VERSLAG over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins

    17.10.2016 - (2016/2087(IMM))

    Commissie juridische zaken
    Rapporteur: Tadeusz Zwiefka

    Procedure : 2016/2087(IMM)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A8-0297/2016
    Ingediende teksten :
    A8-0297/2016
    Debatten :
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins

    (2016/2087(IMM))

    Het Europees Parlement,

    –  gezien het op 3 mei 2016 door Jane Collins ingediende verzoek om verdediging van haar voorrechten en immuniteiten in verband met een burgerrechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt bij de Queen’s Bench Division van de High Court in Londen (Zaak nr. HQ14DO4882), waarvan op 11 mei 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

    –  na James Carver, die Jane Collins vertegenwoordigt, te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

    –  gezien de artikelen 7, 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

    –  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013[1],

    –  gezien artikel 5, lid 2, en de artikelen 7 en 9 van zijn Reglement,

    –  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0297/2016),

    A.  overwegende dat Jane Collins een verzoek heeft ingediend om verdediging van haar voorrechten en immuniteiten in verband met een burgerrechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt bij de Queen’s Bench Division van de High Court in Londen;

    B.  overwegende, ten eerste, dat het verzoek betrekking heeft op de verdediging van het in artikel 7 van het protocol neergelegde recht van leden van het Europees Parlement om als zij zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren op geen enkele wijze in hun bewegingsvrijheid beperkt te worden door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard;

    C.  overwegende dat dit deel van het verzoek verband houdt met het feit dat Jane Collins ten gevolge van de planning van de gerechtelijke procedure die tegen haar aanhangig is gemaakt belet zou worden naar parlementaire vergaderingen te reizen;

    D.  overwegende evenwel dat artikel 7 van het protocol niet van toepassing is op beperkingen die het gevolg zijn van een gerechtelijke procedure, aangezien deze onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van de artikelen 8 en 9 van het protocol[2], en het verzoek om verdediging van de parlementaire immuniteit op grond van artikel 7 van het protocol derhalve niet-ontvankelijk is;

    E.  overwegende, ten tweede, dat het verzoek betrekking heeft op de verdediging van het in artikel 8 van het protocol neergelegde recht van de leden van het Europees Parlement om niet het voorwerp te zijn van opsporing en om niet te worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

    F.  overwegende dat dit deel van het verzoek verband houdt met het feit dat er tegen Jane Collins een rechtsvordering is ingesteld tot (verhoogde) schadevergoeding wegens smaad en laster, alsmede een vordering tot oplegging van een verbod op het herhalen van de omstreden verklaringen;

    G.  overwegende dat de schadevordering wegens smaad en laster betrekking heeft op beschuldigingen die Jane Collins heeft geuit tijdens een partijbijeenkomst;

    H.  overwegende dat de parlementaire immuniteit die de leden van het Europees Parlement op grond van artikel 8 van het protocol genieten, uitsluitend geldt voor de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

    I.  overwegende dat een door een lid van het Europees Parlement buiten de gebouwen van het Europees Parlement afgelegde verklaring slechts een in de uitoefening van zijn parlementair ambt uitgebrachte mening vormt, indien die verklaring een subjectieve beoordeling weergeeft die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van dat ambt[3];

    J.  overwegende evenwel dat er geen sprake is van een rechtstreeks en voor de hand liggend verband tussen de omstreden verklaringen en de uitoefening door Jane Collins van haar taken als lid van het Europees Parlement, omdat de verklaringen geen betrekking hebben op haar activiteiten als lid van het Europees Parlement, noch op het beleid van de Europese Unie, en afgelegd werden in de context van het politieke debat op nationaal niveau;

    K.  overwegende dat de verklaringen in kwestie derhalve niet door artikel 8 van het protocol worden bestreken;

    1.  Besluit de voorrechten en immuniteiten van Jane Collins niet te verdedigen;

    2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en aan de edelhoogachtbare heer Warby.

    • [1]  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; Arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; Arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543; Arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23
    • [2]  Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440, par. 49 en 51.
    • [3]  Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI:EU:C:2011:543;

    TOELICHTING

    I. CONTEXT

    Ter plenaire vergadering van 11 mei 2016 deelde de Voorzitter overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement mee een verzoek te hebben ontvangen om verdediging van de immuniteit van Jane Collins, gedateerd 3 mei 2016.

    Dit verzoek luidde als volgt:

    "Ik verzoek het Parlement eerbiedig om verdediging van:

    1. mijn immuniteit uit hoofde van artikel 8 (absolute immuniteit) en

    2. mijn recht op vrij verkeer om de werkzaamheden van het Parlement bij te wonen en mijn taken te vervullen;

    Er is een gerechtelijke procedure tegen mij aanhangig gemaakt, omdat ik mijn mening heb geuit bij de vervulling van mijn taken in mijn hoedanigheid als lid van dit Parlement. Maatregelen die genomen worden tegen een lid wegens meningen die zijn geuit in het openbaar belang en bij de uitvoering van zijn taken ondermijnen de integriteit van het Parlement als democratische wetgevende vergadering.

    De bevoegde autoriteit heeft geen verzoek ingediend om opheffing van de voorrechten en immuniteiten van een lid van dit Parlement.

    Ik heb mij tijdens deze juridische procedure tot het uiterste ingespannen om met de Engelse rechtbanken samen te werken en hen te informeren over mijn rol als afgevaardigde van het Europees Parlement en mijn verplichtingen tegenover mijn achterban. De betrokken partijen erkennen mijn verantwoordelijkheden echter niet en gaan voorbij aan de op mij rustende verplichting om bij vergaderingen en zittingen van het Parlement aanwezig te zijn. Tijdens de huidige procedure is dit feit zelfs gepresenteerd als verzwarende factor.

    Daarnaast zijn er pogingen gedaan om mijn bewegingsvrijheid te beperken (reizen van en naar het Parlement in Brussel en Straatsburg) onder dreiging van een gerechtelijk bevel.

    Voorts zou ik u willen verzoeken helderheid te verschaffen over de wijze waarop aan artikel 9 toepassing wordt gegeven bij uit het Verenigd Koninkrijk afkomstige leden van het Parlement. Op grond van artikel 9 genieten de leden de voorrechten en immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend. Voor het Verenigd Koninkrijk geldt dat parlementsleden alleen voorrechten genieten in het Palace of Westminster, maar het is leden van het Europees Parlement niet toegestaan om hun taken te vervullen in het Palace of Westminster. Westminster is een paar honderd kilometer verwijderd van het kiesdistrict dat ik vertegenwoordig.

    In het kader van de gerechtelijke procedure die tegen mij is aangespannen wordt erkend dat de mening die ik uitte tijdens de uitoefening van mijn taken als lid van het Europees Parlement door het parlementaire televisiekanaal van het VK werd uitgezonden in het Palace of Westminster.

    Het kernpunt van de procedure(s) die tegen mij is/zijn aangespannen is dat de mening die ik tijdens die uitzending heb geuit de reputatie van de eiser in het Palace of Westminster zou hebben geschaad.

    Ik verzoek u het volgende nader toe te lichten:

    1. Welke status heeft een uitzending in een gebied dat beschermd wordt krachtens artikel 9?

    2. Welke status hebben uit het Verenigd Koninkrijk afkomstige leden van het Europees Parlement die in de praktijk dit voorrecht niet kunnen uitoefenen?"

    Volgens de gewijzigde uiteenzetting van de feiten van 29 april 2015, opgesteld in opdracht van rechter Warby, hield mevrouw Collins op 26 september 2014 tijdens de partijconferentie van UKIP in Doncaster een speech, die zij publiceerde en openbaar liet maken via de media (onder meer via een live uitzending op het tv-kanaal BBC Parliament), met daarin passages die kwetsend waren voor eisers, leden van het parlement van het Verenigd Koninkrijk.

    Volgens eerdergenoemde uiteenzetting van de feiten stelde mevrouw Collins dat eisers op de hoogte waren van vele details van het kindermisbruik dat in een periode van zestien jaar in Rotherham heeft plaatsgevonden en waarbij naar schatting 1400 kinderen door mannen van Aziatische origine zijn verkracht en geslagen, verleid met alcohol en drugs en bedreigd met geweld. Zij stelde dat eisers doelbewust niet hebben ingegrepen en het misbruik hebben laten voortduren en dat zij dit deden uit politieke correctheid, politieke lafheid of politiek egoïsme, en dat zij zich dus schuldig hebben gemaakt aan wangedrag dat dermate verwijtbaar is dat het strafbaar is of althans zou moeten zijn, omdat het de daders heeft geholpen en gesteund, en dat eisers daarom net zo schuldig zijn als de misbruikplegers.

    Eisers hebben een rechtsvordering ingesteld tot schadevergoeding wegens smaad en laster, alsmede een vordering tot oplegging van een verbod op verdere publicatie.

    Mevrouw Collins is uitgenodigd om door de Commissie juridische zaken te worden gehoord, maar heeft ervoor gekozen om zich door EP-lid Jim Carver te laten vertegenwoordigen.

    II. DE WET

    (a) De Verdragen

    Protocol (nr. 7) bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie

    "Artikel 7

    De bewegingsvrijheid der leden van het Europees Parlement die zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren wordt op geen enkele wijze beperkt door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard.

    Aan de leden van het Europees Parlement worden, wat betreft douane en deviezencontrole, toegekend:

    (a) door hun eigen regering, dezelfde faciliteiten als zijn toegekend aan hoge ambtenaren, die zich, belast met een tijdelijke officiële zending, naar het buitenland begeven,

    (b) door de regeringen van de andere lidstaten, dezelfde faciliteiten als zijn toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen, belast met een tijdelijke officiële zending.

    Artikel 8

    Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

    Artikel 9

    Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

    (a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

    (b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

    De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

    Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen."

    (b) Relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie

    Mote/Parlement[1]

    48 Het Hof heeft voor recht verklaard dat het de lidstaten ingevolge artikel 7, eerste alinea, van het Protocol verboden is, de bewegingsvrijheid van de leden van het Parlement op enigerlei wijze – met name door hun fiscale praktijk – door voorschriften van bestuursrechtelijke aard te beperken (arrest Hof van 15 september 1981, Bruce of Donington, 208/80, Jurispr. blz. 2205, punt 14). Zoals deze bepaling preciseert, beoogt dit voorrecht te waarborgen dat de leden van het Parlement hun vrijheid kunnen uitoefenen om zich naar de plaats van bijeenkomst van het Parlement te begeven of daarvan terug te keren.

    49 Het is echter van belang te benadrukken dat deze beperkingen, ofschoon zij niet uitputtend worden opgesomd in artikel 7, eerste alinea, van het Protocol, dat refereert aan beperkingen door voorschriften van bestuursrechtelijke „of andere” aard, niet zien op beperkingen die het gevolg zijn van gerechtelijke vervolging, aangezien deze binnen de werkingssfeer vallen van artikel 9, dat de juridische regeling voor de immuniteiten omschrijft, buiten de in artikel 8 bedoelde specifieke context van de mening of de stem die de parlementsleden in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht. De gerechtelijke vervolging wordt namelijk uitdrukkelijk genoemd in artikel 9, eerste alinea, sub b, van het Protocol als vervolging waarvan het parlementslid op het grondgebied van elke andere lidstaat dan de zijne tijdens de zittingsduur van het Parlement is vrijgesteld. Eveneens geniet het parlementslid volgens artikel 9, eerste alinea, sub a, van het Protocol tijdens dezelfde periode op zijn eigen grondgebied de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in zijn land zijn verleend, waarvan er enkele nationale parlementsleden beschermen tegen gerechtelijke vervolging die tegen hen zou kunnen worden ingesteld. Ten slotte bepaalt artikel 9, tweede alinea, dat de immuniteit de leden van het Parlement eveneens beschermt wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Parlement begeven of daarvan terugkeren. Het bestaan van deze bepaling, die evenals artikel 7, eerste alinea, van het Protocol, de leden van het Parlement beschermt tegen aantastingen van hun bewegingsvrijheid, bevestigt dat de in laatstgenoemde bepaling genoemde beperkingen niet alle mogelijke aantastingen van de bewegingsvrijheid van de leden van het Parlement omvatten en dat, zoals blijkt uit de eerder onderzochte bepalingen van artikel 9, de gerechtelijke vervolging moet worden geacht te vallen onder de bij dit laatste artikel ingevoerde juridische regeling.

    50 Artikel 9 van het Protocol heeft derhalve tot doel, de onafhankelijkheid van de leden van het Parlement te verzekeren door te verhinderen dat tijdens de zittingsduur van het Parlement druk, in de vorm van bedreiging met aanhouding of gerechtelijke vervolging, op hen kan worden uitgeoefend (beschikking president Gerecht van 2 mei 2000, Rothley e.a./Parlement, T-17/00 R, Jurispr. blz. II2085, punt 90).

    51 Artikel 7 van het Protocol dient ter bescherming van de leden van het Parlement tegen andere dan gerechtelijke beperkingen van hun bewegingsvrijheid.

    Strafzaak tegen Aldo Patriciello[2]

    "[Een] door een Europees afgevaardigde buiten het Europees Parlement afgelegde verklaring die in zijn lidstaat van herkomst heeft geleid tot strafvervolging wegens valse beschuldigingen, [vormt] slechts een in de uitoefening van zijn parlementair ambt uitgebrachte mening [...] die onder de in die bepaling neergelegde immuniteit valt, indien die verklaring een subjectieve beoordeling weergeeft die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van dat ambt". Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of die voorwaarden in een bepaald geval vervuld zijn.

    (c) Het Reglement van het Europees Parlement

    "Artikel 6

    Opheffing van de immuniteit

    1. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. Een verzoek om opheffing van de immuniteit wordt overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en de beginselen in dit artikel beoordeeld.

    Artikel 7

    Verdediging van de voorrechten en van de immuniteit

    3. Een verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van een lid is niet ontvankelijk, wanneer reeds een verzoek om opheffing of verdediging van de immuniteit van dat lid is ontvangen in verband met dezelfde gerechtelijke procedure, ongeacht de vraag of er op dat tijdstip al dan niet een besluit was genomen.

    4. Een verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van een lid wordt niet verder behandeld, wanneer een verzoek om opheffing van de immuniteit van dit lid in verband met dezelfde gerechtelijke procedure wordt ontvangen.

    5. Wanneer een besluit is genomen om de voorrechten en de immuniteit van een lid niet te verdedigen, kan het lid een verzoek indienen om het besluit in het licht van ingediend nieuw bewijsmateriaal te heroverwegen. Het verzoek om heroverweging is niet ontvankelijk, wanneer overeenkomstig artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tegen het besluit beroep is ingesteld of wanneer de Voorzitter van oordeel is dat het ingediende nieuwe bewijsmateriaal onvoldoende onderbouwd is om een heroverweging te rechtvaardigen."

    (b) Nationaal recht

    In het Verenigd Koninkrijk omvat het parlementaire voorrecht van vrijheid van meningsuiting al datgene wat wordt gezegd tijdens de debatten in het Hoger- en het Lagerhuis. Artikel 9 van de Bill of Rights 1689 bepaalt: "De vrijheid van spreken en de vrijheid van debat of procedures in het Parlement kan niet worden belemmerd of ter discussie worden gesteld voor enig gerecht of op enige plaats buiten het Parlement." Het begrip "procedures" wordt ruim uitgelegd en omvat datgene wat gezegd en gedaan wordt in het kader van de formele procedures van het Hoger- en het Lagerhuis of binnen de parlementaire commissies, alsmede gesprekken, brieven en andere documenten die rechtstreeks verband houden met deze procedures. Het parlementaire voorrecht is echter niet van toepassing op datgene wat buiten het Parlement gezegd wordt[3].

    II. MOTIVERING VAN HET VOORGESTELDE BESLUIT

    (a) Artikel 7 van het Protocol

    Mevrouw Collins stelt dat zij wegens de tegen haar aanhangige procedure niet in staat was om naar parlementaire vergaderingen te reizen, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 7 van het protocol.

    Uit het arrest in de zaak Mote blijkt evenwel dat artikel 7 van het protocol niet van toepassing is op beperkingen die het gevolg zijn van een gerechtelijke procedure, aangezien deze onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van de artikelen 8 en 9 van het protocol.

    Het verzoek om verdediging van de parlementaire immuniteit op grond van artikel 7 van het protocol is derhalve niet-ontvankelijk.

    (b) Artikel 8 van het Protocol

    Voorts moet gekeken worden naar het in artikel 8 van het protocol neergelegde recht van de leden van het Europees Parlement om niet het voorwerp te zijn van opsporing en om niet te worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening die zij hebben geuit of de stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun ambt.

    Dit deel van het verzoek houdt verband met het feit dat er tegen Jane Collins een rechtsvordering is ingesteld tot schadevergoeding wegens smaad en laster, alsmede een vordering tot oplegging van een verbod op het herhalen van de omstreden verklaringen.

    De schadevordering wegens smaad en laster heeft betrekking op beschuldigingen die Jane Collins heeft geuit in een toespraak die zij hield tijdens een partijbijeenkomst, en die beschikbaar werd gesteld aan de media en het grote publiek (onder meer via een live uitzending op het tv-kanaal BBC Parliament).

    Opgemerkt zij echter dat de parlementaire immuniteit die de leden van het Europees Parlement op grond van artikel 8 van het protocol genieten, uitsluitend geldt voor de meningen die zij in de uitoefening van hun ambt hebben geuit.

    Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie vormt een door een lid van het Europees Parlement buiten de gebouwen van het Europees Parlement afgelegde verklaring slechts een in de uitoefening van zijn parlementair ambt uitgebrachte mening, indien die verklaring een subjectieve beoordeling weergeeft die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van dat ambt[4]; Er is evenwel geen sprake van een rechtstreeks en voor de hand liggend verband tussen de omstreden verklaringen en de uitoefening door mevrouw Collins van haar taken als lid van het Europees Parlement, omdat de verklaringen geen betrekking hebben op haar activiteiten als lid van het Europees Parlement, noch op het beleid van de Europese Unie, en afgelegd werden in de context van het politieke debat op nationaal niveau.

    De verklaringen in kwestie worden derhalve niet door artikel 8 van het protocol bestreken.

    (c) Artikel 9 van het Protocol

    Mevrouw Collins suggereert dat artikel 9 van het protocol in haar geval van toepassing zou kunnen zijn. Leden van het Parlement van het Verenigd Koninkrijk genieten echter geen strafrechtelijke of burgerrechtelijke immuniteit. De Joint Committee on Parliamentary Privilege (Gemengde Commissie inzake parlementaire voorrechten) vatte in 1999 de toepasselijke regels als volgt samen: "Indien tegen een lid vervolging wordt ingesteld, is opheffing van de immuniteit niet nodig. Als een lid gevangen wordt genomen en niet aanwezig kan zijn bij vergaderingen van het Hoger- of Lagerhuis, dient het Hoger-/Lagerhuis hiervan in kennis te worden gesteld. Dit zelfde beginsel is van toepassing binnen de gebouwen waarin het parlement vergadert. Een strafbaar feit dat gepleegd wordt in de gebouwen van het parlement kan voor de rechter worden gebracht. Leden kunnen binnen de gebouwen van het parlement worden gearresteerd."[5]

    Het spreekt voor zich dat artikel 9 van de Bill of Rights niet via artikel 9 van het protocol op mevrouw Collins van toepassing kan zijn, want artikel 9 van de Bill of Rights is functioneel identiek aan artikel 8 van het protocol, met als enig verschil dat het eerste artikel uitsluitend bedoeld is om de leden van het nationaal parlement te beschermen.

    Hieruit volg dat artikel 9 van het protocol niet van toepassing is.

    II. CONCLUSIE

    Gelet op het voorgaande zijn er geen redenen om de immuniteit van mevrouw Collins te verdedigen.

    • [1]  Reeds aangehaald.
    • [2]  Reeds aangehaald, punt 41.
    • [3]  Zie het Handbook on the Incompatibilities and Immunity of Members of the European Parliament van april 2014, gepubliceerd door beleidsondersteunende afdeling C van DG IPOL.
    • [4]  Zie Patriciello, hierboven aangehaald.
    • [5]  Verslag van de Joint Committee on Parliamentary Privilege van 9 april 1999, par. 242, aangehaald in het Handbook on the Incompatibilities and Immunity of Members of the European Parliament van beleidsondersteunende afdeling C van DG IPOL van april 2014.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    12.10.2016

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    16

    3

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Enrico Gasbarra, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Emil Radev, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss, Tadeusz Zwiefka

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Pascal Durand, Heidi Hautala, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Virginie Rozière