Procedure : 2016/0151(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0192/2017

Ingediende teksten :

A8-0192/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/05/2017 - 11.8
CRE 18/05/2017 - 11.8
PV 02/10/2018 - 7.7
CRE 02/10/2018 - 7.7

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0364

VERSLAG     ***I
PDF 1916kWORD 258k
10.5.2017
PE 587.655v03-00 A8-0192/2017

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie

(COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD))

Commissie cultuur en onderwijs

Rapporteurs: Sabine Verheyen, Petra Kammerevert

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie juridische zaken
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie

(COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0287),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53, lid 1, en 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0193/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van ...(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 december 2016(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0192/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Titel 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voorstel voor een

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie

tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie (richtlijn audiovisuele mediadiensten)

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden.

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd als gevolg van de groeiende convergentie van televisie- en internetdiensten. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden. Door deze convergentie van media is er behoefte aan een gemoderniseerd rechtskader om recht te doen aan de ontwikkelingen op de markt en tot een evenwicht te komen tussen toegankelijkheid van online-inhoudsdiensten, consumentenbescherming en concurrentievermogen.

__________________

__________________

27 Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

27 Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  Op 6 mei 2015 heeft de Commissie de mededeling "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa"30 goedgekeurd, waarin een herziening van Richtlijn 2010/13/EU werd aangekondigd.

(2)  Op 6 mei 2015 heeft de Commissie de mededeling "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa"30 goedgekeurd, waarin een herziening van Richtlijn 2010/13/EU werd aangekondigd. Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 19 januari 2016, getiteld "Naar een akte voor een digitale interne markt"30 bis, uiteengezet wat zijn verwachtingen zijn met betrekking tot die herziening. Eerder had het Europees Parlement al aangedrongen op een herziening in zijn resolutie van 4 juli 2013 over connected tv30 ter en in zijn resolutie van 12 maart 2014 over de voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld30 quater, waarbij de doelstellingen van deze herziening werden aangegeven.

__________________

__________________

30 COM(2015) 192 final.

30 COM(2015) 192 final.

 

30 bis P8_TA(2016)0009.

 

30 ter P7_TA(2013)0329.

 

30 quater P7_TA(2014)0232.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing blijven op diensten met als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie. Er moet ook van worden uitgegaan dat aan de vereiste inzake het hoofddoel is voldaan als de dienst een audiovisuele inhoud of vorm heeft die los kan staan van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten, zoals op zichzelf staande delen van onlinekranten waarvan audiovisuele programma's of door gebruikers gegenereerde video's deel uitmaken, wanneer die delen als losstaand van de hoofdactiviteit kunnen worden beschouwd. Socialemediadiensten vallen hier niet onder, behalve als deze een dienst leveren die onder de definitie van een videoplatform valt. Een dienst moet alleen als losstaand van de hoofdactiviteit worden beschouwd als gevolg van de verbindingen tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden in het kader van een videoplatform waarvoor geen redactionele verantwoordelijkheid geldt. In dergelijke gevallen moeten aanbieders die redactionele verantwoordelijkheid dragen, de bepalingen van deze richtlijn naleven.

(3)  Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing zijn op diensten met als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie. Er moet ook van worden uitgegaan dat aan de vereiste inzake het hoofddoel is voldaan als de dienst een audiovisuele inhoud of vorm heeft die los kan staan van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten. Aangezien de diensten van socialemediaplatforms in toenemende mate afhankelijk zijn van audiovisuele inhoud, zijn ze relevant voor de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU in zoverre diensten worden aangeboden die voldoen aan de criteria voor het definiëren van een videoplatform. Een dienst moet alleen als losstaand van de hoofdactiviteit worden beschouwd als gevolg van de verbindingen tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden in het kader van een videoplatform. In dergelijke gevallen moeten aanbieders die redactionele verantwoordelijkheid dragen, de bepalingen van deze richtlijn naleven. Kansspelen met een inzet die een geldwaarde vertegenwoordigt, waaronder loterijen, weddenschappen en andere gokdiensten, evenals onlinespelen en zoekmachines, moeten uitgesloten blijven van het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/13/EU.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  Redactionele beslissingen zijn beslissingen die op dagelijkse basis worden genomen door programmabeheerders en hoofdredacteuren in het kader van een goedgekeurd programmaschema. De plaats waar redactionele beslissingen worden genomen, is de gewone werkplek van de personen die de beslissingen nemen.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Om doeltreffende tenuitvoerlegging van deze richtlijn te waarborgen, is het van essentieel belang dat de lidstaten ervoor zorgen dat de gegevens die zij bijhouden betreffende onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten en aanbieders van videoplatforms, actueel zijn, en dat zij deze gegevens regelmatig delen met de bevoegde onafhankelijke reguleringsinstanties en de Commissie. Deze gegevens moeten informatie omvatten over de criteria waarop deze bevoegdheid is gebaseerd.

(4)  Om doeltreffende tenuitvoerlegging van deze richtlijn te waarborgen, is het van essentieel belang dat de lidstaten ervoor zorgen dat de gegevens die zij bijhouden betreffende onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten en aanbieders van videoplatforms, actueel en transparant zijn, en dat zij deze gegevens regelmatig delen met de bevoegde onafhankelijke reguleringsinstanties en/of -organen en de Commissie. Deze gegevens moeten informatie omvatten over de criteria waarop deze bevoegdheid is gebaseerd.

 

(Het deel van het amendement dat betrekking heeft op "reguleringsinstanties en/of -organen" geldt voor de volledige tekst. Bij aanneming van dit amendement moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van dergelijke feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2010/13/EU bedoelde samenwerkingsprocedures is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) dient daarom te worden gemachtigd om op verzoek van de Commissie adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken.

(5)  Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van dergelijke feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 van Richtlijn 2010/13/EU is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA), die uit onafhankelijke reguleringsinstanties en/of -organen op het gebied van audiovisuele mediadiensten bestaat, dient daarom te worden gemachtigd om op verzoek van de Commissie niet-bindende adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken. Het is van belang dat de ERGA en het contactcomité elkaar op de hoogte houden en dat ze samenwerken met reguleringsinstanties en/of -organen.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda"31 heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zal kijken naar zowel regelgevende maatregelen als goed doordachte niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering32. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld betreffende onder de richtlijn vallende gebieden, is gebleken dat deze overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering goed doordacht zijn. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied wordt beschouwd als sleutel van het succes bij de bevordering van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. Van even groot belang is dat deze gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, transparante en onafhankelijke controle en evaluatie van de doelstellingen mogelijk is. Stapsgewijze sancties, waarbij rekening wordt gehouden met de evenredigheid, worden doorgaans beschouwd als doeltreffende benadering ten aanzien van de handhaving van een regeling. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op volgens deze richtlijn gecoördineerde gebieden.

(7)  In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda"31 heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zal kijken naar zowel regelgevende maatregelen als niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering32. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld betreffende onder de richtlijn vallende gebieden, is gebleken dat deze goed doordacht zijn overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering, die voor wetgevingsmaatregelen een nuttig bijkomend of aanvullend instrument vormen. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied wordt beschouwd als sleutel van het succes bij de bevordering van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. Van even groot belang is dat deze gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, transparante en onafhankelijke controle en evaluatie van de doelstellingen mogelijk is. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op volgens deze richtlijn gecoördineerde gebieden.

__________________

__________________

31 COM(2015) 215 final.

31 COM(2015) 215 final.

32 https://ec.europa.eu/digital-single-market/communities/better-self-and-co-regulation

32 https://ec.europa.eu/digital-single-market/communities/better-self-and-co-regulation

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Teneinde de samenhang te waarborgen en het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten duidelijkheid te verschaffen, dient het begrip "aanzetten tot haat" op passende wijze te worden afgestemd op de definitie van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, waarin haatzaaiende uitlatingen worden gedefinieerd als "het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat". Daartoe dienen ook de gronden waarop het aanzetten tot geweld of haat is gebaseerd op elkaar aan te sluiten.

(8)  Teneinde samenhang en rechtszekerheid voor EU-burgers, het bedrijfsleven in de EU en de autoriteiten van de lidstaten te waarborgen, dient "aanzetten tot haat" in overeenstemming te worden gebracht met de definitie van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, waarin haatzaaiende uitlatingen worden gedefinieerd als "het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat". De gronden waarop het aanzetten tot geweld of haat is gebaseerd, moeten worden uitgebreid met de in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) vervatte gronden.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(8 bis)  Om toegang te kunnen krijgen tot informatie, weloverwogen keuzes te kunnen maken, mediacontexten te kunnen boordelen en in staat te zijn audiovisuele inhoud op verantwoorde wijze te gebruiken, kritisch te beoordelen en te creëren, moeten burgers over gevorderde vaardigheden op het gebied van mediageletterdheid beschikken. Met deze vaardigheden op het gebied van mediageletterdheid worden burgers in staat gesteld inzicht te krijgen in de aard van inhoud en diensten, waarbij ze het volledige gamma aan mogelijkheden van communicatietechnologieën benutten, zodat ze op doeltreffende en veilige wijze gebruik kunnen maken van media. Mediageletterdheid mag niet beperkt blijven tot het leren over instrumenten en technologieën, maar moet tot doel hebben burgers de nodige vaardigheden tot kritisch nadenken aan te reiken om een oordeel te kunnen vellen, complexe feiten te kunnen analyseren, het verschil tussen mening en feit te zien en opgewassen te zijn tegen haatzaaiende uitlatingen in alle mogelijke vormen. De ontwikkeling van mediageletterdheid bij alle burgers, ongeacht hun leeftijd, moet worden bevorderd.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Om de kijkers, waaronder ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van audiovisuele mediadiensten voldoende informatie verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daarvoor kan bijvoorbeeld een systeem van inhoudsbeschrijvingen worden toegepast waarmee de aard van de inhoud wordt aangegeven. Inhoudsbeschrijvingen kunnen op schriftelijke, grafische of akoestische wijze worden weergegeven.

(9)  Om de kijkers, met name ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van audiovisuele mediadiensten voldoende informatie verstrekken over deze inhoud, en vooral over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Ook aanbieders van videoplatforms moeten deze informatie verstrekken, binnen de grenzen waarin wordt voorzien in de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)  Toegankelijkheid van audiovisuele inhoud waarborgen, behoort tot de essentiële vereisten in het kader van de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake de rechten van personen met een handicap. Het recht van personen met een beperking en ouderen om te participeren en te integreren in het maatschappelijke en culturele leven van de Unie is verbonden met de beschikbaarheid van toegankelijke audiovisuele mediadiensten. De lidstaten dienen dan ook onverwijld passende en evenredige maatregelen te nemen om te verzekeren dat aanbieders van mediadiensten onder hun rechtsbevoegdheid er actief naar streven om inhoud toegankelijk te maken voor personen met een visuele of auditieve beperking. Toegankelijkheidsvereisten moeten door middel van een gestaag en continu proces worden gerealiseerd, rekening houdend met de praktische en onvermijdelijke beperkingen die een volledige toegankelijkheid kunnen verhinderen, zoals programma's of evenementen die rechtstreeks worden uitgezonden. Het moet mogelijk zijn passende maatregelen inzake toegankelijkheid tot stand te brengen via zelfregulering en coregulering. Om toegang tot informatie te bevorderen en klachten over toegankelijkheidsproblemen te behandelen, moeten de lidstaten zorgen voor één enkel contactpunt dat volledig online toegankelijk is.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Op nationaal en internationaal niveau bestaan bepaalde erkende voedingsrichtsnoeren, zoals het model voor voedingsprofielen van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarmee een onderscheid wordt gemaakt tussen voedingsmiddelen op basis van de nutritionele samenstelling in de context van voor kinderen bestemde televisiereclame voor voedingsmiddelen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter verlaging van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan deze nationale of internationale nutritionele richtsnoeren.

(10)  De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat zelfregulering en coregulering, waaronder gedragscodes, op doeltreffende wijze bijdragen aan de doelstelling om kinderen minder bloot te stellen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan nationale of internationale nutritionele richtsnoeren. Zelf- en coregulering moeten deze doelstelling helpen verwezenlijken en moeten onder nauw toezicht staan.

Amendement     14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis)  Bovendien dienen de lidstaten te waarborgen dat er via gedragscodes op basis van zelf- en coregulering naar wordt gestreefd de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie ter promotie van kansspelen op doeltreffende wijze te verlagen. Op EU- en nationaal niveau bestaan er verscheidene systemen op basis van coregulering of zelfregulering voor de bevordering van verantwoorde gokspelen, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie over gokspelen vergezeld gaat van boodschappen inzake verantwoord gokken.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  Teneinde belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering, met name gericht op de bescherming van consumenten of de volksgezondheid, worden gewaarborgd. Indien de handhaving van en het toezicht op gedragscodes op EU-niveau goed worden uitgevoerd, kunnen deze een geschikt middel zijn om een meer samenhangende en doeltreffende aanpak te waarborgen.

(12)  Teneinde belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering, met name gericht op de bescherming van consumenten of de volksgezondheid, worden gewaarborgd.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  De markt voor televisieomroepdiensten heeft een ontwikkeling doorgemaakt en er is behoefte aan meer flexibiliteit met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie, met name wat betreft kwantitatieve voorschriften voor lineaire audiovisuele mediadiensten, productplaatsing en sponsoring. De opkomst van nieuwe diensten, waaronder diensten zonder reclame, heeft ertoe geleid dat de kijkers meer keuze hebben en gemakkelijker op alternatieve aanbiedingen kunnen overstappen.

(13)  De markt voor audiovisuele mediadiensten heeft een ontwikkeling doorgemaakt en er is behoefte aan meer duidelijkheid en flexibiliteit om te zorgen voor een daadwerkelijk gelijk speelveld voor audiovisuele commerciële communicatie, sponsoring en productplaatsing. De opkomst van nieuwe diensten, waaronder diensten zonder reclame, heeft ertoe geleid dat de kijkers meer keuze hebben en gemakkelijker op alternatieve aanbiedingen kunnen overstappen.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 bis)  Om ervoor te zorgen dat deze richtlijn doeltreffend is, met name wat betreft de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van mediadiensten, moet de integriteit van programma's en diensten worden gevrijwaard. Wijzigingen in de weergave van programma's en diensten waartoe de ontvanger van een dienst het initiatief heeft genomen, zijn toegestaan.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 ter)  Onafhankelijke kijkcijfermetingen voor audiovisuele mediadiensten, met inbegrip van audiovisuele commerciële communicatie, zijn noodzakelijk om te waarborgen dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten en reguleringsinstanties en/of -organen kunnen beschikken over toereikende en transparante informatie.

Motivering

Deze nieuwe overweging is bedoeld om te benadrukken dat voor het meten van kwantitatieve voorschriften, bijvoorbeeld inzake quota voor Europese producties, onafhankelijke metingen nodig zijn om te waarborgen dat de gegevens nauwkeurig zijn en dat de bepalingen zin hebben.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Sponsoring is een belangrijk middel voor de financiering van audiovisuele mediadiensten of programma's, waarbij de naam, het handelsmerk, het imago, de activiteiten of de producten van een rechtspersoon of een fysieke persoon meer bekendheid wordt gegeven. Teneinde een waardevolle soort reclametechniek voor adverteerders en aanbieders van audiovisuele mediadiensten te zijn, kunnen sponsorboodschappen aanprijzingen van goederen of diensten van de sponsor omvatten waarbij de aankoop van deze goederen en diensten niet rechtstreeks wordt aangemoedigd. Bij sponsorboodschappen moeten de kijkers nog steeds duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst. De inhoud van gesponsorde programma's mag niet zodanig worden beïnvloed dat de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van audiovisuele mediadiensten wordt geschaad.

(14)  Sponsoring is een belangrijk middel voor de financiering van audiovisuele inhoud. Bij sponsorboodschappen moet de kijkers nog steeds duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst. Gesponsorde inhoud mag niet zodanig worden beïnvloed dat de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder wordt geschaad.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)  De liberalisering van productplaatsing heeft niet geleid tot het verwachte gebruik van deze vorm van audiovisuele commerciële communicatie. Met name heeft het algemene verbod op productplaatsing met enkele uitzonderingen niet geleid tot rechtszekerheid voor de aanbieders van audiovisuele mediadiensten. Productplaatsing dient daarom te worden toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, waarbij rekening wordt gehouden met uitzonderingen.

(15)  De liberalisering van productplaatsing heeft niet geleid tot het verwachte gebruik van deze vorm van audiovisuele commerciële communicatie. Met name heeft het algemene verbod op productplaatsing met enkele uitzonderingen niet geleid tot rechtszekerheid voor de aanbieders van audiovisuele mediadiensten. Productplaatsing dient daarom te worden toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten, waarbij rekening wordt gehouden met uitzonderingen, aangezien dit bijkomende inkomsten kan genereren voor aanbieders van audiovisuele mediadiensten.

Motivering

Het amendement is nodig om ook door gebruikers gegenereerde video's op te nemen in de regels inzake productplaatsing in het kader van audiovisuele mediadiensten.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 bis)  Om de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van mediadiensten en de audiovisuele waardeketen te beschermen, is het van essentieel belang dat de integriteit van de programma's en diensten van de aanbieders van mediadiensten wordt gewaarborgd. Programma's en diensten moeten integraal, ongewijzigd en zonder onderbreking worden uitgezonden. Programma's en diensten mogen niet zonder de toestemming van de aanbieder van mediadiensten worden gewijzigd.

Motivering

Zonder de toestemming van de aanbieder van mediadiensten mogen derden geen wijzigingen aanbrengen aan programma's en diensten.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken, moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

(16)  Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's, noch in inhoud met kinderen als voornaamste doelgroep. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in kinderprogramma's en inhoud met kinderen als voornaamste doelgroep moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)  De toepassing van het voorschrift dat een product geen overmatige aandacht mag krijgen, is in de praktijk moeilijk gebleken. Daarnaast vormt dit voorschrift een belemmering voor het gebruik van productplaatsing, aangezien hiervoor per definitie een bepaalde mate van duidelijke aandacht nodig is teneinde waarde te genereren. De vereisten voor programma's met productplaatsing moeten daarom tot doel hebben de kijkers duidelijk te informeren over het bestaan van productplaatsing en te waarborgen dat de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van audiovisuele mediadiensten niet wordt geschaad.

Schrappen

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)  Bij deze richtlijn wordt de totale toegestane reclametijd tijdens de periode 7:00-23:00 uur weliswaar niet vergroot, maar het is belangrijk dat de omroeporganisaties meer flexibiliteit krijgen en in staat worden gesteld te beslissen wanneer zij reclame invoegen, zodat de vraag van de adverteerders en de kijkersstroom worden gemaximaliseerd. De beperking per uur dient derhalve te worden afgeschaft en een dagelijkse beperking van 20 % reclame in de periode van 7:00 tot 23:00 uur dient te worden vastgesteld.

(19)  Het is belangrijk dat de omroeporganisaties meer flexibiliteit krijgen en in staat worden gesteld te beslissen wanneer zij reclame invoegen, zodat de vraag van de adverteerders en de kijkersstroom worden gemaximaliseerd. De beperking per uur dient derhalve te worden afgeschaft en een dagelijkse beperking van 20 % reclame dient te worden vastgesteld. Het is echter ook noodzakelijk om in dit verband een voldoende hoog niveau van consumentenbescherming in stand te houden, aangezien kijkers door dergelijke flexibiliteit mogelijk aan een buitensporige hoeveelheid reclame worden blootgesteld in primetime. Daarom moet er tijdens primetime een specifieke begrenzing gelden.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  Veel omroepen maken deel uit van grotere mediagroepen en zenden boodschappen uit die niet alleen op hun eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten betrekking hebben, maar ook op programma's van andere entiteiten die tot dezelfde mediagroep behoren. Zendtijd die is toegewezen aan boodschappen van de omroep die betrekking hebben op programma's van andere, tot dezelfde mediagroep behorende entiteiten, moet niet worden meegerekend voor de maximale dagelijkse zendtijd die mag worden toegewezen aan reclame en telewinkelen.

(20)  Veel omroepen maken deel uit van grotere omroepgroepen en zenden boodschappen uit die niet alleen op hun eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten en audiovisuele mediadiensten betrekking hebben, maar ook op programma's, producten en diensten van andere entiteiten die tot dezelfde omroepgroep behoren. Zendtijd die is toegewezen aan boodschappen van de omroep die betrekking hebben op programma's van andere, tot dezelfde omroepgroep behorende entiteiten, moet evenmin worden meegerekend voor de maximale dagelijkse zendtijd die mag worden toegewezen aan reclame en telewinkelen.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)  Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen de productie en distributie van Europese producties te bevorderen, door ervoor te zorgen dat hun catalogi een minimumaandeel aan Europese producties bevatten en dat daaraan genoeg aandacht wordt besteed.

(21)  Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen de productie en distributie van Europese producties te bevorderen, door ervoor te zorgen dat hun catalogi een minimumaandeel aan Europese producties bevatten en dat daaraan genoeg aandacht wordt besteed. Dit moet ervoor zorgen dat gebruikers van audiovisuele mediadiensten op aanvraag op eenvoudige wijze kunnen kennismaken met Europese producties en deze gemakkelijk kunnen terugvinden, en moet tevens culturele diversiteit bevorderen. Met het oog hierop moeten houders van rechten de mogelijkheid krijgen hun audiovisuele inhoud die onder de noemer Europese producties valt als zodanig aan te merken in de metagegevens en aanbieders van mediadiensten toegang te geven tot deze inhoud.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 22

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(22)  Teneinde adequate investeringen in Europese producties te waarborgen, dienen de lidstaten in staat te zijn financiële verplichtingen op te leggen aan op hun grondgebied gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag. Deze verplichtingen kunnen bestaan uit rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties. De lidstaten kunnen ook heffingen ten gunste van een fonds opleggen op basis van inkomsten uit diensten op aanvraag die worden geleverd op en gericht zijn tot hun grondgebied. Deze richtlijn voorziet erin dat, gezien het rechtstreekse verband tussen financiële verplichtingen en het uiteenlopende culturele beleid van de lidstaten, de lidstaten dergelijke financiële verplichtingen ook mogen opleggen aan in een andere lidstaat gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag die tot het grondgebied van die lidstaat zijn gericht. In dat geval moeten de financiële verplichtingen enkel worden geheven op de inkomsten die met betrekking tot het publiek in die lidstaat zijn gegenereerd.

(22)  Teneinde adequate investeringen in Europese producties te waarborgen, dienen de lidstaten in staat te zijn financiële verplichtingen op te leggen aan onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van diensten op aanvraag. Deze verplichtingen kunnen bestaan uit rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties. De lidstaten kunnen ook heffingen ten gunste van een fonds opleggen op basis van inkomsten uit diensten op aanvraag die worden geleverd op en gericht zijn tot hun grondgebied. Deze richtlijn voorziet erin dat, gezien het rechtstreekse verband tussen financiële verplichtingen en het uiteenlopende culturele beleid van de lidstaten, de lidstaten dergelijke financiële verplichtingen ook mogen opleggen aan in een andere lidstaat gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag die tot het grondgebied van die lidstaat zijn gericht. In dat geval moeten de financiële verplichtingen enkel worden geheven op de inkomsten die voortkomen uit diensten op aanvraag en die met betrekking tot het publiek in die lidstaat zijn gegenereerd. Indien de lidstaat waarin de aanbieder is gevestigd een financiële bijdrage oplegt, houdt deze lidstaat rekening met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door het ontvangende land.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(26)  Er doen zich nieuwe uitdagingen voor, met name in verband met videoplatforms waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. In deze context geven schadelijke inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms zijn opgeslagen, steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Teneinde minderjarigen te beschermen tegen schadelijke inhoud en alle burgers tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld of haat, moeten evenredige voorschriften betreffende deze kwesties worden vastgesteld.

(26)  Er doen zich nieuwe uitdagingen voor, met name in verband met videoplatforms waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. Illegale, schadelijke, racistische en xenofobische inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms worden aangeboden, geven steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Daarnaast kan het besluit om deze inhoud te verwijderen, vaak op basis van een subjectieve interpretatie, de vrijheid van meningsuiting en informatie in het gedrang brengen. In deze context is het noodzakelijk gemeenschappelijke en evenredige voorschriften betreffende deze kwesties vast te stellen, teneinde minderjarigen te beschermen tegen schadelijke inhoud en alle burgers tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld of haat die op videoplatforms wordt aangeboden, en tevens om de grondrechten van gebruikers te beschermen en te garanderen. Door middel van deze regels moeten met name de kenmerken van "schadelijke inhoud" en "aanzetten tot geweld en haat" op het niveau van de Unie nader worden gedefinieerd, rekening houdend met de intentie en het effect van deze inhoud. Maatregelen op basis van zelf- en coregulering die door de lidstaten of de Commissie ten uitvoer worden gelegd of goedgekeurd, moeten volledig stroken met de rechten, vrijheden en beginselen als vastgesteld in het Handvest, met name in artikel 52. Reguleringsinstanties en/of -organen moeten in dit opzicht over doeltreffende handhavingsbevoegdheden blijven beschikken.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(26 bis)  Overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/XXX [vervangen door het nummer van de richtlijn inzake terrorismebestrijding zodra deze is gepubliceerd en artikelnummer aanpassen] wordt het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf gedefinieerd als een misdrijf in verband met terroristische activiteiten en vormt het een strafbaar feit. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om inhoud die een publiekelijk uitlokking van het plegen van een terroristisch misdrijf vormt meteen te verwijderen.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 27

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(27)  Voor commerciële communicatie op videoplatforms zijn reeds voorschriften vastgesteld in Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad, op basis waarvan oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten verboden zijn, met inbegrip van misleidende en agressieve praktijken die zich voordoen bij diensten van de informatiemaatschappij. Wat betreft commerciële communicatie betreffende tabaks- en aanverwante producten op videoplatforms, wordt gewaarborgd dat de consumenten afdoende worden beschermd door de in Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde verbodsbepalingen alsmede door de verbodsbepalingen die overeenkomstig Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van toepassing zijn op commerciële communicatie betreffende elektronische sigaretten en navulverpakkingen. Dientengevolge vormen de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen een aanvulling op de in Richtlijn 2005/29/EG, Richtlijn 2003/33/EG en Richtlijn 2014/40/EU vastgestelde maatregelen.

(27)  Voor commerciële communicatie op videoplatforms zijn reeds voorschriften vastgesteld in Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad, op basis waarvan oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten verboden zijn, met inbegrip van misleidende en agressieve praktijken die zich voordoen bij diensten van de informatiemaatschappij. Wat betreft commerciële communicatie betreffende tabaks- en aanverwante producten op videoplatforms, wordt gewaarborgd dat de consumenten afdoende worden beschermd door de in Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde verbodsbepalingen alsmede door de verbodsbepalingen die overeenkomstig Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van toepassing zijn op commerciële communicatie betreffende elektronische sigaretten en navulverpakkingen, en moeten deze bepalingen gelden voor alle audiovisuele mediadiensten. Dientengevolge vormen de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen een aanvulling op de in Richtlijn 2005/29/EG, Richtlijn 2003/33/EG en Richtlijn 2014/40/EU vastgestelde maatregelen en zorgen ze voor gemeenschappelijke gelijke voorwaarden voor audiovisuele mediadiensten, videoplatformdiensten en door gebruikers gegenereerde video's.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28)  Een belangrijk deel van de op videoplatforms opgeslagen inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van videoplatforms. Gewoonlijk bepalen deze aanbieders echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's of door gebruikers gegenereerde video's, onder meer met automatische middelen of algoritmen. Dergelijke aanbieders dienen daarom ertoe verplicht te worden passende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten, en alle burgers te beschermen tegen aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of leden van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

(28)  Een aantal van de op videoplatforms of socialemediaplatforms aangeboden inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van het platform. Gewoonlijk bepalen deze aanbieders echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's of door gebruikers gegenereerde video's, onder meer met automatische middelen of algoritmen. Dergelijke aanbieders dienen daarom ertoe verplicht te worden passende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling kan aantasten, en alle gebruikers te beschermen tegen aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of leden van die groep die wordt gedefinieerd op basis van ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, gender, genderexpressie, genderidentiteit, seksuele gerichtheid, verblijfsstatus of gezondheid. Deze gronden zijn bedoeld om de kenmerken van "het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat" verder te specificeren, maar mogen op zich niet worden beschouwd als basis om het beschikbaar stellen van audiovisuele inhoud te beperken.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 29

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(29)  Gezien de aard van de betrokkenheid van de aanbieders bij de op videoplatforms opgeslagen inhoud, dienen dergelijke maatregelen betrekking te hebben op de wijze waarop de inhoud is georganiseerd en niet op de inhoud als zodanig. De met betrekking daartoe in deze richtlijn vastgestelde vereisten moeten daarom artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad34 onverlet laten, waarin een vrijstelling van aansprakelijkheid is voorzien met betrekking tot illegale informatie die door bepaalde aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij is opgeslagen. Bij de levering van diensten die onder artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG vallen, dienen deze vereisten ook artikel 15 van die richtlijn onverlet te laten, op basis waarvan aan dergelijke aanbieders geen algemene verplichtingen mogen worden opgelegd om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, hetgeen echter niet geldt voor toezichtverplichtingen in speciale gevallen en met name geen afbreuk doet aan maatregelen van nationale autoriteiten in overeenstemming met de nationale wetgeving.

(29)  Gezien de aard van de verhouding van de aanbieders ten opzichte van de op videoplatforms aangeboden inhoud, dienen dergelijke maatregelen betrekking te hebben op de wijze waarop de inhoud is georganiseerd en niet op de inhoud als zodanig. De met betrekking daartoe in deze richtlijn vastgestelde vereisten moeten daarom artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad34 onverlet laten, waarin een vrijstelling van aansprakelijkheid is voorzien met betrekking tot illegale informatie die door bepaalde aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij is opgeslagen. Bij de levering van diensten die onder artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG vallen, dienen deze vereisten ook artikel 15 van die richtlijn onverlet te laten, op basis waarvan aan dergelijke aanbieders geen algemene verplichtingen mogen worden opgelegd om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, hetgeen echter niet geldt voor toezichtverplichtingen in speciale gevallen en met name geen afbreuk doet aan maatregelen van nationale autoriteiten in overeenstemming met de nationale wetgeving.

__________________

__________________

34 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

34 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 30

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(30)  Het is wenselijk om de aanbieders van videoplatforms zo veel mogelijk te betrekken bij de op grond van deze richtlijn te treffen passende maatregelen. Coregulering dient daarom te worden aangemoedigd. Teneinde in de hele Unie een duidelijke en samenhangende aanpak op dit gebied te waarborgen, mogen de lidstaten de aanbieders van videoplatforms niet verplichten maatregelen ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van alle burgers tegen aanzetten tot geweld of haat te treffen die strenger zijn dan de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen. De lidstaten moeten echter wel over de mogelijkheid beschikken om dergelijke strengere maatregelen te treffen indien deze inhoud onwettig is, op voorwaarde dat zij voldoen aan de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG, en om maatregelen te treffen met betrekking tot inhoud op websites die kinderpornografie bevatten of verspreiden, zoals vereist en toegestaan overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad35. Aanbieders van videoplatforms moeten ook over de mogelijkheid beschikken om op vrijwillige basis strengere maatregelen te treffen.

(30)  Het is wenselijk om de aanbieders van videoplatforms zo veel mogelijk te betrekken bij de op grond van deze richtlijn te treffen passende maatregelen. Zelfregulering en coregulering dienen daarom te worden aangemoedigd. De lidstaten moeten wel over de mogelijkheid beschikken om dergelijke strengere maatregelen te treffen indien deze inhoud onwettig is, op voorwaarde dat zij voldoen aan de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG, en om maatregelen te treffen met betrekking tot inhoud op websites die kinderpornografie bevatten of verspreiden, zoals vereist en toegestaan overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad35. Aanbieders van videoplatforms moeten ook over de mogelijkheid beschikken om op vrijwillige basis strengere maatregelen te treffen, in overeenstemming met het Unierecht en met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting en informatie en van pluralisme in de media.

__________________

__________________

35 Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

35 Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 32

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(32)  De aanbieders van videoplatforms waarop deze richtlijn betrekking heeft, leveren diensten van de informatiemaatschappij in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2000/31/EG. Indien deze aanbieders in een lidstaat zijn gevestigd, moeten zij derhalve de voorschriften betreffende de interne markt van artikel 3 van die richtlijn naleven. Het is passend ervoor te zorgen dat dezelfde voorschriften van toepassing zijn op aanbieders van videoplatforms die niet in een lidstaat zijn gevestigd, teneinde de doeltreffendheid van de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen ter bescherming van minderjarigen en burgers te waarborgen en voor zover mogelijk te zorgen voor een gelijk speelveld, wanneer dergelijke aanbieders een moederbedrijf of dochteronderneming met vestiging in een lidstaat hebben of wanneer dergelijke aanbieders deel uitmaken van een groep en een andere entiteit van die groep in een lidstaat is gevestigd. Om die reden dienen regelingen te worden getroffen om te bepalen in welke lidstaat dergelijke aanbieders geacht worden te zijn gevestigd. De Commissie dient te worden ingelicht over de aanbieders die onder de bevoegdheid van elke lidstaat vallen, overeenkomstig de voorschriften inzake vestiging van deze richtlijn en van Richtlijn 2000/31/EG.

(32)  De aanbieders van videoplatforms waarop deze richtlijn betrekking heeft, leveren diensten van de informatiemaatschappij in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2000/31/EG en verlenen in het algemeen "host"-diensten overeenkomstig artikel 14 van deze richtlijn. Indien deze aanbieders in een lidstaat zijn gevestigd, moeten zij derhalve de voorschriften betreffende de interne markt van artikel 3 van die richtlijn naleven. Het is passend ervoor te zorgen dat dezelfde voorschriften van toepassing zijn op aanbieders van videoplatforms die niet in een lidstaat zijn gevestigd, teneinde de doeltreffendheid van de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen ter bescherming van minderjarigen en burgers te waarborgen en voor zover mogelijk te zorgen voor een gelijk speelveld, wanneer dergelijke aanbieders een moederbedrijf of dochteronderneming met vestiging in een lidstaat hebben of wanneer dergelijke aanbieders deel uitmaken van een groep en een andere entiteit van die groep in een lidstaat is gevestigd. Om die reden dienen regelingen te worden getroffen om te bepalen in welke lidstaat dergelijke aanbieders geacht worden te zijn gevestigd. Gezien het brede publiek dat door videoplatforms en sociale media wordt bereikt, is het gepast dat de lidstaat die rechtsbevoegdheid heeft over een dergelijk platform afspraken maakt met de andere betrokken lidstaten over de regulering ervan. De Commissie dient te worden ingelicht over de aanbieders die onder de bevoegdheid van elke lidstaat vallen, overeenkomstig de voorschriften inzake vestiging van deze richtlijn en van Richtlijn 2000/31/EG. In dit verband moet het begrip "aanbieder van een videoplatform" in de ruimste zin van het woord worden opgevat, zodat daaronder ook aanbieders van lineaire diensten en platforms voor de doorgifte van audiovisuele mediadiensten vallen, ongeacht de technische middelen die voor de doorzending worden gebruikt (kabel, satelliet of internet).

Motivering

Videoplatforms en sociale media kunnen gericht zijn op doelgroepen in de hele Unie, maar vallen alleen onder de bevoegdheid van de lidstaat waar zij geacht worden te zijn gevestigd. Daarom moeten de lidstaten bij de regulering van deze platforms doeltreffend samenwerken om een soepele werking van de digitale eengemaakte markt te waarborgen en de Europese burgers effectief te beschermen.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 33

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(33)  De reguleringsinstanties van de lidstaten kunnen alleen tot de vereiste mate van structurele onafhankelijkheid komen indien zij afzonderlijke juridische entiteiten zijn. De lidstaten dienen daarom te garanderen dat de nationale reguleringsinstanties onafhankelijk zijn van de regering, overheidsinstanties en de sector, zodat wordt gewaarborgd dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze vereiste inzake onafhankelijkheid moet onverlet laten dat de lidstaten kunnen bepalen dat reguleringsinstanties toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecomsector. De nationale reguleringsinstanties moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van deze richtlijn opgerichte nationale reguleringsinstanties dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging.

(33)  De lidstaten dienen te garanderen dat de nationale reguleringsinstanties en/of -organen onafhankelijk zijn van de regering, overheidsinstanties en de sector, zodat wordt gewaarborgd dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze vereiste inzake onafhankelijkheid moet onverlet laten dat de lidstaten kunnen bepalen dat reguleringsinstanties toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecommunicatiesector. De reguleringsinstanties en/of -organen moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van deze richtlijn opgerichte nationale reguleringsinstanties en/of -organen dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging. In dat opzicht is het noodzakelijk dat reguleringsinstanties en/of -organen aanbieders van audiovisuele mediadiensten steunen bij de uitoefening van hun redactionele onafhankelijkheid.

Amendement     36

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 35

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(35)  De Commissie heeft bij besluit van de Commissie van 3 februari 201436 de ERGA opgericht met als doel de samenhangende toepassing van het EU-regelgevingskader voor de audiovisuele sector in alle lidstaten. De rol van de ERGA is de Commissie van advies en ondersteuning te voorzien bij haar werkzaamheden betreffende de waarborging van een samenhangende tenuitvoerlegging van Richtlijn 2010/13/EU in alle lidstaten en de samenwerking tussen de nationale reguleringsinstanties alsmede tussen de nationale reguleringsinstanties en de Commissie te vergemakkelijken.

(35)  De Commissie heeft bij besluit van de Commissie van 3 februari 201436 de ERGA opgericht met als doel de samenhangende toepassing van het EU-regelgevingskader voor de audiovisuele sector in alle lidstaten. De rol van de ERGA is te handelen als een onafhankelijke adviesgroep van deskundigen en de Commissie van ondersteuning te voorzien bij haar werkzaamheden betreffende de waarborging van een samenhangende tenuitvoerlegging van Richtlijn 2010/13/EU in alle lidstaten en de samenwerking tussen de reguleringsinstanties en/of -organen alsmede tussen de reguleringsinstanties en/of -organen en de Commissie te vergemakkelijken.

_________________

_________________

36 Besluit C(2014) 462 final van de Commissie van 3 februari 2014 tot oprichting van een Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten.

36 Besluit C(2014) 462 final van de Commissie van 3 februari 2014 tot oprichting van een Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten.

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 36

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(36)  De ERGA heeft een positieve bijdrage geleverd aan de samenhangende regelgevingspraktijk en heeft de Commissie voorzien van advies op hoog niveau betreffende kwesties van tenuitvoerlegging. De rol van de groep dient daarom in deze richtlijn formeel te worden erkend en versterkt. De groep dient daarom krachtens deze richtlijn opnieuw te worden opgericht.

(36)  De ERGA en het contactcomité hebben een positieve bijdrage geleverd aan de samenhangende regelgevingspraktijk en hebben de Commissie voorzien van onafhankelijk advies op hoog niveau betreffende kwesties van tenuitvoerlegging.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 37

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(37)  De Commissie moet de ERGA vrijelijk kunnen raadplegen betreffende elke kwestie in verband met audiovisuele mediadiensten en videoplatforms. De ERGA dient de Commissie te ondersteunen door zijn deskundigheid en advies ter beschikking te stellen en door de uitwisseling van beste praktijken te vergemakkelijken. Met name dient de Commissie de ERGA te raadplegen betreffende de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU teneinde de geharmoniseerde tenuitvoerlegging ervan op de hele digitale eengemaakte markt te vergemakkelijken. Op verzoek van de Commissie dient de ERGA adviezen te verstrekken, onder meer inzake bevoegdheden en EU-gedragscodes op het gebied van de bescherming van minderjarigen en haatzaaiende uitlatingen alsmede van audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen met een hoog vet-, zout-/natrium- en suikergehalte.

(37)  De Commissie moet het contactcomité vrijelijk kunnen raadplegen betreffende elke kwestie in verband met audiovisuele mediadiensten en videoplatforms. Ook moet het voor de ERGA mogelijk zijn de Commissie te ondersteunen door zijn deskundigheid en advies ter beschikking te stellen en door de uitwisseling van beste praktijken te vergemakkelijken. De Commissie moet het contactcomité kunnen raadplegen betreffende de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU teneinde de samenhangende tenuitvoerlegging ervan op de hele digitale eengemaakte markt te vergemakkelijken. Het contactcomité moet besluiten nemen over door de ERGA opgestelde adviezen, onder meer inzake bevoegdheden en EU-voorschriften en -gedragscodes op het gebied van de bescherming van minderjarigen en haatzaaiende uitlatingen, alsmede op het gebied van audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen met een hoog vet-, zout-/natrium- en suikergehalte, met het oog op coördinatie met de wetgeving van de lidstaten.

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 38

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(38)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het vermogen van de lidstaten om verplichtingen op te leggen ter waarborging van de vindbaarheid en toegankelijkheid van inhoud van algemeen belang op grond van gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang, zoals pluralisme van de media, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit. Dergelijke verplichtingen dienen uitsluitend te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het recht van de Unie duidelijk gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang. Wat dat betreft dienen de lidstaten in het bijzonder de noodzaak van maatregelen van regelgevende aard af te wegen tegen de resultaten van de marktwerking. Wanneer de lidstaten besluiten om voorschriften inzake vindbaarheid op te leggen, dienen zij uitsluitend evenredige verplichtingen aan ondernemingen op te leggen die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

(38)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het vermogen van de lidstaten om verplichtingen op te leggen ter waarborging van de passende zichtbaarheid van inhoud van algemeen belang op grond van gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang, zoals pluralisme van de media, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit. Dergelijke verplichtingen dienen uitsluitend te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het recht van de Unie duidelijk gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang. Wanneer de lidstaten besluiten om voorschriften inzake passende zichtbaarheid op te leggen, dienen zij uitsluitend evenredige verplichtingen aan ondernemingen op te leggen die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 38 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(38 bis)  De middelen om toegankelijkheid te verwezenlijken dienen onder meer te bestaan uit toegankelijkheidsdiensten als gebarentaal, ondertiteling voor doven en slechthorenden, gesproken ondertiteling, audiodescriptie en gemakkelijk te begrijpen menunavigatie, maar mogen hiertoe niet beperkt blijven. Aanbieders van mediadiensten moeten transparantie betrachten en zich proactief opstellen voor betere toegankelijkheidsdiensten voor personen met een handicap en ouderen, met duidelijke vermelding in de programma-informatie en in de elektronische programmagids van hun beschikbaarheid, met een overzicht waarin de toegankelijkheidsfuncties van de diensten worden toegelicht, en met de verzekering dat deze toegankelijk zijn voor mensen met een handicap.

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 39

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(39)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder streeft de richtlijn ernaar het recht op vrije meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op juridische toetsing volledig te eerbiedigen, en de toepassing van de rechten van het kind te bevorderen die die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(39)  De lidstaten zijn verplicht bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn de grondrechten te eerbiedigen en zich te houden aan de beginselen die met name zijn erkend in het Handvest. In het bijzonder moeten de lidstaten ervoor zorgen dat nationale wetgeving, regelgeving en administratieve voorschriften waarmee deze richtlijn wordt omgezet geen rechtstreeks of onrechtstreeks gevaar inhouden voor het recht op vrije meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op juridische toetsing, en dat deze de toepassing van de rechten van het kind en het recht op non-discriminatie bevorderen die zijn vastgelegd in het Handvest.

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – punt a – punt i

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

i)  een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wanneer het hoofddoel van de dienst of een daarvan losstaand gedeelte bestaat uit de levering van programma's, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie via elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG. Bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd in punt e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd in punt g) van dit lid;

i)  een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wanneer het hoofddoel van de dienst of een losstaand gedeelte van een bredere dienst daarvan bestaat uit de levering van programma's, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie via elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG. Bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd in punt e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd in punt g) van dit lid;

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – punt a bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

"a bis)  "videoplatformdienst": een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die aan de volgende vereisten voldoet:

"a bis)  "videoplatformdienst": een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die aan elk van de volgende vereisten voldoet:

i)  de dienst bestaat uit de opslag van een grote hoeveelheid programma's of door gebruikers gegenereerde video's, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt;

i)  een van de voornaamste functionaliteiten van de dienst bestaat uit de beschikbaarstelling aan het algemene publiek van programma's of door gebruikers gegenereerde video's, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt;

ii)  de organisatie van de opgeslagen inhoud wordt bepaald door de aanbieder van de dienst, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van automatische middelen of algoritmen, met name door middel van hosting, weergeven, taggen en rangschikken;

ii)  de organisatie van de publiek beschikbaar gemaakte inhoud wordt bepaald door de aanbieder van de dienst, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van automatische middelen of algoritmen, met name door middel van hosting, weergeven, taggen en rangschikken;

iii)  het hoofddoel van de dienst of een daarvan losstaand gedeelte bestaat uit de levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's aan het algemene publiek ter informatie, vermaak of educatie;

iii)  het hoofddoel van de dienst of van een dienst die een losstaand gedeelte vormt van een bredere dienst bestaat uit de levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's aan het algemene publiek ter informatie, vermaak of educatie, of deze dienst speelt een aanzienlijke rol bij de levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's aan het algemene publiek ter informatie, vermaak of educatie; en

iv)  de dienst wordt ter beschikking gesteld via elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG."

iv)  de dienst wordt ter beschikking gesteld via elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG."

Amendement     44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter c

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – punt b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  "programma": een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk element van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of catalogus vormt, met inbegrip van bioscoopflims, video's van korte duur, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama;

b)  "programma": een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk element van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of catalogus vormt, met inbegrip van bioscoopfilms, video's van korte duur, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's, amusementsprogramma's, realityprogramma's en origineel drama;

Motivering

Aangezien het hier gaat over programma's waarvoor reclamebeperkingen of -aanpassingen gelden, moet de definitie van "programma" worden uitgebreid naar familieprogramma's als amusementsprogramma's en realityshows, die zowel door volwassenen als door kinderen worden bekeken.

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – punt b bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b bis)  "door gebruikers gegenereerde video": een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk, door één of meer gebruikers gecreëerd en/of naar een videoplatform geüpload element vormt;

b bis)  "door gebruikers gegenereerde video": een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk, naar een videoplatform geüpload element vormt;

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – alinea 1 – punt b ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d bis)  het volgende punt b ter) wordt ingevoegd:

 

"b ter)  "redactionele beslissing": een beslissing die op dagelijkse basis wordt genomen met het oog op de uitoefening van redactionele verantwoordelijkheid;"

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d ter (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – punt b quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d ter)  het volgende punt b quater) wordt ingevoegd:

 

"b quater)  "toegankelijkheidsdienst": een toegevoegde functie van de audiovisuele mediadienst die programma's beter toegankelijk maakt voor personen met een functiebeperking, waaronder personen met een handicap;"

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter e bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – punt k

 

Bestaande tekst

Amendement

 

e bis)  punt k) wordt vervangen door:

"k)  "sponsoring": elke bijdrage van publieke of particuliere ondernemingen of natuurlijke personen die zich niet bezighouden met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten of met de vervaardiging van audiovisuele producties, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten of programma's met het doel hun naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven;"

"k)  "sponsoring": elke rechtstreekse of onrechtstreekse bijdrage van publieke of particuliere ondernemingen of natuurlijke personen die zich niet bezighouden met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten, videoplatformdiensten of door gebruikers gegenereerde video's of met de vervaardiging van audiovisuele producties, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten, videoplatformdiensten, door gebruikers gegenereerde video's of programma's, met het doel hun naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven;"

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter e ter (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – punt m

 

Bestaande tekst

Amendement

 

e ter)  punt m) wordt vervangen door:

"m)  "productplaatsing": elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie die bestaat in het opnemen van of het verwijzen naar een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk binnen het kader van een programma, tegen betaling of soortgelijke vergoeding;"

"m)  "productplaatsing": elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie die bestaat in het opnemen van of het verwijzen naar een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk binnen het kader van een programma of een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of soortgelijke vergoeding;"

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 2 – lid 3 – punt b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)   in lid 3 wordt punt b) vervangen door:

Schrappen

"b)  indien een aanbieder van mediadiensten zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft, maar de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele mediadiensten in een andere lidstaat worden genomen, wordt die aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar het merendeel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is;";

 

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 2 – lid 4

 

Bestaande tekst

Amendement

 

a bis)  lid 4 wordt vervangen door:

4.  Aanbieders van mediadiensten waarop lid 3 niet van toepassing is, worden geacht onder de bevoegdheid van een lidstaat te vallen in de volgende gevallen:

4.  Aanbieders van mediadiensten waarop lid 3 niet van toepassing is, worden geacht onder de bevoegdheid van een lidstaat te vallen in de volgende gevallen:

a)  zij maken gebruik van een aarde-satellietverbinding in die lidstaat;

a)  zij maken gebruik van een aarde-satellietverbinding in die lidstaat; of

b)  zij maken gebruik van tot die lidstaat behorende satellietcapaciteit, hoewel zij geen gebruikmaken van een aarde-satellietverbinding in die lidstaat.

b)  zij maken gebruik van tot die lidstaat behorende satellietcapaciteit.

(Dit amendement is bedoeld tot wijziging van een bepaling van de bestaande wetshandeling – artikel 2, lid 4, onder m) – die in het Commissievoorstel niet ter sprake komt. Gelieve echter in aanmerking te nemen dat met dit amendement geen nieuwe substantiële punten worden aangesneden in de herziening van de richtlijn, maar alleen een noodzakelijke wijziging wordt ingevoerd om de juridische samenhang met het standpunt van de rapporteur te waarborgen.)

Motivering

De locatie van de aarde-satellietverbinding kan op erg korte tijd veranderen. Een verduidelijking van deze bepaling stelt nationale reguleringsinstanties in staat snel te bepalen welk rechtsgebied van toepassing is op een heel specifiek tijdstip.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 2 – lid 5 bis en 5 ter

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5 bis.  De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst met de aanbieders van audiovisuele mediadiensten waarvoor zij bevoegd zijn en met de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde criteria waarop hun bevoegdheid is gebaseerd. Indien deze lijst vervolgens wordt gewijzigd, informeren zij de Commissie daarover onmiddellijk. De Commissie waarborgt dat de bevoegde onafhankelijke reguleringsinstanties toegang tot deze informatie hebben.

5 bis.  De lidstaten houden een lijst bij met de aanbieders van audiovisuele mediadiensten waarvoor zij bevoegd zijn en met de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde criteria waarop hun bevoegdheid is gebaseerd. Deze lijst bevat tevens informatie over de lidstaten waarin de audiovisuele mediadienst beschikbaar is en over de taalversies van de dienst. De lidstaten zien erop toe dat reguleringsinstanties en/of -organen deze lijsten via een centrale gegevensbank delen met de Commissie en de Europese Groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) en dat de lijsten openbaar worden gemaakt. Wanneer zich wijzigingen voordoen, worden deze lijsten onmiddellijk bijgewerkt.

5 ter.  Wanneer de betrokken lidstaten bij de toepassing van de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn geen overeenstemming bereiken over welke lidstaat bevoegd is, lichten zij de Commissie in over deze kwestie. De Commissie kan de Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) verzoeken binnen 15 dagen na indiening van het verzoek door de Commissie een advies te verstrekken. Indien de Commissie de ERGA om een advies verzoekt, worden de termijnen van artikel 3, lid 5, en artikel 4, lid 5, opgeschort totdat de ERGA een advies heeft goedgekeurd.

5 ter.  Wanneer de betrokken lidstaten bij de toepassing van de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn geen overeenstemming bereiken over welke lidstaat bevoegd is, lichten zij de Commissie in over deze kwestie. De Commissie kan verzoeken dat de ERGA binnen 15 dagen na indiening van het verzoek door de Commissie een advies verstrekt. Het advies van de ERGA wordt tevens toegezonden aan het contactcomité. Indien de Commissie de ERGA om een advies verzoekt, worden de termijnen van artikel 3, lid 5, en artikel 4, lid 5, opgeschort totdat de ERGA een advies heeft goedgekeurd.

 

De Commissie besluit welke lidstaat bevoegd is nadat de betrokken lidstaat een verzoek heeft ingediend of nadat de ERGA een advies heeft opgesteld.

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 2 – lid 5 ter bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

b bis)  het volgende lid wordt toegevoegd:

 

"5 ter bis.  De Commissie neemt een besluit binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 5 ter of na de verstrekking van het advies door de ERGA."

Motivering

Dit amendement heeft tot doel een termijn vast te stellen waaraan de Commissie zich moet houden om een besluit te nemen over de beslechting van geschillen betreffende bevoegdheid.

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

"Artikel 3

"Artikel 3

1.  De lidstaten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren de doorgifte op hun grondgebied van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten niet om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen.

1.  De lidstaten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren de doorgifte op hun grondgebied van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten niet om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen.

2.  De lidstaten mogen tijdelijk afwijken van lid 1 indien een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten:

2.  De lidstaten mogen tijdelijk afwijken van lid 1, onverminderd de vrijheid van meningsuiting en informatie en van pluralisme in de media, indien een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten:

a)  een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk doet op de artikelen 6 of 12, of beide;

a)  een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 6 of artikel 6 bis, lid 1; of

b)  afbreuk doet aan of een ernstig risico vertoont dat afbreuk zal worden gedaan aan de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie; of

b)  afbreuk doet aan of een ernstig risico vertoont dat afbreuk zal worden gedaan aan de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie, of aan de volksgezondheid;

c)  afbreuk doet aan of een ernstig risico vertoont dat afbreuk zal worden gedaan aan de volksgezondheid.

 

3.  De lidstaten mogen lid 2 uitsluitend toepassen wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

3.  De lidstaten mogen lid 2 uitsluitend toepassen wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  de betrokken lidstaat is van mening dat de aanbieder van mediadiensten tijdens de 12 maanden voorafgaand aan de in onder b) van dit lid bedoelde kennisgeving in ten minste twee gevallen inbreuk heeft gemaakt op punt a), b) of c) van lid 2;

a)  de betrokken lidstaat is van mening dat de aanbieder van mediadiensten inbreuk heeft gemaakt op punt a) of b) van lid 2;

b)  de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat die voor de aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de maatregelen die de lidstaat van plan is te treffen indien dergelijke vermeende inbreuken opnieuw plaatsvinden;

b)  de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat die voor de aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuk en van de maatregelen die de lidstaat van plan is te treffen indien dergelijke vermeende inbreuk opnieuw plaatsvindt;

c)  overleg met de lidstaat die voor de aanbieder bevoegd is en met de Commissie heeft binnen een maand na de onder b) bedoelde kennisgeving niet tot een minnelijke schikking geleid;

c)  overleg met de lidstaat die voor de aanbieder bevoegd is en met de Commissie heeft binnen een maand na de onder b) bedoelde kennisgeving niet tot een minnelijke schikking geleid;

d)  de aanbieder van mediadiensten heeft ten minste één maal na de onder b) van dit lid bedoelde kennisgeving inbreuk gemaakt op punt a), b) of c) van artikel 2;

d)  de aanbieder van mediadiensten heeft ten minste één maal na de onder b) van dit lid bedoelde kennisgeving inbreuk gemaakt op punt b) of c) van lid 2;

e)  de lidstaat die de kennisgeving doet, heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name de aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt met betrekking tot de vermeende inbreuken en de door die lidstaat voorziene maatregelen kenbaar te maken. De lidstaat houdt terdege rekening met dit standpunt en met het standpunt van de bevoegde lidstaat.

e)  de lidstaat die de kennisgeving doet, heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name de aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt met betrekking tot de vermeende inbreuk en de door die lidstaat voorziene maatregelen kenbaar te maken. De lidstaat houdt terdege rekening met dit standpunt en met het standpunt van de bevoegde lidstaat.

De punten a) en d) van lid 3 zijn alleen van toepassing ten aanzien van lineaire diensten.

 

4.  De Commissie besluit uiterlijk drie maanden na kennisgeving van de door de lidstaten op grond van de leden 2 en 3 getroffen maatregelen, na raadpleging van de ERGA, of deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van de aanmelding of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

4.  De Commissie besluit uiterlijk drie maanden na kennisgeving van de door de lidstaten op grond van de leden 2 en 3 getroffen maatregelen, na raadpleging van de ERGA, of deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen een maand na ontvangst van de aanmelding of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie dat de door de lidstaat op grond van lid 2 getroffen maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, staakt de lidstaat de desbetreffende maatregelen onmiddellijk.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie dat de door de lidstaat op grond van lid 2 getroffen maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, staakt de lidstaat de desbetreffende maatregelen onmiddellijk en uiterlijk binnen twee weken nadat het besluit is genomen.

5.  De leden 3 en 4 doen geen afbreuk aan de toepassing van enige procedure, corrigerende maatregel of sanctie met betrekking tot de desbetreffende inbreuk in de lidstaat die bevoegd is voor de betrokken aanbieder van mediadiensten.

5.  De leden 3 en 4 doen geen afbreuk aan de toepassing van enige procedure, corrigerende maatregel of sanctie met betrekking tot de desbetreffende inbreuk in de lidstaat die bevoegd is voor de betrokken aanbieder van mediadiensten.

6.  In urgente gevallen kunnen de lidstaten afwijken van de in lid 3, onder b) en c), genoemde voorwaarden. Wanneer dat het geval is, worden de Commissie en de lidstaat die bevoegd is voor de aanbieder van mediadiensten, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de maatregelen, waarbij toegelicht om welke redenen de lidstaat van mening is dat er sprake is van een dusdanige mate van urgentie dat van deze voorwaarden moet worden afgeweken.

6.  In urgente gevallen kunnen de lidstaten afwijken van de in lid 3, onder b) en c), genoemde voorwaarden. Wanneer dat het geval is, worden de Commissie en de lidstaat die bevoegd is voor de aanbieder van mediadiensten, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de maatregelen, waarbij toegelicht om welke redenen de lidstaat van mening is dat er sprake is van een dusdanige mate van urgentie dat van deze voorwaarden moet worden afgeweken.

7.  Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaat om de uitvoering van de in de lid 6 bedoelde maatregelen voort te zetten, gaat de Commissie zo spoedig mogelijk na of de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld, verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien zij concludeert dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, verplicht zij de betrokken lidstaat om van de beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering daarvan onmiddellijk te staken.

7.  Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaat om de uitvoering van de in de lid 6 bedoelde maatregelen voort te zetten, gaat de Commissie zo spoedig mogelijk na of de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld, verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien zij concludeert dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, verplicht zij de betrokken lidstaat om van de beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering daarvan onmiddellijk te staken, uiterlijk binnen de twee weken nadat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat deze maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie.

8.  De lidstaten en de Commissie wisselen in het kader van het op grond van artikel 29 opgerichte contactcomité en de ERGA op gezette tijden ervaringen en beste praktijken uit ten aanzien van de procedure van de leden 2 tot en met 7.";

8.  De lidstaten en de Commissie wisselen in het kader van het contactcomité en de ERGA op gezette tijden ervaringen en beste praktijken uit ten aanzien van de procedure van de leden 2 tot en met 7.";

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5)  Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

5)  Artikel 4 wordt vervangen door:

a)   lid 1 wordt vervangen door:

a)   lid 1 wordt vervangen door:

"Artikel 4

"Artikel 4

1.  Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van strengere of meer gedetailleerde regels te eisen ten aanzien van de artikelen 5, 6, 6 bis, 9, 10, 11, 12, 13, 16, 17, 19 tot en met 26, 30 en 30 bis, op voorwaarde dat deze regels met het recht van de Unie stroken.

1.  Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van strengere of meer gedetailleerde regels te eisen ten aanzien van de artikelen 5, 6, 6 bis, 7, 9, 10, 11, 13, 16, 17, 19 tot en met 26, 30 en 30 bis, op voorwaarde dat deze regels met het recht van de Unie stroken, de vrijheid van meningsuiting en informatie en van pluralisme in de media eerbiedigen en geen discriminerende bepalingen omvatten met betrekking tot de nationaliteit of woonplaats van de aanbieder van de mediadienst. De lidstaten stellen de Commissie, de ERGA en het contactcomité op de hoogte van meer gedetailleerde of strengere regels en maken deze openbaar.

 

a bis)   lid 2 wordt vervangen door:

2.  In het geval dat een lidstaat:

2.  In het geval dat een lidstaat:

a)  op grond van de hem door lid 1 geboden vrijheid strengere of meer gedetailleerde regels van algemeen publiek belang heeft aangenomen, en tevens

a)  op grond van de hem door lid 1 geboden vrijheid strengere of meer gedetailleerde regels van algemeen publiek belang heeft aangenomen, en tevens

b)  van oordeel is dat een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende omroeporganisatie een televisie-uitzending aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht,

b)  van oordeel is dat een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een audiovisuele mediadienst aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht,

kan hij contact opnemen met de bevoegde lidstaat teneinde een wederzijds aanvaardbare oplossing voor ondervonden problemen mogelijk te maken. Indien de bevoegde lidstaat daartoe een met redenen omkleed verzoek van de eerstbedoelde lidstaat ontvangt, verzoekt hij de omroeporganisatie de desbetreffende regels van algemeen publiek belang na te leven. De bevoegde lidstaat licht de eerstbedoelde lidstaat binnen de twee maanden in over het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. Beide lidstaten mogen het bij artikel 29 ingestelde contactcomité vragen de zaak te onderzoeken.

kan hij contact opnemen met de bevoegde lidstaat teneinde een wederzijds aanvaardbare oplossing voor ondervonden problemen mogelijk te maken. Indien de bevoegde lidstaat daartoe een met redenen omkleed verzoek van de eerstbedoelde lidstaat ontvangt, verzoekt hij de aanbieder van mediadiensten de desbetreffende regels van algemeen publiek belang na te leven. De bevoegde lidstaat licht de eerstbedoelde lidstaat binnen de twee maanden in over het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. Beide lidstaten mogen het contactcomité vragen de zaak te onderzoeken.

b)   in lid 3 wordt de volgende tweede alinea ingevoegd na punt b) van de eerste alinea:

b)   lid 3 wordt vervangen door:

3.  De eerstbedoelde lidstaat kan passende maatregelen tegen de betrokken omroeporganisatie nemen indien hij van oordeel is dat:

3.  De eerstbedoelde lidstaat kan passende maatregelen tegen de betrokken aanbieder van mediadiensten nemen indien hij van oordeel is dat:

a)  het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is, en tevens

a)  het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is, en tevens

b)  de betrokken omroeporganisatie zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om, de strengere voorschriften op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd en die op haar van toepassing zouden zijn indien zij in de eerstbedoelde lidstaat zou zijn gevestigd te omzeilen.

b)  de betrokken aanbieder van mediadiensten zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om de strengere voorschriften op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd en die op haar van toepassing zouden zijn indien zij in de eerstbedoelde lidstaat zou zijn gevestigd te omzeilen.

De lidstaat die overeenkomstig lid 2, punt a) en b), stappen heeft ondernomen, doet opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling van de vermeende omzeiling heeft gebaseerd.

De lidstaat die overeenkomstig lid 2, punt a) en b), stappen heeft ondernomen, doet opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling van de vermeende omzeiling heeft gebaseerd.

Dergelijke maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze genomen, zijn geschikt om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en beperken zich tot hetgeen noodzakelijk is om deze te verwezenlijken.

Dergelijke maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze genomen, zijn geschikt om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en beperken zich tot hetgeen noodzakelijk is om deze te verwezenlijken.

c)   de leden 4 en 5 worden vervangen door:

c)   de leden 4 en 5 worden vervangen door:

4.  Een lidstaat mag slechts maatregelen uit hoofde van lid 3 nemen wanneer alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

4.  Een lidstaat mag slechts maatregelen uit hoofde van lid 3 nemen wanneer alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)  de lidstaat heeft de Commissie en de lidstaat waarin de omroeporganisatie is gevestigd, in kennis gesteld van zijn voornemen om dergelijke maatregelen te nemen, met opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling heeft gebaseerd;

a)  de lidstaat heeft de Commissie en de lidstaat waarin de aanbieder van mediadiensten is gevestigd, in kennis gesteld van zijn voornemen om dergelijke maatregelen te nemen, met opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling heeft gebaseerd;

b)  de lidstaat heeft de rechten van verdediging van de betrokken omroeporganisatie geëerbiedigd en heeft met name de omroeporganisatie de mogelijkheid gegeven zijn standpunt met betrekking tot de vermeende omzeiling en de door de kennisgevende lidstaat voorziene maatregelen kenbaar te maken;

b)  de lidstaat heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name de aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt met betrekking tot de vermeende omzeiling en de door de kennisgevende lidstaat voorziene maatregelen kenbaar te maken;

c)  de Commissie heeft na raadpleging van de ERGA besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het recht van de Unie, en in het bijzonder dat de beoordeling van de lidstaat die de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen neemt, gegrond is.

c)  de Commissie heeft na raadpleging van het contactcomité en de ERGA besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het recht van de Unie, en in het bijzonder dat de beoordeling van de lidstaat die de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen neemt, gegrond is.

5.  De Commissie neemt binnen drie maanden na de in lid 4, onder a), bedoelde kennisgeving een besluit. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

5.  De Commissie neemt binnen drie maanden na de in lid 4, onder a), bedoelde kennisgeving een besluit. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of de lidstaat onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie dat de door de lidstaat op grond van lid 3 getroffen maatregelen niet verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, ziet de lidstaat in kwestie af van de voorziene maatregelen.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of de lidstaat onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie dat de door de lidstaat op grond van lid 3 getroffen maatregelen niet verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, ziet de lidstaat in kwestie af van de voorziene maatregelen.

 

c bis)   lid 6 wordt vervangen door:

6.  De lidstaten zorgen er in het kader van hun wetgeving met passende middelen voor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten de bepalingen van deze richtlijn daadwerkelijk naleven.

6.  De lidstaten zorgen er in het kader van hun wetgeving met passende middelen voor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten de bepalingen van deze richtlijn daadwerkelijk naleven.

d)   lid 7 wordt vervangen door:

d)   lid 7 wordt vervangen door:

7.  De lidstaten stimuleren coregulering en zelfregulering door middel van op nationaal niveau vastgestelde gedragscodes betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden, voor zover hun rechtsstelsels dat toestaan. Deze gedragscodes zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden in de betrokken lidstaten. In de gedragscodes zijn duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen vastgesteld. De gedragscodes voorzien in regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen ervan worden bereikt. Zij voorzien in doeltreffende handhaving, voor zover nodig met inbegrip van passende doeltreffende en evenredige sancties.

7.  De Commissie en de lidstaten stimuleren en faciliteren zelfregulering en coregulering door middel van op nationaal niveau vastgestelde gedragscodes betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden, voor zover hun rechtsstelsels dat toestaan. Deze gedragscodes worden in brede kring aanvaard door de belanghebbende partijen die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaten vallen. In de gedragscodes zijn duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen vastgesteld. Reguleringsinstanties en/of -organen voorzien in regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen van deze gedragscodes worden bereikt. De gedragscodes voorzien in doeltreffende en transparante handhaving door de reguleringsinstanties en/of -organen, met inbegrip van doeltreffende en evenredige sancties.

 

De ERGA spoort aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen.

Ontwerpversies van de in artikel 6 bis, lid 3, artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 4, bedoelde EU-gedragscodes en wijzigingen of uitbreidingen van bestaande EU-gedragscodes worden door de ondertekenaars ervan aan de Commissie verstrekt.

In voorkomend geval faciliteert de Commissie in samenwerking met de lidstaten de ontwikkeling van EU-gedragscodes, in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en in overleg met het contactcomité, de ERGA en aanbieders van mediadiensten, en houdt hierbij rekening met vastgestelde beste praktijken. Ontwerpversies van EU-gedragscodes en wijzigingen of uitbreidingen van bestaande EU-gedragscodes worden door de ondertekenaars ervan aan de Commissie verstrekt. De Commissie zorgt voor passende bekendheid van deze gedragscodes om de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen.

De Commissie kan de ERGA verzoeken om advies over de ontwerpversies, wijzigingen en uitbreidingen van dergelijke gedragscodes. De Commissie kan deze gedragscodes voor zover passend publiceren.

De ERGA houdt regelmatig toezicht en bezorgt de Commissie en het contactcomité een regelmatige, transparante en onafhankelijke evaluatie van de verwezenlijking van de doelstellingen die worden beoogd in deze EU-gedragscodes.

 

d bis)   na lid 7 wordt het volgende lid toegevoegd:

 

7 bis.  Indien nationale, onafhankelijke reguleringsinstanties en/of -organen tot de conclusie komen dat een gedragscode of delen ervan niet doeltreffend genoeg blijken te zijn, staat het de lidstaat van deze reguleringsinstanties en/of -organen vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen, met inachtneming van deze richtlijn en het recht van de Unie en met eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en informatie en van pluralisme in de media. Dergelijke regels moeten onverwijld aan de Commissie worden gemeld.

 

d ter)   lid 8 wordt vervangen door:

8.  Richtlijn 2000/31/EG is volledig van toepassing, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Indien een bepaling van Richtlijn 2000/31/EG strijdig is met een bepaling van onderhavige richtlijn, prevaleren de bepalingen van onderhavige richtlijn, tenzij in onderhavige richtlijn anders is bepaald."

8.  Richtlijn 2000/31/EG is volledig van toepassing, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Indien een bepaling van Richtlijn 2000/31/EG strijdig is met een bepaling van onderhavige richtlijn, prevaleren de bepalingen van onderhavige richtlijn, tenzij in onderhavige richtlijn anders is bepaald."

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 7

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7)  in artikel 5 wordt punt d) vervangen door:

7)  Artikel 5 wordt vervangen door:

 

"Artikel 5

 

De lidstaten zorgen ervoor dat een onder hun bevoegdheid vallende aanbieder van mediadiensten ten minste de volgende informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ter beschikking stelt van de ontvangers van een dienst:

 

a)  zijn naam;

 

b)  het geografische adres waar hij gevestigd is;

 

c)  nadere gegevens, waaronder zijn e-mailadres of webadres, zodat hij snel, rechtstreeks en daadwerkelijk kan worden bereikt;

"d)  de lidstaat die bevoegd is voor de aanbieders van mediadiensten en de bevoegde reguleringsinstanties of toezichthoudende organen."

d)  de lidstaat onder wiens bevoegdheid hij valt, alsook de bevoegde reguleringsinstanties en/of -organen of toezichthoudende organen."

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid wordt gedefinieerd.

De lidstaten zorgen er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten:

 

a)  aanzetten tot aantasting van de menselijke waardigheid;

 

b)  aanzetten tot geweld of haat jegens een persoon of een groep personen die wordt gedefinieerd op basis van nationaliteit, geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, gender, genderexpressie, genderidentiteit, seksuele gerichtheid, verblijfsstatus of gezondheid;

 

c)  aanzetten tot terrorisme.

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

9)  het volgende artikel 6 bis wordt ingevoegd:

9)  Het volgende artikel 6 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 6 bis

"Artikel 6 bis

 

1.  De lidstaten nemen passende, evenredige en doeltreffende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verstrekte audiovisuele mediadiensten die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Tot dergelijke maatregelen kunnen selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor leeftijdscontrole of andere technische maatregelen behoren. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen, mogen niet leiden tot bijkomende gegevensverwerking en mogen geen afbreuk doen aan artikel 8 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1 bis.

 

Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten voldoende informatie aan de kijkers verstrekken betreffende inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe kunnen de lidstaten een systeem van beschrijvingen gebruiken die een indicatie geven van de aard van de inhoud van een audiovisuele mediadienst.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van mediadiensten voldoende informatie aan de kijkers verstrekken betreffende inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe kunnen de lidstaten een systeem van beschrijvingen gebruiken die een indicatie geven van de aard van de inhoud van een audiovisuele mediadienst.

 

2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen die worden genomen om minderjarigen te beschermen tegen door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verstrekte audiovisuele mediadiensten die hun lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling zouden kunnen aantasten, nodig en proportioneel zijn en volledig stroken met de rechten, vrijheden en beginselen als vastgesteld in het Handvest, met name degene die zijn opgenomen onder titel III en in artikel 52.

2.  De lidstaten moedigen coregulering aan wat betreft de tenuitvoerlegging van dit artikel.

4.  De lidstaten moedigen zelfregulering en coregulering aan wat betreft de tenuitvoerlegging van dit artikel.

3.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

5.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van zelfregulering en coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

 

________________

 

1 bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 10

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

10)  Artikel 7 wordt geschrapt;

10)  Artikel 7 wordt vervangen door:

 

"Artikel 7

 

1.  De lidstaten werken onverwijld maatregelen uit om ervoor te zorgen dat diensten die worden aangeboden door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten voortdurend en in toenemende mate toegankelijker worden voor personen met een handicap. Die maatregelen worden uitgewerkt in overleg met relevante belanghebbende partijen, waaronder aanbieders van mediadiensten en belangenorganisaties van personen met een handicap.

 

2.  Tot de in lid 1 bedoelde maatregelen behoort de vereiste dat aanbieders van mediadiensten jaarlijks bij de lidstaten verslag uitbrengen over de genomen stappen en de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot het steeds toegankelijker maken van hun diensten voor personen met een handicap. De lidstaten brengen bij de Commissie verslag uit over de stappen die onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten hebben genomen.

 

3.  Met de in lid 1 bedoelde maatregelen worden aanbieders van mediadiensten ertoe aangespoord in samenwerking met de vertegenwoordigers van belangenorganisaties van personen met een handicap en reguleringsorganen actieplannen inzake toegankelijkheid op te stellen met betrekking tot het voortdurend en in toenemende mate toegankelijker maken van hun diensten voor personen met een handicap. Deze actieplannen worden onverwijld opgesteld en worden aan de nationale reguleringsinstanties en/of -organen meegedeeld.

 

4.  De Commissie, het contactcomité en de ERGA worden onverwijld in kennis gesteld van de krachtens lid 1 uitgewerkte maatregelen. De Commissie en de ERGA bevorderen de uitwisseling van beste praktijken onder aanbieders van mediadiensten.

 

5.  De lidstaten waarborgen dat informatie die in noodsituaties wordt verspreid via audiovisuele mediadiensten, met inbegrip van publieke mededelingen en aankondigingen bij natuurrampen, wordt verstrekt op een wijze die toegankelijk is voor personen met een handicap, onder meer door middel van ondertiteling voor doven en slechthorenden, audioboodschappen en audiodescriptie voor eventuele visuele informatie en, indien praktisch haalbaar, vertolking in gebarentaal.

 

6.  De lidstaten zien erop toe dat aanbieders van mediadiensten zich er via hun beleid inzake het inkopen en programmeren van inhoud en hun redactioneel beleid op toeleggen toegankelijkheidsdiensten aan te bieden als onderdeel van door de producenten van inhoud geleverde pakketten.

 

7.  De lidstaten sporen aanbieders van mediadiensten aan om consumenten in staat te stellen toegankelijke inhoud te vinden en te bekijken en hun websites, mediaspelers, online applicaties en diensten voor mobiele apparaten, met inbegrip van mobiele apps die worden gebruikt voor het leveren van de dienst, op een consistente en geschikte manier toegankelijker te maken opdat gebruikers deze kunnen waarnemen, bedienen en begrijpen, en ervoor te zorgen dat deze zodanig goed in elkaar zitten dat interoperabiliteit met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën op Unie- en internationaal niveau mogelijk is.

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 7 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

10 bis)  Het volgende artikel 7 bis wordt ingevoegd:

 

"Artikel 7 bis

 

Het staat de lidstaten vrij verplichtingen op te leggen ter waarborging van de passende zichtbaarheid van audiovisuele mediadiensten van algemeen belang.

 

Het opleggen van dergelijke maatregelen is evenredig en voldoet aan doelstellingen van algemeen belang, zoals pluralisme in de media, vrijheid van meningsuiting, culturele diversiteit en gendergelijkheid, die door de lidstaten duidelijk worden gedefinieerd in overeenstemming met het Unierecht.

Amendement    61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – lid 1 – punt 10 ter (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 7 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

10 ter)  Het volgende artikel 7 ter wordt ingevoegd:

 

"Artikel 7 ter

 

De lidstaten waarborgen dat de programma's en diensten van aanbieders van mediadiensten niet onderhevig zijn aan wijzigingen of overlaytechnieken zonder hun expliciete toestemming, met uitzondering van diensten waartoe de ontvanger van een dienst het initiatief heeft genomen."

Amendement    62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 quater (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 8 – alinea 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

10 quater)  In artikel 8 wordt lid 1 vervangen door:

De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten geen cinematografische werken uitzenden buiten de met de houders van rechten overeengekomen tijdvakken.

De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten en aanbieders van videoplatforms geen cinematografische werken uitzenden buiten de met de houders van rechten overeengekomen tijdvakken.

Amendement    63

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

11)  Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

11)  Artikel 9 wordt vervangen door:

 

-a)   lid 1 wordt vervangen door:

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende eisen voldoet:

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende eisen voldoet:

a)  audiovisuele commerciële communicatie moet gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn. Audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is verboden;

a)  audiovisuele commerciële communicatie moet duidelijk als zodanig herkenbaar zijn en te onderscheiden zijn van redactionele inhoud; audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is verboden;

b)  bij audiovisuele commerciële communicatie mogen geen subliminale technieken worden gebruikt;

b)  bij audiovisuele commerciële communicatie mogen geen subliminale technieken worden gebruikt;

c)  audiovisuele commerciële communicatie mag niet:

c)  audiovisuele commerciële communicatie mag niet:

i)  de menselijke waardigheid aantasten;

i)  de menselijke waardigheid aantasten;

ii)  enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bevatten of bevorderen;

ii)  enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bevatten of bevorderen;

iii)  aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor de gezondheid of veiligheid;

iii)  aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor de gezondheid of veiligheid;

iv)  aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu;

iv)  aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor het milieu;

d)  audiovisuele commerciële communicatie voor sigaretten en andere tabaksproducten is verboden;

d)  audiovisuele commerciële communicatie voor sigaretten, elektronische sigaretten en andere tabaksproducten is verboden;

e)  audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;

e)  audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;

f)  audiovisuele commerciële communicatie voor geneesmiddelen en medische behandelingen die in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, is verboden;

f)  audiovisuele commerciële communicatie voor geneesmiddelen en medische behandelingen die in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, is verboden;

g)  audiovisuele commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke of zedelijke schade toebrengen. Derhalve mag zij minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, hen niet rechtstreeks aanzetten hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen goederen of diensten aan te kopen, niet profiteren van het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen, en minderjarigen niet zonder gegronde redenen in gevaarlijke situaties tonen.

g)  audiovisuele commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke schade toebrengen. Derhalve mag zij minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, en minderjarigen niet zonder gegronde redenen in gevaarlijke situaties tonen.

a)   lid 2 wordt vervangen door:

a)   lid 2 wordt vervangen door:

2.  De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering betreffende ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie die programma’s waarnaar een significant aantal kinderen kijken, vergezelt of daarvan deel uitmaakt, inzake voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen en andere stoffen met nutritionele en fysiologische effecten bevatten, waarvan een overmatig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is, met name stoffen zoals vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers.

2.  De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering betreffende ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken. Met dergelijke gedragscodes wordt beoogd de blootstelling van minderjarigen aan ongepaste audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken op doeltreffende wijze terug te dringen.

b)   de volgende leden 3 en 4 worden ingevoegd:

b)   de volgende leden 3 en 4 worden ingevoegd:

3.  De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering inzake ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Dergelijke gedragscodes worden op doeltreffende wijze gebruikt ter beperking van de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken.

3.  De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering inzake ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie die kinderprogramma's vergezelt of daarvan deel uitmaakt voor voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen en andere stoffen met nutritionele en fysiologische effecten bevatten, waarvan een overmatig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is, met name stoffen zoals vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers. Met dergelijke gedragscodes wordt beoogd de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie voor deze voedingsmiddelen en dranken op doeltreffende wijze terug te dringen. Via dergelijke gedragscodes moet ervoor worden gezorgd dat in deze audiovisuele commerciële communicatie geen nadruk wordt gelegd op de positieve kwaliteit van de nutritionele aspecten van dergelijke voedingsmiddelen en dranken.

4.  De Commissie en de ERGA stimuleren de uitwisseling van beste praktijken betreffende systemen op basis van zelf- en coregulering in de hele Unie. Indien de Commissie het passend acht, bevordert zij de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

4.  De Commissie en de ERGA waarborgen de uitwisseling van beste praktijken betreffende systemen op basis van zelf- en coregulering in de hele Unie.

 

Indien nodig bevorderen de Commissie en de ERGA, in samenwerking met de lidstaten, de ontwikkeling, bevordering en aanneming van EU-gedragscodes.

Amendement    64

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 12

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 10

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

12)  Artikel 10, onder b), wordt vervangen door:

12)  Artikel 10 wordt vervangen door:

 

"Artikel 10

 

1.  Audiovisuele mediadiensten of programma's die worden gesponsord, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

 

a)  de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering ervan, mogen nooit dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;

b)  zij sporen niet rechtstreeks aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

b)  zij sporen niet rechtstreeks aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

 

c)  de kijkers wordt duidelijk gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst; gesponsorde programma's moeten duidelijk als zodanig worden gekenmerkt doordat aan het begin, tijdens en/of aan het einde van het programma op passende wijze naam, logo en/of ander symbool van de sponsor, zoals een verwijzing naar diens product(en) of dienst(en) of een onderscheidingsteken daarvan, worden vermeld.

 

2.  Audiovisuele mediadiensten of programma's mogen niet worden gesponsord door ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van sigaretten, elektronische sigaretten en andere tabaksproducten.

 

3.  Bij sponsoring van audiovisuele mediadiensten of programma's door ondernemingen waarvan de activiteiten de vervaardiging of verkoop van geneesmiddelen en medische behandelingen omvatten, mag de naam of het imago van de onderneming worden aangeprezen, maar mogen geen specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen worden aangeprezen die in de lidstaten onder de bevoegdheid waarvan de aanbieder van deze mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn.

 

4.  Nieuws en actualiteitenprogramma's mogen niet worden gesponsord. De lidstaten mogen sponsoring van kinderprogramma's of inhoud met kinderen als voornaamste doelgroep verbieden."

Amendement    65

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 11

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De leden 2, 3 en 4 zijn alleen van toepassing op programma's gemaakt na 19 december 2009.

1.  Dit artikel is alleen van toepassing op programma's gemaakt na 19 december 2009.

2.  Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken.

2.  Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's, kinderprogramma's en programma's met kinderen als voornaamste doelgroep.

3.  Programma's die productplaatsing bevatten, voldoen aan de volgende voorwaarden:

3.  Programma's die productplaatsing bevatten, voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)  de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering ervan, mogen nooit dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;

a)  de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering ervan, mogen nooit dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;

b)  zij sporen niet rechtstreeks aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

b)  zij sporen niet rechtstreeks aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

 

b bis)  het betrokken product krijgt geen overdreven zichtbaarheid;

c)  de kijkers worden duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing.

c)  de kijkers wordt duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing.

Programma's die productplaatsing bevatten, worden aan het begin en het eind van het programma, alsook wanneer een programma na een reclamepauze wordt hervat, op passende wijze als zodanig aangeduid om verwarring bij de kijker te voorkomen.

Programma's die productplaatsing bevatten, worden aan het begin en het eind van het programma op passende wijze als zodanig aangeduid.

De lidstaten mogen bij wijze van afwijking afzien van de onder c) genoemde vereisten op voorwaarde dat het betrokken programma niet is geproduceerd noch besteld door de aanbieder van mediadiensten zelf of door een aan de aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming.

De lidstaten mogen bij wijze van afwijking afzien van de onder c) genoemde vereisten op voorwaarde dat het betrokken programma niet is geproduceerd noch besteld door de aanbieder van mediadiensten zelf of door een aan de aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming.

4.  Programma's mogen in geen geval productplaatsing bevatten voor:

4.  Programma's mogen in geen geval productplaatsing bevatten voor:

a)  tabaksproducten of sigaretten of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit in de productie of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten bestaat;

a)  tabaksproducten, sigaretten of elektronische sigaretten of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit in de productie of verkoop van sigaretten, elektronische sigaretten of andere tabaksproducten bestaat;

b)  specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn in de lidstaat onder de bevoegdheid waarvan de betrokken aanbieder van mediadiensten valt."

b)  specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn in de lidstaat onder de bevoegdheid waarvan de betrokken aanbieder van mediadiensten valt.

Amendement    66

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 14

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 12

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

14)  Artikel 12 wordt verplaatst naar hoofdstuk III en wordt vervangen door:

14)  Artikel 12 wordt geschrapt;

Artikel 12

 

De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekte programma's die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Tot dergelijke maatregelen kunnen selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor de leeftijdscontrole of andere technische maatregelen behoren. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.

 

Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen, zoals versleuteling en doeltreffend ouderlijk toezicht.

 

Motivering

Zie artikel -2, amendement 32.

Amendement    67

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 13 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag een aandeel van ten minste 20 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi en dat deze producties aandacht krijgen.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag een aandeel van ten minste 30 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi en dat deze producties aandacht krijgen. Dit aandeel omvat producties in de officiële talen van het grondgebied waar ze worden verdeeld.

Amendement    68

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 13 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten kunnen de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele media-op-aanvraagdiensten verplichten een financiële bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van Europese producties, onder meer door middel van directe investeringen in inhoud en bijdragen aan nationale fondsen. De lidstaten kunnen aanbieders van audiovisuele media-op-aanvraagdiensten die zich richten tot publiek op hun grondgebied, maar in andere lidstaten zijn gevestigd, verplichten dergelijke financiële bijdragen te leveren. In dat geval wordt de financiële bijdrage gebaseerd op de inkomsten die zijn gegenereerd in de lidstaten waarop de diensten zijn gericht. Indien de lidstaat waarin de aanbieder is gevestigd, een financiële bijdrage oplegt, houdt deze lidstaat rekening met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten van de aanbieder zijn gericht. Elke financiële bijdrage dient te voldoen aan het recht van de Unie, en in het bijzonder de staatssteunregels.

2.  De lidstaten kunnen de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele media-op-aanvraagdiensten verplichten een financiële bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van Europese producties, rekening houdend met de culturele en taalkundige diversiteit van het territoriale gebied waar ze gevestigd zijn of hun diensten aanbieden, onder meer door middel van directe investeringen in inhoud en bijdragen aan nationale fondsen. De lidstaten kunnen aanbieders van audiovisuele media-op-aanvraagdiensten die zich richten tot publiek op hun grondgebied, maar elders zijn gevestigd, verplichten dergelijke financiële bijdragen te leveren. In dat geval wordt de financiële bijdrage gebaseerd op de inkomsten uit diensten op aanvraag die zijn gegenereerd in de lidstaten waarop de diensten zijn gericht. Indien de lidstaat waarin de aanbieder is gevestigd, een financiële bijdrage oplegt, houdt deze lidstaat rekening met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten van de aanbieder zijn gericht. Elke financiële bijdrage dient te voldoen aan het recht van de Unie, en in het bijzonder de staatssteunregels.

Amendement    69

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 13 – lid 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De lidstaten verlenen ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 aan aanbieders met een lage omzet of een klein publiek dan wel aan kleine en micro-ondernemingen. De lidstaten kunnen ook ontheffing van deze vereisten verlenen in gevallen waarin deze praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele media-op-aanvraagdiensten.

5.  De lidstaten verlenen ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 aan aanbieders met een lage omzet of een klein publiek dan wel aan kleine en micro-ondernemingen of onafhankelijke producenten. De lidstaten verlenen ook ontheffing van deze vereisten in gevallen waarin deze praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele media-op-aanvraagdiensten.

Amendement    70

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15 bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 19 – lid 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

15 bis)  Artikel 19, lid 1, wordt vervangen door:

1.  Televisiereclame en telewinkelprogramma's dienen duidelijk herkenbaar te zijn en te kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken dienen televisiereclame en telewinkelprogramma's met visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van het programma te worden gescheiden.

"1.  Televisiereclame en telewinkelprogramma's dienen duidelijk herkenbaar te zijn en te kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken dienen televisiereclame en telewinkelprogramma's met visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen duidelijk van andere onderdelen van het programma te worden gescheiden."

(Dit amendement is bedoeld tot wijziging van een bepaling van de bestaande wetshandeling – artikel 19, lid 1 – die in het Commissievoorstel niet ter sprake komt.)

Amendement    71

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15 ter (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 19 – lid 2

 

Bestaande tekst

Amendement

 

15 ter)  Artikel 19, lid 2, wordt vervangen door:

2.  Afzonderlijke reclame- en telewinkelspots blijven een uitzondering, behalve in uitzendingen van sportevenementen.

"2.  Afzonderlijke reclame- en telewinkelspots zijn toegestaan in het kader van sportevenementen. Behalve in het kader van sportevenementen zijn afzonderlijke reclame- en telewinkelspots toegestaan onder de in artikel 20, lid 2, vastgestelde voorwaarden."

(Dit amendement is bedoeld tot wijziging van een bepaling van de bestaande wetshandeling – artikel 19, lid 2 – die in het Commissievoorstel niet ter sprake komt.)

Amendement    72

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 16

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 20 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

16)  In artikel 20, lid 2, wordt de eerste zin vervangen door:

16)  In artikel 20 wordt lid 2 vervangen door:

Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van series, feuilletons en documentaires), cinematografische producties, en nieuwsprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 20 minuten worden onderbroken voor reclame en/of telewinkelen.

Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van series, feuilletons en documentaires), cinematografische producties, en nieuwsprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor reclame en/of telewinkelen. Uitzendingen van kinderprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor reclame, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan 30 minuten bedraagt. Uitzendingen van telewinkelen zijn verboden tijdens kinderprogramma's. Uitzendingen van religieuze erediensten mogen niet worden onderbroken voor reclame of telewinkelen.

Amendement    73

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 17

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 23 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Het dagelijkse aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tijdens de periode van 7:00 tot 23:00 uur niet meer dan 20 %.

1.  Het dagelijkse aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt niet meer dan 20 %. Het staat de lidstaten vrij om een primetimevenster vast te stellen, met een duur van niet meer dan vier opeenvolgende uren. Binnen een dergelijk primetimevenster bedraagt het aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots niet meer dan 20 %.

Amendement    74

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 17

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 23 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Lid 1 is niet van toepassing op:

2.  Lid 1 is niet van toepassing op:

a)  boodschappen van de omroeporganisatie in verband met eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten of met programma's van andere entiteiten die tot dezelfde mediagroep behoren;

a)  boodschappen ten behoeve van zelfpromotie en wederzijdse promotie van de omroeporganisatie in verband met eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten en audiovisuele mediadiensten of met programma's, producten en diensten van entiteiten die tot dezelfde omroepgroep behoren;

b)  sponsorboodschappen;

b)  sponsorboodschappen;

c)  productplaatsing.

c)  productplaatsing;

 

c bis)  boodschappen van de overheid en liefdadigheidsorganisaties;

 

c ter)  neutrale frames om een onderscheid te maken tussen redactionele inhoud en audiovisuele commerciële communicatie en tussen audiovisuele commerciële boodschappen onderling;

Amendement    75

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om:

1.  Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de aanbieders van videoplatforms passende, evenredige en doeltreffende maatregelen nemen om:

a)  minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten;

a)  alle burgers te beschermen tegen inhoud die aanzet tot het ondermijnen van de menselijke waardigheid of inhoud die aanzet tot geweld of haat jegens een persoon of een groep personen die wordt gedefinieerd op basis van nationaliteit, geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, gender, genderexpressie, genderidentiteit, seksuele gerichtheid, verblijfsstatus of gezondheid;

b)  alle burgers te beschermen tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

b)  minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling kan aantasten.

2.  Deze maatregelen bestaan naargelang van het geval uit:

2.  Deze maatregelen bestaan naargelang van het geval uit:

a)  het definiëren en in de voorwaarden van de aanbieders van de videoplatforms opnemen van de concepten van het aanzetten tot geweld of haat als bedoeld in lid 1, onder b), en van inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten overeenkomstig respectievelijk de artikelen 6 en 12;

a)  het definiëren en in de voorwaarden van de aanbieders van de videoplatforms opnemen van de concepten van het aanzetten tot geweld of haat als bedoeld in lid 1, onder a), en van inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten overeenkomstig respectievelijk artikel 6, onder a) en b), en artikel 6 bis. Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat dergelijke maatregelen die zijn gebaseerd op voorwaarden alleen mogen worden ingevoerd als gebruikers, nadat ze van dergelijke maatregelen op de hoogte zijn gebracht, op grond van nationale procedureregels de mogelijkheid hebben om hun rechten te doen gelden voor een rechtbank;

b)  het tot stand brengen en gebruiken van mechanismen waarmee gebruikers van videoplatforms de in lid 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van een videoplatform opgeslagen inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren;

b)  het tot stand brengen en gebruiken van transparante en gebruiksvriendelijke mechanismen waarmee gebruikers van videoplatforms de in lid 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van een videoplatform aangeboden inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren;

 

b bis)  het tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee de aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers van videoplatforms kunnen uitleggen welk gevolg er is gegeven aan de onder b) genoemde rapportering en markering;

c)  het tot stand brengen en gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole voor gebruikers van videoplatforms met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

c)  het tot stand brengen en gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole voor gebruikers van videoplatforms met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten; deze systemen leiden niet tot bijkomende gegevensverwerking en doen geen afbreuk doen aan artikel 8 van Verordening (EU) 2016/679;

d)  het tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in lid 1 bedoelde inhoud kunnen geven;

d)  het tot stand brengen en gebruiken van gemakkelijk te bedienensystemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in lid 1 bedoelde inhoud kunnen geven;

e)  het ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

e)  het ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht die door de eindgebruiker worden beheerd en die evenredig zijn aan de maatregelen als bedoeld in dit lid en in lid 3 met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten; de reguleringsinstanties en/of -organen stellen de nodige richtsnoeren op om ervoor te zorgen dat de genomen maatregelen stroken met de vrijheid van meningsuiting en een informatieplicht jegens de gebruikers omvatten;

f)  het tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee de aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers van videoplatforms kunnen uitleggen welk gevolg er is gegeven aan de onder b) genoemde rapportage en markeringen.

f)  het tot stand brengen en gebruiken van transparante, gemakkelijk te gebruiken en doeltreffende procedures voor behandeling en beslechting van geschillen tussen de aanbieder van videoplatforms en zijn gebruikers omtrent de uitvoering van de onder b) t/m f) genoemde maatregelen.

Wat een passende maatregel is voor de toepassing van lid 1, wordt bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de rechten en rechtmatige belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben gecreëerd en/of geüpload alsmede het publieke belang.

2 bis.  Wat een passende maatregel is voor de toepassing van lid 1, wordt bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de rechten en rechtmatige belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben geüpload alsmede het publieke belang. Passende maatregelen stroken met de vrijheid van meningsuiting en informatie en van pluralisme in de media. Voor de meest schadelijke inhoud gelden de strengste maatregelen. Deze maatregelen leiden niet tot eventuele controlemaatregelen vooraf of filtering bij het uploaden van inhoud.

3.  Voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen stimuleren de lidstaten coregulering overeenkomstig artikel 4, lid 7.

3.  Voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen stimuleren en faciliteren de lidstaten en de Commissie zelfregulering en coregulering overeenkomstig artikel 4, leden 7 en 7 bis, waarbij wordt gewaarborgd dat gedragscodes stroken met de bepalingen van deze richtlijn en dat ze de rechten, vrijheden en beginselen die zijn opgenomen in het Handvest, met name artikel 52, volledig eerbiedigen.

 

De lidstaten zien erop toe dat aanbieders van videoplatforms regelmatig audits van hun prestaties verrichten en publiceren overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen.

4.  De lidstaten stellen de nodige mechanismen vast om de geschiktheid van in de leden 2 en 3 genoemde en door de aanbieders van videoplatforms getroffen maatregelen te beoordelen. De lidstaten belasten de overeenkomstig artikel 30 aangewezen autoriteiten met deze taak.

4.  De lidstaten stellen de nodige mechanismen vast om een beoordeling te verrichten van de resultaten en doeltreffendheid van de genomen maatregelen en hierover verslag uit te brengen, rekening houdend met de wettigheid, transparantie, noodzaak, doeltreffendheid en evenredigheid ervan. De lidstaten belasten de overeenkomstig artikel 30 aangewezen autoriteiten met deze taak. De reguleringsinstanties en/of -organen stellen de nodige richtsnoeren op om ervoor te zorgen dat de genomen maatregelen stroken met de vrijheid van meningsuiting en een informatieplicht jegens de gebruikers omvatten.

5.  De lidstaten leggen aan de aanbieders van videoplatforms geen maatregelen op die strenger zijn dan de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen. De lidstaten worden er niet van weerhouden strengere maatregelen ten aanzien van illegale inhoud op te leggen. Bij de vaststelling van deze maatregelen dient te worden gewaarborgd dat deze voldoen aan de door het toepasselijke EU-wetgeving gestelde voorwaarden, zoals, indien van toepassing, de voorwaarden van de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG of artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU.

5.  Artikel 8 is van toepassing op aanbieders van videoplatforms.

 

5 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat sponsoring of audiovisuele commerciële communicatie die wordt verhandeld, verkocht of georganiseerd door aanbieders van videoplatforms strookt met de voorschriften van de artikelen 9 en 10.

 

Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat aanbieders van videoplatforms gebruikers die inhoud uploaden ertoe verplichten in een verklaring aan te geven of deze inhoud advertenties, gesponsorde inhoud of productplaatsing bevat.

 

De lidstaten verplichten aanbieders van videoplatforms ertoe ervoor te zorgen dat ontvangers van een dienst duidelijk op de hoogte worden gebracht van aangegeven of gekende inhoud die advertenties, gesponsorde inhoud of productplaatsing bevat.

6.  De lidstaten waarborgen dat klachten- en beroepsregelingen beschikbaar zijn voor de beslechting van geschillen tussen gebruikers en aanbieders van videoplatforms wat betreft de toepassing van de in de leden 1 en 2 genoemde passende maatregelen.

 

7.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van videoplatforms aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

7.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van zelfregulering en coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

8.  Aanbieders van videoplatforms of, indien van toepassing, de organisaties die deze aanbieders op dit gebied vertegenwoordigen, verstrekken ontwerpversies van EU-gedragscodes en wijzigingen van bestaande EU-gedragscodes aan de Commissie. De Commissie kan de ERGA verzoeken om advies over de ontwerpversies, wijzigingen en uitbreidingen van deze gedragscodes. De Commissie kan deze gedragscodes op passende wijze bekendmaken.

8.  Aanbieders van videoplatforms of, indien van toepassing, de organisaties die deze aanbieders op dit gebied vertegenwoordigen, verstrekken ontwerpversies van EU-gedragscodes en wijzigingen van bestaande EU-gedragscodes aan de Commissie. De Commissie kan de ERGA verzoeken om advies over de ontwerpversies, wijzigingen en uitbreidingen van deze gedragscodes. De Commissie publiceert deze gedragscodes om de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen.

Amendement    76

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 ter – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst met de op hun grondgebied gevestigde aanbieders van videoplatforms en met de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EG en in lid 1 bedoelde criteria waarop hun bevoegdheid is gebaseerd. Zij werken deze lijst op gezette tijden bij. De Commissie waarborgt dat de bevoegde onafhankelijke reguleringsinstanties toegang tot deze informatie hebben.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst met aanbieders van videoplatforms die op hun grondgebied zijn gevestigd of worden geacht daar te zijn gevestigd, in overeenstemming met de in lid 1 bedoelde criteria waarop hun bevoegdheid is gebaseerd. Zij werken deze lijst op gezette tijden bij. De Commissie waarborgt dat de bevoegde onafhankelijke reguleringsinstanties en/of -organen en het publiek gemakkelijke en daadwerkelijke toegang tot deze informatie hebben.

Amendement    77

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 ter – alinea 2 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Wanneer de betrokken lidstaten het voor de toepassing van lid 1 niet eens zijn over welke lidstaat bevoegd is, brengen zij de Commissie hiervan onverwijld op de hoogte. De Commissie kan de ERGA verzoeken hierover binnen 15 dagen na indiening van het verzoek door de Commissie een advies te verstrekken.

Motivering

Aangezien videoplatforms gewoonlijk gericht zijn op doelgroepen in de hele Unie, zouden er meningsverschillen tussen de lidstaten kunnen ontstaan bij het bepalen van de voor de toepassing van deze richtlijn bevoegde lidstaten. Daarom moet de Commissie net als voor de andere audiovisuele mediadiensten als bedoeld in artikel 3 de mogelijkheid tot handelen krijgen bij het bepalen van de bevoegde lidstaat.

Amendement    78

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19 bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

19 bis)  Het volgende artikel 28 quater wordt ingevoegd:

 

"Artikel 28 quater

 

De lidstaten zorgen ervoor dat een onder hun bevoegdheid vallende aanbieder van videoplatforms ten minste de volgende informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk maakt voor de gebruiker:

 

a)  zijn naam;

 

b)  het geografische adres waar hij gevestigd is;

 

c)  nadere gegevens, waaronder zijn e-mailadres of webadres, zodat hij snel, rechtstreeks en daadwerkelijk kan worden bereikt;

 

d)  de lidstaat onder wiens bevoegdheid hij valt, alsook de bevoegde reguleringsinstanties en/of -organen of toezichthoudende organen."

Amendement    79

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19 ter (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 29

 

Bestaande tekst

Amendement

 

19 ter)  Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

"Artikel 29

"Artikel 29

1.  Bij de Commissie is er een contactcomité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Het wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en komt op diens initiatief dan wel op verzoek van een delegatie van een lidstaat bijeen.

1.  Bij de Commissie wordt een contactcomité opgericht. Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde instanties of organen van de lidstaten en vier leden van het Europees Parlement als waarnemers, die voor een periode van drie jaar worden benoemd. Het wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en komt op diens initiatief dan wel op verzoek van een delegatie van een lidstaat bijeen. Genderpariteit in de samenstelling van het contactcomité wordt aangemoedigd.

2.  De taken van het contactcomité zijn:

2.  De taken van het contactcomité zijn:

a)  bijdragen tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze richtlijn via geregeld overleg over alle praktische toepassingsproblemen, inzonderheid met betrekking tot artikel 2, en andere kwesties waarvoor een gedachtewisseling dienstig wordt geacht;

a)  bijdragen tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze richtlijn via geregeld overleg over alle praktische toepassingsproblemen, inzonderheid met betrekking tot artikel 2, en andere kwesties waarvoor een gedachtewisseling dienstig wordt geacht;

b)  op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie advies uitbrengen over de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten;

b)  op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie advies uitbrengen over de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten;

c)  een forum bieden voor een gedachtewisseling over de punten die zullen worden opgenomen in de verslagen welke de lidstaten krachtens artikel 16, lid 3, moeten indienen en over de gang van zaken;

c)  een forum bieden voor een gedachtewisseling over de punten die zullen worden opgenomen in de verslagen welke de lidstaten krachtens artikel 16, lid 3, moeten indienen en over de gang van zaken;

d)  het resultaat bespreken van het geregelde overleg dat de Commissie voert met vertegenwoordigers van omroeporganisaties, producenten, consumenten, fabrikanten, dienstverrichters, vakbonden en de creatieve milieus;

d)  het resultaat bespreken van het geregelde overleg dat de Commissie voert met vertegenwoordigers van omroeporganisaties, producenten, consumenten, fabrikanten, dienstverrichters, vakbonden en de creatieve milieus;

e)  de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over de toestand en de ontwikkeling van de regelgevende werkzaamheden betreffende audiovisuele mediadiensten bevorderen, rekening houdend met het audiovisueel beleid van de Unie, en met relevante ontwikkelingen op technisch gebied;

e)  de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over de toestand en de ontwikkeling van de regelgevende werkzaamheden betreffende audiovisuele mediadiensten bevorderen, rekening houdend met het audiovisueel beleid van de Unie, en met relevante ontwikkelingen op technisch gebied;

f)  zich beraden over sectoriële ontwikkelingen waarover een gedachtewisseling nuttig lijkt."

f)  zich beraden en de Commissie adviezen verstrekken over sectoriële ontwikkelingen waarover een gedachtewisseling nuttig lijkt."

(Dit amendement is bedoeld tot wijziging van een bepaling van de bestaande wetshandeling – artikel 29 – die in het Commissievoorstel niet ter sprake komt.)

Amendement    80

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 21

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 30

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

"Artikel 30

"Artikel 30

1.  Elke lidstaat wijst een of meerder onafhankelijke nationale reguleringsinstanties aan. De lidstaten zorgen ervoor dat deze juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van alle andere openbare of particuliere organen. Dit laat onverlet dat de lidstaten reguleringsinstanties kunnen oprichten die toezicht houden op meerdere sectoren.

1.  Elke lidstaat wijst een of meer onafhankelijke nationale reguleringsinstanties en/of -organen aan. De lidstaten zorgen ervoor dat deze functioneel en daadwerkelijk onafhankelijk zijn van hun respectieve regeringen en van alle andere openbare of particuliere organen. Dit laat onverlet dat de lidstaten reguleringsinstanties kunnen oprichten die toezicht houden op meerdere sectoren.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale reguleringsinstanties hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze uitoefenen, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn, met name wat betreft pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de interne markt en de bevordering van eerlijke concurrentie.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale reguleringsinstanties en/of -organen hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze uitoefenen, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn, met name wat betreft pluralisme van de media, culturele en taalkundige diversiteit, consumentenbescherming, toegankelijkheid, non-discriminatie, de interne markt en de bevordering van eerlijke concurrentie. De lidstaten waarborgen dat nationale reguleringsinstanties en/of -organen geen beïnvloeding vooraf uitoefenen op redactionele besluiten, redactionele keuzen of opmaak. Hun taken zijn beperkt tot toezicht op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, de toepassing van nationale wetgeving en de vervulling van statutaire verplichtingen.

De nationale reguleringsinstanties vragen of aanvaarden geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het rechte van de Unie zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet.

De nationale reguleringsinstanties of -organen vragen of aanvaarden geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het rechte van de Unie zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet.

3.  De bevoegdheden van de onafhankelijke reguleringsinstanties alsmede de wijze waarop deze verantwoording afleggen, worden duidelijk bij wet omschreven.

3.  De bevoegdheden van de onafhankelijke reguleringsinstanties en/of -organen alsmede de wijze waarop deze verantwoording afleggen, worden duidelijk bij wet omschreven.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale reguleringsinstanties over adequate handhavingsbevoegdheden beschikken om hun functies op doeltreffende wijze uit te voeren.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale reguleringsinstanties en/of -organen over adequate handhavingsbevoegdheden beschikken om hun functies op doeltreffende wijze uit te voeren.

 

4 bis.  De lidstaten zien erop toe dat nationale reguleringsinstanties en/of -organen één enkel publiekelijk toegankelijk contactpunt aanwijzen voor informatie en klachten over de in artikel 7 genoemde toegankelijkheidsaspecten.

5.  Ontslag van het hoofd van een nationale reguleringsinstantie of de leden van het collegiale orgaan dat deze functie binnen een nationale reguleringsinstantie uitvoert, is uitsluitend mogelijk indien zij niet meer voldoen aan de voorwaarden voor de uitoefening van hun taken die vooraf in de nationale wetgeving zijn vastgesteld. Een besluit tot ontslag wordt openbaar gemaakt en er wordt een motivering beschikbaar gesteld.

5.  De lidstaten stellen nationale wetgeving vast om de voorwaarden en procedures te bepalen voor de benoeming en het ontslag van het hoofd van een nationale reguleringsinstantie en/of -orgaan of de leden van het collegiale orgaan dat deze functie uitvoert, met inbegrip van de duur van het mandaat. Wijzigingen vóór het einde van het mandaat worden naar behoren gemotiveerd, worden vooraf bekendgemaakt en zijn beschikbaar voor het publiek. De procedures zijn transparant en niet-discriminerend en waarborgen de vereiste graad van onafhankelijkheid.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat de onafhankelijke nationale reguleringsinstanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen beschikken. Deze begrotingen worden openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen er verder voor dat de nationale reguleringsinstanties over adequate financiële middelen en personele middelen beschikken om de taak te kunnen uitvoeren waarmee zij zijn belast alsmede om in staat te zijn tot actieve deelname en bijdragen aan de ERGA.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat de onafhankelijke nationale reguleringsinstanties en/of -organen over afzonderlijke jaarlijkse begrotingstoewijzingen beschikken om de taak te kunnen uitvoeren waarmee zij zijn belast alsmede om in staat te zijn tot actieve deelname en bijdragen aan de ERGA. Deze begrotingen worden openbaar gemaakt.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of aanbieder van een videoplatform, die door een besluit van een nationale reguleringsinstantie is getroffen, het recht heeft om bij een beroepsorgaan beroep in te stellen tegen dat besluit. Het beroepsorgaan is onafhankelijk van de bij het beroep betrokken partijen.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere ontvanger van een dienst wiens rechten rechtstreeks worden aangetast door audiovisuele inhoud, of aanbieder van audiovisuele mediadiensten of een videoplatform die door een besluit van een nationale reguleringsinstantie en/of -orgaan is getroffen, het recht heeft om bij een beroepsorgaan beroep in te stellen tegen dat besluit. Het beroepsorgaan is onafhankelijk van de bij het beroep betrokken partijen.

Dit beroepsorgaan, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om zijn taken op doeltreffende wijze te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffende regeling voor het instellen van beroep aanwezig is.

Dit beroepsorgaan, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om zijn taken op doeltreffende wijze te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffende regeling voor het instellen van beroep aanwezig is.

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt het besluit van de nationale reguleringsinstantie gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend."

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt het besluit van de nationale reguleringsinstantie gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend."

Amendement    81

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 22

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 30 bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

"Artikel 30 bis

"Artikel 30 bis

1.  De Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) wordt ingesteld.

1.  De Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) wordt ingesteld.

2.  De groep wordt samengesteld uit de onafhankelijke nationale reguleringsinstanties op het gebied van audiovisuele mediadiensten. Zij worden vertegenwoordigd door de personen die aan het hoofd ervan staan of door aangewezen vertegenwoordigers op hoog niveau van de nationale reguleringsinstantie die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het toezicht op audiovisuele mediadiensten, of, in gevallen waarin er geen nationale reguleringsinstantie is, door andere vertegenwoordigers die volgens hun procedures zijn gekozen. Een vertegenwoordiger van de Commissie neemt deel aan de bijeenkomsten van de groep.

2.  De groep wordt samengesteld uit de onafhankelijke nationale reguleringsinstanties en/of -organen, waarvan eventueel regionale onafhankelijke reguleringsinstanties en -organen met een volledige bevoegdheid op het gebied van audiovisuele mediadiensten deel uitmaken. Zij worden vertegenwoordigd door de personen die aan het hoofd ervan staan of door aangewezen vertegenwoordigers op hoog niveau van de nationale reguleringsinstantie die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het toezicht op audiovisuele mediadiensten, of, in gevallen waarin er geen nationale reguleringsinstantie en/of -orgaan is, door andere vertegenwoordigers die volgens hun procedures zijn gekozen. Een vertegenwoordiger van de Commissie neemt deel aan de bijeenkomsten van de groep.

3.  De ERGA heeft de volgende taken:

3.  De ERGA heeft de volgende taken:

a)  de Commissie voorzien van advies en ondersteuning bij haar werkzaamheden ter waarborging van een samenhangende tenuitvoerlegging van het regelgevingskader voor audiovisuele mediadiensten in alle lidstaten;

a)  de Commissie op verzoek voorzien van advies en ondersteuning bij haar taak ter waarborging van een samenhangende tenuitvoerlegging van deze richtlijn in alle lidstaten;

b)  de Commissie voorzien van advies en ondersteuning betreffende alle zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten waarvoor de Commissie bevoegd is. Als het gerechtvaardigd is, kan de groep, teneinde advies over bepaalde zaken aan de Commissie te geven, marktdeelnemers, consumenten en eindgebruikers raadplegen om de nodige informatie te verzamelen;

b)  de Commissie op verzoek voorzien van advies en ondersteuning betreffende zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten waarvoor ze bevoegd is;

c)  voorzien in de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken betreffende de toepassing van het regelgevingskader voor audiovisuele mediadiensten;

c)  voorzien in de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken betreffende de toepassing van het regelgevingskader voor audiovisuele mediadiensten;

d)  met de leden ervan samenwerken en deze voorzien van de informatie die noodzakelijk is voor de toepassing van de richtlijn, en met name van de artikelen 3 en 4 van de richtlijn;

d)  met de leden ervan en met het contactcomité samenwerken en deze voorzien van de informatie die noodzakelijk is voor de toepassing van de richtlijn, en met name van de artikelen 3, 4 en 7 van de richtlijn;

e)  indien de Commissie daarom verzoekt, adviezen verstrekken over het bepaalde in artikel 2, lid 5 ter, artikel 6 bis, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 9, lid 4, en over alle zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten, met name wat betreft de bescherming van minderjarigen en het aanzetten tot haat.

e)  indien de Commissie daarom verzoekt, adviezen verstrekken over het bepaalde in artikel 2, lid 5 ter, artikel 6 bis, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 9, lid 4, en over alle zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten, met name wat betreft de bescherming van minderjarigen en het aanzetten tot haat.

4.  De Commissie wordt gemachtigd het reglement van de ERGA door middel van een uitvoeringshandeling vast te stellen."

4.  De Commissie wordt gemachtigd het reglement van de ERGA door middel van een uitvoeringshandeling vast te stellen.

 

4 bis.  Om zijn taken te kunnen uitvoeren, beschikt de ERGA over passende financiële en personele middelen. Reguleringsinstanties en/of -organen nemen actief deel en leveren bijdragen aan de ERGA."

Amendement    82

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 23

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 33 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Uiterlijk op [datum – uiterlijk vier jaar na vaststelling] en daarna om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn.

Uiterlijk op [datum – uiterlijk drie jaar na vaststelling] en daarna om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn en komt, indien nodig, met bijkomende voorstellen om de richtlijn aan te passen aan ontwikkelingen op het gebied van audiovisuele mediadiensten, met name in het licht van recente technologische ontwikkelingen en het concurrentievermogen van de sector, alsmede een door de lidstaten ondersteund verslag over praktijken, beleid en begeleidende maatregelen op het gebied van mediageletterdheid.

(1)

PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0 .

(2)

PB C 0 van 0.0.0000, blz. 0 .


TOELICHTING

Op 25 mei 2016 heeft de Commissie haar voorstel gepubliceerd tot wijziging van de zogenaamde AVMS-richtlijn.

In de vorige zittingsperiode heeft het Europees Parlement, en met name de commissie CULT, die over een exclusieve bevoegdheid ter zake beschikt, herhaaldelijk opgeroepen tot een dergelijke herziening gezien de snelle ontwikkelingen van de technologie en de markt, de opkomst van nieuwe aanbieders van diensten, alsook wijzigingen in het consumentengedrag, waardoor de lijnen tussen traditionele diensten en diensten op aanvraag vervaagd zijn.

In zijn resolutie van 19 januari 2016 getiteld "Naar een akte voor een digitale interne markt", die van 12 maart 2014 over de voorbereiding op een volledig geconvergeerde audiovisuele wereld, die van 4 juli 2013 over connected tv en die van 22 mei 2013 over de tenuitvoerlegging van de AVMS-richtlijn heeft het Europees Parlement er bij de Commissie op aangedrongen de richtlijn bij te werken, met duidelijke voorbereidende aanwijzingen voor een dergelijke herziening.

Daarom zijn de rapporteurs verheugd over het initiatief van de Commissie om met dit voorstel voor herziening te komen in deze kritieke fase voor de audiovisuele diensten.

De belangrijkste punten waarop de rapporteurs wensen in te gaan zijn de volgende:

I. Mediaconvergentie: onderlinge afstemming van de bepalingen voor lineaire en niet-lineaire diensten, artikel -2 t/m -2 septies

De herziening van de richtlijn is erop gericht de huidige regels aan te passen aan de toenemende convergentie van mediamarkten en -technologieën in Europa. Het toepassingsgebied van de richtlijn wordt uitgebreid, zodat niet alleen traditionele omroepactiviteiten en diensten op aanvraag, maar ook videoplatformdiensten en door gebruikers gegenereerde video's onder de richtlijn vallen.

Om de bepalingen voor deze diensten op elkaar af te stemmen en echt gelijke voorwaarden te creëren, heeft hoofdstuk I een nieuwe structuur gekregen met als doel gemeenschappelijke regels vast te stellen voor audiovisuele mediadiensten, videoplatforms en door gebruikers gegenereerde video's. Deze bepalingen uit hoofdstuk I zijn op gelijke wijze van toepassing op alle diensten die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen. Hiervoor zijn zeven nieuwe artikelen (amendement 32 t/m amendement 38) ingevoerd waarin verscheidene artikelen uit de huidige richtlijn en uit het voorstel worden samengevoegd met betrekking tot de volgende onderwerpen:

-  aanzetten tot geweld of haat, discriminatie (artikel -2),

-  bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud (artikel -2 bis),

-  audiovisuele commerciële communicatie, sponsoring (artikel -2 ter) en productplaatsing (artikel -2 quater),

-  bescherming van cinematografische werken (artikel -2 quinquies),

-  recht op informatie voor ontvangers van een dienst (artikel -2 sexies),

-  co- en zelfregulering en gedragscodes (artikel -2 septies).

Deze wijzigingen in de structuur van de richtlijn zijn essentieel om lineaire en niet-lineaire diensten in grotere mate op elkaar af te stemmen. Op die manier krijgt de realiteit van de huidige mediaconvergentie een weerklank in de richtlijn, en worden tegelijkertijd eerlijke regels voor concurrentie op de mediamarkten vastgesteld. Met het gegeven van een drastisch veranderd consumentengedrag en een sterk gewijzigde consumptie van inhoud, en om enerzijds te waarborgen dat de consumentenbescherming van een hoog niveau is en anderzijds echt gelijke voorwaarden te garanderen, moeten dezelfde minimumeisen tot stand worden gebracht voor alle audiovisuele diensten, dus zowel voor audiovisuele mediadiensten als voor, al dan niet gesponsorde, door gebruikers gegenereerde video's.

II. Bescherming van minderjarigen

De rapporteurs wensen een hoog beschermingsniveau voor minderjarigen in stand te houden door een trapsgewijs beschermingsniveau te handhaven volgens de ernst van de mogelijke beschadiging, zoals bedoeld in artikel -2, lid 1, onder b), en lid 2 (amendement 32).

De rapporteurs wensen te benadrukken dat er technische methoden voorhanden zijn om video's met schadelijke inhoud op te sporen en deze te verwijderen. Dergelijke instrumenten mogen echter niet leiden tot een beknotting van de vrijheden van communicatie. Daarom wordt het beginsel van kennisgeving en verwijdering, zoals bedoeld in artikel 14 en artikel 15 van Richtlijn 2000/31/EG ("richtlijn inzake elektronische handel") toegepast.

III. Gedragscodes op basis van co- en zelfregulering

De rapporteurs zijn geen voorstander van het voorstel van de Commissie voor een volledige harmonisering in de vorm van co- en zelfregulering voor videoplatformdiensten. Aangezien de richtlijn is bedoeld om nationaal beleid enkel te coördineren, wordt er een minimaal niveau van harmonisering gecreëerd dat de lidstaten de ruimte laat strengere regels vast te stellen.

Om voor samenhang te zorgen, wordt de vaststelling van gedragscodes op basis van co- en zelfregulering in artikel -2 septies (amendement 38) gestroomlijnd. Wanneer een lidstaat kan aantonen dat een gedragscode niet doeltreffend is, staat het die lidstaat vrij inzake de betrokken materie wetgeving vast te stellen.

IV. Kwantitatieve voorschriften voor reclame, commerciële communicatie en productplaatsing

Wat betreft kwantitatieve voorschriften voor reclame is er behoefte aan grotere flexibiliteit.

Hoewel de bepaling betreffende tijdsbeperkingen voor spots flexibeler moet worden, blijft het ook noodzakelijk een voldoende hoog niveau van consumentenbescherming in stand te houden. Door de voorgestelde dagelijkse beperking van 20 % kunnen de kijkers in primetime worden blootgesteld aan een buitensporige hoeveelheid reclame. Daarom stellen de rapporteurs in artikel 23, lid 1, (amendement 77) voor om tussen 20:00 en 23:00 uur strengere limieten toe te passen, met een beperking van 20 % in deze tijdsspanne.

Bovendien moet de bepaling inzake overmatige aandacht voor productplaatsing worden behouden in het nieuwe artikel -2 quater van de richtlijn (amendement 35).

Voor commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken, tabaksproducten en geneesmiddelen moet er een beperking blijven gelden.

Over beperkingen voor commerciële communicatie met betrekking tot voeding moet overeenstemming worden bereikt in gedragscodes, met het oog op een hoger beschermingsniveau.

V. Bevordering van Europese audiovisuele producties

De rapporteurs waarderen het voorstel van de Commissie om meer in te zetten op de bevordering van Europese audiovisuele producties. Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen de productie en distributie van Europese producties te bevorderen, door ervoor te zorgen dat hun catalogi een minimumaandeel van 30 % aan Europese producties bevatten en dat daaraan de nodige aandacht wordt besteed (amendement 75).

Ook stellen de rapporteurs in overweging 21 voor (amendement 16) om de lidstaten ervoor te doen zorgen dat onder hun bevoegdheid vallende houders van rechten hun audiovisuele inhoud die onder de noemer Europese productie valt als zodanig aanmerken in de metagegevens en aanbieders van diensten toegang geven tot deze inhoud, zodat deze makkelijk kunnen zien wanneer er sprake is van een Europese productie.

VI. Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA)

De rapporteurs tonen waardering voor de bijdrage van de ERGA als informatief en raadgevend orgaan. Ze zijn echter van mening dat de groep met het oog op de vrijwaring van de prerogatieven van de lidstaten geen beslissingsrecht mag worden toegekend. In plaats daarvan moeten meer bevoegdheden worden toegekend aan het contactcomité, dat is opgericht uit hoofde van artikel 29 van de huidige richtlijn (amendement 82).

Het contactcomité moet als enige bevoegd zijn om besluiten te nemen, onder meer met betrekking tot door de ERGA opgestelde adviezen. In dit verband worden artikel -2 septies, artikel 2, lid 5, artikel 3, lid 4, artikel 4, lid 1, en artikel 4, lid 3, (amendementen 38, 42, 51, 54, 55, 56 en 57) dienovereenkomstig gewijzigd.

VII. Toegankelijkheid

De rapporteurs stellen voor dat bepalingen met betrekking tot toegankelijkheid behouden blijven in de tekst van de richtlijn. Artikel 7 van de bestaande richtlijn wordt gewijzigd: aanbieders van mediadiensten krijgen de verplichting een grotere inspanning te leveren met betrekking tot de toegankelijkheid van diensten voor personen met een visuele of auditieve handicap. Een dergelijke toegankelijkheid moet uiterlijk einde 2027 bereikt zijn. In de voorgestelde formulering (amendement 67) wordt rekening gehouden met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en tegelijkertijd de nodige speelruimte gelaten wat betreft de manier waarop deze doelstelling moet worden bereikt.

VIII. Overige punten

– Programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijkt

De rapporteurs zijn van mening dat het dit begrip zoals voorgesteld in het Commissievoorstel ontbreekt aan duidelijkheid en juridische deugdelijkheid, aangezien programma's die oorspronkelijk niet op kinderen zijn gericht, zoals sportevenementen en zangwedstrijden op tv, in deze categorie kunnen vallen.

De rapporteurs stellen voor de huidige terminologie "kinderen als doelgroep" en "kinderprogramma's" aan te houden in overweging 16 (amendement 12), alsook in artikel -2 quater, artikel 10 en artikel 33, lid 2 (amendementen 35, 72 en 94).

– Passende aandacht voor audiovisuele mediadiensten van algemeen belang (artikel 9 bis)

Om pluralisme van de media en diversiteit te handhaven, krijgen de lidstaten het recht maatregelen te treffen ter waarborging van de passende aandacht voor audiovisuele mediadiensten van algemeen belang (amendement 70).

– Bescherming van de signaalintegriteit van aanbieders van mediadiensten (overweging 13 bis)

Het is van het allergrootste belang aanbieders van mediadiensten te verzekeren van signaalintegriteit. Met uitzondering van de ontvangers van een dienst mogen derden geen wijzigingen aanbrengen aan programma's en diensten zonder de toestemming van de aanbieder van de mediadienst in kwestie (amendement 10).


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (1.2.2017)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie

(COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD))

Rapporteur voor advies: Herbert Dorfmann

BEKNOPTE MOTIVERING

Op 25 mei 2016 heeft de Europese Commissie haar voorstel gepubliceerd voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie.

Met het voorstel wordt beoogd aan te sluiten bij de veranderingen op het vlak van technologie en consumptie in het landschap van de audiovisuele media, die het gevolg zijn van de steeds toenemende convergentie van televisie en via internet gedistribueerde diensten. De positie van traditionele omroepen in de EU blijft sterk wat betreft de kijkdichtheid, de reclame-inkomsten en de investeringen in inhoud (ongeveer 30 % van de inkomsten). De omroepen breiden hun onlineactiviteiten echter uit en nieuwe spelers die audiovisuele inhoud via internet aanbieden (bijvoorbeeld aanbieders van video-op-aanvraag en videoplatforms), worden sterker en gaan de concurrentie om hetzelfde publiek aan. Voor televisieomroepdiensten, video-op-aanvraag en door gebruikers gegenereerde inhoud gelden evenwel verschillende voorschriften en uiteenlopende niveaus van consumentenbescherming.

De algemene doelstellingen van het voorstel zijn: 1) verbetering van de bescherming van minderjarigen en consumenten in het algemeen met behulp van, voor zover mogelijk, geharmoniseerde Europese audiovisuele normen, 2) zekerstelling van een gelijk speelveld voor traditionele omroepen, audiovisuele mediadiensten-op-aanvraag en videoplatforms en 3) vereenvoudiging van het wettelijk kader, met name ten aanzien van commerciële communicatie.

De rapporteur is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een voorstel in te dienen betreffende een herziening van het huidige wettelijk kader voor alle audiovisuele dienstverleners.

Ten aanzien van het wettelijk kader is de rapporteur van mening dat het cruciaal is om de rol van gedragscodes voor regelgevende instanties te versterken en verzoekt hij om meer harmonisatie van de nationale gedragscodes, alsook de ontwikkeling van gedragscodes op Unieniveau.

Hij benadrukt voorts de noodzaak om een evenwicht te vinden tussen het waarborgen van de vrijheid van informatie en de bescherming van kijkers, met name kwetsbare kijkers. Dit geldt vooral voor audiovisuele commerciële communicatie met betrekking tot voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten, of alcoholische dranken. De bescherming van de kijkers, met name kinderen, moet op een doeltreffende manier worden verbeterd, met name door het gebruik van uniforme normen en terminologie in het voorstel. De beperking van ongepaste commerciële communicatie gericht op minderjarigen en kinderen, alsmede het verbod van productplaatsing, moeten betrekking hebben op alle kinderprogramma's en alle inhoud met kinderen als doelgroep, in plaats van op programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijkt.

Videoplatforms en sociale media nemen in hun aanbod in toenemende mate audiovisueel materiaal op. Deze diensten vallen dikwijls buiten het toepassingsgebied van de richtlijn audiovisuele mediadiensten aangezien de aanbieders geen controle uitoefenen over de keuze en organisatie van inhoud en hun voornaamste doelstelling niet bestaat uit het aanbieden van audiovisuele inhoud. De rapporteur is van oordeel dat videoplatforms, die momenteel vallen onder een minder zware regeling uit hoofde van de richtlijn e-handel, over een verplicht toezichtsmechanisme moeten beschikken om ervoor te zorgen dat geen illegale of schadelijke inhoud wordt opgeslagen. Alle bepalingen die gericht zijn op de verhoging van de bescherming van kwetsbare kijkers moeten een passend toezichts- en handhavingsmechanisme bevatten.

AMENDEMENTEN

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement  1

Voorstel voor een richtlijn

Visum 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

–  Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1, en artikel 62,

–  Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1, en artikelen 62 en 168,

Amendement  2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden.

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag, van sociale netwerken en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden.

_________________

_________________

27Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

27 Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

Amendement  3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing blijven op diensten met als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie. Er moet ook van worden uitgegaan dat aan de vereiste inzake het hoofddoel is voldaan als de dienst een audiovisuele inhoud of vorm heeft die los kan staan van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten, zoals op zichzelf staande delen van onlinekranten waarvan audiovisuele programma's of door gebruikers gegenereerde video's deel uitmaken, wanneer die delen als losstaand van de hoofdactiviteit kunnen worden beschouwd. Socialemediadiensten vallen hier niet onder, behalve als deze een dienst leveren die onder de definitie van een videoplatform valt. Een dienst moet alleen als losstaand van de hoofdactiviteit worden beschouwd als gevolg van de verbindingen tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden in het kader van een videoplatform waarvoor geen redactionele verantwoordelijkheid geldt. In dergelijke gevallen moeten aanbieders die redactionele verantwoordelijkheid dragen, de bepalingen van deze richtlijn naleven.

(3)  Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing blijven op diensten met als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie. Er moet ook van worden uitgegaan dat aan de vereiste inzake het hoofddoel is voldaan als de dienst een audiovisuele inhoud of vorm heeft die los kan staan van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten, zoals op zichzelf staande delen van onlinekranten waarvan audiovisuele programma's of door gebruikers gegenereerde video's deel uitmaken, wanneer die delen als losstaand van de hoofdactiviteit kunnen worden beschouwd. Aangezien sociale netwerken voor de consumenten een belangrijk toegangskanaal tot informatie vormen en deze steeds meer gebaseerd zijn op audiovisuele inhoud die door de gebruikers ervan wordt gegenereerd of ter beschikking gesteld, moeten de sociale netwerken worden opgenomen in het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/13/EU wanneer ze onder de definitie van een videoplatform vallen. Een dienst moet alleen als losstaand van de hoofdactiviteit worden beschouwd als gevolg van de verbindingen tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden in het kader van een videoplatform waarvoor geen redactionele verantwoordelijkheid geldt. In dergelijke gevallen moeten aanbieders die redactionele verantwoordelijkheid dragen, de bepalingen van deze richtlijn naleven.

Amendement  4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda"31 heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zal kijken naar zowel regelgevende maatregelen als goed doordachte niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering32. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld betreffende onder de richtlijn vallende gebieden, is gebleken dat deze overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering goed doordacht zijn. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied wordt beschouwd als sleutel van het succes bij de bevordering van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. Van even groot belang is dat deze gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, transparante en onafhankelijke controle en evaluatie van de doelstellingen mogelijk is. Stapsgewijze sancties, waarbij rekening wordt gehouden met de evenredigheid, worden doorgaans beschouwd als doeltreffende benadering ten aanzien van de handhaving van een regeling. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op volgens deze richtlijn gecoördineerde gebieden.

(7)  In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda"31 heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zal kijken naar zowel regelgevende maatregelen als goed doordachte niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering32. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld betreffende onder de richtlijn vallende gebieden, is gebleken dat deze goed doordacht zijn overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering, die als nuttig aanvullend en complementair instrument kunnen dienen om wetgevende maatregelen te nemen. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied wordt beschouwd als sleutel van het succes bij de bevordering van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. Van even groot belang is dat deze gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, transparante en onafhankelijke controle en evaluatie van de doelstellingen mogelijk is. Stapsgewijze sancties, waarbij rekening wordt gehouden met de evenredigheid, worden doorgaans beschouwd als doeltreffende benadering ten aanzien van de handhaving van een regeling. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op volgens deze richtlijn gecoördineerde gebieden.

_________________

_________________

31 COM(2015) 215 final.

31 COM(2015) 215 final.

32 https://ec.europa.eu/digital-single-market/communities/better-self-and-co-regulation

32 https://ec.europa.eu/digital-single-market/communities/better-self-and-co-regulation

Amendement  5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Om de kijkers, waaronder ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van audiovisuele mediadiensten voldoende informatie verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daarvoor kan bijvoorbeeld een systeem van inhoudsbeschrijvingen worden toegepast waarmee de aard van de inhoud wordt aangegeven. Inhoudsbeschrijvingen kunnen op schriftelijke, grafische of akoestische wijze worden weergegeven.

(9)  Om de kijkers, met name ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van audiovisuele mediadiensten en de aanbieders van videoplatforms alle nodige informatie verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daarvoor kan bijvoorbeeld een systeem van inhoudsbeschrijvingen worden toegepast waarmee de aard van de inhoud wordt aangegeven. Inhoudsbeschrijvingen kunnen op schriftelijke, grafische of akoestische wijze worden weergegeven.

Amendement  6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)  Het recht van personen met een beperking en ouderen om te participeren en te integreren in het maatschappelijke en culturele leven hangt samen met de beschikbaarheid van toegankelijke audiovisuele mediadiensten. De lidstaten dienen dan ook passende en evenredige maatregelen te nemen om te verzekeren dat aanbieders van mediadiensten in hun rechtsgebied er actief naar streven om inhoud zo snel mogelijk toegankelijk te maken voor personen met een visuele of auditieve handicap.

Amendement  7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 ter)  Bestaande bepalingen over de verbetering van toegang tot mediadiensten voor personen met een visuele of auditieve beperking moeten worden versterkt om vooruitgang en continuïteit in de inspanningen van lidstaten en aanbieders van mediadiensten te verzekeren.

Amendement  8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Op nationaal en internationaal niveau bestaan bepaalde erkende voedingsrichtsnoeren, zoals het model voor voedingsprofielen van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarmee een onderscheid wordt gemaakt tussen voedingsmiddelen op basis van de nutritionele samenstelling in de context van voor kinderen bestemde televisiereclame voor voedingsmiddelen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter verlaging van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan deze nationale of internationale nutritionele richtsnoeren.

(10)  Op nationaal en internationaal niveau bestaan bepaalde erkende voedingsrichtsnoeren waarmee een onderscheid wordt gemaakt tussen voedingsmiddelen op basis van de nutritionele samenstelling in de context van voor kinderen bestemde televisiereclame voor voedingsmiddelen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering, zoals het EU-toezeggingsinitiatief en andere initiatieven die zijn ontwikkeld in het kader van het actieplatform op het gebied van voeding, lichaamsbeweging en gezondheid van de Commissie, op doeltreffende wijze worden gebruikt ter verlaging van de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan deze nationale of internationale nutritionele richtsnoeren.

Amendement  9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis)  De lidstaten dienen eveneens te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter verlaging van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie ter promotie van kansspelen. Op EU- en nationaal niveau bestaan bepaalde systemen op basis van coregulering of zelfregulering die zijn gericht op het promoten van verantwoorde kansspelen, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende kansspelen vergezeld gaat van boodschappen met betrekking tot verantwoord gokken.

Amendement  10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  De lidstaten dienen eveneens te worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter beperking van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Op EU- en nationaal niveau bestaan bepaalde systemen op basis van coregulering of zelfregulering die zijn gericht op de verantwoorde marketing van alcoholische dranken, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholhoudende dranken vergezeld gaan van boodschappen met betrekking op verantwoord drinken.

(11)  De lidstaten dienen eveneens te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter beperking van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Op EU- en nationaal niveau bestaan bepaalde systemen op basis van coregulering of zelfregulering die zijn gericht op de verantwoorde marketing van alcoholische dranken, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholhoudende dranken vergezeld gaan van boodschappen met betrekking op verantwoord drinken.

Amendement  11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  Teneinde belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering, met name gericht op de bescherming van consumenten of de volksgezondheid, worden gewaarborgd. Indien de handhaving van en het toezicht op gedragscodes op EU-niveau goed worden uitgevoerd, kunnen deze een geschikt middel zijn om een meer samenhangende en doeltreffende aanpak te waarborgen.

(12)  Teneinde belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering, met name gericht op de bescherming van consumenten of de volksgezondheid, worden gewaarborgd. Indien de handhaving van en het toezicht op gedragscodes op EU-niveau goed worden uitgevoerd moeten deze een meer samenhangende en doeltreffende aanpak waarborgen.

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)  De lidstaten moeten een kader vaststellen voor de tijdstippen die worden aangemerkt als "primetime". Een dergelijk kader moet worden gebruikt bij de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn betreffende de bescherming van minderjarigen.

Amendement  13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  De markt voor televisieomroepdiensten heeft een ontwikkeling doorgemaakt en er is behoefte aan meer flexibiliteit met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie, met name wat betreft kwantitatieve voorschriften voor lineaire audiovisuele mediadiensten, productplaatsing en sponsoring. De opkomst van nieuwe diensten, waaronder diensten zonder reclame, heeft ertoe geleid dat de kijkers meer keuze hebben en gemakkelijker op alternatieve aanbiedingen kunnen overstappen.

Schrappen

Amendement  14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken, moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

(16)  Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's, noch in inhoud met kinderen als doelgroep. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in programma's en inhoud met kinderen als doelgroep moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

Amendement  15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(26)  Er doen zich nieuwe uitdagingen voor, met name in verband met videoplatforms waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. In deze context geven schadelijke inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms zijn opgeslagen, steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Teneinde minderjarigen te beschermen tegen schadelijke inhoud en alle burgers tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld of haat, moeten evenredige voorschriften betreffende deze kwesties worden vastgesteld.

(26)  Er doen zich nieuwe uitdagingen voor, met name in verband met videoplatforms en sociale netwerken waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. In deze context geven schadelijke inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms zijn opgeslagen, steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Teneinde minderjarigen te beschermen tegen schadelijke inhoud en alle burgers tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld, haat of terrorisme, moeten doeltreffende voorschriften en toezichtsmechanismen betreffende deze kwesties worden vastgesteld.

Amendement  16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28)  Een belangrijk deel van de op videoplatforms opgeslagen inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van videoplatforms. Gewoonlijk bepalen deze aanbieders echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's of door gebruikers gegenereerde video's, onder meer met automatische middelen of algoritmen. Dergelijke aanbieders dienen daarom ertoe verplicht te worden passende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten, en alle burgers te beschermen tegen aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of leden van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

(28)  Een belangrijk deel van de op videoplatforms of in sociale netwerken opgeslagen inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van videoplatforms. Gewoonlijk bepalen deze aanbieders echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's of door gebruikers gegenereerde video's, onder meer met automatische middelen of algoritmen. Dergelijke aanbieders zijn daarom verplicht doeltreffende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten, en alle burgers te beschermen tegen aanzetten tot terrorisme of aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of leden van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

Amendement  17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 31

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(31)  Wanneer overeenkomstig deze richtlijn passende maatregelen worden getroffen ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van alle burgers tegen aanzetten tot geweld of haat, dient terdege rekening te worden gehouden met de toepasselijke grondrechten die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met name dient al naargelang van het geval rekening te worden gehouden met het recht op eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven en op de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en op informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het verbod op discriminatie en de rechten van het kind

(31)  Wanneer overeenkomstig deze richtlijn passende maatregelen worden getroffen ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van alle burgers tegen aanzetten tot terrorisme, geweld of haat, dient terdege rekening te worden gehouden met de toepasselijke grondrechten die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de toepasselijke fundamentele beginselen door alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten in aanmerking worden genomen. Met name dient al naargelang van het geval rekening te worden gehouden met het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en op de bescherming van persoonsgegevens, het recht op privé-eigendom, de vrijheid van meningsuiting en op informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het verbod op discriminatie en de rechten van het kind.

Amendement  18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(33)  De reguleringsinstanties van de lidstaten kunnen alleen tot de vereiste mate van structurele onafhankelijkheid komen indien zij afzonderlijke juridische entiteiten zijn. De lidstaten dienen daarom te garanderen dat de nationale reguleringsinstanties onafhankelijk zijn van de regering, overheidsinstanties en de sector, zodat wordt gewaarborgd dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze vereiste inzake onafhankelijkheid moet onverlet laten dat de lidstaten kunnen bepalen dat reguleringsinstanties toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecomsector. De nationale reguleringsinstanties moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van deze richtlijn opgerichte nationale reguleringsinstanties dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging.

(33)  De reguleringsinstanties van de lidstaten kunnen alleen tot de vereiste mate van structurele onafhankelijkheid komen indien zij afzonderlijke juridische entiteiten zijn. De lidstaten dienen daarom te garanderen dat de nationale reguleringsinstanties onafhankelijk zijn van de regering, overheidsinstanties en de sector, zodat wordt gewaarborgd dat zij onafhankelijk te werk gaan en hun besluiten derhalve onpartijdig zijn. Deze vereiste inzake onafhankelijkheid moet onverlet laten dat de lidstaten kunnen bepalen dat reguleringsinstanties toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecomsector. De nationale reguleringsinstanties moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van deze richtlijn opgerichte nationale reguleringsinstanties dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging.

Amendement  19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – letter a bis – punt i

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

i)  de dienst bestaat uit de opslag van een grote hoeveelheid programma's of door gebruikers gegenereerde video's, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt;

i)  de dienst bestaat uit de opslag van, of het verlenen van toegang tot een grote hoeveelheid programma's of door gebruikers gegenereerde video's, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt;

Amendement  20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter c

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  "programma": een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk element van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of catalogus vormt, met inbegrip van bioscoopflims, video's van korte duur, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama;";

b)  "programma": een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk element van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of catalogus vormt, met inbegrip van bioscoopfilms, video's van korte duur, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's, amusements- en realityprogramma's en origineel drama;

Motivering

Aangezien het gaat om programma's die onder beperkingen of publicitaire aanpassingen vallen, moet de definitie van "programma" worden uitgebreid naar familieprogramma's die, net als amusementsprogramma's en realityshows, zowel door volwassenen als door kinderen worden bekeken.

Amendement  21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

"De lidstaten zorgen er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid wordt gedefinieerd.";

De lidstaten zorgen er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet aanzetten tot terrorisme, geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid wordt gedefinieerd.

Amendement  22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6 bis – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten voldoende informatie aan de kijkers verstrekken betreffende inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe kunnen de lidstaten een systeem van beschrijvingen gebruiken die een indicatie geven van de aard van de inhoud van een audiovisuele mediadienst.

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten en aanbieders van videoplatforms duidelijke informatie aan de kijkers verstrekken, voor en tijdens programma's alsook voor en na elke onderbreking van programma's, betreffende inhoud die minderjarigen kan schaden of verontrusten en in het bijzonder hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten. Daartoe gebruiken de lidstaten een systeem van beschrijvingen die een indicatie geven van de aard van de inhoud van een audiovisuele mediadienst.

Amendement  23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6 bis – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

3.   De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien nodig ontwikkelen de Commissie en de ERGA EU-gedragscodes en bevorderen de vaststelling daarvan.

Amendement  24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 10

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

10)  Artikel 7 wordt geschrapt;

10)  Artikel 7 wordt vervangen door:

 

"De lidstaten nemen maatregelen om te waarborgen dat onder hun rechtsmacht vallende aanbieders van mediadiensten hun diensten in overeenstemming met hun uit het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap voortvloeiende verplichtingen stapsgewijs toegankelijk maken voor personen met een visuele of auditieve handicap.

 

De lidstaten verplichten de onder hun rechtsmacht vallende omroepen om evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving op toegankelijke wijze uit te zenden voor personen met een functiebeperking, met inbegrip van personen met een handicap.";

Amendement  25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 1 – letter e

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a)   In lid 1 wordt letter e) vervangen door:

"e)  audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten; "

"e)  de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken wordt beperkt en dergelijke communicatie mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten en mag niet worden uitgezonden bij een programma dat is gericht op kinderen, in de vorm van een reclamepauze die wordt uitgezonden tijdens, vlak voor of vlak na een dergelijk programma, of worden opgenomen in een dergelijk programma, en moet verboden zijn tijdens periodes met de hoogste kijkdichtheid onder kinderen;"

Amendement  26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 1 – letter f bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-a bis)  in lid 1 wordt het volgende ingevoegd:

 

"f bis)  audiovisuele commerciële communicatie voor kansspeldiensten wordt niet specifiek op minderjarigen gericht en moet een duidelijke boodschap bevatten met de minimumleeftijd onder dewelke gokken verboden is."

Amendement  27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 2 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering betreffende ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie die programma’s waarnaar een significant aantal kinderen kijken, vergezelt of daarvan deel uitmaakt, inzake voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen en andere stoffen met nutritionele en fysiologische effecten bevatten, waarvan een overmatig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is, met name stoffen zoals vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers.

De lidstaten zorgen ervoor dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en niet-alcoholische dranken met een hoog zout-, suiker- of vetgehalte, programma's die zijn gericht op kinderen of programma's tijdens periodes met de hoogste kijkdichtheid onder kinderen, niet vergezelt en van dergelijke programma's geen deel uitmaakt. De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten passende maatregelen nemen om te voorkomen dat dergelijke audiovisuele commerciële communicatie inhoud vergezelt die gericht is op kinderen, of daarvan deel uitmaakt.

Amendement  28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a bis)  Het volgende lid wordt ingevoegd:

 

"2 bis. Voor de toepassing van de letters e) en e bis) van lid 1 stellen de lidstaten volgens de nationale situatie de periodes vast met de hoogste kijkdichtheid onder kinderen op hun grondgebied."

Amendement  29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.   De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering inzake ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Dergelijke gedragscodes worden op doeltreffende wijze gebruikt ter beperking van de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken.

3.   De lidstaten nemen maatregelen om de blootstelling van minderjarigen aan commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken tot een minimum te beperken. Onverminderd de vaststelling van regelgevende maatregelen bevorderen de lidstaten en de Commissie de ontwikkeling van zelf- en coreguleringsinitiatieven, zoals gedragscodes, om de blootstelling van minderjarigen aan dergelijke commerciële communicatie bij of in programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken verder tot een minimum te beperken.

Amendement  30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 3 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  De lidstaten en de Commissie zorgen voor de ontwikkeling van gedragscodes op basis van coregulering inzake ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie betreffende kansspelen. Dergelijke gedragscodes worden gebruikt ter beperking van de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende kansspelen.

Amendement  31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.   De Commissie en de ERGA stimuleren de uitwisseling van beste praktijken betreffende systemen op basis van zelf- en coregulering in de hele Unie. Indien de Commissie het passend acht, bevordert zij de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

4.   De Commissie en de ERGA zorgen voor de uitwisseling van beste praktijken betreffende systemen op basis van zelf- en coregulering in de hele Unie. Indien nodig ontwikkelen de Commissie en de ERGA EU-gedragscodes en bevorderen de vaststelling daarvan.

Amendement  32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 11 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.   Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken.

2.   Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's, kinderprogramma's en programma's met kinderen als doelgroep.

Amendement  33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 14

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 12 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekte programma's die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Tot dergelijke maatregelen kunnen selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor de leeftijdscontrole of andere technische maatregelen behoren. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.

De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun rechtsmacht vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekte programma's die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Tot dergelijke maatregelen kunnen selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor de leeftijdscontrole of andere technische maatregelen behoren. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen. De Commissie en de ERGA ontwikkelen hiertoe technische normen en zorgen voor een doeltreffend uitvoeringsmechanisme.

Amendement  34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 bis – lid 1 – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om:

1.  Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de aanbieders van videoplatforms alle nodige maatregelen nemen om:

Amendement  35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 bis – lid 1 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  alle burgers te beschermen tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

b)  alle burgers te beschermen tegen inhoud die aanzet tot terrorisme, geweld of haat jegens een groep personen of een lid van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

Amendement  36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 bis – lid 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun rechtsmacht vallende aanbieders van videoplatforms verstrekte programma's die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen.

 

Mogelijke maatregelen zijn instrumenten voor leeftijdscontrole of andere technische maatregelen. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.

 

Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen, zoals versleuteling en doeltreffend ouderlijk toezicht.

Motivering

Het doel van het amendement is de bescherming van minderjarigen in de context van videoplatforms te versterken.

Amendement  37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 bis – lid 2 – alinea 2 – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Deze maatregelen bestaan naargelang van het geval uit:

De Commissie en de ERGA ontwikkelen hiertoe technische normen en zorgen voor een doeltreffend uitvoeringsmechanisme. Deze maatregelen bestaan naargelang van het geval uit:

Amendement  38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 bis – lid 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van videoplatforms aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

7.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van videoplatforms aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien nodig ontwikkelen de Commissie en de ERGA EU-gedragscodes en bevorderen de vaststelling daarvan.

Amendement  39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 23

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 33 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Uiterlijk op [datum – uiterlijk vier jaar na vaststelling] en daarna om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn.

Uiterlijk op [datum – uiterlijk vier jaar na vaststelling] en daarna om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn. In het verslag wordt de effectiviteit van de zelf- en coreguleringspraktijken in alle lidstaten beoordeeld, in het bijzonder in het licht van reclamepraktijken, wanneer deze zijn gericht op kinderen en gezinnen. Wanneer in het verslag geconcludeerd wordt dat zelfregulerende gedragscodes betreffende audiovisuele commerciële communicatie, bijv. voor ongezonde voedingsmiddelen en gezoete dranken, niet de gewenste resultaten hebben opgeleverd om de blootstelling van kinderen en minderjarigen tot een minimum te beperken, dient de Commissie een voorstel in voor regulering van deze specifieke kwestie.

Motivering

Het is belangrijk een herzieningsbepaling in te voeren, vooral voor reclamepraktijken, om de rechten, de gezondheid en het welzijn van kinderen doeltreffend te beschermen.

PROCEDURE VAN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften in de lidstaten betreffende de verlening van audiovisuele mediadiensten tegen de achtergrond van veranderende marktomstandigheden

Document- en procedurenummers

COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

CULT

9.6.2016

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ENVI

9.6.2016

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Herbert Dorfmann

14.7.2016

Behandeling in de commissie

29.11.2016

 

 

 

Datum goedkeuring

31.1.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

7

30

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Alberto Cirio, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Angélique Delahaye, Mark Demesmaeker, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Benedek Jávor, Kateřina Konečná, Urszula Krupa, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, Julia Reid, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Renate Sommer, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Estefanía Torres Martínez, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Clara Eugenia Aguilera García, Inés Ayala Sender, Jørn Dohrmann, Herbert Dorfmann, Martin Häusling, Jan Huitema, Peter Jahr, Merja Kyllönen, Gesine Meissner, James Nicholson, Gabriele Preuß, Bart Staes, Tibor Szanyi, Tiemo Wölken

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Dieter-Lebrecht Koch, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (7.12.2016)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie

(COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD))

Rapporteur voor advies: Emma McClarkin

BEKNOPTE MOTIVERING

Sinds 2010 biedt de richtlijn audiovisuele mediadiensten (Richtlijn 2010/13/EU, de "AVMSD") een sterk regelgevingskader dat de culturele en creatieve sector stimuleert en kwetsbare consumenten zoals minderjarigen beschermt, door en minimum-benadering te volgen bij de harmonisering van normen in de Europese sector van audiovisuele mediadiensten.

Tegen de achtergrond van nieuwe technologie, de vraag onder de consumenten en de daaruit voortvloeiende verschuiving van lineaire naar niet-lineaire uitzendmethoden, moet herziening van de AVMSD zorgen voor een meer gelijk speelveld, zodat omroepen en inhoudproducenten met zowel nieuwe als traditionele technologie kunnen concurreren, beschermen, distribueren en investeren in culturele inhoud.

Werkingssfeer

De rapporteur acht het zeer belangrijk dat eventuele verruiming van de werkingssfeer, met name op het punt van videoplatforms, geen afbreuk doet aan Richtlijn 2000/31/EG (de richtlijn E-handel) en alleen specifiek de audiovisuele sector geldt. De huidige parameters van de AVMSD zijn in zoverre van nut dat veel nieuwe technologie zich onder een definitie laat brengen waarbij het accent ligt op het soort output in plaats van op de distributiewijze.

Bij eventuele verruiming van de werkingssfeer moet eenzelfde standaard van bescherming over de gehele linie gehandhaafd blijven. De geografische werkingssfeer van de huidige regeling is afdoende en bevorderlijk voor een sterke interne markt voor omroepdiensten.

Definities

Over het geheel genomen behouden de definities zoals in richtlijn 2010/13/EU hun relevantie. Op te merken valt dat waar zich in de media convergentie voordoet, een onderscheid van belang wordt tussen inhoud met en inhoud zonder redactionele verantwoordelijkheid. Dat moet aantasting van de E-handelsrichtlijn voorkomen, doordat de interpretatie van het aansprakelijkheidsregime voor tussenpersonen zoals service-providers in stand blijft.

Land van oorsprong

Het oorsprongslandbeginsel is de ruggengraat van deze richtlijn en eventuele verwatering van dat beginsel zou een averechtse uitwerking hebben voor de sector audiovisuele mediadiensten, de interne markt en de mogelijkheid van grensoverschrijdende distributie van inhoud. Het oorsprongslandbeginsel vereenvoudigt de regelgevingslast voor omroepen en voorziet in duidelijke juridische en redactionele verantwoordelijkheid voor eigen inhoud.

Het voorstel van de Commissie voor toelating van nationale heffingen op grensoverschrijdende levering druist tegen dat beginsel in en is de eerste stap naar een bestemmingslandbenadering. Om die reden heeft de rapporteur dit voorstel in dit advies van IMCO geschrapt. De IMCO-commissie moet vasthouden aan het oorsprongslandbeginsel, omdat dit centraal staat in een aantal regelingen binnen de bevoegdheidssfeer van IMCO, met name Richtlijn 2000/31/EG.

Aan de bezwaren omtrent omzeiling van nationale regels via het oorsprongslandbeginsel moet echter wel worden tegemoetgekomen. Daarom moet verder worden gezocht naar sterkere samenwerking en krachtiger en snellere geschillenoplossing tussen de lidstaten.

Regels inzake commerciële communicatie;

Ofschoon meer flexibiliteit in de regels voor commerciële communicatie gewenst is, mogen wijzigingen in deze bepalingen niet ten koste gaan van de consumentenbescherming. Als positief aan te merken is de schrapping van het criterium “overmatige aandacht” voor productplaatsing, dat tot dusver zorgde voor dubbelzinnigheid in de regelgeving die het gebruik van deze commerciële inkomstenbron voor de omroepen beperkte.

Met grotere flexibiliteit rond de tijdslimieten en de kwantitatieve beperkingen wordt evenwel geen rekening gehouden met de verschillende manieren waarop reclame in de EU wordt gefinancierd, in termen van zowel impact als tijdsduur. Hiervan valt geen toename in de reclame-uitgaven in de lineaire omroep te verwachten. Deze flexibiliteit zal leiden tot overbezette piektijden, verzwakking van het reclame-effect en tijdstippen van oververzadiging ten koste van de consument. In het belang van de consument worden de maatregelen ter deregulering van de reclame-tijdstippen in dit advies geschrapt.

Europese producties;

De rapporteur meent dat Europese producties moeten worden gestimuleerd maar dan volgens een marktgestuurde benadering waarbij geen eisen worden gesteld omtrent opvallendheid of vindbaarheid van de inhoud. Gebruik van quota moet beperkt worden en mag in geen geval verder gaan dan wat de Commissie voorstelt. Grotere quota en meer specifieke voorschriften komen neer op protectionisme van culturele markten, zonder oog voor de ruimere wereldmarkt waarvan de digitale EU-binnenmarkt deel uitmaakt. Investeringen in Europese inhoud worden gemaximaliseerd indien gegenereerd door concurrentie en vraag op de markt, niet met kunstmatige benchmarks en heffingen.

Nationale regelgevende instanties (NRI's)

De voorstellen van de Commissie ter verbetering van de doelmatigheid van de NRI's zijn nodig voor een universele en alomvattende uitvoering van de AVMSD. Ofschoon ERGA een belangrijke rol speelt bij de coördinatie en uitwisseling tussen regelgevende instanties valt deze taak hoofdzakelijk toe aan de AVMSD bij de lidstaten en de NRI's. De lidstaten moeten afdoende middelen vrijmaken voor deze instanties zodat deze hun capaciteit kunnen ontvouwen en duidelijke herstel- en klachtenregelingen kunnen treffen.

Bescherming van minderjarigen

Tegen de achtergrond van de convergentie tussen de media biedt herziening van de AVMSD de gelegenheid om waar nodig de bescherming van minderjarigen in de non-lineaire sfeer op peil te brengen. Belangrijk is dat nieuwe definities of wijzigingen in de werkingssfeer van de AVMSD ertoe strekken de bescherming van minderjarigen te verbeteren en tevens de lidstaten de nodige armslag te laten om illegale activiteiten aan te pakken.

Toegankelijkheid

Terwijl het van vitaal belang is om te blijven werken aan het mainstreamen van toegankelijkheid, moet artikel 7 van de huidige AVMSD worden gehandhaafd en verbeterd, met schrapping van de verwijzingen in de Europese Toegankelijkheidswet naar audiovisuele mediadiensten. De Europese Toegankelijkheidswet, waarin zowel harde als zachte aspecten van audiovisuele mediadiensten worden geregeld(1) heeft niet voldoende oog voor de situatie en de behoeften van de audiovisuele media-sector, waardoor echte innovatie, in de toekomst de beste manier om aan de individuele behoeften van de consument tegemoet te komen, wordt geremd.

AMENDEMENTEN

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden.

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag, sociale media en videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden.

__________________

__________________

27 Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

27 Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

Motivering

Sociale media spelen een steeds belangrijkere rol in de samenleving, vooral voor de jonge generaties, en vormen inmiddels een geliefd toegangsmiddel tot audiovisuele inhoud.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing blijven op diensten met als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie. Er moet ook van worden uitgegaan dat aan de vereiste inzake het hoofddoel is voldaan als de dienst een audiovisuele inhoud of vorm heeft die los kan staan van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten, zoals op zichzelf staande delen van onlinekranten waarvan audiovisuele programma's of door gebruikers gegenereerde video's deel uitmaken, wanneer die delen als losstaand van de hoofdactiviteit kunnen worden beschouwd. Socialemediadiensten vallen hier niet onder, behalve als deze een dienst leveren die onder de definitie van een videoplatform valt. Een dienst moet alleen als losstaand van de hoofdactiviteit worden beschouwd als gevolg van de verbindingen tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden in het kader van een videoplatform waarvoor geen redactionele verantwoordelijkheid geldt. In dergelijke gevallen moeten aanbieders die redactionele verantwoordelijkheid dragen, de bepalingen van deze richtlijn naleven.

(3)  Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing blijven op diensten die bedoeld zijn voor ontvangst door, en een duidelijke impact kunnen hebben op, een significant deel van het publiek en die als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie hebben. Er moet ook van worden uitgegaan dat aan de vereiste inzake het hoofddoel is voldaan als de dienst een audiovisuele inhoud of vorm heeft die los kan staan van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten, zoals op zichzelf staande delen van onlinekranten waarvan audiovisuele programma's of door gebruikers gegenereerde video's deel uitmaken, wanneer die delen als losstaand van de hoofdactiviteit kunnen worden beschouwd. Socialemediadiensten zijn voor de consument een belangrijk toegangsmiddel tot informatie en richten zich in toenemende mate op audiovisuele inhoud die door gebruikers wordt gegenereerd of beschikbaar wordt gemaakt, Socialemediadiensten vallen in het algemeen niet onder de werkingssfeer van de richtlijn maar zij moeten daarin wel worden opgenomen wanneer de aangeboden diensten aan alle criteria beantwoorden voor de definitie van videoplatform. Evenmin dienen hieronder audiovisuele mediadiensten te vallen die audiovisuele media-inhoud aanbieden en verspreiden en niet concurreren met televisieomroep, maar er bijvoorbeeld toe dienen audiovisuele inhoud van privégebruikers aan te bieden aan en te verspreiden onder groepen geïnteresseerden. Een dienst moet alleen als losstaand van de hoofdactiviteit worden beschouwd als gevolg van de verbindingen tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden in het kader van een videoplatform waarvoor geen redactionele verantwoordelijkheid geldt. In dergelijke gevallen moeten aanbieders die redactionele verantwoordelijkheid dragen, de bepalingen van deze richtlijn naleven.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  De redactionele beslissingen bestaan uit beslissingen die regelmatig worden genomen door de programmabeheerders of hoofdredacteuren in het kader van een goedgekeurd programmaschema. De plaats waar de redactionele beslissingen worden genomen, is de gewone werkplek van de personen die de beslissingen nemen.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 ter)  Audiovisuele diensten op aanvraag richten zich op hetzelfde publiek als televisie, en gezien de aard en manier van toegang tot die diensten zal de gebruiker redelijkerwijs regulerende bescherming in het kader van de richtlijn verwachten. Wegens deze omstandigheid en om discrepanties te voorkomen op punt van vrij verkeer en mededinging, moet het woord "programma" dynamisch worden geïnterpreteerd, rekening houdende met de ontwikkelingen in het aanbod van inhoud van audiovisuele media diensten die op een beduidend publiek zijn gericht en als massamedia te beschouwen zijn.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van dergelijke feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2010/13/EU bedoelde samenwerkingsprocedures is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) dient daarom te worden gemachtigd om op verzoek van de Commissie adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken.

(5)  Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van dergelijke feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2010/13/EU bedoelde samenwerkingsprocedures is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) dient daarom te worden gemachtigd om op verzoek van de Commissie en in samenwerking met de nationale reguleringsinstanties adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Teneinde de samenhang te waarborgen en het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten duidelijkheid te verschaffen, dient het begrip "aanzetten tot haat" op passende wijze te worden afgestemd op de definitie van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, waarin haatzaaiende uitlatingen worden gedefinieerd als "het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat". Daartoe dienen ook de gronden waarop het aanzetten tot geweld of haat is gebaseerd op elkaar aan te sluiten.

(8)  Teneinde de samenhang te waarborgen en het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten duidelijkheid te verschaffen, dient het begrip "aanzetten tot haat" op passende wijze en voor zover van toepassing op de lidstaten te worden afgestemd op de definitie van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, waarin haatzaaiende uitlatingen worden gedefinieerd als "het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat". Daartoe dienen ook de gronden waarop het aanzetten tot geweld of haat is gebaseerd op elkaar aan te sluiten.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Om de kijkers, waaronder ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van audiovisuele mediadiensten voldoende informatie verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daarvoor kan bijvoorbeeld een systeem van inhoudsbeschrijvingen worden toegepast waarmee de aard van de inhoud wordt aangegeven. Inhoudsbeschrijvingen kunnen op schriftelijke, grafische of akoestische wijze worden weergegeven.

(9)  Om de kijkers, waaronder ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van audiovisuele mediadiensten voldoende informatie verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daarvoor kan bijvoorbeeld een systeem van inhoudsbeschrijvingen worden toegepast waarmee de aard van de inhoud wordt aangegeven. Inhoudsbeschrijvingen kunnen op schriftelijke, grafische of akoestische wijze worden weergegeven. De verschillende vormen van inhoudsbeschrijvingen moeten duidelijk genoeg zijn om te bepalen of de specifieke inhoud schadelijk kan zijn voor minderjarigen.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Op nationaal en internationaal niveau bestaan bepaalde erkende voedingsrichtsnoeren, zoals het model voor voedingsprofielen van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarmee een onderscheid wordt gemaakt tussen voedingsmiddelen op basis van de nutritionele samenstelling in de context van voor kinderen bestemde televisiereclame voor voedingsmiddelen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter verlaging van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan deze nationale of internationale nutritionele richtsnoeren.

(10)  De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat vormen van zelf- en coregulering, zoals gedragscodes, doeltreffende wijze worden gebruikt ter minimalisering van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan deze nationale of internationale nutritionele richtsnoeren, zoals die zijn uitgewerkt in het kader van het Europese actieplatform op het gebied van voeding, lichaamsbeweging en gezondheid en van de voedingsprofielen van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie. Zelf- en coregulering moeten ertoe bijdragen deze doelstelling te verwezenlijken.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  De lidstaten dienen eveneens te worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter beperking van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Op EU- en nationaal niveau bestaan bepaalde systemen op basis van coregulering of zelfregulering die zijn gericht op de verantwoorde marketing van alcoholische dranken, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholhoudende dranken vergezeld gaan van boodschappen met betrekking op verantwoord drinken.

(11)  De lidstaten dienen eveneens te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering op doeltreffende wijze worden gebruikt ter beperking van de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Op EU- en nationaal niveau bestaan bepaalde systemen op basis van coregulering of zelfregulering die zijn gericht op de verantwoorde marketing van alcoholische dranken, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholhoudende dranken vergezeld gaan van boodschappen met betrekking op verantwoord drinken.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  Teneinde belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering, met name gericht op de bescherming van consumenten of de volksgezondheid, worden gewaarborgd. Indien de handhaving van en het toezicht op gedragscodes op EU-niveau goed worden uitgevoerd, kunnen deze een geschikt middel zijn om een meer samenhangende en doeltreffende aanpak te waarborgen.

(12)  Teneinde een hoog niveau van bescherming van de consument en de volksgezondheid te waarborgen en tegelijkertijd belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering worden gewaarborgd. Indien de handhaving van en het toezicht op gedragscodes op EU-niveau goed worden uitgevoerd, kunnen deze een geschikt middel zijn om een meer samenhangende en doeltreffende aanpak te waarborgen. Zij behoren van nut te zijn voor de opstelling van nationale gedragscodes door de nationale reguleringsinstanties en bij te dragen aan een coherente tenuitvoerlegging van Richtlijn 2010/13/EU.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  De markt voor televisieomroepdiensten heeft een ontwikkeling doorgemaakt en er is behoefte aan meer flexibiliteit met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie, met name wat betreft kwantitatieve voorschriften voor lineaire audiovisuele mediadiensten, productplaatsing en sponsoring. De opkomst van nieuwe diensten, waaronder diensten zonder reclame, heeft ertoe geleid dat de kijkers meer keuze hebben en gemakkelijker op alternatieve aanbiedingen kunnen overstappen.

Schrappen

Motivering

De bestaande kwantitatieve voorschriften inzake reclame hebben voor een goed evenwicht gezorgd tussen consumentenbescherming en financiering van audiovisuele media. De toename van het aanbod aan audiovisuele mediadiensten mag geen voorwendsel zijn om de bescherming van de consument tegen reclame in het algemeen af te zwakken. De opheffing van de kwantitatieve voorschriften zou tevens gevolgen hebben voor niet-audiovisuele sectoren, zoals de printsector, die sterk afhankelijk zijn van reclame en toch al te kampen hebben met financieringsproblemen

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 bis)  Om ervoor te zorgen dat Richtlijn 2010/13/EU doeltreffend is, met name wat betreft de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van mediadiensten, moet de integriteit van programma's en diensten worden gevrijwaard. Met uitzondering van de ontvangers van een dienst mogen derden geen wijzigingen aanbrengen aan programma's en diensten zonder de toestemming van de aanbieder van de mediadienst in kwestie. Wijzigingen in weergegeven programma's en diensten waartoe de ontvanger toestemming heeft verleend of het initiatief heeft genomen, zijn toegestaan.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Sponsoring is een belangrijk middel voor de financiering van audiovisuele mediadiensten of programma's, waarbij de naam, het handelsmerk, het imago, de activiteiten of de producten van een rechtspersoon of een fysieke persoon meer bekendheid wordt gegeven. Teneinde een waardevolle soort reclametechniek voor adverteerders en aanbieders van audiovisuele mediadiensten te zijn, kunnen sponsorboodschappen aanprijzingen van goederen of diensten van de sponsor omvatten waarbij de aankoop van deze goederen en diensten niet rechtstreeks wordt aangemoedigd. Bij sponsorboodschappen moeten de kijkers nog steeds duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst. De inhoud van gesponsorde programma's mag niet zodanig worden beïnvloed dat de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van audiovisuele mediadiensten wordt geschaad.

(14)  Sponsoring is een belangrijk middel voor de financiering van audiovisuele mediadiensten of programma's, waarbij de naam, het handelsmerk, het imago, de activiteiten of de producten van een rechtspersoon of een fysieke persoon meer bekendheid wordt gegeven. Teneinde een waardevolle soort reclametechniek voor adverteerders en aanbieders van audiovisuele mediadiensten te zijn, kunnen sponsorboodschappen aanprijzingen van goederen of diensten van de sponsor omvatten, maar mogen zij niet rechtstreeks aanmoedigen tot de aankoop van deze goederen en diensten. Bij sponsorboodschappen moeten de kijkers nog steeds duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoringovereenkomst. De inhoud van gesponsorde programma's mag niet zodanig worden beïnvloed dat de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van audiovisuele mediadiensten wordt geschaad.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 bis)  Om de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieder van mediadiensten en de audiovisuele waardeketen te beschermen is het absoluut noodzakelijk dat de integriteit van de programma's en diensten van de aanbieders van mediadiensten wordt gewaarborgd. Programma's en diensten moeten integraal, ongewijzigd en zonder onderbreking worden uitgezonden. Programma's en diensten mogen niet zonder de toestemming van de aanbieder van mediadiensten worden gewijzigd.

Motivering

Zonder de toestemming van de aanbieder van mediadiensten mogen derden geen wijzigingen aanbrengen aan programma's en diensten.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken, moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

(16)  Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in kinderprogramma's moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)  De toepassing van het voorschrift dat een product geen overmatige aandacht mag krijgen, is in de praktijk moeilijk gebleken. Daarnaast vormt dit voorschrift een belemmering voor het gebruik van productplaatsing, aangezien hiervoor per definitie een bepaalde mate van duidelijke aandacht nodig is teneinde waarde te genereren. De vereisten voor programma's met productplaatsing moeten daarom tot doel hebben de kijkers duidelijk te informeren over het bestaan van productplaatsing en te waarborgen dat de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van audiovisuele mediadiensten niet wordt geschaad.

(17)  De vereisten voor programma's met productplaatsing moeten daarom tot doel hebben de kijkers duidelijk te informeren over het bestaan van productplaatsing en te waarborgen dat de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van audiovisuele mediadiensten niet wordt geschaad.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)  Aangezien de stijging van het aantal nieuwe diensten tot meer keuze voor de kijkers heeft geleid, krijgen de omroepen meer flexibiliteit ten aanzien van de invoeging van reclame- en telewinkelspots, voor zover de integriteit van de programma's hierdoor niet overmatig wordt aangetast. Teneinde het eigen karakter van het Europese televisielandschap te beschermen, dienen onderbrekingen van cinematografische werken en televisiefilms, alsmede van enkele categorieën programma's die nog steeds specifieke bescherming behoeven, evenwel beperkt te blijven.

(18)  Ondanks het feit dat de stijging van het aantal nieuwe diensten tot meer keuze voor de kijkers heeft geleid, is het nog steeds nodig om zowel de integriteit van de programma's als de consumenten te beschermen tegen al te frequente reclame- en telewinkelspots. Teneinde het eigen karakter van het Europese televisielandschap te beschermen, dienen onderbrekingen van cinematografische werken en televisiefilms, alsmede van enkele categorieën programma's die nog steeds specifieke bescherming behoeven, daarom beperkt te blijven en dient niet in nog meer flexibiliteit voor dergelijke onderbrekingen te worden voorzien.

Motivering

Onderstreept dat moet worden vastgehouden aan de regel dat cinematografische werken hooguit om het half uur mogen worden onderbroken voor reclame, aangezien frequentere onderbrekingen de integriteit van de programma's buitensporig zouden aantasten, niet stroken met kijkersgewoonten en niet absoluut noodzakelijk zijn voor de audiovisuele mediadiensten.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)  Bij deze richtlijn wordt de totale toegestane reclametijd tijdens de periode 7:00-23:00 uur weliswaar niet vergroot, maar het is belangrijk dat de omroeporganisaties meer flexibiliteit krijgen en in staat worden gesteld te beslissen wanneer zij reclame invoegen, zodat de vraag van de adverteerders en de kijkersstroom worden gemaximaliseerd. De beperking per uur dient derhalve te worden afgeschaft en een dagelijkse beperking van 20 % reclame in de periode van 7:00 tot 23:00 uur dient te worden vastgesteld.

Schrappen

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  Veel omroepen maken deel uit van grotere mediagroepen en zenden boodschappen uit die niet alleen op hun eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten betrekking hebben, maar ook op programma's van andere entiteiten die tot dezelfde mediagroep behoren. Zendtijd die is toegewezen aan boodschappen van de omroep die betrekking hebben op programma's van andere, tot dezelfde mediagroep behorende entiteiten, moet niet worden meegerekend voor de maximale dagelijkse zendtijd die mag worden toegewezen aan reclame en telewinkelen.

Schrappen

Motivering

Het zou afbreuk doen aan de eerlijke concurrentie in de sector wanneer mediagroepen op al hun zenders zonder beperkingen boodschappen kunnen verspreiden die betrekking hebben op de programma's van hun omroeporganisaties, aangezien hierdoor een onrechtmatig voordeel wordt verschaft aan de dominante spelers. Dit zou tevens tot een onnodige toename van de reclame leiden, aangezien dergelijke boodschappen niet onder de kwantitatieve voorschriften vallen.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)  Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen de productie en distributie van Europese producties te bevorderen, door ervoor te zorgen dat hun catalogi een minimumaandeel aan Europese producties bevatten en dat daaraan genoeg aandacht wordt besteed.

(21)  Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen de productie en distributie van Europese producties te bevorderen, door ervoor te zorgen, voorzover doenlijk en met geschikte middelen, dat hun catalogi een minimumaandeel aan Europese producties bevatten, zonder afbreuk te doen aan de pluraliteit van de media of de aan de consument geboden diensten.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(21 bis)  Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen te worden aangemoedigd om de productie en distributie van Europese producties te bevorderen indien hun catalogi een aandeel aan Europese producties bevatten, mits dat geen afbreuk doet aan de kijkervaring van de consument.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 22

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(22)  Teneinde adequate investeringen in Europese producties te waarborgen, dienen de lidstaten in staat te zijn financiële verplichtingen op te leggen aan op hun grondgebied gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag. Deze verplichtingen kunnen bestaan uit rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties. De lidstaten kunnen ook heffingen ten gunste van een fonds opleggen op basis van inkomsten uit diensten op aanvraag die worden geleverd op en gericht zijn tot hun grondgebied. Deze richtlijn voorziet erin dat, gezien het rechtstreekse verband tussen financiële verplichtingen en het uiteenlopende culturele beleid van de lidstaten, de lidstaten dergelijke financiële verplichtingen ook mogen opleggen aan in een andere lidstaat gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag die tot het grondgebied van die lidstaat zijn gericht. In dat geval moeten de financiële verplichtingen enkel worden geheven op de inkomsten die met betrekking tot het publiek in die lidstaat zijn gegenereerd.

(22)  Teneinde adequate investeringen in Europese producties te waarborgen, kunnen de lidstaten eventueel financiële verplichtingen opleggen aan op hun grondgebied gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag. Deze verplichtingen kunnen bestaan uit rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties. Financiële verplichtingen kunnen door de lidstaten binnenslands alleen worden geheven voor diensten op aanvraag binnen hun jurisdictie, overeenkomstig het oorsprongslandbeginsel.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 23

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(23)  Bij de individuele beoordeling of een in een andere lidstaat gevestigde audiovisuele mediadienst op aanvraag is gericht op een publiek op het grondgebied van de betrokken lidstaat, dient die lidstaat te kijken naar indicatoren zoals reclame of andere promotieactiviteiten die specifiek op klanten op zijn grondgebied zijn gericht, de voornaamste taal van de dienst of de aanwezigheid van specifiek op het publiek in de ontvangende lidstaat gerichte inhoud of commerciële communicatie.

Schrappen

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 24

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(24)  Wanneer de lidstaten aanbieders van diensten op aanvraag verplichten tot financiële bijdragen, dienen die bijdragen te worden ingezet voor een adequate bevordering van Europese producties, waarbij moet worden vermeden dat verplichtingen dubbel aan aanbieders van diensten worden opgelegd. Indien de lidstaat waarin de aanbieder is gevestigd, een financiële bijdrage oplegt, dient deze lidstaat daarom rekening te houden met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten van de aanbieder zijn gericht.

Schrappen

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 25

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(25)  Om ervoor te zorgen dat verplichtingen inzake de bevordering van Europese producties de marktontwikkeling niet ondermijnen en om de toetreding van nieuwe marktdeelnemers mogelijk te maken, dienen dergelijke vereisten niet te gelden voor bedrijven zonder significante aanwezigheid op de markt. Dit is met name het geval voor bedrijven met een lage omzet en een klein publiek alsmede voor kleine en micro-ondernemingen overeenkomstig de definitie van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie33. Het zou evenmin passend zijn dergelijke verplichtingen op te leggen in gevallen waarin deze – gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele mediadiensten op aanvraag – praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn.

(25)  Om ervoor te zorgen dat verplichtingen inzake de bevordering van Europese producties de marktontwikkeling niet ondermijnen en om de toetreding van nieuwe marktdeelnemers mogelijk te maken, dienen dergelijke vereisten niet te gelden voor bedrijven zonder significante aanwezigheid op de markt. Dit is met name het geval voor bedrijven met een lage omzet en een klein publiek alsmede voor kleine en micro-ondernemingen overeenkomstig de definitie van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie33. Het zou evenmin passend zijn dergelijke verplichtingen op te leggen in gevallen waarin deze – gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele mediadiensten op aanvraag of de concurrentie met gelijkwaardige Europese producties – praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn. Daarnaast zou het zinvol zijn om een systeem in te voeren dat de financiële ondersteuning van de productie van kwalitatief hoogstaande Europese producties bevordert, bijvoorbeeld door middel van belastingprikkels.

__________________

__________________

33 Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

33 Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 25 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(25 bis)  De Commissie dient voor een passende en geografisch gespreide steun uit het programma Creatief Europa (Media) te zorgen om de grensoverschrijdende verspreiding van creatieve inhoud te bevorderen, met inbegrip van de versterking van de digitale distributie van Europese audiovisuele producties en de ontwikkeling van innovatieve financieringsmodellen voor creatieve inhoud.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 26

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(26)  Er doen zich nieuwe uitdagingen voor, met name in verband met videoplatforms waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. In deze context geven schadelijke inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms zijn opgeslagen, steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Teneinde minderjarigen te beschermen tegen schadelijke inhoud en alle burgers tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld of haat, moeten evenredige voorschriften betreffende deze kwesties worden vastgesteld.

(26)  Er doen zich nieuwe uitdagingen voor, met name in verband met videoplatforms waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. In deze context geven schadelijke inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms zijn opgeslagen, steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Ofschoon willekeurig verwijderen van dergelijke inhoud, vaak op grond van subjectieve interpretatie, de vrijheid van meningsuiting kan ondergraven, is het zaak minderjarigen te beschermen tegen schadelijke inhoud en alle burgers tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld, haat, of terrorisme. Ook moeten videoplatforms worden aangemoedigd om, in overstemming met nationale en Uniewetgeving en regelmatig door de autoriteiten te verstrekken richtsnoeren en met inachtneming van de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad1a vrijwillige maatregelen te treffen met betrekking tot deze kwesties Voor de meest schadelijke inhoud, zoals zinloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen.

 

______________________

 

1 bis  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28)  Een belangrijk deel van de op videoplatforms opgeslagen inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van videoplatforms. Gewoonlijk bepalen deze aanbieders echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's of door gebruikers gegenereerde video's, onder meer met automatische middelen of algoritmen. Dergelijke aanbieders dienen daarom ertoe verplicht te worden passende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten, en alle burgers te beschermen tegen aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of leden van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

(28)  Een belangrijk deel van de op videoplatforms opgeslagen inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van videoplatforms. Sommige aanbieders bepalen echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's of door gebruikers gegenereerde video's, onder meer met automatische middelen of algoritmen, met name door taggen en rangschikken. Dergelijke aanbieders dienen daarom ertoe verplicht te worden passende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke en geestelijke ontwikkeling kan aantasten bij kennisneming daarvan, en alle burgers te beschermen tegen aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of leden van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd. Voorzover doenlijk en mogelijk valt te denken over verwijdering van die inhoud met behulp van automatische herkenningssystemen.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(30)  Het is wenselijk om de aanbieders van videoplatforms zo veel mogelijk te betrekken bij de op grond van deze richtlijn te treffen passende maatregelen. Coregulering dient daarom te worden aangemoedigd.

(30)  Het is wenselijk om de relevante belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties en de aanbieders van videoplatforms, zo veel mogelijk te betrekken bij de op grond van deze richtlijn te treffen passende maatregelen. Transparante en verantwoordingsplichtige coregulering onder toezicht door de bevoegde nationale reguleringsinstanties dient daarom te worden aangemoedigd.

Teneinde in de hele Unie een duidelijke en samenhangende aanpak op dit gebied te waarborgen, mogen de lidstaten de aanbieders van videoplatforms niet verplichten maatregelen ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van alle burgers tegen aanzetten tot geweld of haat te treffen die strenger zijn dan de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen. De lidstaten moeten echter wel over de mogelijkheid beschikken om dergelijke strengere maatregelen te treffen indien deze inhoud onwettig is, op voorwaarde dat zij voldoen aan de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG, en om maatregelen te treffen met betrekking tot inhoud op websites die kinderpornografie bevatten of verspreiden, zoals vereist en toegestaan overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad35. Aanbieders van videoplatforms moeten ook over de mogelijkheid beschikken om op vrijwillige basis strengere maatregelen te treffen.

Teneinde in de hele Unie een duidelijke en samenhangende aanpak op dit gebied te waarborgen, mogen de lidstaten de aanbieders van videoplatforms niet verplichten maatregelen ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van alle burgers tegen aanzetten tot geweld of haat te treffen die strenger zijn dan de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen. De lidstaten moeten echter wel over de mogelijkheid beschikken om dergelijke strengere maatregelen te treffen indien deze inhoud onwettig is, op voorwaarde dat zij voldoen aan de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG, en om maatregelen te treffen met betrekking tot inhoud op websites die kinderpornografie bevatten of verspreiden, zoals vereist en toegestaan overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad35. Aanbieders van videoplatforms moeten ook over de mogelijkheid beschikken om op vrijwillige basis strengere maatregelen te treffen.

__________________

__________________

35 Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

35 Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 31 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(31 bis)  Met het oog op de bescherming van de grondrechten van de gebruikers worden door de reguleringsinstanties van de lidstaten in samenwerking met de ERGA en de Commissie regelmatig in overeenstemming met het nationale recht en het Unierecht en met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie richtsnoeren opgesteld betreffende de voorwaarden voor de verwijdering van schadelijke inhoud.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 32

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(32)  De aanbieders van videoplatforms waarop deze richtlijn betrekking heeft, leveren diensten van de informatiemaatschappij in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2000/31/EG. Indien deze aanbieders in een lidstaat zijn gevestigd, moeten zij derhalve de voorschriften betreffende de interne markt van artikel 3 van die richtlijn naleven. Het is passend ervoor te zorgen dat dezelfde voorschriften van toepassing zijn op aanbieders van videoplatforms die niet in een lidstaat zijn gevestigd, teneinde de doeltreffendheid van de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen ter bescherming van minderjarigen en burgers te waarborgen en voor zover mogelijk te zorgen voor een gelijk speelveld, wanneer dergelijke aanbieders een moederbedrijf of dochteronderneming met vestiging in een lidstaat hebben of wanneer dergelijke aanbieders deel uitmaken van een groep en een andere entiteit van die groep in een lidstaat is gevestigd. Om die reden dienen regelingen te worden getroffen om te bepalen in welke lidstaat dergelijke aanbieders geacht worden te zijn gevestigd. De Commissie dient te worden ingelicht over de aanbieders die onder de bevoegdheid van elke lidstaat vallen, overeenkomstig de voorschriften inzake vestiging van deze richtlijn en van Richtlijn 2000/31/EG.

(32)  De aanbieders van videoplatforms waarop deze richtlijn betrekking heeft, leveren diensten van de informatiemaatschappij in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2000/31/EG. Indien deze aanbieders in een lidstaat zijn gevestigd, moeten zij derhalve de voorschriften betreffende de interne markt van artikel 3 van die richtlijn naleven. Het is passend ervoor te zorgen dat dezelfde voorschriften van toepassing zijn op aanbieders van videoplatforms die niet in een lidstaat zijn gevestigd, teneinde de doeltreffendheid van de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen ter bescherming van minderjarigen en burgers te waarborgen en voor zover mogelijk te zorgen voor een gelijk speelveld, wanneer dergelijke aanbieders een moederbedrijf of dochteronderneming met vestiging in een lidstaat hebben of wanneer dergelijke aanbieders deel uitmaken van een groep en een andere entiteit van die groep in een lidstaat is gevestigd. Om die reden dienen regelingen te worden getroffen om te bepalen in welke lidstaat dergelijke aanbieders geacht worden te zijn gevestigd. De Commissie dient te worden ingelicht over de aanbieders die onder de bevoegdheid van elke lidstaat vallen, overeenkomstig de voorschriften inzake vestiging van deze richtlijn en van Richtlijn 2000/31/EG. In dit verband moet het begrip "aanbieder van een videoplatform" in de ruimste zin van het woord worden opgevat, zodat daaronder ook aanbieders van lineaire diensten en platforms voor de doorgifte van audiovisuele mediadiensten vallen, ongeacht de technische middelen die voor de doorzending worden gebruikt (kabel, satelliet of internet).

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(33)  De reguleringsinstanties van de lidstaten kunnen alleen tot de vereiste mate van structurele onafhankelijkheid komen indien zij afzonderlijke juridische entiteiten zijn. De lidstaten dienen daarom te garanderen dat de nationale reguleringsinstanties onafhankelijk zijn van de regering, overheidsinstanties en de sector, zodat wordt gewaarborgd dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze vereiste inzake onafhankelijkheid moet onverlet laten dat de lidstaten kunnen bepalen dat reguleringsinstanties toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecomsector. De nationale reguleringsinstanties moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van deze richtlijn opgerichte nationale reguleringsinstanties dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging.

(33)  De reguleringsinstanties van de lidstaten kunnen alleen tot de vereiste mate van structurele onafhankelijkheid komen indien zij afzonderlijke juridische entiteiten en functioneel autonome organen van dergelijke entiteiten zijn. De lidstaten dienen daarom te garanderen dat de nationale reguleringsinstanties onafhankelijk zijn van de regering, overheidsinstanties en de sector, zodat wordt gewaarborgd dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze vereiste inzake onafhankelijkheid moet onverlet laten dat de lidstaten kunnen bepalen dat reguleringsinstanties toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecomsector. De nationale reguleringsinstanties moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van deze richtlijn opgerichte nationale reguleringsinstanties dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging. Er moeten voor de lidstaten bepaalde verplichtingen gelden op het punt van onafhankelijke en doeltreffende reguleringsinstanties. Daartoe moeten de lidstaten een reeks administratieve en financiële vereisten in te voeren om de onafhankelijke en doeltreffende werking van de reguleringsinstanties te bevorderen.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 37

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(37)  De Commissie moet de ERGA vrijelijk kunnen raadplegen betreffende elke kwestie in verband met audiovisuele mediadiensten en videoplatforms. De ERGA dient de Commissie te ondersteunen door zijn deskundigheid en advies ter beschikking te stellen en door de uitwisseling van beste praktijken te vergemakkelijken. Met name dient de Commissie de ERGA te raadplegen betreffende de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU teneinde de geharmoniseerde tenuitvoerlegging ervan op de hele digitale eengemaakte markt te vergemakkelijken. Op verzoek van de Commissie dient de ERGA adviezen te verstrekken, onder meer inzake bevoegdheden en EU-gedragscodes op het gebied van de bescherming van minderjarigen en haatzaaiende uitlatingen alsmede van audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen met een hoog vet-, zout-/natrium- en suikergehalte.

(37)  De Commissie moet de ERGA vrijelijk kunnen raadplegen betreffende elke kwestie in verband met audiovisuele mediadiensten en videoplatforms. De ERGA dient de Commissie te ondersteunen door zijn deskundigheid en advies ter beschikking te stellen en door de uitwisseling van beste praktijken te vergemakkelijken. Met name dient de Commissie de ERGA te raadplegen betreffende de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU teneinde de consistente tenuitvoerlegging ervan op de hele digitale eengemaakte markt te vergemakkelijken. Op verzoek van de Commissie dient de ERGA adviezen te verstrekken, onder meer inzake bevoegdheden en EU-gedragscodes op het gebied van de bescherming van minderjarigen en haatzaaiende uitlatingen.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 38

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(38)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het vermogen van de lidstaten om verplichtingen op te leggen ter waarborging van de vindbaarheid en toegankelijkheid van inhoud van algemeen belang op grond van gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang, zoals pluralisme van de media, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit. Dergelijke verplichtingen dienen uitsluitend te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het recht van de Unie duidelijk gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang. Wat dat betreft dienen de lidstaten in het bijzonder de noodzaak van maatregelen van regelgevende aard af te wegen tegen de resultaten van de marktwerking. Wanneer de lidstaten besluiten om voorschriften inzake vindbaarheid op te leggen, dienen zij uitsluitend evenredige verplichtingen aan ondernemingen op te leggen die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

(38)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het vermogen van de lidstaten om verplichtingen op te leggen ter waarborging van de niet-discriminerende vindbaarheid en toegankelijkheid van inhoud van algemeen belang op grond van gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang, zoals pluralisme van de media, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit. Dergelijke verplichtingen dienen uitsluitend te worden ingevoerd voor zover noodzakelijk en proportioneel om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het recht van de Unie duidelijk gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang. Wat dat betreft dienen de lidstaten in het bijzonder de noodzaak van maatregelen van regelgevende aard af te wegen tegen de resultaten van de marktwerking. Wanneer de lidstaten besluiten om voorschriften inzake vindbaarheid in te voeren, dienen zij uitsluitend evenredige maatregelen met betrekking tot ondernemingen te treffen die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 38 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(38 bis)  Het recht van personen met een beperking en van ouderen om te participeren en te integreren in het maatschappelijke en culturele leven van de Unie is onlosmakelijk verbonden met de beschikbaarheid van toegankelijke audiovisuele mediadiensten. Toegankelijkheid moet daarom in Richtlijn 2010/13/EU worden bevorderd, conform het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 38 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(38 ter)  De middelen om dit te verwezenlijken dienen onder meer gebarentaal, ondertiteling, audiodescriptie en gemakkelijk te begrijpen menunavigatie te omvatten. Audiovisuele mediaproviders moeten transparantie betrachten en zich proactief opstellen voor betere toegankelijkheid van inhoud voor personen met een beperking en ouderen, met duidelijke vermelding in de programma-informatie en in de Electronische Programmagids van hun beschikbaarheid, en een overzicht van de beschikbare toegankelijkheidsfuncties van de diensten, en erop toezien dat zij toegankelijk zijn voor mensen met handicaps.

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 39 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(39 bis)  Alle zelf- en coreguleringsmaatregelen die op het niveau van de lidstaten ten uitvoer worden gelegd, dienen de in het Handvest van de grondrechten, met name in artikel 52, neergelegde verplichtingen te eerbiedigen.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – letter aa – punt i

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

i)  de dienst bestaat uit de opslag van een grote hoeveelheid programma's of door gebruikers gegenereerde video's, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt;

i)  de dienst bestaat uit de opslag of het aanbod van een grote hoeveelheid programma's of door gebruikers gegenereerde video's, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt;

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – letter aa – punt ii

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

ii)  de organisatie van de opgeslagen inhoud wordt bepaald door de aanbieder van de dienst, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van automatische middelen of algoritmen, met name door middel van hosting, weergeven, taggen en rangschikken;

ii)  de organisatie van de opgeslagen inhoud wordt bepaald door de aanbieder van de dienst;

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – letter aa – punt iii

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

iii)  het hoofddoel van de dienst of een daarvan losstaand gedeelte bestaat uit de levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's aan het algemene publiek ter informatie, vermaak of educatie;

iii)  het hoofddoel van de dienst of een deel daarvan bestaat uit de levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's aan het algemene publiek ter informatie, vermaak of educatie;

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 1 – lid 1 – letter b ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d bis)  de volgende punten worden ingevoegd:

 

b ter)  "toegankelijkheidsdienst": een bijkomende functie van audiovisuele diensten die de programma's beter toegankelijker maakt voor personen met een functiebeperking, waaronder personen met een handicap. Toegankelijkheidsdiensten omvatten ondertiteling voor doven en slechthorenden, audiodescriptie, gesproken ondertiteling en vertolking in gebarentaal;

 

b quater)  "ondertiteling voor doven en slechthorenden": gesynchroniseerde visuele tekstalternatieven voor gesproken en niet-gesproken audio-informatie die nodig zijn om de media-inhoud te begrijpen;

 

b quinquies)  "audiodescriptie": aanvullende auditieve beschrijving, tussen de dialoog door, van belangrijke aspecten van de visuele inhoud van audiovisuele media die niet kunnen worden begrepen door het hoofdaudiospoor alleen;

 

b sexies)  "gesproken ondertitels" of "audio-ondertitels": hardop voorgelezen ondertitels in de nationale taal wanneer in het audiospoor een andere taal wordt gesproken;

 

b septies)  “vertolking in gebarentaal”: simultane vertolking van zowel de verbale als non-verbale geluidsinformatie die noodzakelijk is om het programma te kunnen volgen, in de nationale gebarentaal;

Motivering

Amendement in verband met de herinvoering van toegankelijkheidsvereisten.

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 2 – lid 3 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  indien een aanbieder van mediadiensten zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft, maar de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele mediadiensten in een andere lidstaat worden genomen, wordt die aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar het merendeel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is;

b)  indien een aanbieder van mediadiensten zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft, maar de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele mediadiensten in een andere lidstaat worden genomen, wordt die aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is; indien in elk van die lidstaten een aanzienlijk deel van het bij de activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is, wordt de aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar het merendeel van de voor de activiteiten van de audiovisuele mediadienst nodige redactionele beslissingen wordt genomen;

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3 – lid 2 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk doet op de artikelen 6 of 12, of beide;

a)  een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk doet op de artikelen 6, 7 of 12;

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3 – lid 3 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  de betrokken lidstaat is van mening dat de aanbieder van mediadiensten tijdens de 12 maanden voorafgaand aan de in onder b) van dit lid bedoelde kennisgeving in ten minste twee gevallen inbreuk heeft gemaakt op punt a), b) of c) van lid 2;

Schrappen

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3 – lid 3 – letter d

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  de aanbieder van mediadiensten heeft ten minste één maal na de onder b) van dit lid bedoelde kennisgeving inbreuk gemaakt op punt a), b) of c) van artikel 2;

Schrappen

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3 – lid 3 – letter e

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

e)   de lidstaat die de kennisgeving doet, heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name de aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt met betrekking tot de vermeende inbreuken en de door die lidstaat voorziene maatregelen kenbaar te maken. De lidstaat houdt terdege rekening met dit standpunt en met het standpunt van de bevoegde lidstaat.

e)  de lidstaat die de kennisgeving doet, heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name de aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt met betrekking tot de vermeende inbreuken en de door die lidstaat voorziene maatregelen binnen 15 dagen na de onder b) bedoelde kennisgeving kenbaar te maken. De lidstaat houdt terdege rekening met dit standpunt en met het standpunt van de bevoegde lidstaat.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3 – lid 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De Commissie besluit uiterlijk drie maanden na kennisgeving van de door de lidstaten op grond van de leden 2 en 3 getroffen maatregelen, na raadpleging van de ERGA, of deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van de aanmelding of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

4.  De Commissie besluit uiterlijk twee maanden na kennisgeving van de door de lidstaten op grond van de leden 2 en 3 getroffen maatregelen, na raadpleging van de ERGA, of deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij slechts eenmaal om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie dat de door de lidstaat op grond van lid 2 getroffen maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, staakt de lidstaat de desbetreffende maatregelen onmiddellijk.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie dat de door de lidstaat op grond van lid 2 getroffen maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, staakt de lidstaat de desbetreffende maatregelen zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken.

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3 – lid 6

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  In urgente gevallen kunnen de lidstaten afwijken van de in lid 3, onder b) en c), genoemde voorwaarden. Wanneer dat het geval is, worden de Commissie en de lidstaat die bevoegd is voor de aanbieder van mediadiensten, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de maatregelen, waarbij toegelicht om welke redenen de lidstaat van mening is dat er sprake is van een dusdanige mate van urgentie dat van deze voorwaarden moet worden afgeweken.

6.  In urgente gevallen waarin de door een aanbieder van mediadiensten geleverde dienst ernstig inbreuk maakt op de in lid 2, onder a), b) en c) genoemde voorwaarden, kunnen de lidstaten afwijken van de in lid 3, onder b) en c), genoemde voorwaarden. Wanneer dat het geval is, worden de Commissie en de lidstaat die bevoegd is voor de aanbieder van mediadiensten, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de maatregelen, waarbij toegelicht om welke redenen de lidstaat van mening is dat er sprake is van een dusdanige mate van urgentie dat van deze voorwaarden moet worden afgeweken.

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 3 – lid 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaat om de uitvoering van de in de lid 6 bedoelde maatregelen voort te zetten, gaat de Commissie zo spoedig mogelijk na of de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld, verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien zij concludeert dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, verplicht zij de betrokken lidstaat om van de beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering daarvan onmiddellijk te staken.

7.  Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaat om de uitvoering van de in de lid 6 bedoelde maatregelen voort te zetten, gaat de Commissie zo spoedig mogelijk na of de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld, verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien zij concludeert dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, verplicht zij de betrokken lidstaat om van de beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering daarvan op zo kort mogelijke termijn te staken.

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 4 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van strengere of meer gedetailleerde regels te eisen ten aanzien van de artikelen 5, 6, 6 bis, 9, 10, 11, 12, 13, 16, 17, 19 tot en met 26, 30 en 30 bis, op voorwaarde dat deze regels met het recht van de Unie stroken.

Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van strengere of meer gedetailleerde regels te eisen ten aanzien van de artikelen 6, 6 bis, 9, 10, 11, 12, 13, 16, 17, 19 tot en met 26, 30 en 30 bis, op voorwaarde dat deze regels met het recht van de Unie stroken en geen discriminerende bepalingen omvatten met betrekking tot de nationaliteit of woonplaats van de aanbieder van de diensten.

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 4 – lid 4 – letter c

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  de Commissie heeft na raadpleging van de ERGA besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het recht van de Unie, en in het bijzonder dat de beoordeling van de lidstaat die de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen neemt, gegrond is.

c)  de Commissie heeft binnen twee maanden, na raadpleging van de ERGA, besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het recht van de Unie, en in het bijzonder dat de beoordeling van de lidstaat die de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen neemt, gegrond is.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 4 – lid 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5.  De Commissie neemt binnen drie maanden na de in lid 4, onder a), bedoelde kennisgeving een besluit. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

5.  De Commissie neemt binnen twee maanden na de in lid 4, onder a), bedoelde elektronische en formele kennisgeving een besluit. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige kennisgeving. De kennisgeving wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving of van de gevraagde aanvullende informatie niet om verdere informatie heeft verzocht.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de Commissie van mening is dat de kennisgeving onvolledig is, verzoekt zij slechts eenmaal om alle nodige aanvullende informatie. Zij stelt de lidstaat in kennis van de ontvangst van het antwoord op dat verzoek.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of de lidstaat onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie dat de door de lidstaat op grond van lid 3 getroffen maatregelen niet verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, ziet de lidstaat in kwestie af van de voorziene maatregelen.

Wanneer de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn verstrekt of de lidstaat onvolledige informatie verstrekt, besluit de Commissie binnen twee weken na de gestelde termijn of na ontvangst van onvolledige informatie, dat de door de lidstaat op grond van lid 3 getroffen maatregelen niet verenigbaar zijn met het recht van de Unie Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, ziet de lidstaat in kwestie af van de voorziene maatregelen.

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter d

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 4 – lid 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  De lidstaten stimuleren coregulering en zelfregulering door middel van op nationaal niveau vastgestelde gedragscodes betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden, voor zover hun rechtsstelsels dat toestaan. Deze gedragscodes zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden in de betrokken lidstaten. In de gedragscodes zijn duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen vastgesteld. De gedragscodes voorzien in regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen ervan worden bereikt. Zij voorzien in doeltreffende handhaving, voor zover nodig met inbegrip van passende doeltreffende en evenredige sancties.

7.  De lidstaten stimuleren coregulering en/of zelfregulering, bijvoorbeeld door middel van op nationaal niveau vastgestelde gedragscodes betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden, voor zover hun rechtsstelsels dat toestaan. Deze codes zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaten vallen. In de gedragscodes zijn duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen vastgesteld. De gedragscodes voorzien in regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen ervan worden bereikt. Zij voorzien in doeltreffende handhaving, voor zover nodig met inbegrip van passende doeltreffende en evenredige sancties die onder de bevoegdheid van de lidstaat vallen.

Ontwerpversies van de in artikel 6 bis, lid 3, artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 4, bedoelde EU-gedragscodes en wijzigingen of uitbreidingen van bestaande EU-gedragscodes worden door de ondertekenaars ervan aan de Commissie verstrekt.

Ontwerpversies van de in artikel 6 bis, lid 3, artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 4, bedoelde EU-gedragscodes en wijzigingen of uitbreidingen van bestaande EU-gedragscodes worden door de ondertekenaars ervan ter kennisname aan de Commissie verstrekt.

De Commissie kan de ERGA verzoeken om advies over de ontwerpversies, wijzigingen en uitbreidingen van dergelijke gedragscodes. De Commissie kan deze gedragscodes voor zover passend publiceren.";

De Commissie kan de ERGA verzoeken om advies over de ontwerpversies, wijzigingen en uitbreidingen van dergelijke gedragscodes. De Commissie publiceert deze gedragscodes voor zover passend en geeft hieraan zoveel mogelijk bekendheid.

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter d bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

d bis)  het volgende nieuwe lid wordt toegevoegd:

 

‘8 bis.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het vermogen van de lidstaten om verplichtingen op te leggen ter waarborging van de toegankelijkheid en vindbaarheid van inhoud van algemeen belang op grond van gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang, zoals mediapluriformiteit, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit.";

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid wordt gedefinieerd.

De lidstaten zorgen er met passende en geschikte middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid wordt gedefinieerd.

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6 bis – lid 2 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De Commissie moedigt de lidstaten aan om mediageletterdheid te ontwikkelen als toekomstbestendig instrument om kinderen te leren onderscheiden tussen inhoud en commerciële boodschappen.

Motivering

Kinderen kijken naar allerlei inhoud die vaak niet oorspronkelijk voor hen is bestemd. Het vergroten van de mediageletterdheid is een goed en toekomstbestendig instrument om kinderen te leren onderscheiden tussen inhoud en commerciële boodschappen.

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 9

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 6 bis – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

3.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van mediadiensten aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. De Commissie wordt aangemoedigd om samen met de ERGA EU-gedragscodes te ontwikkelen.

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 10

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Artikel 7 wordt geschrapt;

(10)  Artikel 7 wordt vervangen door:

 

Artikel 7

 

1.  De lidstaten doen het nodige om te zorgen dat de onder hun jurisdictie vallende aanbieders van mediadiensten hun diensten in toenemende mate toegankelijker maken voor personen met een handicap. Die maatregelen worden uitgewerkt in overleg met gebruikersorganisaties, waaronder aanbieders van audiovisuele mediadiensten en belangenorganisaties van personen met een handicap.

 

2.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van audiovisuele mediadiensten aan tot uitwisseling van beste praktijken.

 

3.  Tot de in lid 1 bedoelde maatregelen behoort het vereiste dat mediadienstenproviders jaarlijks aan de lidstaten rapporteren over de stappen en vorderingen in verband met het steeds toegankelijker maken van hun diensten voor personen met een handicap. De lidstaten zien erop toe dat deze informatie openbaar wordt gemaakt.

 

4.  Tot de in lid 1 bedoelde maatregelen behoort het vereiste dat mediadienstenproviders actieplannen opstellen en publiceren voor het steeds toegankelijker maken van hun diensten voor personen met een handicap. Die actieplannen worden aan de nationale regulerende instanties voorgelegd.

 

5.  Via audiovisuele mediadiensten verstrekte noodinformatie, met inbegrip van voorlichting van en oproepen aan het publiek bij natuurrampen, wordt door de lidstaten op toegankelijke wijze beschikbaar gemaakt voor personen met een handicap, onder meer door ondertiteling voor doven en slechthorenden, vertolking in gebarentaal en audioboodschappen en audiodescriptie voor eventuele visuele informatie."

 

6.  De lidstaten zien erop toe dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten zich er in het kader van hun inkoop-, programmerings- en redactioneel beleid op toeleggen dat toegankelijkheidsdiensten deel uitmaken van de door de producenten van inhoud geleverde pakketten.

 

7.  De lidstaten zien erop toe dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten hun websites, online applicaties en op mobiele apparaten gebaseerde diensten, met inbegrip van mobiele applicaties, die worden gebruikt voor het leveren van de dienst, op een consistente en geschikte manier toegankelijk maken opdat zij door de gebruikers kunnen worden waargenomen, gebruikt en begrepen, en wel op een zodanig betrouwbare manier die interoperabiliteit met uiteenlopende useragents en hulptechnologieën op Unie- en internationaal niveau mogelijk maakt.

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 1 – letter c – punt ii

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a)  in lid 1, onder c), wordt punt ii) als volgt gewijzigd:

ii)  enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bevatten of bevorderen;

ii)  enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bevatten of bevorderen;

(http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/ALL/?uri=CELEX%3A32010L0013)

Motivering

Amendement in overeenstemming met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de EU.

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 1 – letter c – punt iv bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-a bis)  Het volgende punt wordt toegevoegd:

 

‘(iv bis)  gericht zijn op minderjarigen;

Amendement    61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a ter (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 1 – letter e

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a ter)  lid 1, onder e), wordt als volgt gewijzigd:

e)  audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;

e)  audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken of dranken met een hoog cafeïnegehalte mag niet specifiek gericht zijn op minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;

(http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:32010L0013&qid=1476777414550&from=FR)

Motivering

Er moeten beperkingen worden gesteld aan reclame voor energiedranken.

Amendement    62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a quater (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 1 – letter g bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-a quater)  Het volgende punt wordt toegevoegd:

 

"g bis)  Audiovisuele commerciële communicatie mag programma’s waarnaar een significant aantal kinderen kijkt, vergezellen noch ervan deel uitmaken.

Amendement    63

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  lid 2 wordt vervangen door:

Schrappen

‘2.  De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering betreffende ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie die programma’s waarnaar een significant aantal kinderen kijken, vergezelt of daarvan deel uitmaakt, inzake voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen en andere stoffen met nutritionele en fysiologische effecten bevatten, waarvan een overmatig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is, met name stoffen zoals vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers.

 

Dergelijke gedragscodes worden gebruikt ter verlaging van de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog zout-, suiker- of vetgehalte bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan nationale of internationale nutritionele richtsnoeren. In dergelijke gedragscodes wordt vastgesteld dat de positieve kwaliteit van de nutritionele aspecten van dergelijke voedingsmiddelen en dranken in audiovisuele commerciële communicatie niet mag worden benadrukt.

 

De Commissie en de ERGA stimuleren de uitwisseling van beste praktijken betreffende systemen op basis van zelf- en coregulering in de hele Unie. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes."; ’

 

Amendement    64

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering inzake ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Dergelijke gedragscodes worden op doeltreffende wijze gebruikt ter beperking van de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken.

3.  De lidstaten en de Commissie stimuleren de ontwikkeling van gedragscodes op basis van zelf- en coregulering inzake ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken. Dergelijke op beste praktijken in de lidstaten gebaseerde gedragscodes worden op doeltreffende wijze gebruikt ter beperking van de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken.

Amendement    65

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 – lid 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De Commissie en de ERGA stimuleren de uitwisseling van beste praktijken betreffende systemen op basis van zelf- en coregulering in de hele Unie. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.";

4.  De Commissie en de ERGA stimuleren de uitwisseling van beste praktijken betreffende systemen op basis van zelf- en coregulering in de hele Unie. Indien passend en in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overweegt de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes aan de hand van beste praktijken in de lidstaten;

Amendement    66

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

11 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

Artikel 9 bis

 

Het staat de lidstaten vrij passende en niet-discriminerende maatregelen te nemen ter waarborging van de passende aandacht voor audiovisuele mediadiensten van algemeen belang. Dergelijke maatregelen zijn evenredig en voldoen aan algemene doelstellingen, zoals mediapluriformiteit, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit, die door de lidstaten duidelijk worden gedefinieerd in overeenstemming met het Unierecht.

 

Dergelijke verplichtingen dienen uitsluitend te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het recht van de Unie duidelijk gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang. Wat dat betreft dienen de lidstaten in het bijzonder de noodzaak van maatregelen van regelgevende aard af te wegen tegen de resultaten van de marktwerking. Wanneer de lidstaten besluiten om voorschriften inzake vindbaarheid op te leggen, dienen zij, om het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid te dienen, uitsluitend evenredige verplichtingen aan ondernemingen op te leggen.

Amendement    67

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 ter (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 9 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

11 ter)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

"Artikel 9 ter

 

De lidstaten zorgen ervoor dat programma's en diensten van aanbieders van mediadiensten niet zonder toestemming van deze kunnen worden gewijzigd, bijvoorbeeld door commerciële overlays."

Motivering

Zonder de toestemming van de aanbieder van mediadiensten mogen derden geen wijzigingen aanbrengen aan programma's en diensten.

Amendement    68

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 12

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 10 – lid 1 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  zij sporen niet rechtstreeks aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

b)  zij sporen niet aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

Amendement    69

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 11 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en programma's waarnaar een significant aantal kinderen kijken.

2.  Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's.

Amendement    70

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 11 – lid 3 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)   zij sporen niet rechtstreeks aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

b)   zij sporen niet aan tot de aankoop of huur van goederen of diensten;

Amendement    71

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 14

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 12 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekte programma's die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Tot dergelijke maatregelen kunnen selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor de leeftijdscontrole of andere technische maatregelen behoren. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.

De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten verstrekte programma's die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, zoals reclame voor alcoholische dranken of kansspelen, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Tot dergelijke maatregelen kunnen selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor de leeftijdscontrole of andere technische maatregelen behoren. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.

Amendement    72

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 14

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 12 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen, zoals versleuteling en doeltreffend ouderlijk toezicht.";

Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden naast de hierboven vermelde maatregelen de strengste maatregelen getroffen, zoals versleuteling en doeltreffend ouderlijk toezicht.

Amendement    73

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 13 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag een aandeel van ten minste 20 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi en dat deze producties aandacht krijgen.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat waar doenlijk en met geschikte middelen onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag een aandeel van ten minste 20 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi. Elke financiële bijdrage dient te voldoen aan het recht van de Unie, en in het bijzonder de staatssteunregels.

Amendement    74

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 13 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten kunnen de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele media-op-aanvraagdiensten verplichten een financiële bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van Europese producties, onder meer door middel van directe investeringen in inhoud en bijdragen aan nationale fondsen. De lidstaten kunnen aanbieders van audiovisuele media-op-aanvraagdiensten die zich richten tot publiek op hun grondgebied, maar in andere lidstaten zijn gevestigd, verplichten dergelijke financiële bijdragen te leveren. In dat geval wordt de financiële bijdrage gebaseerd op de inkomsten die zijn gegenereerd in de lidstaten waarop de diensten zijn gericht. Indien de lidstaat waarin de aanbieder is gevestigd, een financiële bijdrage oplegt, houdt deze lidstaat rekening met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten van de aanbieder zijn gericht. Elke financiële bijdrage dient te voldoen aan het recht van de Unie, en in het bijzonder de staatssteunregels.

2.  De lidstaten kunnen de binnen hun rechtsgebied gevestigde aanbieders van audiovisuele media-op-aanvraagdiensten verplichten een financiële bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van Europese producties, onder meer door middel van directe investeringen in inhoud en bijdragen aan nationale fondsen.

Amendement    75

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15

Richtlijn 2010/12/EU

Artikel 13 – lid 4 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.  De Commissie zorgt voor een passende en geografisch gespreide steun uit het programma Creatief Europa (Media) om de grensoverschrijdende verspreiding van creatieve inhoud te bevorderen, met inbegrip van de versterking van de digitale distributie van Europese audiovisuele producties en de ontwikkeling van innovatieve financieringsmodellen voor creatieve inhoud.

Amendement    76

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 15 bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 14 – lid 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

15 bis)  Artikel 14, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

‘1.  Iedere lidstaat kan in overeenstemming met het recht van de Unie maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat onder zijn bevoegdheid vallende omroeporganisaties evenementen die door die lidstaat van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, niet op een exclusieve basis uitzenden op zodanige wijze dat een belangrijk deel van het publiek in die lidstaat dergelijke evenementen niet via rechtstreekse of uitgestelde verslaggeving op de kosteloze televisie kan volgen. In dat geval stelt de betrokken lidstaat een lijst van aangewezen nationale of niet-nationale evenementen op die hij van aanzienlijk belang voor de samenleving acht. De lidstaat doet dit te gepasten tijde op duidelijke en transparante wijze. Daarbij bepaalt de betrokken lidstaat tevens of deze evenementen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving beschikbaar moeten zijn."

‘1.  Iedere lidstaat kan in overeenstemming met het recht van de Unie maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat onder zijn bevoegdheid vallende omroeporganisaties evenementen die door die lidstaat van aanzienlijk belang voor de samenleving worden geacht, niet op een exclusieve basis uitzenden op zodanige wijze dat een belangrijk deel van het publiek in die lidstaat dergelijke evenementen niet via rechtstreekse of uitgestelde verslaggeving op de kosteloze televisie kan volgen. De lidstaten verplichten de onder hun bevoegdheid vallende omroepen om deze evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving op toegankelijke wijze uit te zenden voor personen met een functiebeperking, met inbegrip van personen met een handicap. In dat geval stelt de betrokken lidstaat een lijst van aangewezen nationale of niet-nationale evenementen op die hij van aanzienlijk belang voor de samenleving acht. De lidstaat doet dit te gepasten tijde op duidelijke en transparante wijze. Daarbij bepaalt de betrokken lidstaat tevens of deze evenementen via volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel, waar nodig of passend om objectieve redenen van openbaar belang, via volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving beschikbaar moeten zijn."

(http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:32010L0013&qid=1476777414550&from=FR)

Motivering

Amendement in verband met de herinvoering van toegankelijkheidsvereisten in artikel 7.

Amendement    77

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 16

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 20 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van series, feuilletons en documentaires), cinematografische producties, en nieuwsprogramma’s mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 20 minuten worden onderbroken voor reclame en/of telewinkelen.";

Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van series, feuilletons en documentaires), cinematografische producties, en nieuwsprogramma’s mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor reclame en/of telewinkelen. Uitzendingen van religieuze erediensten en kinderprogramma's mogen niet worden onderbroken voor televisiereclame of telewinkelen.

Amendement    78

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 bis (nieuw)

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 22

 

Bestaande tekst

Amendement

 

16 bis.  Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

Televisiereclame en telewinkelen met betrekking tot alcoholhoudende dranken moeten aan de volgende criteria voldoen:

Televisiereclame en telewinkelen met betrekking tot alcoholhoudende dranken of dranken met een hoog cafeïnegehalte moeten aan de volgende criteria voldoen:

a)  zij mag zich niet specifiek tot minderjarigen richten en mag in het bijzonder geen minderjarigen tonen die dit soort dranken gebruiken;

a)  zij mag zich niet specifiek tot minderjarigen richten en mag in het bijzonder geen minderjarigen tonen die dit soort dranken gebruiken;

b)  zij mag geen verband leggen tussen alcoholgebruik en een verbetering van fysieke prestaties of gemotoriseerd rijden;

b)  zij mag geen verband leggen tussen alcoholgebruik of hoog cafeïnegebruik en een verbetering van fysieke prestaties of gemotoriseerd rijden;

c)  zij mag niet de indruk wekken dat alcoholgebruik bijdraagt tot sociale of seksuele successen;

c)  zij mag niet de indruk wekken dat alcoholgebruik of hoog cafeïnegebruik bijdraagt tot sociale of seksuele successen;

d)  er mag niet in worden gesuggereerd dat alcoholhoudende dranken therapeutische kwaliteiten bezitten, dan wel een stimulerend, kalmerend of spanningsreducerend effect hebben;

d)  er mag niet in worden gesuggereerd dat alcoholhoudende dranken of dranken met een hoog cafeïnegehalte therapeutische kwaliteiten bezitten, dan wel een stimulerend, kalmerend of spanningsreducerend effect hebben;

e)  zij mag geen onmatig alcoholgebruik aanmoedigen dan wel onthouding of matig alcoholgebruik in een negatief daglicht stellen;

e)  zij mag geen onmatig alcohol- of cafeïnegebruik aanmoedigen dan wel onthouding of matig alcoholgebruik in een negatief daglicht stellen;

f)  zij mag geen nadruk leggen op het hoge alcoholgehalte van dranken als positieve eigenschap.

f)  zij mag geen nadruk leggen op het hoge alcohol- of cafeïnegehalte van dranken als positieve eigenschap.

Motivering

Er moeten beperkingen worden gesteld aan reclame voor energiedranken.

Amendement    79

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 17

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 23 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Het dagelijkse aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tijdens de periode van 7:00 tot 23:00 uur niet meer dan 20 %.

1.  Het dagelijkse aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt per klokuur niet meer dan 20 %.

Amendement    80

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 17

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 23 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Lid 1 is niet van toepassing op:

Schrappen

a)   boodschappen van de omroeporganisatie in verband met eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten of met programma's van andere entiteiten die tot dezelfde mediagroep behoren;

 

b)   sponsorboodschappen;

 

c)   productplaatsing.";

 

Amendement    81

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

18)  Hoofdstuk VIII wordt geschrapt;

Schrappen

Motivering

Dit amendement is erop gericht artikel 27 van Richtlijn 2010/13/EU te handhaven, aangezien het belangrijke maatregelen bevat ter bescherming van minderjarige televisiekijkers.

Amendement    82

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om:

1.  Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om:

a)  minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten;

a)   alle minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten;

b)  alle burgers te beschermen tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd.

b)  alle burgers te beschermen tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van die groep die op basis van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid wordt gedefinieerd.

 

b bis)  de blootstelling van kinderen aan reclame voor ongezonde voedingsmiddelen en dranken op videoplatforms te beperken.

2.  Wat een passende maatregel is voor de toepassing van lid 1, wordt bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de rechten en rechtmatige belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben gecreëerd en/of geüpload alsmede het publieke belang.

 

Deze maatregelen bestaan naargelang van het geval uit:

2.  Deze maatregelen kunnen naargelang van het geval bestaan uit:

a)   het definiëren en in de voorwaarden van de aanbieders van de videoplatforms opnemen van de concepten van het aanzetten tot geweld of haat als bedoeld in lid 1, onder b), en van inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten overeenkomstig respectievelijk de artikelen 6 en 12;

a)   het beschrijven van de rechten en plichten van de gebruikers in de voorwaarden van de aanbieders van de videoplatforms ten aanzien van het aanzetten tot geweld of haat als bedoeld in lid 1, onder b), en van inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten overeenkomstig respectievelijk de artikelen 6 en 12 en de door de reguleringsinstanties van de lidstaten opgestelde richtsnoeren als bedoeld in lid 4;

b)   het tot stand brengen en gebruiken van mechanismen waarmee gebruikers van videoplatforms de in lid 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van een videoplatform opgeslagen inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren;

b)   het tot stand brengen en gebruiken van gebruiksvriendelijke mechanismen waarmee gebruikers van videoplatforms de in lid 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van een videoplatform opgeslagen inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren;

c)   het tot stand brengen en gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole voor gebruikers van videoplatforms met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

c)   het tot stand brengen en gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole of andere technische middelen voor gebruikers van videoplatforms met betrekking tot bekende inhoud die de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

d)   het tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in lid 1 bedoelde inhoud kunnen geven;

d)   het tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in lid 1 bedoelde inhoud kunnen geven;

e)   het ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

e)   het ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht met betrekking tot inhoud die de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

f)   het tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee de aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers van videoplatforms kunnen uitleggen welk gevolg er is gegeven aan de onder b) genoemde rapportage en markeringen.

f)   het tot stand brengen en gebruiken van transparante, gebruiksvriendelijke en doelmatige systemen en procedures waarmee de aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers van videoplatforms problemen kunnen uitleggen en mededelen welk gevolg er is gegeven aan de uitvoering van de onder punten a) -f) genoemde maatregelen.

 

De lidstaten sporen videoplatforms aan om bij vermoeden of constatering van illegale inhoud voortvarend op te treden en de toegang tot die inhoud te blokkeren of te verwijderen overeenkomstig Richtlijn 2000/31/EG;

 

2 bis.  Wat een passende maatregel is voor de toepassing van lid 1, wordt bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de rechten en rechtmatige belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben gecreëerd en/of geüpload alsmede het publieke belang, alsook de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en van informatie.

3.  Voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen stimuleren de lidstaten coregulering overeenkomstig artikel 4, lid 7.

3.  Voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen stimuleren de lidstaten coregulering overeenkomstig artikel 4, lid 7.

4.  De lidstaten stellen de nodige mechanismen vast om de geschiktheid van in de leden 2 en 3 genoemde en door de aanbieders van videoplatforms getroffen maatregelen te beoordelen. De lidstaten belasten de overeenkomstig artikel 30 aangewezen autoriteiten met deze taak.

4.  De lidstaten stellen de nodige mechanismen vast om de transparantie, noodzakelijkheid, evenredigheid en geschiktheid van in de leden 2 en 3 genoemde en door de aanbieders van videoplatforms getroffen maatregelen te beoordelen. De lidstaten belasten de overeenkomstig artikel 30 aangewezen autoriteiten met deze taak. Derhalve verstrekken de lidstaten de nodige richtsnoeren om te waarborgen dat de vrijheid van meningsuiting en van informatie van de gebruikers bij het nemen van maatregelen wordt geëerbiedigd. Die richtsnoeren worden in samenwerking met de ERGA en de Commissie opgesteld;

5.  De lidstaten leggen aan de aanbieders van videoplatforms geen maatregelen op die strenger zijn dan de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen. De lidstaten worden er niet van weerhouden strengere maatregelen ten aanzien van illegale inhoud op te leggen. Bij de vaststelling van deze maatregelen dient te worden gewaarborgd dat deze voldoen aan de door het toepasselijke EU-wetgeving gestelde voorwaarden, zoals, indien van toepassing, de voorwaarden van de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG of artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU.

5.  De lidstaten leggen aan de aanbieders van videoplatforms geen maatregelen op die strenger zijn dan de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen. De lidstaten worden er niet van weerhouden strengere maatregelen ten aanzien van illegale inhoud op te leggen. Bij de vaststelling van deze maatregelen dient te worden gewaarborgd dat deze voldoen aan de door het toepasselijke EU-wetgeving gestelde voorwaarden, zoals, indien van toepassing, de voorwaarden van de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2000/31/EG of artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU.

6.  De lidstaten waarborgen dat klachten- en beroepsregelingen beschikbaar zijn voor de beslechting van geschillen tussen gebruikers en aanbieders van videoplatforms wat betreft de toepassing van de in de leden 1 en 2 genoemde passende maatregelen.

 

7.  De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van videoplatforms aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

7.   De Commissie en de ERGA moedigen aanbieders van videoplatforms aan om beste praktijken inzake systemen op basis van coregulering in de hele Unie uit te wisselen. Indien passend bevordert de Commissie de ontwikkeling van EU-gedragscodes.

8.  Aanbieders van videoplatforms of, indien van toepassing, de organisaties die deze aanbieders op dit gebied vertegenwoordigen, verstrekken ontwerpversies van EU-gedragscodes en wijzigingen van bestaande EU-gedragscodes aan de Commissie. De Commissie kan de ERGA verzoeken om advies over de ontwerpversies, wijzigingen en uitbreidingen van deze gedragscodes. De Commissie kan deze gedragscodes op passende wijze bekendmaken.

8.  Aanbieders van videoplatforms of, indien van toepassing, de organisaties die deze aanbieders op dit gebied vertegenwoordigen, verstrekken ontwerpversies van EU-gedragscodes en wijzigingen van bestaande EU-gedragscodes aan de Commissie in overeenstemming met de in lid 4 vermelde richtsnoeren. De Commissie kan de ERGA verzoeken om advies over de ontwerpversies, wijzigingen en uitbreidingen van deze gedragscodes. De Commissie kan passende bekendheid geven aan deze gedragscodes door beste praktijken te bevorderen.

Amendement    83

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 ter – lid 1 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten waarborgen dat aanbieders van videoplatforms die niet op hun grondgebied zijn gevestigd maar een op hun grondgebied gevestigd moederbedrijf of dochteronderneming hebben, of die deel uitmaken van een groep waarvan een andere entiteit op hun grondgebied is gevestigd, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EEG worden geacht op hun grondgebied te zijn gevestigd.

De lidstaten waarborgen dat aanbieders van videoplatforms

 

a)   De lidstaten waarborgen dat aanbieders van videoplatforms die niet op hun grondgebied zijn gevestigd maar een op hun grondgebied gevestigd moederbedrijf of dochteronderneming hebben, of die deel uitmaken van een groep waarvan een andere entiteit op hun grondgebied is gevestigd, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EEG worden geacht op hun grondgebied te zijn gevestigd.

 

b)   die in een andere lidstaat zijn gevestigd maar zich op publiek op hun grondgebied richten, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EG worden geacht op hun grondgebied te zijn gevestigd.

Amendement    84

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 ter – lid 1 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer er meerdere dochterondernemingen zijn die allemaal in een andere lidstaat zijn gevestigd, of wanneer er meerdere andere entiteiten van de groep zijn die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, waarborgen de betrokken lidstaten voor de toepassing van de tweede alinea dat de aanbieder aanmerkt in welke van deze lidstaat hij wordt geacht te zijn gevestigd.

Wanneer er meerdere dochterondernemingen zijn die allemaal in een andere lidstaat zijn gevestigd, of wanneer er meerdere andere entiteiten van de groep zijn die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waar het merendeel van zijn personeel werkzaam is.

Motivering

Het zou niet gepast zijn om aanbieders van videoplatforms in het kader van deze richtlijn de mogelijkheid te geven zelf te bepalen in welke lidstaat zij geacht worden te zijn gevestigd, aangezien dit "forum-shopping" in de hand zou werken. De plaats van vestiging van de meerderheid van het personeel is een duidelijk en betrouwbaar criterium om te bepalen waar een platform binnen de Unie is gevestigd.

Amendement    85

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 ter – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst met de op hun grondgebied gevestigde aanbieders van videoplatforms en met de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EG en in lid 1 bedoelde criteria waarop hun bevoegdheid is gebaseerd. Zij werken deze lijst op gezette tijden bij. De Commissie waarborgt dat de bevoegde onafhankelijke reguleringsinstanties toegang tot deze informatie hebben. 5 ter.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst met aanbieders van videoplatforms die op hun grondgebied zijn gevestigd of worden geacht daar te zijn gevestigd in overeenstemming met de in artikel 3, lid 1, bedoelde criteria waarop hun bevoegdheid is gebaseerd. Zij werken deze lijst op gezette tijden bij. De Commissie waarborgt dat de bevoegde onafhankelijke reguleringsinstanties toegang tot deze informatie hebben.

Amendement    86

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 19

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 28 ter – lid 2 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Wanneer de betrokken lidstaten bij de toepassing van artikel 1 geen overeenstemming bereiken over welke lidstaat bevoegd is, lichten zij de Commissie onverwijld in over deze kwestie. De Commissie kan de ERGA verzoeken binnen 15 dagen na ontvangst van het verzoek advies uit te brengen.

Motivering

Aangezien videoplatforms gewoonlijk gericht zijn op doelgroepen in de hele Unie, zouden meningsverschillen tussen de lidstaten kunnen ontstaan als het erom gaat voor de toepassing van deze richtlijn de bevoegde lidstaat aan te wijzen. Daarom moet de Commissie net als voor de andere, in artikel 3 bedoelde audiovisuele mediadiensten de mogelijkheid krijgen te bepalen welke lidstaat bevoegd is.

Amendement    87

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 21

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 30 – lid 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale reguleringsinstanties over adequate handhavingsbevoegdheden beschikken om hun functies op doeltreffende wijze uit te voeren.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale reguleringsinstanties over adequate handhavingsbevoegdheden en middelen beschikken om hun functies op doeltreffende wijze uit te voeren.

Amendement    88

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 21

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 30 – lid 4 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale reguleringsorganen en -instanties één publiekelijk toegankelijk contactpunt aanwijzen voor informatie en klachten over de in artikel 7 genoemde toegankelijkheidsaspecten.

Amendement    89

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 21

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 30 – lid 6

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat de onafhankelijke nationale reguleringsinstanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen beschikken. Deze begrotingen worden openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen er verder voor dat de nationale reguleringsinstanties over adequate financiële middelen en personele middelen beschikken om de taak te kunnen uitvoeren waarmee zij zijn belast alsmede om in staat te zijn tot actieve deelname en bijdragen aan de ERGA.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat de onafhankelijke nationale reguleringsinstanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen beschikken. Deze begrotingen worden openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen er verder voor dat de nationale reguleringsinstanties over voldoende financiële middelen en personele middelen beschikken om de taak te kunnen uitvoeren waarmee zij zijn belast alsmede om in staat te zijn tot actieve deelname en bijdragen aan de ERGA.

Amendement    90

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 22

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 30 bis – lid 3 – letter d

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  met de leden ervan samenwerken en deze voorzien van de informatie die noodzakelijk is voor de toepassing van de richtlijn, en met name van de artikelen 3 en 4 van de richtlijn;

d)  met de leden ervan samenwerken en deze voorzien van de informatie die noodzakelijk is voor de toepassing van de richtlijn, en met name van de artikelen 3, 4 en 7 van de richtlijn;

Amendement    91

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 22

Richtlijn 2010/13/EU

Artikel 30 bis – lid 3 – letter e

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

e)  indien de Commissie daarom verzoekt, adviezen verstrekken over het bepaalde in artikel 2, lid 5 ter, artikel 6 bis, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 9, lid 4, en over alle zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten, met name wat betreft de bescherming van minderjarigen en het aanzetten tot haat.";

e)  indien de Commissie daarom verzoekt, adviezen verstrekken over het bepaalde in artikel 2, lid 5 ter, artikel 6 bis, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 9, lid 4, en over alle zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten, met name wat betreft de bescherming van minderjarigen, aanzetten tot haat, mediapluriformiteit en bescherming van de vrijheid van meningsuiting en van informatie.";

PROCEDURE VAN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften in de lidstaten betreffende de verlening van audiovisuele mediadiensten tegen de achtergrond van veranderende marktomstandigheden

Document- en procedurenummers

COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

CULT

9.6.2016

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

IMCO

9.6.2016

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Emma McClarkin

17.6.2016

Behandeling in de commissie

10.10.2016

9.11.2016

28.11.2016

 

Datum goedkeuring

5.12.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Sergio Gaetano Cofferati, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Dennis de Jong, Pascal Durand, Vicky Ford, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Liisa Jaakonsaari, Philippe Juvin, Antonio López-Istúriz White, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Catherine Stihler, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jussi Halla-aho, Anna Hedh, Kaja Kallas, Emma McClarkin, Roberta Metsola, Julia Reda

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrejs Mamikins, Andrey Novakov, Tonino Picula, Traian Ungureanu

(1)

“audiovisuele mediadiensten en gerelateerde consumentenapparatuur met geavanceerde computerfuncties”, Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten, COM(2015) 615 final, 2015/0278(COD)


ADVIES van de Commissie juridische zaken (16.1.2017)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie

(COM(2016)0287 – C8-0193/2016 – 2016/0151(COD))

Rapporteur voor advies: Daniel Buda

BEKNOPTE MOTIVERING

Het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van de veranderende marktsituatie strekt tot modernisering van het audiovisuele medialandschap met het oog op de veranderingen op de markt, in het consumptiegedrag en in de technologie. De toenemende convergentie tussen televisie en via internet aangeboden diensten en nieuwe bedrijfsmodellen zoals video op aanvraag en door gebruikers gegenereerde inhoud nopen tot herziening van de werkingssfeer van de AVMSD, en van de regels die voor alle marktdeelnemers gelden, waaronder de regels inzake bescherming van minderjarigen en inzake reclame.

In zoverre maakt het voorstel deel uit van de op 6 mei 2015 uitgebrachte strategie voor een digitale eengemaakte markt, en bouwt het voort op de resultaten van de REFIT-evaluatie die de Commissie in haar werkprogramma voor 2015 had aangekondigd. Dit gemoderniseerde rechtskader moet voor evenwicht zorgen tussen concurrentievermogen en consumentenbescherming, toegang tot online-inhoudsdiensten vergemakkelijken en een adequaat en uniform beschermingsniveau waarborgen vooral ten behoeve van minderjarigen en burgers tegen schadelijke inhoud en haatzaaien op internet.

Het voorstel richt zich specifiek op de volgende drie primaire doelstellingen: a) bescherming van minderjarigen en consumenten op videoplatforms; b) bevordering van een gelijk speelveld voor nationale omroepen en audiovisuele mediadiensten op aanvraag en videoplatforms; en c) vereenvoudiging van het wetgevingskader door duidelijker en flexibeler regels inzake commerciële boodschappen.

De AVMSD bestrijkt op dit moment omroepen en sommige videodiensten op aanvraag en verlangt dat de lidstaten minimumregels uitvaardigen ter regulering van audiovisuele mediadiensten op specifieke gecoördineerde gebieden. De richtlijn hanteert daarbij het oorsprongslandbeginsel voor regulering van mediadiensten binnen zijn werkingssfeer, met enkele uitzonderingen om misbruik tegen te gaan. In het nieuwe voorstel worden ook videoplatforms binnen die werkingssfeer gebracht, met nieuwe verplichtingen voor diensten op aanvraag.

Het voorstel wil ook de normen ter bescherming van minderjarigen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten, voor zowel tv-omroep als diensten op aanvraag op één lijn brengen. Daarnaast wordt een kwantitatieve norm ingevoerd om te verzekeren dat diensten op aanvraag Europese inhoud bevorderen alsook de mogelijkheid dat lidstaten financiële verplichtingen opleggen aan op hun grondgebied gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag, en onder omstandigheden ook aan in een andere lidstaat gevestigde aanbieders van diensten op aanvraag die tot het grondgebied van die lidstaat zijn gericht, een en ander om een gelijk speelveld te bewerkstelligen. Tevens komt er meer flexibiliteit voor alle audiovisuele mediadiensten, ook TV-omroepdiensten ten aanzien van productplaatsing en sponsorschap, waarmee evenwicht wordt gebracht tussen concurrentievermogen en consumentenbescherming. Tenslotte worden ook videoplatforms, die geen redactionele verantwoordelijkheid dragen voor inhoud die erop wordt opgeslagen, maar die dergelijke inhoud wel organiseren, onder de werkingssfeer van de richtlijn gebracht, met regels inzake bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud, en van alle burgers tegen haatzaaien.

Uw rapporteur is van mening dat dit voorstel ook strekt tot effectieve handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Het produceren en bevorderen van Europese werken is een belangrijke doelstelling en de culturele diversiteit in Europe kan worden gewaarborgd door een hoog niveau van auteursrechtelijke bescherming die de auteur en de rechthebbende van een eerlijke beloning verzekert en tevens investeringen in de culturele en creatieve sector stimuleert. In zoverre zijn zowel het territorialiteitsbeginsel als de door exclusieve rechten gevormde waarde belangrijke elementen voor het succes en de financiële levensvatbaarheid van de audiovisuele sector, rekening houdende met de eigenheden en specifieke belangen van de kleine en middelgrote lidstaten en ook hun culturele achtergrond en diversiteit.

De Rapporteur meent dat de nieuwe regels in het wijzigingsvoorstel ook moeten zorgen voor naleving van het Unierecht, voor eerbiediging van de grondrechten van de Europese burger en van het evenredigheidsbeginsel, en voor transparantie.

Wat bovendien de maatregelen tegen schadelijke inhoud en haatzaaien betreft moet voor ogen worden gehouden dat de vrije meningsuiting een grondrecht is maar niet mag worden gebruikt om zulke praktijken te dekken.

Waar het gaat om de uitbreiding van het regulerende bereik van richtlijn 2010/13/EU acht de Rapporteur het belangrijk dat lineaire en non-lineaire audiovisuele mediadiensten op één lijn worden gebracht. De rechten en plichten van de traditionele diensten moeten op een lijn worden gebracht met die van de aanbieders van nieuwe media; dit is een aspect dat bij de herziening van de AVMSD moet worden meegenomen.

Concluderend is de Rapporteur ingenomen met het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van de veranderende marktsituatie, en hij stelt de volgende amendementen voor die de rol van de audiovisuele mediasector op economisch, sociaal en cultureel terrein moeten versterken.

AMENDEMENTEN

De Commissie juridische zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden.

(1)  De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad27, later gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad28, vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad29. Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd als gevolg van de steeds toenemende convergentie van televisie en internetdiensten. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten mogelijk en kunnen gebruikers andere ervaringen ondergaan. De kijkgewoontes, met name van de jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening. Nieuwe types inhoud, zoals korte video's of door gebruikers gegenereerde inhoud, worden echter van steeds groter belang, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden. Er is daarom een gemoderniseerd rechtskader nodig om recht te doen aan de ontwikkelingen op de markt, en om evenwicht te brengen tussen toegankelijkheid van online-inhoudsdiensten, consumentenbescherming en concurrentievermogen.

__________________

__________________

27 Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

27 Richtlijn 89/552/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

28 Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

29 Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van dergelijke feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2010/13/EU bedoelde samenwerkingsprocedures is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) dient daarom te worden gemachtigd om op verzoek van de Commissie adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken.

(5)  Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van dergelijke feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2010/13/EU bedoelde samenwerkingsprocedures is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Commissie moet de Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA), samengesteld uit de onafhankelijke nationale reguleringsinstanties op het gebied van audiovisuele mediadiensten, kunnen vragen om niet-bindende adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken met het oog op de coördinatie met de wetgeving van de lidstaten.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda"31 heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zal kijken naar zowel regelgevende maatregelen als goed doordachte niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering32. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld betreffende onder de richtlijn vallende gebieden, is gebleken dat deze overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering goed doordacht zijn. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied wordt beschouwd als sleutel van het succes bij de bevordering van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. Van even groot belang is dat deze gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, transparante en onafhankelijke controle en evaluatie van de doelstellingen mogelijk is. Stapsgewijze sancties, waarbij rekening wordt gehouden met de evenredigheid, worden doorgaans beschouwd als doeltreffende benadering ten aanzien van de handhaving van een regeling. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op volgens deze richtlijn gecoördineerde gebieden.

(7)  In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda"31 heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zal kijken naar zowel regelgevende maatregelen als goed doordachte niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering32. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld betreffende onder de richtlijn vallende gebieden, is gebleken dat deze overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering goed doordacht zijn en bruikbare alternatieven of aanvullingen voor wetgeving bieden. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied wordt beschouwd als sleutel van het succes bij de bevordering van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. De lidstaten moeten zorgen voor handhaving van zelf- of coregulerende gedragscodes . Van even groot belang is dat deze gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, efficiënte, transparante en onafhankelijke controle en evaluatie van de doelstellingen mogelijk is. Stapsgewijze sancties, waarbij rekening wordt gehouden met de evenredigheid, worden doorgaans beschouwd als doeltreffende benadering ten aanzien van de handhaving van een regeling. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op volgens deze richtlijn gecoördineerde gebieden.

__________________

__________________

31 COM(2015) 215 final.

31 COM(2015) 215 final.

32 https://ec.europa.eu/digital-single-market/communities/better-self-and-co-regulation.

32 https://ec.europa.eu/digital-single-market/communities/better-self-and-co-regulation.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Teneinde de samenhang te waarborgen en het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten duidelijkheid te verschaffen, dient het begrip "aanzetten tot haat" op passende wijze te worden afgestemd op de definitie van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, waarin haatzaaiende uitlatingen worden gedefinieerd als "het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat". Daartoe dienen ook de gronden waarop het aanzetten tot geweld of haat is gebaseerd op elkaar aan te sluiten.

(8)  Teneinde de samenhang te waarborgen en de Europese burger, het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten duidelijkheid te verschaffen, dient het begrip "aanzetten tot haat" op passende wijze te worden afgestemd op de definitie van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door