Procedure : 2016/2079(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0179/2017

Ingediende teksten :

A8-0179/2017

Debatten :

PV 12/06/2017 - 16
CRE 12/06/2017 - 16

Stemmingen :

PV 13/06/2017 - 5.11
CRE 13/06/2017 - 5.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0255

VERSLAG     
PDF 344kWORD 73k
11.5.2017
PE 595.446v02-00 A8-0179/2017

over de toestand van de visbestanden en de sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee

(2016/2079(INI))

Commissie visserij

Rapporteur: Marco Affronte

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de toestand van de visbestanden en de sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee

(2016/2079(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(1),

–  gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie)(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999(4),

–  gezien de middellangetermijnstrategie van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) voor de periode 2017-2020, gericht op de duurzaamheid van de visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee,

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van de door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (Cogeca), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de EU (Europêche) gesloten overeenkomst van 21 mei 2012, zoals gewijzigd op 8 mei 2013, betreffende de uitvoering van het Verdrag inzake arbeid in de visserij van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007(5),

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen resolutie "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de regionale conferentie over "Building a future for sustainable small-scale fisheries in the Mediterranean and the Black Sea" (Algiers, Algerije 7-9 maart 2016),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0179/2017),

A.  overwegende dat de Middellandse Zee, met 17 000 mariene soorten, een van de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld is; overwegende dat daarom een meersoortige aanpak nodig is bij de besluitvorming over het beheer ervan;

B.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling "Raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2017 in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid" (COM(2016) 396) van oordeel is dat de Middellandse Zee nog steeds zwaar overbevist wordt, en aandringt op maatregelen om deze toestand te verbeteren; overwegende dat de Commissie in dit document haar bezorgdheid uit over het feit dat een groot aantal van de beoordeelde soorten fors boven de geraamde MSY-streefwaarde (maximale duurzame opbrengst) worden bevist;

C.  overwegende dat het Middellandse Zeegebied voor de grote uitdaging staat om uiterlijk in 2020 voor alle bestanden het doel te verwezenlijken van een geleidelijk herstel en behoud van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren; overwegende dat deze uitdaging vereist dat ook niet-EU-landen deelnemen en zich engageren; overwegende dat het totale niveau van overbevissing in het bekken over het algemeen 2 à 3 keer zo hoog ligt als de FMSY; overwegende dat, hoewel er zowel binnen als buiten de Europese Unie aanzienlijke inspanningen geleverd zijn om ervoor te zorgen dat de wetgeving ten uitvoer wordt gelegd en in acht wordt genomen door de visserijsector, meer dan 93 % van de beoordeelde soorten in de Middellandse Zee nog steeds overbevist wordt;

D.  overwegende dat visserij in deze regio een groot sociaal-economisch belang heeft voor de bevolking in de kustgebieden; overwegende dat in de sector, met inbegrip van de secundaire verwerkingsindustrie, honderdduizenden mensen actief zijn en dat met name een aanzienlijk aantal vrouwen van de visserij afhankelijk is voor werkgelegenheid; overwegende dat de Middellandse Zee een belangrijke bijdrage levert aan het waarborgen van voedselzekerheid, met name voor de kwetsbaarste bevolkingsgroepen in de regio; overwegende dat de visserij voor aanvullende inkomsten en voedselvoorraden zorgt en de regionale stabiliteit ten goede komt;

E.  overwegende dat de Middellandse Zee te maken heeft met de aanwezigheid van verschillende factoren – zoals verontreiniging als gevolg van de scheepvaart – die, samen met de visserij, de gezondheid van de visbestanden beïnvloeden;

F.  overwegende dat kleinschalige visserij 80 % van de vloot en 60 % van de banen in het Middellandse Zeegebied vertegenwoordigt; overwegende dat het te betreuren valt dat er geen gemeenschappelijke definitie van "kleinschalige visserij" op Europees niveau bestaat, al is dit een lastige klus gezien de uiteenlopende specifieke kenmerken van het mariene ecosysteem en de visserijsector; overwegende dat "kleinschalige kustvisserij" uitsluitend formeel omschreven wordt voor de toepassing van het Europees Visserijfonds (Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad) als "visserij door vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die geen gebruikmaken van gesleept vistuig" (zoals trawlers); overwegende dat bij de omschrijving van kleinschalige visserij de uiteenlopende nationale en regionale kenmerken in acht moeten worden genomen;

G.  overwegende dat tijdens de in februari 2016 in Catania gehouden vergadering op hoog niveau over de status van de mediterrane soorten overeenstemming werd bereikt over het feit dat deze negatieve ontwikkelingen dringend moeten worden gekeerd, en werd erkend dat de Unie voor de grote uitdaging staat om uiterlijk 2020 voor alle bestanden het herstel en behoud te verzekeren van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en te voldoen aan de in het kader van het GVB aangegane verplichting om de MSY-doelstelling te bereiken;

H.  overwegende dat de Middellandse Zee niet alleen te maken heeft met overbevissing, maar ook met tal van andere uitdagingen, waarvan de meeste kunnen worden toegeschreven aan de dichtbevolkte kust (overschot aan voedingsstoffen, verontreinigende stoffen, veranderingen in habitats en kusten), maar ook aan het zeevervoer en de buitensporige exploitatie van hulpbronnen, zoals olie- en gaswinning; overwegende dat het Middellandse Zeegebied bovendien erg gevoelig is voor klimaatverandering, wat, naast het intensieve scheepvaartverkeer, de introductie en vestiging van nieuwe invasieve soorten in de hand werkt;

I.  overwegende dat de onmogelijkheid om gebruik te maken van specifieke technieken en tuig, die aanvaardbaarder zijn en minder gevolgen hebben voor de status van bedreigde bestanden, een ernstig effect heeft op de levensvatbaarheid van toch al gemarginaliseerde kust- en eilandgemeenschappen, ontwikkeling belemmert en ontvolking in de hand werkt;

J.  overwegende dat kustgemeenschappen in de lidstaten rond de Middellandse Zee sterk afhankelijk zijn van visserij en kleinschalige visserij in het bijzonder, en dus worden bedreigd door de gebrekkige duurzaamheid van visbestanden;

K.  overwegende dat tal van kustgemeenschappen in de EU sterk afhankelijk zijn van traditionele, ambachtelijke en kleinschalige visserijactiviteiten in het Middellandse Zeebekken;

L.  overwegende dat recreatieve visserij in veel regio's rondom de Middellandse Zee van sociaal-economische waarde is, alsook directe en indirecte effecten heeft op de werkgelegenheid;

M.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de rol van de recreatieve visserij met betrekking tot de toestand van de visbestanden in de Middellandse Zee;

1.  benadrukt dat het belangrijk is de doelstellingen van en acties met betrekking tot het GVB op korte termijn volledig te realiseren, en wijst op het belang van een tijdige opstelling en doeltreffende tenuitvoerlegging van de meerjarige beheersplannen, aan de hand van een op regionalisering en soortenrijkdom gebaseerde aanpak; onderstreept met name dat het nodig is een goede milieutoestand te bereiken, zoals vastgesteld in de Kaderrichtlijn mariene strategie van de EU (Richtlijn 2008/56/EG), ermee rekening houdend dat maatregelen inzake visserijbeheer in het kader van het GVB moeten worden genomen;

2.  is van mening dat er voor de Middellandse Zee een andere regeling moet blijven gelden dan voor de andere zeebekkens waarop het GVB van toepassing is, aangezien een groot deel van de Middellandse Zee tot de internationale wateren behoort en derde landen dus een doorslaggevende rol spelen in de toestand van de visbestanden;

3.  acht een collectieve reactie, gebaseerd op samenwerking en op verschillende niveaus, namelijk op internationaal, Europees, nationaal en regionaal niveau, dringend noodzakelijk; is van mening dat alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van beroeps- en sportvissers, de visserijsector, traditionele en ambachtelijke kleinschalige vissers, wetenschappers, regionale organisaties, beheerders van beschermde mariene zones, vakbonden en ngo's, betrokken moeten worden bij een inclusief bottom-upproces; benadrukt de strategische rol van de adviesraad voor de Middellandse Zee in deze context;

4.  benadrukt dat, indien de kustgemeenschappen, die moeten worden ingelicht over de gevaren van uitgeputte bestanden en soorten voor hun sociaal-economische toekomst, zich niet bewust worden van het probleem, geen volledige steun geven en niet worden betrokken, de beheersmaatregelen en -voorschriften niet volledig tot hun recht zullen komen;

5.  wijst erop dat er geen gemeenschappelijke, gedetailleerde definities zijn van kleinschalige en ambachtelijke visserij; benadrukt dat met het oog op verdere beleidsmaatregelen zo spoedig mogelijk dergelijke definities op EU-niveau moeten worden vastgesteld;

6.  benadrukt dat het visserijbeleid zo moet worden uitgestippeld dat de vissers en hun verenigingen, producentenorganisaties, vakbonden, kustactiegroepen en plaatselijke gemeenschappen in overeenstemming met het regionaliseringsbeginsel van het GVB worden betrokken bij en deel kunnen nemen aan de besluitvorming, en dat op dit gebied dient te worden samengewerkt met derde landen aan de oost- en zuidkust van de Middellandse Zee; beklemtoont dat er eerlijke, evenwichtige en gelijke voorwaarden voor alle betrokken landen en visserij-ondernemingen rond de Middellandse Zee moeten worden geschapen om gezonde visbestanden en de duurzaamheid en rentabiliteit van de visserij te waarborgen en er zodoende voor te zorgen dat het huidige werkgelegenheidsniveau in de visserij in stand wordt gehouden en idealiter zelfs wordt verhoogd; wijst met nadruk op de belangrijke rol van sterke en onafhankelijke sociale partners in de visserijsector, van een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog en van medezeggenschap van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden;

7.  wijst erop dat in het GVB stimulansen, met inbegrip van vismogelijkheden, zijn opgenomen voor selectief vissen met een beperkte impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden; benadrukt in dit verband dat de lidstaten transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard moeten hanteren (artikel 17 van de GVB-verordening); dringt erop aan dat er inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat kleinschalige (ambachtelijke en traditionele) vloten meer stimulansen en preferentiële toegang tot de visgronden in kustwateren krijgen als zij selectief vissen op een wijze die een beperkte impact heeft; benadrukt dat het belangrijk is om de betrokken kustgemeenschappen te raadplegen;

8.  constateert dat het effect van de recreatieve visserij op de visbestanden in de Middellandse Zee en het sociaal-economische potentieel ervan onvoldoende zijn onderzocht; meent dat in de toekomst gegevens moeten worden verzameld over het aantal sportvissers, de door hen gevangen hoeveelheden vis en de door hen gecreëerde waarde in de kustgemeenschappen;

9.  merkt op dat de plaatselijke gemeenschappen heel wat economische inkomsten halen uit de recreatieve visserij, via bijvoorbeeld toerisme, en dat de recreatieve visserij een geringe impact op het milieu heeft en dus moet worden aangemoedigd;

10.  vindt het uiterst belangrijk om kustvisserij, kleinschalige kustvisserij en traditionele visserij te omschrijven in overeenstemming met de sociaal-economische kenmerken en door middel van een regionale benadering;

11.  benadrukt dat voor kustvisserij gebruik wordt gemaakt van traditionele technieken en vistuig die, wegens hun specifieke kenmerken, de identiteit en de levenswijze van de kustgemeenschappen bepalen, en dat het bijgevolg cruciaal is het gebruik ervan in stand te houden en ze te beschermen als een element van cultureel, historisch en traditioneel erfgoed;

12.  is van mening dat, in het kader van regionalisering, en met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk soort visserij, in bepaalde gerechtvaardigde gevallen van het gebruik van specifieke vistuigen en -technieken moet kunnen worden afgeweken;

13.  benadrukt dat volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) de voorzorgsbenadering moet worden toegepast met betrekking tot de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de levende mariene rijkdommen, waarbij rekening wordt gehouden met sociaal-economische overwegingen, zodat een duurzame visserij tot stand komt die het mariene milieu in zijn geheel beschermt en in stand houdt; benadrukt dat het gebrek aan wetenschappelijke gegevens geen reden mag zijn om instandhoudings- en beheersmaatregelen niet ten uitvoer te leggen; acht het cruciaal dat snel iets wordt gedaan aan het gebrek aan gegevens en tastbare wetenschappelijke informatie over de toestand van visbestanden; onderstreept dat alle belanghebbenden geraadpleegd en bij dit proces betrokken moeten worden;

14.  is van mening dat het beleid inzake het visserijbeheer, teneinde de visserij en de milieurijkdommen in de Middellandse Zee te beschermen en in stand te houden, doeltreffend moet zijn en gecombineerd moet worden met krachtige, brede en urgente beleidsinitiatieven en maatregelen ter bestrijding van factoren die een negatief effect hebben op deze rijkdommen, zoals: klimaatverandering (opwarming van de aarde, verzuring, veranderingen in neerslag), verontreinigingen (zowel chemisch als organisch en op macro- en microscopisch niveau), ongebreidelde exploratie en productie van gas en olie, zeevervoer, invasieve soorten en de vernietiging of wijziging van natuurlijke habitats, in het bijzonder in kustgebieden; onderstreept daarom dat het belangrijk is het effect van deze factoren op visbestanden beter te begrijpen; dringt erop aan dat de bestaande Europese instrumenten om de Middellandse Zee te observeren en gade te slaan, zoals EMODnet, en het Copernicus-programma en zijn mariene onderdeel, in dit verband worden versterkt;

15.  is van mening dat de visbestanden en de mariene rijkdommen in het mediterrane bekken niet uitsluitend met maatregelen betreffende de visserijsector mogen worden beschermd en gewaarborgd, maar dat ook andere activiteitensectoren met een effect op het mariene milieu moeten worden betrokken;

16.  is van mening dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de kennis over het mariene milieu te vergroten, met name over de commercieel geëxploiteerde bestanden, en dat, op basis van deze kennis, een planning voor de duurzame exploitatie ervan moet worden opgesteld;

17.  benadrukt dat er in het Middellandse Zeebekken nog steeds veel illegale, onaangemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) plaatsvindt, ook in EU-lidstaten; is van mening dat maatregelen ter bescherming van de rijkdommen, maar in het bijzonder ook van de kleinschalige visserij, slechts doel kunnen treffen als IOO-visserij resoluut en vastberaden wordt bestreden; is van mening dat de EU zich in de strijd tegen IOO-visserij ook moet verzekeren van de steun van derde landen rond de Middellandse Zee; meent voorts dat de controles in het hele Middellandse Zeegebied derhalve moeten worden geharmoniseerd, gezien de erg uiteenlopende toepassing van controles en sancties;

18.  herhaalt dat kustgemeenschappen een grote invloed hebben op de doeltreffendheid van maatregelen die IOO-visserij moeten voorkomen, opsporen en vaststellen;

19.  is van mening dat de controle, zowel te land – over de gehele distributieketen (markten en restaurants) – als ter zee, snel versterkt moet worden, met name in gebieden waar bepaalde visserijactiviteiten tijdelijk stilgelegd of verboden zijn;

20.  is van mening dat er, om sociale ongelijkheid te voorkomen, bij de toewijzing van vangstmogelijkheden gebruik dient te worden gemaakt van transparante en objectieve criteria, waaronder criteria van ecologische, sociale en economische aard, waarbij methoden met een lage impact naar behoren in acht worden genomen; meent dat vangstmogelijkheden ook eerlijk moeten worden verdeeld over de verschillende takken van de visserij, met inbegrip van de traditionele en ambachtelijke visserij; is voorts van mening dat het gebruik van selectiever vistuig en vistechnieken met een kleiner effect op het mariene milieu moet worden aangemoedigd, in overeenstemming met artikel 17 van de GVB-verordening;

21.  is van mening dat het uitsterven van visbestanden in de Middellandse Zee moet worden tegengegaan door middel van visserijbeheers- en instandhoudingsmaatregelen voor de commerciële en de recreatievisserij, waaronder vooral beperkingen in ruimte en tijd en maximale dag- en weekvangsten, alsook, waar passend, quota; is van mening dat dit voor gedeelde bestanden een gelijk speelveld met derde landen zou waarborgen; is van mening dat deze maatregelen in nauwe samenwerking met de betrokken sector moeten worden ontwikkeld, zodat een doeltreffende tenuitvoerlegging verzekerd is;

22.  is ingenomen met het toegenomen aantal inspecties door het Europees Bureau voor visserijcontrole en benadrukt dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de twee belangrijkste problemen van 2016 op het gebied van naleving aan te pakken, namelijk: de valse aangifte van documenten (logboeken, aanlandingsaangiften, verklaringen van overbrenging, verkoopdocumenten enz.) en het gebruik van verboden of niet-conform vistuig;

23.    benadrukt dat de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de aanlandingsverplichting als vastgesteld in het herziene GVB in geen enkel geval mogen worden doorgeschoven naar de vissers;

24.  verzoekt de gevolgen te onderzoeken van de stopzetting van de teruggooi van vissen op de voedselbevoorrading van mariene organismen en andere soorten, zoals zeemeeuwen;

25.  merkt op dat het netwerk van beschermde gebieden in het Middellandse Zeegebied ontoereikend is en dat er sprake is van ongelijke verhoudingen tussen de verschillende zeebekkens; stipt aan dat er een algemeen tekort aan economische middelen is; acht het van cruciaal belang de rol die de beschermde mariene gebieden reeds vervullen als geavanceerde laboratoria voor wetenschappelijk onderzoek, voor de uitvoering van concrete acties, en voor de samenwerking en het participatief beheer met de vissers, te erkennen en te versterken, en het gebruik ervan te optimaliseren, in het licht van wetenschappelijk advies en instandhoudingsdoelstellingen; acht het in dit verband belangrijk op duurzame wijze meer economische middelen voor het systeem beschikbaar te stellen; acht het van cruciaal belang nauwer met de GFCM en derde landen samen te werken om de gebieden aan te wijzen die aan beschermende maatregelen onderworpen moeten worden, en een doeltreffend toezicht- en controlesysteem in te voeren om de doeltreffendheid van deze gebieden na te gaan;

26.  benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat tegen 2020 minstens 10 % van de Middellandse Zee uit beschermde mariene gebieden bestaat, in overeenstemming met duurzameontwikkelingsdoelstelling 14.5 van de VN; verzoekt de GFCM om tijdens de jaarzitting van 2018 een progressieve kalender overeen te komen met gekwalificeerde doelstellingen om dit doel te behalen; benadrukt dat de bestaande beschermde mariene gebieden vaak niet naar behoren worden beheerd; is derhalve van mening dat, naast de invoering van een effectief toezicht- en controlesysteem, op de ecosysteembenadering berustende beheersmaatregelen uitgewerkt en ten uitvoer gelegd moeten worden om de doeltreffendheid van de beschermingsmaatregelen te kunnen toetsen;

27.  benadrukt met name dat de samenwerking moet worden beschermd op het gebied van het beheer van gevoelige zones die belangrijke kweekgronden voor de economisch meest belangrijke soorten zijn (bijv. het Jabuka-bekken in de Adriatische Zee);

28.  benadrukt dat de Middellandse Zee wordt gekenmerkt door biologisch unieke populaties die worden bevist door verschillende landen, en dat het bijgevolg fundamenteel is dat alle belanghebbenden op alle niveaus nauw samenwerken en hun maatregelen om visserij te regelen coördineren;

29.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om het probleem van zwerfvuil en plastic in het mariene milieu aan te pakken, aangezien ze ernstige ecologische, economische en gezondheidsschade veroorzaken;

30.  acht een gevarieerde en genuanceerde aanpak ten aanzien van de beheersplannen, met verschillende criteria en op basis van de biologische kenmerken van de betrokken soorten en de visserijtechnieken, van fundamenteel belang; is tevens van oordeel dat alle meerjarenplannen moeten voorzien in een adequate planning met betrekking tot ruimte (zones waar bij toerbeurt niet gevist mag worden, volledige of gedeeltelijke sluiting van visgebieden) en tijd (biologische rustperiodes), alsook moeten ingaan op de bevordering van technische maatregelen voor zo selectief mogelijk vistuig; benadrukt dat hiervoor toereikende financiële compensatie moet worden vrijgemaakt;

31.  juicht de belofte van de Commissie toe om een meerjarig beheersplan voor de Middellandse Zee voor te stellen; benadrukt het belang van de regionalisering van het GVB voor het beheer van visserij in het mediterrane bekken; vraagt dat de adviesraad voor de Middellandse Zee (Medac) wordt betrokken bij de ontwikkeling en invoering van het meerjarig beheersplan en de geregionaliseerde maatregelen;

32.  benadrukt dat tijdens biologische rustperioden aan de vissers een toereikend inkomen moet worden verzekerd;

33.  beklemtoont dat er voor alle commerciële en recreatieve doelsoorten in de Middellandse Zee een minimummaat moet worden vastgesteld op grond van geslachtsrijpheid, gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis; wijst erop dat een striktere naleving van deze minimummaten moet worden gewaarborgd;

34.  acht het noodzakelijk gecoördineerde acties op te zetten met de landen in het Middellandse Zeegebied die niet tot de EU behoren, met name door een betere politieke en technische samenwerking tussen de verschillende partijen via internationale organen die in deze zone actief zijn; is verheugd over het recent door de Commissie opgestarte MedFish4Ever-programma, waarmee ze oproept tot actie om de teloorgang van de visbestanden in de Middellandse Zee een halt toe te roepen; benadrukt dat in het kader van dit initiatief alles in het werk moet worden gesteld om duurzame visserij in de mediterrane landen te bevorderen;

35.  merkt op dat een protocol voor sluitingen in bepaalde gebieden of perioden moet worden ingesteld en bevorderd om de visserij-inspanning te beperken en over het jaar te spreiden, zodat de visserij tijdelijk kan worden beperkt in de paaigebieden van bepaalde soorten; wijst erop dat deze spreiding en specialisatie van de inspanning zal leiden tot een grotere productiviteit en moet worden overlegd met de vissersgemeenschappen en wetenschappelijke adviseurs;

Acties ten opzichte van derde landen

36.  dringt er bij de Commissie op aan via de GFCM maatregelen te bevorderen om de toestand van de met derde landen gedeelde visbestanden te verbeteren, en ook gebruik te maken van de reeds tot stand gebrachte samenwerking tussen de belangenorganisaties van de reders en de bedrijven die actief zijn in de visserijsector, en de desbetreffende autoriteiten of instanties van de betrokken derde landen;

37.  merkt op dat het ontbreken van een gemeenschappelijk regelgevingskader voor de vloten van de EU en van derde landen die in het Middellandse Zeegebied vissen, tot oneerlijke concurrentie tussen de vissers leidt en tegelijkertijd de duurzaamheid van de vangsten van gedeelde soorten op de lange termijn in gevaar brengt;

38.  benadrukt dat samenwerking belangrijk is, dat naleving en een gelijk speelveld in de visserijcontrole met derde landen en regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) moeten worden bevorderd, en dat de horizontale coördinatie voor het beheer van mariene gebieden en visbestanden buiten de nationale jurisdicties moet worden versterkt;

39.  verzoekt de Commissie de mediterrane landen die niet tot de EU behoren, bij te staan om tot duurzame visserij te komen, door kleinschalige en kustvisserij te steunen, goede praktijken uit te wisselen, een open communicatiehouding aan te nemen en de nodige dialoog tot stand te brengen tussen de verschillende betrokken nationale overheden, zodat ze voldoende worden ondersteund bij de tenuitvoerlegging van de middellangetermijnstrategie van de GFCM voor de periode 2017-2020 en de alarmerende tendens inzake de mediterrane visbestanden kan worden omgebogen; dringt er bij de Commissie op aan een doeltreffende informatie-uitwisseling met de mediterrane derde landen tot stand te brengen met betrekking tot de visserijactiviteiten van andere derde landen die in de Middellandse Zee actief zijn;

40.  dringt aan op de invoering van een regionaal plan in het kader van de GFCM, om te waarborgen dat alle vaartuigen in het Middellandse Zeegebied onder gelijke voorwaarden vissen en dat een evenwicht tot stand wordt gebracht tussen de visbestanden en de vlootcapaciteit van alle oeverstaten; dringt voorts aan op de oprichting van een regionaal centrum voor het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS) en gezamenlijke inspectieactiviteiten;

41.  beveelt de Commissie aan niet langer in te voeren vanuit derde landen die niet de nodige maatregelen nemen om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, waartoe zij krachtens het internationaal recht verplicht zijn als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaten;

42.  verzoekt de lidstaten en de Commissie derde landen te steunen, hen alle mogelijke bijstand te geven en met hen samen te werken om IOO-visserij in de gehele Middellandse Zee beter te bestrijden;

43.  dringt bij de oeverstaten aan op samenwerking om voor de visserij beperkte gebieden en beschermde mariene gebieden vast te stellen, ook in internationale wateren;

44.  benadrukt dat er basisnormen voor het beheer van de recreatieve visserij in het gehele Middellandse Zeegebied moeten worden vastgesteld;

Sociaal-economische aspecten

45.  benadrukt dat 250 000 personen rechtstreeks werkzaam zijn op schepen en dat het aantal personen dat voor hun levensonderhoud afhankelijk is van de visserij, exponentieel groter is als rekening wordt gehouden met de gezinnen die kunnen overleven dankzij de ondersteuning van de regionale visserij en die hun brood verdienen met visserijgerelateerde activiteiten, zoals het onderhoud van schepen en het toerisme, met inbegrip van toerisme gerelateerd aan recreatieve visserij; merkt op dat 60 % van de visserijgerelateerde activiteiten plaatsvindt in ontwikkelingslanden in het zuiden en oosten van het Middellandse Zeegebied, waaruit blijkt hoe belangrijk de kleinschalige (ambachtelijke en traditionele) visserij en de recreatieve visserij zijn voor de duurzame ontwikkeling van deze regio's en in het bijzonder voor de meest kwetsbare kustgemeenschappen;

46.  acht het van essentieel belang dat de arbeidsomstandigheden van de vissers middels behoorlijke beloning en eerlijke concurrentie worden verbeterd, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar het grote aantal ongevallen in de sector en het hoge risico op beroepsziekten; stelt voor dat de lidstaten, met inachtneming van hun wetgeving en gebruiken, instrumenten invoeren waarmee inkomenssteun kan worden verleend; beveelt ten slotte aan dat de lidstaten een solide fonds voor inkomenscompensatie opzetten voor de periodes waarin visserij onmogelijk is vanwege slechte weersomstandigheden, gesloten visseizoenen (biologische rustperiodes) ter bescherming van de levenscyclus van de beviste soorten, milieurampen, langdurige milieuverontreiniging of vervuiling door mariene biotoxines;

47.  merkt op dat de visserijsector van de EU de laatste jaren moeilijke tijden doormaakt als gevolg van stijgende productiekosten, teruglopende visbestanden en vangsten, en voortdurende inkomensverliezen;

48.  constateert dat de sociaal-economische situatie in de sector om verschillende redenen verslechterd is, onder andere vanwege de afname van de visstand, de waardevermindering van vis bij eerste verkoop (die niet wordt doorberekend in de consumentenprijzen als gevolg van een oneerlijke verdeling van de toegevoegde waarde tussen de verschillende schakels van de waardeketen in de sector en distributiemonopolies in sommige regio's) en stijgende brandstofprijzen; wijst erop dat deze moeilijkheden hebben bijgedragen tot de toename van de visserij-inspanningen, wat voor de kleinschalige visserij bijzonder zorgwekkend is en de toekomst van deze traditionele levenswijze en het voortbestaan van sterk van de visserij afhankelijke plaatselijke gemeenschappen zelfs in gevaar zou kunnen brengen;

49.  onderstreept dat initiatieven moeten worden ontplooid die een positieve impact op de werkgelegenheid kunnen hebben en aansluiten bij een verkleining van de visserij-inspanningen, zoals visserijtoerisme of onderzoeksactiviteiten;

50.  roept de Commissie en de lidstaten op voor alle werknemers in de visserijsector een betere toegang tot fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en gepaste sociale bescherming te waarborgen, ongeacht de grootte en de aard van het bedrijf waar zij in dienst zijn, de standplaats of het afgesloten contract, onder meer door de overeenkomsten inzake duurzame visserij die in de regio worden gesloten als middel te gebruiken om sociale dumping te bestrijden en voor betere toegang tot markten en financiering, betere samenwerking met overheden en publieke instellingen en diversificatie van middelen van bestaan te zorgen; onderstreept het belang van doeltreffende arbeidsinspecties en -controles;

51.  onderstreept dat de arbeidsomstandigheden van vissers moeten worden verbeterd, gezien het grote aantal ongevallen in de sector en het onevenredig hoge risico van zowel lichamelijke, als geestelijke beroepsziekten; benadrukt het belang van een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor vissers; wijst op het belang van adequate sanitaire voorzieningen aan boord van vissersvaartuigen en aan land, alsook van fatsoenlijke accommodatie en ontspanningsmogelijkheden; benadrukt dat de bedrijfsveiligheid en bevaarbaarheid van havens en waterwegen moeten worden gewaarborgd;

52.  onderstreept dat moet worden gegarandeerd dat elke vis en alle visserijproducten die in de EU worden geïmporteerd, onder omstandigheden zijn gevangen en geproduceerd die in overeenstemming zijn met de internationale milieu-, arbeids- en mensenrechtennormen; vraagt de Commissie en de lidstaten eerlijke concurrentie en duurzaamheid in de visserijsector te garanderen, teneinde banen en groei te beschermen; benadrukt dat dit van essentieel belang is, niet alleen voor wat concurrentie in de Unie betreft, maar met name met betrekking tot in derde landen gevestigde concurrenten;

53.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten een volledige benutting van de beschikbare middelen van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees nabuurschapsinstrument moeten bevorderen; is van mening dat de Commissie haar best moet doen om zowel de lidstaten als de niet-EU-staten bij te staan om alle beschikbare fondsen zo doeltreffend mogelijk te gebruiken, met name teneinde:

- de arbeidsomstandigheden en de veiligheid aan boord te verbeteren;

- het vak en de beroepsopleiding in de schijnwerpers te zetten en het starten en ontwikkelen van nieuwe economische activiteiten in de sector te steunen door middel van de werving, scholing en multidisciplinaire opleiding van jongeren;

- de rol van vrouwen in de visserij en bijbehorende productiesectoren meer te waarderen, gelet op het feit dat vrouwen 12 % van de arbeidskrachten in de sector vertegenwoordigen;

54.  wijst erop dat het EFMZV kleine vissers moet helpen hun uitrusting te vernieuwen teneinde met name te voldoen aan de strenge verplichtingen die aan de aanlandingsplicht verbonden zijn;

55.  verzoekt de Commissie de oprichting en de activiteiten aan te moedigen van de plaatselijke actiegroepen voor de visserij (FLAG's), die een duurzaam visserijmodel bevorderen;

56.  acht het van fundamenteel belang de samenwerking tussen vissers, met name kleinschalige vissers die werkzaam zijn in hetzelfde gebied of dezelfde regio, te bevorderen om gezamenlijk de plaatselijke visbestanden te beschermen en te beheren, met het oog op een daadwerkelijke en concrete regionalisering met inachtneming van de doelstellingen van het GVB; is van mening dat de enorme versnippering en differentiatie van beroepen, targets, technische kenmerken en werknemers een onderscheidend kenmerk van de visserij in de Middellandse Zee is en dat een horizontale en eenvormige benadering bijgevolg geen recht zou doen aan deze specifieke plaatselijke omstandigheden;

57.  merkt op dat, ondanks recente verbeteringen, het aantal bestanden zonder een betrouwbare statusbeoordeling hoog blijft, en dat het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) zich beklaagt over het afnemende aantal beoordelingen, van 44 in 2012 tot slechts 15 in 2014; benadrukt dat het belangrijk is voor een snelle en goede gegevensverzameling te zorgen en een toename van het aantal studies en bestudeerde soorten aan te moedigen en te ondersteunen om zo de kennis over de bestanden en het effect van recreatieve visserij en externe factoren zoals verontreiniging te verbeteren teneinde een duurzaam bestandsbeheer tot stand te brengen;

58.  is van mening dat een verantwoord en rationeel beheer van de bestanden niet los kan worden gezien van de hoeveelheid verzamelde gegevens en van het wetenschappelijk gebruik ervan, over factoren als de vangstcapaciteit, de huidige visserij-activiteiten en de huidige sociaal-economische situatie ervan, en de biologische situatie van de geëxploiteerde bestanden;

59.  merkt op dat slechts 40 % van de aangelande vis in het GFCM-verdragsgebied afkomstig is van bestanden die door de Commissie wetenschappelijk beoordeeld zijn en dat dit percentage zelfs lager is voor bestanden die onder een beheersplan vallen; wijst erop dat het noodzakelijk is de reikwijdte van de wetenschappelijke beoordelingen van de toestand van visbestanden te vergroten, en het aandeel van aangevoerde vis dat afkomstig is van visserij die onder een meerjarig beheersplan valt, te verhogen;

60.  acht de evaluatie van de visserij-inspanning van de recreatieve visserij en het verzamelen van vangstgegevens op zeebekkenniveau en voor de hele Middellandse Zee van belang;

61.  benadrukt het belang van geïntegreerde benaderingen, waarbij rekening wordt gehouden met de heterogeniteit van het mariene milieu, de complexiteit van de verschillende (commerciële en niet-commerciële) soorten in de zee, de verschillende kenmerken en de effecten van de visserij-activiteiten, de waardevermindering van vis bij eerste verkoop en distributiemonopolies in sommige regio's, alsook alle andere factoren die de gezondheid van de visbestanden beïnvloeden;

62.  merkt op dat beschikbare gegevens ter bepaling van de omvang en de impact van kleinschalige visserijactiviteiten schaars zijn en per land kunnen verschillen; erkent dat vanwege dit gebrek aan informatie de ambachtelijke visserij onderschat kan worden;

63.  benadrukt dat een beter begrip van de economische en sociale effecten van de verschillende soorten visserij, in het bijzonder kleinschalige en recreatieve visserij, zou helpen bij het vaststellen van de beste beheersmaatregelen;

64.  ondersteunt uitdrukkelijk het voorstel van de GFCM om een catalogus van visserij-activiteiten op te stellen, met daarin informatie over het vistuig en de visserijmethoden, een beschrijving van de visserijgebieden, de doelsoorten en de bijvangsten, alsook een gedetailleerde beschrijving van de visserijactiviteiten in het betreffende gebied en de interactie met andere sectoren zoals de recreatieve visserij;

65.  is van mening dat er nieuwe regels voor de recreatieve visserij moeten gelden en dat een catalogus van recreatievisserijactiviteiten moet worden opgesteld, met daarin informatie over het vistuig en de visserijmethoden, en een beschrijving van de visserijgebieden, de doelsoorten en de bijvangsten;

66.  verzoekt de Commissie intensieve wetenschappelijke samenwerking te bevorderen en te streven naar de verbetering van de verzameling van gegevens met betrekking tot de belangrijkste visbestanden, door de tijd tussen de gegevensverzameling en de uiteindelijke beoordeling te beperken en het WTECV te verzoeken nieuwe bestanden te beoordelen; betreurt ten zeerste dat de meeste uit de Middellandse Zee aangevoerde vis afkomstig is van soorten waarover weinig gegevens beschikbaar zijn ("data deficient fisheries");

67.  benadrukt dat het van cruciaal belang is het delen van gegevens te bevorderen en de ontoegankelijkheid en de versnippering van deze gegevens tegen te gaan middels de ontwikkeling van een gemeenschappelijke gegevensbank met gedetailleerde, betrouwbare visserijgegevens en de oprichting van een netwerk van deskundigen en onderzoeksinstellingen op verschillende domeinen van de visserijwetenschap; beklemtoont dat deze gegevensbank door de EU moet worden gefinancierd en alle gegevens over visserij en visserijactiviteiten per geografisch subgebied, met inbegrip van gegevens over de recreatievisserij, moet omvatten zodat hoogwaardige, onafhankelijke en gedetailleerde gegevens gemakkelijker kunnen worden gecontroleerd en de visbestanden bijgevolg beter worden beoordeeld;

68.  wijst erop dat de gevolgen, de kenmerken en de omvang van IOO-visserij momenteel onvoldoende worden onderzocht, dat ze door de landen in het Middellandse Zeegebied op verschillende manieren worden beoordeeld en dat deze landen bijgevolg niet correct zijn weergegeven in de informatie die beschikbaar is met betrekking tot de huidige toestand van de visserij en de trends in de loop der tijd; benadrukt dat deze landen naar behoren in aanmerking moeten worden genomen bij de ontwikkeling van wetenschappelijke beoordelingen ten behoeve van visserijbeheer;

69.  roept de lidstaten op fraude met visserijproducten tegen te gaan door middel van productetikettering en -traceerbaarheid en hun inspanningen ter bestrijding van illegale visserij op te voeren; betreurt dat er over de meeste bestanden slechts weinig gegevens beschikbaar zijn ("data-poor stocks"), dat circa 50 % van de vangsten niet officieel wordt gemeld en dat 80 % van de aan land gebrachte vis afkomstig is van "data-poor stocks";

70.  verzoekt de lidstaten alle desbetreffende IAO-verdragen voor werknemers in de visserijsectoren te bekrachtigen en volledig ten uitvoer te leggen, zodat goede arbeidsomstandigheden verzekerd zijn, en instellingen voor collectieve onderhandeling te versterken, zodat maritieme werknemers, met inbegrip van zelfstandigen, hun arbeidsrechten kunnen uitoefenen;

71.  verzoekt de Commissie om investeringen in diversificatie en innovatie in de visserijsector aan te moedigen en te ondersteunen via de ontwikkeling van aanvullende activiteiten;

Bewustmaking

72.  benadrukt dat concrete resultaten behaald kunnen worden wanneer de ondernemers in de sector zich meer bewust zijn van hun verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld door alle vissers (professionele en recreatieve) te ondersteunen, betere voorlichting te geven en te betrekken in het besluitvormingsproces, en via specifieke acties om de verspreiding van de beste praktijken op dit gebied te vergemakkelijken;

73.  vindt het belangrijk dat de consument voldoende wordt geïnformeerd zodat hij exact weet wat de herkomst van het aangeboden product is, alsook de eigenschappen van de vismethode, door te verplichten om deze elementen, alsook de vangstdatum, op te nemen in de aan de consument verstrekte informatie; is van mening dat ook moet worden geanalyseerd en geëvalueerd of de maatregelen in de nieuwe gemeenschappelijke marktordening ertoe hebben geleid dat de consument beter wordt geïnformeerd;

74.  acht het voorts van belang consumenten bewuster te maken en voor te lichten over het consumeren van verantwoorde visproducten, door te kiezen voor lokale soorten die met duurzame vistechnieken zijn gevangen en afkomstig zijn van niet-overbeviste en amper in de handel verkrijgbare bestanden; acht het daarom noodzakelijk, in samenwerking met de desbetreffende belanghebbenden, een doeltreffend en betrouwbaar tracerings- en etiketteringssysteem te bevorderen, onder meer om de consument te informeren en voedselfraude te bestrijden;

75.  is van mening dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen eerlijke concurrentie, de behoeften van de consument, duurzaamheid van de visserijsector en behoud van de werkgelegenheid; onderstreept dat een alomvattende benadering en een sterke politieke wil bij alle landen in het Middellandse Zeegebied noodzakelijk zijn om de uitdagingen aan te kunnen en de situatie in de Middellandse Zee te verbeteren;

76.  juicht de MedFish4Ever-campagne toe, waarmee de Commissie het publiek bewust wil maken van de toestand van de Middellandse Zee;

77.  is van mening dat scholen en ziekenhuizen, alsook andere openbare centra, moeten worden bevoorraad met plaatselijke vis;

78.  benadrukt dat dit nieuwe scenario en al deze nieuwe, met elkaar verband houdende factoren met betrekking tot de Middellandse Zee moeten leiden tot een herziening van Verordening (EG) nr. 1967/2006 inzake de Middellandse Zee, om deze aan de huidige situatie aan te passen;

79.  benadrukt dat Verordening (EG) nr. 1967/2006 moet worden herzien, met name het deel over het verbod op het gebruik van bepaalde traditionele vistuigen (bijv. het verbod op het gebruik van kieuwnetten voor de niet-commerciële visserij) en de bepalingen over de specifieke kenmerken van vistuig, zoals hoogte en maaswijdte van visnetten, en de diepte en afstand vanaf de kust voor het gebruik van vistuigen;

o

o  o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)

PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(3)

PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11.

(4)

PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0343.


TOELICHTING

De Middellandse Zee is met zijn 17.000 mariene soorten een van de rijkste zeegebieden ter wereld. Niettemin is het aantal overbeviste bestanden het dubbele of driedubbele van de maximale duurzame opbrengst. Het risico bestaat dat we de Middellandse Zee in een woestenij veranderen.

Afgezien van overbevissing, staat de Middellandse Zee bloot aan andere ernstige bedreigingen, zoals een overschot aan nutriënten en meststoffen, verontreiniging en veranderingen in kustgebieden en habitats. Andere risicofactoren zijn: het scheepvaartverkeer en de winning van aardolie en gas. De Middellandse Zee is bovendien erg gevoelig voor klimaatverandering. Het gebied dient te worden beschermd.

Enkele belangrijke punten van het rapport:

– een meerjarenplan voor het beheer van de visbestanden om de duurzaamheid te vergroten, onder andere door het gebruik van selectiever vistuig;

– samenwerking met de betrokken derde landen in het Middellandse Zeegebied;

– biologische rustperiodes, op basis van de biologische kenmerken van de soorten;

– sluiting van bepaalde gebieden voor de kweek of het herstel van overbeviste bestanden;

– preferentiële toegang tot de visbestanden voor de ambachtelijke visserij;

– strengere controle op illegale visserij-activiteiten, vergezeld van speciale maatregelen voor personen die de regels overtreden en geen vergunning hebben;

– de eventuele invoering van quota met betrekking tot sommige overbeviste soorten;

– inachtneming van de minimummaten en de omvang van visbestanden op basis van wetenschappelijke criteria;

– strengere controle op de gehele productieketen en vismarkt en uitgebreidere informatieverstrekking aan de consument;

– meer betrokkenheid van regionale visserijorganisaties in het besluitvormingsproces, in overeenstemming met de regionalisering als vermeld in het GVB.

Het initiatiefverslag richt zich op de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

– een meerjarenplan voor het beheer van de visbestanden om de duurzaamheid te vergroten, onder andere door het gebruik van selectiever vistuig;

– samenwerking met de betrokken derde landen in het Middellandse Zeegebied;

– biologische rustperiodes;

– sluiting van bepaalde gebieden voor de kweek of het herstel van overbeviste bestanden;

– preferentiële toegang tot de visbestanden voor de ambachtelijke visserij;

– strengere controle op illegale visserij-activiteiten, vergezeld van speciale maatregelen voor personen die de regels overtreden en geen vergunning hebben;

– de invoering van quota met betrekking tot sommige overbeviste soorten;

– inachtneming van de minimummaten;

– strengere controle op de gehele productieketen en vismarkt en uitgebreidere informatieverstrekking aan de consument;


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (– meer betrokkenheid van de GFCM en regionale visserijorganisaties in het besluitvormingsproces, in overeenstemming met de regionalisering als vermeld in het GVB.9.12.2016)

aan de Commissie visserij

inzake de toestand van de visbestanden en de sociaaleconomische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee

(2016/2079(INI))

Rapporteur voor advies: João Pimenta Lopes

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie visserij onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de kust van de Middellandse Zee gedeeld wordt door 19 landen met juridische en administratieve verantwoordelijkheden voor dit geografische gebied; overwegende dat de visserij in de Middellandse Zee een grote verscheidenheid kent, gezien het feit dat ze weliswaar een bepaalde mate van visserijactiviteiten op industriële schaal omvat, maar vooral visserijactiviteiten die bij uitstek ambachtelijk zijn en soms alleen maar bedoeld zijn om het gezin te onderhouden en uiteenlopende technische kenmerken en een verschillende mate van selectiviteit vertonen, wat de toepassing van klassieke en traditionele methoden voor de beoordeling en het beheer van de visserij bemoeilijkt;

B.  overwegende dat de enorme biologische diversiteit van de Middellandse Zee (tussen de 10 000 en 12 000 soorten) ernstig wordt bedreigd door verschijnselen die samenhangen met de wereldwijde klimaatverandering, door verontreiniging van de zee en vooral door overbevissing; overwegende dat alle visbestanden in de Middellandse Zee sterk achteruitgaan (meer dan 90 % van de bestanden wordt overgeëxploiteerd) en dat sommige uitgeputte bestanden met uitsterven bedreigd zijn;

C.  overwegende dat de sociaaleconomische situatie van de visserijsector in het Middellandse Zeegebied in de eerste plaats afhankelijk is van de aanwezigheid van duurzame visbestanden;

1.  vestigt de aandacht op het feit dat kleinschalige visserij een essentiële economische en sociale factor is in het Middellandse Zeegebied en 80 % van de visserijvloot en 60 % van de banen in de sector vertegenwoordigt; wijst op het belang van de kleinschalige ambachtelijke visserij voor de duurzaamheid van de door meerdere landen gedeelde visbestanden, de biologische en ecologische instandhouding van visbestanden, het duurzame gebruik van de mariene biodiversiteit en de sociaaleconomische ontwikkeling van – met name traditionele – visserijgemeenschappen; onderstreept dat de identiteit, het culturele erfgoed, de tradities en de waarden van veel plaatselijke gemeenschappen in belangrijke mate stoelen op de activiteiten in de visserijsector;

2.  roept de lidstaten op fraude met visserijproducten tegen te gaan door middel van productetikettering en -traceerbaarheid en hun inspanningen ter bestrijding van illegale visserij op te voeren; betreurt dat er over de meeste bestanden slechts weinig gegevens beschikbaar zijn ("data-poor stocks") en dat rond 50 % van de vangsten niet officieel wordt gemeld en 80 % van de aan land gebrachte vis afkomstig is van "data-poor stocks";

3.  constateert dat de sociaaleconomische situatie in de sector om verschillende redenen verslechterd is, onder andere vanwege de afname van de visstand, de waardevermindering van vis bij eerste verkoop (die niet wordt doorberekend in de consumentenprijzen als gevolg van een oneerlijke verdeling van de toegevoegde waarde tussen de verschillende schakels van de waardeketen in de sector en distributiemonopolies in sommige regio’s) en stijgende brandstofprijzen; wijst erop dat deze moeilijkheden hebben bijgedragen tot de toename van de visserij-inspanningen, wat voor de kleinschalige visserij bijzonder zorgwekkend is en de toekomst van deze traditionele levenswijze en het voortbestaan van sterk van de visserij afhankelijke plaatselijke gemeenschappen zelfs in gevaar zou kunnen brengen;

4.  is van mening dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen eerlijke concurrentie, de behoeften van de consument, duurzaamheid van de visserijsector en behoud van de werkgelegenheid; onderstreept dat een alomvattende benadering en een sterke politieke wil bij alle landen in het Middellandse Zeegebied noodzakelijk zijn om de uitdagingen aan te kunnen en de situatie in de Middellandse Zee te verbeteren;

5.  onderstreept de noodzaak van coherente regels inzake sportvisserij, teneinde het mariene ecosysteem te beschermen; beklemtoont dat in de recreatieve visserij dezelfde visvrije perioden in acht moeten worden genomen als in de beroepsvisserij;

6.  benadrukt dat het visserijbeleid zo moet worden uitgestippeld dat de vissers en hun verenigingen, producentenorganisaties, vakbonden, kustactiegroepen en plaatselijke gemeenschappen in overeenstemming met het regionalisatiebeginsel van het GVB worden betrokken bij en deel kunnen nemen aan de besluitvorming, en dat op dit gebied dient te worden samengewerkt met derde landen aan de oost- en zuidkust van de Middellandse Zee; beklemtoont dat er eerlijke, evenwichtige en gelijke voorwaarden voor alle betrokken landen en visserij-ondernemingen in de Middellandse Zee moeten worden geschapen om gezonde visbestanden en de duurzaamheid en rendabiliteit van de visserij te waarborgen en er zodoende voor te zorgen dat het huidige werkgelegenheidsniveau in de visserij in stand wordt gehouden en idealiter zelfs wordt verhoogd; wijst met nadruk op de belangrijke rol van sterke en onafhankelijke sociale partners in de visserijsector, van een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog en van medezeggenschap van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden;

7.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het beheer, de coördinatie en de capaciteitsopbouw te verbeteren en meer en beter toegankelijke informatie en technische bijstand te verstrekken aan vissers- en producentenorganisaties die steun aanvragen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) (of andere EU-financiering), die moet zijn afgestemd op de logistieke, personeels- en financiële behoeften van de visserijsector, en wel door middel van de volgende maatregelen:

  –  bevordering van de vernieuwing en modernisering van de vloten met het oog op verbetering van de arbeidsomstandigheden en de veiligheid, vermindering van de visserij-inspanning bij een gelijktijdige duurzame vergroting van de vangsten door de toepassing van minder schadelijk en meer selectief vistuig en vermindering van bijvangsten en teruggooi, optimalisering van de processen in de toeleveringsketen, verhoging van de energie-efficiëntie, verbetering van traceerbaarheidssystemen, verbetering van de actieve en passieve veiligheidsvoorzieningen en het waarborgen dat die aan boord zijn, zoals reddingsvesten met persoonlijke noodbakens, EPIRB-noodradiobakens en andere hulpmiddelen die aan de nationale wettelijke eisen voldoen, en het zorgen voor passende opleiding op het gebied van veiligheid aan boord en het gebruik van veiligheidsuitrusting;

  –  bevordering van de werving, scholing en multidisciplinaire opleiding van jongeren ter verbetering van de status van beroepen en opleidingen op het gebied van de visserij en ter stimulering van het starten en het ontwikkelen van nieuwe economische activiteiten in de sector, en ontwikkeling van werkperspectieven in de regio op gebieden die goede toekomstige inkomensmogelijkheden bieden, met het oog op duurzaamheid en territoriale samenhang; voorzien in een toereikend aanbod van, en informatie over, desbetreffende opleidingen voor vissers door de bevoegde autoriteiten (met inbegrip van de toepassing van goede praktijken en vergroting van het milieubewustzijn);

  –  bevordering van de vereniging en organisatie van mensen die actief zijn in de visserij en de hele productieketen van de sector, bijvoorbeeld in de vorm van vakbonden, gemeenschapsorganisaties, coöperaties en/of organisaties van vissers of eigenaren van vissersvaartuigen, of uitvoering van gemeenschappelijke verkenning van toekomstperspectieven en ontwikkeling van fatsoenlijke toekomstige inkomensmogelijkheden, zij het in de visserij of in andere sectoren;

  –  waardering van de rol van vrouwen in de visserij en bijbehorende productiesectoren, teneinde meer zichtbaarheid te gegeven aan het feit dat zij 12 % van de arbeidskrachten in de sector vertegenwoordigen, en bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen;

8.  onderstreept dat initiatieven moeten worden ontplooid die een positieve impact op de werkgelegenheid kunnen hebben en aansluiten bij een verkleining van de visserij-inspanningen, zoals visserijtoerisme of onderzoeksactiviteiten;

9.  stelt voor dat de lidstaten, met inachtneming van hun wetgeving en gebruiken, middels wetgeving of collectieve onderhandelingen een minimumloon of vergelijkbare inkomenssteun voor vissers invoeren opdat vissers in hun levensonderhoud kunnen voorzien; beveelt aan dat de lidstaten een solide fonds voor inkomenscompensatie opzetten voor de periodes waarin visserij onmogelijk is vanwege slechte weersomstandigheden, gesloten visseizoenen (biologische rustperiodes) ter bescherming van de levenscyclus van de beviste soorten, milieurampen, langdurige milieuverontreiniging of vervuiling door mariene biotoxines, en dat deze periodes als arbeidstijd worden meegeteld voor het pensioen en andere socialezekerheidsrechten;

10.  benadrukt dat collectieve onderhandelingen moeten worden bevorderd en moedigt de sociale partners in de visserijsector aan om, in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken, collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, aangezien deze een doeltreffend instrument zijn om sociale en arbeidsnormen hoog te houden, alle werkenden een behoorlijk loon te garanderen en voor eerlijke concurrentie in de sector te zorgen; onderstreept dat de rechten van de werknemers in de visserijsector, die in bepaalde lidstaten zwaar onder druk staan, moeten worden beschermd en versterkt;

11.  dringt er nogmaals bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan het IAO-verdrag nr. 188 over werk in de visserijsector, waarbij vissers goede arbeidsomstandigheden aan boord van vissersvaartuigen worden gegarandeerd, alsnog te ratificeren;

12.  roept de Commissie en de lidstaten op voor alle werknemers in de visserijsector een betere toegang tot fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en gepaste sociale bescherming te waarborgen, ongeacht de grootte en de aard van het bedrijf waar zij in dienst zijn, de standplaats of het afgesloten contract, onder meer door de overeenkomsten inzake duurzame visserij die in de regio worden gesloten als middel te gebruiken om sociale dumping te bestrijden en voor betere toegang tot markten en financiering, betere samenwerking met overheden en publieke instellingen en diversificatie van middelen van bestaan te zorgen; onderstreept het belang van doeltreffende arbeidsinspecties en -controles;

13.  onderstreept dat de arbeidsomstandigheden van vissers moeten worden verbeterd, gezien het grote aantal ongevallen in de sector en het onevenredig hoge risico van zowel lichamelijke, als geestelijke beroepsziekten; benadrukt het belang van een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor vissers; wijst op het belang van adequate sanitaire voorzieningen aan boord van vissersvaartuigen en aan land, alsook van fatsoenlijke accommodatie en ontspanningsmogelijkheden; benadrukt dat de bedrijfsveiligheid en bevaarbaarheid van havens en waterwegen moeten worden gewaarborgd;

14.  erkent de belangrijke rol die vissers spelen bij het redden van schipbreukelingen in de Middellandse Zee;

15.  onderstreept dat moet worden gegarandeerd dat elke vis en alle visserijproducten die in de EU worden geïmporteerd, onder omstandigheden zijn gevangen en geproduceerd die in overeenstemming zijn met de internationale milieu-, arbeids- en mensenrechtennormen; vraagt de Commissie en de lidstaten eerlijke concurrentie en duurzaamheid in de visserijsector te garanderen, teneinde banen en groei te beschermen; benadrukt dat dit van essentieel belang is, niet alleen voor wat concurrentie in de Unie betreft, maar met name met betrekking tot in derde landen gevestigde concurrenten;

16.  onderstreept dat in de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij tussen de EU en Marokko, alsook in elke andere overeenkomst met Marokko, de legitieme rechten van de Sahrawi-bevolking in overeenstemming met de desbetreffende VN-resoluties moeten worden geëerbiedigd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

8.12.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Czesław Hoc, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniela Aiuto, Georges Bach, Deirdre Clune, Karima Delli, Tania González Peñas, Edouard Martin, Evelyn Regner, Joachim Schuster, Monika Vana, Tom Vandenkendelaere, Flavio Zanonato, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew, Adam Gierek, Hannu Takkula


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.4.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, Richard Corbett, Linnéa Engström, Sylvie Goddyn, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Norica Nicolai, Ulrike Rodust, Remo Sernagiotto, Ricardo Serrão Santos, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jens Gieseke, Verónica Lope Fontagné

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

18

+

ALDE

António Marinho e Pinto, Norica Nicolai

ECR

Remo Sernagiotto, Ruža Tomašić, Peter van Dalen

PPE

Alain Cadec, Jens Gieseke, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, Verónica Lope Fontagné, Gabriel Mato

S&D

Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Richard Corbett, Ulrike Rodust, Ricardo Serrão Santos

Verts/ALE

Marco Affronte, Linnéa Engström

1

-

EFDD

John Stuart Agnew

1

0

ENF

Sylvie Goddyn

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid