Procedure : 2016/2094(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0020/2017

Ingediende teksten :

A8-0020/2017

Debatten :

PV 13/02/2017 - 12
CRE 13/02/2017 - 12

Stemmingen :

PV 14/02/2017 - 8.8
CRE 14/02/2017 - 8.8

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0026

VERSLAG     
PDF 354kWORD 74k
1.2.2017
PE 594.010v02-00 A8-0020/2017

over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling

(2016/2094(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Bogdan Brunon Wenta, Norbert Neuser

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling

(2016/2094(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Europese consensus over ontwikkeling van december 2005(1),

–  gezien het Partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking(2) en het gemeenschappelijk standpunt van de EU voor de tweede bijeenkomst op hoog niveau van het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) gehouden in Nairobi (van 28 november tot 1 december 2016)(3),

–  gezien het slotdocument van het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp van december 2011, dat het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) heeft opgestart,

–  gezien de Agenda 2030, getiteld "Onze wereld transformeren: de 2030-Agenda voor duurzame ontwikkeling", die op 25 september 2015 werd goedgekeurd op de VN-wereldtop inzake duurzame ontwikkeling te New York(4),

–  gezien de Addis Abeba-actieagenda voor financiering van ontwikkeling(5),

–  gezien de Verklaring van Dili van 10 april 2010 over vredesopbouw en staatsopbouw, en gezien de "Nieuwe Aanpak voor de inzet in fragiele staten" die op 30 november 2011 is gelanceerd(6),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs (COP21), aangenomen op 12 december 2015 in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie, getiteld "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering" (COM(2011)0637),

–  gezien de wereldtop over humanitaire hulp van 23 en 24 mei 2016 in Istanbul en de toezeggingen tot actie die daar zijn gedaan(8),

–  gezien de Nieuwe Stedenagenda die is goedgekeurd tijdens de VN-conferentie over huisvesting en duurzame urbanisatie (Habitat III) die van 17 tot 20 oktober 2016 plaatsvond in Quito, Ecuador(9),

–  gezien het voortgangsverslag 2014 van de OESO/UNDP, getiteld "Making Development Co-operation More Effective"(10),

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over ontwikkelingssamenwerking waarin staat dat "het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten elkaar completeren en versterken" en waarin het terugdringen en uitbannen van armoede als het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de Unie wordt aangeduid(11),

–  gezien de conclusies van de Raad van oktober 2012 getiteld "Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen",

–  gezien de EU-Gedragscode over complementariteit en arbeidsverdeling in het ontwikkelingsbeleid(12),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 mei 2014 over een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkelingssamenwerking, die alle mensenrechten omvat(13),

–  gezien de mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid die in juni 2016 is gepubliceerd(14),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Convention on the Rights of Persons with Disabilities, CRPD), dat door de EU in 2011 werd ondertekend en geratificeerd en gezien de slotopmerkingen van de VN inzake de uitvoering van het CRPD,

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid"(COM(2015)0497),

–  gezien het Genderactieplan 2016-2020 van de EU en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019),

–  gezien zijn vorige resoluties, met name die van 17 november 2005 over het voorstel voor een gezamenlijke verklaring van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie "De Europese consensus"(15), van 5 juli 2011 over het trefzekerder maken van het EU-ontwikkelingsbeleid(16), van 11 december 2013 over de EU-donorcoördinatie met betrekking tot ontwikkelingshulp(17), van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(18), van 19 mei 2015 over financiële middelen voor ontwikkeling(19), van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als problemen voor goed bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(20), van 14 april 2016 over de particuliere sector en ontwikkeling(21), van 12 mei 2016 over de follow-up en stand van zaken van de Agenda 2030(22), van 7 juni 2016 over het EU-verslag 2015 over beleidscoherentie voor ontwikkeling(23) en van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(24),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument over gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen 2016-2020 (SWD(2015)0182) en de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 waarin het desbetreffende genderactieplan 2016-2020 is aangenomen,

–  gezien het nieuwe kader voor gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(25),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de daarin opgenomen vier fundamentele beginselen van non-discriminatie (artikel 2), voorrang voor het belang van het kind (artikel 3), het recht op leven, ontwikkeling en bescherming (artikel 6) en medezeggenschap (artikel 12),

–  gezien de lopende resoluties over de aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: rol van het extern EU-optreden, en over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0020/2017),

A.  overwegende dat een herziening van de Europese consensus over ontwikkeling momenteel aan de orde is en noodzakelijk is door het gewijzigde externe kader – onder meer het aannemen van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de Overeenkomst van Parijs (COP21) inzake klimaatverandering, het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering, de Addis Abeba-actieagenda voor financiering van ontwikkeling en het mondiale partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking, nieuwe of toenemende uitdagingen zoals klimaatverandering, de migratiecontext, diversere ontwikkelingslanden met diverse en specifieke ontwikkelingsbehoeften, donoren die een grotere rol spelen en nieuwe actoren op wereldniveau, beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld en interne veranderingen in de EU, zoals de gevolgen van het Verdrag van Lissabon, de agenda voor verandering en de mondiale strategie van de Europese Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid;

B.  overwegende dat de universele Agenda 2030 en de gerelateerde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling ernaar streven duurzame ontwikkeling tot stand te brengen binnen de planetaire grenzen, door partnerschappen te sluiten waarin mensen centraal staan, mensen te voorzien van vitale hulpbronnen zoals voedsel, water en sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg, energie, onderwijs en werkgelegenheid, en door de bevordering van vrede, rechtvaardigheid en welvaart voor iedereen; overwegende dat maatregelen moeten worden getroffen die stroken met de beginselen dat landen zelf hun ontwikkelingsprioriteiten mogen bepalen, dat ontwikkelingspartnerschappen inclusief moeten zijn en dat de maatregelen resultaatgericht, transparant en controleerbaar moeten zijn; overwegende dat een op rechten gebaseerde aanpak een eerste voorwaarde is voor duurzame ontwikkeling, in overeenstemming met VN-resolutie 41/128, waarin het recht op ontwikkeling als een onvervreemdbaar mensenrecht wordt gedefinieerd;

C.  overwegende dat artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vaststelt dat "het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten [elkaar] completeren en versterken";

D.  overwegende dat de klimaatverandering een verschijnsel is dat dringend moet worden aangepakt, aangezien het de arme en meest kwetsbare landen in grotere mate treft;

E.  overwegende dat driekwart van de arme wereldbevolking in middeninkomenslanden leeft; overwegende dat middeninkomenslanden geen homogene groep vormen, maar zeer uiteenlopende behoeften hebben en met zeer verschillende problemen kampen en dat de ontwikkelingssamenwerking van de EU daarom voldoende gedifferentieerd moet zijn;

F.  overwegende dat de EU volgens de op het Verdrag gebaseerde beleidscoherentie voor ontwikkeling rekening moet houden met doelstellingen inzake ontwikkelingssamenwerking wanneer zij optreedt op andere beleidsterreinen die mogelijk van invloed zijn op de ontwikkelingslanden; overwegende dat nauw met elkaar samenhangende beleidsterreinen zoals handel, veiligheid, migratie, humanitaire hulp en ontwikkeling daarom dusdanig moeten worden geformuleerd en uitgevoerd dat zij elkaar wederzijds versterken;

G.  overwegende dat migratie een steeds urgenter vraagstuk wordt, aangezien meer dan 65 miljoen mensen ter wereld gedwongen ontheemd zijn; overwegende dat de meeste vluchtelingen in ontwikkelingslanden verblijven; overwegende dat instabiliteit en oorlog, schending van de mensenrechten, diepe armoede, en een gebrek aan vooruitzichten enkele van de belangrijkste redenen zijn waarom mensen op de vlucht slaan; overwegende dat de voorbije jaren miljoenen mensen naar de EU zijn gemigreerd of gevlucht;

H.  overwegende dat recente voorstellen van de Europese Commissie kunnen worden beschouwd als een heroriëntering van haar ontwikkelingsbeleid onder het prisma van het migratiebeheer om de EU-prioriteiten, die vaak op de korte termijn zijn, te verwezenlijken; overwegende dat er geen voorwaarden mogen zijn tussen ontwikkelingshulp en de samenwerking van begunstigde derde landen inzake migratievraagstukken; overwegende dat fondsen, zoals het EU-noodtrustfonds voor Afrika en het Europees plan voor externe investeringen, werden opgericht om de recente migratiecrisis in de EU aan te pakken; overwegende dat het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie als belangrijkste doel de vermindering en op lange termijn de uitbanning van de armoede voorop moet stellen en moet stoelen op beginselen van doeltreffende ontwikkeling;

I.  overwegende dat gezondheid en onderwijs belangrijke voorwaarden zijn voor de totstandkoming van duurzame ontwikkeling; overwegende dat investeringen die op dit vlak universele toegang garanderen, daarom bijzonder veel aandacht krijgen in de Agenda 2030 en de SDG's, en voldoende middelen dienen te krijgen om overloopeffecten naar andere sectoren teweeg te brengen;

J.  overwegende dat kmo's en micro-ondernemingen de ruggengraat vormen van elke economie ter wereld, een fundamenteel onderdeel uitmaken van de economie van ontwikkelingslanden en, naast een goed functionerende overheidssector, een sleutelrol spelen bij het stimuleren van economische, sociale en culturele groei; overwegende dat kmo's vaak worden geconfronteerd met beperkte toegang tot kapitaal, vooral in ontwikkelingslanden;

K.  overwegende dat de helft van de wereldbevolking momenteel in steden woont en dat dit volgens voorspellingen tegen 2050 2/3 zal zijn, waarbij ongeveer 90 % van de stedelijke groei zich zal voordoen in Afrika en Azië; overwegende dat deze trend de behoefte aan duurzame urbanisatie vergroot; overwegende dat de veiligheid in steden voor tal van ontwikkelingslanden een groeiend probleem is;

L.  overwegende dat de oceanen een cruciale rol spelen in de biodiversiteit, voedselzekerheid, energie, banen en groei, maar dat de zeerijkdommen worden bedreigd door de klimaatverandering, door overexploitatie en niet-duurzaam beheer;

M.  overwegende dat ontbossing en bosdegradatie ecosystemen afbreken en fors bijdragen tot de klimaatverandering;

N.  overwegende dat het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie een belangrijke aanvulling vormt op het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten en dat het gericht moet zijn op gebieden die een relatief voordeel bieden en op wijzen waarop de rol van de EU als wereldspeler de doelstellingen van haar ontwikkelingsbeleid kan bevorderen;

O.  overwegende dat ontwikkelingsbeleid een cruciaal aspect vormt van het externe beleid van de Europese Unie; overwegende dat de Unie 's werelds grootste donor van ontwikkelingshulp is en samen met haar lidstaten goed is voor meer dan de helft van de wereldwijde officiële ontwikkelingshulp;

P.  overwegende dat de inkomenskloof en de ongelijkheid tussen arm en rijk overal ter wereld toenemen; overwegende dat deze trend de sociale samenhang kan ondergraven en discriminatie, politieke instabiliteit en onrust kan doen toenemen; overwegende dat de mobilisering van binnenlandse ontvangsten cruciaal is voor de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, en dat dit een werkbare strategie is om de afhankelijkheid van buitenlandse hulp op lange termijn teniet te doen;

1.  benadrukt het belang van de Europese consensus over ontwikkeling wat betreft het innemen van een gezamenlijk en coherent standpunt op zowel EU- als lidstaatniveau over de doelstellingen, waarden, beginselen en belangrijkste aspecten van ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de uitvoering ervan; is van mening dat het consensus-acquis en met name de holistische benadering ervan en de expliciete hoofddoelstelling om armoede te bestrijden en op lange termijn uit te roeien in de herziening moeten worden behouden; is bovendien van mening dat de aanpak van ongelijkheid, zoals erkend in de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, ook een doelstelling moet zijn; herinnert eraan dat de maatregelen van het ontwikkelingsbeleid in de EU en in de lidstaten elkaar moeten versterken en aanvullen;

2.  waarschuwt voor de verbreding van de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) met het doel andere uitgaven te dekken dan die welke rechtstreeks gekoppeld zijn aan de eerder genoemde doelstellingen; benadrukt dat elke hervorming van de officiële ontwikkelingshulp gericht moet zijn op een vergroting van de impact op ontwikkeling;

3.  erkent het belang van een duidelijke Europese externe strategie die enkel mogelijk is door beleidscoherentie, met name op het gebied van vrede en veiligheid, migratie, handel, milieu en klimaatverandering, humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking; onderstreept echter dat de ontwikkelingsdoelstellingen doelstellingen op zichzelf zijn; herinnert aan de verplichting uit hoofde van artikel 208 VWEU om "bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [te houden] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking"; benadrukt met klem dat het Parlement alleen een sterk concept van in de VWEU-verplichtingen verankerd ontwikkelingsbeleid met een primaire focus op armoedebestrijding kan aanvaarden; herinnert aan de beginselen van het internationaal optreden van de Unie krachtens artikel 21, lid 1, VEU, namelijk de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

4.  beschrijft ontwikkelingssamenwerking in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon als volgt: strijden voor WAARDIGHEID door ARMOEDE uit te roeien;

EU-doelstellingen, -waarden en -beginselen voor ontwikkeling

5.  spoort ertoe aan om de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de Agenda 2030 en de economische, sociale en milieu-aspecten van duurzame ontwikkeling in alle interne en externe EU-beleidsmaatregelen te integreren en een centrale plaats in de consensus te geven, met inachtneming van het feit dat er belangrijke onderlinge verbanden bestaan tussen de doelstellingen en streefcijfers; roept ertoe op de bestrijding en op lange termijn de uitroeiing van armoede te behouden als het overkoepelende hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de EU, met nadruk op de meest gemarginaliseerde groepen, en ernaar te streven niemand uit te sluiten;

6.  beklemtoont de universele en transformatieve aard van de Agenda 2030; onderstreept daarom dat ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden een gedeelde verantwoordelijkheid dragen voor het behalen van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en dat de strategie van de EU ter zake moet bestaan uit een samenhangend pakket interne en externe beleidsmaatregelen en toezeggingen en een reeks instrumenten van ontwikkelingsbeleid;

7.  dringt erop aan dat het ontwikkelingsbeleid consequenter de aandacht van de Unie voor fragiele staten, jeugdwerkloosheid, vrouwen en meisjes die met gendergerelateerd geweld of schadelijke praktijken worden geconfronteerd en vrouwen en meisjes in conflictsituaties moet weergeven, en herinnert aan de toezegging van de EU om ten minste 20 % van haar ODA toe te wijzen aan sociale inclusie en menselijke ontwikkeling;

8.  beklemtoont dat onderwijs van groot belang is voor de ontwikkeling van een zelfredzame samenleving; vraagt de EU om onderwijs en technische en beroepsopleidingen van goede kwaliteit en samenwerking met de industrie te beschouwen als essentiële voorwaarden voor de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt en voor de toegang tot gekwalificeerde banen; is van mening dat het aanpakken van toegang tot onderwijs tijdens noodsituaties van cruciaal belang is voor de ontwikkeling en bescherming van kinderen;

9.  beklemtoont dat systemische factoren, waaronder genderongelijkheid, beleidsbelemmeringen en machtsonevenwichten, gevolgen hebben voor de gezondheid en dat billijke toegang garanderen tot hoogwaardige gezondheidsdiensten die worden verleend door geschoolde, gekwalificeerde en deskundige gezondheidswerkers, cruciaal is; meent dat de nieuwe consensus daarom investeringen in en de empowerment van eerstelijnsgezondheidswerkers moet bevorderen, aangezien zij een cruciale rol vervullen bij de verrichting van gezondheidsdiensten in afgelegen en arme gebieden met weinig dekking en conflictgebieden; benadrukt dat de bevordering van onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe gezondheidstechnologieën om te kunnen reageren op nieuwe dreigingen voor de gezondheid zoals epidemieën en antimicrobiële resistentie, essentieel is voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

10.  roept op tot een voortgezet sterk engagement van de EU en de bevordering van op regels gebaseerd mondiaal bestuur, en met name van het wereldwijde partnerschap voor duurzame ontwikkeling;

11.  onderstreept dat de strijd tegen ongelijkheid in en tussen landen, discriminatie en met name discriminatie op grond van geslacht, onrechtvaardigheid en conflict, en de bevordering van vrede, participatieve democratie, goed bestuur, de rechtsstaat en mensenrechten, inclusieve maatschappijen, duurzame groei en de vraagstukken in verband met de klimaatverandering doelstellingen moeten zijn die in alle gebieden en acties van het Europese ontwikkelingsbeleid worden opgenomen; vraagt om de Agenda 2030 in haar geheel en in coördinatie en samenhang met de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering uit te voeren, waaronder de noodzaak om dringend de kloof te sluiten tussen hetgeen nodig is om de opwarming van de aarde te beperken en de werkzaamheden aan en de financiering voor de aanpassing te verhogen; herinnert aan de toezeggingen die de Europese Unie heeft gedaan om ten minste 20 % van haar begroting 2014-2020 (ongeveer 180 miljard EUR) te besteden aan de strijd tegen de klimaatverandering, met inbegrip van haar buitenlands beleid en het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking;

12.  beklemtoont dat ontwikkelingssamenwerking kan voortspruiten uit inclusie, vertrouwen en innovatie die stoelen op de eerbiediging door alle partners van het gebruik van nationale strategieën en landenresultatenkaders;

13.  erkent de bijzondere rol van de dimensie goed bestuur in duurzame ontwikkeling; roept de EU op om het evenwicht tussen economische, sociale en milieu-aspecten te versterken door alomvattende nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling en de juiste mechanismen en processen voor goed bestuur te ondersteunen, waarbij de aandacht vooral gaat naar de deelname van het maatschappelijk middenveld; beklemtoont het belang van hervormingen die het bestuur en de belastingdiensten decentraliseren als middel ter bevordering van goed bestuur op lokaal niveau in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel;

14.  pleit voor EU-ontwikkelingssamenwerking om de partnerlanden aan te moedigen de SDG's, in overleg met het nationale en lokale maatschappelijk middenveld, te "glocaliseren", ze om te zetten in contextueel relevante nationale en subnationale doelen die verankerd zijn in nationale ontwikkelingsstrategieën, -programma's en begrotingen; vraagt de EU en de lidstaten hun partnerlanden ertoe aan te zetten de stemmen van gemarginaliseerde gemeenschappen op te nemen in het toezicht op de SDG's en concrete mechanismen te bevorderen die dit mogelijk maken, in overeenstemming met de agenda "niemand uitsluiten";

15.  vraagt dat het ontwikkelingsbeleid van de EU prioriteit blijft toekennen aan de steun voor de minst ontwikkelde en lage-inkomenslanden en kleine insulaire ontwikkelingslanden en tegelijk de diverse en specifieke behoeften aanpakt van de middeninkomenslanden waarin de meerderheid van de armen wereldwijd leven, in overeenstemming met de Addis Abeba-actieagenda en met volledige eerbiediging van het differentiatiebeginsel; pleit voor het integreren van een territoriale aanpak voor ontwikkeling zodat lokale en regionale overheden ruimere bevoegdheden krijgen en de ongelijkheden binnen de landen beter worden aangepakt;

16.  benadrukt het belang van het beginsel inzake de democratische eigen verantwoordelijkheid, waarbij ontwikkelingslanden in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun ontwikkeling, maar waarbij de nationale parlementen en politieke partijen, regionale en plaatselijke autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden ook ten volle hun rol kunnen spelen naast de nationale overheid en actief kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is om de verantwoordingsplicht naar boven en naar beneden te verbeteren teneinde beter op de plaatselijke behoeften in te spelen en de democratische eigen verantwoordelijkheid van de burgers te bevorderen;

17.  vraagt de EU haar steun voor lokale en regionale capaciteitsopbouw en voor decentralisatieprocessen voort te zetten en te versterken om de lokale en regionale overheden de nodige bevoegdheden en verantwoordelijkheden te geven en ze transparanter te maken zodat ze beter tegemoet kunnen komen aan de behoeften en eisen van hun burgers;

18.  roept, in overeenstemming met het partnerschapsbeginsel, op tot gedeelde verantwoordingsplicht voor alle gezamenlijke acties en de bevordering van de grootst mogelijke transparantie; vraagt de EU en de lidstaten om een versterkte rol van de nationale parlementen, de lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld bij het politieke en budgettaire toezicht en de democratische controle voor te staan; pleit ervoor om corruptie en straffeloosheid gezamenlijk met alle mogelijke middelen en op alle beleidsniveaus te bestrijden;

19.  dringt erop aan dat politieke dialoog tussen de EU en partnerlanden/-regio's een centrale rol speelt in alle samenwerkingsverbanden van het Europese ontwikkelingsbeleid en dat die dialogen gericht zijn op gemeenschappelijke waarden en hoe ze kunnen worden bevorderd; roept op tot meer betrokkenheid van de parlementen en maatschappelijke organisaties in politieke dialogen;

20.  benadrukt het belang van een pluralistische en inclusieve democratie en verzoekt de EU om een gelijk speelveld voor de politieke partijen en dynamische maatschappelijke organisaties te bevorderen in al haar acties, onder meer door capaciteitsopbouw en dialoog met partnerlanden om voldoende ruimte te bieden aan maatschappelijke organisaties met op subnationaal, nationaal en regionaal niveau door de burgers aangestuurde mechanismen voor participerend toezicht en participerende verantwoordingsplicht en om te garanderen dat de maatschappelijke organisaties worden betrokken bij de opstelling, de uitvoering, het toezicht, de beoordeling en de verantwoordingsplicht van het ontwikkelingsbeleid; vraagt de EU te erkennen dat de raadpleging van maatschappelijke organisaties een cruciale factor is om successen te boeken in alle programmeringssectoren, teneinde inclusief bestuur te verwezenlijken;

21.  erkent de rol van het maatschappelijk middenveld bij de bewustmaking van het publiek en het behalen van de SDG's op nationaal en mondiaal niveau door middel van mondiale burgerschapsvorming en bewustmaking;

22.  roept ertoe op de bevordering van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen en de rechten en empowerment van vrouwen en meisjes als op zichzelf staande en horizontale doelstellingen op te nemen in alle ontwikkelingsbeleidsmaatregelen van de EU overeenkomstig het genderactieplan van de EU en de Agenda 2030, zoals bepaald in de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gelijke rechten van vrouwen en mannen in het kader van ontwikkeling; roept op tot specifieke beleidsacties om uitdagingen op dit gebied aan te gaan; verzoekt om aanvullende inspanningen van de EU om de belangrijke rol van vrouwen en jongeren als voortrekkers van ontwikkeling en verandering te bevorderen; vestigt er in dit kader de aandacht op dat gendergelijkheid vrouwen, mannen, meisjes en jongens van alle leeftijden omvat en dat de programma's gelijke deelname aan het genieten en het bevorderen van rechten en diensten moet stimuleren, met name bij toegang tot onderwijs en tot reproductieve en gezondheidszorg, zonder discriminatie op grond van genderidentiteit of seksuele geaardheid;

23.  herhaalt dat het noodzakelijk is alle mensenrechten te bevorderen, te beschermen en te doen eerbiedigen; beklemtoont dat de verdediging van de rechten van vrouwen en meisjes, onder meer hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en de uitbanning van alle vormen van seksueel en gendergerelateerd geweld en discriminatie, onder meer de schadelijke praktijken tegen kinderen, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, en vrouwelijke genitale verminking, essentieel zijn voor de verwezenlijking van hun mensenrechten; onderstreept dat universele toegang moet worden gewaarborgd tot volledige, hoogwaardige en vrij verkrijgbare informatie en onderwijs over seksuele en reproductieve gezondheid en gezinsplanningsdiensten; roept op tot verdere maatregelen om de inspanningen voor het bereiken van gendergelijkheid en empowerment van vrouwen te versnellen door partnerschappen tussen verschillende belanghebbenden te verdiepen, de capaciteit voor genderbewuste budgettering en planning te versterken en de deelname van vrouwenorganisaties te garanderen;

24.  dringt aan op specifieke Europese ontwikkelingsstrategieën die beter zijn afgestemd op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen zoals vrouwen en kinderen, LGTBI-mensen, ouderen, personen met een handicap, kleine landbouwers, coöperaties, taalkundige en etnische minderheden en inheemse volkeren, en die hen beter beschermen en ondersteunen, om hen dezelfde kansen en rechten te bieden als de anderen overeenkomstig het beginsel van niemand uitsluiten;

25.  herhaalt de toezegging van de EU dat zij zal investeren in de ontwikkeling van kinderen en jongeren door de verslaggeving over op kinderen gerichte ontwikkelingssamenwerking en binnenlandse middelen te verbeteren, en dat zij de capaciteit van jongeren om deel te nemen aan verantwoordingsoefeningen, zal versterken;

26.  pleit voor de ondersteuning van fragiele en door conflicten geteisterde landen, zodat zij toegang krijgen tot de nodige middelen en partnerschappen voor ontwikkelingsprioriteiten, het collegiaal leren onder hen wordt bevorderd en de verbintenissen tussen partners op het gebied van ontwikkeling, vredesopbouw, veiligheid en humanitaire hulp en de inspanningen hiertoe worden verbeterd;

27.  benadrukt het aanhoudende belang van de doelstellingen die in het deel over menselijke ontwikkeling van de huidige Europese consensus zijn beschreven; onderstreept dat het nodig is deze doelstellingen te verbinden met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en een horizontale versterking van het gezondheidsstelsel (niet de steun aan verticale programma's voor specifieke ziekten) een centrale plaats in de programma's voor gezondheidsontwikkeling te geven, ook om de weerbaarheid te versterken in geval van gezondheidscrisissen zoals de uitbraak van ebola in West-Afrika in 2013-2014, en te zorgen voor het fundamentele recht op universele gezondheidszorg, zoals bepaald in artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en het Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO); herinnert eraan dat artikel 168 VWEU vaststelt dat bij de bepaling en uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden verzekerd; roept in dit verband op tot een coherenter beleid voor innovatie en ontwikkeling van geneesmiddelen dat iedereen toegang tot geneesmiddelen garandeert;

28.  stelt, in het licht van de demografische groei die voornamelijk in Afrika en de minst ontwikkelde landen voorkomt, aangezien van de 21 landen met het hoogste aantal geboortes er 19 in Afrika liggen en Nigeria het land is met de snelst groeiende bevolking ter wereld, en aangezien tegen 2050 meer dan de helft van de toename van de wereldbevolking in Afrika zal plaatsvinden, wat een probleem vormt voor duurzame ontwikkeling, voor dat de ontwikkelingssamenwerking van de EU meer nadruk legt op programma's die dit onderwerp aansnijden;

29.  is ingenomen met het feit dat voedsel- en voedingszekerheid naar voren zijn geschoven als prioriteitsgebieden voor het nieuwe mondiale ontwikkelingskader en is verheugd over de opname van een aparte doelstelling om een einde te maken aan de honger, te komen tot voedselzekerheid en betere voeding, en om duurzame landbouw te bevorderen; erkent dat honger en armoede geen toeval zijn, maar het gevolg van sociaal en economisch onrecht en ongelijkheid op alle niveaus; herhaalt dat de consensus moet benadrukken dat de EU steun zal blijven verlenen aan geïntegreerde, sectoroverschrijdende benaderingen die de capaciteit voor gediversifieerde lokale voedingsproductie versterken en zowel voedingsspecifieke als voedingsgevoelige interventies omvatten, die uitdrukkelijk gericht zijn op het aanpakken van de genderongelijkheid;

30.  wijst uitdrukkelijk op de noodzaak van mechanismen voor verantwoordingsplicht betreffende het toezicht op en de uitvoering van de SDG's en de doelstelling van 0,7 % ODA/bni; verzoekt de EU en de lidstaten een tijdschema in te dienen met stappen aan de hand waarvan zij deze doelstellingen geleidelijk kunnen behalen, met jaarlijkse verslaggeving aan het Europees Parlement;

31.  onderstreept dat multisectorale en geïntegreerde benaderingen nodig zijn om de weerbaarheid doeltreffend te versterken, hetgeen betekent dat er moet worden gewerkt aan een betere integratie van humanitaire hulp, rampenrisicovermindering, sociale bescherming, aanpassing aan de klimaatverandering, beheer van de natuurlijke hulpbronnen, conflictoplossing en andere ontwikkelingsacties; vraagt de EU en de lidstaten een vorm van inclusief bestuur te bevorderen dat de aanjagers van marginalisering, ongelijkheid en kwetsbaarheid aanpakt; erkent dat kwetsbare bevolkingsgroepen de bevoegdheid moeten krijgen om risico's te beheren en toegang te krijgen tot besluitvormingsprocessen die van invloed zijn op hun toekomst;

32.  wijst uitdrukkelijk op de bijdrage van cultuur aan duurzame menselijke, sociale en economische ontwikkeling, en dringt erop aan rekening te houden met de culturele dimensie als fundamenteel aspect van een EU-ontwikkelingsbeleid dat solidariteit, samenwerking en bijstand centraal stelt; roept ertoe op de culturele diversiteit te bevorderen, culturele beleidsmaatregelen te ondersteunen en rekening te houden met de lokale context voor zover dit bijdraagt tot het behalen van de doelstelling om inclusieve, duurzame ontwikkeling te bevorderen;

33.  wijst erop dat de stedelijke bevolking tegen 2050 naar verwachting met 2,5 miljard mensen zal stijgen, waarbij nagenoeg 90 % van die bevolkingstoename in Azië en Afrika zal plaatsvinden; erkent de problemen ten gevolge van de explosieve groei van grote steden en de uitdagingen die dit stelt voor de maatschappelijke en milieuduurzaamheid; pleit voor evenwichtige regionale ontwikkeling en herinnert eraan dat de heroplevende economische activiteit in plattelandsgebieden en kleinere steden de druk verlicht om naar grote stedelijke centra te migreren en op die manier problemen van ongebreidelde urbanisatie en migratie verzacht;

Differentiatie

34.  benadrukt dat een Europese ontwikkelingsstrategie enkel doeltreffend kan zijn wanneer deze een billijke herverdeling van de welvaart door de nationale begrotingen bevordert, d.w.z. zowel binnen als tussen landen; onderstreept dat Europese ontwikkelingshulp eerst en vooral een verschil moet maken tussen de situaties en ontwikkelingsbehoeften van afzonderlijke landen in plaats van uitsluitend te worden toegepast op basis van micro-economische indicatoren of politieke overwegingen;

35.  beklemtoont dat de ontwikkelingssamenwerking van de EU moet worden uitgevoerd om de belangrijkste noden te lenigen en te streven naar de grootst mogelijke effecten op de korte en lange termijn; beklemtoont dat er behoefte is aan toegesneden ontwikkelingsstrategieën, die ter plaatse worden ontworpen en beheerd, om rekening te houden met de specifieke uitdagingen waarmee afzonderlijke landen of groepen van landen, zoals de kleine insulaire ontwikkelingslanden, de fragiele staten en de niet aan zee gelegen ontwikkelingslanden, worden geconfronteerd;

36.  roept op tot de ontwikkeling van specifieke strategieën voor samenwerking met middeninkomenslanden om hun vooruitgang te consolideren en ongelijkheid, uitsluiting, discriminatie en armoede te bestrijden, met name via de bevordering van billijke en progressieve belastingstelsels, en onderstreept dat middeninkomenslanden geen homogene groep zijn en dat ze specifieke behoeften hebben waarop de beleidsmaatregelen moeten zijn afgestemd; benadrukt dat het nodig is de financiële hulp aan middeninkomenslanden op verantwoorde wijze en gaandeweg af te bouwen en de aandacht te richten op andere vormen van samenwerking, zoals technische bijstand, het delen van industriële knowhow en kennis, publiek-publieke partnerschappen die steun kunnen verlenen aan mondiale collectieve goederen zoals wetenschap, technologie en innovatie, de uitwisseling van beste praktijken en de bevordering van regionale, zuid-zuid- en driehoekssamenwerking; benadrukt het belang van alternatieve financieringsbronnen, zoals de mobilisering van de binnenlandse ontvangsten, niet- of minder concessionele leningen, samenwerking op technisch en fiscaal gebied evenals op het gebied van handel en onderzoek, en publiek-private partnerschappen;

Doeltreffendheid en financiering van ontwikkeling

Doeltreffendheid van ontwikkeling

37.  roept de EU en de lidstaten op om het pad te effenen voor de spelers in ontwikkelingshulp en zich weer toe te leggen op de volledige uitvoering van de beginselen van doeltreffende ontwikkelingssamenwerking en voorrang te geven aan mechanismen/instrumenten die ervoor zorgen dat meer middelen terechtkomen bij de eindbegunstigden, met name de verantwoordelijkheid voor de ontwikkelingsprioriteiten aan het land zelf toekennen, de afstemming met de nationale ontwikkelingsstrategieën en -systemen van de partnerlanden, en zich richten op resultaten, transparantie, gedeelde verantwoordingsplicht en democratische inclusie van alle belanghebbenden; beklemtoont dat de inspanningen van de EU om de ontwikkelingssamenwerking zo doeltreffend mogelijk te maken, moeten worden versterkt met het oog op het bijdragen tot het behalen van de ambitieuze doelstellingen en streefcijfers die zijn vastgesteld in de Agenda 2030 en om optimaal gebruik te maken van de openbare en particuliere middelen voor ontwikkeling; vraagt dat in de nieuwe consensus over ontwikkeling duidelijk wordt verwezen naar de beginselen van doeltreffende ontwikkeling;

38.  herhaalt dat het belangrijk is om het begrip en de actieve inzet van het Europese publiek voor belangrijke ontwikkelingsdiscussies te vergroten, evenals voor pogingen om de mondiale armoede uit te bannen en duurzame ontwikkeling te bevorderen; benadrukt dat daartoe niet-formele ontwikkelingssamenwerking en bewustmaking, onder meer door de voortzetting en uitbreiding van het programma ontwikkelingssamenwerking en bewustmaking (DEAR), integraal deel moeten blijven uitmaken van het ontwikkelingsbeleid van de EU en de lidstaten;

39.  is van mening dat een vereenvoudiging van de bureaucratische en financieringsprocedures tot grotere doeltreffendheid kan bijdragen; vraagt de EU een hervorming door te voeren om de uitvoering te versnellen (zoals reeds gevraagd in § 122 van de Europese consensus van 2005), die inspeelt op de behoefte om de selectieprocedures te herzien door zich niet alleen op formele subsidiabiliteitseisen te richten, maar veeleer op de aanvrager: identiteit, deskundigheid, ervaring, prestaties en betrouwbaarheid op het terrein;

40.  herhaalt dat capaciteitsopbouw belangrijk is om de capaciteiten van burgers, organisaties, overheden en samenlevingen te verbeteren zodat zij hun respectieve rol bij het ontwerpen, uitvoeren, monitoren en evalueren van strategieën voor duurzame ontwikkeling ten volle kunnen vervullen;

41.  is verheugd over de geboekte vooruitgang, maar vraagt de EU en de lidstaten om niet alleen de gezamenlijke programma's maar ook de gezamenlijke uitvoeringsactiviteiten te versterken en uit te breiden teneinde middelen samen te voegen, de werkverdeling in het land te verbeteren, de transactiekosten te verlagen, dubbel werk en fragmentering van de hulp te vermijden, de zichtbaarheid van de Europese Unie op het terrein te verbeteren en de toekenning van de verantwoordelijkheid voor de ontwikkelingsstrategieën aan het land zelf en de afstemming met de prioriteiten van de partnerlanden te bevorderen; onderstreept dat het van essentieel belang is dat de programma's door de Europese actoren gezamenlijk worden opgesteld en dat dit proces uitsluitend voor andere geldschieters wordt opengesteld wanneer de lokale toestand dat rechtvaardigt en zonder dat het Europese karakter van dit proces wordt aangetast; roept de EU en de lidstaten op om hun acties met andere donoren en organisaties, zoals opkomende donoren, maatschappelijke organisaties, particuliere filantropen, financiële instellingen en bedrijven uit de particuliere sector, verder te coördineren; merkt bezorgd op dat vanaf medio 2015 slechts vijf EU-lidstaten Busan-uitvoeringsplannen hebben bekendgemaakt; dringt er bij de lidstaten op aan om hun uitvoeringsplannen bekend te maken en jaarlijks verslag uit te brengen over hun inspanningen inzake de ontwikkelingsefficiëntie;

42.  herhaalt zijn verzoek(26) om de regelingen en praktijken die moeten zorgen voor betere complementariteit en effectieve coördinatie van ontwikkelingshulp tussen EU-lidstaten en instellingen, te codificeren en te versterken, door duidelijke en afdwingbare regels in te voeren voor een democratische eigen inbreng, harmonisering, afstemming op landenstrategieën en -systemen, voorspelbaarheid van fondsen, transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht;

43.  onderstreept dat de doeltreffendheid van de ontwikkeling een van de belangrijkste aanjagers voor het nieuwe ontwikkelingsbeleid van de EU moet zijn; herhaalt dat dit niet alleen afhangt van de donoren van de hulp maar ook van het bestaan van doeltreffende en adequaat reagerende instellingen, goede beleidsmaatregelen, de rechtsstaat, inclusief democratisch bestuur, en waarborgen tegen corruptie binnen ontwikkelingslanden en illegale geldstromen op internationaal niveau;

44.  erkent de rol van de lokale en regionale overheden bij ontwikkeling, en meer bepaald de decentrale samenwerking tussen lokale en regionale overheden van de EU-lidstaten en de partnerlanden als een doeltreffend middel voor onderlinge versterking van de capaciteit, en de uitvoering van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling op lokaal niveau;

Financiële middelen voor ontwikkeling

45.  herhaalt dat officiële ontwikkelingshulp (ODA) de ruggengraat van het ontwikkelingsbeleid van de EU moet blijven; herinnert aan het engagement van de EU om de ODA-doelstelling van 0,7 % van het bni tegen 2030 te behalen; benadrukt dat het belangrijk is dat andere ontwikkelde en opkomende landen hun aandeel aan officiële ontwikkelingshulp ook vergroten; benadrukt dat ODA een cruciale rol speelt als katalysator voor verandering en als hefboom voor de mobilisering van andere middelen; herinnert aan de toezegging van de EU om in de ontwikkelingslanden middelen te mobiliseren voor de klimaatactie, om haar bijdrage te leveren zodat de ontwikkelde landen de toegezegde100 miljard USD per jaar kunnen mobiliseren en een verdubbeling van de biodiversiteitsfinanciering voor de ontwikkelingslanden te handhaven;

46.  roept op tot objectieve en transparante criteria voor de toekenning van middelen voor ontwikkelingssteun op zowel lidstaat- als EU-niveau; dringt erop aan dat deze criteria op behoeften, effectbeoordelingen en op politieke, sociale en economische prestaties gebaseerd zijn, zodat de subsidies zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt; benadrukt dat een dergelijke toekenning echter nooit afhankelijk van prestaties mag zijn die niet rechtstreeks verband houden met ontwikkelingsdoelstellingen; onderstreept dat goede prestaties in het kader van gezamenlijk overeengekomen doelstellingen moeten worden aangemoedigd en beloond; wijst uitdrukkelijk op het belang van op lokaal niveau uitgesplitste gegevens om de effecten van de ODA beter te kunnen beoordelen;

47.  erkent dat algemene begrotingsondersteuning de nationale verantwoordelijkheid, de afstemming met de nationale ontwikkelingsstrategieën van de partnerlanden en een focus op resultaten, transparantie, wederzijdse verantwoordingsplicht bevordert, maar benadrukt dat deze maatregel alleen kan worden overwogen wanneer en waar de omstandigheden zich ertoe lenen en er doeltreffende controlesystemen aanwezig zijn; herinnert eraan dat begrotingsondersteuning het meest geschikte instrument is om een ware politieke dialoog tot stand te brengen die tot een sterkere verantwoordingsplicht en ownership kan leiden;

48.  is van mening dat het aanpakken van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling financiering en ontwikkelingsacties vereist die verder gaan dan officiële ontwikkelingshulp en overheidsbeleidsmaatregelen; benadrukt de behoefte aan zowel nationale en internationale als particuliere en overheidsfinanciering, en aan beleidsmaatregelen die particuliere en overheidsacties ten bate van ontwikkeling verbinden en een klimaat scheppen dat groei en een gelijke verdeling via nationale begrotingen bevordert,

49.  herinnert eraan dat de ontwikkelingslanden bij het heffen van belastingen worden geconfronteerd met belangrijke beperkingen en dat zij in het bijzonder lijden onder belastingontduiking door bedrijven en onder illegale geldstromen; vraagt de EU en de lidstaten om de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) op dit vlak te versterken, de overloopeffecten van de belastingregelingen en -wetten van de ontwikkelingslanden voor diezelfde landen te analyseren en te pleiten voor een betere vertegenwoordiging van de ontwikkelingslanden op internationale fora die bedoeld zijn voor de hervorming van het mondiale belastingbeleid;

50.  roept de EU en de lidstaten op om lage- en middeninkomenslanden te steunen bij het opzetten van billijke, progressieve, transparante en efficiënte belastingstelsels en andere methoden om binnenlandse middelen te mobiliseren teneinde de voorspelbaarheid en stabiliteit van dergelijke financiering te verhogen en de afhankelijkheid van hulp te verlagen; verzoekt om dergelijke steun op gebieden zoals belastingadministratie en beheer van overheidsfinanciën, billijke herverdelingsstelsels, corruptiebestrijding, bestrijding van foute verrekenprijzen, belastingontduiking en andere vormen van illegale geldstromen; wijst op het belang van fiscale decentralisatie en de behoefte aan capaciteitsopbouw om subnationale overheden te steunen bij het ontwerpen van lokale belastingstelsels en de organisatie van de belastinginning;

51.  vraagt de EU en de lidstaten een verplichte verslaglegging per land over multinationals vast te stellen, samen met de verplichte bekendmaking van alomvattende en vergelijkbare gegevens over de activiteiten van bedrijven teneinde de transparantie en verantwoordingsplicht te garanderen; vraagt de EU en haar lidstaten om het overloopeffect van hun eigen belastingbeleid, -regelingen en -wetten op ontwikkelingslanden te onderzoeken en de hervormingen door te voeren die ervoor zorgen dat Europese bedrijven die winst maken in de ontwikkelingslanden, hun billijk aandeel in de belastingen van die landen betalen;

52.  benadrukt de behoefte aan blending en publiek-private partnerschappen om financiering die verder gaat dan officiële ontwikkelingshulp te verkrijgen en de beginselen van ontwikkelingsefficiëntie daadwerkelijk in acht te nemen, maar wijst er ook op dat ze gebaseerd moeten zijn op transparante criteria, hun additionaliteit en positieve impact op ontwikkeling duidelijk moeten aantonen, de universele toegang tot hoogwaardige essentiële openbare diensten niet mogen uithollen en dat alle betalingen transparant moeten zijn; onderstreept dat gefinancierde projecten de nationale ontwikkelingsdoelstellingen, internationaal erkende mensenrechten en sociale en milieunormen op bindende wijze, de behoeften en rechten van de plaatselijke bevolking, en de beginselen van ontwikkelingsefficiëntie moeten respecteren; erkent in dit kader dat traditioneel grondgebruik door bijvoorbeeld kleine boeren en veefokkers gewoonlijk niet wordt geregistreerd, maar dat dit moet worden gerespecteerd en beschermd; herhaalt dat ondernemingen die bij ontwikkelingspartnerschappen betrokken zijn, de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), de VN-richtsnoeren en de OESO-richtsnoeren in al hun operaties moeten eerbiedigen en ethische ondernemingspraktijken moeten bevorderen; merkt op dat ontwikkelingsbeleidsmaatregelen en -programma's een dubbel dividend opleveren wanneer is voldaan aan de doeltreffendheidsvoorwaarde; vraagt alle ontwikkelingsactoren al hun acties volledig af te stemmen op deze beginselen;

53.  vraagt de EU om investeringen te bevorderen die zorgen voor fatsoenlijk werk in overeenstemming met de Internationale Arbeidsorganisatie en de Agenda 2030; onderstreept in dit verband de waarde van sociale dialoog en de nood aan transparantie en verantwoordingsplicht van de particuliere sector als er sprake is van publiek-private partnerschappen en wanneer ontwikkelingsgeld wordt gebruikt voor blending;

54.  benadrukt dat ontwikkelingsfondsen die worden gebruikt voor het voorgestelde externe investeringsplan en voor bestaande trustfondsen moeten voldoen aan ontwikkelingsdoelstellingen die verenigbaar zijn met de officiële ontwikkelingshulp en de nieuwe SDG's; roept ertoe op mechanismen in te stellen die het Parlement toezicht laten uitoefenen wanneer ontwikkelingsfondsen van de EU buiten de normale EU-begrotingsprocedures worden gebruikt, met name door het EP als waarnemer aan te stellen van het extern investeringsplan, het trustfonds en andere strategische raden van bestuur die beslissen over de prioriteiten en omvang van programma's en projecten;

55.  erkent de rol van plaatselijke micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen, coöperaties, inclusieve bedrijfsmodellen en onderzoeksinstellingen als katalysatoren voor groei, werkgelegenheid en plaatselijke innovatie, die zullen bijdragen tot het halen van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; roept op tot de bevordering van een gunstig klimaat voor investeringen, industrialisering, ondernemerschap, wetenschap, technologie en innovatie om de binnenlandse economische en menselijke ontwikkeling aan te zwengelen en te versnellen, en tot de organisatie van opleidingsprogramma's en regelmatige publiek-private dialogen; erkent de rol van de EIB in het Europees plan voor externe investeringen en wijst uitdrukkelijk op haar initiatieven die voornamelijk gericht moeten zijn op jongeren en vrouwen en die, in overeenstemming met de beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, moeten bijdragen tot de investering in maatschappelijk belangrijke sectoren zoals water, gezondheid en onderwijs en die de steun aan het bedrijfsleven en de lokale particuliere sector versterken; vraagt de EIB meer middelen toe te wijzen aan microkredieten met een sterk genderperspectief; vraagt de EIB om de handen in elkaar te slaan met de Afrikaanse ontwikkelingsbank (AfDB) en langlopende investeringen ten gunste van duurzame ontwikkeling te financieren en vraagt andere ontwikkelingsbanken een microkredietfaciliteit voor te stellen voor het subsidiëren van leningen aan familielandbouwbedrijven;

56.  meent dat de nieuwe consensus in ieder geval moet verwijzen naar een sterke toezegging van de EU om een juridisch bindend, internationaal kader in te voeren dat bedrijven aansprakelijk kan stellen voor hun misbruiken in de landen waar zij actief zijn, aangezien deze gevolgen hebben voor alle domeinen van de samenleving – van het profiteren van kinderarbeid tot het ontbreken van een leefloon, van olielozingen tot massale ontbossing, van de intimidatie van mensenrechtenverdedigers tot landroof;

57.  roept de Europese Unie en haar lidstaten op om bindende maatregelen te bevorderen die ervoor zorgen dat multinationals belasting afdragen in de landen waar waarde wordt onttrokken of gecreëerd en die verplichte verslaglegging per land door de privésector stimuleren, en zodoende het vermogen van de landen vergroten om binnenlandse middelen vrij te maken; vraagt om een analyse van de overloopeffecten om mogelijke winstverschuivingspraktijken te onderzoeken;

58.  roept op tot een op menselijke behoeften gebaseerde aanpak van de schuldhoudbaarheid door middel van een bindende reeks normen voor het definiëren van een mechanisme voor het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van krediet, schuldaudits en billijke schuldherschikkingen, dat de legitimiteit en de houdbaarheid van de schuldenlast van de betrokken landen moet beoordelen;

Beleidscoherentie voor ontwikkeling

59.  pleit voor een EU-breed debat over beleidscoherentie voor ontwikkeling om het verband daarvan met beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling toe te lichten; wijst erop dat het van cruciaal belang is om de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling in alle beleidsmaatregelen van de EU toe te passen; beklemtoont dat beleidscoherentie voor ontwikkeling een belangrijk onderdeel moet vormen van de EU-strategie om de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te behalen; herhaalt dat de EU-instellingen en de lidstaten aanvullende inspanningen moeten leveren om de doelstellingen in verband met ontwikkelingssamenwerking in alle interne en externe beleidsmaatregelen die waarschijnlijk gevolgen hebben voor ontwikkelingslanden op te nemen, om doeltreffende mechanismen te vinden en bestaande beste praktijken op het niveau van de lidstaten te gebruiken om beleidscoherentie voor ontwikkeling ten uitvoer te leggen en te evalueren, ervoor te zorgen dat dit gebeurt aan de hand van een genderbewuste aanpak, en om alle belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties en lokale en regionale overheden, bij dit proces te betrekken;

60.  stelt voor om een arbitragemechanisme in te stellen, dat zal worden toevertrouwd aan de voorzitter van de Europese Commissie, om PCD te waarborgen, en om in geval van tegenstrijdigheden tussen de diverse beleidsterreinen van de Unie, de voorzitter van de Commissie op te dragen zijn politieke verantwoordelijkheid volledig uit te oefenen wat betreft de globale richtsnoeren en een beslissing te nemen op basis van de toezeggingen van de Unie met betrekking tot PCD; is van mening dat na een fase waarin de problemen worden aangewezen, een hervorming van de besluitvormingsprocedures binnen de diensten van de Commissie en in de samenwerking tussen de diensten kan worden overwogen;

61.  dringt aan op een sterkere dialoog tussen de EU en de ontwikkelingslanden betreffende de bevordering en tenuitvoerlegging van beleidscoherentie voor ontwikkeling door de EU; is van mening dat de feedback van de EU-partners over de vooruitgang van de beleidscoherentie voor ontwikkeling een belangrijke rol kan vervullen in het verkrijgen van een nauwkeurige beoordeling van de effecten ervan;

62.  herhaalt zijn oproep tot de ontwikkeling van bestuursprocessen om beleidscoherentie voor ontwikkeling wereldwijd te bevorderen en zijn oproep aan de EU om het voortouw te nemen bij het bevorderen van het concept "beleidscoherentie voor ontwikkeling" op het internationale toneel;

Handel en ontwikkeling

63.  wijst op het belang van eerlijke en goed gereglementeerde handel voor de bevordering van regionale integratie, de bijdrage aan duurzame groei en de bestrijding van armoede; benadrukt dat het handelsbeleid van de EU een onderdeel moet zijn van de agenda voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen van het Europees ontwikkelingsbeleid moet weerspiegelen;

64.  onderstreept dat er ter bevordering van de ontwikkeling nog steeds unilaterale handelspreferenties bestaan ten voordele van ontwikkelingslanden die geen minst ontwikkelde landen zijn; is bovendien van mening dat de nieuwe consensus een verwijzing moet bevatten naar de toezegging van de EU om eerlijke en ethische handelssystemen met kleine producenten in de ontwikkelingslanden te bevorderen;

65.  is ingenomen met de erkenning van de sterke bijdrage van de eerlijke handel aan de uitvoering van de Agenda 2030 van de VN; verzoekt de EU verder uitvoering te geven aan en werk te maken van haar toezegging om de invoering van regelingen inzake eerlijke handel in de EU en de partnerlanden te ondersteunen teneinde via haar handelsbeleid duurzame consumptie- en productiepatronen te bevorderen;

66.  benadrukt de behoefte aan aanvullende steun van de EU aan ontwikkelingslanden voor capaciteitsopbouw op het gebied van handel, infrastructuur en de ontwikkeling van een binnenlandse privésector teneinde hen in staat te stellen waarde toe te voegen aan hun productie en deze diverser te maken, en de handel uit te breiden;

67.  herhaalt dat een gezond milieu, met een stabiel klimaat, onontbeerlijk is voor de uitbanning van de armoede; ondersteunt de inspanningen van de EU om de transparantie en verantwoordingsplicht in het beheer, de ontginning van en handel in natuurlijke rijkdommen te verhogen, duurzame consumptie en productie te bevorderen en illegale handel te voorkomen in sectoren zoals mineralen, hout en wild; is er sterk van overtuigd dat er meer mondiale inspanningen nodig zijn om regelgevingskaders te ontwikkelen voor toeleveringsketens en grotere verantwoordingsplicht van de particuliere sector, zodat het duurzame beheer van en de duurzame handel in natuurlijke rijkdommen worden gegarandeerd en zodat grondstoffenrijke landen en hun bevolking die de rechten van plaatselijke en inheemse gemeenschappen beschermen, meer van de voordelen van die handel en van het duurzame beheer van de biodiversiteit en de ecosystemen kunnen genieten; is verheugd over de vooruitgang die is geboekt sinds de instelling van het Duurzaamheidspact voor Bangladesh en verzoekt de Commissie dergelijke kaders naar andere sectoren uit te breiden; dringt er in dit verband op aan bij de Europese Commissie om de initiatieven op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en zorgvuldigheid die een aanvulling vormen op de bestaande EU-houtverordening, gebaseerd op de voorgestelde EU-verordening inzake conflictmineralen, voor andere sectoren te verbeteren;

68.  betreurt dat een regelgevend kader over de manier waarop bedrijven zich houden aan de mensenrechten en plichten in verband met sociale en milieunormen nog steeds ontbreekt, zodat bepaalde landen en bedrijven deze ongestraft kunnen omzeilen; vraagt de EU en de lidstaten actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de VN-Mensenrechtenraad en het Milieuprogramma van de VN met het oog op een internationaal verdrag waarmee transnationale ondernemingen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor mensenrechtenschendingen en schendingen van milieunormen;

69.  bevestigt opnieuw het belang van gecoördineerde en versnelde maatregelen om ondervoeding aan te pakken en daarmee de Agenda 2030 uit te voeren en SDG 2, namelijk een einde maken aan de honger, te behalen;

70.  herinnert aan de cruciale rol die bossen vervullen voor de vermindering van de gevolgen van de klimaatverandering, het behoud van de biodiversiteit en de armoedebestrijding en verzoekt de EU bij te dragen tot de stopzetting en omkering van de ontbossing en bosdegradatie en duurzaam bosbeheer in ontwikkelingslanden te bevorderen;

Veiligheid en ontwikkeling

71.  herhaalt het rechtstreekse verband tussen veiligheid en ontwikkeling maar onderstreept dat de recente hervorming van de officiële ontwikkelingshulp over het gebruik van ontwikkelingsinstrumenten voor veiligheidsbeleid strikt gevolgd moet worden door een duidelijk doel van uitbanning van armoede en de bevordering van duurzame ontwikkeling toe te passen; benadrukt dat de doelstelling met betrekking tot vredige en inclusieve maatschappijen met toegang tot justitie voor iedereen concreet moet worden gemaakt door extern EU-optreden dat erop gericht is door steun te verlenen aan alle actoren op het terrein die deze doelstellingen kunnen behalen de weerbaarheid te versterken, de menselijke veiligheid te bevorderen, de rechtsstaat te versterken, het vertrouwen te herstellen en de complexe uitdagingen van onzekerheid, kwetsbaarheid en democratische transitie aan te pakken;

72.  is van mening dat synergieën tussen het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en de ontwikkelingsinstrumenten moeten worden gesmeed om het juiste evenwicht te vinden tussen conflictpreventie, oplossing van conflicten, en herstel en ontwikkeling na conflicten; benadrukt dat programma's en maatregelen voor extern beleid daarom uitgebreid en afgestemd op de situatie in het betreffende land moeten zijn en, wanneer ze worden gefinancierd met middelen voor ontwikkelingsbeleid, moeten bijdragen tot de hoofddoelstellingen voor ontwikkeling zoals ze zijn vastgelegd in de officiële ontwikkelingshulp; wijst erop dat de kerntaak van ontwikkelingssamenwerking de ondersteuning van landen blijft wanneer zij trachten stabiele en vredige staten te vormen die goed bestuur, de rechtsstaat en mensenrechten eerbiedigen en duurzame, functionerende markteconomieën willen opzetten om hun bevolking welvaart te bieden en alle menselijke basisbehoeften in te vullen; benadrukt dat de zeer krappe GVDB-financiering in dit verband moet worden opgetrokken om breder te kunnen worden gebruikt door anderen ten gunste van ontwikkeling in overeenstemming met de beleidscoherentie voor ontwikkeling;

Migratie en ontwikkeling

73.  benadrukt de centrale rol van ontwikkelingssamenwerking bij de aanpak van de onderliggende oorzaken van gedwongen migratie en ontheemding, zoals kwetsbaarheid van de staat, conflicten, onzekerheid en marginalisatie, armoede, ongelijkheid en discriminatie, schendingen van de mensenrechten, gebrekkige toegang tot basisdiensten zoals gezondheidszorg en onderwijs, en klimaatverandering; identificeert de volgende doelen en doelstellingen als voorwaarden voor stabiele en veerkrachtige staten die minder vatbaar zijn voor situaties die uiteindelijk tot gedwongen migratie kunnen leiden: bevordering van de mensenrechten en de menselijke waardigheid, democratie, goed bestuur en de rechtsstaat, sociale inclusie en cohesie, economische kansen met behoorlijk werk en via op mensen gerichte ondernemingen, en beleidsruimte voor het maatschappelijk middenveld; vraagt dat ontwikkelingssamenwerking op deze doelen en doelstellingen focust om veerkracht te bevorderen en roept op tot ontwikkelingssteun in verband met migratie zodat de situatie kan worden gestabiliseerd, de staten kunnen blijven functioneren en de ontheemden in waardigheid kunnen leven;

74.  herinnert aan de eveneens in de Agenda 2030 van de VN beklemtoonde positieve bijdrage van migranten aan duurzame ontwikkeling, waaronder overmakingen, waarvan de transferkosten verder moeten worden verlaagd; onderstreept dat een zinvolle, gezamenlijke reactie op de migratiegerelateerde uitdagingen en crises een beter gecoördineerde, systematischere en beter gestructureerde aanpak vergt, waarbij de belangen van de landen van herkomst en van bestemming op elkaar moeten worden afgestemd; benadrukt dat een doeltreffende manier om grote aantallen vluchtelingen en asielzoekers te helpen kan bestaan in een verbetering van de omstandigheden en het aanbod van zowel humanitaire als ontwikkelingshulp; is tegelijkertijd gekant tegen elke poging om bijstand aan grenstoezicht, het beheer van de migratiestromen of overnameovereenkomsten te verbinden;

75.  wijst erop dat landen van herkomst en doorreis voor migranten ontwikkelingsoplossingen nodig hebben die zijn afgestemd op hun respectieve politieke en sociaaleconomische situatie; benadrukt dat een dergelijke samenwerking de mensenrechten en waardigheid voor iedereen, goed bestuur, vrede en democratie moet bevorderen en gebaseerd moet zijn op gemeenschappelijke belangen en gedeelde waarden en op de eerbiediging van het internationaal recht;

76.  wijst erop dat nauwkeurig parlementair toezicht en monitoring van overeenkomsten met betrekking tot migratiebeheer en het gebruik van ontwikkelingsfondsen met betrekking tot migratie nodig zijn; benadrukt het belang van nauwe samenwerking en het invoeren van goede praktijken van informatie-uitwisseling tussen instellingen, met name op het gebied van migratie en veiligheid; herinnert aan zijn bezorgdheid over het toenemende gebruik van trustfondsen, en de bijbehorende beperkte transparantie, het gebrek aan raadpleging en regionale verantwoordelijkheid;

77.  wijst erop dat, gezien de recente Europese beleidsmaatregelen ter bestrijding van de onderliggende oorzaken van gedwongen migratie, het Europese ontwikkelingsbeleid moet voldoen aan de OESO-DAC-definitie en gebaseerd moet zijn op ontwikkelingsbehoeften en de mensenrechten; benadrukt eveneens dat ontwikkelingshulp niet afhankelijk mag zijn van samenwerking op het gebied van migratiezaken, zoals grensbeheer of terugnameovereenkomsten;

Humanitaire hulp

78.  onderstreept dat nauwere banden tussen humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking nodig zijn om tekorten aan financiering aan te pakken, dubbel werk en parallelle systemen te vermijden, en een gunstig klimaat te creëren voor duurzame ontwikkeling met integratie van weerbaarheid en instrumenten om de crisispreventie en -paraatheid te verbeteren; vraagt de EU om haar toezeggingen na te komen en tegen 2020 minstens 25 % van haar humanitaire hulp zo direct mogelijk toe te wijzen aan lokale en nationale actoren, zoals overeengekomen in de "Grand Bargain";

79.  herinnert aan de fundamentele beginselen van humanitaire hulp – neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid; is ingenomen met de vasthoudendheid van de Europese Commissie om de Europese consensus over ontwikkeling niet samen te voegen met de Europese consensus over humanitaire hulp;

80.  onderstreept dat meer moet worden gedaan aan internationale hulp, coördinatie en rampenbestrijding in noodsituaties, en aan herstel en wederopbouw waar zich een catastrofe heeft voorgedaan;

81.  is ingenomen met de toezegging om zowel de bevordering van ICT-technologieën in de ontwikkelingslanden te ondersteunen als om stimulerende omgevingen voor de digitale economie tot stand te brengen door vrije, open en veilige connectiviteit te bevorderen; herinnert eraan dat satellieten kostenefficiënte oplossingen kunnen bieden om activa en mensen in afgelegen gebieden met elkaar te verbinden, en moedigt de EU en de lidstaten aan hiermee rekening te houden tijdens hun werkzaamheden op dit vlak;

Mondiale collectieve goederen en uitdagingen

82.  is ervan overtuigd dat de wereldwijde aanwezigheid van de EU en de lidstaten van hen de geschikte spelers maken om een leidende internationale rol te blijven spelen op het gebied van mondiale collectieve goederen en uitdagingen, die steeds meer onder druk komen te staan waardoor de armen onevenredig worden getroffen; verzoekt om mondiale collectieve goederen en milieu-uitdagingen te integreren in de hele consensus, waaronder menselijke ontwikkeling, het milieu, met inbegrip van klimaatverandering en toegang tot water, onzekerheid en kwetsbaarheid van de staat, migratie, betaalbare energie, voedselzekerheid en de uitbanning van ondervoeding en honger;

83.  herinnert eraan dat kleinschalige en in familieverband bedreven landbouw wereldwijd het meest voorkomende landbouwmodel is en een sleutelrol vervult bij het behalen van de SDG's: dit model levert een aanzienlijke bijdrage aan de voedselzekerheid, aan de strijd tegen bodemerosie en het verlies aan biodiversiteit, en aan de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, terwijl het ook tot nieuwe banen leidt; benadrukt dat de EU enerzijds de oprichting van organisaties voor landbouwers, waaronder coöperaties, dient te ondersteunen en anderzijds duurzame landbouw dient te bevorderen met aandacht voor milieuvriendelijke landbouwpraktijken, een hogere productiviteit van familielandbouwbedrijven, de rechten van landbouwers en landgebruikrechten en informele zaaitechnieken, als middelen om de voedselzekerheid en de bevoorrading van lokale en regionale markten veilig te stellen en de landbouwers een fatsoenlijk leven en een billijk inkomen te bezorgen;

84.  herinnert eraan dat de "particuliere sector" geen homogene verzameling actoren is; benadrukt derhalve dat het ontwikkelingsbeleid van de EU en de lidstaten in zijn omgang met die particuliere sector daarom uiteenlopende strategieën moet inzetten ten aanzien van de verschillende categorieën actoren uit die sector, onder meer producenten, micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, coöperaties, sociale ondernemingen en bedrijven van de solidariteitseconomie;

85.  bevestigt opnieuw dat het verschaffen van toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen tegen 2030 (SDG 7) van cruciaal belang is om te voldoen aan de menselijke basisbehoeften, waaronder de toegang tot schoon water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, dat dit essentieel is om de oprichting van plaatselijke bedrijven en allerlei soorten economische activiteit te ondersteunen en een belangrijke stimulans is voor de ontwikkelingsvooruitgang;

86.  beklemtoont dat de productiviteitsverhoging van kleine boeren, de duurzaamheid en klimaatveerkracht in de landbouw- en voedselsystemen een belangrijke rol spelen voor het behalen van SDG 2 en het begrip "duurzame consumptie en productie" (SDG 12) dat verder gaat dan de beginselen van de kringloopeconomie en die de effecten voor milieu, maatschappij en mensenrechten aankaart; beklemtoont dat de EU moet focussen op de bevordering van duurzame voedselproductie en veerkrachtige landbouwpraktijken die de productiviteit en productie verhogen; erkent dat vrouwelijke landbouwers in verband met voedselzekerheid specifieke behoeften hebben;

87.  wijst erop dat het belangrijk is te blijven werken aan de toegang tot water, sanitaire voorzieningen en hygiëne als sectoroverschrijdende thema's die van invloed zijn op het behalen van de andere doelstellingen op de agenda voor de periode na 2015, waaronder gezondheid, onderwijs en gendergelijkheid;

88.  vraagt de EU mondiale initiatieven te bevorderen die uitdagingen in verband met de snel toenemende verstedelijking aanpakken en veiliger, meer inclusieve en duurzame steden tot stand te brengen; is in dit verband ingenomen met de recente goedkeuring van de Nieuwe Stedenagenda door de VN-conferentie over huisvesting en duurzame urbanisatie (Habitat III) die streeft naar het vinden van betere manieren om steden te plannen, ontwerpen, financieren, ontwikkelen, besturen en beheren en op die manier armoede en honger te bestrijden, de gezondheid te verbeteren en het milieu te beschermen;

89.  pleit voor meer inspanningen van de EU op het vlak van de bescherming van de oceanen en de rijkdommen van de zee; is in dit verband verheugd over recente initiatieven van de Europese Commissie om het internationaal bestuur van de oceanen te verbeteren teneinde een beter beheer te bevorderen en de effecten van de klimaatverandering op de zeeën en ecosystemen te beperken;

90.  benadrukt in dit verband dat het van groot belang is om aandacht te besteden aan het verband met een grotere productiviteit in de duurzame landbouw en visserij, dit leidt namelijk tot minder verlies en verspilling van voedsel, een transparant beheer van natuurlijke hulpbronnen en aanpassing aan de klimaatverandering;

EU-ontwikkelingsbeleid

91.  herhaalt de relatieve voordelen van het EU-optreden voor ontwikkeling, waaronder haar wereldwijde aanwezigheid, de flexibiliteit van de instrumenten en methoden die tot haar beschikking staan, haar rol in en engagement voor beleidscoherentie en -coördinatie, haar op rechten en democratie gebaseerde aanpak, haar schaalgrootte wat betreft de levering van het kritieke aandeel van subsidies en haar consistente steun voor het maatschappelijk middenveld;

92.  beklemtoont dat de EU haar comparatieve voordelen moet omzetten in meer aandacht in haar acties voor een bepaald aantal beleidsterreinen, onder meer democratie, goed bestuur en mensenrechten, mondiale collectieve goederen en uitdagingen, handel en regionale integratie, en het aanpakken van de onderliggende oorzaken van onveiligheid en gedwongen migratie; onderstreept dat een dergelijke focus moet worden afgestemd op de behoeften en prioriteiten van de afzonderlijke ontwikkelingslanden en -regio's volgens de beginselen van eigen verantwoordelijkheid en partnerschap;

93.  herinnert aan de steeds grotere rol van sport in ontwikkeling en vrede, doordat sport bijdraagt tot verdraagzaamheid en een cultuur van wederzijds respect, helpt om de positie van vrouwen en jongeren alsook individuen en gemeenschappen te versterken en bevorderlijk is voor de gezondheid, het onderwijs en de sociale inclusie;

94.  benadrukt het belang van een collectief, alomvattend, transparant en tijdig verantwoordingssysteem voor de monitoring en herziening van de uitvoering van de Agenda 2030 en de consensus door de EU en de lidstaten en wijst erop dat jaarlijkse verslaglegging over de vooruitgang van de uitvoering van alle toezeggingen op het vlak van ontwikkeling, waaronder die over doeltreffendheid, over beleidscoherentie voor ontwikkeling en over officiële ontwikkelingshulp, noodzakelijk blijft voor verantwoordingsplicht en parlementair toezicht; betreurt de recente en verwachte lacunes in de verslaglegging; is ingenomen met het plan van de Commissie om een tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de consensus uit te voeren;

°

°  °

95.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de EDEO.

(1)

 http://ec.europa.eu/development/body/development_policy_statement/docs/edp_declaration_signed_20_12_2005_en.pdf

(2)

http://www.oecd.org/dac/effectiveness/49650173.pdf

(3)

http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-14684-2016-INIT/nl/pdf

(4)

http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E

(5)

http://www.un.org/esa/ffd/wp-content/uploads/2015/08/AAAA_Outcome.pdf

(6)

 http://www.g7plus.org/sites/default/files/resources/Dili%20Declaration%20and%20g7%2B%20Statement%20%5BENGLISH%5D.pdf

(7)

https://unfccc.int/resource/docs/2015/cop21/eng/l09r01.pdf

(8)

https://www.worldhumanitariansummit.org/

(9)

https://habitat3.org/the-new-urban-agenda/

(10)

http://effectivecooperation.org/wp-content/uploads/2016/05/4314021e.pdf

(11)

http://www.lisbon-treaty.org/wcm/the-lisbon-treaty/treaty-on-the-functioning-of-the-european-union-and-comments/part-5-external-action-by-the-union/title-3-cooperation-with-third-countries-and-humantarian-aid/chapter-1-development-cooperation/496-article-208.html

(12)

Conclusies van de Raad, 15.5.2007.

(13)

Conclusies van de Raad, 19.5.2014

(14)

Document van de Raad 10715/16.

(15)

Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0446.

(16)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0320.

(17)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0558.

(18)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.

(19)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0196.

(20)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0265.

(21)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0137.

(22)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0224.

(23)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0246.

(24)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.

(25)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0299.

(26)

Aangenomen teksten van 11 december 2013, P7_TA(2013)0558.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Ignazio Corrao, Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, György Hölvényi, Stelios Kouloglou, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Eleni Theocharous, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská, Joachim Zeller, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Jan Zahradil


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

21

+

ALDE

Paavo Väyrynen

ECR

Eleni Theocharous, Jan Zahradil

EFDD

Ignazio Corrao

GUE/NGL

Stelios Kouloglou, Lola Sánchez Caldentey

PPE

Agustín Díaz de Mera García Consuegra, György Hölvényi, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller, Željana Zovko

S&D

Doru-Claudian Frunzulica, Enrique Guerrero Salom, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Elly Schlein

VERTS/ALE

Heidi Hautala, Maria Heubuch

1

-

PPE

Anna Záborská

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid