VERSLAG over de digitalisering van de Europese industrie

    5.5.2017 - (2016/2271(INI))

    Commissie industrie, onderzoek en energie
    Rapporteur: Reinhard Bütikofer


    Procedure : 2016/2271(INI)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    A8-0183/2017
    Ingediende teksten :
    A8-0183/2017
    Aangenomen teksten :

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over de digitalisering van de Europese industrie

    (2016/2271(INI))

    Het Europees Parlement,

    –  gezien artikel 173 (titel XVII) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat betrekking heeft op het industriebeleid van de EU en onder meer verwijst naar het concurrentievermogen van de industrie van de Unie,

    –  gezien de artikelen 9, 11 en 16 VWEU,

      gezien Protocol nr. 1 bij het VWEU betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

      gezien Protocol nr. 2 bij het VWEU betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten" (COM(2016)0180),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa" (COM(2016)0178),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "Normalisatieprioriteiten op ICT-gebied voor de digitale eengemaakte markt" (COM(2016)0176),

    –  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "Quantum technologies" (SWD(2016)0107),

    –  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "Advancing the Internet of Things in Europe" (SWD(2016)0110),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Naar een bloeiende data-economie" (COM(2014)0442),

    –  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 getiteld "Naar een akte voor een digitale interne markt"[1],

    –  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 getiteld "Een industriebeleid voor het tijdperk van de globalisering"[2],

    –  gezien zijn resolutie van 16 juni 2010 over EU 2020[3],

    –  gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over het communautaire innovatiebeleid in een veranderende wereld[4],

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2010 getiteld "Een geïntegreerd industriebeleid in een tijd van mondialisering – Concurrentievermogen en duurzaamheid centraal stellen" (COM(2010)0614),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld "Europa 2020-kerninitiatief: Innovatie-Unie" (COM(2010)0546),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 4 juli 2007 getiteld "Tussentijdse evaluatie van het industriebeleid – Een bijdrage tot de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid" (COM(2007)0374),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192), het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0100) en de daaropvolgende wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen,

    –  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 tot vaststelling van maatregelen inzake de Europese interne markt voor elektronische communicatie en om een connectief continent tot stand te brengen alsmede tot wijziging van Richtlijnen 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG en Verordeningen (EG) nr. 1211/2009 en (EU) nr. 531/2012 (COM(2013)0627),

    –  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 26 maart 2013 met betrekking tot maatregelen om de kosten van de aanleg van elektronische hogesnelheidscommunicatienetwerken te verlagen (COM(2013)0147),

    –  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2013 houdende maatregelen om een hoog gemeenschappelijk niveau van netwerk- en informatiebeveiliging in de Unie te waarborgen (COM(2013)0048),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 met als titel "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Voor een heropleving van de Europese industrie" (COM(2014)0014),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 getiteld "Akte voor de interne markt II – Samen voor nieuwe groei" (COM(2012)0573),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Akte voor de interne markt: Twaalf hefbomen voor het stimuleren van de groei en het versterken van het vertrouwen" (COM(2011)0206),

    –  gezien de mededeling van de Commissie van 27 oktober 2010 aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Naar een Single Market Act: Voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen – 50 voorstellen om beter samen te werken, te ondernemen en zaken te doen" (COM(2010)0608),

      gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2017 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Bouwen aan een Europese data-economie" (COM(2017)0009),

    –  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid[5],

    –  gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa[6],

    –  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 getiteld "De digitale agenda voor groei, mobiliteit en werkgelegenheid: tijd voor een hogere versnelling"[7],

    –  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 getiteld "Bescherming van kritieke informatie-infrastructuur – bereikte resultaten en volgende stappen: naar mondiale cyberveiligheid"[8],

      gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector[9],

    –  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 getiteld "Een nieuwe digitale agenda voor Europa: 2015.eu"[10],

    –  gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over het internet van de dingen[11],

      gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2016 getiteld "Industrie 4.0 en digitale transformatie: de weg vooruit",

    –  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

    –  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie cultuur en onderwijs (A8–0183/2017),

    A.  overwegende dat er met concrete maatregelen, acties en stimulansen energieke inspanningen moeten worden geleverd om de EU en haar lidstaten te herindustrialiseren, met als doel concurrentievermogen en duurzaamheid, bevordering van kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid en inclusiviteit te combineren en het streefdoel van de EU te behalen, namelijk dat 20 % van het bbp van de Unie tegen 2020 gebaseerd moet zijn op industrie, waarbij noodzakelijkerwijs rekening moet worden gehouden met de structurele transformatie van de industrie als gevolg van de digitale ontwrichting en de opkomst van nieuwe bedrijfsmodellen;

    B.  overwegende dat de Europese industrie de grondslag vormt van de Europese economie en rijkdom en dat zij voor grote uitdagingen staat als gevolg van snellere globalisering en innovatietrends;

    C.  overwegende dat de digitalisering van de industriële productie de veerkracht, energie en hulpbronnenefficiëntie, innovatie, duurzaamheid en concurrentiekracht van onze economieën doet toenemen en aldus bedrijfsmodellen, productie, producten, processen en waardecreatie aan het transformeren is en een grote impact heeft op het evenwicht tussen kansen en uitdagingen voor de Europese industrie en de Europese werknemers;

    D.  overwegende dat de EU, gezien haar industrieel erfgoed, haar netwerk van industriële sectoren en waardeketens, haar innovatieve troeven, haar strategische overheidsinvesteringen in O&O, de beschikbaarheid van particuliere investeringen, haar doeltreffend bestuur, haar hoogopgeleide arbeidskrachten en de inachtneming van maatschappelijke uitdagingen bij de industriële ontwikkeling, alsook het feit dat zij over meer dan dertig nationale en regionale initiatieven voor de digitalisering van de industrie beschikt, een stevige basis heeft van waaruit zij een leidende positie kan verwerven in de digitale transformatie; overwegende dat er een mogelijkheid bestaat om de EU-industrie te versterken als we erin slagen volledig geïntegreerde waardeketens aan te leggen voor digitaal verbeterde industriële producten en product-dienstcombinaties;

    E.  overwegende dat 5G onze economieën grondig zal transformeren en de digitalisering in het centrum van de industriële ontwikkeling en sociale dienstverlening zal plaatsen;

    F.  overwegende dat de Europese industriestrategie alleen kan slagen als er een digitale interne markt tot stand wordt gebracht die economische groei en werkgelegenheid op maatschappelijk verantwoorde wijze bevordert;

    G.  overwegende dat een goed doordachte, technologieneutrale strategie voor de digitalisering van de industriële productie, die mensen en machines alsook grensoverschrijdende diensten binnen de gehele wereldwijde waardeketen nauwer met elkaar verbindt, een belangrijke troef kan zijn bij het vergroten van de veerkracht, duurzaamheid en concurrentiekracht van onze economie en nieuwe banen kan scheppen;

    H.  overwegende dat de digitalisering gebruik moet maken van het potentieel van een doeltreffender gebruik van hulpbronnen, energie en kapitaal, hetgeen een meer geïntegreerde circulaire economie, lagere materiaalintensiteit en grotere industriële symbiose ten goede komt;

    I.  overwegende dat de digitalisering de toerisme-industrie kan bevorderen ten gunste van reizigers en hun mobiliteit, onder meer door gemakkelijk toegang te verlenen tot realtime-informatie en een brede waaier aan diensten;

    J.  overwegende dat goed ontwikkelde taaltechnologieën de industrie kunnen helpen bij het wegwerken van taalbarrières die de ontwikkeling van de digitale markt belemmeren;

    K.  overwegende dat de digitalisering nieuwe mogelijkheden creëert in de vervoerssector voor producenten, exploitanten, investeerders, werknemers en passagiers en een voorwaarde is om ervoor te zorgen dat de vervoersindustrie zowel concurrerend als operationeel blijft en haar efficiëntie verbetert en dat vervoersdiensten duurzamer worden en beter gaan presteren;

    L.  overwegende dat de digitalisering kan bijdragen tot veiligere arbeidsomstandigheden, grotere productveiligheid alsook individualisering en decentralisatie van de productie;

    M.  overwegende dat er sprake is van een grote genderkloof wat betreft werkgelegenheid en opleiding in de ICT-sector, met ernstige negatieve gevolgen voor de gelijkheid op de arbeidsmarkt;

    N.  overwegende dat de digitalisering en de individualisering en decentralisatie van de productie zullen leiden tot andere arbeidsomstandigheden en uiteenlopende maatschappelijke gevolgen zullen hebben; overwegende dat veilige, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en hoge productveiligheidsnormen een gedeeld punt van zorg moeten blijven;

    O.  overwegende dat in tal van studies wordt benadrukt dat de digitalisering van de industriële productie verandering zal brengen in de vraag op de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid in Europa; overwegende dat dit impact kan hebben op de bestaande regels inzake de rechten en medezeggenschap van werknemers; overwegende dat er duidelijk behoefte is aan aanpassing aan deze veranderingen door arbeidskrachten op te leiden in nieuwe ICT-vaardigheden en de digitale vaardigheden in de gehele samenleving te verbeteren;

    Ontwikkelen van een geïntegreerde strategie voor industriële digitalisering voor de EU

    1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie over de digitalisering van het Europese bedrijfsleven;

    2.  is er sterk van overtuigd dat een strategie voor industriële digitalisering van cruciaal belang is voor de aanpak van de meest urgente economische en maatschappelijke uitdagingen voor Europa, d.w.z.:

    (a)  versterking van de economische dynamiek, sociale en territoriale cohesie en veerkracht ten aanzien van technologische transformaties en verstoringen, door de modernisering en onderlinge verbinding van de Europese industrieën en economische waardeketens en door het verhogen van particuliere en overheidsinvesteringen in de reële economie en het bieden van investeringskansen in een context van duurzame modernisering;

    (b)   bevordering van het scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen en het terughalen van banen, verbetering van de arbeidsnormen en de aantrekkelijkheid van banen in de industriesector, vergroting van het aanbod van mogelijkheden en informatie voor de consument, nastreving van een maatschappelijk verantwoorde transformatie en een inclusieve arbeidsmarkt met meer diverse vormen van werk en werktijdregelingen, en betere arbeidsvoorwaarden en integratie van werkgelegenheid en een leven lang leren;

    (c)  efficiënter hulpbronnengebruik en beperking van de materiaalintensiteit van de be- en verwerkende industrie dankzij een versterkte Europese circulaire economie, hetgeen van cruciaal belang is voor de materiële voorwaarden van een Europese hightechsector en voor de gedigitaliseerde industriële productie en de producten daarvan;

    (d)  versterking van de Europese cohesie door middel van een betrouwbaar en ambitieus Europees investeringsbeleid (met bijzondere aandacht voor de uitrol van geavanceerde digitale infrastructuur), waarbij gebruik wordt gemaakt van diverse Europese financieringsinstrumenten, onder meer het EFSI, regionale fondsen, Horizon 2020 en andere, en een gecoördineerd, technologieneutraal Europees industriebeleid op basis van eerlijke concurrentie tussen een veelheid aan partijen, innovatie en duurzame modernisering, en technologische en maatschappelijke vernieuwing en nieuwe bedrijfsmodellen waardoor de digitale interne markt en de integratie en modernisering van de gehele Europese industrie worden bevorderd;

    (e)  ondersteuning van de doelstellingen van Europa op het gebied van klimaatbeleid door de energie- en hulpbronnenefficiëntie en de circulariteit van de industriële productie te vergroten, de uitstoot te verminderen en de duurzaamheid van de industrie hand in hand te laten gaan met concurrentiekracht;

    (f)  versterking van economische, beleids- en sociale innovatie via de beginselen van openheid en toegankelijkheid van openbare en particuliere gegevens en informatie, waarbij gevoelige gegevens in de gegevensuitwisseling tussen bedrijven, werknemers en consumenten altijd worden beschermd en een betere integratie van allerlei economische sectoren en beleidsterreinen, met inbegrip van de creatieve en culturele sector, mogelijk wordt gemaakt;

    (g)  verbetering van het levensonderhoud van burgers in stedelijke en niet-stedelijke gebieden en verhoging van hun bewustzijn en hun vermogen om de mogelijkheden van digitalisering te benutten;

    (h)  bevordering van technologische en sociale innovatie in EU-onderzoek door een doelgericht digitaliseringsbeleid voor de industrie met een duidelijke visie;

    (i)  verhoging van de energiezekerheid en verlaging van het energieverbruik door middel van een gedigitaliseerde, flexibelere en efficiëntere industriële productie die een beter beheer van de energievraag mogelijk zal maken;

    (j)  samenwerking met andere macroregio's in de wereld bij de ontwikkeling van innovatieve en eerlijke digitale open markten;

    (k)  besef van de noodzaak van een eerlijker en doeltreffender Europees fiscaal beleid dat vraagstukken zoals de belastinggrondslag in een tijdperk van wereldwijd verbonden digitale markten en gedigitaliseerde productie opheldert;

    (l)  investeringen en onderzoekers en knowhow van wereldformaat aantrekken en zo bijdragen tot economische groei en Europese concurrentiekracht;

    (m)  ondersteuning van nieuwe bedrijfsmodellen en innovatieve start-ups aangestuurd door de digitalisering en technologische ontwikkeling;

    3.  benadrukt het belang van de totstandkoming van een concurrerende bedrijfsomgeving die particuliere investeringen vergemakkelijkt, een gunstig regelgevingskader dat bureaucratische belemmeringen vermijdt, de aanleg van geavanceerde Europese digitale infrastructuur en een op EU-niveau gecoördineerde structuur voor de digitalisering van de industrie om de coördinatie van nationale, regionale en EU-brede initiatieven en platforms inzake industriële digitalisering te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het streefdoel voor 2020, namelijk dat het aandeel van de industrie in het bbp dan 20 % zal bedragen, wordt gehaald; benadrukt dat de digitalisering van de industrie moet worden gekoppeld aan een bredere EU-strategie voor de industrie, zodat de EU wereldwijd een voortrekkersrol op industriegebied kan vervullen; benadrukt dat het belangrijk is de digitalisering met name te bevorderen in de lidstaten, regio's en sectoren die een achterstand hebben en onder degenen die zijn getroffen door de digitale kloof; is in dit verband ingenomen met de voorgestelde rondetafelconferentie op hoog niveau en het Europees forum van belanghebbenden; onderstreept het belang van samenwerking tussen de betrokken actoren en verwacht dat naast de kopstukken van de industrie en sociale partners ook de academische wereld, kmo's, normalisatieorganisaties, beleidsmakers, nationale en lokale overheidsniveaus en het maatschappelijk middenveld zullen worden uitgenodigd om een actieve rol te spelen;

    4.  verzoekt de Commissie haar belangrijke werkzaamheden inzake het onderzoek van trends op het gebied van productie en digitalisering, alsmede trends in niet-technische disciplines (zoals recht, beleid, administratie, communicatie, enz.) voort te zetten, belangrijke ontwikkelingen in andere regio's te bestuderen, nieuwe cruciale technologieën in kaart te brengen en ernaar te streven dat het Europees leiderschap op deze gebieden wordt gehandhaafd en nieuwe trends worden geïntegreerd in beleid en maatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de concepten van beveiliging door ontwerp en privacy door ontwerp en door standaardinstellingen, en na te gaan of dit werk kan worden gedaan via een specifieke afdeling voor industriële perspectieven die ook nationale organisaties voor onderzoek en technologie (RTO's) omvat;

    5.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten" (COM(2016)0180), maar betreurt het feit dat, doordat de focus op de vervoerssector ervan beperkt is tot geconnecteerd en geautomatiseerd rijden, alle bestaande uitdagingen hiermee onvoldoende worden aangepakt; herinnert eraan dat, hoewel geconnecteerd en geautomatiseerd rijden een van de spannendste toekomstige digitale transformaties in de sector is, er potentieel is voor digitalisering in alle vervoersmodi, zowel in de operationele als in de administratieve processen, en in de hele waardeketen van producenten tot passagiers en vracht, alsmede voor coördinatie met alle nieuwe technologieën die in de sector worden gebruikt, zoals de Europese mondiale satellietnavigatiesystemen Egnos en Galileo, waar in de nabije toekomst resultaten kunnen worden verwacht; vraagt de Commissie zich te richten op digitale transformaties in alle vervoersmodi, inclusief aan vervoer en toerisme gerelateerde diensten;

    6.  wijst erop dat het digitaliseringsproces niet overal in de vervoerssector evenveel voordelen heeft opgeleverd en dat dit een schadelijke fragmentering heeft veroorzaakt binnen de interne markt, zowel tussen diverse vervoersmodi als binnen één modus; beklemtoont dat er significante en toenemende verschillen zijn tussen de lidstaten wat concurrentievermogen en digitalisering van de vervoerssector betreft, die ook terug te vinden zijn tussen regio's, bedrijven en kmo's; is van mening dat de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor industriële digitalisering (Industrial Digitalisation Strategy, IDS) voor de EU kan helpen deze fragmentering en verschillen te overwinnen en investeringen in digitale projecten kan helpen aantrekken; beklemtoont dat het doel niet het schrijven van een zoveelste beleidsdocument moet zijn, maar het formuleren van een serieuze strategie die een weerspiegeling vormt van innovatietrends en marktpotentieel, en waarvan de toepassing voortdurend moet worden beoordeeld;

    7.  is van mening dat een IDS zal bijdragen tot het oplossen van een aantal van de meest nijpende uitdagingen in de vervoers- en de toeristische sector; verzoekt de Commissie derhalve digitalisering verder te ondersteunen om:

    (a)  de algemene veiligheids-, kwaliteits- en milieuprestaties van de vervoerssector te verbeteren;

    (b)  onbelemmerde toegang te verbeteren voor iedereen, inclusief ouderen en personen met een beperkte mobiliteit of met handicaps, bekendheid te ontwikkelen met alternatieve mobiliteitsoplossingen en passagiers meer keuzemogelijkheden, meer gebruikersvriendelijke en op maat gemaakte producten en meer informatie te bieden, in de hele EU, zowel in stedelijke als in minder ontwikkelde regio's;

    (c)  de vervoerskosten, bijvoorbeeld de onderhoudskosten, te verminderen en de doeltreffendheid van het gebruik van de bestaande capaciteit van de infrastructuur te vergroten (bijvoorbeeld platooning, coöperatieve intelligente vervoerssystemen (C-ITS), het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) en Rivier Informatiediensten (RIS));

    (d)  het concurrentievermogen te verbeteren door de opkomst van nieuwe spelers, in het bijzonder kmo's en start-ups, te bevorderen, teneinde bestaande monopolies uit te dagen;

    (e)  de behoorlijke en geharmoniseerde handhaving van de EU-wetgeving te bevorderen, door de ontwikkeling van verkeersbeheersystemen, intelligente vervoerssystemen, digitale tachografen, elektronische tolsystemen enz., en regelgevingskaders te creëren die geëigend zijn voor reële nieuwe situaties die kunnen ontstaan als gevolg van de toepassing van moderne technologieën;

    (f)  de administratieve lasten te verminderen voor kleine en middelgrote vervoersexploitanten en start-ups, bijv. in de sectoren vracht en logistiek, door vereenvoudiging van de administratieve procedures, tracking en tracing van vracht, en optimalisering van roosters en verkeersstromen;

    (g)  de rechten van passagiers te blijven garanderen, inclusief gegevensbescherming, ook in geval van multimodale verplaatsingen;

    (h)  de problemen in verband met de informatie-asymmetrie op de vervoersmarkt te verminderen;

    (i)  de attractiviteit en ontwikkeling te bevorderen van de toeristische sector, die ongeveer 10 % van het Europese bbp helpt te genereren, en van creatieve sectoren in stedelijke, rurale en perifere gebieden, bijvoorbeeld door een betere integratie van mobiliteit en toeristische diensten, inclusief voor minder bekende bestemmingen;

    8.  geeft aan dat ononderbroken connectiviteit van hoge kwaliteit een conditio sine qua non is voor snelle, veilige en betrouwbare verbindingen voor alle vervoersmodi en voor verdere digitalisering van de vervoerssector; betreurt de enorme versnippering van de digitale dekking in de EU; is van oordeel dat investeringen in breedband en een billijke toewijzing van spectrum essentieel zijn voor de digitalisering van de vervoerssector; beklemtoont het belang van een sectoroverschrijdende visie, die bijvoorbeeld elektronica, telecommunicatie, vervoer en toerisme omvat; vraagt de Commissie en de lidstaten zich te houden aan hun belofte om uiterlijk in 2025 voor een dergelijke connectiviteit voor de belangrijkste transportroutes en -hubs te zorgen, en het voortouw te nemen voor volledige dekking in de hele EU;

    Scheppen van voorwaarden voor succesvolle industriële digitalisering: infrastructuur, investeringen, innovatie en vaardigheden

    9.  onderstreept dat een IDS de mogelijkheid biedt om innovatie, doeltreffendheid en duurzame technologieën te bevorderen die de concurrentiekracht versterken, de industriële basis van de EU moderniseren en belemmeringen voor de ontwikkeling van de digitale markt wegnemen; benadrukt dat geïntegreerde industriële digitalisering gebaseerd moet zijn op verscherpte gunstige voorwaarden gaande van een eersteklas, toekomstbestendige digitale infrastructuur, O&O en een klimaat dat investeringen bevordert tot een passend, actueel wetgevingskader dat innovaties aanmoedigt, een uitgediepte digitale interne markt, hoge niveaus van vaardigheden en ondernemerschap en een sterkere sociale dialoog;

    10.  benadrukt de noodzaak van meer publieke en particuliere investeringen in hogesnelheidsconnectiviteit, bijvoorbeeld via 5G, optische vezels, navigatie en infrastructuur voor satellietcommunicatie, teneinde te zorgen voor een robuuste digitale infrastructuur in stedelijke en industriegebieden; wijst uitdrukkelijk op het belang van harmonisatie van de spectrumtoewijzing met het oog op de toenemende vraag naar connectiviteit en de verbetering van de voorspelbaarheid van het investeringsklimaat voor netwerken; wijst uitdrukkelijk op de noodzaak te komen tot leiderschap in digitale industriële waardeketens en belangrijke technologieën zoals 5G, kwantumtechnologieën, krachtige computers, kunstmatige intelligentie, cloudcomputing, big data-analyse, het internet der dingen, robotica, automatisering (met inbegrip van in hoge mate geautomatiseerde voertuigen) en de "distributed-ledger"-technologie; steunt in dit verband de werkdocumenten van de Commissie die haar mededeling begeleiden;

    11.  stelt vast dat de digitale transformatie in de sectoren vervoer en toerisme, en met name de ontwikkeling van de "on demand"- en deeleconomieën, bijdraagt tot sterk veranderend passagiers- en consumentengedrag ten aanzien van mobiliteit en toerisme, en wijst op de noodzaak van aanpassing van de infrastructurele voorzieningen; verzoekt de Commissie de effecten van de digitalisering in vervoers-, mobiliteits- en toerismediensten te beoordelen, met bijzondere nadruk op het gedrag en de keuzes van de gebruikers van deze diensten, en ervoor te zorgen dat het potentieel van deze maatschappelijke verandering verder kan worden benut;

    12.  stelt vast dat door het feit dat reistickets in toenemende mate digitaal worden afgegeven, de consument via internet snel over meer informatie kan beschikken, maar steeds vaker in een vorm die het vergelijken van aanbiedingen moeilijk maakt; is van mening dat daarom de transparantie- en neutraliteitswaarborgen in de distributie, met name via internet, moeten worden versterkt, zodat de consument zijn keuze kan bepalen op basis van betrouwbare informatie, niet alleen wat de prijs betreft, maar ook ten aanzien van andere parameters, waaronder de kwaliteit van de dienstverlening en bijkomende aanbiedingen; is van mening dat deze transparantie zowel de concurrentie zal stimuleren als de ontwikkeling van het multimodale vervoer zal ondersteunen;

    13.  is van mening dat de digitalisering de consument meer keuze, maar ook gebruikersvriendelijkere en meer toegespitste producten en meer informatie moet bieden, in het bijzonder ten aanzien van de kwaliteit van producten en diensten;

    14.  wijst erop dat de gevolgen van taalbarrières voor de industrie en de digitalisering ervan onvoldoende zijn bekeken of beoordeeld in documenten over de digitale markt; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de ontwikkeling van taaltechnologieën te bevorderen die, samen met de digitalisering van de industrie, de versnippering van de Europese markt zullen terugdringen;

    15.  onderstreept dat speciale steun voor "analoge" meertaligheid in Europa nuttig is voor zowel de digitalisering van de Europese industrie als het aanleren van veelomvattende digitale vaardigheden; onderstreept derhalve dat er veel meer aandacht moet worden besteed aan fundamenteel onderzoek naar statistische, intelligente en computerondersteunde vertaling en leersoftware;

    16.  benadrukt dat de regio's zich moeten richten op hun productieve troeven en dat zij hun ontwikkeling via slimme specialisatie, slimme ketens en clusters moeten bevorderen; is van mening dat clusters en synergieën tussen kmo's, industrieactoren en sociale actoren, de ambachtelijke sector, start-ups, de academische wereld, onderzoekscentra, consumentenorganisaties, de creatieve industriesector, de financiële wereld en andere belanghebbenden succesvolle modellen kunnen zijn voor het bevorderen van digitale productie en innovatie; stimuleert onderzoek, innovatie en structurele cohesie in de EU; beklemtoont het belang van versnelprogramma's en durfkapitaal om te helpen bij de opschaling van start-ups; wijst op het belang van het gebruik van digitalisering voor het bevorderen van innovatie op het gebied van bedrijfsmodellen zoals "pay-per-output"-systemen en massa-aanpassing;

    17.  is van mening dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar de specifieke problemen van de kmo's waar de winst op het gebied van energie-, hulpbronnen- en productie-efficiëntie, verkregen via inspanningen op het gebied van digitalisering, relatief het hoogst zou zijn; is voorstander van de versterking van kmo-verenigingen en hun activiteiten naar buiten via digitaliseringsprogramma's, de ontwikkeling van centra voor toegepaste wetenschappen met nadruk op digitalisering, en medefinanciering voor eigen O&O van kmo's; is van mening dat er aandacht moet worden besteed aan de eigendom van en toegang tot gegevens, alsmede aan de ontwikkeling van een Europees programma voor digitale stages;

    18.  is ingenomen met de oprichting van het platform inzake slimme specialisatie voor industriële modernisering en met name het voorstel van de Commissie, dat is opgenomen in het Actieplan voor de digitalisering van de industrie, om een netwerk van kenniscentra en digitale-innovatiehubs (DIH's) op te zetten om de digitalisering van de industrie en de digitale innovatie van kmo's in alle regio's te versterken; merkt op dat de ambachtelijke sector op dit gebied niet mag worden veronachtzaamd; verzoekt de Commissie intensief werk te maken van de oprichting van DIH's en digitale kenniscentra in minder gedigitaliseerde Europese regio's; verzoekt de Commissie meer financiering beschikbaar te stellen voor DIH's via verschillende Europese middelen (Horizon 2020, structuurfondsen, enz.) om de lidstaten te steunen bij hun inspanningen en strategieën voor de ontwikkeling van een nationaal DIH-netwerk, en te overwegen een "sandbox"-aanpak uit te proberen waarbij grensoverschrijdende experimenten in een gecontroleerde omgeving niet worden geblokkeerd door de bestaande regelgeving; verzoekt de lidstaten de grensoverschrijdende samenwerking tussen hun DIH's te versterken; is van mening dat aangewezen DIH's zich moeten specialiseren in industriële digitale innovaties die bijdragen tot de aanpak van de maatschappelijke uitdagingen waar Europa voor staat; meent in dit verband dat Horizon 2020-financiering voor de DIH's kan worden gecombineerd met financiering uit dat programma voor maatschappelijke uitdagingen; wijst op de mogelijkheid van ICT-innovatiecheques voor kmo's inzake toegang tot advies, de uitwisseling van beste praktijken en DIH-knowhow;

    19.  wijst op de belangrijke rol van steden en lokale overheden bij het ontwikkelen van nieuwe bedrijfsmodellen en het leveren van digitale infrastructuur en het verlenen van steun aan kmo's en andere industrie-actoren, alsmede op de enorme mogelijkheden die de digitale en industriële innovatie met zich meebrengt voor steden, bijvoorbeeld via lokale fabricage zonder afval, een sterkere integratie van de industriële productie en de lokale en stedelijke logistiek en het lokale en stedelijke vervoer, alsook energieopwekking, verbruik, fabricage en 3D-printen; is van mening dat steden ook toegang moeten krijgen tot de DIH's; verzoekt de Commissie lokale, nationale en internationale beste praktijken te bestuderen en de uitwisseling ervan te bevorderen; is ingenomen met de publicatie van een Europese index van digitale steden en met initiatieven die de interoperabiliteit van gegevens en systemen tussen de Europese steden bevorderen; merkt op dat het initiatief inzake intelligente steden in dit verband een rol speelt; wijst op de positieve ervaring met regionale adviesfora;

    20.  benadrukt de rol die overheidsopdrachten en wettelijke voorschriften voor de registratie van ondernemingen en de verslaggeving over bedrijfsactiviteiten of openbaarmaking kunnen spelen bij de bevordering van nieuwe industriële digitale technologie; verzoekt de Commissie na te gaan hoe overheidsopdrachten kunnen worden aangewend als mechanisme om innovatie te bevorderen; verzoekt de Commissie een digitale controle op te nemen in haar Refit-programma om te waarborgen dat de regelgeving is bijgewerkt voor de digitale context en te zorgen voor een gemakkelijkere uitwisseling van beste praktijken tussen overheden inzake het gebruik van de innovatiecriteria in openbare aanbestedingen; beveelt aan om de aanpassing van het juridische en technologische kader, bijvoorbeeld de IPv6-transitie, aan de behoeften inzake digitalisering van de industrie en de lancering van het internet der dingen te bespoedigen;

    21.  benadrukt het belang van het vrijmaken van toereikende publieke en private financiering voor de digitalisering van de Europese industrie, met een beter gebruik van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); is van mening dat dit fors moet worden opgetrokken en dat de overheid meer moet investeren in digitale infrastructuur; benadrukt de centrale rol van financiering afkomstig van particuliere en samenwerkingsplatforms; vraagt de Commissie een financiële rondetafelconferentie voor de digitalisering van de industrie te organiseren, waar de kwestie zal worden onderzocht en innovatieve financieringsvoorstellen zullen worden gedaan; betreurt dat de middelen die in de EU-begroting aan digitale beleidsmaatregelen worden toegewezen te krap zijn om effect te sorteren; erkent dat de Europese economie moet worden aangezwengeld met productieve investeringen: is van mening dat de beschikbaarheid van de bestaande Europese financiële instrumenten, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen en Horizon 2020, ervoor moet zorgen dat deze doelstelling wordt gehaald; is van mening dat de combinatie van deze fondsen moet samenhangen met nationale middelen en staatssteunregels; erkent de rol van publiek-private partnerschappen en gemeenschappelijke ondernemingen;

    22.  verzoekt de lidstaten te voorzien in fiscale prikkels voor ondernemingen die digitale en slimme productiesystemen toepassen, teneinde een doeltreffende digitalisering van de industrie te ondersteunen;

    Waarborgen van het Europees leiderschap op het gebied van technologie en de veiligheid van de industriële digitalisering: fusies en overnames, cyberveiligheid, gegevensstromen, normalisatie

    23.  erkent dat versterking van onderzoek en ontwikkeling (O&O) dringend noodzakelijk is; verzoekt de Commissie om zowel eigen als externe O&O-inspanningen te ondersteunen, innovatienetwerken te bevorderen en de samenwerking tussen start-ups, gevestigde ondernemingen, kmo's, universiteiten enz. in een digitaal ecosysteem te stimuleren; vraagt de Commissie te onderzoeken hoe de onderzoeksresultaten van Horizon 2020 in de ruimste mate kunnen worden overgedragen naar de markt en door Europese bedrijven kunnen worden toegepast; verzoekt de Commissie het aandeel Horizon 2020-onderzoeksprojecten dat octrooien en intellectuele-eigendomsrechten genereert te verhogen en hierover verslag uit te brengen;

    24.  beklemtoont dat het belangrijk is gevoelige Europese technologieën en knowhow veilig te stellen die de grondslag van toekomstige industriële kracht en economische veerkracht vormen; benadrukt de potentiële risico's met betrekking tot strategische buitenlandse directe investeringen (BDI) die door de overheid en het industrieel beleid worden aangestuurd, met name door staatsbedrijven via fusies en overnames; wijst op het feit dat, voor wat BDI betreft, bepaalde externe investeerders steeds meer belangstelling tonen voor de verwerving van gevoelige Europese technologieën via fusies en overnames; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om de ervaringen van de commissie voor buitenlandse investeringen in de Verenigde Staten (CFIUS) te bestuderen; onderstreept dat de gelijke markttoegang voor investeringen moet worden gehandhaafd door mondiale regels vast te stellen;

    25.  beklemtoont dat ontwikkelingen op het gebied van automatisering, robotica en de toepassing van kunstmatige intelligentie in productie evenals de verregaande integratie van technische onderdelen van verschillende oorsprong nieuwe vragen doen rijzen over de aansprakelijkheid voor producten en productiefaciliteiten; roept de Commissie op zo snel mogelijk de regels inzake veiligheid en aansprakelijkheid voor autonoom handelende systemen, met inbegrip van de testvoorwaarden, te verduidelijken;

    26.  erkent dat openheid en connectiviteit mogelijk ook gevolgen hebben voor de kwetsbaarheid voor cyberaanvallen, sabotage, gegevensmanipulatie of industriële spionage, en benadrukt in dit verband het belang van een gemeenschappelijke Europese aanpak van cyberveiligheid; erkent dat moet worden gezorgd voor meer bewustwording ten aanzien van het verbeteren van de cyberveiligheid; acht cyberveerkracht een cruciale verantwoordelijkheid van bedrijfsleiders en degenen die op nationaal en Europees niveau het industrie- en veiligheidsbeleid bepalen; is van mening dat producenten verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van normen inzake veiligheid en cyberveiligheid als kernontwerpparameters voor alle digitale innovaties op basis van de meest recente beschikbare technologie en de beginselen van "beveiliging door ontwerp" en "beveiliging door standaardinstellingen", maar dat onder bepaalde voorwaarden en criteria van deze verantwoordelijkheid van de producent kan worden afgeweken; wijst erop dat vereisten inzake cyberveiligheid voor het internet der dingen en IT-veiligheidsnormen, bijvoorbeeld op basis van de referentie-architectuur RAMI4.0 en ICS, de Europese cyberveerkracht zouden versterken; is van mening dat er in dit verband een belangrijke rol is weggelegd voor de Europese normalisatieorganisaties en dat zij niet aan de kant mogen worden gezet; verzoekt de Commissie verschillende modellen te onderzoeken voor de bevordering van cyberveiligheid voor het internet der dingen; roept overheidsinstellingen echter op om voorschriften inzake cyberveiligheid verplicht te stellen voor overheidsopdrachten met betrekking tot IT-apparatuur en producten voor het internet der dingen; is van oordeel dat het aanbieden van controles op de cyberveiligheid en advies aan kmo's betreffende hun gedigitaliseerde industriële producten van groot belang is; is van mening dat de uitwisseling van beste praktijken tussen de EU-lidstaten de Europese cyberveerkracht in dat verband kan versterken;

    27.  is van mening dat er gemeenschappelijke criteria moeten komen voor kritieke infrastructuur en de digitale beveiliging daarvan en dat de EU-richtlijn betreffende de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen (NIB-richtlijn) de eerste stap is op weg naar een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie; verzoekt de Commissie zich in te spannen om ervoor te zorgen dat de lidstaten de richtlijn consequent en tijdig omzetten; benadrukt dat de rol die de bestuurslichamen als bedoeld in de NIB-richtlijn vervullen voor het wekken van vertrouwen in toekomstige technologieën moet worden versterkt; merkt op dat toezichtsmechanismen voor cyberdreigingen en het speuren naar toekomstige dreigingen belangrijk moeten worden geacht voor de beveiliging van de digitale industrieën in de EU, met bijzondere nadruk op de bescherming van kmo's en consumenten;

    28.  benadrukt dat er specifiek aandacht moet worden besteed aan vraagstukken in verband met de verzameling van en toegang tot industriële of productiegerelateerde gegevens en informatie; onderstreept in dit verband dat er vooral nadruk moet worden gelegd op het beginsel van gegevenssoevereiniteit, open en gestandaardiseerde toegang en beschikbaarheid van gegevens, op de versterking van innovatie en productiviteit, nieuwe diensten en bedrijfsmodellen, en op doorlichting van de beveiliging, waarbij ruimte is voor eerlijke concurrentie; benadrukt dat nieuwe vormen van regelgeving inzake gegevenseigendom en toegang tot gegevens heel voorzichtig moeten worden aangepakt en uitsluitend mogen worden ingevoerd na een uitgebreide raadpleging van alle relevante belanghebbenden; is van mening dat zowel innovatie als de privacybelangen van werknemers en consumenten moeten worden beschermd en gewaarborgd in overeenstemming met de algemene verordening gegevensbescherming; benadrukt voorts dat de openbaarmaking van en toegang tot informatie van algemeen belang en voor wetenschappelijke doeleinden moeten worden bevorderd; neemt in dit verband nota van het voorstel van de Commissie inzake de data-economie om een gemeenschappelijke Europese markt voor gegevens te bevorderen; is van mening dat in het huidige debat over het gegevensregime twee essentiële aspecten moeten worden onderstreept om de ontwikkeling van technische oplossingen voor betrouwbare identificatie en uitwisseling van gegevens te bevorderen, te weten enerzijds standaardcontractvoorschriften en anderzijds de invoering van een controle inzake onbillijkheid in contractuele relaties tussen bedrijven;

    29.  benadrukt dat het Europees cloudinitiatief, tezamen met het wetgevingsvoorstel inzake vrij verkeer van gegevens, die bedoeld zijn om ongerechtvaardigde vereisten ten aanzien van gegevenslocatie uit te bannen, in potentie een verdere prikkel kunnen geven aan het proces van digitalisering van de Europese industrie, met name voor kmo's en startende bedrijven, en versnippering van de interne markt van de EU kunnen voorkomen; roept de Commissie op toe te zien op de goedkeuring en coherente uitvoering van het Europees cloudinitiatief teneinde een eerlijk, snel, betrouwbaar en naadloos proces van gegevensverkeer en -gebruik mogelijk te maken; herinnert de Commissie aan de toezegging in haar mededeling om een wetgevingsvoorstel inzake vrij verkeer van gegevens binnen de EU te presenteren met als uiteindelijk doel ongerechtvaardigde lokalisatievereisten in nationale wet- en regelgeving op te heffen of te voorkomen;

    30.  is er sterk van overtuigd dat open data, big data en data-analyse, met name in de vervoerssector, essentiële elementen blijven om ten volle de voordelen van de digitale interne markt te plukken en innovatie aan te zwengelen; betreurt het feit dat initiatieven om de gegevensstroom te vergemakkelijken, gefragmenteerd blijven; benadrukt het feit dat meer rechtszekerheid nodig is, met name wat zeggenschap en verantwoordelijkheid betreft, op basis van volledige eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming;

    31.  erkent dat de digitalisering van de industrie kan worden ingezet voor de retrieval van sectorale gegevens en voor de uitoefening van bestuur door publieke en semipublieke autoriteiten en marktdeelnemers;

    32.  benadrukt de rol van de integratie van openheid van de architectuur als een ontwerpbeginsel van digitale componenten;

    33.  erkent het belang van bescherming van de technische knowhow met betrekking tot de uitwisseling en onderlinge samenhang van industriële en digitale componenten, waarbij tegelijkertijd interoperabiliteit en end-to-end-connectiviteit mogelijk worden gemaakt en worden bevorderd;

    34.  benadrukt dat een krachtige normalisatiestrategie die met de lidstaten en de Commissie wordt gecoördineerd, met inbegrip van interoperabiliteit in het digitale domein, noodzakelijk is als Europa een leiderschapsrol wil vervullen op het gebied van de industriële digitalisering; benadrukt het belang en de unieke samenstelling van de Europese normalisatieorganisaties, met een inclusieve en op consensus gebaseerde benadering die belanghebbenden uit de samenleving en met name kmo's integreert; dringt er bij de Commissie op aan de ontwikkeling van open normen te bevorderen en is ingenomen met haar intentie om onder billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden (fair, reasonable, non-discriminatory, FRAND) toegang te bieden tot en doeltreffend licenties toe te kennen aan voor normen wezenlijke octrooien, en erkent dat dit essentieel is voor de bevordering van innovatie en O&O in de EU; is van mening dat de circulaire economie een belangrijke aanjager kan zijn voor een coherente normalisatie van de communicatiestromen langs de industriële waardeketens; verzoekt om een op EU-niveau gecoördineerde aanpak door de Europese normalisatieorganisaties (CEN, Cenelec en ETSI) bij internationale fora en consortia; is van mening dat het wenselijk is te streven naar mondiale en universele normen, maar onderstreept ook dat er bereidheid is om met Europese normen te werken indien de internationale samenwerking op normalisatiefora niet constructief verloopt; acht interoperabiliteit noodzakelijk, in het bijzonder op het gebied van het internet der dingen, om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën de mogelijkheden voor consumenten verbetert, zodat deze niet aan slechts een aantal specifieke aanbieders vastgeklonken zitten;

    35.  beklemtoont dat handelsbelemmeringen op het gebied van de digitalisering de internationale activiteiten van de Europese industrie hinderen en de Europese concurrentiekracht schade toebrengen; is van mening dat billijke handelsovereenkomsten tussen de EU en derde landen sterk kunnen bijdragen tot gemeenschappelijke internationale regels op het gebied van gegevensbescherming, gegevensstromen, gegevensgebruik en normalisatie;

    De sociale dimensie: vaardigheden, onderwijs en sociale innovatie

    36.  is van mening dat er grote inspanningen nodig zijn op het gebied van onderwijs, fiscaliteit en socialezekerheidsstelsels om de gevolgen van de transformatie te integreren in onze Europese maatschappelijke en economische modellen; benadrukt dat de digitale transformatie van de industrie een grote maatschappelijke impact heeft op gebieden variërend van werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden en werknemersrechten tot onderwijs en vaardigheden, e-gezondheid, het milieu en duurzame ontwikkeling; beklemtoont dat bij deze veranderingen veiligheid moet worden nagestreefd; verzoekt de Commissie de maatschappelijke gevolgen van de industriële digitalisering op adequate wijze te beoordelen en te onderzoeken en, zo nodig, verdere maatregelen voor te stellen om de digitale kloof te dichten en een inclusieve digitale samenleving te bevorderen terwijl de Europese concurrentiekracht wordt aangezwengeld;

    37.  wijst erop dat het Europees Hof van Justitie het concept "werknemer" heeft gedefinieerd als een arbeidsverhouding die wordt gekenmerkt door bepaalde criteria, zoals ondergeschiktheid, beloning en aard van het werk[12]; vraagt om rechtszekerheid over wat "in dienst zijn" op de digitale arbeidsmarkt is, om ervoor te zorgen dat de sociale en arbeidswetgeving wordt nageleefd; meent dat wanneer voorrang wordt gegeven aan de feiten, alle werkenden in de platformeconomie hetzij werknemers, hetzij zelfstandigen zijn, en ongeacht de contractuele situatie als zodanig moeten worden geclassificeerd;

    38.  benadrukt dat onderwijs, opleiding en een leven lang leren de hoekstenen zijn van maatschappelijke cohesie in een digitale maatschappij; benadrukt dat Europa wordt geconfronteerd met een digitale kloof op dit gebied; verzoekt om de tenuitvoerlegging van een vaardighedengarantie, na overleg met en met deelname van de sociale partners, en verzoekt de lidstaten manieren te vinden om te voldoen aan de behoefte van de burgers aan permanente bij- en nascholing, opleiding en een leven lang leren om te zorgen voor een soepele overgang naar een slimme economie; benadrukt het belang van het bevorderen en erkennen van digitale vaardigheden en van de nieuwe trend in de richting van "multi-skilling"; is van mening dat werkgevers het Europees Sociaal Fonds moeten gebruiken voor dergelijke opleidingen en om een digitale kit voor het verbeteren van vaardigheden te bevorderen in samenwerking met de industrie en de sociale partners; is ingenomen met de ontwikkeling van onderwijsmateriaal en sectorspecifieke lesprogramma's; vraagt de Commissie keuzes te onderzoeken voor het instellen van een certificeringssysteem voor permanente opleidingsprogramma's voor digitale vaardigheden;

    39.  benadrukt dat digitale vaardigheden moeten worden opgenomen in de nationale lesprogramma's; merkt op dat voorbeelden van door het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) gesteunde initiatieven, zoals de Europese maand van de cyberveiligheid en de Europese Cyber Security Challenge, met dit doel voor ogen verder moeten worden ontwikkeld; benadrukt het belang van een gespecialiseerde lerarenopleiding voor digitale vaardigheden en dat digitale vaardigheden aan alle kinderen moeten worden aangeleerd; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle scholen met wifi en actueel IT-materiaal zijn uitgerust; merkt op dat codering ook een belangrijke rol speelt; verzoekt om de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten om lessen te trekken uit reeds bestaande praktijken zoals het Fit4Coding-programma, initiatieven inzake digitale academies, e-learningprogramma's, of coderingscholen zoals Webforce3; vraagt de Commissie de integratie van het testen van digitale vaardigheden in de IGCU/Pisa-studies te bevorderen om concurrentie en vergelijking tussen EU-lidstaten mogelijk te maken; verzoekt de lidstaten, in samenwerking met de Commissie, interdisciplinaire studieprogramma's te ontwerpen die gericht zijn op de integratie van diverse competenties, zoals IT met bedrijfsbeheer of techniek met gegevenswetenschappen; beklemtoont dat alle lidstaten algemene nationale strategieën inzake digitale vaardigheden met streefcijfers dienen te ontwikkelen, zoals door Commissie werd verzocht; benadrukt de belangrijke rol die de sociale partners en andere belanghebbenden kunnen spelen bij de ontwikkeling en uitvoering van dergelijke strategieën; merkt op dat tot dusver slechts de helft van de EU-lidstaten nationale coalities voor digitale banen heeft opgericht; beklemtoont dat een specifiek begrotingsonderdeel ter ondersteuning van de activiteiten van de Coalitie voor digitale vaardigheden en banen de verspreiding van informatie en verdere activiteiten zou versterken;

    40.  benadrukt het belang van investeringen in de digitalisering van beroepsopleidingen en de ambachtelijke sector; benadrukt dat digitale vaardigheden ook moeten worden gecombineerd met technische vaardigheden en de bevordering van het onderwijs in wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM-vakken) en de bevordering van zachte vaardigheden zoals communicatie, teamcoördinatie en sectoroverschrijdend denken;

    41.  vraagt om het genderperspectief op te nemen in alle digitale initiatieven en ervoor te zorgen dat de huidige digitale transformatie ook een drijvende kracht voor gendergelijkheid wordt; beklemtoont dat de ernstige genderkloof in de ICT-sector moet worden aangepakt, aangezien dit essentieel is voor de groei en welvaart van Europa op de lange termijn;

    42.  wijst op de mogelijkheden die de digitalisering biedt voor de toegankelijkheid van sociale diensten en andere openbare diensten, alsook voor de inclusie van personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit op de arbeidsmarkt; benadrukt in dit verband met name het belang van telewerken;

    43.  wijst erop dat, zoals aangetoond door het Europeana-initiatief, de digitalisering van Europese werken een belangrijke gelegenheid biedt om de toegankelijkheid, verspreiding en bevordering ervan te verbeteren en dat digitale innovatie de aanzet kan geven tot een omwenteling inzake de wijze waarop cultuurgoederen worden tentoongesteld en toegankelijk worden gemaakt; onderstreept het belang van het bevorderen van het gebruik van 3D-technologieën voor gegevensverzameling en de reconstructie van vernietigde cultuurgoederen en erfgoederen; benadrukt dat financiële middelen voor de digitalisering, het behoud en de online toegankelijkheid van het Europees cultureel erfgoed moeten worden gewaarborgd;

    44.  betreurt het feit dat historische en culturele plaatsen vaak niet gemakkelijk toegankelijk zijn voor mensen met een handicap, en benadrukt de mogelijkheden die een sterker digitaal cultureel platform biedt voor het verbeteren van de betrokkenheid en het toegankelijker maken van culturele ervaringen, plaatsen en artefacten, ongeacht de geografische ligging;

    45.  steunt het onderzoek naar en de ontwikkeling van hulptechnologieën die kunnen worden gebruikt voor de inclusie van mensen met een handicap en voor het ontwikkelen van industriële producten met het oog hierop;

    46.  pleit voor de instelling van een regelmatige uitwisseling van beste praktijken en de opstelling van een halfjaarlijks voortgangsverslag en aanbevelingen inzake de digitalisering van de industrie;

    47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

    • [1]  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0009.
    • [2]  PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 131.
    • [3]  PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 57.
    • [4]  PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 41.
    • [5]  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0032.
    • [6]  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0535.
    • [7]  PB C 93 van 9.3.2016, blz. 120.
    • [8]  PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 22.
    • [9]  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0486.
    • [10]  PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 45.
    • [11]  PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 24.
    • [12]  Zie zaak C 596/12, par. 17, en zaak C 232, par. 39.

    TOELICHTING

    De industrie speelt een cruciale rol in de Europese economie. Zij voorziet in banen en economische dynamiek en kan een essentiële bijdrage leveren met oplossingen voor grote maatschappelijke uitdagingen waarmee de Europese Unie wordt geconfronteerd, variërend van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en klimaatverandering tot demografische veranderingen, sociale onzekerheid en verlies aan biodiversiteit. Tegelijkertijd bevindt de wereld zich middenin een nieuwe industriële revolutie die gebaseerd is op digitalisering en automatisering, waardoor bedrijfsmodellen, waardeketens, productie en consumptie veranderen. Er zijn nieuwe cruciale technologieën in opkomst, zoals big data, het internet van de dingen, 5G, cloudcomputing, robotica, kunstmatige intelligentie, kwantumtechnologieën, enzovoort. Er is een wereldwijde race aan de gang om te bepalen wie zich deze nieuwe ontwikkelingen eigen kan maken en zich er het snelst op een duurzame en sociale manier aan kan aanpassen.

    Wil de Europese industrie concurrerend blijven, dan is het van essentieel belang dat zij deze nieuwe industriële revolutie leidt met innovatie en op basis van duurzaamheid. De Europese Unie beschikt in dit verband over duidelijke industriële voordelen. Zij beschikt over de knowhow, O&O, geschoolde werknemers, een grote interne markt, een sterke industriële basis en een geschiedenis waarin productie en dienstverlening samenkomen. In deze context heeft Europa een ambitieuze strategie voor industriële modernisering nodig om haar industriële basis te digitaliseren. De mededeling van de Europese Commissie is een belangrijke eerste stap in de goede richting.

    Voor een dergelijke strategie is een holistische aanpak op basis van de volgende pijlers vereist:

    •  Europese coördinatie en visie

    •  Vaststellen van de juiste randvoorwaarden (infrastructuur, investeringen, innovatie)

    •  Nadruk leggen op veiligheid als een Europese specificiteit bij de ontwikkeling van nieuwe cruciale technologieën

    •  Vergroten van de sociale veerkracht door middel van vaardigheden, onderwijs en sociale innovatie.

    De EU heeft behoefte aan een gemeenschappelijke strategische aanpak. Het naast elkaar bestaan van 28 afzonderlijke nationale strategieën, platforms en benaderingen verhindert het gebruik van de Europese meerwaarde, werkt versnippering in de hand, dreigt de interne markt te ondermijnen en leidt tot inefficiëntie. Een Europese benadering met een Europees coördinatieplatform is daarom van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de nationale strategieën worden ingebed in een ruimere context vanuit een Europees perspectief. Er is in het bijzonder behoefte aan een gemeenschappelijke Europese visie. Digitalisering an sich kan niet het leidmotief zijn. Door middel van digitalisering kunnen concurrentievermogen, duurzaamheid en hoogwaardig werk worden bevorderd. De digitalisering van producten en diensten zou de komende vijf jaar meer dan 110 miljard EUR aan inkomsten per jaar voor de industrie genereren. In Duitsland alleen zou de digitalisering volgens de Europese Commissie in de komende tien jaar zorgen voor 8 % productiviteitsgroei. De digitalisering kan eveneens sociaal-economische en milieuvoordelen opleveren. Volgens BT kan ICT de koolstofemissies van de EU met meer dan 1,5 gigaton CO2-equivalent terugdringen in 2030 via energie- en hulpbronnenefficiëntie, en kan e-gezondheid 14 miljard EUR opleveren dankzij ruimtebesparing door minder persoonlijke consulten.

    Europa moet echter voor de juiste randvoorwaarden zorgen om de aanpassing aan deze nieuwe industriële trends mogelijk te maken. Dit betekent dat de best mogelijke infrastructuur voor de Europese economie moet worden gegarandeerd via bijvoorbeeld 5G en optische vezels, dat innovatie en O&O moeten worden bevorderd en dat investeringen in nieuwe technologieën en modernisering moeten worden gestimuleerd. Volgens de Europese Commissie "bedroegen de investeringen in ICT-gerelateerde producten in de EU" in pakweg de afgelopen vijftien jaar "ongeveer een derde van die in de VS". Het investeringsvolume is te laag. Er moeten daarom randvoorwaarden worden ingevoerd om een situatie van bezuinigingen te transformeren in een investeringsvriendelijk klimaat. Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) zijn in dit verband van bijzonder belang. Uit enquêtes blijkt dat de meeste Europese kmo's van zichzelf vinden dat zij een achterstand hebben wat de toepassing van digitale technologieën betreft en er nauwelijks in investeren. Dit moet worden aangepakt door middel van een op kmo's toegespitst digitaliseringsprogramma.

    In dit nieuwe digitale industriële tijdperk moet tevens meer aandacht worden besteed aan verschillende veiligheidsaspecten. Dit houdt bijvoorbeeld in dat erop moet worden toegezien dat belangrijke Europese strategische technologieën niet goedkoop aan buitenlandse concurrenten worden verkocht, zonder de vrije markt te verstoren. Dit betekent ook dat moet worden toegezien op de cyberveiligheid in de gedigitaliseerde industrie en op het internet van de dingen, waar elk digitaal product en elke digitale dienst plotseling tot "wapen" kan worden gemaakt door middel van hacking. Met het oog hierop zijn duidelijke regels inzake cyberveiligheid noodzakelijk. Een kader om het vrije verkeer van gegevens te garanderen en tegelijkertijd de gegevenssoevereiniteit te beschermen en duidelijke regels vast te stellen voor het beheer van gegevens in het kader B2B-betrekkingen zal ook van essentieel belang zijn, evenals normalisatie. De concurrenten van Europa zijn al bezig met de tenuitvoerlegging van hun eigen normalisatiestrategieën om hun eigen industrie-actoren te begunstigen. In deze context moet Europa haar strategie voor industriële digitalisering vergezeld laten gaan van een duidelijk normalisatieprogramma in samenwerking met de Europese normalisatieorganisaties.

    Het is evident dat de digitalisering van de Europese industrie ook uitdagingen met zich meebrengt, met name de absurde situatie waarin de nieuwe technologieën –volgens verschillende studies– kunnen leiden tot sociale onzekerheid en verlies aan werkgelegenheid, en dat terwijl er in Europa gebrek is aan geschoolde arbeidskrachten. Europa kampt jaarlijks met een gebrek aan circa 180 000 IT-deskundigen. De strategie voor industriële digitalisering moet daarom een sterke sociale dimensie hebben. Dit omvat het recht op opleiding en een vaardighedengarantie, de bevordering van een leven lang leren en de garantie dat digitale vaardigheden worden aangeleerd vanaf jonge leeftijd en opgenomen in de lesprogramma's van scholen. Digitale vaardigheden moeten ook op transversale wijze worden bevorderd. Niet alleen in de grote bedrijven, maar ook voor kmo's en de ambachtelijke sector. Het samenbrengen van digitale vaardigheden en beroepsopleidingen is in dit verband ook van essentieel belang.

    ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (28.3.2017)

    aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

    inzake de digitalisering van het Europese bedrijfsleven
    (2016/2271(INI))

    Rapporteur voor advies: Marju Lauristin

    SUGGESTIES

    De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A.  overwegende dat de sector informatie- en communicatietechnologie (ICT) momenteel werk biedt aan zes miljoen mensen in Europa; overwegende dat 40 % van de Europese werknemers over onvoldoende digitale vaardigheden beschikt en moeilijkheden ondervindt met een leven lang leren; overwegende dat de onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden aangepast en verder moeten worden versterkt om te beantwoorden aan de vereisten van de digitale arbeidsmarkt;

    B.  overwegende dat er sprake is van een grote genderkloof wat betreft werkgelegenheid en opleiding in de ICT-sector, met ernstige negatieve gevolgen voor de gelijkheid op de arbeidsmarkt;

    C.  overwegende dat de digitalisering diep doordringt in alle delen van de sector en het concurrentievermogen ervan vergroot door de innoverende en duurzame productie van goederen en diensten, hetgeen de economische groei stimuleert en banen en welvaart schept, maar ook uitdagingen met zich brengt die actieve betrokkenheid van de sociale partners en de overheid vereisen teneinde de digitale overgang op billijke wijze te laten verlopen;

    D.  overwegende dat de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in de industrie de afgelopen decennia relatief kleiner zijn geworden, wat heeft bijgedragen tot economische onevenwichtigheden en in sommige gevallen negatieve gevolgen heeft gehad voor de sociale en regionale cohesie;

    E.  overwegende dat digitalisering tot nieuwe netwerkrelaties tussen personen, groepen, machines en systemen kan leiden en dat daardoor synergieën tussen menselijke creativiteit en kunstmatige intelligentie kunnen ontstaan;

    F.  overwegende dat gemiddeld 9 % van de banen zeer waarschijnlijk geautomatiseerd zal worden, terwijl in nog eens 25 % van de banen de taken aanzienlijk zullen veranderen als gevolg van automatisering;

    G.  overwegende dat de vraag naar hooggekwalificeerde digitale werknemers volgens de Commissie blijft toenemen en dat het aantal oningevulde vacatures, als er geen passende maatregelen worden genomen, tegen 2020 mogelijk tot 756 000 zal stijgen, wat een gevaar vormt voor de groei en het concurrentievermogen in Europa; overwegende dat de huidige onderwijs- en opleidingsstelsels waar nodig moeten worden herzien om beter te beantwoorden aan de behoeften van de digitale arbeidsmarkt en de stijgende arbeidsparticipatie;

    H.  overwegende dat aanpassingen aan de technische ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende veranderingen op arbeidsvlak bedrijven, vakbonden en beleidsmakers nog een hele tijd bezig zullen houden; overwegende dat een van de voornaamste uitdagingen erin zal bestaan de onderwijs- en opleidingsstelsels te laten aansluiten bij de behoeften van de digitale arbeidsmarkt en ervoor te zorgen dat de digitalisering van het bedrijfsleven complementair blijft met menselijke arbeid;

    1.  benadrukt dat de digitalisering van het bedrijfsleven grote uitdagingen en kansen inhoudt, zowel wat het ontstaan en verlies van banen als wat het arbeidsbestel betreft; benadrukt dat de digitalisering van het bedrijfsleven noopt tot gerichte maatregelen van de Commissie en de lidstaten, in overleg met de sociale partners, op het vlak van werkgelegenheids-, sociaal, onderwijs- en fiscaal beleid, een versterking van de collectieve onderhandelingen en de verschaffing van moderne infrastructuur; onderstreept dat de digitalisering van het bedrijfsleven zo moet worden vormgegeven dat zij bijdraagt tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden;

    2.  wijst erop dat de werkplek bij nieuwe, op de digitalisering gebaseerde arbeidsvormen dikwijls wordt losgekoppeld van het bedrijf, wat uitdagingen met zich brengt wat betreft de toepasselijke arbeidswetgeving, sociale bescherming en collectieve overeenkomsten, met inbegrip van het beginsel van gelijke behandeling op dezelfde werkplek; maakt zich zorgen over de toename van precair werk in de industrie, zoals schijnzelfstandigheid en onrechtmatige nulurencontracten; benadrukt dat de bescherming van werknemers op de digitale arbeidsmarkt voor iedereen op dezelfde manier moet gelden;

    3.  neemt nota van de sterke regionale verschillen wat de digitalisering van het bedrijfsleven betreft, die gevolgen hebben voor banen, productiviteit en groei, met name in kmo's; stelt vast dat er wat digitalisering betreft, niet alleen sprake is van een regionale maar ook van een sociale kloof, alsook van verschillen tussen bedrijven; vraagt daarom dat er meer inspanningen worden gedaan om inclusieve digitale infrastructuur, met inbegrip van breedband, te ontwikkelen en kmo's te steunen, in het bijzonder in regio's die een achterstand hebben; vraagt de Unie investeringen in digitale infrastructuur te steunen en in dit verband Europese fondsen beter te benutten; benadrukt dat universele toegang tot internet moet worden bevorderd, ook voor kansarme groepen en in plattelandsgebieden;

    4.  beschouwt openbare digitale innovatie en open normen als middel om te voorkomen dat digitale kennis geconcentreerd wordt in een handvol industriebedrijven en om een evenwichtige digitale ontwikkeling in alle lidstaten te bevorderen;

    5.  benadrukt het belang van netwerken en samenwerking tussen de reeds bestaande nationale digitaliseringsinitiatieven zoals Industrie 4.0, en vraagt om grotere inspanningen ter ondersteuning van regio's en sectoren die een achterstand hebben, teneinde gelijke kansen te waarborgen en grotere economische, sociale en territoriale cohesie te bevorderen; wijst op het potentieel van centra voor digitale vaardigheden bij het ondersteunen van de digitalisering van het bedrijfsleven, het vergroten van het concurrentievermogen van bestaande bedrijven en het aanmoedigen van de oprichting van nieuwe bedrijven;

    6.  wijst erop dat de digitale omwenteling een complex verschijnsel is dat ook op Europees niveau moet worden aangepakt om fragmentatie van de interne markt te voorkomen, en dat nauwe samenwerking met nationale en regionale belanghebbenden in dit verband wenselijk is;

    7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om, in samenwerking met de sociale partners, regelmatig het effect van de digitalisering op de kwaliteit van de banen, het aantal en de soorten banen en de vraag naar vaardigheden en kwalificaties te beoordelen en het betreffende beleid dienovereenkomstig aan te passen, teneinde de rechten van werknemers te beschermen, billijke concurrentie te garanderen en ervoor te zorgen dat de digitalisering bijdraagt tot hogere sociale en arbeidsnormen; wijst erop dat de verhouding tussen het ontstaan en het verlies van diverse soorten banen als gevolg van de digitalisering van het bedrijfsleven wellicht consequenties heeft voor de financiële bestendigheid van de socialezekerheids-, pensioen- en werkloosheidsverzekeringsstelsels van de lidstaten; herinnert eraan dat niet alle toekomstige banen op dezelfde wijze de gevolgen van de digitalisering van het bedrijfsleven ondervinden en dat het belang van menselijke interactie niet mag worden onderschat;

    8.  merkt op dat nieuwe, op digitale technologie gebaseerde bedrijfsmodellen gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt en op de vraag naar digitale vaardigheden van werknemers en dienstverleners; benadrukt dat digitalisering kansen biedt om productie terug naar Europa te halen (reshoring); verzoekt de Commissie en de lidstaten reshoringstrategieën te ontwikkelen om de groei en werkgelegenheid in de Unie te bevorderen;

    9.  wijst erop dat de digitalisering de ongelijke verdeling van de rijkdom dreigt te verergeren door de digitale kloof zodanig te vergroten dat de samenleving, de lidstaten en de regio's worden opgedeeld in de groep die wel en de groep die niet van de groeiende digitale productiviteit kan profiteren; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan mogelijke manieren te onderzoeken om de ongelijkheid als gevolg van automatisering te corrigeren;

    10.  erkent de kansen en uitdagingen die aan de digitalisering van het bedrijfsleven verbonden zijn; wijst op de positieve effecten die de digitalisering van het bedrijfsleven heeft door meer flexibele arbeidsregelingen die een beter evenwicht tussen werk en privéleven mogelijk maken, meer keuzes bieden via mobiel telewerken, en mensen uit plattelandsgebieden en afgelegen streken in staat stellen de arbeidsmarkt te betreden (mits zij over de nodige infrastructuur beschikken), hetgeen economische groei bevordert; erkent tegelijk dat de door de digitalisering aangedreven tendens in de richting van grotere flexibiliteit het risico van onzekere en precaire banen kan vergroten; benadrukt dat nieuwe arbeidsvormen niet mogen worden gebruikt om de bestaande arbeids- en sociale wetgeving wat betreft de bescherming van werknemers- en consumentenrechten te omzeilen; wijst erop dat traditionele bedrijven en bedrijven in de platformeconomie op gelijke voet moeten worden gesteld;

    11.  vraagt de Commissie en de lidstaten gegevens te verzamelen om de impact van digitalisering op arbeidsvormen en arbeidsomstandigheden te monitoren en evalueren, en de nodige initiatieven te nemen om meer duidelijkheid te scheppen over de rechtspositie van mensen die voor platforms werken, met name door een onderscheid te maken tussen zelfstandigen en werknemers, en de bestaande wetgeving waar nodig aan te passen zodat alle soorten werk naar behoren onder het arbeidsrecht vallen; onderstreept dat alle werkenden uit hoofde van de Verdragen en het Handvest van de grondrechten dezelfde rechten hebben, die moeten worden gehandhaafd, waaronder het recht op vrij verkeer, de vrijheid van vereniging, het recht om collectieve overeenkomsten te sluiten en het stakingsrecht; benadrukt dat er voor de platformeconomie een proportionele regelgevings- en administratieve omgeving nodig is die rekening houdt met de rechten en plichten van alle belanghebbenden;

    12.  wijst erop dat het Europees Hof van Justitie het concept "werknemer" heeft gedefinieerd als een arbeidsverhouding die wordt gekenmerkt door bepaalde criteria, zoals ondergeschiktheid, beloning en aard van het werk[1]; vraagt om rechtszekerheid over wat "in dienst zijn" op de digitale arbeidsmarkt is, om ervoor te zorgen dat de sociale en arbeidswetgeving wordt nageleefd; meent dat wanneer voorrang wordt gegeven aan de feiten, alle werkenden in de platformeconomie hetzij werknemers, hetzij zelfstandigen zijn, en ongeacht de contractuele situatie als zodanig moeten worden geclassificeerd;

    13.  is bezorgd over het sterk uiteenlopende niveau van de digitale vaardigheden van werknemers binnen en tussen de verschillende lidstaten; benadrukt dat deze kloof, die een negatieve invloed heeft op de ontwikkelingskansen en de arbeidsmarkt, moet worden gedicht;

    14.  vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de digitalisering van het bedrijfsleven en de daaruit voortvloeiende toename van nieuwe arbeidsvormen geen negatief effect hebben op de socialezekerheidspremies en dat voor alle vormen van werk alle premies worden betaald; stelt vast dat digitale oplossingen het innen van belastingen en socialezekerheidspremies kunnen vergemakkelijken;

    15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten regelmatig met de sociale partners te overleggen wanneer zij het regelgevingskader voor de digitale economie aanpassen; vraagt de sociale partners collectieve overeenkomsten voor de platformeconomie te sluiten;

    16.  vraagt de lidstaten te zorgen voor toegang tot scholing in de vaardigheden van de 21e eeuw, met name digitale vaardigheden, kritisch denken, probleemoplossing, teamwerk en het gebruik van "big data", opdat alle burgers op gelijke voet aan de digitale eengemaakte markt kunnen deelnemen; benadrukt in dit verband het belang van horizontale competenties, die werknemers in staat stellen met kennis van zaken beslissingen te nemen en ondernemingszin en zelfbewustzijn te ontwikkelen; wijst op de rol van de werkgevers bij de organisatie en financiering van passende opleidingen die werknemers in staat stellen hun digitale vaardigheden en kwalificaties te verbeteren; vestigt bijzondere aandacht op werknemers wier banen dreigen te verdwijnen als gevolg van de voortdurende digitalisering van het bedrijfsleven;

    17.  wijst erop hoe belangrijk een leven lang leren voor alle werkenden is in het digitale tijdperk; vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat werknemers die hun baan verliezen, desgewenst snel toegang krijgen tot omscholing naar digitale vaardigheden; vraagt dat de socialebeschermingsstelsels worden gemoderniseerd om beter aan te sluiten bij arbeids- en loopbaanprofielen die door de digitalisering ontstaan;

    18.  benadrukt hoe belangrijk het is om de onderwijsstelsels af te stemmen op de behoeften van de digitale economie teneinde leerlingen en studenten de nodige kennis en vaardigheden mee te geven; vraagt de Commissie en de lidstaten nogmaals interdisciplinair denken op scholen te stimuleren om aan de groeiende vraag naar digitale en complementaire vaardigheden te voldoen; vraagt de lidstaten zich niet alleen te concentreren op het verbeteren van de vaardigheden van de werknemers, maar ook onderwijs in en belangstelling voor wetenschap, technologie, ingenieurswetenschappen en wiskunde (STEM), alsook ondernemers- en andere relevante zachte vaardigheden, al vanaf jonge leeftijd aan te moedigen; benadrukt dat er bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om de grote genderkloof in de ICT-sector te dichten; vraagt de lidstaten in overleg met de sociale partners en onderwijs- en opleidingsinstellingen vaardigheidsstrategieën en beroepsopleidingsprogramma's voor het digitale tijdperk te ontwikkelen;

    19.  merkt op dat de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden in de digitale economie niet alleen aan ontbrekende vaardigheden te wijten is, maar ook het resultaat is van slechte arbeidsvoorwaarden, waardoor sommige van de hoogstgekwalificeerde werknemers ervoor kiezen elders te gaan werken, en van slecht humanresourcesmanagement, waardoor de vaardigheden en kennis van de digitale generatie niet volledig worden benut;

    20.  is ingenomen met de initiatieven van de Commissie waarmee wordt beoogd het tekort aan hooggekwalificeerde werknemers aan te pakken, zoals de coalitie voor digitale vaardigheden en banen; benadrukt dat er op dit vlak slechts blijvend succes kan worden geboekt als alle belanghebbenden, waaronder de sociale partners, onderwijs- en opleidingsinstellingen en ngo's, erbij worden betrokken;

    21.  benadrukt dat werknemers niet ondergeschikt zijn aan gerobotiseerde productiesystemen of digitale platforms, maar een belangrijke rol spelen bij het vormgeven van hun werkomgeving en de digitalisering van het bedrijfsleven; benadrukt daarom dat het recht op raadpleging en participatie in bedrijfsaangelegenheden, alsook de betrokkenheid van de sociale partners op alle niveaus moeten worden versterkt om voor een billijke digitale transitie te zorgen;

    22.  benadrukt dat zowel de positieve gevolgen van de digitalisering van het bedrijfsleven als de daaraan verbonden risico's voor de gezondheid en veiligheid op het werk, zoals nieuwe psychologische risico's en het effect van interactie tussen mens en robot, in kaart moeten worden gebracht en moeten worden geanalyseerd om zo nodig passende maatregelen te nemen; onderstreept dat de sociale partners daarbij moeten worden betrokken; wijst op de psychologische en neurologische effecten van de digitalisering op werknemers, aangezien constante bereikbaarheid een risico op werkgerelateerde geestelijke-gezondheidsproblemen zoals burn-out met zich brengt; pleit er dan ook voor om werknemers het recht te geven om buiten overeengekomen werktijden "offline te gaan";

    23.  verzoekt de Commissie en haar agentschappen, in het bijzonder het EU-OSHA, de effecten van digitalisering, robotica en kunstmatige intelligentie op psychische belasting te onderzoeken en waar nodig beleidsaanbevelingen te doen; wijst op de effecten die constant toezicht door middel van digitale technieken kan hebben op het arbeidsklimaat en met betrekking tot arbeidsgerelateerde stress; benadrukt in dit verband dat uit onderzoek duidelijk naar voren is gekomen dat meer druk en toezicht niet leiden tot hogere arbeidsprestaties, maar tot meer gezondheidsrisico's, fouten en ongelukken[2];

    24.  vraagt de lidstaten samen met de sociale partners brede maatschappelijke raadplegingen te houden over de toekomst van werk en digitalisering; is van mening dat de Commissie een centrale rol op zich moet nemen bij de verspreiding en coördinatie van deze nationale initiatieven;

    25.  merkt op dat het toenemende gebruik van nieuwe technologie en middelen voor elektronische communicatie op de werkplek vragen oproept over de privacy van werknemers en de nieuwe mogelijkheden voor monitoring en toezicht; benadrukt daarom dat er dringend betere beleidskaders voor het gebruik, de verwerking, de opslag en de eigendom van gegevens over werknemers moeten worden besproken en ontwikkeld, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679, om te voorkomen dat de grondrechten van werknemers worden geschonden en om werknemers toegang tot hun gegevens te garanderen;

    26.  wijst op de mogelijkheden die de digitalisering biedt voor de toegankelijkheid van sociale diensten en andere openbare diensten, alsook voor de inclusie van personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit op de arbeidsmarkt; benadrukt in dit verband met name het belang van telewerken;

    27.  stelt vast dat platformwerk toeneemt en verwacht dat het zich in de industrie verder zal verspreiden, aangezien digitalisering mogelijkheden biedt voor decentralisatie en flexibiliteit; spreekt andermaal zijn bezorgdheid uit over het gebruik van platformwerk voor het omzeilen van belastingwetgeving en werknemersrechten, waaronder minimumlonen, gezondheids- en veiligheidsvereisten, maximale arbeidstijden en in sommige gevallen het recht op sociale zekerheid; vraagt de Commissie en de lidstaten een kader te ontwikkelen dat ervoor zorgt dat mensen die voor platforms werken, dezelfde rechten hebben als mensen die in de traditionele economie werken, en dat er een gelijk speelveld is wat betreft de belastingen en socialezekerheidspremies die personen en bedrijven betalen, zodat de stabiliteit van overheidsfinanciën en socialezekerheidsstelsels op de lange termijn gevrijwaard blijft.

    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    22.3.2017

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    43

    1

    2

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Mara Bizzotto, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Lampros Fountoulis, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Robert Rochefort, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Maria Arena, Georges Bach, Tania González Peñas, Krzysztof Hetman, Marju Lauristin, Alex Mayer, Joachim Schuster, Jasenko Selimovic, Csaba Sógor, Michaela Šojdrová, Neoklis Sylikiotis

    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

    43

    +

    ALDE

    ECR

    ENF

    GUE/NGL

    EPP

     

    S&D

    Verts/ALE

    Enrique Calvet Chambon, Robert Rochefort, Jasenko Selimovic, Yana Toom, Renate Weber

    Anthea McIntyre; Jana Žitňanská

    Dominique Martin, Joëlle Mélin

    Tania González Peñas, Rina Ronja Kari, Patrick Le Hyaric, Neoklis Sylikiotis

    Georges Bach, David Casa, Krzysztof Hetman, Ádám Kósa, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Thomas Mann, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Michaela Šojdrová, Csaba Sógor, Romana Tomc

    Maria Arena, Ole Christensen, Jan Keller, Marju Lauristin, Javi López, Alex Mayer, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Maria João Rodrigues, Joachim Schuster, Jutta Steinruck, Marita Ulvskog

    Jean Lambert, Terry Reintke, Tatjana Ždanoka

    1

    -

    NI

    Lampros Fountoulis

    2

    0

    ENF

    GUE/NGL

    Mara Bizzotto

    João Pimenta Lopes

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    +  :  voor

    -  :  tegen

    0  :  onthouding

    ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (7.2.2017)

    aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

    inzake de digitalisering van het Europese bedrijfsleven
    (2016/2271(INI))

    Rapporteur voor advies: Sergio Gaetano Cofferati

    SUGGESTIES

    De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven" (COM(2016)0180); herinnert aan de doelstelling om de bijdrage van het Europese bedrijfsleven voor 2020 te vergroten tot 20 % van het bbp van de EU; onderstreept de belangrijke rol die digitalisering in dit verband kan vervullen en de kansen voor het bedrijfsleven die zij kan bieden; benadrukt de dringende noodzaak om een ambitieuze en coherente EU-strategie vast te stellen, op grond waarvan de verschillende EU-initiatieven worden samengebracht en de respectievelijke nationale en regionale strategieën worden gecoördineerd, terwijl fragmentatie wordt vermeden en de mogelijkheden voor consumenten, werknemers en bedrijven worden geoptimaliseerd;

    2.  benadrukt dat de digitalisering alle sectoren van de economie ingrijpend heeft gewijzigd en dat Europa deze kans met beide handen moet aangrijpen om zijn internationale concurrentievermogen te versterken; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de interne markt van de EU verder te ontwikkelen teneinde het Europese bedrijfsleven, met inbegrip van kmo's en start-ups, te versterken, te zorgen voor een coherent regelgevingskader en regelgevingsbarrières weg te nemen, administratieve rompslomp te verwijderen en de regelgeving te moderniseren;

    3.  benadrukt de noodzaak van toereikende investeringen in en een coherent regelgevingskader voor onderzoek en innovatie, infrastructuur, cyberveiligheid, gegevensbescherming, e-overheid en digitale vaardigheden teneinde te zorgen voor een goed functionerende digitale interne markt; benadrukt dat de EU in dit opzicht achterblijft bij zijn concurrenten en dat meer middelen nodig zijn voor dergelijke investeringen; wijst erop dat er volledig gebruik moet worden gemaakt van het potentieel en de synergieën die de bestaande fondsen bieden en dat private investeringen moeten worden gestimuleerd; is van mening dat de Commissie zich meer in moet spannen om deze uitdagingen op een efficiënte manier aan te pakken; dringt er bij de Commissie op aan meer helderheid te creëren ten aanzien van de financiering van de ondernomen en nog aanstaande initiatieven ter bevordering van het digitaliseringsproces, met name met betrekking tot de rol van het EFSI, de ESI-fondsen, Horizon 2020 en de potentiële synergie-effecten daartussen, evenals de geschatte bijdrage uit de nationale begrotingen van de lidstaten; vraagt de Commissie om onderzoek te doen naar het effect van publiek-private partnerschappen en gezamenlijke technologie-initiatieven in het kader van de aanstaande tussentijdse beoordeling van Horizon 2020;

    4.  brengt in herinnering dat er momenteel dertig nationale en regionale initiatieven naast elkaar bestaan; benadrukt het belang van het creëren van synergie-effecten en transnationale samenwerking tussen deze initiatieven teneinde te zorgen voor grotere zichtbaarheid, voor toegevoegde waarde en voor efficiënt gebruik van middelen; betreurt de toenemende geografische ongelijkheden op het gebied van industrieel concurrentievermogen en digitalisering; dringt erop aan de supersnelle netwerkinfrastructuren, zowel vast als mobiel, uit te breiden zodat deze beschikbaar worden in alle geografische gebieden, met inbegrip van plattelandsgebieden of geïsoleerde gebieden; dringt er bij de Commissie op aan uitgebreide statistieken te ontwikkelen in aanvulling op de bestaande statistieken, zoals de DESI-index, met als doel de digitaliseringsprocessen in de diverse gebieden en sectoren beter te kunnen beoordelen;

    5.  verwelkomt het plan van de Commissie om verspreid in Europa digitale-innovatiehubs op te zetten die de bestaande EU- en nationale initiatieven samen moeten brengen; benadrukt dat deze hubs begeleiding en advies moeten bieden en moeten voorzien in de uitwisseling van goede praktijken; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de samenwerking en investeringen op Europees niveau met betrekking tot digitalisering van het bedrijfsleven leiden tot een geleidelijke vermindering van de geografische digitale ongelijkheden, een betere coördinatie van de bestaande fondsen, alsmede tot meer mogelijkheden voor de digitalisering van kmo's; wijst er in dit verband met klem op dat moet worden gezorgd voor een digitaalvriendelijke omgeving voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

    6.  benadrukt het risico van de verschuiving van winst van industriële spelers naar eigenaars van propriëtaire digitale platforms, alsmede het risico van marktconcentratie in de handen van een beperkt aantal partijen zodat dus feitelijk monopolies worden gecreëerd, in het bijzonder met betrekking tot platforms; is van mening dat er behoefte is aan doelmatige en consistente actie van de bevoegde autoriteiten en, waar nodig, aan wetgevingsinitiatieven om ook in de digitale arena eerlijke concurrentie tussen een veelheid aan partijen te waarborgen;

    7.  benadrukt dat er dringend behoefte is aan een effectief plan voor normalisering en dat moet worden gezorgd voor volledige interoperabiliteit op het gebied van de digitalisering van het bedrijfsleven, ook wat betreft het internet der dingen en autonome systemen, aangezien de huidige toeleveringsketens en digitalisering op EU-niveau uitdagingen met zich meebrengen die alleen op Europees niveau kunnen worden aangepakt; dringt er bij de Commissie op aan de ontwikkeling te bevorderen van open, interoperabele en vraaggerichte normen op alle belangrijke domeinen, en is ingenomen met haar intentie om onder billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden (fair, reasonable and non-discriminatory, FRAND) toegang te bieden tot essentiële standaardoctrooien; herinnert de Commissie aan de noodzaak om bij de ontwikkeling van normen alle relevante aspecten in aanmerking te nemen, en te zorgen voor adequate deelname van alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners en nieuwe actoren, op Europees, nationaal en regionaal niveau;

    8.  is van oordeel dat de veiligheid van de gegevens- en IT-infrastructuur en het daarmee samenhangende vertrouwen in de digitale omgeving van essentieel belang zijn om het volledige potentieel van groei en innovatie in verband met de digitalisering van het bedrijfsleven te ontsluiten, ten behoeve van werknemers, consumenten en bedrijven, met inbegrip van kmo's en startende ondernemingen; spoort voorts producenten van commerciële software en hardware aan om de normen op het gebied van veiligheid en beveiliging te waarborgen in overeenstemming met de meest geavanceerde beschikbare technologie; roept het bedrijfsleven op om in aanvulling op de beginselen van ingebouwde privacy en standaardprivacy, ook een beginsel van ingebouwde veiligheid door te voeren;

    9.  pleit voor meer Europese inspanningen op het gebied van cyberveiligheid; roept de lidstaten op om de richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging (NIS-richtlijn) tijdig en consistent om te zetten en om de algemene verordening inzake gegevensbescherming strikt na te leven, alsook over te gaan tot effectieve samenwerking teneinde in de EU een veilig klimaat voor burgers en bedrijven te waarborgen; brengt in herinnering dat 80 % van de Europese bedrijven het afgelopen jaar ten minste één incident met cyberveiligheid heeft gekend[1]; vraagt om een reeks nieuwe en concrete initiatieven om begeleiding te bieden aan bedrijven, met name kmo's, met betrekking tot de vraag hoe zij hun weerbaarheid tegen cyberaanvallen kunnen vergroten, en verwelkomt het nieuwe publiek-private partnerschap inzake cyberveiligheid dat recentelijk door de Commissie is geïntroduceerd;

    10.  gelooft dat digitalisering de consument meer keuze, maar ook gebruikersvriendelijkere en meer toegespitste producten en meer informatie moet bieden, in het bijzonder ten aanzien van de kwaliteit van producten en diensten;

    11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om de volledige eerbiediging van werknemers- en consumentenrechten te waarborgen en hun persoonsgegevens in de digitale omgeving te beschermen; benadrukt het belang van de deugdelijke tenuitvoerlegging van de algemene verordening inzake gegevensbescherming, waarbij de volledige toepassing van het beginsel van ingebouwde privacy en standaardprivacy moet worden gewaarborgd; wijst erop dat het steeds belangrijker wordt om duidelijkheid te geven omtrent de zorgen inzake gegevenstoegang en -eigendom alsook aansprakelijkheidsaspecten, en dringt er bij de Commissie op aan het huidige regelgevingskader nader te onderzoeken met betrekking tot deze kwesties; is van mening dat consumenten de mogelijkheid moeten hebben om de producten en diensten die zij aanschaffen vrij en volledig te benutten (inclusief een vrije keuze van reparateurs) en dat dit niet mag worden belemmerd door gegevenskwesties; dringt er bij de Commissie op aan om, in het kader van de tenuitvoerlegging van de algemene verordening inzake gegevensbescherming, enkele duidelijke minimumeisen te definiëren inzake de gegevens die op de werkplek worden verzameld;

    12.  benadrukt dat het Europees cloudinitiatief, tezamen met het wetgevingsvoorstel inzake vrij verkeer van gegevens, die bedoeld zijn om ongerechtvaardigde vereisten ten aanzien van gegevenslocatie uit te bannen, in potentie een verdere prikkel kunnen geven aan het proces van digitalisering van het Europese bedrijfsleven, met name voor kmo's en startende bedrijven, en de fragmentatie op de interne markt van de EU kunnen vermijden; roept de Commissie op toe te zien op de goedkeuring en coherente uitvoering van het Europees cloudinitiatief teneinde een snel, betrouwbaar en naadloos proces van gegevensverkeer en -gebruik mogelijk te maken; herinnert de Commissie aan de toezegging in haar mededeling om een wetgevingsvoorstel inzake vrij verkeer van gegevens binnen de EU te presenteren met als uiteindelijk doel ongerechtvaardigde lokalisatievereisten in nationale wet- en regelgeving op te heffen of te voorkomen;

    13.  roept de Commissie op zo snel mogelijk de regels inzake veiligheid en aansprakelijkheid voor autonoom handelende systemen (zoals voertuigen en drones) te verduidelijken, teneinde snelle en doelmatige wettelijke compensatie in het geval van incidenten te waarborgen en de testvoorwaarden te harmoniseren; acht interoperabiliteit noodzakelijk, in het bijzonder op het gebied van het internet der dingen, teneinde te zorgen dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën de mogelijkheden voor consumenten verbetert, zodat deze niet aan slechts een aantal specifieke aanbieders vastgeklonken zitten; wijst met klem op de problemen ten aanzien van veiligheid, zekerheid en aansprakelijkheid met betrekking tot het internet der dingen, apps en niet-ingebedde software; benadrukt dat ten aanzien van het internet der dingen producenten het belangrijkste uitgangspunt vormen voor aanscherping van aansprakelijkheidsregelingen die leiden tot een betere productkwaliteit en een veiligere omgeving wat betreft de externe toegang en een gedocumenteerde mogelijkheid voor updates;

    14.  wijst met klem op de uiterst belangrijke gevolgen, kansen en uitdagingen van voortschrijdende digitalisering, en in het bijzonder de digitalisering van het bedrijfsleven, voor de samenleving, bedrijfs- en arbeidsmodellen en de vraag op de arbeidsmarkt; betreurt dat de Commissie onvoldoende analyse heeft verricht naar de sociale effecten van de digitalisering van het bedrijfsleven en dringt er dan ook bij de Commissie op aan een grondige analyse van het effect van de digitalisering van het bedrijfsleven uit te voeren en deze voor het einde van 2017 aan het Europees Parlement en de Raad te presenteren;

    15.  erkent de mogelijkheden die de digitalisering van het bedrijfsleven biedt, maar benadrukt tegelijkertijd bepaalde problemen die zij met zich meebrengt ten aanzien van de vraag op de arbeidsmarkt, de arbeidsomstandigheden en de werknemersrechten, in het bijzonder in niet-standaard arbeidsrelaties; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de arbeidsrechten volledig worden nageleefd en dat er adequate sociale zekerheid is in de digitale arbeidswereld; acht het noodzakelijk dat de sociale partners worden betrokken bij de definitie van Europese en nationale initiatieven ten aanzien van de digitalisering van het bedrijfsleven; verwelkomt de toezegging van de Commissie om samen met alle belanghebbenden de problemen met betrekking tot de sociale aspecten van digitalisering aan te pakken, als onderdeel van een uitgebreide dialoog en door rondetafelconferenties op hoog niveau en een forum inzake digitalisering voor Europese belanghebbenden te organiseren;

    16.  merkt op dat digitale vaardigheden van belang zijn op de hedendaagse arbeidsmarkt, voor de inclusie en het concurrentievermogen van Europese regio's, alsook voor de bestrijding van digitale uitsluiting, met name in het kader van de EU-agenda voor nieuwe vaardigheden; dringt bij de Commissie aan op de bevordering en coördinatie van kwalitatief hoogwaardig onderwijs, een leven lang leren en beroepsopleiding, onder meer op het gebied van basis- en geavanceerde digitale vaardigheden en competenties, zoals computerwerk, codering, programmering en cryptografie, en dringt aan op de nodige publieke en private investeringen op deze gebieden;

    17.  dringt aan op het stimuleren van grotere regionale deelname teneinde de innovatiekloof te verkleinen en professionals aan te trekken ten behoeve van de ontwikkeling van de Europese regio's; benadrukt de noodzaak om samen te werken met de sociale partners om zo te anticiperen op de vaardigheden die op de lange termijn nodig zijn en is ingenomen met de totstandbrenging van de grote coalitie voor digitale banen en overige Europese initiatieven op dit gebied; moedigt de Commissie en de lidstaten aan te zorgen voor wederzijdse erkenning van digitale kwalificaties door een Europees certificaat of een Europees cijfersysteem in te voeren.

    18.  is van oordeel dat er een collaboratief digitaal klimaat moet worden ontwikkeld, tezamen met platforms die bijdragen aan een cyberruimte die bevorderlijk is voor de ontwikkeling van digitalisering van het bedrijfsleven, met als doel het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven te stimuleren.

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    6.2.2017

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    30

    1

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Dita Charanzová, Carlos Coelho, Sergio Gaetano Cofferati, Daniel Dalton, Nicola Danti, Vicky Ford, Evelyne Gebhardt, Sergio Gutiérrez Prieto, Liisa Jaakonsaari, Philippe Juvin, Antonio López-Istúriz White, Eva Maydell, Marcus Pretzell, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Igor Šoltes, Richard Sulík, Marco Zullo

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Pascal Arimont, Biljana Borzan, Birgit Collin-Langen, Anna Hedh, Kaja Kallas, Roberta Metsola, Julia Reda, Adam Szejnfeld, Marc Tarabella, Ulrike Trebesius

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

    Andrea Bocskor

    ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (11.4.2017)

    aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

    inzake de digitalisering van de Europese industrie
    (2016/2271(INI))

    Rapporteur voor advies: Pavel Telička

    SUGGESTIES

    De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    A.  overwegende dat digitalisering nieuwe mogelijkheden creëert in de vervoerssector voor producenten, exploitanten, investeerders, werknemers en passagiers en dat zij een voorwaarde is om ervoor te zorgen dat de vervoersindustrie zowel concurrerend als operationeel blijft en dat zij haar efficiëntie verbetert en om ervoor te zorgen dat vervoersdiensten duurzamer en performanter worden;

    B.  overwegende dat digitalisering nieuwe mogelijkheden creëert voor kmo's en start-ups en de opkomst bevordert van nieuwe bedrijfsmodellen, inclusief de ontwikkeling van de deeleconomie in de vervoerssector op terreinen als carpooling, carsharing, bikesharing en cargopooling (het poolen van vracht);

    C.  overwegende dat digitalisering reeds tot de transformatie van de vervoerssector heeft bijgedragen, in het bijzonder tot de geleidelijke automatisering van vervoersmodi en de facilitering van vervoersdiensten;

    D.  overwegende dat digitalisering een van de hoofdprioriteiten voor de vervoerssector moet blijven, om de aantrekkelijkheid ervan te bevorderen en de sterke economische positie ervan in Europa en ten aanzien van derde landen te garanderen;

    E.  overwegende dat digitalisering de toerisme-industrie kan doen groeien, ten gunste van reizigers en hun mobiliteit, onder andere door gemakkelijk toegang te verlenen tot informatie in real time en een brede waaier aan diensten;

    1.  is tevreden met de mededeling van de Commissie getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten" (COM(2016)0180), maar betreurt het feit dat, doordat de focus op de vervoerssector ervan beperkt is tot geconnecteerd en geautomatiseerd rijden, hiermee onvoldoende alle bestaande uitdagingen worden aangepakt; herinnert eraan dat, hoewel geconnecteerd en geautomatiseerd rijden een van de spannendste toekomstige digitale transformaties in de sector is, er potentieel is voor digitalisering in alle vervoersmodi, zowel in de operationele als in de administratieve processen, en in de hele waardeketen van producenten tot passagiers en vracht, alsmede voor coördinatie met alle nieuwe technologieën die in de sector worden gebruikt, zoals de Europese mondiale satellietnavigatiesystemen Egnos en Galileo, waar in de nabije toekomst resultaten kunnen worden verwacht; vraagt de Commissie zich te richten op digitale transformaties in alle vervoersmodi, inclusief aan vervoer en toerisme gerelateerde diensten;

    2.  wijst erop dat het digitaliseringsproces niet overal in de vervoerssector evenveel voordelen heeft opgeleverd en dat dit een schadelijke fragmentering heeft veroorzaakt binnen de interne markt, zowel tussen diverse vervoersmodi als binnen één modus; beklemtoont dat er significante en toenemende verschillen zijn tussen de lidstaten wat concurrentievermogen en digitalisering van de vervoerssector betreft, die ook terug te vinden zijn tussen regio's, bedrijven en kmo's; is van mening dat de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor industriële digitalisering (Industrial Digitalisation Strategy, IDS) voor de EU kan helpen deze fragmentering en verschillen te overwinnen en investeringen in digitale projecten kan helpen aantrekken; beklemtoont dat het doel niet het schrijven van een zoveelste beleidsdocument moet zijn, maar het formuleren van een serieuze strategie die een weerspiegeling vormt van innovatietrends en marktpotentieel, en waarvan de toepassing voortdurend moet worden beoordeeld;

    3.  is van mening dat een IDS zal bijdragen tot het oplossen van een aantal van de meest nijpende uitdagingen in de vervoers- en de toeristische sector; verzoekt de Commissie daarom digitalisering verder te ondersteunen om

    a)  de algemene veiligheids-, kwaliteits- en milieuprestaties van de vervoerssector te verbeteren;

    b)  onbelemmerde toegang te verbeteren voor iedereen, inclusief ouderen en personen met een beperkte mobiliteit of met handicaps, de bekendheid te ontwikkelen met alternatieve mobiliteitsoplossingen en passagiers meer keuzemogelijkheden, meer gebruikersvriendelijke en op maat gemaakte producten en meer informatie te bieden, in de hele EU, zowel in stedelijke als in minder ontwikkelde regio's;

    c)  de vervoerskosten, bijvoorbeeld de onderhoudskosten, te verminderen en de doeltreffendheid van het gebruik van de bestaande capaciteit van de infrastructuur te vergroten (bijvoorbeeld platooning, ERTMS, RIS);

    d)  het concurrentievermogen te verbeteren door de opkomst van nieuwe spelers, in het bijzonder kmo's en start-ups, te bevorderen, teneinde bestaande monopolies uit te dagen;

    e)  de behoorlijke en geharmoniseerde handhaving van de EU-wetgeving te bevorderen, door de ontwikkeling van verkeersbeheersystemen, slimme vervoerssystemen, digitale tachografen, elektronische tolsystemen enz., en regelgevingskaders te creëren die geëigend zijn voor nieuwe realiteiten die ontstaan als gevolg van de toepassing van moderne technologieën;

    f)  de administratieve lasten te verminderen voor kleine en middelgrote vervoersexploitanten en start-ups, bijv. in de sectoren vracht en logistiek, door vereenvoudiging van de administratieve procedures, tracking en tracing van vracht, en het optimaliseren van roosters en verkeersstromen;

    g)  de rechten van passagiers te blijven garanderen, inclusief gegevensbescherming, ook in geval van multimodale verplaatsingen;

    h)  de problemen in verband met de informatie-asymmetrie op de vervoersmarkt te verminderen;

    i)  de attractiviteit en ontwikkeling te bevorderen van de toeristische sector, die ongeveer 10 % van het Europese bbp helpt te genereren, en van creatieve sectoren in stedelijke, rurale en perifere gebieden, bijvoorbeeld door een betere integratie van mobiliteit en toeristische diensten, inclusief voor minder bekende bestemmingen;

    4.  geeft aan dat ononderbroken connectiviteit van hoge kwaliteit een conditio sine qua non is voor snelle, veilige en betrouwbare verbindingen voor alle vervoersmodi en voor verdere digitalisering van de vervoerssector; betreurt de enorme versnippering van de digitale dekking in de EU; is van oordeel dat investeringen in breedband en een billijke toewijzing van spectrum essentieel zijn voor digitalisering van de vervoerssector; beklemtoont het belang van een sectoroverschrijdende visie, bijvoorbeeld ten aanzien van de sectoren elektronica, telecommunicatie, vervoer en toerisme; vraagt de Commissie en de lidstaten zich te houden aan hun belofte om ten laatste in 2025 voor een dergelijke connectiviteit voor de belangrijkste vervoerstracés en -hubs te zorgen, en het voortouw te nemen voor volledige dekking in de hele EU;

    5.  onderstreept het feit dat publieke en private investeringen moeten worden geactiveerd en aangetrokken om de overgang naar digitale processen op passende wijze te financieren en de ontwikkeling van de bijbehorende infrastructuur te ondersteunen; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat samenwerking en investeringen op Europees niveau met betrekking tot digitalisering van de vervoersindustrie tot een geleidelijke convergentie van gebieden leiden, onder andere door meer kansen voor de digitalisering van kmo's met behulp van bestaande EU-fondsen; is van mening dat een betere en efficiëntere coördinatie en gebruik kan worden gemaakt van de bestaande EU-fondsen (inclusief in het kader van het cohesiebeleid), met name het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat tot dusver onvoldoende resultaten heeft opgeleverd wat projecten betreft met een werkelijk innoverend karakter;

    6.  wijst erop dat autonoom vervoer in de nabije toekomst snel kan toenemen en verzoekt de Commissie daarom zo snel mogelijk de regels inzake veiligheid en aansprakelijkheid voor volledig autonoom vervoer te verduidelijken, teneinde de wettelijke voorwaarden te bepalen om de snelle en doelmatige integratie ervan op de markt te garanderen;

    7.  is er sterk van overtuigd dat open data, big data en data-analyse, met name in de vervoerssector, essentiële elementen blijven om ten volle de voordelen van de digitale interne markt te plukken en innovatie aan te zwengelen; betreurt het feit dat initiatieven om de datastroom te vergemakkelijken, gefragmenteerd blijven; benadrukt het feit dat meer rechtszekerheid nodig is, met name wat zeggenschap en verantwoordelijkheid betreft, op basis van volledige eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming;

    8.  is zich bewust van de bijdrage die start-ups en kmo's leveren aan het proces van digitalisering en beklemtoont dat het belangrijk is hun passende ondersteuning en instrumenten te bieden, inclusief financieel, indien nodig, om ervoor te zorgen dat hun innovaties toegepast worden en om de integratie ervan op de markt te bevorderen; steunt bijvoorbeeld het voorstel om meer innovatiehubs te ontwikkelen in de hele EU en daar nieuwe vaardighedencentra en clusterpartnerschappen te creëren;

    9.  stelt vast dat door het feit dat reisbiljetten in toenemende mate digitaal worden afgegeven, de consument via internet snel over meer informatie kan beschikken, maar steeds vaker in een vorm die het vergelijken van aanbiedingen moeilijk maakt; is van mening dat daarom de transparantie- en neutraliteitswaarborgen in de distributie, met name via internet, moeten worden versterkt, zodat de consument zijn keuze kan bepalen op basis van betrouwbare informatie, niet alleen wat de prijs betreft, maar ook ten aanzien van andere parameters, waaronder de kwaliteit van de dienstverlening en bijkomende aanbiedingen; is van mening dat deze transparantie zowel de concurrentie zal stimuleren als de ontwikkeling van het multimodale vervoer zal ondersteunen;

    10.  stelt vast dat de digitale transformatie in de sectoren vervoer en toerisme, en met name de ontwikkeling van de "on demand"- en deeleconomieën, bijdraagt tot sterk veranderend passagiers- en consumentengedrag ten aanzien van mobiliteit en toerisme, en wijst op de noodzaak van aanpassing van infrastructurele voorzieningen; verzoekt de Commissie de effecten van digitalisering in vervoers-, mobiliteits- en toerismediensten te beoordelen, met bijzondere nadruk op het gedrag en de keuzes van de gebruikers van deze diensten, en ervoor te zorgen dat het potentieel van deze maatschappelijke verandering verder kan worden benut;

    11.  herinnert eraan dat digitalisering niet louter een technische kwestie is, maar bredere maatschappelijke, arbeidsgerelateerde en economische implicaties heeft en verzoekt de Commissie in verband hiermee zo spoedig mogelijk een grondige analyse uit te voeren van deze implicaties; merkt op dat, om het volledige potentieel van digitalisering te benutten, inclusief wat banencreatie en herkwalificatie van werknemers betreft, en te voorkomen dat Europa de komende jaren een enorm tekort heeft aan gekwalificeerde werknemers met ict-vaardigheden, massale bijscholing van werknemers en investering in beroepsopleiding nodig is op alle niveaus om ervoor te zorgen dat de betrokkenen voorbereid zijn op de integratie van digitale technologieën; verzoekt de lidstaten prioriteit te geven aan beleid in deze zin en digitalisering op te nemen in hun nationale strategieën voor de vervoerssector.

    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    11.4.2017

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    43

    2

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Dieter-Lebrecht Koch, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Cláudia Monteiro de Aguiar, Jens Nilsson, Salvatore Domenico Pogliese, Tomasz Piotr Poręba, Gabriele Preuß, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, David-Maria Sassoli, Claudia Schmidt, Claudia Țapardel, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Peter van Dalen, Wim van de Camp, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Jakop Dalunde, Maria Grapini, Franck Proust, Matthijs van Miltenburg, Henna Virkkunen

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

    John Stuart Agnew, Jiří Maštálka

    HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

    43

    +

    ALDE

    Izaskun Bilbao Barandica, Dominique Riquet, Pavel Telička, Matthijs van Miltenburg

    ECR

    Jacqueline Foster, Tomasz Piotr Poręba, Roberts Zīle,, Kosma Złotowski, Peter van Dalen

    EFDD

    Daniela Aiuto

    GUE/NGL

    Merja Kyllönen, Jiří Maštálka

    PPE

    Georges Bach, Deirdre Clune, Andor Deli, Dieter-Lebrecht Koch, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Marian-Jean Marinescu, Cláudia Monteiro de Aguiar, Salvatore Domenico Pogliese, Franck Proust, Massimiliano Salini, Claudia Schmidt, Henna Virkkunen, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Luis de Grandes Pascual, Wim van de Camp

    S&D

    Lucy Anderson, Inés Ayala Sender, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Maria Grapini, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Jens Nilsson, Gabriele Preuß, David-Maria Sassoli, Claudia Țapardel, István Ujhelyi, Janusz Zemke

    Verts/ALE

    Michael Cramer, Jakop Dalunde, Keith Taylor

    2

    -

    EFDD

    Peter Lundgren, John Stuart Agnew

    0

    0

     

     

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    +  :  voor

    -  :  tegen

    0  :  onthouding

    ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (30.1.2017)

    aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

    inzake de digitalisering van het Europese bedrijfsleven
    (2016/2271(INI))

    Rapporteur voor advies: Angel Dzhambazki

    SUGGESTIES

    De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

    1.  wijst er andermaal op dat de Unie wordt geconfronteerd met een digitalevaardigheidskloof, aangezien rond 40 % van de werknemers in de EU niet over afdoende digitale vaardigheden beschikt, hetgeen een negatieve uitwerking heeft op hun participatie in de samenleving en hun vermogen om werk te vinden, en aangezien zes op de tien topvaardigheidsvereisten technische of digitale vaardigheden betreffen; neemt nota van de recente mededelingen van de Commissie over "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven" en "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa" als een eerste stap in de goede richting ten aanzien van de verbetering van digitale geletterdheid en vaardigheden van de Europese burgers; onderstreept niettemin de noodzaak van aanvullende systeemgerichte initiatieven waarmee een veelomvattend kader moet worden geboden om het bewustzijn onder Europese burgers van het belang van dergelijke vaardigheden te vergroten en het gebruik ervan in het dagelijks leven op te nemen;

    2.  verzoekt de Commissie digitale vaardigheden een centrale rol toe te bedelen bij haar komende herziening van het kader van kerncompetenties; moedigt de lidstaten aan de lesprogramma's van het basis-, middelbaar en tertiair onderwijs, alsmede de beroepsopleidingsprogramma's verder te ontwikkelen om tegemoet te komen aan de behoeften van een arbeidsmarkt die steeds digitaler wordt en van een digitaal doorgegeven democratie, zodat burgers vaardigheden leren voor een actieve participatie en interactie met de overheid; onderstreept de noodzaak van een gedegen lerarenopleiding die ertoe bijdraagt de lesmethoden bij te stellen en die de innovatieve mogelijkheden van het digitale leren en het leren op afstand vergroot waardoor studenten betere kansen hebben om aan de nieuwe vereisten inzake digitale vaardigheden op de arbeidsmarkt te voldoen;

    3.  onderstreept de kansen die de digitalisering van het onderwijs biedt aan jonge Europeanen die geen onderwijsinstelling bezoeken of geen baan hebben, en dringt aan op maatregelen die de sociale inclusie en de integratie op de arbeidsmarkt verbeteren;

    4.  onderstreept dat de gestaag toenemende kloof bij de toegang tot het internet en digitale vaardigheden moet worden aangepakt middels gerichte steun voor werklozen, volwassenen met een laag alfabetiseringsniveau en groepen die worden geconfronteerd met belemmeringen in hun opleiding zoals de onderbreking van hun opleiding, of opleiding op afstand, zoals bijvoorbeeld rondreizende gemeenschappen;

    5.  is van mening dat digitale basisvaardigheden – die worden onderwezen als onderdeel van de lesprogramma's voor het basis- en middelbaar onderwijs – onder andere moeten bestaan uit kennis van de mogelijkheden die digitale vaardigheden bieden, geavanceerd gebruik van digitale basisinstrumenten, veilig internetgedrag en zoekmethoden om geloofwaardige bronnen te vinden en de bewustmaking van online rechten; onderstreept voorts de noodzaak mediageletterdheid in lesprogramma's en programma's van culturele onderwijsinstellingen op te nemen, zodat burgers een kritisch inzicht in diverse mediavormen krijgen en aldus de middelen en kansen worden vergroot die de digitale geletterdheid biedt; onderstreept dat het accent moet worden gelegd op de aanpak van al doende leren;

    6.  onderstreept het belang van de opneming van een agenda voor digitale vaardigheden in de programma's voor levenslang leren voor de bevolking in de werkende leeftijd en speciaal voor ouderen, die 18,9 % van de bevolking van de Europese Unie uitmaken, een percentage dat nog steeds stijgt, en die aldus aanzienlijk meer kansen op werk krijgen in aanvulling op hun lange werkervaring;

    7.  onderstreept de aanzienlijke kloof in alle lidstaten ten aanzien van de digitalisering en digitale vaardigheden en is van mening dat het onontbeerlijk is op dit gebied voor meer convergentie te zorgen; onderstreept dat het bevorderen van de uitwisseling van en de dialoog over optimale praktijken deze kloof kan overbruggen; onderstreept in dit verband het potentieel van de Grote Coalitie voor digitale banen; herhaalt dat dergelijke specifieke initiatieven moeten worden opgenomen in een ruimer, ambitieuzer kader van digitale maatregelen;

    8.  onderstreept dat speciale steun voor "analoge" meertaligheid in Europa nuttig is zowel voor de digitalisering van het Europese bedrijfsleven als voor het aanleren van veelomvattende digitale vaardigheden; onderstreept derhalve dat veel meer aandacht moet worden besteed aan fundamenteel onderzoek naar statistische, intelligente en computerondersteunde vertaling en leersoftware;

    9.  is ingenomen met de multi-stakeholderbenadering die inherent is aan het model van de Commissie voor een "digitale-innovatiehub"; merkt op dat nauwe samenwerking tussen universiteiten en bedrijven kan bijdragen tot het afbakenen van een gevarieerdere agenda en tot het aanbieden van onderwijs en opleiding op de werkplek;

    10.  onderstreept dat de culturele en creatieve sectoren zowel de drijvende krachten als de begunstigden van de digitale innovatie zijn; wijst erop dat de culturele en creatieve sectoren, aangezien zij vaak kleine en zeer kleine bedrijven omvatten, gerichte steun nodig hebben om hen te helpen op een veilige, duurzame en doeltreffende wijze digitaal te gaan werken en hun activiteiten te ontwikkelen;

    11.  wijst erop dat, zoals aangetoond door het Europeana-initiatief, de digitalisering van Europese werken een belangrijke gelegenheid biedt om de toegankelijkheid, verspreiding en bevordering ervan te verbeteren en dat de digitale innovatie de aanzet kan geven tot een omwenteling inzake de wijze waarop cultuurgoederen worden tentoongesteld en toegankelijk worden gemaakt; onderstreept het belang van de bevordering van het gebruik van 3D-technologieën voor de gegevensverzameling en reconstructie van vernietigde cultuurgoederen en erfgoederen; onderstreept dat financiële middelen voor de digitalisering, het behoud en de online-toegankelijkheid van het Europees cultureel erfgoed moeten worden gewaarborgd;

    12.  betreurt het feit dat de historische en culturele plaatsen vaak niet gemakkelijk toegankelijk zijn voor mensen met een handicap, en onderstreept de mogelijkheden die een sterker digitaal cultureel platform biedt bij het verbeteren van de betrokkenheid en het beter toegankelijk maken van culturele ervaringen, plaatsen en artefacten, ongeacht de geografische ligging;

    13.  onderstreept dat de digitalisering een aanvulling en geen vervanging dient te zijn voor fysieke interactie met originele cultuurgoederen, zoals tentoongestelde voorwerpen of boeken; onderstreept dat alle commerciële overeenkomsten inzake de digitalisering van cultuurgoederen zo moeten worden opgesteld dat de breedst mogelijke toegang van het publiek tot deze goederen wordt gewaarborgd;

    14.  beveelt aan alle nieuwe audiovisuele werken systematisch te registreren middels een internationale standaardidentificatie, zoals het International Standard Audiovisual Number (ISAN) of het Entertainment Identifier Registry (EIDR), ter verbetering van de identificatie en vindbaarheid van audiovisueel materiaal online en ter verwezenlijking van de interoperabiliteit tussen gegevensbanken en catalogi van films in Europa;

    15.  onderstreept het belang van het bevorderen en aanmoedigen van de digitale productie van culturele, creatieve en educatieve inhoud van goede kwaliteit, die ertoe bijdraagt de technische kennis en het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven op dit gebied te versterken;

    16.  steunt het onderzoek naar en de ontwikkeling van hulptechnologieën, die kunnen worden gebruikt voor de inclusie van gehandicapten en voor het ontwikkelen van industriële producten met het oog hierop;

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    24.1.2017

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    26

    0

    0

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Angel Dzhambazki, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Luigi Morgano, Momchil Nekov, John Procter, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Therese Comodini Cachia

    INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

    Datum goedkeuring

    25.4.2017

     

     

     

    Uitslag eindstemming

    +:

    –:

    0:

    59

    1

    1

    Bij de eindstemming aanwezige leden

    Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, David Borrelli, Cristian-Silviu Buşoi, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Ashley Fox, Adam Gierek, Rebecca Harms, Roger Helmer, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Jaromír Kohlíček, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Carolina Punset, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Anna Záborská, Carlos Zorrinho

    Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

    Pilar Ayuso, Amjad Bashir, Soledad Cabezón Ruiz, Isabella De Monte, Francesc Gambús, Constanze Krehl, Werner Langen, Olle Ludvigsson, Gesine Meissner, Clare Moody, Michèle Rivasi, Anne Sander, Theodor Dumitru Stolojan, Pavel Telička

    Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

    Georgi Pirinski

    HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

    59

    +

    ALDE

    Gesine Meissner, Angelika Mlinar, Morten Helveg Petersen, Carolina Punset, Pavel Telička, Lieve Wierinck

    ECR

    Amjad Bashir, Edward Czesak, Ashley Fox, Hans-Olaf Henkel, Evžen Tošenovský

    EFDD

    David Borrelli, Dario Tamburrano

    GUE/NGL

    Xabier Benito Ziluaga, Jaromír Kohlíček, Paloma López Bermejo, Neoklis Sylikiotis

    EPP

    Bendt Bendtsen, Jerzy Buzek, Cristian-Silviu Buşoi, Christian Ehler, Francesc Gambús, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Werner Langen, Janusz Lewandowski, Angelika Niebler, Herbert Reul, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Anne Sander, Algirdas Saudargas, Theodor Dumitru Stolojan, Vladimir Urutchev, Hermann Winkler, Anna Záborská, Pilar del Castillo Vera

    S&D

    José Blanco López, Isabella De Monte, Adam Gierek, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Constanze Krehl, Miapetra Kumpula-Natri, Olle Ludvigsson, Edouard Martin, Clare Moody, Dan Nica, Georgi Pirinski, Miroslav Poche, Patrizia Toia, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Carlos Zorrinho

    Greens/EFA

    Reinhard Bütikofer, Jakop Dalunde, Rebecca Harms, Michel Reimon, Claude Turmes

    1

    -

    EFDD

    Roger Helmer

    1

    0

    ENF

    Jean-Luc Schaffhauser

    Verklaring van de gebruikte tekens:

    +  :  voor

    -  :  tegen

    0  :  onthouding