Procedure : 2015/2352(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0308/2016

Ingediende teksten :

A8-0308/2016

Debatten :

PV 30/11/2016 - 18
CRE 30/11/2016 - 18

Stemmingen :

PV 01/12/2016 - 6.23
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0478

VERSLAG     
PDF 412kWORD 69k
19.10.2016
PE 582.416v02-00 A8-0308/2016

over aansprakelijkheid, compensatie en financiële zekerheid voor offshore olie- en gasactiviteiten

(2015/2352(INI))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Kostas Chrysogonos

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over aansprakelijkheid, compensatie en financiële zekerheid voor offshore olie- en gasactiviteiten

(2015/2352(INI))

Het Europees Parlement,

  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende aansprakelijkheid, compensatie en financiële zekerheid voor offshore olie- en gasactiviteiten op grond van artikel 39 van Richtlijn 2013/30/EU (COM(2015)0422),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Liability, Compensation and Financial Security for Offshore Accidents in the European Economic Area" bij het verslag van de Commissie over dit onderwerp (SWD(2015)0167),

–  gezien Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (richtlijn offshoreveiligheid)(1),

–  gezien de effectbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van offshore-olie- en -gasprospectie-, -exploratie- en -productieactiviteiten" (SEC(2011)1293).

–  gezien Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht(2),

–  gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (richtlijn milieuaansprakelijkheid)(3),

–  gezien het internationale en regionale acquis inzake vorderingen tot vergoeding van schade naar aanleiding van een ongeval in het kader van offshore olie- of gasactiviteiten, en met name het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (Aansprakelijkheidsverdrag) van 27 november 1992, het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie (Fondsverdrag) van 27 november 1992, het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie (Bunkerolieverdrag) van 23 maart 2011, het Noords milieubeschermingsverdrag tussen Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden, en het offshoreprotocol bij het Verdrag van Barcelona inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee (Offshoreprotocol),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 september 2005(4),

–  gezien artikel 83, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking van Verordening Brussel I)(5),

–  gezien het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (het Verdrag van Lugano van 2007)(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Verordening Rome II)(7),

–  gezien het eindrapport over burgerlijke aansprakelijkheid, financiële zekerheid en vorderingen tot vergoeding van schade in verband met offhore olie- of gasactiviteiten in de Europese Economische Ruimte, opgesteld door het consultancybedrijf Bio by Deloitte voor de Commissie(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over een betere waarborging van de veiligheid van offshore olie- en -gasactiviteiten(9),

–  gezien de ramp op olieplatform Deepwater Horizon die in april 2010 plaatsvond,

–  gezien de incidenten in verband met het Castorplatform voor de kust van de provincies Tarragona en Castellón in Spanje, waaronder 500 aardbevingen, met rechtstreekse gevolgen voor duizenden Europese burgers,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0308/2016),

A.  overwegende dat in artikel 194 VWEU uitdrukkelijk is bepaald dat lidstaten het recht hebben om de voorwaarden voor de exploitatie van hun energiebronnen te bepalen, rekening houdend met de bescherming van het milieu en in een geest van solidariteit;

B.  overwegende dat de eigen olie- en gasbronnen in beduidende mate kunnen voorzien in de huidige energiebehoefte in Europa en van vitaal belang zijn voor de energiezekerheid en -diversiteit;

C.  overwegende dat offshore olie- en gasactiviteiten steeds vaker in extreme omgevingen plaatsvinden, waardoor het gevaar van gebeurtenissen met ernstige en verwoestende gevolgen voor de economie en het milieu in zee en kustgebieden toeneemt;

D.  overwegende dat de productie van olie en gas in de Noordzee de laatste jaren weliswaar is gedaald, maar dat het aantal offshore-installaties in Europa in de toekomst waarschijnlijk zal stijgen, met name in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee;

E.  overwegende dat ongelukken met platforms voor de offshore winning en -exploratie van olie en gas schadelijke grensoverschrijdende gevolgen hebben en dat het daarom noodzakelijk en passend is om EU-maatregelen vast te stellen ter voorkoming en beperking van ongevallen en ter bestrijding van de gevolgen daarvan;

F.  overwegende dat bij de Piper Alpha-ramp voor de kust van het Schotse Aberdeen op 6 juli 1988 167 werknemers van een oliebedrijf op tragische wijze zijn omgekomen;

G.  overwegende dat volgens diverse studies, onder meer een studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement en een studie van het Gemeenschappelijke Centrum voor Onderzoek, in de Europese olie- en gasindustrie duizenden ongevallen hebben plaatsgevonden (tussen 1990 en 2007 naar schatting 9 700 ongevallen); voorts overwegende dat het cumulatieve effect van deze ongevallen aanzienlijk is, ook al waren sommige ervan slechts klein in omvang, en dat de ongevallen ernstige en langdurige gevolgen hebben voor het mariene milieu en dat daarmee rekening moet worden gehouden in de richtlijn;

H.  overwegende dat de EU op grond van artikel 191 VWEU moet streven naar een hoog niveau van milieubescherming en haar beleid moet baseren op onder meer het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat de vervuiler betaalt, en op de beginselen van duurzaamheid;

I.    overwegende dat zich sinds 1988 in de EU geen groot offshoreongeval meer heeft voorgedaan en dat 73 % van de olie- en gasproductie in de EU afkomstig is van lidstaten rond de Noordzee waarvan al is vastgesteld dat zij over de best functionerende offshoreveiligheidssystemen ter wereld beschikken; overwegende dat de EU circa 68 000 kilometer kustlijn heeft en dat het aantal offshore-installaties in de toekomst waarschijnlijk sterk zal toenemen, in het bijzonder in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, en dat het daarom dringend noodzakelijk is Richtlijn 2013/30/EU volledig ten uitvoer te leggen en te handhaven, en een behoorlijk wettelijk kader voor alle offshore-activiteiten te garanderen voordat zich een ernstig ongeluk voordoet; overwegende dat in artikel 191 VWEU wordt bepaald dat het milieubeleid van de Unie moet berusten op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen;

J.  overwegende dat aansprakelijkheidsregelingen het belangrijkste instrument zijn om toepassing te geven aan het beginsel dat de vervuiler betaalt, en ervoor zorgen dat ondernemingen aansprakelijk gesteld kunnen worden voor tijdens de bedrijfsvoering veroorzaakte schade en bovendien gestimuleerd worden om preventieve maatregelen te treffen, werkwijzen te ontwikkelen en acties uit te voeren die de kans op dergelijke schade zo klein mogelijk maken;

K.  overwegende dat de richtlijn offshoreveiligheid weliswaar bepaalt dat voor vergunninghouders een risicoaansprakelijkheid geldt voor het voorkomen en herstellen van milieuschade die wordt veroorzaakt door hun activiteiten (artikel 7 juncto artikel 38, dat de reikwijdte van de richtlijn milieuaansprakelijkheid uitbreidt tot het continentaal plat van de lidstaten), maar niet de mogelijkheid biedt tot invoering van een omvattend EU-kader inzake aansprakelijkheid;

L.  overwegende dat het van het grootste belang is dat er wordt voorzien in doeltreffende en passende compensatiemechanismen en mechanismen voor een snelle en adequate afhandeling van vorderingen wegens schade aan personen, ondernemingen, dieren of het milieu ten gevolge van offshore olie- en gasactiviteiten, en dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor het herstel van belangrijke ecosystemen;

M.  overwegende dat de richtlijn offshoreveiligheid niet voorziet in harmonisatie op het gebied van civiele schade als gevolg van offshoreongevallen en dat het op grond van het huidige internationale rechtskader niet eenvoudig is om grensoverschrijdende vorderingen in te stellen wegens civiele schade;

N.  overwegende dat de richtlijn offshoreveiligheid voorwaarden stelt voor het verlenen van een vergunning, om te voorkomen dat vergunninghouders technisch of financieel niet in staat zijn de gevolgen van hun offshoreactiviteiten het hoofd te bieden, en tevens bepaalt dat de lidstaten procedures moeten vaststellen om te zorgen voor de snelle en adequate afhandeling van compensatievorderingen, onder meer met betrekking tot grensoverschrijdende incidenten, en tevens de gebruikmaking moeten faciliteren van duurzame financiële instrumenten (artikel 4);

1.  is ingenomen met de goedkeuring van de richtlijn offshoreveiligheid (Richtlijn 2013/30/EU), die een aanvulling vormt op de richtlijn milieuaansprakelijkheid (Richtlijn 2004/35/EG) en de richtlijn milieueffectbeoordeling (Richtlijn 2011/92/EU), alsook met de ratificatie van het offshoreprotocol van het Verdrag van Barcelona door de Raad, als een eerste stap ter bescherming van het milieu, menselijke activiteiten en de veiligheid van werknemers; verzoekt de lidstaten die bovengenoemde richtlijnen nog niet in nationale wetgeving hebben omgezet om dit zo snel mogelijk te doen; verzoekt de lidstaten om te zorgen voor de onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten, als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn offshoreveiligheid, en verzoekt de Commissie om na te gaan of het zinvol is om verdere geharmoniseerde regels in te voeren inzake aansprakelijkheid, compensatie en financiële zekerheid, om nieuwe ongelukken met grensoverschrijdende gevolgen te voorkomen;

2.  betreurt dat in Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn 2004/35/EU ongevallen slechts als 'ernstig' worden aangemerkt als er doden of zwaar gewonden te betreuren zijn en dat 'ernstig' nergens duidelijk betrekking heeft op de gevolgen voor het milieu; benadrukt dat ongevallen, ook als er geen doden of zwaargewonden bij vallen, zeer ernstige milieugevolgen kunnen hebben vanwege de omvang ervan of omdat er bijvoorbeeld beschermde gebieden, beschermde soorten of zeer kwetsbare habitats getroffen worden;

3.  is van oordeel dat de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt op offshore olie- en gasactiviteiten niet alleen de kosten moet omvatten in verband met het voorkomen en herstellen van milieuschade, zoals momenteel tot op zekere hoogte het geval is op grond van de richtlijn offshoreveiligheid en de richtlijn milieuaansprakelijkheid, maar ook de kosten in verband met het herstel van traditionele schade, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel en het beginsel van duurzame ontwikkeling; verzoekt de Commissie daarom om na te denken over invoering van een wettelijk compensatiemechanisme voor offshore-ongevallen, naar het voorbeeld van het mechanisme waarin de wet op de oliewinningsactiviteiten in Noorwegen voorziet, ten minste voor sectoren die ernstige schade kunnen ondervinden, zoals de visserij en het kusttoerisme en andere sectoren van de "blauwe economie"; doet in dit verband de aanbeveling wantoestanden of ongevallen ten gevolge van activiteiten door ondernemingen kwantitatief en kwalitatief te evalueren, om alle secundaire effecten voor gemeenschappen in kaart te brengen; wijst voorts met betrekking tot milieuaansprakelijkheid op de verschillen en tekortkomingen in de omzetting en toepassing van de richtlijn milieuaansprakelijkheid, die ook door de Commissie in haar tweede uitvoeringsverslag onder de aandacht worden gebracht; dringt er bij de Commissie op aan om te waarborgen dat de richtlijn milieuaansprakelijkheid op doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gelegd en dat er in de hele EU in passende mate aansprakelijkheid geldt voor milieuschade;

4.  betreurt in dit verband dat de richtlijn offshoreveiligheid geen betrekking heeft op aansprakelijkheid voor civielrechtelijke schade (lichamelijk letsel, schade aan eigendommen en economische schade, direct dan wel indirect) die is berokkend aan natuurlijke of rechtspersonen;

5.  betreurt voorts dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan wat betreft de manier waarop civiele aansprakelijkheid is geregeld; benadrukt dat er in veel lidstaten met offshore olie- en gasactiviteiten geen aansprakelijkheid bestaat voor de meeste compensatievorderingen van derden wegens traditionele schade ten gevolge van een ongeval, dat er in de meeste lidstaten geen regeling bestaat inzake compensatiebetalingen en dat er in veel lidstaten geen zekerheid bestaat dat exploitanten of aansprakelijke personen over voldoende financiële middelen beschikken om compensatievorderingen te honoreren; benadrukt voorts dat het vaak onzeker is hoe er binnen de juridische stelsels van de lidstaten wordt omgegaan met de diversiteit aan civiele vorderingen naar aanleiding van offshore olie- en gasongevallen; is derhalve van oordeel dat er behoefte is aan een Europees kader, dat gebaseerd is op de wetgeving van de lidstaten die op dit gebied het verst gevorderd zijn, dat niet alleen betrekking heeft op civiele aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel en schade aan eigendommen, maar ook op zuivere economische schade, en dat voorziet in doeltreffende compensatiemechanismen voor slachtoffers en voor sectoren die de grootste risico's lopen (bijv. visserij en kusttoerisme); verzoekt in dit kader de Commissie om te onderzoeken of een horizontaal Europees kader inzake collectief verhaal een oplossing zou kunnen zijn, en hieraan bijzondere aandacht te besteden bij de opstelling van het verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn offshoreveiligheid;

6.  benadrukt in dit kader dat vorderingen tot vergoeding of herstel van traditionele schade nog eens extra belemmerd worden door bepalingen van burgerlijke rechtsvordering inzake termijnen, financiële kosten, het ontbreken van de mogelijkheid om een procedure aan te spannen op grond van het openbaar belang of met het oog op de afwikkeling van massaschade, en door bepalingen inzake bewijs, die van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen;

7.  benadrukt dat compensatieregelingen zodanig moeten zijn dat grensoverschrijdende vorderingen doeltreffend, snel, binnen een redelijke termijn en zonder discriminatie van eisers uit verschillende EER-landen kunnen worden afgehandeld; is van oordeel dat deze regelingen zowel de primaire als de secundaire schade in alle getroffen gebieden moeten omvatten, aangezien dergelijke incidenten een groot gebied kunnen beslaan en langdurige gevolgen kunnen hebben; benadrukt dat het belangrijk is dat omliggende landen die geen deel uitmaken van de EER het internationale recht eerbiedigen;

8.  is van mening dat regelgeving moet worden vastgesteld inzake civielrechtelijke risicoaansprakelijkheid voor ongevallen met offshore-installaties om de toegang tot de rechter voor slachtoffers (hetzij rechtspersonen hetzij natuurlijke personen) van deze ongevallen te vergemakkelijken, aangezien dit voor de offshore-exploitant een stimulans kan zijn om het aan de activiteiten verbonden risico naar behoren te beheren; is van mening dat er geen plafonds moeten gelden voor financiële aansprakelijkheid;

9.  verzoekt de lidstaten en de Commissie rekening te houden met de bijzondere situatie van arbeiders en werknemers in de offshore olie- en gasindustrie, en met name met arbeiders en werknemers van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); wijst erop dat offshore olie- en gasongevallen zeer ernstige gevolgen kunnen hebben voor de visserijsector en de toeristische sector, alsmede voor andere sectoren die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van een goede conditie van het mariene milieu, aangezien deze sectoren, waarbinnen veel kmo's actief zijn, bij een groot offshoreongeval enorme economische verliezen kunnen lijden;

10.  benadrukt daarom dat het van het grootste belang is om de bestaande aansprakelijkheidsstelsels in de lidstaten te actualiseren, om ervoor te zorgen dat als zich een ongeval voordoet in de wateren van deze staten en dit ongeval plaatsvindt in een gebied dat zijn inkomsten grotendeels via het toerisme verwerft, dit geen nadelige gevolgen heeft voor de offshore olie- en gasactiviteiten in de staat in kwestie of in de hele EU; verzoekt de Commissie daarom nogmaals na te denken over invoering van gemeenschappelijke EU-normen voor stelsels inzake vorderingen tot herstel of vergoeding van schade.

11.  benadrukt dat het noodzakelijk is om hierbij ook aandacht te besteden aan slachtoffers van bijkomende schade als gevolg van proefboringen, onderzoeken of activiteiten van offshore-installaties en anderen die waarschijnlijk in aanmerking zullen komen voor de voorgestelde compensatie;

12.    neemt ter kennis dat de Commissie voornemens is systematisch gegevens te verzamelen via de EU-Groep van autoriteiten voor offshore olie- en gasactiviteiten (Euoag) om een completere analyse te kunnen maken van de doeltreffendheid en de reikwijdte van nationale aansprakelijkheidsbepalingen;

13.  benadrukt dat de Commissie op gezette tijden moet controleren of de nationale rechtsstelsels en de activiteiten van ondernemingen in overeenstemming zijn met de relevante bepalingen inzake aansprakelijkheid en compensatie van de richtlijn offshoreveiligheid, onder meer in de vorm van verificatie van jaarrekeningen van offshorebedrijven, en maatregelen moet treffen indien er sprake is van schending van deze bepalingen, om ernstige ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen voor de mens en het milieu te beperken; pleit voor instelling van een gemeenschappelijk mechanisme op Europees niveau voor de aanpak van ongevallen en niet-naleving van de relevante bepalingen;

14.  benadrukt dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen het snel en op passende wijze bieden van compensatie aan slachtoffers en het voorkomen dat onrechtmatige vorderingen worden uitbetaald (het zogeheten "floodgates"-probleem), door te waarborgen dat offshoreondernemingen over voldoende zekerheid te beschikken om eventuele financiële aansprakelijkheden te dragen en door langdurige en kostbare procedures bij de rechter te voorkomen;

15.  betreurt dat geen van de lidstaten uitdrukkelijk voorziet in een breed scala van financiëlezekerheidsinstrumenten met betrekking tot compensatie van vorderingen in verband met traditionele schade ten gevolge van offshore olie- en gasongevallen; benadrukt in dit kader dat een te grote afhankelijkheid van verzekeringen kan leiden tot een gesloten markt voor financiëlezekerheidsinstrumenten, met het daarbij behorende gevaar van gebrek aan mededinging en hogere kosten;

16.  betreurt dat er in de EU weinig animo is voor financiëlezekerheidsinstrumenten ter dekking van schade ten gevolge van offshore-ongevallen met zeer grote financiële gevolgen; wijst erop dat een van de redenen daarvoor zou kunnen zijn dat de reikwijdte van de aansprakelijkheid voor schade in bepaalde lidstaten van dien aard is dat dergelijke instrumenten wellicht niet noodzakelijk zijn;

17.  verzoekt de lidstaten gedetailleerde gegevens te verstrekken over de toepassing van financiëlezekerheidsinstrumenten en de adequaatheid van de dekking voor offshore-ongevallen, onder meer voor offshore-ongevallen met zeer grote financiële gevolgen;

18.  is van mening dat alle gevallen van bewezen aansprakelijkheid, alsmede gedetailleerde gegevens over opgelegde sancties openbaar moeten worden gemaakt om de werkelijke kosten van milieuschade voor iedereen zichtbaar te maken;

19.  dringt er bij de Commissie op aan om de lidstaten aan te sporen financiëlezekerheidsinstrumenten te ontwikkelen voor vorderingen tot compensatie van traditionele schade ten gevolge van ongevallen in verband met algemene offshore olie- en gasactiviteiten of offshore olie- en gastransport, waaronder in geval van insolventie; is van oordeel dat daarmee voorkomen kan worden dat de aansprakelijkheid van exploitanten voor vervuiling door een ongeval ertoe leidt dat openbare middelen aangesproken moeten worden, want het is immers de overheid die de kosten van compensatie moet dragen als de regels zo blijven als ze nu zijn; is in dit verband van oordeel dat eveneens nagedacht moet worden over oprichting van een fonds met financiële bijdragen van de offshore-industrie;

20.  is van oordeel dat onderzocht moet worden in hoeverre invoering op EU-niveau van strafrechtelijke aansprakelijkheid zal fungeren als extra afschrikking in aanvulling op civiele sancties, waardoor de milieubescherming en de naleving van veiligheidsvoorschriften bevorderd worden; is daarom ingenomen met de vaststelling door de EU van de richtlijn inzake bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, waarin strafrechtelijke sancties voor bepaalde schendingen van de milieuwetgeving van de EU worden geharmoniseerd; betreurt evenwel dat niet alle activiteiten van de richtlijn offshore-veiligheid onder de werkingssfeer van de richtlijn inzake bescherming van het milieu door middel van het strafrecht vallen; betreurt tevens dat de definities van strafbare feiten en minimumsancties voor schending van de bepalingen inzake offshore-veiligheid in de EU niet geharmoniseerd zijn; verzoekt de Commissie om het toepassingsgebied van de richtlijn inzake bescherming van het milieu door middel van het strafrecht uit te breiden met ernstige olie-ongevallen en bij het Parlement tijdig, en in ieder geval niet na 19 juli 2019, een eerste verslag over de uitvoering van de richtlijn offshore-veiligheid in te dienen;

21.  verzoekt de Commissie de nodige studies uit te voeren om de economische risico's waaraan de afzonderlijke lidstaten en hun kustgebieden blootstaan in kaart te brengen, en hierbij ook in te gaan op de economische sectorale oriëntatie van de verschillende regio's, de mate van concentratie van offshore olie- en gasinstallaties in de verschillende gebieden, de exploitatie-omstandigheden, klimaatfactoren, zoals zeestromingen en wind, en de geldende milieunormen; pleit daarom voor invoering van beschermingsmechanismen en vaststelling van veiligheidsperimeters voor het geval een installatie stopgezet moet worden, en is ingenomen met het feit dat de industrie vier bronafdekkappen heeft gebouwd die het lekken van olie in geval van een ongeluk kunnen verminderen;

22.  dringt aan op een op maat gesneden Arctische milieueffectbeoordeling voor alle activiteiten in het Arctisch gebied, waar de ecosystemen bijzonder fragiel zijn en nauw verband houden met de wereldwijde biosfeer;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om na te denken over de mogelijkheid om nadere maatregelen te nemen ter beveiliging van offshore olie- en gasactiviteiten, voordat er zich een ernstig ongeluk voordoet;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit kader om na te blijven denken over de mogelijkheid om tot een internationale oplossing te komen, gezien het feit dat veel olie- en gasbedrijven die actief zijn in de EU ook in de rest van de wereld opereren en een mondiale oplossing, waarbij de controles op winningsbedrijven buiten de EU versterkt worden, zou zorgen voor een mondiaal gelijk speelveld; dringt er bij de lidstaten op aan de klimaatovereenkomst van Parijs van december 2015 snel te ratificeren.

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66.

(2)

PB L 328 van 19.11.2008, blz. 28.

(3)

PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(4)

Zaak C-176/03, Commissie/Raad, ECLI:EU:C:2005:542.

(5)

PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1.

(6)

PB L 339 van 21.12.2007, blz. 3.

(7)

PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.

(8)

BIO by Deloitte (2014), Civil liability, financial security and compensation claims for offshore oil and gas activities in the European Economic Area, Eindrapport opgesteld voor de Europese Commissie – DG Energie.

(9)

PB C 51E van 22.2.2013, blz. 43.


TOELICHTING

Achtergrond

Offhore olie- en gasactiviteiten vinden tegenwoordig plaats op veel grotere afstand van het vasteland en vaak in veel dieper water dan vroeger. Soms worden deze activiteiten uitgevoerd in onherbergzame gebieden, bijvoorbeeld poolgebieden, of in gebieden die voor hun inkomsten grotendeels afhankelijk zijn van het toerisme, zoals het Middellandse-Zeegebied en het gebied rond de Egeïsche Zee. Meer dan 90% van alle olie en meer dan 60% van alle gas geproduceerd in Europa (in de EU en Noorwegen/IJsland) is afkomstig van offshoreactiviteiten. Offshoreactiviteiten (exploratie en exploitatie) vinden plaats of zijn gepland in de territoriale wateren van 18 lidstaten.

Na de explosie op Deepwater Horizon op 20 april 2010 en de olielekkage die daarvan het gevolg was, is de richtlijn offshoreveiligheid aangenomen, die ten doel had minimumvereisten vast te stellen ter voorkoming van grote ongevallen in offshore olie- en gasactiviteiten in de EU en het tot een minimum beperken van de gevolgen van dergelijke ongevallen. De lidstaten hadden tot 19 juli 2015 de tijd om hun nationale rechtskaders inzake offshore olie- en gasactiviteiten in overeenstemming te brengen met de richtlijn offshoreveiligheid. Aangezien deze termijn ruimschoots is verstreken, moeten de basiselementen van een omvattend EU-breed kader ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen van een dergelijk ongeval nu zijn vastgesteld.

Artikel 7 van de richtlijn offshoreveiligheid, gelezen in samenhang met artikel 38, bepaalt dat voor offshorevergunninghouders een risicoaansprakelijkheid geldt voor de voorkoming en het herstel van milieuschade die wordt veroorzaakt door hun activiteiten. Het is aan de nationale overheidsinstanties die belast zijn met milieubescherming om ervoor te zorgen dat wordt vastgesteld welke exploitant aansprakelijk is, dat het oorzakelijk verband wordt aangetoond, het herstelplan wordt opgezet en goedgekeurd, de noodzakelijke preventieve of herstelmaatregelen worden getroffen, enzovoort. Artikel 4 van de richtlijn offshoreveiligheid stelt eisen aan vergunningverlening om te voorkomen dat vergunninghouders technisch of financieel niet in staat zijn om de gevolgen van hun offshoreactiviteiten het hoofd te bieden. Daarnaast zijn de lidstaten op grond van dit artikel verplicht om procedures vast te stellen om te zorgen voor de snelle en adequate afhandeling van compensatievorderingen, onder meer met betrekking tot compensatiebetalingen voor grensoverschrijdende incidenten, en zijn zij verplicht om de gebruikmaking van duurzame financiële instrumenten te faciliteren.

Burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid

De richtlijn heeft evenwel geen betrekking op aansprakelijkheid voor civielrechtelijke schade (lichamelijk letsel, schade aan eigendommen of economische schade - gevolgschade of zuivere vermogensschade) die is berokkend aan natuurlijke of rechtspersonen. Evenmin omvat de richtlijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor offshoreongevallen, mogelijke sancties en andere niet-vrijheidsberovende maatregelen. Inbreuken op de offshoreveiligheid vallen in veel landen(1) onder het strafrecht, maar de definitie van strafrechtelijke delicten, het soort sancties en de strafmaat zijn in de EU niet geharmoniseerd. Invoering op EU-niveau van strafrechtelijke aansprakelijkheid kan fungeren als extra afschrikking in aanvulling op civiele sancties, en kan de milieubescherming en de naleving van veiligheidsvoorschriften bevorderen. Dit is in overeenstemming met het EU-recht voor zover het gaat om de vaststelling van strafrechtelijke maatregelen bedoeld om de doeltreffende tenuitvoerlegging van het milieubeleid van de EU te waarborgen(2). Daarnaast kunnen op grond van artikel 83, lid 2, VWEU minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en sancties, indien dat nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van het beleid van de Unie op een bepaald gebied. Dit houdt in dat, om inbreuken op de richtlijn offshoreveiligheid aan te merken als strafbare feiten, een noodzakelijkheids- en evenredigheidstoets moet plaatsvinden.

Civielrechtelijke aansprakelijkheid kan opgedeeld worden in drie categorieën: lichamelijk letsel, schade aan eigendommen en economische schade. Volgens het eindrapport over burgerlijke aansprakelijkheid, financiële zekerheid en vorderingen tot vergoeding van schade in verband met offshore olie- en gasactiviteiten in de Europese Economische Ruimte dat door Bio by Deloitte is opgesteld voor de Commissie, bestaat in alle onderzochte staten de mogelijkheid een vordering in te stellen wegens lichamelijk letsel en schade aan eigendommen ten gevolge van offshoreongevallen. Binnen de EER is deze aansprakelijkheid in bijna alle gevallen niet aan maxima gebonden.(3) De lidstaten kennen echter zeer verschillende regels voor civielrechtelijke aansprakelijkheid voor dergelijke ongevallen. De civielrechtelijke aansprakelijkheid voor offshoreongevallen beperkt zich in de meeste onderzochte staten tot gevallen waarin nalatigheid wettig bewezen kan worden en aan bepaalde vereisten inzake rechtstreeks verband tussen het ongeval en de geleden economische schade is voldaan. Daarnaast geldt er soms een regelrecht verbod op betaling van compensatie voor economische schade als er geen sprake is van lichamelijk letsel of schade aan eigendommen (uitsluitingsregels).

De beroepsvisserij en personen die actief zijn op het gebied van de aqua-/maricultuur kunnen zuivere economische schade lijden ten gevolge van lekkage van olie of chemicaliën van offshore olie- en gasactiviteiten of onjuist gebruik van dispergeermiddelen als zij hun commerciële activiteiten niet kunnen voortzetten wegens een visverbod of een verbod op het verkopen van vis en schaal- of schelpdieren, of het krimpen of verlies van markten. Bedrijven in de toeristische sector kunnen ook zuivere economische schade lijden als zij minder inkomsten verwerven doordat er wegens olie of chemicaliën die zijn aangespoeld op het strand minder of geen klanten komen. Diverse ondernemingen in de toeristische sector kunnen hiervan het slachtoffer worden, van hotels, restaurants en cruiseschepen tot cafés en souvenirwinkels. Ook andere industrieën die in kuststreken opereren kunnen getroffen worden, zoals energiecentrales en ontziltingsinstallaties die voor hun productie grote hoeveelheden zeewater nodig hebben en te maken kunnen krijgen met storingen als er met olie vervuild zeewater in de machines terechtkomt.

Het enige land in de EER dat wetgeving kent inzake aansprakelijkheid voor en vergoeding van schade die door de visserijsector wordt geleden als gevolg van vervuiling door een ongeval in verband met offshore olie- en gasactiviteiten is Noorwegen. Denemarken kent risicoaansprakelijkheid voor lichamelijk letsel, schade aan eigendommen en economische schade ten gevolge van de exploratie en productie van koolwaterstoffen. Griekenland en Cyprus kennen, naast hun algemene wetgeving over de onrechtmatige daad, ook een modelproductiedelingscontract, respectievelijk een ontwerp van modelleaseovereenkomst, waarin vergunninghouders/exploitanten aansprakelijk lijken te worden gesteld voor zuivere economische schade. Doordat er in contractuele overeenkomsten verplichtingen zijn opgenomen met betrekking tot de schadeloosstelling van personen die schade hebben geleden als gevolg van offshore olie- en gasactiviteiten heeft evenwel alleen de staat het recht om van de vergunninghouder/exploitant te verlangen dat deze aan zijn verplichtingen uit hoofde van het contract voldoet. Eisers moeten de staat er dus toe zien te bewegen namens hen op te treden.

Verordening Brussel I en Verordening Brussel II zorgen ervoor dat de belangen van eisers bij ongevallen die hun oorsprong hebben in rechtsgebieden waar de regels inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid minder streng zijn dan in hun eigen rechtsgebied beter beschermd worden. Desondanks is het nodig om verder onderzoek te doen naar de vraag in hoeverre de huidige situatie uit het oogpunt van toegang tot de rechter en met het oog op een gelijk speelveld voor ondernemingen bevredigend is. Indien er een ongeval zou plaatsvinden waarbij olie, gas of andere gevaarlijke stoffen zouden vrijkomen, zouden de verschillen tussen de diverse aansprakelijkheidsregelingen kunnen leiden tot forumshoppen.

De rapporteur is daarom van mening dat het van het grootste belang is om de bestaande regels inzake aansprakelijkheid in de lidstaten te actualiseren, om ervoor te zorgen dat als zich een ongeval voordoet in de wateren van deze staten en dit ongeval plaatsvindt in een gebied dat zijn inkomsten grotendeels via het toerisme verwerft, dit geen nadelige gevolgen heeft voor de offshore olie- en gasactiviteiten in de betreffende staat of in de hele EU. Gezien de economische recessie en het verband tussen de bevordering van offshore olie- en gasactiviteiten als middel om de begrotingstekorten van staten te verkleinen, is het ontbreken van een doeltreffend stelsel inzake aansprakelijkheid en financiële zekerheid ter dekking van vorderingen een groot risico voor deze staten.

Financiële zekerheid

Overeenkomstig overweging 63 van de richtlijn offshoreveiligheid moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport indienen over "passende maatregelen om een voldoende strikt aansprakelijkheidsstelsel voor schade door offshore olie- en gasactiviteiten te waarborgen, met daarbij ook eisen betreffende de financiële draagkracht, met inbegrip van de beschikbaarheid van passende financiëlezekerheidsinstrumenten of andere maatregelen. Dit kan een toetsing van de haalbaarheid van een regeling voor wederzijdse compensatie omvatten."

Op dit moment stellen de meeste lidstaten slechts één mechanisme voor compensatie verplicht, te weten verzekering. Dit staat in schril contrast met de veelheid aan mechanismen waaruit een vergunninghouder voor offshore olie- en gasactiviteiten kan kiezen om aan de verplichtingen van een vergunning of contractuele overeenkomst te voldoen, zoals bankgaranties, uitvoeringsgaranties, verzekering en in voorkomend geval, garantstelling door de moedermaatschappij. Ten slotte is het niet duidelijk of de verzekeringspolissen die door de bevoegde autoriteiten in de staten worden geaccepteerd ook dekking bieden voor zuiver economische schade - het is voor een vergunninghouder voor offshore olie- en gasactiviteiten wellicht niet zo zinvol te zorgen voor financiële zekerheid ter dekking van aansprakelijkheid die in het rechtsgebied waar hij activiteiten ontplooit helemaal niet bestaat.

De rapporteur is dus van mening dat er met betrekking tot de vereisten inzake verplichte financiële zekerheid gestreefd moet worden naar een evenwichtige oplossing, zodat oliemaatschappijen hun offshore olie- en gasactiviteiten niet hoeven te staken. Dit moet zo geschieden dat de doeltreffendheid van het beginsel dat de vervuiler betaalt niet in het gedrang komt doordat de minimumbedragen die gelden voor financiële zekerheid te laag worden vastgesteld of doordat het hebben van een verzekering als enige vorm van financiële zekerheid voldoende wordt geacht.

Conclusie

De doeltreffendheid van de regelingen van de staten inzake aansprakelijkheid voor traditionele schade veroorzaakt door vervuiling door offshore olie- en gasactiviteiten, de regels voor de afhandeling van compensatievorderingen, de beschikbaarheid van financiëlezekerheidsinstrumenten en de vereisten inzake financiële zekerheid hangen nauw samen. De overgrote meerderheid van de vorderingen tot vergoeding van traditionele schade ten gevolge van vervuiling door een ongeval in het kader van offshore olie- en gasactiviteiten betreft zuivere economische schade. Als de regels inzake aansprakelijkheid in een lidstaat deze vorm van schade niet erkennen of gekenmerkt worden door een terughoudende aanpak ten aanzien van vorderingen betreffende zuiver economische schade, doet het er niet toe of er een doeltreffende regeling bestaat voor de afhandeling van compensatievorderingen, dan wel of dergelijke vorderingen gedekt worden door financiëlezekerheidsinstrumenten.

Gezien de in de lidstaten bestaande aansprakelijkheidsregelingen is het ten zeerste de vraag of de meerderheid van de civielrechtelijke vorderingen in verband met ongevallen die leiden tot omvangrijke schade door vervuiling op grond van de huidige wetgevings- of niet-wetgevingshandelingen, maatregelen ad-hoc of rechtsstelsels in deze staten wordt toegewezen. In veel lidstaten, met uitzondering van Frankrijk, Nederland en Denemarken, is het onwaarschijnlijk dat eisers schadeloosstelling verkrijgen en dit geldt met name voor ondernemingen die indirecte schade lijden, zoals veerbootondernemingen, visverwerkingsbedrijven, enz. Er zijn in de EU dergelijke vorderingen ingesteld, met name met betrekking tot olielekkage van vaartuigen en in het kader van het internationale stelsel dat is ingesteld door het aansprakelijkheidsverdrag en het fondsverdrag, op grond waarvan gederfde inkomsten, mits rechtstreeks, gedekt zijn. Dergelijke verdragen zijn er echter niet voor compensatie van schade in verband met offshore olie- en gasactiviteiten, en bovengenoemde verdragen zijn zeer waarschijnlijk niet van toepassing op ongevallen in het kader van offshore olie- en gasactiviteiten, omdat offshore olie- en gasinstallaties zeer waarschijnlijk niet als schepen in de zin van deze verdragen aangemerkt worden.

De rapporteur is dus van mening dat de Commissie nauw met de lidstaten moet samenwerken en ervoor moet zorgen dat de compensatieregelingen en financiëlezekerheidsinstrumenten voor offshore olie- en gasactiviteiten in de EU versterkt worden. In dit kader verzoekt de rapporteur de Commissie met name i) te voorzien in compensatie in geval van schuldvorderingen van derden wegens traditionele schade ten gevolge van een ongeval in het kader van offshore olie- en gasactiviteiten, ii) een doeltreffende regeling in het leven te roepen voor de afhandeling van betalingen ter zake, en iii) erop toe te zien dat exploitanten en andere aansprakelijke partijen over voldoende financiële middelen beschikken om compensatievorderingen te honoreren.

(1)

Zoals Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen.

(2)

Zaak C-176/03, Commissie/Raad, arrest van 13 september 2005.

(3)

In Duitsland kan een aansprakelijkheidslimiet worden vastgesteld voor vorderingen wegens een onrechtmatige daad waarvoor risicoaansprakelijkheid geldt.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (12.7.2016)

aan de Commissie juridische zaken

inzake aansprakelijkheid, vergoeding en financiële zekerheid voor offshore- en gasontginning

(2015/2352(INI))

Rapporteur voor advies: Nikos Androulakis

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie juridische zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  brengt de milieuschade als gevolg van het ongeval van de Deepwater Horizon in herinnering; wijst ook op de circa 500 aardbevingen die het Castor-project in 2013 veroorzaakte langs de kust van Tarragona en Castelló en die rechtstreekse gevolgen hadden voor duizenden Europese burgers;

2.  herinnert aan de tragische dood van 167 werknemers van een oliebedrijf die op 6 juli 1988 omkwamen bij de Piper Alpha-ramp voor de kust van het Schotse Aberdeen;

3.  merkt op dat zich sinds 1988 in de EU geen groot offshoreongeval meer voorgedaan en 73 % van de olie- en gasproductie in de EU is afkomstig van lidstaten rond de Noordzee waarvan al is vastgesteld dat zij over de best functionerende offshoreveiligheidssystemen ter wereld beschikken; onderstreept dat de Europese Unie circa 68 000 kilometer kust heeft en dat het aantal offshore-installaties in de toekomst waarschijnlijk sterk zal toenemen, in het bijzonder in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, en dat het daarom dringend noodzakelijk is Richtlijn 2013/30/EU volledig ten uitvoer te leggen en te handhaven, en een behoorlijk wettelijk kader voor alle offshore-activiteiten te garanderen voordat zich een ernstig ongeluk voordoet; herinnert eraan dat in artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat het Europese milieubeleid gebaseerd moet zijn op het voorzorgs- en preventiebeginsel;

4.  betreurt dat in Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn 2004/35/EU ongevallen slechts als 'ernstig' worden aangemerkt als er doden of zwaar gewonden te betreuren zijn en dat 'ernstig' nergens duidelijk betrekking heeft op de gevolgen voor het milieu; benadrukt dat een ongeval, ook als er geen doden of zwaar gewonden bij vallen, zeer ernstige milieugevolgen kan hebben vanwege de omvang ervan of wanneer er bijvoorbeeld beschermde gebieden of soorten of bijzondere kwetsbare habitats getroffen worden;

5.  wijst erop dat in verschillende studies, zoals één van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement en één van het Gemeenschappelijke Centrum voor Onderzoek, berekend wordt dat er tussen 1990 en 2007 in de Europese Unie 9 700 ongevallen in de sector olie en gas hebben plaatsgevonden: benadrukt dat al deze ongevallen, ook al waren zij klein van omvang, samen belangrijke en langdurige gevolgen hebben voor het mariene milieu en dat daarmee rekening moet worden gehouden in de richtlijn;

6.  is ingenomen met de goedkeuring van de richtlijn offshoreveiligheid (Richtlijn 2013/30/EU), die een aanvulling vormt op de richtlijn milieuaansprakelijkheid (Richtlijn 2004/35/EG) en de richtlijn milieueffectbeoordeling (Richtlijn 2011/92/EU), alsook met de ratificatie van het offshoreprotocol van het Verdrag van Barcelona door de Raad als een eerste stap ter bescherming van het milieu en de gezondheid en veiligheid van werknemers; herinnert eraan dat de uiterste termijn voor omzetting van de richtlijn 19 juli 2015 was; merkt op dat de meeste lidstaten de desbetreffende bepalingen ervan nog niet hebben geïmplementeerd; verzoekt de Commissie te zorgen voor goed toezicht op de tenuitvoerlegging ervan om te kunnen beoordelen of er verdere geharmoniseerde regelgeving inzake aansprakelijkheid, compensatie en financiële zekerheid moet worden ingevoerd om zo spoedig mogelijk de conformiteit met de richtlijn offshoreveiligheid te verbeteren, zodat eventuele ongelukken in de toekomst effectief vermeden kunnen worden;

7.  onderstreept nogmaals dat elke offshoreactiviteit gepaard moet gaan met de uitvoering en openbaarmaking van een risicobeoordeling en een milieueffectbeoordeling, overeenkomstig andere EU-wetgeving en beleidsterreinen zoals biodiversiteit, klimaatverandering, duurzaam landgebruik, bescherming van het mariene milieu, en kwetsbaarheid en bestendigheid tegen ongevallen en natuurrampen, en dat personeel adequaat moet worden opgeleid voordat er vergunningen worden afgegeven voor dit soort activiteiten; verzoekt het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid de Commissie en de lidstaten te assisteren bij het opstellen van rampenplannen; acht het verheugend dat de industrie vier bronafdekkappen (well capping stacks) heeft gebouwd, die het lekken van olie in geval van ongevallen kunnen verminderen;

8.  verzoekt om een op maat gesneden Arctische milieueffectbeoordeling voor alle activiteiten in het Arctisch gebied, waar de ecosystemen bijzonder fragiel zijn en verband houden met de wereldwijde biosfeer;

9.  onderstreept dat moet worden gezorgd voor snelle en effectieve actie voor verbetering, waaronder passende vergoeding voor alle slachtoffers van milieuschade als gevolg van grote offshore-ongevallen, overeenkomstig het "de vervuiler betaalt"-beginsel;

10.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat offshore-activiteiten voortdurend onder deskundig toezicht van de lidstaten staan om te waarborgen dat er doeltreffende controles worden verricht om ernstige ongevallen te voorkomen en om de gevolgen van ongevallen voor de mens en het milieu te beperken;

11.  merkt op dat de richtlijn offshoreveiligheid weliswaar enkele specifieke bepalingen inzake aansprakelijkheid en vergoedingsgerelateerde kwesties bevat, maar dat deze richtlijn geen omvattend EU-kader voor aansprakelijkheid biedt; benadrukt dat moet worden gezorgd voor gelijke toegang tot de rechter en schadevergoeding bij ongevallen met grensoverschrijdende gevolgen, waarbij rekening gehouden moet worden met het feit dat sommige lidstaten krachtens artikel 41, leden 3 en 5, van de richtlijn offshoreveiligheid gedeeltelijk vrijgesteld zijn;

12.  betreurt het dat regelgeving inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met inbreuken op de offshoreveiligheid in de EU niet geharmoniseerd is; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om inbreuken op de richtlijn offshoreveiligheid onder de werkingssfeer van de richtlijn milieudelicten (Richtlijn 2008/99/EG) te laten vallen, aangezien dit een extra afschrikkingsmiddel zou zijn;

13.  neemt ter kennis dat de Commissie voornemens is systematisch gegevens te gaan verzamelen via de EU-Groep van autoriteiten voor offshore olie- en gasactiviteiten (Euoag) om een completere analyse te kunnen maken van de doeltreffendheid en de reikwijdte van nationale aansprakelijkheidsbepalingen;

14.  betreurt het feit dat de aansprakelijkheid voor schade en economisch verlies, een essentieel instrument om effectieve offshoreveiligheid in de Unie te waarborgen, per lidstaat zo'n verschillende reikwijdte heeft; verzoekt de Commissie te beoordelen of de aansprakelijkheid op Unieniveau geharmoniseerd moet worden in het licht van de grensoverschrijdende aard van deze activiteiten;

15.  is van mening dat regelgeving moet worden vastgesteld inzake civielrechtelijke risicoaansprakelijkheid voor ongevallen met offshore-installaties om de toegang tot de rechter voor slachtoffers (hetzij rechtspersonen hetzij natuurlijke personen) van deze ongevallen te vergemakkelijken, aangezien dit voor de offshore-exploitant een stimulans kan zijn om het aan de activiteiten verbonden risico naar behoren te beheren; is van mening dat financiële aansprakelijkheidsplafonds moeten worden vermeden;

16.  is van mening dat alle gevallen van bewezen aansprakelijkheid en de gegevens over opgelegde sancties openbaar moeten worden gemaakt om de werkelijke kosten van milieuschade voor iedereen zichtbaar te maken;

17.  verzoekt de lidstaten gedetailleerde gegevens te verstrekken over de toepassing van financiëlezekerheidsinstrumenten en adequate dekking voor offshore-ongevallen, met inbegrip van de meest kostbare;

18.  betreurt het feit dat er weinig animo is voor financiëlezekerheidsinstrumenten in de EU die de schade als gevolg van de kostbaarste offshore-ongevallen dekken; wijst erop dat een van de redenen daarvoor zou kunnen zijn dat de reikwijdte van de aansprakelijkheid voor schade in bepaalde lidstaten van dien aard is dat dergelijke instrumenten wellicht niet noodzakelijk zijn;

19.  merkt op dat wettelijke vereisten voor specifieke niveaus van dekking in vele lidstaten ontbreken; benadrukt dat het weliswaar onproductief kan zijn om specifieke bedragen op EU-basis vast te stellen, maar dat een voor de hele EU geldende methode noodzakelijk is voor de berekening van de bedragen die de nationale autoriteiten moeten eisen, die rekening houdt met de specifieke kenmerken van de activiteiten en de plaatselijke exploitatie-omstandigheden, zodat voldoende dekking geboden wordt voor ongevallen met grensoverschrijdende gevolgen;

20.  onderkent weliswaar dat er ten aanzien van financiëlezekerheidsinstrumenten voldoende flexibiliteit moet worden betracht, maar onderstreept dat er meer geharmoniseerde regels moeten komen inzake de wijze waarop moet worden geverifieerd dat de vorm en de hoogte van de geboden financiële zekerheid zouden volstaan om de potentiële schade te dekken, en dat ervoor moet worden gezorgd dat de financiëlezekerheidsverstrekkers kunnen voldoen aan de vraag naar verzekeringen, waarbij gebruikmaking van dergelijke instrumenten op evenredige wijze wordt aangemoedigd; verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen die vooral onmisbaar zijn vanwege de grensoverschrijdende aard van dit soort ongevallen;

21.  wijst erop dat er verschillende financiëlezekerheidsproducten kunnen worden gebruikt om de risico's van de kostbaarste en minst frequente offshore-ongevallen af te dekken; verzoekt de lidstaten meer soorten financiëlezekerheidsmechanismen te accepteren voor het afgeven van een vergunning voor en het verrichten van offshore-activiteiten en er daarbij voor te zorgen dat het dekkingsniveau gelijkwaardig is;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in overweging te nemen of een wettelijk compensatiemechanisme voor offshore-ongevallen kan worden opgezet, in de trant van het mechanisme waarin de wet op de oliewinningsactiviteiten in Noorwegen voorziet, althans voor sectoren die sterk getroffen kunnen worden door ongevallen, zoals de visserij en het kusttoerisme en andere sectoren van de "blauwe economie".

23.  verzoekt de Commissie om, als er een inbreukprocedure wordt ingeleid tegen een lidstaat, voor de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van het Europees Parlement te verschijnen om uit te leggen om welke reden dat gebeurt en welke corrigerende maatregelen ten aanzien van de betrokken lidstaat moeten worden genomen;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.7.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

58

7

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Cristian-Silviu Buşoi, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Alberto Cirio, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Dubravka Šuica, Tibor Szanyi, Nils Torvalds, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nikos Androulakis, Paul Brannen, Nicola Caputo, Martin Häusling, Merja Kyllönen, Christel Schaldemose, Keith Taylor

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jiří Maštálka, Maurice Ponga


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Max Andersson, Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Rosa Estaràs Ferragut, Enrico Gasbarra, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Julia Reda, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, József Szájer, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Sergio Gaetano Cofferati, Pascal Durand, Evelyne Gebhardt, Constance Le Grip, Virginie Rozière

Juridische mededeling - Privacybeleid