgebied van deze regels, ten slotte, moet worden beperkt tot hybride mismatches tussen lidstaten. De problematiek van hybride mismatches tussen lidstaten en derde landen moet nog verder worden onderzocht.

(11)  Hybride mismatches zijn het gevolg van verschillen in de wettelijke kwalificatie van betalingen (financiële instrumenten) of entiteiten en deze verschillen komen naar boven in de interactie tussen de wettelijke stelsels van twee jurisdicties. Dergelijke mismatches leiden vaak tot een dubbele aftrek (dat wil zeggen een aftrek in beide staten) dan wel een aftrek van de inkomsten in de ene staat zonder dat deze inkomsten worden opgenomen in de belastinggrondslag van de andere staat. Om dat te voorkomen, moeten er regels worden vastgesteld die erin voorzien dat een van de twee jurisdicties die bij een mismatch betrokken zijn, een wettelijke kwalificatie aan het hybride instrument of de hybride entiteit geeft en de andere jurisdictie deze kwalificatie aanvaardt. In het geval van een dergelijke mismatch tussen een lidstaat en een derde land moet de lidstaat ervoor zorgen dat correct belasting wordt geheven. Hoewel de lidstaten in het kader van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) richtsnoeren hebben aanvaard voor de fiscale behandeling van hybride entiteiten4 en hybride vaste inrichtingen5 in de Unie alsook voor de fiscale behandeling van hybride entiteiten in relaties met derde landen, is het toch nog nodig bindende regels vast te stellen.

__________________

__________________

4 Gedragscode (belastingregeling ondernemingen) – Verslag aan de Raad, 16553/14, FISC 225, 11.12.2014.

4 Gedragscode (belastingregeling ondernemingen) – Verslag aan de Raad, 16553/14, FISC 225, 11.12.2014.

5 Gedragscode (belastingregeling ondernemingen) – Verslag aan de Raad, 9620/15, FISC 60, 11.6.2015.

5 Gedragscode (belastingregeling ondernemingen) – Verslag aan de Raad, 9620/15, FISC 60, 11.6.2015.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 bis)  Er moet een voor de hele Unie geldende en alomvattende "zwarte lijst" worden opgesteld van de belastingparadijzen en landen, waaronder in de EU, die de mededinging verstoren door middel van het toekennen van gunstige belastingvoorwaarden. De "zwarte lijst" moet worden aangevuld met een lijst van sancties voor jurisdicties die niet tot samenwerking bereid zijn en voor financiële instellingen die zaken doen in belastingparadijzen.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)  Een van de belangrijkste moeilijkheden waarmee de belastingdiensten worden geconfronteerd, is dat ze niet tijdig toegang krijgen tot volledige en relevante informatie over de belastingplanningstrategieën van multinationale ondernemingen. Dergelijke informatie dient openbaar te worden gemaakt, teneinde de belastingdiensten in staat te stellen snel op fiscale risico's te reageren door die risico's beter te evalueren, door gerichte controles te verrichten en door aan te geven welke wijzigingen in de geldende wetten moeten worden aangebracht.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Daar een hoofddoel van deze richtlijn erin bestaat de interne markt als geheel beter te wapenen tegen grensoverschrijdende belastingontwijkingspraktijken, is het niet mogelijk dit doel voldoende te verwezenlijken als de lidstaten elk afzonderlijk optreden. De nationale vennootschapsbelastingstelsels verschillen van elkaar en onafhankelijk optreden van de lidstaten zou slechts de bestaande versnippering van de interne markt op het gebied van de directe belastingen reproduceren. Dergelijk optreden zou dus geen einde maken aan inefficiënties en verstoringen bij de interactie van aparte nationale maatregelen. Een gebrek aan coördinatie zou het resultaat zijn. Gelet op het feit dat vele van de inefficiënties op de interne markt hoofdzakelijk tot problemen van grensoverschrijdende aard leiden, dienen remediërende maatregelen op het niveau van de Unie te worden genomen. Het is daarom van wezenlijk belang oplossingen vast te stellen die werken voor de interne markt als geheel, en dit kan beter worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie. De Unie kan derhalve maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. Door een minimumniveau van bescherming voor de interne markt vast te stellen, strekt deze richtlijn er alleen toe het minimaal vereiste niveau van coördinatie binnen de Unie te bereiken om haar doelstellingen te verwezenlijken.

(14)  Daar een hoofddoel van deze richtlijn erin bestaat de interne markt als geheel beter te wapenen tegen grensoverschrijdende belastingontwijkingspraktijken, is het niet mogelijk dit doel voldoende te verwezenlijken als de lidstaten elk afzonderlijk optreden. De nationale vennootschapsbelastingstelsels verschillen van elkaar en onafhankelijk optreden van de lidstaten zou slechts de bestaande versnippering van de interne markt op het gebied van de directe belastingen reproduceren. Dergelijk optreden zou dus geen einde maken aan inefficiënties en verstoringen bij de interactie van aparte nationale maatregelen. Een gebrek aan coördinatie zou het resultaat zijn. Gelet op het feit dat vele van de inefficiënties op de interne markt hoofdzakelijk tot problemen van grensoverschrijdende aard leiden, dienen remediërende maatregelen op het niveau van de Unie te worden genomen. Het is daarom van wezenlijk belang oplossingen vast te stellen die werken voor de interne markt als geheel, en dit kan beter worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie. De Unie kan derhalve maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. Door een minimumniveau van bescherming voor de interne markt vast te stellen, strekt deze richtlijn er alleen toe het minimaal vereiste niveau van coördinatie binnen de Unie te bereiken om haar doelstellingen te verwezenlijken. Een herziening van het rechtskader op het gebied van belastingen, waarbij praktijken van grondslaguitholling aan de hand van een verordening hadden kunnen worden gereguleerd, zou echter een beter resultaat hebben opgeleverd om voor een gelijk speelveld op de interne markt te zorgen.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(14 bis)  De Commissie wordt verzocht de verhouding tussen de kosten en de totale winsten te analyseren en na te gaan wat de gevolgen zouden kunnen zijn van een zware belastingheffing op de repatriëring van kapitaal uit derde landen met lage belastingen.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(14 ter)  Alle handelsakkoorden en economische partnerschapsakkoorden waarbij de Unie partij is, dienen bepalingen te bevatten over het bevorderen van goed bestuur in belastingaangelegenheden, teneinde voor meer transparantie te zorgen en schadelijke belastingpraktijken te bestrijden.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)  De Commissie dient de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te evalueren drie jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij de Raad. De lidstaten dienen de Commissie alle voor deze evaluatie noodzakelijke informatie te verstrekken,

(15)  De Commissie dient een speciaal monitoringsysteem te ontwikkelen, teneinde te waarborgen dat deze richtlijn correct wordt toegepast en dat de lidstaten de erin vermelde maatregelen op dezelfde manier interpreteren. Het systeem dient de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te evalueren drie jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten dienen het Europees Parlement en de Commissie alle voor deze evaluatie noodzakelijke informatie te verstrekken.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis)  "belastingbetaler": een vennootschapsrechtelijke entiteit zoals bedoeld in deze richtlijn;

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 - punt 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  "royaltykosten": kosten in verband met vergoedingen voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap — daaronder begrepen bioscoopfilms en software — van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap, of van enig ander immaterieel activum; vergoedingen voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik, van industriële, commerciële of wetenschappelijke uitrusting worden als royalty's aangemerkt;

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 - punt 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)  "geheimhoudings- of laagbelastende jurisdictie": een jurisdictie die vanaf 31 december 2016 aan een of meerdere van de volgende criteria voldoet:

 

(a)  geen automatische uitwisseling van informatie met alle partijen bij de multilaterale overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de gezamenlijke rapportagestandaard van de OESO;

 

(b)  geen lijst van uiteindelijke begunstigden van vennootschappen, trusts en equivalente juridische entiteiten in overeenstemming met de minimumnorm als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad1bis;

 

(c)  wettelijke of administratieve bepalingen of praktijken op grond waarvan belastingvoordelen aan ondernemingen worden verstrekt zelfs wanneer er geen daadwerkelijke economische activiteiten worden ontplooid of aanzienlijke economische aanwezigheid is in het desbetreffende land;

 

(d)  een wettelijk tarief voor de vennootschapsbelasting van minder dan 60 % van het gewogen gemiddelde tarief voor de vennootschapsbelasting in de Unie.

 

__________________

 

1bis Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 - punt 7 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)  "vaste vestiging": een vaste bedrijfsvestiging in een lidstaat die door een onderneming van een andere lidstaat wordt gebruikt voor het geheel of gedeeltelijk afwikkelen van zijn bedrijfsactiviteiten; dit is ook van toepassing op situaties waarin ondernemingen die volledig gedematerialiseerde digitale activiteiten ontplooien, geacht worden een vaste inrichting in een lidstaat te hebben indien zij een aanzienlijke digitale aanwezigheid in de economie van dat land hebben;

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 - punt 7 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 ter)  "belastingparadijs": een jurisdictie die gekenmerkt wordt door een of meerdere van de onderstaande criteria

 

(a)  geen of slechts nominale belastingheffing voor niet-ingezetenen;

 

(b)  wetten of administratieve praktijken die de effectieve uitwisseling van belastinginformatie met andere regeringen verhinderen;

 

(c)  wettelijke of administratieve bepalingen die belastingtransparantie verhinderen of het ontbreken van vereisten betreffende een substantiële economische activiteit.

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 - punt 7 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 quater)  "minimale economische substantie": de elementen, onder meer met betrekking tot de digitale economie, die het mogelijk maken een onderneming te definiëren aan de hand van feitelijke criteria zoals het bestaan van menselijke en materiële middelen van de structuur, haar bestuursautonomie, haar juridische realiteit en, in voorkomend geval, de aard van haar activa;

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 – punt 7 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 quinquies)  "Europees fiscaal identificatienummer" of "EU FIN": een nummer als gedefinieerd in de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 met daarin een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking. ;

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 - punt 7 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 sexies)  "verrekenprijzen": de prijzen waartegen een onderneming lichamelijke zaken of immateriële activa overdraagt of diensten verleent aan gelieerde ondernemingen;

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 – punt 7 septies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 septies)  "octrooibox": systeem dat berekent welke inkomsten uit intellectuele eigendom (IE) in aanmerking komen voor belastingvoordelen, door een verband te leggen tussen de in aanmerking komende uitgaven die zijn gedaan bij het creëren van de IE-activa (uitgedrukt als aandeel van de totale uitgaven die aan het creëren van de IE-activa verbonden zijn) en de inkomsten uit deze IE-activa; dit systeem beperkt de IE-activa tot octrooien of immateriële goederen met een gelijkwaardige functie, en levert een bijdrage aan de definitie van "in aanmerking komende uitgaven", "totale uitgaven" en "inkomsten uit IE-activa";

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 - punt 7 octies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 octies)  "brievenbusmaatschappij": iedere soort juridische entiteit die geen economische substantie heeft en louter voor fiscale doeleinden is opgericht;

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 – punt 7 nonies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 nonies)  "een met een belastingbetaler verbonden persoon of onderneming": een situatie waarin de eerste persoon een deelneming van meer dan 25 procent houdt in de tweede, of waarin een derde persoon een deelneming van meer dan 25 procent houdt in beide;

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 – punt 7 decies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 decies)  "hybride mismatch": een situatie met een belastingplichtige in de ene lidstaat en een verbonden onderneming, zoals bedoeld in het toepasselijke systeem voor vennootschapsbelasting, in een andere lidstaat of derde land, die vanwege verschillen in de wettelijke kwalificatie die aan een financieel instrument of entiteit wordt gegeven leidt tot een van de volgende situaties:

 

(a)  dezelfde betaling, lasten of verliezen worden zowel in de lidstaat waar de betaling haar oorsprong vindt, de lasten zijn opgekomen of de verliezen zijn geleden, als in de andere lidstaat of derde land in aftrek gebracht (”dubbele aftrek”); of

 

(b)  een betaling wordt in aftrek gebracht in de lidstaat of het derde land waar de betaling haar oorsprong vindt, zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in de andere lidstaat of het derde land in de heffing wordt betrokken (”aftrek zonder betrekking in de heffing”).

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Een financieringskostensurplus kan worden afgetrokken in het belastingjaar waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 30 procent van de winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (ebitda) van de belastingplichtige dan wel een bedrag van 1 000 000 EUR, naargelang welk van beide het hoogste is. De ebitda wordt berekend door de voor belastingen gecorrigeerde bedragen voor nettorentelasten en andere met rente vergelijkbare kosten en de voor belastingen gecorrigeerde bedragen voor afschrijvingen en amortisatie bij de belastbare inkomsten op te tellen.

2.  Een financieringskostensurplus kan worden afgetrokken in het belastingjaar waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 20 procent van de winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (ebitda) van de belastingplichtige dan wel een bedrag van 2 000 000 EUR, naargelang welk van beide het hoogste is. De ebitda wordt berekend door de voor belastingen gecorrigeerde bedragen voor nettorentelasten en andere met rente vergelijkbare kosten en de voor belastingen gecorrigeerde bedragen voor afschrijvingen en amortisatie bij de belastbare inkomsten op te tellen.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De lidstaten mogen het financieringskostensurplus dat ontstaat bij leningen van derde partijen voor het financieren van publieke infrastructuurprojecten die ten minste 10 jaar duren en door hen of de Unie als projecten van algemeen belang worden beschouwd, uitsluiten van het toepassingsgebied van lid 2.

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De ebitda van een belastingjaar die niet volledig wordt gebruikt om de financieringskosten te dekken die de belastingplichtige in dat belastingjaar of in voorgaande belastingjaren heeft gemaakt, kan worden overgedragen naar toekomstige belastingjaren.

4.  De ebitda van een belastingjaar die niet volledig wordt gebruikt om de financieringskosten te dekken die de belastingplichtige in dat belastingjaar of in voorgaande belastingjaren heeft gemaakt, kan gedurende vijf jaar worden overgedragen naar toekomstige belastingjaren.

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De financieringskosten die niet kunnen worden afgetrokken in het lopende belastingjaar op grond van lid 2, zijn aftrekbaar tot 30 procent van de ebitda in daaropvolgende belastingjaren, op dezelfde wijze als de financieringskosten voor die jaren.

5.  De financieringskosten die niet kunnen worden afgetrokken in het lopende belastingjaar op grond van lid 2, zijn aftrekbaar tot 20 procent van de ebitda in de vijf daaropvolgende belastingjaren, op dezelfde wijze als de financieringskosten voor die jaren.

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – lid 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen.

6.  De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen. De Commissie herziet het toepassingsgebied van onderhavig artikel indien en wanneer op OESO-niveau een overeenkomst is bereikt en wanneer de Commissie van oordeel is dat de OESO‑overeenkomst op Unieniveau ten uitvoer kan worden gelegd.

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 4 bis

 

Vaste inrichting

 

1.  Een vaste bedrijfsvestiging die door een belastingplichtige wordt gebruikt of in stand wordt gehouden, wordt geacht in een vaste inrichting te resulteren indien dezelfde belastingplichtige of een nauw verbonden persoon commerciële activiteiten uitoefent op dezelfde locatie of op een andere locatie in dezelfde lidstaat en indien:

 

(a)  die locatie of een andere locatie krachtens dit artikel een vaste inrichting vormt voor de belastingplichtige of de nauw verbonden persoon, of

 

(b)  de totale activiteit die resulteert uit de combinatie van de activiteiten die door de belastingplichtige en de nauw verbonden persoon op dezelfde locatie of door dezelfde belastingplichtige of nauw verbonden personen op de twee locaties worden uitgeoefend, niet voorbereidend of ondersteunend van aard is, mits de commerciële activiteiten die door de belastingplichtige en de nauw verbonden persoon op dezelfde locatie of door dezelfde belastingplichtige of nauw verbonden personen op de twee locaties worden uitgeoefend, complementaire functies zijn die deel uitmaken van een coherente handelstransactie.

 

2.  Wanneer een persoon in een lidstaat namens een belastingplichtige handelt en daarbij gewoonlijk contracten sluit, of gewoonlijk de hoofdrol vervult die leidt tot het sluiten van contracten die stelselmatig zonder substantiële wijzigingen door de belastingplichtige worden gesloten, en wanneer die overeenkomsten:

 

(a)  op naam van de belastingplichtige staan, of

 

(b)  bestemd zijn om zaken over te dragen die eigendom van die belastingplichtige zijn of waarvan die belastingplichtige het gebruiksrecht heeft, of bestemd zijn om een gebruiksrecht van die zaken te verlenen, of

 

(c)  bestemd zijn voor de verrichting van diensten door die belastingplichtige, wordt die belastingplichtige geacht een vaste inrichting in die staat te hebben voor alle activiteiten die die persoon voor de belastingplichtige uitvoert, tenzij de activiteiten van die persoon een voorbereidend of ondersteunend karakter hebben, zodat, hoewel zij in een vaste bedrijfsinrichting worden uitgevoerd, deze vaste bedrijfsinrichting daarom nog geen vaste inrichting krachtens dit lid is.

 

3.  De lidstaten moeten hun toepasselijke wetgeving en eventuele bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing in overeenstemming brengen met deze definitie.

 

4.  De Commissie krijgt de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de begrippen voorbereidend of ondersteunend karakter.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 4 ter

 

Aan vaste inrichting toerekenbare winst

 

1.  Winsten in een lidstaat die kunnen worden toegerekend aan de in artikel 4 bis vermelde vaste inrichting zijn eveneens de winsten waarvan kan worden aangenomen dat zij ze zou genereren, in het bijzonder in haar transacties met andere onderdelen van de onderneming, indien het afzonderlijke en onafhankelijke ondernemingen betrof die betrokken zijn bij dezelfde activiteit onder vergelijkbare omstandigheden, waarbij rekening wordt gehouden met de activa en risico´s van de betrokken vaste inrichtingen.

 

2.  Wanneer een lidstaat de aan de vaste inrichting toerekenbare winst als bedoeld in lid 1 bijstelt en dienovereenkomstig belasting heft, moet de winst en belasting in andere lidstaten dienovereenkomstig worden aangepast, teneinde dubbele belastingheffing te voorkomen.

 

3.  Als onderdeel van actie 7 van het BEPS-project van de OESO herziet de OESO momenteel de regels die zijn vastgelegd in artikel 7 van het modelverdrag van de OESO inzake aan vaste inrichtingen toerekenbare winsten. Zodra deze regels zijn geactualiseerd passen de lidstaten hun toepasselijke wetgeving dienovereenkomstig aan.

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 4 quater

 

Belastingparadijzen of laagbelastende jurisdicties

 

1.  De lidstaten kunnen een bronbelasting opleggen op betalingen van een entiteit in die lidstaat naar een entiteit in een belastingparadijs of en laagbelastende jurisdictie.

 

2.  Betalingen die niet rechtstreeks naar een entiteit in een belastingparadijs of een laagbelastende jurisdictie worden geleid, maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij op indirecte wijze naar een entiteit in een belastingparadijs of een laagbelastende jurisdictie worden geleid, bv. door middel van louter tussenpersonen in andere jurisdicties, vallen eveneens onder de bepalingen van lid 1.

 

3.  Te zijner tijd actualiseren de lidstaten de verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing die een dergelijk percentage van bronbelasting momenteel uitsluiten, teneinde eventuele juridische belemmeringen voor dit collectieve beschermingsmiddel weg te nemen;

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Een belastingplichtige wordt in de heffing betrokken voor een bedrag dat gelijk is aan de marktwaarde van de overgebrachte activa, op het tijdstip van vertrek, minus hun fiscale boekwaarde, in elk van de volgende gevallen:

1.  Een belastingplichtige wordt in de heffing betrokken voor een bedrag dat gelijk is aan de marktwaarde van de overgebrachte activa, op het tijdstip van vertrek van de activa, minus hun fiscale boekwaarde, in elk van de volgende gevallen:

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn hoofdkantoor naar zijn vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land;

(a)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn hoofdkantoor naar zijn vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land voor zover de lidstaat waar het hoofdkantoor gevestigd is als gevolg van de overbrenging niet langer het recht heeft om belasting te heffen over de overgebrachte activa;

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn vaste inrichting in een lidstaat naar zijn hoofdkantoor of een andere vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land;

(b)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn vaste inrichting in een lidstaat naar zijn hoofdkantoor of een andere vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land voor zover de lidstaat waar de vaste inrichting gevestigd is als gevolg van de overbrenging niet langer het recht heeft om belasting te heffen over de overgebrachte activa;

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(d)  een belastingplichtige brengt zijn vaste inrichting buiten een lidstaat.

(d)  een belastingplichtige brengt zijn vaste inrichting over naar een andere lidstaat of een derde land voor zover de lidstaat waar de vaste inrichting gevestigd is als gevolg van de overbrenging niet langer het recht heeft om belasting te heffen over de overgebrachte activa;

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), wordt iedere daaropvolgende overbrenging van activa uit de vaste inrichting die is gelegen in de eerste lidstaat en waarmee de activa daadwerkelijk verbonden zijn, naar een derde land, aangemerkt als een vervreemding tegen marktwaarde.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), wordt iedere daaropvolgende overbrenging van activa, met inbegrip van winsten, uit de vaste inrichting die is gelegen in de eerste lidstaat en waarmee de activa daadwerkelijk verbonden zijn, naar een derde land, aangemerkt als een vervreemding tegen marktwaarde.

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 2 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn hoofdkantoor naar zijn vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Overeenkomst);

(a)  een belastingplichtige brengt activa, met inbegrip van winsten, over van zijn hoofdkantoor naar zijn vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER‑Overeenkomst);

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 2 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn vaste inrichting in een lidstaat naar zijn hoofdkantoor of een andere vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land dat partij is bij de EER-Overeenkomst;

(b)  een belastingplichtige brengt activa, met inbegrip van winsten, over van zijn vaste inrichting in een lidstaat naar zijn hoofdkantoor of een andere vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land dat partij is bij de EER-Overeenkomst;

Amendement    61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 4 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  de overgebrachte activa worden naderhand overgebracht naar een derde land;

(b)  de overgebrachte activa, met inbegrip van winsten, worden naderhand overgebracht naar een derde land;

Amendement    62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 4 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(d)  de belastingplichtige gaat failliet of wordt geliquideerd.

(d)  de belastingplichtige verkeert in staat van surseance van betaling, gaat failliet of wordt geliquideerd.

Amendement    63

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 – lid 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  Dit artikel is niet van toepassing op overbrengingen van activa van tijdelijke aard waarbij het de bedoeling is dat de activa terugkeren naar de lidstaat van de overbrenger.

7.  Dit artikel is niet van toepassing op overbrengingen van activa van tijdelijke aard waarbij het de bedoeling is dat de activa terugkeren naar de lidstaat van de overbrenger, noch op overbrengingen van materiële activa die worden overgebracht om inkomsten uit bedrijfsactiviteiten te genereren. Om te worden uitgezonderd moet de belastingplichtige bij zijn belastingautoriteiten aantonen dat de buitenlandse inkomsten afkomstig zijn uit bedrijfsactiviteiten. Dit kan worden gedaan door middel van een certificaat van de buitenlandse belastingautoriteiten.

Amendement    64

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 5 bis

 

Verrekenprijzen

 

1.   Overeenkomstig het document uit 2010 getiteld "OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations" (OESO-richtsnoeren voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten), mag winst die een onderneming zou hebben behaald, maar ten gevolge van de volgende voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast:

 

(a)  een onderneming van een staat neemt direct of indirect deel aan het bestuur van, het toezicht op, dan wel het kapitaal van een onderneming van de andere staat; of

 

(b)  dezelfde personen nemen direct of indirect deel aan het bestuur van, het toezicht op, dan wel het kapitaal van een onderneming van een staat en een onderneming van een andere staat; en

 

(c)  in beide gevallen worden tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.

 

2.  Indien een staat in de winst van een onderneming van die staat winst opneemt – en dienovereenkomstig belast ‑ ter zake waarvan een onderneming van de andere staat in die andere staat werd belast, en de aldus opgenomen winst, winst is die door de onderneming van de eerstgenoemde staat zou zijn behaald, indien de voorwaarden overeengekomen tussen de twee ondernemingen dezelfde waren geweest als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden bestaan, herziet de andere staat op passende wijze het bedrag aan belasting dat over die winst werd geheven. Bij deze herziening wordt rekening gehouden met de overige bepalingen van deze richtlijn en, indien nodig, plegen de belastingautoriteiten van de staten overleg met elkaar.

Amendement    65

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten verlenen een belastingplichtige geen vrijstelling van belasting ter zake van buitenlandse inkomsten die de belastingplichtige heeft ontvangen als winstuitkering van een entiteit in een derde land, als opbrengst uit de vervreemding van aandelen in een entiteit in een derde land of als inkomsten van een in een derde land gelegen vaste inrichting wanneer de entiteit of de vaste inrichting, in het land waarvan die entiteit inwoner is of in het land waar die vaste inrichting is gelegen, onderworpen is aan een belasting naar de winst tegen een wettelijk vennootschapsbelastingtarief dat lager is dan 40 percent van het wettelijke belastingtarief dat zou zijn geheven overeenkomstig het toepasselijke vennootschapsbelastingstelsel in de lidstaat van de belastingplichtige. In die omstandigheden wordt de belastingplichtige aan de belasting onderworpen ter zake van de buitenlandse inkomsten, waarbij de in het derde land betaalde belasting wordt afgetrokken van zijn belastingschuld in de staat waarvan hij fiscaal inwoner is. De aftrek is niet hoger dan het bedrag aan belastingen, zoals berekend vóór de aftrek, dat toerekenbaar is aan de belastbare inkomsten.

1.  De lidstaten verlenen een belastingplichtige geen vrijstelling van belasting ter zake van niet uit commerciële activiteiten afkomstige buitenlandse inkomsten die de belastingplichtige heeft ontvangen als winstuitkering van een entiteit in een derde land, als opbrengst uit de vervreemding van aandelen in een entiteit in een derde land of als inkomsten van een in een derde land gelegen vaste inrichting wanneer de entiteit of de vaste inrichting, in het land waarvan die entiteit inwoner is of in het land waar die vaste inrichting is gelegen, onderworpen is aan een belasting naar de winst tegen een wettelijk vennootschapsbelastingtarief dat lager is dan 15 procent. In die omstandigheden wordt de belastingplichtige aan de belasting onderworpen ter zake van de buitenlandse inkomsten, waarbij de in het derde land betaalde belasting wordt afgetrokken van zijn belastingschuld in de staat waarvan hij fiscaal inwoner is. De aftrek is niet hoger dan het bedrag aan belastingen, zoals berekend vóór de aftrek, dat toerekenbaar is aan de belastbare inkomsten. Om te worden uitgezonderd moet de belastingplichtige bij zijn belastingautoriteiten aantonen dat de buitenlandse inkomsten afkomstig zijn uit bedrijfsactiviteiten. Dit kan worden gedaan door middel van een certificaat van de buitenlandse belastingautoriteiten.

Amendement    66

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Lid 1 is ook van toepassing binnen de Unie.

Amendement    67

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – lid 2 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Lid 1 is niet van toepassing op de volgende soorten verliezen:

2.  Lid 1 is niet van toepassing op buitenlandse verliezen:

Amendement    68

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Een kunstmatige constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als wezenlijke doel een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de strekking van de anderszins toepasselijke belastingbepalingen ondermijnt, wordt buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan.

1.  Een kunstmatige constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de strekking van de anderszins toepasselijke belastingbepalingen ondermijnt, en die, gezien alle relevante feiten en omstandigheden, niet als echt kan worden beschouwd, wordt buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan.

Amendement    69

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Wanneer een constructie of een reeks van constructies overeenkomstig lid 1 buiten beschouwing wordt gelaten, wordt de belastingschuld berekend op grond van de economische substance overeenkomstig het nationale recht.

3.  Wanneer een constructie of een reeks van constructies overeenkomstig lid 1 buiten beschouwing wordt gelaten, wordt de belastingschuld berekend op grond van de economische substance overeenkomstig artikel 2.

Amendement    70

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale belastingdiensten beschikken over voldoende personeel, expertise, financiële middelen en met name belastingcontroleurs, alsook over middelen voor de opleiding van medewerkers van de belastingdienst waarbij de nadruk moet liggen op grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van belastingfraude en ‑ontwijking, alsook op het gebied van automatische uitwisseling van inlichtingen, teneinde de volledige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te waarborgen.

Amendement    71

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De niet-uitgekeerde inkomsten van een entiteit worden in de belastinggrondslag van een belastingplichtige begrepen indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1.  De inkomsten van een entiteit worden in de belastinggrondslag van een belastingplichtige begrepen indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

Amendement    72

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – letter b

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  krachtens de algemene regeling in het land van de entiteit is de winst onderworpen aan een effectief vennootschapsbelastingtarief dat lager is dan 40 percent van het effectieve belastingtarief dat zou zijn geheven krachtens het toepasselijke vennootschapsbelastingstelsel in de lidstaat van de belastingplichtige;

(b)  de winst van de entiteit is onderworpen aan een effectief vennootschapsbelastingtarief dat lager is dan 15 percent; dit tarief wordt geëvalueerd op basis van de winst vóór de berekeningen die deze landen uitvoeren om de belastbare grondslag te verminderen; dit tarief wordt jaarlijks herzien in het licht van de economische ontwikkelingen in de wereldhandel;

Amendement    73

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – letter c – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(c)  meer dan 50 procent van de inkomsten die toevallen aan de entiteit, valt onder een van de volgende categorieën:

(c)  meer dan 25 procent van de inkomsten die toevallen aan de entiteit, valt onder een van de volgende categorieën:

Amendement    74

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – letter c – punt vii bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(viia)  inkomsten uit handel in goederen met de belastingplichtige of zijn gelieerde ondernemingen, behalve gestandaardiseerde goederen waar geregeld in gehandeld wordt tussen onafhankelijke partijen en waarvoor openbaar waarneembare prijzen bestaan;

Amendement    75

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 1 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Punt c) van de eerste alinea is van toepassing op financiële ondernemingen uitsluitend wanneer meer dan 50 procent van de inkomsten van de entiteit in deze categorieën afkomstig is van transacties met de belastingplichtige of zijn gelieerde ondernemingen.

Punt c) van de eerste alinea is van toepassing op financiële ondernemingen uitsluitend wanneer meer dan 25 procent van de inkomsten van de entiteit in deze categorieën afkomstig is van transacties met de belastingplichtige of zijn gelieerde ondernemingen.

Amendement    76

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8 – lid 2 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten passen lid 1 niet toe wanneer een entiteit haar fiscale woonplaats heeft in een lidstaat of in een derde land dat partij is bij de EER-Overeenkomst of ter zake van een vaste inrichting van een entiteit van een derde land die in een lidstaat gelegen is, tenzij de inrichting van de entiteit volstrekt kunstmatig is of voor zover de entiteit, in het kader van haar activiteit, betrokken is bij kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijke doel een belastingvoordeel te verkrijgen.

2.  De lidstaten passen lid 1 niet toe wanneer een entiteit haar fiscale woonplaats heeft in een lidstaat of in een derde land dat partij is bij de EER-Overeenkomst of ter zake van een vaste inrichting van een entiteit van een derde land die in een lidstaat gelegen is, tenzij de inrichting van de entiteit geen substantietoets doorstaat of voor zover de entiteit, in het kader van haar activiteit, betrokken is bij kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijke doel een belastingvoordeel te verkrijgen. In het specifieke geval van verzekeringsmaatschappijen wordt het feit dat een moedermaatschappij haar risico´s verzekert bij haar eigen dochterondernemingen als kunstmatig beschouwd.

Amendement    77

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Hybride mismatches

Hybride mismatches tussen lidstaten

Amendement    78

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – alinea 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer twee lidstaten een verschillende wettelijke kwalificatie geven aan dezelfde belastingplichtige (hybride entiteit), met inbegrip van zijn vaste inrichtingen in een of meer lidstaten, en dit leidt tot ofwel een situatie waarin dezelfde betaling, lasten of verliezen in aftrek worden gebracht zowel in de lidstaat waar de betaling haar oorsprong vindt, de lasten zijn opgekomen of de verliezen zijn geleden als in een andere lidstaat, ofwel een situatie waarin een betaling in aftrek wordt gebracht in de lidstaat waar de betaling haar oorsprong vindt zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in de andere lidstaat in de heffing wordt opgenomen, wordt de wettelijke kwalificatie die aan de hybride entiteit wordt gegeven door de lidstaat waar de betaling haar oorsprong vindt, de lasten zijn opgekomen of de verliezen zijn geleden, door de andere lidstaat overgenomen.

(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)

Amendement    79

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – alinea 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer twee lidstaten een verschillende wettelijke kwalificatie geven aan dezelfde betaling (hybride instrument) en dit tot een situatie leidt waarin er sprake is van een aftrek in de lidstaat waar de betaling haar oorsprong vindt zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in de andere lidstaat in de heffing wordt opgenomen, wordt de wettelijke kwalificatie die aan het hybride instrument wordt gegeven door de lidstaat waar de betaling haar oorsprong vindt, overgenomen door de andere lidstaat.

Wanneer twee staten een verschillende wettelijke kwalificatie geven aan dezelfde betaling (hybride instrument) en dit tot een situatie leidt waarin er sprake is van een aftrek in de staat waar de betaling haar oorsprong vindt zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in de andere staat in de heffing wordt opgenomen, wordt de wettelijke kwalificatie die aan het hybride instrument wordt gegeven door de staat waar de betaling haar oorsprong vindt, overgenomen door de andere staat.

Amendement    80

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten actualiseren de verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing met derde landen of onderhandelen gezamenlijk over soortgelijke overeenkomsten, om te waarborgen dat de bepalingen van dit artikel worden toegepast in grensoverschrijdende betrekkingen tussen de lidstaten en derde landen.

Amendement    81

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 10 bis

 

Hybride mismatches die verband houden met derde landen

 

Wanneer een hybride mismatch tussen een lidstaat en een derde land resulteert in een dubbele aftrek, weigert de lidstaat de aftrek van een dergelijke betaling, tenzij het derde land dit reeds heeft gedaan.

 

Wanneer een hybride mismatch tussen een lidstaat en een derde land resulteert in aftrek van een betaling zonder dat deze betaling in het derde land in de heffing wordt opgenomen, weigert de lidstaat de aftrek of niet-opname van een dergelijke betaling, tenzij het derde land dit reeds heeft gedaan.

Amendement    82

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 10 ter

 

Effectief belastingtarief

 

1.  De Commissie ontwikkelt een gemeenschappelijke methode voor de berekening van het effectieve belastingtarief in iedere lidstaat, om zo een vergelijkende tabel met de effectieve belastingtarieven in alle lidstaten te kunnen opstellen.

Amendement    83

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 10 quater

 

Maatregelen om misbruik van belastingverdragen te voorkomen

 

1.  Lidstaten passen hun bilaterale belastingverdragen aan om hierin de volgende bepalingen op te nemen:

 

(a)  een clausule om te waarborgen dat beide partijen bij de verdragen zich ervoor inzetten dat belasting wordt betaald op de plaats waar de economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gegenereerd;

 

(b)  een addendum om toe te lichten dat bilaterale verdragen naast voorkoming van dubbele belastingheffing tevens de bestrijding van belastingontduiking en belastingontwijking beogen;

 

(c)  een clausule inzake een algemene antimisbruikbepaling op basis van een "principal purpose test" (een toets van het voornaamste doel), als gedefinieerd in de aanbeveling van de Commissie van 28 januari 2016 over de implementatie van maatregelen om misbruik van belastingverdragen tegen te gaan (C (2016) 271 def);

 

(d)  een definitie van vaste inrichting in overeenstemming met artikel 5 van het OESO-modelverdrag inzake belastingen;

 

2.  De Commissie komt uiterlijk op 31 december 2017 met een voorstel voor een "Europese benadering van belastingverdragen" teneinde een Europees modelverdrag op te stellen dat uiteindelijk de duizenden door de lidstaten gesloten bilaterale verdragen kan vervangen.

 

3.  De lidstaten zeggen bilaterale verdragen op of onthouden zich van ondertekening van dergelijke verdragen met jurisdicties die niet voldoen aan de minimumnormen inzake de op Unieniveau overeengekomen beginselen voor goed bestuur in belastingzaken.

Amendement    84

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 10 quinquies

 

Goed bestuur in belastingzaken

 

1.  De Commissie neemt in internationale handelsovereenkomsten en economische partnerschapsovereenkomsten waarbij de Unie partij is, bepalingen op over het bevorderen van goed bestuur in belastingzaken, teneinde voor meer transparantie te zorgen en schadelijke belastingpraktijken te bestrijden.

Amendement    85

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 10 sexies

 

Sancties

 

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van deze regels en deze maatregelen in kennis en doen dit eveneens bij alle eventuele latere wijzigingen ervan. .

Amendement    86

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – titel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Evaluatie

Evaluatie en toezicht

Amendement    87

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie evalueert de tenuitvoerlegging van deze richtlijn drie jaar na de inwerkingtreding ervan en brengt verslag uit bij de Raad.

1.  De Commissie evalueert de tenuitvoerlegging van deze richtlijn drie jaar na de inwerkingtreding ervan en brengt verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad.

Amendement    88

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie alle informatie die noodzakelijk is voor de evaluatie van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

2.  De lidstaten verstrekken het Europees Parlement en de Commissie alle informatie die noodzakelijk is voor de evaluatie van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Amendement    89

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De Commissie stelt een specifiek toezichtsmechanisme in om de volledige en adequate omzetting van deze richtlijn te waarborgen en toe te zien op de correcte interpretatie van alle hierin opgenomen definities en de door de lidstaten te treffen maatregelen, teneinde te komen tot een samenhangende Europese aanpak inzake de bestrijding van BEPS.

Amendement    90

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 11 bis

 

Europees fiscaal identificatienummer

 

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2016 een wetgevingsvoorstel in voor een geharmoniseerd, gemeenschappelijk Europees fiscaal identificatienummer, teneinde de automatische uitwisseling van belastinginformatie binnen de Unie efficiënter en betrouwbaarder te maken.

Amendement    91

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 11 ter

 

Verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied

 

Om volledige transparantie en de correcte toepassing van de bepalingen van deze richtlijn te garanderen, is de uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied verplicht en automatisch, zoals bepaald bij Richtlijn 2011/16/EU1bis van de Raad.

 

_______________

 

1 bis Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).


TOELICHTING

Volgens een studie van de OESO verliezen de begrotingen van landen overal ter wereld jaarlijks 100 à 240 miljard dollar door agressieve belastingplanning van multinationals. Dit komt overeen met 4 à 10 % van de wereldwijde inkomsten aan vennootschapsbelasting. Dit is vooral een aanzienlijk inkomensverlies voor die landen, waardoor zij minder kunnen investeren in werkgelegenheid, armoedebestrijding en efficiënte gezondheidszorg voor iedereen.

De totstandbrenging van een economische en monetaire unie moet gepaard gaan met een harmonisatie van de Europese belastingen. Een billijke en efficiënte vennootschapsbelasting moet de hoeksteen van de interne markt worden.

Om een betrouwbare interne markt te hebben, moeten de lidstaten het eens worden over de belastingkwestie.

Om de goede werking van de interne markt en het welslagen van de kapitaalmarktenunie te garanderen, is een gecoördineerde en geharmoniseerde aanpak van de tenuitvoerlegging van de belastingstelsels essentieel.

De rapporteur verwelkomt het voorstel van de Commissie als een positieve stap in de richting van minder belastingontwijking door multinationals. Hij is evenwel van mening dat de helderheid en doeltreffendheid ervan middels de voorgestelde amendementen verder kan worden verbeterd.

Het voornaamste doel van dit verslag is ervoor te zorgen dat bedrijven hun belastingen betalen waar zij hun winst maken.

Daartoe heeft de rapporteur besloten duidelijk en bindend vast te stellen onder welke voorwaarden kan worden bevestigd dat een multinationale onderneming in een land gevestigd is. Dit is het enige middel om multinationals te verplichten hun belastingen op billijke wijze te betalen. Momenteel organiseren multinationale ondernemingen zich al te vaak om hun winsten naar belastingparadijzen te verschuiven zonder enige belasting te hebben betaald.

De rapporteur heeft de wetgeving inzake octrooien verduidelijkt en eenvormig gemaakt. Tot nog toe gebruiken multinationals stimulansen om octrooien aan te vragen, om hun winsten kunstmatig te verlagen. Dit is nadelig voor landen die echt innoveren. Het Parlement stelt voor om deze multinationals aan een exitheffing te onderwerpen wanneer zij inkomsten uit octrooien naar landen met lage belastingen versluizen.

Ook heeft de rapporteur het Europees Parlement een grotere rol gegeven. Het Europees Parlement moet toezien op de effectieve tenuitvoerlegging van deze richtlijn in de 28 lidstaten. Het moet ook een onafhankelijke evaluatie kunnen verrichten om de doeltreffendheid ervan te meten.

Ten slotte betreurt de rapporteur dat de Commissie nog geen wetgevingsvoorstel betreffende de CCCTB heeft ingediend. Dankzij de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting zouden bedrijven namelijk bij "één loket" terechtkunnen om hun belastingaangiften te doen en hun winsten en verliezen in de hele EU te consolideren.


MINDERHEIDSSTANDPUNT

Ingediend overeenkomstig artikel 56, lid 3, van het Reglement

Ingediend door Bernd Lucke

Het verslag beoogt rentebetalingen voor niet meer dan 20 % van de ebitda fiscaal aftrekbaar te maken. Mijns inziens is dit een ongepaste, schadelijke regel die investeringen belemmert. Rentebetalingen vormen de kosten van investeringsprojecten. Als zodanig moeten deze altijd kunnen worden afgetrokken. Anders valt de belastbare winst te hoog uit. Ook de in het anti-BEPS-plan van de OESO aanbevolen grens van 30 % is in dit licht problematisch.

Het voorstel in het verslag-Bayet zou veel ondernemingen met serieuze investeringsplannen schade berokkenen. Het is onjuist om met het oog op de bestrijding van fiscaal wangedrag regels in te voeren die ook ondernemingen die wel eerlijk belasting betalen, benadelen. Bovendien zijn het vooral groepsinterne kredieten die voor belastingontwijking worden ingezet, teneinde winsten naar laagbelastende jurisdicties te verschuiven. Het zou derhalve zinvoller zijn geweest alleen de aftrekbaarheid van rente op groepsinterne kredieten te beperken. Rentebetalingen aan externe derden dienen daarentegen onbeperkt aftrekbaar te zijn.

De in het verslag-Bayet voorziene mogelijkheid om niet aftrekbare rentebetalingen maximaal vijf jaar vooruit te schuiven, zal voor ondernemingen die reële investeringen financieren nauwelijks nuttig zijn. Bij grote investeringsprojecten is er gedurende meerdere jaren sprake van hoge rentelasten, zodat er geen speelruimte voor het vooruitschuiven van rentebetalingen bestaat.


PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Regels tegen belastingontwijkingspraktijken die rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt

Document- en procedurenummers

COM(2016)0026 – C8-0031/2016 – 2016/0011(CNS)

Datum raadpleging EP

10.2.2016

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ECON

25.2.2016

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

AFET

25.2.2016

IMCO

25.2.2016

LIBE

25.2.2016

 

Geen advies

       Datum besluit

AFET

23.2.2016

IMCO

23.2.2016

LIBE

17.2.2016

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Hugues Bayet

21.1.2016

 

 

 

Behandeling in de commissie

11.4.2016

23.5.2016

 

 

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

15

21

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Esther de Lange, Fabio De Masi, Markus Ferber, Jonás Fernández, Elisa Ferreira, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Petr Ježek, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Philippe Lamberts, Werner Langen, Sander Loones, Bernd Lucke, Ivana Maletić, Costas Mavrides, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Sirpa Pietikäinen, Dariusz Rosati, Pirkko Ruohonen-Lerner, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Beatrix von Storch, Pablo Zalba Bidegain

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laura Agea, Enrique Calvet Chambon, David Coburn, Eva Joly, Thomas Mann, Emmanuel Maurel, Siôn Simon, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Kostas Chrysogonos, Sylvie Guillaume, Sabine Lösing, Virginie Rozière, Jutta Steinruck, Jarosław Wałęsa

Datum indiening

27.5.2016

Juridische mededeling - Privacybeleid