Procedure : 2016/2295(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0047/2017

Ingediende teksten :

A8-0047/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 02/03/2017 - 6.1

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0056

VERSLAG     
PDF 286kWORD 57k
28.2.2017
PE 595.654v02-00 A8-0047/2017

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen

(2016/2295(IMM))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: Laura Ferrara

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen

(2016/2295(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen, dat is toegezonden op 5 oktober 2016 door Jean-Jaques URVOAS, grootzegelbewaarder, minister van Justitie, in het kader van een onderzoeksprocedure tegen Marine Le Pen bij de rechtbank van eerste aanleg van Nanterre wegens verspreiding via haar Twitteraccount van islamistische beelden met een gewelddadig karakter,

–  na Jean-François Jalkh als vertegenwoordiger van Marine Le Pen te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0047/2017),

A.  overwegende dat de Franse gerechtelijke instanties hebben verzocht om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen, lid van het Europees Parlement en voorzitter van het Front National (FN), in het kader van een procedure wegens verspreiding door middel van haar Twitteraccount van beelden met een gewelddadig karakter waarin de terechtstellingen te zien zijn van drie gijzelaars van de terroristische groep ISIS, met als begeleidende commentaar "Zie, dit is ISIS", d.d. 16 december 2015, aansluitend bij een interview op radiozender RMC waar de opkomst van het FN vergeleken was met de actie van de terroristische groep ISIS;

B.  overwegende dat uit de rechtspraak van het Europees Parlement blijkt dat de immuniteit van een lid van deze assemblee kan worden opgeheven, als de uitspraken en/of beelden waarop het geding betrekking heeft, geen rechtstreeks of vanzelfsprekend verband houden met de uitoefening door het vervolgde lid van zijn functies als lid van het Europees Parlement en zij geen uiting zijn van meningen of stemmen die zijn uitgebracht in het kader van deze functies in de zin van artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 26 van de Grondwet van de Franse republiek;

C.  voorts overwegende dat artikel 9 van Protocol nr. 7 bepaalt dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

D.  overwegende dat de verspreiding van beelden met een gewelddadig karakter die de menselijke waardigheid kunnen schenden, een misdrijf is dat strafbaar is op grond van de artikelen 227-24, 227-29 en 227-31 van het Franse strafwetboek;

E.  overwegende dat artikel 6-1 van Franse wet nr. 2004-575 van 21 juni 2004 ter bevordering van het vertrouwen in de digitale economie ("Pour la Confiance dans l'Économie Numérique"), waarmee de omzetting is gerealiseerd van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel ("richtlijn inzake elektronische handel"), betrekking heeft op de activiteiten van dienstverleners van de informatiemaatschappij en niet op activiteiten met een individueel karakter;

F.  overwegende dat, hoewel de beelden die door Marine Le Pen zijn gepubliceerd, voor iedereen toegankelijk zijn op de zoekmachine Google en veelvuldig overgenomen zijn op het net na de oorspronkelijke publicatie ervan, het gewelddadige karakter van deze beelden niettemin nog steeds de menselijke waardigheid kan schenden;

G.  overwegende dat om de verwijdering van de drie foto's is verzocht door de familie van gijzelaar James Foley op 17 december 2015, d.i. na het optreden van de gerechtelijke instanties, en dat Marine Le Pen na dit verzoek uitsluitend de foto van James Foley heeft verwijderd;

H.  overwegende dat de timing van de gerechtelijke procedure tegen Marine Le Pen overeenkomt met de gangbare timing van procedures op het gebied van pers en andere communicatiemiddelen en dat er dus geen reden is om een geval te vermoeden van fumus persecutionis, d.w.z. een situatie waar aanwijzingen of de schijn wijzen op een vervolgingsintentie ten aanzien van de betrokkene;

I.  overwegende dat artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek bepaalt dat leden van het Parlement niet in een strafrechtelijke zaak kunnen worden aangehouden of anderszins aan vrijheidsbenemende of -beperkende maatregelen worden onderworpen zonder toestemming van het Parlement;

J.  overwegende dat het niet toekomt aan het Europees Parlement om zich uit te spreken over de vraag of het lid schuldig is, noch over de wenselijkheid het lid wegens de handelingen die het lid worden verweten, strafrechtelijk te vervolgen;

1.  besluit de immuniteit van Marine Le Pen op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Franse Republiek en aan Marine Le Pen.

(1)

Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


TOELICHTING

I.  IN FEITE

Op de vergadering van 24 oktober 2016 heeft de Voorzitter overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement meegedeeld op 5 oktober 2016 een brief te hebben ontvangen van Jean-Jaques Urvoas, grootzegelbewaarder, minister van Justitie, waarin werd verzocht om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Reglement heeft de Voorzitter dit verzoek doorverwezen naar de Commissie juridische zaken.

De onderzoeksprocedure tegen Marine Le Pen is door de Franse gerechtelijke instanties gestart na de verspreiding via het Twitteraccount van Marine Le Pen van drie beelden met een gewelddadig karakter die de menselijke waardigheid kunnen schenden waarin de terechtstelling te zien is van drie gijzelaars van de terroristische groep ISIS op 16 december 2015. De drie foto's, waarop de afgebeelde personen niet onherkenbaar waren gemaakt, toonden James Foley, Amerikaans gijzelaar die onthoofd is, Moaz Al-Kazabeh, Jordaans piloot die levend verbrand is in een kooi, en Fadi Ammar Zidan, Syrisch soldaat die levend doodgedrukt is door de rupsbanden van een tank. De foto's gingen vergezeld van deze commentaar van Marine Le Pen: "Zie, dit is ISIS!". Deze publicatie bleek te volgen op een interview dat dezelfde dag was afgenomen van politicoloog Gilles Repel door Jean-Jacques Bourdin op de zender RMC, waar een vergelijking was gemaakt tussen de opkomst van het FN en het optreden van ISIS. Marine Le Pen had vóór de publicatie van de omstreden foto's namelijk de volgende commentaren gepubliceerd: "De parallel die Jean-Jacques Bourdin vanmorgen heeft getrokken tussen ISIS en het FN, is een onaanvaardbare uitschuiver. Hij moet zijn weerzinwekkende uitspraken intrekken."

Op de hoogte gesteld van de feiten en de gedane vaststellingen heeft de procureur van de Republiek van Nanterre de sluiting en overzending gevraagd van de procedure die gestart was door het Centraal Bureau voor de bestrijding van misdaad op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën (Office Central de Lutte contre la Criminalité liée aux Technologies de l’Information et de la Communication, OCLCTIC), om de zaak aanhangig te maken bij de Brigade voor de repressie van criminaliteit jegens personen (Brigade de Répression de la Délinquance aux Personnes, BRDP) in Parijs.

De volgende dag, 17 december 2015, heeft de familie van gijzelaar James Foley gevraagd de drie foto's te verwijderen. Marine Le Pen heeft alleen de foto verwijderd van James Foley, met de woorden "Ik wist niet dat het een foto was van James Foley. Iedereen kan die bekijken op Google. Ik heb vanmorgen vernomen dat zijn familie mij vraagt de foto te verwijderen. Natuurlijk heb ik dat onmiddellijk gedaan."

Marine Le Pen was opgeroepen om op 5 januari 2016 te worden gehoord door de diensten van de BRDP. Op 4 januari 2016 heeft meester David Dassa-Le Deist, raadsman van Marine Le Pen, de onderzoekers meegedeeld dat zijn cliënte aan deze oproep geen gehoor zou geven en van plan was "alleen uitleg te verstrekken, in voorkomend geval en volgens de geldende voorschriften, aan een lid van de zittende magistratuur".

Op 21 januari 2016 heeft de procureur van de Republiek, Catherine Denis, een vooronderzoek gestart wegens verspreiding van beelden met een gewelddadig karakter die de menselijke waardigheid kunnen schenden, een misdrijf dat strafbaar is op grond van de artikelen 227-24, 227-29 en 227-31 van het Franse strafwetboek.

Op 31 maart 2016 is Marine Le Pen opgeroepen voor een eerste verhoor op 29 april 2016 om 10.30 uur. Per brief van 28 april 2016 heeft meester David Dassa-Le Deist de rechtbank meegedeeld dat Marine Le Pen 's anderendaags niet zou verschijnen, onder verwijzing naar de immuniteit die zij geniet als lid van het Europees Parlement, aangezien het gaat om handelingen die betrekking hebben op haar vrijheid van meningsuiting. Hij voegde hieraan toe: "Ik verzeker u dat uw rechtsbevoegdheid niet in het geding is, maar dat het gaat om de acties van de procureur, die als doel hebben, in verband met een onderwerp dat uiterst belangrijk is, de vrijheid van meningsuiting te ondermijnen van een Frans parlementslid."

Op 30 augustus 2016 heeft de ondervoorzitter die belast was met het onderzoek, Carole Bochter, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep van Versailles, met kopie aan de procureur van de republiek bij de rechtbank van eerste aanleg van Nanterre, het verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Marine Le Pen toegezonden.

Op 7 september 2016 heeft de procureur-generaal, Marc Robert, het origineel van het verzoek om opheffing van de parlementaire immuniteit van Marine Le Pen doen toekomen aan de grootzegelbewaarder, minister van Justitie, Jean-Jaques Urvoas.

Op 5 oktober 2016 heeft de minister van Justitie, Jean-Jaques Urvoas, aan de Voorzitter van het Europees Parlement, Martin Schulz, het verzoek van de procureur-generaal bij het hof van beroep van Versailles tot verkrijging van de opheffing van de parlementaire immuniteit van Marine Le Pen toegezonden, om deze te kunnen verhoren over de feiten die haar ten laste worden gelegd.

II.  IN RECHTE

a)  Geldende bepalingen van het Europees recht

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

"Artikel 8

Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

Artikel 9

Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:

a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.

Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen."

Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van 20 september 1976.

"Artikel 6, lid 2

De leden van het Europees Parlement genieten de voorrechten en immuniteiten die op hen van toepassing zijn uit hoofde van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen."

Conclusies van het arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10.

"(...) Artikel 8 van het Protocol [betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gevoegd bij het VEU, het VWEU en het Eurazië-Verdrag, moet] aldus (...) worden uitgelegd dat een door een Europees afgevaardigde buiten het Europees Parlement afgelegde verklaring die in zijn lidstaat van herkomst heeft geleid tot strafvervolging wegens lasterlijke aanklacht, slechts een in de uitoefening van zijn parlementair ambt uitgebrachte mening vormt die onder de in die bepaling neergelegde immuniteit valt, indien die verklaring een subjectieve beoordeling weergeeft die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van dat ambt. De nationale rechter dient te beoordelen of die voorwaarden in de hoofdzaak vervuld zijn. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of die voorwaarden in een bepaald geval vervuld zijn."

b)  Geldende bepalingen van het Franse recht

Grondwet van de Franse Republiek

"Artikel 26

"Leden van het Parlement kunnen niet worden vervolgd, aangehouden, in hechtenis genomen of berecht op grond van meningen die zij hebben geuit of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat.

Geen lid van het parlement kan zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of overtreding worden aangehouden of aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen worden onderworpen. Die toestemming is niet vereist in geval van betrapping op heterdaad of bij een veroordeling in kracht van gewijsde.

De detentie, de vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen of de strafvervolging van een lid van het parlement worden voor de duur van de zitting geschorst indien de wetgevende kamer waarvan hij deel uitmaakt, daarom verzoekt.

De betrokken vergadering wordt van rechtswege bijeengeroepen voor extra zittingen om in voorkomende gevallen bovengenoemde alinea te kunnen toepassen."

Frans strafwetboek

"Artikel 227-24

Het opstellen, distribueren, verspreiden, op welke wijze en op welke drager ook, van een boodschap die een gewelddadig karakter heeft, aanzet tot terrorisme, van pornografische aard is, de menselijke waardigheid ernstig schendt of minderjarigen aanzet tot spelen die hen fysiek in gevaar brengen, dan wel het verhandelen van een dergelijke boodschap, wordt bestraft met een gevangenisstraf van drie jaar en een boete van 75 000 EUR, als deze boodschap kan worden gezien of waargenomen door een minderjarige.

Als de inbreuken in dit artikel worden gepleegd via de geschreven of audiovisuele pers of via openbare communicatie online, zijn de specifieke bepalingen van de wetten die deze kwesties regelen, van toepassing, wat het bepalen betreft van de verantwoordelijke personen."

"Artikel 227-29

Natuurlijke personen die schuldig zijn aan de inbreuken in dit hoofdstuk, worden de volgende bijkomende straffen opgelegd:

1. ontneming van de burgerlijke rechten, burgerrechten en familierechten, volgens de regels van artikel 131-26;

2. inhouding voor een periode van vijf jaar of meer van het rijbewijs, waarbij deze inhouding beperkt kan zijn tot rijden dat geen verband houdt met de beroepsactiviteit;

3. nietigverklaring van het rijbewijs met verbod de afgifte te vragen van een nieuw rijbewijs gedurende vijf jaar of meer;

4. verbod voor een periode van vijf jaar of meer het grondgebied van de Republiek te verlaten;

5. inbeslagname van het voorwerp dat heeft gediend of bedoeld was voor het plegen van de inbreuk of van het voorwerp dat hiervan het resultaat is;

6. verbod, definitief of voor een periode van tien jaar of meer, om een beroeps- of vrijwillige activiteit uit te oefenen waarbij sprake is van geregeld contact met minderjarigen;

7. verplichting een stage te volgen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, volgens de regels van artikel 131-35-1;

8. voor de misdrijven van de artikelen 227-2 en 227-16, verbod, volgens de regels van artikel 131-27, een publieke functie uit te oefenen of de beroeps- of sociale activiteit uit te oefenen bij de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening waarvan de inbreuk is gepleegd, dan wel een commercieel of industrieel beroep uit te oefenen of een commerciële of industriële onderneming of handelsvennootschap te leiden, besturen, beheren of controleren, in welke hoedanigheid ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor eigen rekening of voor rekening van een ander. Deze verbodsbepalingen op het gebied van uitoefening kunnen cumulerend worden uitgesproken."

"Artikel 227-31

Personen die schuldig zijn aan de inbreuken in de artikelen 227-22 tot 227-27, kunnen ook worden veroordeeld tot sociaaljustitiële begeleiding volgens de regels van de artikelen 131-36-1 à 131-36-13."

Wet nr. 2004-575 van 21 juni 2004 ter bevordering van het vertrouwen in de digitale economie ("Pour la Confiance dans l'Économie Numérique")

"Artikel 1, IV

Zoals bepaald in artikel 1 van wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie, is openbare communicatie op elektronische wijze vrij.

De uitoefening van deze vrijheid kan slechts worden beperkt in zoverre dit nodig is, enerzijds, voor de eerbiediging van de waardigheid van de menselijke persoon, andermans vrijheid en eigendom, het pluriforme karakter van de uiting van denkrichtingen en opinies en, anderzijds, de verdediging van de openbare orde, de behoeften op het gebied van landsverdediging, de vereisten van de openbare dienst en de technische beperkingen die eigen zijn aan communicatiemiddelen, alsmede het feit dat de audiovisuele diensten de audiovisuele productie moeten ontwikkelen.

Onder openbare communicatie op elektronische wijze wordt elke activiteit verstaan waarbij door een procedé van elektronische communicatie tekens, signalen, geschriften, beelden, geluiden of boodschappen van welke aard ook die niet het karakter hebben van privécorrespondentie, ter beschikking worden gesteld van het publiek of van publiekscategorieën.

Onder openbare communicatie online wordt elke transmissie op individueel verzoek verstaan van digitale gegevens die niet het karakter hebben van privé-correspondentie, door een procedé van elektronische communicatie die een wederzijdse uitwisseling mogelijk maakt van informatie tussen verzender en ontvanger.

Onder elektronische post wordt elke boodschap verstaan, in de vorm van tekst, stem, geluid of beeld, die wordt verstuurd via een openbaar communicatienet en opgeslagen op een server van het net of in de eindapparatuur van de geadresseerde, totdat deze haar ophaalt."

"Artikel 6-1

Als het verantwoord is doordat de strijd tegen het uitlokken van terroristische daden of de verheerlijking van deze daden overeenkomstig artikel 421-2-5 van het strafwetboek of tegen de verspreiding van beelden of afbeeldingen van minderjarigen overeenkomstig artikel 227-23 van het strafwetboek het vereist, kan de administratieve autoriteit ieder persoon in artikel 6, onder III, van deze wet, of de personen in artikel 6, onder I, punt 2, van deze wet verzoeken de inhoud die strijdig is met genoemde artikelen 421-2-5 en 227-23, te verwijderen. Zij brengt de personen in artikel 6, onder I, punt 1, van deze wet hiervan gelijktijdig op de hoogte.

Als de bedoelde inhoud niet binnen 24 uur is verwijderd, kan de administratieve autoriteit de personen in genoemd punt 1 de lijst verstrekken van de elektronische adressen van de openbare onlinecommunicatiediensten die genoemde artikelen 421-2-5 en 227-23 schenden. Deze personen moeten dan onverwijld de toegang tot deze adressen beletten. Als de persoon in artikel 6, onder III, de daar vermelde informatie niet ter beschikking stelt, kan de administratieve autoriteit evenwel overgaan tot de in de eerste zin van deze alinea bedoelde verstrekking zonder vooraf om de verwijdering van de inhoud te hebben verzocht overeenkomstig de voorwaarden in de eerste zin van de eerste alinea van dit artikel.

De administratieve autoriteit zendt de respectievelijk in de eerste en tweede alinea genoemde verzoeken om verwijdering en lijst naar een gekwalificeerd persoon die de Nationale Commissie voor informatica en vrijheden binnen de commissie heeft aangewezen voor de duur van zijn mandaat in deze instantie. Hij kan niet worden aangewezen onder de personen in artikel 13, onder I, 1°, van wet nr. 78-17 van 6 januari 1978 betreffende informatica, bestanden en vrijheden. De gekwalificeerde persoon vergewist zich van de regelmatigheid van de verzoeken om verwijdering en van de voorwaarden inzake vaststelling, bijwerking, verstrekking en gebruik van de lijst. Als hij een onregelmatigheid vaststelt, kan hij de administratieve autoriteit op elk moment aanbevelen deze te beëindigen. Als de administratieve autoriteit deze aanbeveling niet volgt, kan de gekwalificeerde persoon de zaak aanhangig maken bij het bevoegde administratieve gerecht, in kortgeding of met een verzoekschrift.

De administratieve autoriteit kan de elektronische adressen waarvan de inhoud strijdig is met de artikelen 421-2-5 en 227-23 van het strafwetboek, ook verstrekken aan zoekmachines of adressenlijsten, die elke nuttige maatregel nemen om de opname van een verwijzing naar de openbare onlinecommunicatiediensten stop te zetten. De procedure van de derde alinea van dit artikel is van toepassing.

De in deze derde alinea genoemde gekwalificeerde persoon publiceert jaarlijks een activiteitenverslag over de omstandigheden van de uitoefening van zijn activiteit en de resultaten hiervan, waarin met name het aantal verzoeken om verwijdering, de hoeveelheid inhoud die is verwijderd, de redenen voor de verwijdering en het aantal aanbevelingen dat is gedaan aan de administratieve autoriteit, worden gepreciseerd. Dit rapport wordt toegezonden aan de regering en het parlement.

De toepassingswijze van dit artikel wordt gepreciseerd per decreet, met name de eventuele compensatie van verantwoorde meerkosten als gevolg van de verplichtingen die worden opgelegd aan de exploitanten.

Elke niet-naleving van de in dit artikel gedefinieerde verplichtingen wordt bestraft met de sancties in artikel 6, onder VI, punt 1, van deze wet."

III.  OVERWEGINGEN/MOTIVERING

Overeenkomstig de artikelen 227-24, 227-29 en 227-31 van het Franse strafwetboek, op grond waarvan de verspreiding van beelden met een gewelddadig karakter die de menselijke waardigheid kunnen schenden, een strafbaar misdrijf is, hebben de Franse gerechtelijke instanties verzocht om opheffing van de immuniteit van Marine Le Pen, lid van het Europees Parlement en voorzitter van het FN, wegens de publicatie op haar Twitteraccount van drie beelden waarin de terechtstellingen te zien zijn van drie gijzelaars van de terroristische groep ISIS, met als begeleidende commentaar "Zie, dit is ISIS", d.d. 16 december 2015, aansluitend bij een interview op radiozender RMC waar de opkomst van het FN vergeleken was met de actie van de terroristische groep ISIS.

Allereerst geldt dat, hoewel de beelden in kwestie voor iedereen toegankelijk zijn op de zoekmachine Google en veelvuldig overgenomen zijn op het net na de oorspronkelijke publicatie ervan, het gewelddadige karakter van deze beelden dat de menselijke waardigheid kan schenden, onmiskenbaar is, zodat de publicatie ervan een daad is die strafrechtelijk kan worden vervolgd;

Bovendien heeft artikel 6-1 van Franse wet nr. 2004-575 van 21 juni 2004 ter bevordering van het vertrouwen in de digitale economie ("Pour la Confiance dans l'Économie Numérique"), dat erin voorziet dat geen strafrechtelijke procedure wordt gestart tegen dienstverleners van de informatiemaatschappij, als de beelden met een gewelddadig karakter worden verwijderd binnen 24 uur na de mededeling van de bevoegde instantie dat zij verwijderd worden moeten, precies uitsluitend betrekking op de activiteiten van dienstverleners van de informatiemaatschappij en niet op activiteiten met een privé/individueel karakter – zoals het geval is in onderhavige zaak. In verband hiermee zij ook onderstreept dat mevrouw Le Pen alleen de foto heeft verwijderd van de terechtstelling van gijzelaar James Foley en niet de twee andere beelden.

Tot slot is er, gezien het feit dat de timing van de gerechtelijke procedure tegen Marine Le Pen overeenkomt met de typische timing van procedures op het gebied van pers en andere communicatiemiddelen, geen reden om een geval te vermoeden van fumus persecutionis, d.w.z. een situatie waar aanwijzingen of de schijn wijzen op een vervolgingsintentie ten aanzien van de betrokkene.

IV.  CONCLUSIE

Op basis van bovenstaande overwegingen en overeenkomstig artikel 9 van het Reglement, na onderzoek van de argumenten vóór en tegen opheffing van de immuniteit van het lid, beveelt de Commissie juridische zaken aan dat het Europees Parlement de parlementaire immuniteit van Marine Le Pen opheft.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.2.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Kostas Chrysogonos, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Laura Ferrara, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Jiří Maštálka, Emil Radev, Evelyn Regner, Pavel Svoboda, Axel Voss, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pascal Durand, Evelyne Gebhardt, Heidi Hautala, Virginie Rozière, Tiemo Wölken

Juridische mededeling - Privacybeleid