Procedure : 2016/2064(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0200/2017

Ingediende teksten :

A8-0200/2017

Debatten :

PV 14/06/2017 - 17
CRE 14/06/2017 - 17

Stemmingen :

PV 15/06/2017 - 7.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0270

VERSLAG     
PDF 649kWORD 127k
22.5.2017
PE 597.724v02-00 A8-0200/2017

over de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Begrotingscommissie

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteurs: José Manuel Fernandes, Udo Bullmann

(Gezamenlijke commissieprocedure – Artikel 55 van het Reglement)

Rapporteurs voor advies (*):Marian-Jean Marinescu, Commissie industrie, onderzoek en energie

Inés Ayala Sender en Dominique Riquet, Commissie vervoer en toerisme

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - Artikel 54 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
MOTIVERING - SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN DE BEVINDINGEN
 ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (*)
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (*)
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

MOTIVERING - SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN DE BEVINDINGEN

In juli 2015 trad de Verordening betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen in werking. Voorafgaand werden intensieve – zowel wat inhoud als tijd betreft – onderhandelingen gevoerd tussen de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement. Bij deze onderhandelingen pleitte het Europees Parlement voor een reeks politieke en technische aanpassingen en is het erin geslaagd het voorstel van de Commissie, waarover eerst onderhandeld was met de Europese investeringsbank, aanzienlijk te verbeteren.

Een terugblik: Wat heeft het Europees Parlement bereikt in de trialoog-onderhandelingen?

In een opmerkelijk sfeer van goede samenwerking tussen de fracties heeft het Europees Parlement gedurende 66 uur trialoog-onderhandelingen de volgende zaken bereikt:

•  dat het EFSI daadwerkelijke additionaliteit genereert. Veel projecten die de Europese economie vooruit zouden kunnen hulpen, zoals investeringen in energie-efficiëntie, breedband en vervoer, ontbreekt het aan financiering omdat zij eenvoudigweg te riskant zijn. Het Europees Parlement heeft, middels subsidiabiliteitscriteria, investeringsrichtsnoeren en een scorebord, duidelijke richtsnoeren geïntroduceerd voor de selectie van projecten, zodat toekomstgerichte investeringen het heldere streefdoel van het EFSI vormen.

•  dat de financiering van 8 miljard euro voor het EU-garantiefonds werd veiliggesteld door middel van 1 miljard extra financiering uit de marges (dat wil zeggen 'nieuwe' kredieten), hetgeen ertoe heeft geleid dat op zowel Horizon 2020 als de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen 500 miljoen euro minder is bezuinigd (in vergelijking met het oorspronkelijke Commissievoorstel). Met dit bedrag kwam de totale bijdrage uit de marges op 3 miljard euro, terwijl de bijdrage vanuit de beide programma's dienovereenkomstig werd verminderd.

•  een krachtige interediaire structuur. Gezien de door de lidstaten verkondigde onwil om aan de EFSI-structuur bij te dragen en gezien de succesvolle rol die nationale stimuleringsbanken reeds nu al vervullen in Europa, heeft het Europees Parlement de speelruimte van het EFSI vergroot door een intermediaire structuur te introduceren.

•  steun voor kmo's. Kmo's vormen de drijvende kracht achter groei en werkgelegenheid en moeten daarom van het EFSI profiteren, in het bijzonder, doch niet uitsluitend via het kmo-loket van het EIF.

•  een aanzienlijke bijdrage aan economische, sociale en territoriale cohesie, evenals stimulering van de werkgelegenheid.

•  voorkoming van een sterke geografische en thematische concentratie van EFSI-interventies.

•  dat de Europese investeringsadvieshub (EIAH) kosteloos deskundigheid verstrekt aan projectontwikkelaars, terwijl de aan kmo's berekende tarieven maximaal een derde van hun kosten mogen bedragen, zodat een eerlijke toegang tot EFSI-financiering in de hele Unie wordt gewaarborgd.

•  de uitbreiding van de garantie naar projecten in derde landen.

Het Europees Parlement is erin geslaagd de mogelijkheden van het EFSI uit te breiden, zodat het fonds kan bijdragen tot groei en banen door toekomstgerichte investeringen te bevorderen, die in het aanvankelijke door de Commissie ingediende en door de Raad verdedigde voorstel geen prominente plaats innamen.

Wat is de stand van zaken na 1,5 jaar EFSI?

Het EFSI is circa 1,5 jaar geleden in werking getreden. Hoewel deze tijdsduur geen uitgebreide of definitieve beoordeling mogelijk maakt, kan op basis van verzameld bewijsmateriaal wel een eerste indicatie worden gegeven van hoe de verordening ten uitvoer is gelegd.

De algemene indruk is dat het EFSI, vanuit een kwantitatief oogpunt, de verwachte resultaten heeft behaald wat betreft het streefdoel van 315 miljard euro binnen de vastgestelde tijdsduur. De resultaten van het kmo-loket hebben de verwachtingen zelfs ruimschoots overtroffen. Vanuit een kwalitatief oogpunt zijn er evenwel zorgen ten aanzien van de vraag of de tenuitvoerlegging van de verordening volledig in overeenstemming was met hetgeen de medewetgevers beoogden. In plaats van voor de bevordering van baanbrekende projecten gebruikte de EIB de EU-garantie eveneens voor de bevordering van projecten waarvan kan worden betwijfeld of zij voldoen aan de vastgestelde selectiecriteria. Het lijkt erop dat de EIB, in plaats van samen te werken met nationale stimuleringsbanken om de beste projecten in Europa te vinden en hen gedurende de gehele projectcyclus bij te staan, de concurrentie met deze actoren opzoekt. In plaats van proactieve samenwerking met het Europees Parlement, is de informatievoorziening niet optimaal geweest.

Deze indruk wordt gestaafd door diverse studies, beoordelingen en evaluaties met betrekking tot het EFSI. In de prominentste en recentste onafhankelijke effectbeoordeling, die in opdracht en op kosten van de Europese Commissie is uitgevoerd, wordt geconcludeerd dat er bij de tenuitvoerlegging van het EFSI door de Europese Investeringsbank sprake is van diverse tekortkomingen.

De belangrijkste bevindingen van de verschillende evaluaties en rapporten zijn de volgende:

•  Relevantie. Ondanks de persisterende financieringskloof is het EFSI relevant gebleken voor de aanpak van investerings- en marktbehoeften in Europa, doordat het zich concentreert op de eis van financiering van risicovolle projecten.

•  Multiplicator en privaat kapitaal. Met een portefeuille met een multiplicatorfactor van 14,1 voor ondertekende verrichtingen en een mobilisatiepercentage van 63 % aan privaat kapitaal, heeft het EFSI bijgedragen aan een grotere toegang tot financiering en een grotere mobilisatie van privaat kapitaal.

•  Additionaliteit. Hoewel de hoeveelheid door de EIB ondertekende verrichtingen sinds 2012 in grote lijnen gelijk is gebleven (circa 75 miljard euro), is de hoeveelheid bijzondere activiteiten aanzienlijk toegenomen (van circa 4 miljard euro in 2013 tot een beoogde 20-24 miljard euro in 2016/18. Bovendien namen voor de periode tot 30 juni 2016 nieuwe partners 85 % van de ondertekende verrichtingen in het kader van het infrastructuur- en innovatieloket voor hun rekening, en 38 % van die in het kader van het kmo-loket. Ondanks deze cijfers lijkt het erop dat niet alle via het EFSI ondersteunde projecten daadwerkelijk additionaliteit genereerden. Respondenten van de uitgevoerde enquêtes en vraaggesprekken wezen erop dat sommige van de gefinancierde projecten ook zonder EFSI-steun hadden kunnen worden gefinancierd. Voor andere projecten gold dat de investering niet van dezelfde omvang had kunnen zijn als met de steun uit het EFSI. Niettemin wordt in de studie geconcludeerd dat het risicogedrag van de EIB ten aanzien van haar EFSI-activiteiten in de loop der tijd licht is verbeterd.

•  Complementariteit met andere EU-financieringsbronnen. De belangrijkste problemen lijken betrekking te hebben op het maken van onderscheid tussen de doelstellingen en voorwaarden van EFSI-financiering enerzijds en die van andere en soortgelijke financieringsbronnen anderzijds, hetgeen tot concurrentie met andere EU‑fondsen leidt. Dit geldt in het bijzonder voor de complementariteit ten aanzien van schuldinstrumenten in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), die gericht zijn op hetzelfde soort projecten dat door het EFSI gefinancierd zou kunnen worden in het kader van het infrastructuur- en innovatieloket, alsook voor de complementariteit ten aanzien van bepaalde door het EIB beheerde instrumenten die onder Horizon 2020 vallen. Bovendien is er sprake van een hoge mate van complementariteit ten aanzien van Cosme en InnovFin in het kader van het kmo-loket. Niettemin hebben sommige begunstigden aangegeven dat het EFSI aantrekkelijk is omdat het goedkoper is in vergelijking met andere investeerders, en omdat het een langere leentermijn hanteert dan alternatieve steuninstrumenten. Wat de ESI-fondsen betreft is het bekend dat het combineren van het EFSI met de ESI-fondsen een meerwaarde oplevert; regelgevingskwesties compliceren deze combinatie evenwel.

•  Scorebord. De toepassing van het scorebord vertoont tekortkomingen. Wat de toegevoegde waarde betreft geeft de EIB projecten scores op basis van verschillende criteria, zoals de bijdrage aan de EFSI-doelstellingen, additionaliteit, economische en technische haalbaarheid van de projecten en maximalisering van private investeringen. De minimumdrempel per criterium en de weging ervan lijken evenwel niet duidelijk te zijn gedefinieerd.

•  Efficiëntie van de procedure. Wat de goedkeuring ervan betreft is EFSI-steun effectief (een derde van de verwachte investeringen werd gegenereerd na een derde van de aanvankelijk beoogde looptijd van het fonds). Niettemin hebben begunstigden en intermediairs erop gewezen dat de goedkeuringsprocedure en het proces van zorgvuldig onderzoek moeten worden versneld.

•  Geografische spreiding. Er is gezorgd voor een brede spreiding, zowel over de verschillende sectoren als over de verschillende lidstaten. Bij nadere beschouwing van de situatie op 30 juni 2016 blijkt evenwel dat de EFSI-steun niet gelijk is verdeeld: de EU-15 ontving 91 % van de EFSI-steun, terwijl de EU-13 slechts 9 % ontving (exlusief meerlandenprojecten). In het kader van het infrastructuur- en innovatieloket ontvingen het VK, Italië en Spanje 63,4 %, terwijl Italië, Frankrijk en Duitsland 36,1 % van de totale EFSI-steun in het kader van het kmo-loket ontvingen.

•  Sectorale spreiding. Wat de sectoren betreft bestreken de in het kader van het infrastructuur- en innovatieloket ondertekende verrichtingen zeven EFSI-sectoren. Van deze sectoren nam de energiesector het grootste aandeel voor zijn rekening, met 46 % van de totale EFSI-financiering in het kader van het infrastructuur- en innovatieloket; hiermee werd de in de strategische oriëntatie van het EFSI vastgelegde indicatieve concentratielimiet voor sectoren van 30 % overschreden. De in het kader van het kmo-loket ondertekende verrichtingen omvatten vier EFSI-sectoren. Van deze sectoren nam de sector onderzoek, ontwikkeling en innovatie het grootste aandeel voor zijn rekening, met 69% van de totale EFSI-financiering in het kader van het kmo‑loket.

•  Investeringsplatforms. Bij het opzetten van investeringsplatforms werden ernstige moeilijkheden ondervonden (een jaar na de inwerkingtreding van de verordening was nog geen enkel investeringsplatform opgericht), en er moet intensiever naar worden gestreefd om in het kader van de EIAH op dit terrein technische bijstand te bieden. Bovendien is het niet voor alle belanghebbenden duidelijk welke rol de EIB binnen deze platforms zou spelen. Ondervraagden gaven eveneens te kennis dat er veel vraag is naar innovatieve projecten die zich onder de minimumdrempel voor EFSI-projecten in het kader van het infrastructuur- en innovatieloket bevinden. Het lijkt erop dat onvoldoende wordt ingesprongen op de behoefte aan financiering van kleinere projecten door het opzetten van platforms of door de middelen via financiële intermediairs te verspreiden.

•  Communicatie en zichtbaarheid. Er moet aan belanghebbenden meer voorlichting over het EFSI worden gegeven om bewustzijn te creëren, zodat eveneens de samenwerking met nationale stimuleringsbanken en lokale actoren kan worden verbeterd.

•  EIAH. Er is vastgesteld dat meer voorlichting en bewustmaking over mogelijke diensten nodig zijn, terwijl de capaciteit moet worden vergroot en de banden met andere dienstverleners moeten worden versterkt.


ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 14,

–  gezien Verordening (EU) nr. 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad(1) (de EFSI-Verordening),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, en de Europese Rekenkamer over het beheer van het garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen van 31 mei 2016 (COM(2016)0353),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 1 juni 2016 (COM(2016)0359),

–  gezien het jaarverslag van de Europese Investeringsbank aan het Europees Parlement en de Raad over financierings- en investeringsverrichtingen van de EIB-groep in het kader van het EFSI in 2015(2),

–  gezien de evaluatie van het werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2016)0297, de evaluatie van de functionering van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) door de Europese Investeringsbank(3), de ad‑hocaudit door Ernst & Young van de toepassing van Verordening (EU) nr. 2015/1017(4) en het advies van de Europese Rekenkamer(5),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) 2015/1017 (COM(2016)0597),

  gezien de Overeenkomst van Parijs, aangenomen tijdens de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die in december 2015 in Parijs, Frankrijk, werd gehouden,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van Bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0200/2017),

1.  neemt kennis van de grote investeringskloof in Europa, die door de Commissie wordt geraamd op ten minste 200-300 miljard EUR per jaar; wijst tegen deze achtergrond in het bijzonder op de behoefte in Europa aan financiering van projecten met een hoog risico, met name op het gebied van financiering voor kmo's, O&O, ICT en vervoer, communicatie en energie-infrastructuur, die noodzakelijk zijn om een inclusieve economische ontwikkeling te bevorderen; is bezorgd over het feit dat de meest recente gegevens over nationale rekeningen niet duiden op een toename van investeringen sinds de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), hetgeen doet vrezen dat de groei laag en de werkloosheid hoog zal blijven, met name bij de jeugd en de nieuwe generaties; benadrukt dat het dichten van deze investeringskloof door op verschillende strategische gebieden voor een gunstig investeringsklimaat te zorgen, van essentieel belang is voor de opleving van de groei, de bestrijding van de werkloosheid, de bevordering van de ontwikkeling van een sterke, duurzame en concurrerende industrie en de verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen voor de lange termijn;

2.  benadrukt de rol van het EFSI bij het oplossen van moeilijkheden en het wegnemen van belemmeringen in verband met financiering, alsook bij de verwezenlijking van strategische, transformerende en productieve investeringen met een grote economische, ecologische en maatschappelijke meerwaarde, bij de hervorming en modernisering van de economieën van de lidstaten, bij het scheppen van groei en banen waarvoor ondanks de economische haalbaarheid ervan geen marktfinanciering kan worden aangetrokken, en bij de bevordering van private investeringen in alle regio's van de EU;

3.  herinnert aan de rol van het Parlement als voorzien in de verordening, in het bijzonder wat betreft het toezicht op de tenuitvoerlegging van het EFSI; erkent niettemin dat het te vroeg is voor een uitgebreide definitieve beoordeling van de werking van het EFSI en de effecten ervan op de economie van de EU, maar is wel van mening dat een voorlopige evaluatie op basis van uitvoerige gegevens over de geselecteerde en verworpen projecten en de desbetreffende besluiten van essentieel belang is om mogelijke verbeterpunten voor EFSI 2.0 en de periode daarna vast te stellen; dringt er bij de Commissie op aan met een uitgebreide evaluatie te komen zodra de desbetreffende informatie beschikbaar is;

Additionaliteit

4.  herinnert eraan dat het EFSI ten doel had additionaliteit te waarborgen door situaties waarin sprake is van marktfalen of suboptimale investeringen aan te pakken, door verrichtingen te ondersteunen die niet, of niet in dezelfde mate, hadden kunnen worden uitgevoerd in het kader van de bestaande financiële instrumenten van de Unie of met private middelen zonder betrokkenheid van het EFSI; merkt evenwel op dat het concept "additionaliteit" verder moet worden verduidelijkt;

5.  herinnert eraan dat door het EFSI ondersteunde projecten, die er overeenkomstig de in artikel 9 van de EFSI-verordening vermelde algemene doelstellingen naar streven werkgelegenheid, duurzame groei en economische, territoriale en sociale cohesie te verwezenlijken, worden geacht additionaliteit te bieden wanneer zij een risico dragen dat overeenkomt met de speciale activiteiten van de EIB, als omschreven in artikel 16 van de EIB-statuten en in de richtsnoeren voor kredietrisicobeleid van de EIB; herinnert eraan dat door het EFSI gesteunde projecten in de regel een hoger risicoprofiel dienen te hebben dan projecten die in het kader van de normale EIB-verrichtingen worden ondersteund; onderstreept dat EIB-projecten met een risico dat lager is dan het minimumrisico in het kader van speciale activiteiten van de EIB eveneens door het EFSI mogen worden ondersteund indien het gebruik van de EU-garantie noodzakelijk is om te zorgen voor additionaliteit;

6.  wijst erop dat terwijl alle in het kader van het EFSI goedgekeurde projecten worden gepresenteerd als "speciale activiteiten", in een onafhankelijke evaluatie is geconstateerd dat sommige van deze projecten hadden kunnen worden gefinancierd zonder gebruik te maken van de EU-garantie;

7.  dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de EIB en de bestuursstructuren van het EFSI, een inventaris op te maken van alle door de EU ondersteunde EIB-financieringen die onder de additionaliteitscriteria vallen, en duidelijk en uitgebreid te motiveren waarom niet op een andere manier aan deze criteria had kunnen worden voldaan;

8.  merkt op dat zich in zoverre tegenstellingen kunnen voordoen tussen de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen van het EFSI dat de EIB minder risicovolle projecten zou kunnen financieren waarvoor reeds belangstelling bij investeerders bestaat, zodat de doelstelling voor het aantrekken van particuliere investeringen kan worden gehaald; spoort de bestuursstructuren van de EIB en het EFSI aan daadwerkelijke additionaliteit als gedefinieerd in artikel 5 van de EFSI-verordening te realiseren en ervoor te zorgen dat situaties waarin sprake is van marktfalen of suboptimale investeringen, volledig worden aangepakt;

9.  dringt er bij de EIB op aan transparantie te waarborgen in het beheer van het fonds en met betrekking tot de herkomst van elke bijdrage van overheden, particulieren en derden, en tevens concrete gegevens te verstrekken, onder meer over specifieke projecten en over buitenlandse investeerders, en wijst op de verslagleggingsvereisten ten aanzien van het Parlement uit hoofde van de EFSI-verordening; wijst er nogmaals op dat alle derde landen die in de toekomst mogelijk willen bijdragen, moeten voldoen aan alle EU-regels inzake overheidsopdrachten, arbeidsrecht en milieuregelgeving en verwacht dat de sociale en milieucriteria die gelden voor EIB-projecten volledig worden geëerbiedigd in besluiten over de financiering van projecten met EFSI-middelen;

Scorebord en projectselectie

10.  wijst erop dat, overeenkomstig de verordening, alvorens een project kan worden geselecteerd, het moet worden onderworpen aan een zorgvuldig onderzoek en besluitvormingsprocedures binnen de bestuursstructuren van zowel de EIB als het EFSI; stelt vast dat projectontwikkelaars hebben aangedrongen op snelle feedback en meer transparantie wat betreft zowel de selectiecriteria als het bedrag en de soort/tranche mogelijke EFSI-steun; dringt erop aan voor meer duidelijkheid te zorgen teneinde projectontwikkelaars aan te moedigen EFSI-steun aan te vragen, onder andere door het scorebord beschikbaar te maken voor aanvragers van EFSI-financiering; dringt erop aan het besluitvormingsproces transparanter te maken wat betreft de selectiecriteria en de financiële steun, en dit proces te bespoedigen en tegelijkertijd zorg te blijven dragen voor een gedegen zorgvuldigheidsonderzoek teneinde EU-middelen te beschermen; onderstreept dat een gezamenlijke procedure voor zorgvuldig onderzoek van de EIB en de nationale stimuleringsbanken of een delegatie ervan door de EIB aan de nationale stimuleringsbanken dient te worden aangemoedigd teneinde het evaluatieproces te vereenvoudigen, met name voor investeringsplatforms;

11.  is van mening dat de criteria op grond waarvan projecten en in aanmerking komende partners worden beoordeeld, verder moeten worden verduidelijkt; verzoekt de bestuursorganen van het EFSI om nadere informatie te verstrekken over de evaluaties die zijn uitgevoerd met betrekking tot alle in het kader van het EFSI goedgekeurde projecten, in het bijzonder wat betreft de additionaliteit ervan, de mate waarin zij hebben bijgedragen tot duurzame groei, en de capaciteit om banen te scheppen, als gedefinieerd in de verordening; dringt, wat betreft in aanmerking komende partners, aan op strenge corporate governanceregels waar dergelijke entiteiten aan moeten voldoen om als EFSI-partner te worden goedgekeurd, in overeenstemming met de EU‑beginselen en de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

12.  herinnert eraan dat het scorebord een instrument is waarmee het investeringscomité het gebruik van de EU-garantie kan prioriteren voor verrichtingen met hogere scores en een hogere meerwaarde, en dat het dienovereenkomstig door het investeringscomité moet worden gebruikt; is voornemens te beoordelen of het scorebord en de bijbehorende indicatoren op deugdelijke wijze worden geraadpleegd, toegepast en gebruikt; dringt erop aan de criteria voor de selectie van projecten correct toe te passen en dit proces transparanter te maken; herinnert eraan dat het investeringscomité overeenkomstig de bijlage bij de huidige verordening bij de prioritering van projecten evenveel belang moet toekennen aan elke pijler van het scorebord ongeacht of de individuele pijler een numerieke score bevat of bestaat uit kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren zonder score; betreurt dat in de huidige scoreborden aan de derde pijler, die betrekking heeft op technische aspecten van de projecten, evenveel belang wordt toegekend als aan de eerste en tweede pijler die betrekking hebben op de belangrijkere gewenste resultaten; uit kritiek op het feit dat de EIB zelf toegeeft dat het investeringscomité uitsluitend gebruik maakt van de 4e pijler voor informatiedoeleinden, niet voor besluitvorming; pleit ervoor dat scoreborden, met uitzondering van commercieel gevoelige informatie, openbaar worden gemaakt nadat een definitief besluit over een project is genomen;

13.  erkent dat het enkele jaren kan duren om nieuwe innovatieve projecten op te zetten, dat de EIB onder druk staat om de doelstelling van 315 miljard EUR te halen en dat zij daarom wel moest besluiten om onmiddellijk met EFSI-activiteiten te starten; is evenwel bezorgd over het feit dat de EIB bij de tenuitvoerlegging van het EFSI tot dusver grotendeels heeft geput uit haar bestaande projectenbestand met projecten waar een lager risico aan is verbonden, waarbij zij haar eigen conventionele financiering heeft verlaagd; vreest dat het EFSI geen aanvullende financiering biedt voor innovatieve projecten met een hoog risico; onderstreept evenwel dat zelfs wanneer een project voldoet aan de criteria van een speciale activiteit, dit niet noodzakelijkerwijs betekent dat het risicovol van aard is; benadrukt echter dat de indeling als een speciale activiteit eveneens kan voortkomen uit het feit dat de financiering van het project kunstmatig op risicovolle wijze is gestructureerd, zodat projecten met een zeer laag risico gemakkelijk in projecten met een hoog risico kunnen transformeren; benadrukt dat de projectcriteria in geen geval mogen worden versoepeld om de beleidsdoelstelling van 315 miljard EUR aan gegenereerde investeringen te halen;

14.  verzoekt de EIB een raming te geven van haar potentiële jaarlijkse kredietverleningscapaciteit op de middellange termijn, en daarbij rekening te houden met het EFSI en mogelijke ontwikkelingen op het gebied van regelgeving; verzoekt de EIB tevens haar eigen kredietverleningsactiviteiten voort te zetten met 70 à 75 miljard EUR per jaar, daarbij gebruikmakend van winsten, terugbetalingen uit de programma's enz., en het EFSI als een aanvullend instrument te gebruiken; wijst erop dat dit zou betekenen dat het volume van de EIB-verrichtingen zou toenemen tot in het totaal ten minste 90 miljard EUR in plaats van 75 miljard EUR;

15.  acht het van belang te bespreken of de beoogde hefboomwerking van 15 voldoet om het EFSI in staat te stellen kwalitatief hoogwaardige projecten met een hoger risico te ondersteunen, en dringt er bij de Commissie op aan een desbetreffende effectbeoordeling uit te voeren; herinnert eraan dat deze hefboomwerking van 15 gebaseerd is op de hele portefeuille en de financieringservaringen van de EIB weerspiegelt, met het oog op het aanpakken van marktfalen; pleit ervoor meer belang te hechten aan de verwezenlijking van openbare doelstellingen door het EFSI, in aanvulling op de volume-eisen; stelt voor eveneens rekening te houden met de doelen van de Unie die op de klimaatconferentie van Parijs (COP21) zijn vastgesteld; verzoekt de EIB de tot dusver gerealiseerde hefboomwerking en de daaraan ten grondslag liggende berekeningsmethoden bekend te maken;

16.  benadrukt dat kleinschalige projecten vaak moeilijk toegang hebben tot de benodigde financiering; merkt bezorgd op dat ontwikkelaars van kleine projecten worden afgeschrikt om EFSI-financiering aan te vragen, of zelfs te horen krijgen dat zij niet in aanmerking komen voor financiering, vanwege hun omvang; wijst op het aanzienlijke effect dat een klein project desalniettemin op nationaal en regionaal niveau kan hebben; benadrukt dat het noodzakelijk is de beschikbare technische bijstand van de Europese investeringsadvieshub (EIAH) uit te breiden, aangezien deze een middel vormt om ontwikkelaars van kleinschalige projecten te adviseren over en te begeleiden bij het structureren en het bundelen van projecten door middel van investeringsplatforms of kaderovereenkomsten; dringt er bij het bestuur op aan deze kwestie te bekijken en met voorstellen te komen om deze situatie te verhelpen;

Sectorale diversificatie

17.  benadrukt dat het EFSI een vraaggestuurd instrument is, dat niettemin geleid moet worden door in de verordening uiteengezette en door het bestuur gedefinieerde politieke doelstellingen; dringt aan op meer voorlichting en informatieverschaffing voor sectoren met een onbeantwoorde vraag naar investeringen die nog niet ten volle gebruik hebben kunnen maken van het EFSI; merkt in dit verband op dat in de EU op macro-economisch niveau meer maatregelen moeten worden genomen om de vraag naar investeringen te stimuleren;

18.  is ingenomen met het feit dat alle in de EFSI-verordening gedefinieerde sectoren EFSI-financiering hebben ontvangen; wijst er evenwel op dat bepaalde sectoren ondervertegenwoordigd zijn, met name in de sector sociale infrastructuur en de sectoren gezondheidszorg en onderwijs, waarvoor slechts 4 % van de in het kader van het EFSI goedgekeurde middelen is aangewend; merkt op dat hieraan verschillende redenen ten grondslag kunnen liggen, bijvoorbeeld het feit dat in sommige sectoren wellicht sprake was van een gebrek aan ervaring en technische kennis over de vraag hoe men toegang tot het EFSI krijgt, of dat deze sectoren reeds betere investeringskansen boden in de zin van direct uitvoerbare, financierbare projecten, toen het EFSI van start ging; dringt er tegen deze achtergrond bij de EIB op aan te bespreken hoe de sectorale diversificatie kan worden verbeterd en deze te koppelen aan de in de verordening uiteengezette doelstellingen, en eveneens te bekijken of EFSI-steun moet worden uitgebreid naar andere sectoren;

19.  herinnert eraan dat de door de EU onderschreven klimaatovereenkomst van de COP21 een omvangrijke verschuiving naar duurzame investeringen vereist en dat het EFSI dit ten volle moet steunen; benadrukt dat EFSI-investeringen in overeenstemming dienen te zijn met deze verbintenis; onderstreept dat de rapportagevereisten met betrekking tot de klimaatverandering moeten worden aangescherpt;

20.  wijst erop dat het noodzakelijk is het percentage middelen te verhogen dat wordt toegekend aan langetermijnprojecten zoals telecommunicatienetwerken of aan projecten met een relatief hoog risico dat kenmerkend is voor geavanceerdere nieuw opkomende technologieën; merkt op dat investeringen in breedbandinfrastructuur en 5G, cyberveiligheid, de digitalisering van de traditionele economie, micro-elektronica en krachtige computersystemen (high-performance computing, HPC) de digitale kloof kunnen helpen verkleinen;

21.  betreurt het ontbreken van grenswaarden met betrekking tot concentratie in de aanvankelijke opstartfase; herinnert eraan dat de vervoersector de grootste bijdrage heeft geleverd aan het EFSI-fonds, ter waarde van 2,2 miljard EUR op een totaal van 8 miljard EUR, hetgeen goed is voor meer dan 25 % van het totale garantiefonds; stelt met bezorgdheid vast dat de vervoersector slechts ongeveer 13 % van alle tot nu toe in het kader van het venster infrastructuur en innovatie van het EFSI ingezette en beschikbaar gemaakte investeringen heeft ontvangen, wat ver onder de grenswaarde van 30 % ligt die is ingesteld voor elke specifieke sector; verzoekt het investeringscomité bijzondere aandacht te besteden aan projecten in de vervoersector, aangezien deze nog steeds erg slecht vertegenwoordigd zijn in de investeringsportefeuille en vervoer een belangrijke rol speelt bij economische groei en consumentveiligheid;

Bestuur

22.  stelt vast dat de bestuursstructuren van het EFSI volledig ten uitvoer zijn gelegd binnen de EIB; is van mening dat er, teneinde de efficiëntie en controleerbaarheid van het EFSI te verbeteren, gesproken moet worden over opties om de bestuursstructuur van het EFSI volledig van die van de EIB te scheiden;

23.  herinnert eraan dat de algemeen directeur verantwoordelijk is voor het dagelijks bestuur van het EFSI, de voorbereiding en het voorzitterschap van de vergaderingen van het investeringscomité en de externe vertegenwoordiging; wijst erop dat de algemeen directeur wordt bijgestaan door de adjunct-algemeen-directeur; betreurt dat deze rollen, met name die van adjunct-algemeen-directeur, in de praktijk niet duidelijk zijn gedefinieerd; verzoekt de EIB na te denken over een duidelijkere definiëring van de taken van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur, teneinde transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen; vindt het belangrijk dat de algemeen directeur, bijgestaan door de adjunct-algemeen-directeur, verantwoordelijk blijft voor de opstelling van de agenda van de vergaderingen van het investeringscomité; suggereert voorts dat de algemeen directeur procedures moet opstellen om mogelijke belangenconflicten binnen het investeringscomité aan te pakken, verslag uit moet brengen aan het bestuur, en sancties moet voorstellen voor schendingen, evenals middelen om deze toe te passen; gelooft dat de uitvoering van deze taken de autoriteit van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur zou versterken, aangezien zij over een grotere autonomie ten aanzien van de EIB zouden beschikken; verzoekt de EIB dienovereenkomstig mogelijkheden na te gaan om de onafhankelijkheid van de directeur en de adjunct-algemeen-directeur te vergroten;

24.  herinnert eraan dat de deskundigen van het investeringscomité verantwoordelijk zijn voor de selectie van de EFSI-projecten, de verlening van de EU-garantie en voor de goedkeuring van verrichtingen met investeringsplatforms en nationale stimuleringsbanken of ‑instellingen; brengt voorts in herinnering dat zij onafhankelijk zijn; is daarom bezorgd over gedocumenteerde belangenconflicten van leden van het investeringscomité, die in de toekomst onder alle omstandigheden moeten worden vermeden;

25  is van mening dat de selectie van projecten niet transparant genoeg is; benadrukt dat de EIB de openbaarmaking van informatie over door haar in het kader van het EFSI goedgekeurde projecten moet verbeteren, met een deugdelijke verantwoording van de additionaliteit en het scorebord, alsook van de bijdrage van projecten aan de verwezenlijking van de EFSI-doelstellingen, met bijzondere aandacht voor het verwachte effect van EFSI-verrichtingen op de investeringskloof in de Unie;

26.  verzoekt de EIB na te denken over manieren waarop de samenwerking binnen het investeringscomité, via de algemeen directeur en het bestuur, kan worden verbeterd; acht het belangrijk dat de algemeen directeur blijft deelnemen aan de vergaderingen van het investeringscomité, hetgeen de algemeen directeur de gelegenheid zou bieden het investeringscomité op de hoogte te stellen van toekomstige activiteiten;

27.  stelt voor om manieren te bespreken om de transparantie van het EFSI-bestuur voor het Parlement te vergroten en het bestuur uit te breiden met een volwaardig lid dat door het Parlement wordt aangewezen; dringt er bij de bestuursorganen van het EFSI op aan om op proactieve wijze informatie te delen met het Parlement;

Nationale stimuleringsbanken

28.  herinnert eraan dat nationale stimuleringsbanken vanwege hun knowhow van essentieel belang zijn voor het welslagen van het EFSI, aangezien zij dicht bij de lokale markten staan en deze goed kennen; is van mening dat synergieën tot dusver niet voldoende zijn benut; ziet een risico op verdringing van lokale instellingen door de EIB en dringt er bij de EIB op aan haar vermogen om nationale en sub-nationale partners aan te trekken, te verbeteren; dringt er bij de EIB op aan de versterking van bestaande openbare bankstructuren te ondersteunen, teneinde de uitwisseling van goede praktijken en marktkennis tussen deze instellingen actief te bevorderen; is van mening dat nationale stimuleringsbanken ernaar moeten streven samenwerkingsovereenkomsten met het Europees Investeringsfonds (EIF) te sluiten; erkent dat het EFSI en de EIB in toenemende mate bereid zijn om meer junior/achtergestelde tranches te accepteren van de nationale stimuleringsbanken, en spoort hen aan dit te blijven doen; verzoekt de Commissie en de EIB te bespreken of het nuttig zou zijn om expertise van de nationale stimuleringsbanken in het bestuur te integreren;

Investeringsplatforms

29.  herinnert eraan dat gediversifieerde investeringen met een geografische of thematische focus mogelijk gemaakt moeten worden door te helpen projecten te financieren en projecten en middelen uit verschillende bronnen te bundelen; wijst erop dat het eerste investeringsplatform pas in het derde kwartaal van 2016 werd opgezet en dat de vertraging hierbij zowel de mogelijkheid van kleinschalige projecten om van het EFSI te profiteren als de ontwikkeling van grensoverschrijdende projecten belemmert; wijst met klem op de noodzaak om de regels voor de oprichting van investeringsplatforms te vereenvoudigen; dringt erop aan dat de EIB en de Europese investeringsadvieshub (EIAH) het gebruik van investeringsplatforms stimuleren als een manier om geografische en thematische diversifiëring te bewerkstelligen;

30.  dringt er bij de bestuursorganen van het EFSI op aan meer aandacht te besteden aan investeringsplatforms, teneinde de voordelen die deze kunnen bieden bij het beslechten van investeringsbelemmeringen, met name in de lidstaten met minder ontwikkelde financiële markten, te maximaliseren; verzoekt de EIB belanghebbenden, met inbegrip van nationale, lokale en regionale instanties, meer informatie over de platforms te verstrekken, alsook over de voorwaarden en criteria met betrekking tot de opzet ervan; erkent de rol van lokale en regionale autoriteiten bij het aanwijzen van strategische projecten en het bevorderen van deelname;

31.  stelt voor een debat te voeren over aanvullende manieren om investeringsplatforms te bevorderen, zoals het verlenen van prioriteit aan projecten die via een investeringsplatform worden gepresenteerd, de bundeling van kleinere projecten en groepscontracten, en de invoering van mechanismen om de bundeling van contracten te financieren; is van mening dat met name transnationale platforms moeten worden bevorderd, aangezien veel energie- en digitale projecten een transnationale dimensie hebben;

Financieringsinstrumenten

32.  herinnert eraan dat de EIB ten behoeve van het EFSI nieuwe financieringsinstrumenten heeft ontwikkeld teneinde maatproducten te bieden voor financiering met een hoog risico; dringt er bij de EIB op aan de toegevoegde waarde ervan verder te vergoten door meer aandacht te besteden aan risicovollere financiële producten, zoals achtergestelde financiering en kapitaalmarktinstrumenten; uit zijn bezorgdheid over de kritiek van projectontwikkelaars dat de geboden financieringsinstrumenten niet aansluiten op de behoeften van hun projecten (voor projecten met een hoog risico is vaak een voorfinanciering nodig om investeringen op gang te brengen, en geen op jaarbasis verstrekte kleinere bedragen) alsook over het feit dat investeerders aangeven op dit moment niet aan EFSI-financiering te kunnen deelnemen vanwege een gebrek aan passende private-equity-instrumenten; verzoekt de EIB dit in samenwerking met projectontwikkelaars en investeerders te onderzoeken; verzoekt de EIB voorts om te onderzoeken hoe de ontwikkeling van groene obligaties het potentieel van het EFSI kan maximaliseren bij de financiering van projecten die positieve milieu- en/of klimaateffecten hebben;

Geografische diversificatie

33.  is verheugd over het feit dat eind 2016 alle 28 landen EFSI-financiering hadden ontvangen; stelt niettemin bezorgd vast dat op 30 juni 2016 de EU-15 91 % van de EFSI-steun had ontvangen, terwijl de EU-13 slechts 9 % van deze steun ontving; betreurt dat de EFSI-steun hoofdzakelijk ten goede is gekomen aan een beperkt aantal landen waar de werkloosheid en de investeringstekorten reeds onder het EU-gemiddelde liggen; wijst erop dat binnen de begunstigde landen vaak sprake is van een ongelijke geografische verdeling van door het EFSI gefinancierde projecten; is van mening dat er sprake is van een risico op territoriale concentratie en onderstreept de noodzaak om meer aandacht te besteden aan minder ontwikkelde in alle 28 lidstaten; dringt er bij de EIB op aan meer technische bijstand te verlenen aan de landen die minder van het EFSI hebben geprofiteerd;

34.  erkent dat er een verband bestaat tussen het bbp en het aantal goedgekeurde projecten; stelt vast dat grotere lidstaten kunnen profiteren van beter ontwikkelde kapitaalmarkten en daarom meer kans hebben om te profiteren van een marktgedreven instrument als het EFSI; onderstreept dat de lagere EFSI-steun in de EU-13 te wijten kan zijn aan andere factoren, zoals de geringe omvang van projecten, de perifere geografische ligging van een bepaalde regio en concurrentie van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen); stelt evenwel bezorgd vast dat sommige landen buitenproportioneel hebben geprofiteerd en onderstreept de noodzaak om de geografische verdeling verder te diversifiëren, met name in cruciale sectoren, door modernisering en verbetering van de productiviteit en de duurzaamheid van de economie, met veel aandacht voor technologische ontwikkeling; verzoekt de Commissie nader onderzoek te doen naar de redenen voor de huidige geografische verdeling en deze in kaart te brengen;

Europese investeringsadvieshub (EIAH)

35.  hecht zeer veel belang aan de werking van de EIAH; is van mening dat de taak ervan om te fungeren als één centraal toegangspunt tot advies en technische bijstand gedurende alle fases van de projectcyclus grotendeels beantwoordt aan de groeiende behoefte van autoriteiten en projectontwikkelaars aan technische ondersteuning;

36.  is ingenomen met het feit dat de EIAH sinds september 2015 operationeel is, na een snelle implementatiefase te hebben doorlopen; erkent dat als gevolg van de korte bestaansduur en een gebrek aan personeel in de beginfase, niet alle EIAH-diensten volledig zijn ontwikkeld en dat de werkzaamheden hoofdzakelijk geconcentreerd waren op verlening van steun bij projectontwikkeling en ‑structurering, beleidsadvies en de screening van projecten; benadrukt dat de EIAH deskundigen uit verschillende sectoren moet aanwerven, teneinde zijn advies, communicatie en steun beter toe te spitsen op de sectoren die het EFSI niet optimaal benutten;

37.  is ervan overtuigd dat de EIAH een instrumentele rol kan vervullen bij de aanpak van de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het EFSI; is er stellig van overtuigd dat de EIAH zich hiertoe proactiever moet opstellen bij het verlenen van bijstand op gebieden zoals de opzet van investeringsplatforms, mede gezien het belang van deze platforms voor de financiering van kleinere projecten; benadrukt eveneens de rol van de EIAH bij het verlenen van advies over het combineren van andere bronnen van Uniefinanciering met EFSI-financiering;

38.  is evenzo van mening dat de EIAH actief kan bijdragen tot geografische en sectorale diversificatie, niet alleen door bij de verlening van zijn diensten alle regio's en meer sectoren te bestrijken, maar ook door de EIB bij te staan bij het opstarten van verrichtingen; is van mening dat de EIAH een belangrijke bijdrage kan leveren aan de doelstelling van economische, sociale en territoriale cohesie;

39.  herinnert eraan dat de EIAH overeenkomstig de EFSI-verordening een mandaat heeft om lokale kennis te stimuleren teneinde EFSI-steun in de gehele Unie te bevorderen; is van mening dat er op dit gebied aanzienlijke verbeteringen nodig zijn, met name meer samenwerking met de bevoegde nationale instanties; hecht grote waarde aan de verlening van diensten op lokaal niveau, mede om rekening te kunnen houden met specifieke situaties en lokale behoeften, met name in landen die niet over nationale stimuleringsinstellingen of ‑banken beschikken; is van mening dat banden met andere lokale dienstverleners moeten worden versterkt om hier rekening mee te kunnen houden;

40.  verwacht dat de EIAH zijn aanwervingsprocessen zonder verdere vertraging afrondt en zijn volle personeelssterkte bereikt; betwijfelt evenwel of de voorziene personeelscapaciteit voldoende zal zijn om de EIAH in staat te stellen de vereiste adviesdiensten te verstrekken en te beantwoorden aan de toegenomen werklast en een breder mandaat;

41.  benadrukt dat de EIAH zijn dienstenprofiel moet versterken, de communicatie moet verbeteren en bewustzijn en begrip ten aanzien van zijn activiteiten moet creëren onder de belanghebbenden van de EIAH; is van mening dat alle relevante communicatiekanalen moeten worden benut om dit doel te bereiken, ook op nationaal en lokaal niveau;

Europees investeringsprojectenportaal (EIPP)

42.  betreurt dat het Europees investeringsprojectenportaal (EIPP) pas op 1 juni 2016, bijna een jaar na goedkeuring van de EFSI-verordening, door de Commissie werd gelanceerd; wijst erop dat het portaal inmiddels operationeel is en momenteel 139 projecten bevat, maar is van mening dat het potentieel waarvan werd uitgegaan toen de EFSI-verordening werd aangenomen, nog bij lange na niet behaald is;

43.  is van mening dat het EIPP projectontwikkelaars een gebruiksvriendelijk platform biedt om de zichtbaarheid van hun investeringsprojecten op een transparante manier te vergroten; gelooft niettemin dat om het portaal tot een succes te maken de eigen zichtbaarheid ervan aanzienlijk moet worden vergroot, zodat het breed, onder zowel investeerders als projectontwikkelaars, wordt beschouwd als een nuttig, betrouwbaar en efficiënt instrument; dringt er bij de Commissie op aan hier actief naar te streven door krachtige communicatieactiviteiten te ontplooien;

44.  wijst erop dat de kosten in verband met opzet, ontwikkeling, beheer, ondersteuning en onderhoud en van het hosten van het EIPP momenteel gedekt worden door de EU‑begroting, binnen de jaarlijkse toewijzing van 20 miljoen EUR voor de EIAH; herinnert er evenwel aan dat de kosten die bij private projectontwikkelaars in rekening worden gebracht voor de registratie van hun project bij het portaal externe bestemmingsontvangsten voor het EIPP vormen en in de toekomst de voornaamste financieringsbron ervan zullen zijn;

Garantie

45.  herinnert eraan dat de Unie een onherroepelijke en onvoorwaardelijke garantie verleent aan de EIB voor financierings- en investeringsverrichtingen in het kader van het EFSI; is ervan overtuigd dat de EU-garantie de EIB in staat heeft gesteld om hogere risico's aan te gaan voor het infrastructuur- en innovatieloket (IWW) en het mogelijk heeft gemaakt de financiering van kmo's en midcapbedrijven onder de programma's Cosme en InnovFin die worden ondersteund door het kmo-loket te versterken en in een vroeg stadium te realiseren; is van mening dat de drempel van 25 miljoen EUR, die door de EIB lijkt te worden gehanteerd voor haar normale leningsoperaties, niet van toepassing zou moeten zijn op het EFSI, teneinde de financiering van kleinere projecten te bevorderen en de toegang voor kmo's en andere mogelijke begunstigden te vergemakkelijken;

46.  benadrukt dat het kmo-loket vanwege het zeer intensieve gebruik, dat duidt op een hoge vraag op de markt, verder werd versterkt met 500 miljoen EUR uit de IIW-schuldportefeuille onder het huidige wetgevingskader; is verheugd over het feit dat vanwege de flexibiliteit van de EFSI-verordening de aanvullende financiering ten goede is gekomen aan kmo's en kleine midcap-bedrijven; is voornemens de toewijzing van de garantie in het kader van beide loketten nauwlettend te volgen; wijst er voorts op dat sinds 30 juni 2016 het aantal in het kader van het IIW ondertekende verrichtingen slechts 9 % van het totale beoogde volume heeft bereikt;

47.  herinnert eraan dat het EU-Garantiefonds hoofdzakelijk vanuit de EU-begroting wordt gefinancierd; neemt nota van alle relevante evaluaties die suggereren dat het huidige voorzieningspercentage van het Garantiefonds van 50 % voorzichtig en prudent lijkt te zijn wat betreft de dekking van mogelijke verliezen en dat de Uniebegroting reeds zou worden beschermd bij een aangepast percentage van 35 %; is voornemens te onderzoeken of voorstellen voor een lager streefpercentage gevolgen zouden hebben voor de kwaliteit en de aard van de geselecteerde projecten; benadrukt dat er tot op heden geen klachten zijn geweest vanwege niet nagekomen verplichtingen bij EIB- of EIF-verrichtingen;

Toekomstige financiering, capaciteit van het fonds

48.  merkt op dat de Commissie heeft voorgesteld het EFSI uit te breiden, zowel wat de looptijd als wat de financiële capaciteit betreft, hetgeen gevolgen zou hebben voor de EU‑begroting; spreekt de intentie uit om met alternatieve financieringsvoorstellen te komen;

49.  herinnert eraan dat de lidstaten was gevraagd een bijdrage aan het EFSI te leveren om de capaciteit ervan te vergoten, zodat het in staat zou worden gesteld om meer investeringen met een hoog risico te ondersteunen; betreurt dat de lidstaten dit initiatief niet hebben genomen, ondanks het feit dat een dergelijke bijdrage als een eenmalige maatregel zou worden beschouwd in de zin van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 betreffende versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten; vraagt de EIB en de Commissie informatie over de vraag of zij intussen actie hebben ondernomen om de lidstaten ertoe te bewegen aan het EFSI bij te dragen en of zij in staat zullen zijn andere investeerders aan te trekken; verzoekt de Commissie en de EIB hun inspanningen op dit terrein te vergroten;

Complementariteit met andere EU-financieringsbronnen

50.  constateert dat het besef bij de Commissie en de EIB van de overlappingen en de concurrentie tussen het EFSI en financieringsinstrumenten van de EU-begroting ertoe heeft geleid dat richtsnoeren zijn vastgesteld waarin het combineren van financiering uit het EFSI en uit de ESI-fondsen wordt aanbevolen; onderstreept dat het combineren van financiering uit het EFSI en uit de ESI-fondsen in geen geval nadelig mag zijn voor het niveau en de oriëntatie van financiering uit de ESI-fondsen; wijst evenwel op de persisterende moeilijkheden in verband met de subsidiabiliteitscriteria, regelgeving, de deadlines voor rapportage en de toepassing van de regels inzake overheidssteun die een gecombineerd gebruik belemmeren; is verheugd over het feit dat de Commissie is begonnen deze moeilijkheden aan te pakken in haar voorstel voor een herziening van het Financieel Reglement en hoopt dat deze herziening tijdig zal worden uitgevoerd zodat het combineren van financiering wordt vereenvoudigd en concurrentie en overlappingen worden vermeden; is van mening dat nadere inspanningen nodig zijn en dat de tweede en derde pijler van het investeringsplan in dit verband van essentieel belang zijn;

51.  stelt voor dat de Commissie in haar periodieke verslagen vermeldt welke projecten gebruikmaken van de combinatie van Connecting Europe Facility (CEF)-subsidies en het EFSI;

52.  wijst erop dat vervoersinfrastructuurprojecten van publiek-private partnerschappen (PPP) in de regel gebaseerd moeten zijn op het "de gebruiker betaalt"-beginsel om de druk op de overheidsbegrotingen en de belastingbetalers voor de aanleg en het onderhoud van infrastructuur te verlichten; merkt op dat het van belang is verschillende soorten EU-financiering op elkaar af te stemmen om ervoor te zorgen dat de EU‑beleidsdoelstellingen inzake vervoer in de hele Unie worden bereikt, en geen fondsen van het type PPP te bevorderen ten koste van structuurfondsen;

Belastingheffing

53.  is zeer bezorgd over het feit dat de EIB er in sommige gevallen middels het EFSI op heeft aangestuurd om projecten te ondersteunen die binnen hun structuur gebruikmaken van ondernemingen in belastingparadijzen; dringt er bij de EIB en het EIF op aan geen gebruik te maken van of mee te werken aan belastingontwijkingsstructuren, in het bijzonder agressieve belastingplanningsregelingen, of praktijken die niet in overeenstemming zijn met de EU-beginselen van goed bestuur op het gebied van belastingheffing, zoals uiteengezet in de desbetreffende wetgeving van de Unie, inclusief de aanbevelingen en mededelingen van de Commissie; staat erop dat geen enkel project en geen enkele projectontwikkelaar afhankelijk kan zijn van een persoon of een onderneming die actief is in een land dat op de beoogde Europese lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties staat;

Communicatie en zichtbaarheid

54.  stelt vast dat veel projectontwikkelaars niet van het bestaan van het EFSI op de hoogte zijn of een onvoldoende duidelijk beeld hebben van wat het EFSI hun te bieden heeft, van de specifieke subsidiabiliteitscriteria en van de concrete stappen die zij moeten zetten om financiering aan te vragen; onderstreept dat in de lidstaten die minder van het EFSI hebben geprofiteerd meer inspanningen nodig zijn, met inbegrip van gerichte technische ondersteuning in de respectievelijke EU-taal, om de kennis over wat het EFSI inhoudt, welke specifieke producten en diensten het te bieden heeft en welke rol investeringsplatforms en nationale stimuleringsbanken vervullen, te vergroten;

55.  dringt erop aan dat al het voorlichtingsmateriaal en materiaal dat deel uitmaakt van de financieringsprocedure in alle talen van de lidstaten wordt vertaald teneinde de informatievoorziening en de toegang op lokaal te niveau te vereenvoudigen;

56.  vreest dat het verstrekken van directe steun aan financiële intermediairs die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing van EU-financiering kan leiden tot situaties waarbij de eindbegunstigden zich niet bewust zijn van het feit dat zij EFSI-financiering ontvangen, en dringt aan op oplossingen om de zichtbaarheid van het EFSI te vergoten; dringt er in dit verband bij de EIB op aan om in EFSI-contracten een specifieke clausule op te nemen waarin de projectontwikkelaar erop wordt gewezen dat de ontvangen financiering mogelijk is gemaakt dankzij de EFSI/EU-begroting;

Verlenging

57.  erkent dat het EFSI alleen – en op een beperkte schaal – vermoedelijk niet in staat zal zijn de investeringskloof in Europa te dichten; beschouwt het EFSI niettemin als een centrale pijler van het EU-investeringsplan en constateert dat de EU vastbesloten is om dit probleem aan te pakken; dringt aan op nadere voorstellen met betrekking tot de vraag hoe investeringen in Europa kunnen worden gestimuleerd;

°

°  °

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1)

PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.

(2)

http://www.eib.org/attachments/strategies/efsi_2015_report_ep_council_en.pdf

(3)

http://www.eib.org/attachments/ev/ev_evaluation_efsi_en.pdf, September 2016

(4)

Verslag van 14 november 2016, https://ec.europa.eu/priorities/sites/beta-political/files/ey-report-on-efsi_en.pdf

(5)

PB C 465/1 van 13.12.2016.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (*) (6.4.2017)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteur voor advies (*): Marian-Jean Marinescu

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de vlotte tenuitvoerlegging van het EFSI en de volgens de verwachtingen gegenereerde investeringen in de door de EIB en het EIF goedgekeurde operaties, die meer dan 160 miljard EUR bedragen en goed zijn voor meer dan 50 % van de totale investeringen die tot 2018 moeten worden gegenereerd; herinnert er evenwel aan dat rekening moet worden gehouden met het verschil tussen overeengekomen bedragen en uitbetalingen; merkt bovendien op dat slechts rond 60 % van de totale investeringen die naar verwachting door het EFSI worden gegenereerd, particulier gefinancierd wordt, terwijl de overige middelen afkomstig zijn van de EIB (gemiddeld 20‑25 %) en een combinatie van nationale stimuleringsbanken, overheden en EU-fondsen (ESIF, CEF);

2.  wijst erop dat alle beschikbare informatie bevestigt hoeveel investeringen er dankzij het EFSI worden verwacht, maar onderstreept dat het voor de besluitvormers van cruciaal belang is om te weten welke bedragen er al naar bedrijven zijn overgemaakt; is van mening dat de berekening van het percentage aan particuliere investeringsbijdragen cruciaal is voor de beoordeling van de prestaties van het EFSI; is van mening dat het met het oog op de transparantie van de door de EIB en de Commissie verstrekte gegevens van groot belang is dat het uitbetaalde bedrag bekend wordt gemaakt;

3.  stelt vast dat er in de EU nog steeds een investeringskloof bestaat en dat het EFSI bij het dichten daarvan kan helpen; benadrukt dat het EFSI tot doel heeft duurzame projecten te ondersteunen die de reële economie stimuleren en die maatschappelijke en milieuvoordelen op de lange termijn creëren, waarbij gezorgd wordt voor additionaliteit en kwaliteit, eerder dan voor een optimalisering van de hefboomfactoren of de investeringssnelheid en ‑volumes;

4  betreurt het gebrek aan realtime-informatie over de vraag in welke mate gebruik is gemaakt van de garantie; wijst erop dat meerdere evaluaties duiden op een hefboomeffect van 14,1; dringt er bij het bestuur van het EFSI op aan de realtimemultiplicator openbaar te maken en gebruik te maken van de berekeningsmethode van de OESO;

5.  wijst op de belangrijkste begunstigden per 31 januari 2017: Italië, Spanje, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland in absolute cijfers (meer dan 60 % van de totale gegenereerde investeringen); Finland, Ierland, Estland, Spanje en Italië per hoofd van de bevolking; Estland, Bulgarije, Spanje, Litouwen en Portugal in verhouding tot het bbp (in miljoen EUR);

6.  wijst erop dat, volgens een onafhankelijke beoordeling(1), de EU-15 tot juni 2016 meer dan 90 % van de EFSI-steun heeft ontvangen en de 13 nieuwe lidstaten minder dan 10 %; betreurt de tot op heden onevenwichtige geografische spreiding van de EFSI-steun, en herinnert eraan dat drie lidstaten niet meer dan 45 % van de totale steun uit de infrastructuur- en innovatiepijler van het EFSI mogen ontvangen; roept het EFSI-bestuur daarom op de geografische spreiding voortdurend te monitoren en te verbeteren, en daarbij het evenwicht te stimuleren en de productiviteit en duurzaamheid in de economieën van alle lidstaten te verbeteren;

7.  is van oordeel dat het combineren van EU-subsidies met financiële instrumenten kan bijdragen tot de additionaliteit van het EFSI; wijst erop dat slechts elf projecten onder "infrastructuur en innovatie" en twee projecten onder "kmo's" in negen lidstaten hebben geprofiteerd van gemengde EFSI/ESIF-financiering; spoort aan tot een tijdige goedkeuring van de herziening van het Financieel Reglement en de omnibusverordening die het combineren van ESIF- en EFSI-middelen eenvoudiger moeten maken teneinde concurrentie en overlappingen te voorkomen, complementariteit te waarborgen en verdere synergie te bevorderen;

8.  wijst erop dat, binnen deze twee pijlers, 30 % van de EFSI-financiering werd gebruikt voor kmo's, 23 % voor energieprojecten (slechts 7 % voor energie-efficiëntie), 21 % voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie en 10 % voor de digitale sector; herinnert eraan dat additionaliteit een centraal beginsel is voor het verkrijgen van projectsteun uit het EFSI, en betreurt het gebrek aan informatie over de graad van additionaliteit van de gefinancierde projecten en over de gedetailleerde beoordeling met behulp van het scorebord; brengt in herinnering dat het scorebord een nuttig besluitvormingsinstrument moet zijn; roept op tot transparantie ten aanzien van het score- en beoordelingssysteem, en verzoekt om snelle publicatie ervan na afronding van de projectevaluatie; benadrukt dat er sprake moet zijn van volledige naleving en dat de juiste zorgvuldigheidsprocedure moet plaatsvinden alvorens steun wordt verleend; is bovendien van oordeel dat de sectorale diversificatie moet worden verbeterd;

9.  benadrukt de noodzaak om de huidige definitie van additionaliteit te herzien door deze definitie te verduidelijken en doeltreffender te maken; is van oordeel dat additionaliteit beter beoordeeld kan worden als het investeringscomité het risicoprofiel van elk EFSI-project bekendmaakt; herinnert eraan dat de huidige verordening het mogelijk heeft gemaakt projecten te financieren met een lager risico dan het minimumrisico dat geldt voor de speciale activiteiten van de EIB; roept de EIB op om echte additionaliteit te garanderen, en is van oordeel dat het EFSI alleen projecten zou moeten aanvaarden die de EIB wegens het riskante karakter ervan als onaanvaardbaar zou aanmerken, en dat het EFSI niet gebruikt mag worden om een nieuw etiket op projecten te plakken, zoals de brede EFSI-steun voor projecten inzake energie, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, die gepaard is gegaan met een vermindering in gelijke mate van de gewone investeringen van de EIB in deze sectoren; dringt aan op transparantie in de besluitvormingsprocedure doordat er wordt gezorgd voor de openbaarmaking van geaggregeerde financiële gegevens met betrekking tot door de EIB gefinancierde projecten;

10.  wijst erop dat het noodzakelijk is het percentage middelen te verhogen dat wordt toegekend aan langetermijnprojecten zoals telecommunicatienetwerken of aan projecten met een relatief hoog risico dat typisch is voor meer geavanceerde nieuw opkomende technologieën; merkt op dat investeringen in breedbandinfrastructuur en 5G, cyberveiligheid, de digitalisering van de traditionele economie, micro-elektronica en krachtige computersystemen (high-performance computing, HPC) de digitale kloof kunnen helpen verkleinen;

11.  betreurt het dat ondanks het feit dat de kenmerken van investeringen in sectoren als ruimtetechnologie of emissiereductietechnologie aan de door het EFSI gestelde voorwaarden zouden moeten voldoen, tot dusverre zeer weinig projecten in deze sectoren onder de EFSI-paraplu zijn gefinancierd, en is van mening dat het EFSI aangepast dient te worden aan de omstandigheden in deze sectoren;

12.  acht het, aangezien het EFSI tot doel heeft financiering toe te kennen aan projecten met een hoog risico, van belang dat het lage ontwikkelingsniveau van de regio waar het project wordt uitgevoerd of waaruit de begunstigde afkomstig is als extra risicofactor wordt aangemerkt;

13.  benadrukt dat het met het oog op de verbetering van de prestaties van het EFSI op nationaal en regionaal niveau noodzakelijk is de samenwerking tussen de EIB, beheerder van het EFSI, en de nationale en regionale stimuleringsbanken of -instellingen te versterken;

14.  wijst er evenwel op dat de nationale of regionale stimuleringsbanken of -instellingen niet in alle lidstaten even goed zijn opgezet en dat de beperkte geografische spreiding ervan bijkomende obstakels oplevert voor de geografische dekking van het EFSI; is van mening dat de opzet van nationale of regionale stimuleringsbanken of -instellingen een hoge prioriteit van de lidstaten en het EFSI moet zijn om zo de regio's te bereiken waar behoefte is aan steun; roept de EIB en de Commissie op om ervoor te zorgen dat de nationale en regionale stimuleringsbanken of -instellingen een topprioriteit van de Europese investeringsadvieshub (EIAH) zijn en dat de lidstaten over de nodige kennis en technische ondersteuning kunnen beschikken; dringt er bij de Commissie op aan de totstandbrenging van nationale stimuleringsbanken in regio's waar hun aanwezigheid gering is te bevorderen en te ondersteunen, teneinde kleinschalige projecten te stimuleren en de regionale en sectorale diversificatie te verbeteren;

15.  roept de EIB op om, gezien het belang van de toekenning van middelen aan projecten en gebieden met een hoog risico, te voorkomen dat de financieringsrente op leningen begunstigden afschrikt en overmatig belast; vraagt de EIB meer openheid van zaken te geven over de rente en de provisie die in rekening worden gebracht voor EFSI-projecten in de Unie en ervoor te zorgen dat deze niet worden aangegrepen om onderscheid te maken tussen verschillende categorieën begunstigden of tussen regio's;

16.  benadrukt dat de EIAH cruciaal is voor het succes van het EFSI; merkt op dat deze hub een veelbelovende start kende, maar helaas tot dusverre niet optimaal heeft kunnen functioneren; benadrukt dat voorzien moet worden in de nodige middelen voor de EIAH, die moeten overeenkomen met een minimum van 20 000 000 EUR per jaar, teneinde de kosten te dekken en de EIAH in staat te stellen zijn maatregelen en diensten te verstrekken en te intensiveren; benadrukt bovendien dat het problematische personeelstekort zo snel mogelijk opgelost moet worden zodat de EIAH alle toegewezen taken en bevoegdheden kan opnemen;

17.  verzoekt de EIAH meer aanwezig te zijn in landen die moeilijkheden ondervinden bij het benutten van het EFSI en die niet de nodige administratieve capaciteit hebben om levensvatbare projecten in te dienen, met name cohesielanden; verzoekt de EIAH daarnaast specifiek advies te verstrekken ter ondersteuning van specifieke projecten in het geval van sterke risicoaversie of wanneer het risico versnipperd is over investeerders (zoals bij grensoverschrijdende/multinationale projecten, infrastructuurprojecten met inkomsten op de lange termijn);

18.  dringt er bij de EIAH op aan samen te werken met de passende nationale instellingen teneinde een evenwichtigere geografische en sectorale spreiding te bewerkstelligen; onderstreept dat de EIAH een belangrijke verantwoordelijkheid heeft bij de invoering van het EFSI op lokaal niveau, als enig loket fungeert voor technisch en financieel advies met het oog op het identificeren, voorbereiden en ontwikkelen van projecten en de taak heeft om proactief kleinschalige projecten te bundelen en investeringsplatforms op te zetten; benadrukt dat deze taken niet voldoende werden uitgevoerd en in de komende periode intensiever moeten worden aangepakt;

19.  merkt op dat de investeringsplatforms meer tijd nodig hebben om operationeel te worden; benadrukt hun rol bij het aggregeren van vele kleinere, inhoudelijk gelijke projecten of het bundelen en faciliteren van grensoverschrijdende projecten;

20.  herinnert eraan dat een van de doelstellingen van het EFSI het bevorderen van kleinschalige, innovatieve en riskante projecten is, o.a. door deze, eventueel via investeringsplatforms, te bundelen tot grotere clusters waarin gemakkelijker kan worden geïnvesteerd; dringt er bij de EIAH op aan om na te denken over de totstandbrenging van decentrale regionale clusters met het oog op een betere aanpassing aan de specifieke kenmerken van een bepaalde sector of regio, zoals energie-efficiëntie in Zuidoost-Europa;

21.  dringt er bij de EIB op aan haar adviescapaciteit te versterken en doet een beroep op de Commissie haar communicatie- en verspreidingsinspanningen te intensifiëren, teneinde het gebruik van het EFSI in alle lidstaten en regio's te verhogen; betreurt het dat veel belanghebbenden nog steeds niet op de hoogte zijn van het EFSI, de mogelijkheden die het biedt, en hoe EFSI-steun kan worden aangevraagd; stelt vast dat begunstigden in bepaalde gevallen niet op de hoogte waren van het feit dat zij al EFSI-steun kregen, vooral wegens een gebrek aan transparantie bij de financiële intermediair, die naliet om over de EFSI-steun te informeren; is van mening dat zowel de onbekendheid met de beschikbaarheid van EFSI-steun als het zich niet realiseren dat men feitelijk van EFSI-steun profiteert, gemiste kansen voor de EU zijn; benadrukt bijgevolg de behoefte aan een verbeterde communicatie- en bewustmakingscampagne;

22.  dringt erop aan dat al het voorlichtingsmateriaal en materiaal dat deel uitmaakt van de financieringsprocedure in alle talen van de lidstaten wordt vertaald teneinde de informatievoorziening en de toegang op lokaal te niveau te vereenvoudigen;

23  betreurt het feit dat vanwege het EFSI een aantal begrotingslijnen zijn verlaagd voor de periode 2015-2020, met negatieve gevolgen voor programma's zoals Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen; is van mening dat in het kader van de herziening van het MFK dit begrotingstekort moet worden hersteld en dat het EFSI moet worden gefinancierd uit bronnen die losstaan van reeds goedgekeurde EU-programma's; verzoekt de Commissie om hiervoor met een volledige terugbetalingsregeling te komen, te beginnen bij de herziening van het MFK;

24.  herhaalt dat het van belang is om zich te richten op de financiële instrumenten ten behoeve van de verlenging van EFSI (EFSI II); is van oordeel dat financiering uit het EFSI niet in de plaats mag komen van subsidies uit andere EU-financieringsbronnen zoals ESIF, CEF en Horizon 2020; roept de Commissie op om alternatieve bronnen van financiering te identificeren voor toekomstige verlengingen;

25.  benadrukt dat bij de toepassing van het scorebord voor de selectie van EFSI-verrichtingen transparantie vereist is, en met name gezorgd moet worden voor toegankelijke, correcte en actuele informatie over additionaliteit en het besluitvormingsproces voorafgaand aan de verlening van de EU-garantie; verzoekt de EIB alle informatie over de resultaten van de effectbeoordelingen met betrekking tot de verrichtingen in het kader van het Europees investeringsprojectenportaal openbaar te maken, en daarbij aan te geven welke de toegevoegde waarde en de additionaliteit van elk gefinancierd project is; is van mening dat de EIB met betrekking tot elk gefinancierd project uitgesplitste gegevens moet publiceren, waaronder de in het kader van het EFSI via financiële intermediairs verstrekte leningen, de beoordelingen vooraf en achteraf van elk project, met toelichting over de toegepaste indicatoren en criteria bij de selectie en de beoordeling; is, tot slot, van oordeel dat objectieve cijfers over de directe en indirecte banen die dankzij het EFSI werden gecreëerd, openbaar gemaakt moeten worden; dringt er bij de Commissie op aan de mogelijkheden en de zichtbaarheid van het EIPP te vergroten;

26.  is van oordeel dat voorafgaand aan de goedkeuring van de voorgestelde verlenging van het EFSI een gedetailleerdere studie en een nadere evaluatie van de oorspronkelijke EFSI‑verordening wenselijk waren geweest; verwacht dat de conclusies van dit verslag, met name met betrekking tot regionale en sectorale diversificatie, additionaliteit, transparantie van de selectieprocedure door het bestuur en het investeringscomité, en de aanbevelingen van de Rekenkamer terdege in overweging zullen worden genomen bij de definitieve uitwerking van de verordening over de verlenging van het EFSI.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.4.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Edward Czesak, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Rebecca Harms, Eva Kaili, Kaja Kallas, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Jaromír Kohlíček, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Csaba Molnár, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Herbert Reul, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Vladimir Urutchev, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pilar Ayuso, Rosa D’Amato, Françoise Grossetête, Barbara Kudrycka, Marian-Jean Marinescu, Victor Negrescu, Sofia Sakorafa, Davor Škrlec, Theodor Dumitru Stolojan

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

György Hölvényi, Julia Reda

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

49

+

ALDE

Kaja Kallas, Angelika Mlinar, Morten Helveg Petersen, Lieve Wierinck

ECR

Edward Czesak, Ashley Fox, Zdzisław Krasnodębski, Evžen Tošenovský

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Jaromír Kohlíček, Sofia Sakorafa, Neoklis Sylikiotis

PPE

Pilar Ayuso, Bendt Bendtsen, Jerzy Buzek, Françoise Grossetête, György Hölvényi, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Barbara Kudrycka, Marian-Jean Marinescu, Angelika Niebler, Herbert Reul, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Theodor Dumitru Stolojan, Vladimir Urutchev, Hermann Winkler, Anna Záborská

S&D

José Blanco López, Adam Gierek, Theresa Griffin, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Peter Kouroumbashev, Miapetra Kumpula-Natri, Edouard Martin, Csaba Molnár, Victor Negrescu, Dan Nica, Patrizia Toia, Martina Werner, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Verts/ALE

Reinhard Bütikofer, Rebecca Harms, Julia Reda, Davor Škrlec

2

-

EFDD

Rosa D’Amato, Dario Tamburrano

0

0

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Onafhankelijke beoordeling van het investeringsplan door EY in 2016, via deze link beschikbaar: https://ec.europa.eu/commission/publications/independent-evaluation-investment-plan_en


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (*) (23.3.2017)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteurs voor advies (*): Inés Ayala Sender en Dominique Riquet

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Commissie bij haar evaluatie en bij de opstelling van het nieuwe wetgevingsvoorstel rekening te houden met de opmerkingen die het Parlement in dit uitvoeringsverslag maakt;

2.  is verheugd over de oprichting van de EFSI-organen en de transparante selectieprocedure voor leden van de bestuursstructuur van deze organen; verzoekt de EFSI-organen echter om het Parlement, de Raad en het publiek op regelmatige basis, in detail en op transparantere wijze op de hoogte te houden van de EFSI-projecten; stelt voor dat de Europese investeringsadvieshub (EIAH) meer informatie verstrekt aan onder meer kmo's en micro-ondernemingen;

3.  is ingenomen met de strategische oriëntatie die in december 2015 door het bestuur van het EFSI is goedgekeurd en die indicatieve grenswaarden met betrekking tot geografische concentratie bevat; stelt vast dat de geografische verdeling onder begunstigden van het EFSI onevenwichtig is; merkt op dat tijdens het eerste jaar waarin het fonds operationeel was 92 % van alle investeringen was geconcentreerd in de landen van de EU-15, terwijl slechts 8 % de landen van de EU-13 bereikte, en dat tot op heden tien lidstaten, voornamelijk in Midden- en Oost-Europa, uitsluitend in het kader van het kmo-venster van het EFSI hebben kunnen gebruikmaken van verrichtingen; wijst erop dat de bbp-ratio als criterium relevant is, onder meer om economische, sociale en territoriale samenhang te waarborgen, met het oog op een evenwichtige spreiding van projecten, waarbij rekening wordt gehouden met de algemene economische activiteit van elk land, de behoefte aan investeringen en het werkgelegenheidsvolume; onderstreept dat de concentratie van kapitaal sociale en economische verschillen in de EU in de hand werkt;

4.  wijst erop dat investeringen met een hoog risico niet kunnen worden opgelegd en in een context van lage groeicijfers en geringe vraag in de meeste gevallen niet de moeite waard zijn; dringt er derhalve op aan dat bij de toewijzing van EFSI-middelen niet alleen gezorgd wordt voor een evenwichtige geografische spreiding, maar ook voor een sterkere koppeling aan succesvolle ontwikkelingen in het economisch en begrotingsbeleid;

5.  betreurt het ontbreken van grenswaarden met betrekking tot concentratie in de aanvankelijke opstartfase; herinnert eraan dat de vervoersector de grootste bijdrage heeft geleverd aan het EFSI-fonds, ter waarde van 2,2 miljard EUR op een totaal van 8 miljard EUR, hetgeen goed is voor meer dan 25 % van het totale garantiefonds; stelt met bezorgdheid vast dat de vervoersector slechts ongeveer 13 % van alle tot nu toe in het kader van het venster infrastructuur en innovatie van het EFSI ingezette en beschikbaar gemaakte investeringen heeft ontvangen, wat ver onder de grenswaarde van 30 % ligt die is ingesteld voor elke specifieke sector; verzoekt het investeringscomité bijzondere aandacht te besteden aan projecten van de vervoersector, aangezien deze nog steeds erg slecht vertegenwoordigd zijn in de investeringsportefeuille en vervoer een belangrijke rol speelt voor de economische groei en de veiligheid van de consument;

6.  spoort de Commissie ertoe aan regels in te voeren voor de selectie van duurzame projecten en die te koppelen aan de belangrijkste doelstellingen en streefcijfers van het EU-beleid, zoals emissieloze of emissiearme mobiliteit, of aan bestaande initiatieven zoals de trans-Europese fietsroutenetwerken in combinatie met treinvervoer of initiatieven om in onbruik geraakte of ontmantelde regionale grensoverschrijdende spoorwegverbindingen te herstellen(1);

7.  herinnert eraan dat de resultaten van de scorebordbeoordeling van zowel goedgekeurde als afgewezen verrichtingen regelmatig op transparante en toegankelijke wijze bekend moeten worden gemaakt;

8.  uit twijfels bij de additionaliteit van een aantal van de eerste gekozen vervoersprojecten, aangezien deze naar alle waarschijnlijkheid ook zonder het EFSI gefinancierd hadden kunnen worden;

9.  is zich ervan bewust dat infrastructuurprojecten die worden ingediend bij de EIB vaak onder traditionele EIB-verrichtingen vallen, aangezien ze worden ingediend door autoriteiten die worden gesteund door overheidsgaranties en derhalve een kleiner risico opleveren; verzoekt de EIB andere parameters te onderzoeken waardoor deze projecten in aanmerking zouden kunnen komen als additioneel en geschikt voor het EFSI, en vraagt tevens dat EFSI-mogelijkheden meer worden aangeprezen bij particuliere partners, zodat het aantal projecten in het kader van deze eerste EFSI-oproep daadwerkelijk toeneemt;

10.  vraagt dat het concept "Europese meerwaarde" in overweging wordt genomen in de selectieprocedure en dat het EFSI strookt met EU-beleidsdoelstellingen, met name grensoverschrijdende projecten en andere vooraf geselecteerde projecten in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) en andere EU-vlaggenschipinitiatieven op het gebied van vervoer (zoals ERTMS en Sesar); onderstreept dat rekening moet worden gehouden met andere beleidsprioriteiten van de Unie, zoals emissieloze en emissiearme intermodale mobiliteit, kwaliteitsvolle werkgelegenheid, hulpbronnenefficiëntie, duurzame infrastructuur, onderzoek en innovatie en synergieën tussen trans-Europese vervoers-, energie- en telecommunicatienetwerken;

11.  verzoekt de Commissie met klem zich te concentreren op investeringen in projecten die externe kosten zoveel mogelijk helpen drukken;

12.  is van mening dat het combineren van EU-subsidies met financieringsinstrumenten ook voor de nodige additionaliteit kan zorgen en investeerders ertoe zal aanzetten projecten in te dienen die anders niet zouden zijn uitgevoerd; vraagt de EIB en de Commissie het combineren van EU-subsidies (verscheidene EU-mechanismen zoals CEF, H2020, de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF)) met het EFSI te bevorderen om het financiële profiel van infrastructuurprojecten die voor een Europese meerwaarde zorgen te verbeteren;

13.  wijst erop dat vervoersinfrastructuurprojecten van publiek-private partnerschappen (PPP) in de regel gebaseerd moeten zijn op het "de gebruiker betaalt"-beginsel om de druk op de overheidsbegrotingen en de belastingbetalers voor de aanleg en het onderhoud van infrastructuur te verlichten; merkt op dat het van belang is verschillende soorten EU-financiering op elkaar af te stemmen om ervoor te zorgen dat de EU-beleidsdoelstellingen inzake vervoer in de hele Unie worden bereikt, en geen fondsen van het type PPP te bevorderen ten koste van structuurfondsen;

14.  wijst met nadruk op de veelbelovende start van de Europese investeringsadvieshub (EIAH) en is zich bewust van de sectorale en geografische concentratie van investeringen tot nu toe; verzoekt de EIAH betere algemene prestaties neer te zetten en meer aanwezig te zijn in landen waar het EFSI moeilijk voet aan de grond heeft gekregen en waar er sprake is van een gebrek aan administratieve capaciteit om levensvatbare projecten in te dienen, met name in cohesielanden; verzoekt de EIAH daarnaast specifiek advies te verstrekken ter ondersteuning van specifieke vervoersprojecten in het geval van sterke risicoaversie of wanneer het risico versnipperd is over investeerders (zoals bij grensoverschrijdende/multinationale projecten, infrastructuurprojecten met inkomsten op de lange termijn);

15.  is ervan overtuigd dat een betere samenwerking tussen de EIB – die aan het roer staat van het EFSI – de nationale en regionale ontwikkelingsbanken en de lokale autoriteiten noodzakelijk is om de prestaties van het EFSI zowel op nationaal als regionaal niveau te verbeteren;

16.  stelt met bezorgdheid vast dat het er gezien het kleine aantal vervoersprojecten in het EFSI op lijkt dat deze sector moeilijkheden ondervindt om aan financiering te geraken die grotendeels of uitsluitend afkomstig is van particuliere investeerders, zelfs als de CEF-middelen bijna opgebruikt zijn en er tot 2020 geen alternatieve EU-middelen beschikbaar zijn; vraagt derhalve om een verhoging van de CEF-begroting in het volgend financieel kader;

17.  betreurt het gebrek aan beschikbare gegevens over het totale aantal ondertekende verrichtingen in het kader van het venster "kmo's" van het EFSI en gerelateerde investeringen, vooral met betrekking tot de vervoersketen, in de luchtvaart en in de spoorwegsector, en betreurt tevens dat het hierdoor moeilijk wordt projecten, resultaten, succesverhalen en benchmarks te verifiëren; staat erop dat het probleem van het gebrek aan beschikbare gegevens wordt rechtgezet; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de uitbreiding van de steunverlening aan kmo's en aan lokale en regionale overheden;

18.  stelt voor dat de Commissie in haar periodieke verslagen vermeldt welke projecten gebruikmaken van de combinatie van CEF-subsidies en het EFSI;

19.  pleit ervoor de zichtbaarheid van EFSI-financieringen te vergroten door krachtig op te treden in de hele EU met behulp van een informatiecampagne en de invoering van een EFSI-logo.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lucy Anderson, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Peter Lundgren, Gesine Meissner, Cláudia Monteiro de Aguiar, Jens Nilsson, Markus Pieper, Gabriele Preuß, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Jill Seymour, Claudia Țapardel, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Wim van de Camp, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Hugues Bayet, Mark Demesmaeker, Bas Eickhout, Markus Ferber, Patricija Šulin, Matthijs van Miltenburg

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Herbert Dorfmann

(1)

www.missing-rail-links.eu


ADVIES van de Commissie internationale handel (10.11.2016)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteur voor advies: Emmanuel Maurel

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat dient voor het financieren van riskante en innoverende projecten, een instrument kan zijn voor het stimuleren van groei en werkgelegenheid in de EU en voor het bevorderen van de ontwikkeling van een sterke, duurzame en concurrerende industrie, op voorwaarde dat het gelijktijdig wordt ingezet met doeltreffende handelsbeschermingsinstrumenten; vraagt in dit opzicht dat de rol van het EFSI in de cohesieagenda wordt vergroot door te zorgen voor een evenwichtigere sectorale en geografische spreiding van de door dit fonds gefinancierde investeringen; is van mening dat de belemmeringen om het EFSI met andere EU-instrumenten te combineren (vooral de Europese structuur- en investeringsfondsen, ESIF), moeten worden weggewerkt en dat er meer sectoren voor EFSI-steun in aanmerking moeten komen;

2.  brengt in herinnering dat China overweegt bij te dragen aan het EFSI en dat de Commissie erop heeft gewezen dat China hiervoor geen tegenprestatie in welke vorm dan ook krijgt, met name op het vlak van bestuur; onderstreept dat een bijdrage van China niet mag worden gekoppeld aan de kwestie inzake de status van markteconomie en verzoekt de EIB transparantie te waarborgen in het beheer van het fonds en met betrekking tot de herkomst van elke bijdrage van overheden, particulieren en derden; verzoekt de EIB tevens concrete gegevens te verstrekken, onder meer over specifieke projecten en over buitenlandse investeerders, en wijst op de verslagleggingsvereisten ten aanzien van het Parlement uit hoofde van de EFSI-verordening; wijst er nogmaals op dat alle derde landen die in de toekomst mogelijk willen bijdragen, moeten voldoen aan alle EU-regels inzake overheidsopdrachten, arbeidsrecht en milieuregelgeving en eist dat sociale en milieucriteria die gelden voor EIB-projecten volledig worden geëerbiedigd in besluiten over de financiering van projecten met EFSI-middelen;

3.  vindt het absoluut noodzakelijk dat de EU haar financieringsbronnen zoveel mogelijk diversifieert en in de eerste plaats particuliere investeringen aantrekt;

4.  wijst erop dat kmo's weliswaar de ruggengraat van de Europese economie vormen, maar dat amper 13 % van de kmo's buiten de EU handeldrijft; is van oordeel dat in het kader van het EFSI, in synergie met het Cosme-programma, prioriteit moet worden gegeven aan de internationalisering van kmo's via de ondersteuning van concrete projecten die gericht zijn op de exportactiviteiten van Europese kmo's; herhaalt zijn oproep om de bestaande instrumenten te verbeteren en dringt er bij de Commissie en de EIB op aan beter te communiceren over beschikbare steun en de rol van de Europese investeringsadvieshub (EIAH) te versterken door deze een opdracht voor steun aan de export te geven; is van mening dat kmo's wat deze kwesties betreft over een vaste gesprekspartner moeten kunnen beschikken;

5.  is opgetogen over het initiatief van de Commissie om het Europees plan voor externe investeringen (EIP) te lanceren met het oog op het vrijmaken van 44 à 88 miljard EUR aan investeringen in Afrika en de nabuurschapslanden van de EU, zonder de rol van particuliere investeringen in ontwikkelingsstrategieën uit het oog te verliezen; onderstreept dat deze instrumenten regelmatig moeten worden geëvalueerd en niet in de plaats mogen komen van bestaande investeringen, dat ze moeten beantwoorden aan het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en aan het additionaliteitsbeginsel ten aanzien van andere instrumenten en dat ze gericht moeten zijn op riskante, structurerende en, waar mogelijk, kleinschalige projecten en moeten worden afgestemd op de werkelijke behoeften van specifieke landen om voor een tastbare verbetering van de levensomstandigheden van de lokale bevolking te zorgen door ter plaatse fatsoenlijke banen te scheppen; benadrukt dat hierdoor een bijdrage wordt geleverd aan het temperen van de migratiecrisis;

6.  staat erop dat met betrekking tot het plan voor externe investeringen geen enkele investeerder of initiatiefnemer van een project afhankelijk kan zijn van een persoon of een onderneming die actief is in een land dat op de verwachte Europese lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties staat;

7.  is van mening dat instrumenten van die aard verenigbaar moeten zijn met de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de EU, zoals bepaald in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en vindt dat de naleving van deze beginselen samen met de bereikte resultaten tot de voornaamste criteria moeten behoren voor de evaluatie van de doeltreffendheid van het EIP in verslagen over de tenuitvoerlegging ervan; onderstreept dat het toekomstige EIP gericht moet zijn op het stimuleren van particuliere investeringen in Afrika en de nabuurschapslanden van de EU om de dieperliggende oorzaken van migratie te helpen aanpakken en een bijdrage te leveren aan de tenuitvoerlegging van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en het klimaatakkoord van Parijs;

8.  stelt voor dat het EIP wordt gebruikt om microkredietprojecten voor de meest kwetsbare groepen te helpen financieren;

9.  wijst op de potentieel belangrijke rol van delegaties van de Europese dienst voor extern optreden voor het leggen van contacten tussen investeerders en landen waarvoor projecten zijn bestemd; dringt erop aan dat het Parlement nauw wordt betrokken bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van het plan voor externe investeringen aan de hand van regelmatige voortgangsverslagen van de Commissie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.11.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

0

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, David Borrelli, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Santiago Fisas Ayxelà, Christofer Fjellner, Karoline Graswander-Hainz, Ska Keller, Jude Kirton-Darling, Bernd Lange, David Martin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Franz Obermayr, Artis Pabriks, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Klaus Buchner, Nicola Danti, Syed Kamall, Frédérique Ries, Fernando Ruas, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Philippe Loiseau


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (12.4.2017)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteur voor advies: Hannu Takkula

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontole verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat het Investeringsplan voor Europa onderdeel is van een bredere strategie die erop gericht is om de negatieve trend die wordt waargenomen in de publieke en private investeringen te keren door nieuwe private financiële middelen aan te trekken die in de reële economie kunnen worden geïnjecteerd teneinde strategische en duurzame langetermijninvesteringen in de hele Unie te bevorderen; overwegende dat het investeringsplan gebaseerd is op drie pijlers: het beschikbaar maken van financiering voor investeringen, ervoor zorgen dat de investeringen de reële economie bereiken en het verbeteren van het investeringsklimaat in de Unie; overwegende dat het met het oog op geografische diversificatie essentieel is dat het investeringsklimaat in de Unie wordt verbeterd door belemmeringen voor investeringen weg te nemen; overwegende dat het Europees Fonds voor strategische investeringen moet worden gezien als een aanvulling op alle andere maatregelen die nodig zijn om het tekort aan investeringen in de Unie te verminderen en – door als een garantiefonds te fungeren – als een stimulans voor nieuwe investeringen;

B.  overwegende dat het EFSI oorspronkelijk was opgezet om de diverse vormen van aan bepaalde bestaande regelgevingsproblemen toe te schrijven marktfalen en suboptimale investeringssituaties aan te pakken;

C.  overwegende dat het EFSI een belangrijk instrument is om bij te dragen aan de economische, sociale en territoriale cohesie en aan het ondersteunen van werkgelegenheidsmogelijkheden, omdat het de kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) soliede ondersteuning biedt;

D.  overwegende dat het belangrijk is dat het EFSI passende bijdragen levert om adequaat te reageren op marktbehoeften en met succes een aanzienlijke hoeveelheid kapitaal uit de particuliere sector aan te trekken;

E.  overwegende dat de Europese Rekenkamer een advies gepubliceerd heeft waarin zij verklaart dat "de plannen van de Europese Commissie om het investeringsfonds dat de kern vormt van het "plan-Juncker" te vergroten en uit te breiden, te snel [werden] opgesteld en met weinig bewijs dat de uitbreiding gerechtvaardigd is"; dat de Rekenkamer ook verklaard heeft dat "er geen alomvattende effectbeoordeling [is] verricht" en heeft vraagtekens gezet bij "de schrapping van de bepaling waarin de voortzetting van het EFSI wordt gekoppeld aan de resultaten van een onafhankelijke evaluatie";

F.  overwegende dat de Rekenkamer voorts heeft benadrukt dat "het risico bestaat dat het multiplicatoreffect wordt overschat" en bevestigd dat het in dezen gaat om verwachte doelstellingen en resultaten die niet worden gestaafd door concrete, nauwkeurige, duidelijke en directe gegevens;

1.  merkt op dat het EFSI als doel heeft om tot 2018 via de Europese Investeringsbank (EIB) met steun uit de EU-begroting in totaal 315 miljard EUR extra te investeren en nieuwe projecten in de reële economie te realiseren; herhaalt dat het EFSI een instrument is om particuliere, marktgebaseerde investeringen te stimuleren;

2.  neemt kennis van de evaluatie door de EIB van de werking van het EFSI, die in september 2016 werd gepubliceerd; is ingenomen met de aanzienlijke investeringsstromen die van het EFSI naar kmo's zijn gegaan, en constateert dat in juni 2016 al 58 % van de beoogde kmo-financiering was verwezenlijkt; is ingenomen met Advies 2/2016 van de Rekenkamer getiteld "EFSI: een vroegtijdig voorstel voor verlenging en uitbreiding" over het voorstel van de Commissie om het EFSI te verlengen (COM(2016) 597) en met de evaluatie van het gebruik van de EU-garantie en de werking van het garantiefonds (SWD(2016) 297);

3.  herinnert eraan dat alle door EFSI gesteunde projecten moeten voldoen aan de additionaliteitscriteria en dat de grondslag voor de beoordeling ervan moet worden gedocumenteerd; betreurt dat de scoreborden voor de goedgekeurde projecten niet worden gepubliceerd; wijst erop dat dit verzuim tot zowel verantwoordings- als transparantieproblemen leidt; beklemtoont dat de criteria die van toepassing zijn op grote EFSI-projecten transparanter en zichtbaarder moeten worden om ervoor te zorgen dat de markten meer vertrouwen krijgen in en belangstelling tonen voor het EFSI als doeltreffend investeringsmiddel;

4.  herinnert eraan dat het EFSI, dat in tegenstelling tot andere financieringsinstrumenten van de EIB wordt ondersteund door de EU-begroting, tot doel heeft onderscheidende, werkelijk innoverende en risicovollere projectprofielen te vinden met nieuwe tegenpartijen uit de particuliere sector en de aandacht te vestigen op het potentieel van EFSI voor het financieren van hightechbedrijven en toekomstgerichte sectoren, die het middelpunt van het financieringsprogramma moeten vormen;

5.  beseft dat de invoering van het EFSI het profiel en het bedrijfsmodel van de EIB snel heeft veranderd voor wat betreft de procedures voor en de monitoring van ondertekeningen en contracten;

6.  is van mening dat het, om adequaat te kunnen inspelen op de investeringsvraag en de behoeften van landen en bedrijfstakken, wenselijk is om eerst op nationaal niveau een analyse uit te voeren van de mogelijke oorzaken van marktproblemen en van gebrek aan particuliere investeringen op de activiteitengebieden en -systemen die onder het EFSI vallen;

7.  benadrukt dat het cruciaal is grensoverschrijdende Europese meerwaarde bij de uitvoering van de geselecteerde projecten in aanmerking te nemen en te versterken, en te bezien of deze een effectieve bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de bestaande gemeenschappelijke beleids-economische doelen van de EU;

8.  wijst erop dat de geografische spreiding van projecten tot dusver ongelijk was; herinnert eraan dat het voor de cohesie en de verwezenlijking van duurzaamheidsdoelstellingen noodzakelijk is dat bij de uitvoering van de EFSI-projectpijplijn een bredere geografische spreiding in acht wordt genomen, waarbij rekening wordt gehouden met het potentieel van dunbevolkte gebieden in de EU en waarbij haalbaarheids-, uitvoerbaarheids- en financiële criteria het zwaarst moeten wegen, zowel om de werking van het fonds te verbeteren als om de hoofddoelstellingen daarvan te ondersteunen; wijst erop dat het EFSI, als marktgebaseerd instrument, de geografische investeringskloof in de Unie niet alleen kan aanpakken;

9.  dringt er bij het EFSI-bestuur en het investeringscomité op aan ervoor te zorgen dat de projectfinanciering niet geconcentreerd wordt op markten of investeringen waar dat minder evident of minder nodig is;

10.  wijst erop dat het venster infrastructuur en innovatie in juni 2016 slechts 9 % van het streefdoel had bereikt; roept op tot meer informatie-uitwisseling over de mogelijkheden die EFSI biedt voor risicovollere innovaties;

11.  verzoekt de EIB waar mogelijk het geografische evenwicht te vergroten en te zorgen voor een grotere openstelling van de sectoren in de EFSI-portefeuille, met name binnen het infrastructuur- en innovatievenster (IIW) en het kmo-venster (SMEW), te vergroten door haar advieswerkzaamheden voor projectontwikkeling in de lidstaten te verbeteren en haar technische bijstand via de Europese investeringsadvieshub (EIAH) te intensiveren, met de mogelijkheid om de begroting te verhogen wanneer dat gerechtvaardigd is;

12.  verzoekt de EIB de aanvraagprocedure te vereenvoudigen en benadrukt dat de zichtbaarheid en bekendheid van en de belangstelling voor het EFSI moeten worden vergroot, vooral voor kmo's in de lidstaten;

13.  verzoekt de EIB ook te overwegen om het aantal voor EFSI-financiering in aanmerking komende sectoren uit te breiden (bijvoorbeeld met milieu, bio-economie of sociale infrastructuur) of het type en de omvang van projecten beter af te stemmen op de marktbehoeften in de lidstaten;

14.  is van mening dat er goede uitleg of strategische richtsnoeren moeten worden gegeven voor lokale en regionale actoren, met name met betrekking tot de doelstellingen en de invalshoek van het EFSI en de mogelijke combinatie ervan met andere EU- of EIB-fondsen; wijst erop dat het EFSI niet moet worden beschouwd als de zoveelste financieringsbron en dat overlappingen of dubbele financiering zorgvuldig moeten worden vermeden;

15.  verzoekt de EIB om in het selectieproces terdege rekening te houden met werkelijke additionaliteit en nieuwe dynamiek en met de grootte van het multiplicatoreffect, die van project tot project kunnen verschillen, met name op gebieden waar de EIB of het EIF niet eerder actief was, in geval van marktfalen of in suboptimale investeringssituaties;

16.  is ingenomen met de toename van het aantal bijzondere activiteiten van de EIB die voortkomt uit het eerste anderhalf jaar van het EFSI, waaruit blijkt dat er sprake is van een evolutie in de voorzichtige risicocultuur en het dito kredietverleningsbeleid van de EIB;

17.  is van mening dat de bijzondere activiteiten van de EIB die door het EFSI worden ondersteund beschouwd moeten worden als dragers van additionaliteit ten opzichte van andere financieringsinstrumenten van de EIB, het EIF of de Unie, om beter op te treden tegen marktfalen en suboptimale investeringssituaties;

18.  is van mening dat het hefboomeffect per project verschilt naargelang van de schaal en complexiteit van het project en de correlatie tussen belangrijke sectorale uitdagingen en de verwachtingen van de eindbegunstigden in een context van schaarse overheidsmiddelen; is van mening dat een verondersteld gemiddeld hefboomeffect alleen aan het eind van de investeringscyclus kan worden gemeten, met inachtneming van de bijzondere kenmerken van sectoren; stelt voor om de "EFSI-multiplicatormethodologie" aan te passen aan de methodologie die door de OESO is voorgesteld, waarbij ook rekening moet worden gehouden met investeringsprojecten waartoe investeerders zich al hadden verbonden of die deel uitmaken van nationale programma's die al bestonden of waren aangekondigd voordat het EFSI in werking trad;

19.  verzoekt de EIB nadere informatie te verstrekken over het hefboomeffect per verrichting en niet alleen op basis van gemiddelde waarden, en daarbij ook steeds te vermelden hoeveel privaat kapitaal is aangetrokken; is voorst van mening dat de doeltreffendheid van interventies moet worden beoordeeld op basis van het potentieel van financieringsinstrumenten, waarbij ook de eventuele kwantificeerbare resultaten moeten worden meegenomen;

20.  benadrukt dat het belangrijk is geen projecten te financieren die anders zonder EFSI-steun zouden zijn gefinancierd, aangezien dat zou betekenen dat er minder financieringsmogelijkheden beschikbaar zijn voor projecten die echt EFSI-steun nodig hebben; verzoekt de EIB en met name het investeringscomité van het EFSI derhalve bijzondere aandacht te besteden aan het grondbeginsel van additionaliteit en de bedoeling, uitleg en toepassing daarvan, teneinde te vermijden dat er oneerlijke marktveranderingen worden veroorzaakt;

21.  merkt op dat additionaliteit als meetcriterium problematisch kan zijn en dat dus aan andere voorwaarden zoals innovativiteit evenveel belang moet worden toegekend bij het selecteren van projecten voor financiering;

22.  wenst dat er volledige en relevante kwalitatieve beleidsinformatie wordt verstrekt over de tenuitvoerlegging van de verklaarde doelstellingen van het EFSI, waarin de effectieve additionaliteit en impact worden afgezet tegen benchmarks, ook met het oog op de verlenging van het EFSI na 2017;

23.  wenst dat er voor elk onder de EFSI-garantie vallend project relevante kwalitatieve beleidsinformatie wordt verstrekt die gebaseerd is op monitoring of additionaliteitsindicatoren, zodat kan worden beoordeeld welke meerwaarde het project heeft opgeleverd en hoe doeltreffend het is geweest, of in hoeverre het heeft bijgedragen aan EU-beleid; verzoekt de EIB in haar verslaglegging een beoordeling op te nemen van de kwaliteit van haar verrichtingen, de risicoblootstelling en de beheerskosten;

24.  acht het belangrijk voor het aantrekken van kapitaal uit de private sector dat de EIB een deel van de risico's van potentiële projecten overneemt van investeerders; verzoekt de EIB om de aantrekkelijkheid en de zichtbaarheid van het EFSI in de investeringsrichtsnoeren en de te financieren projecten te vergroten door een doeltreffender bewustmakingsbeleid te ontwikkelen dat gericht is op potentiële private investeerders en projectontwikkelaars op lokaal en regionaal niveau;

25.  dringt er omwille van de verantwoording op aan dat het investeringscomité de ontwikkeling van resultaatgerichte investeringen regelmatig beoordeelt met behulp van het scorebord van indicatoren teneinde goed gerichte projecten, dat wil zeggen projecten die een effectieve macro-economische impact hebben of bijdragen aan groei en werkgelegenheid, te identificeren, en verzoekt om een objectief overzicht van de additionaliteit en meerwaarde van die projecten en van de mate waarin ze stroken met Uniebeleid en andere klassieke EIB-verrichtingen;

26.  verzoekt de EIB alle informatie te verstrekken over hoe onder de EFSI-garantie vallende projecten gescoord hebben als ze worden afgezet tegen het EFSI-scorebord van indicatoren en gerelateerde criteria en wegingsfactoren, met name de bijdrage aan de EFSI-doelstellingen, de additionaliteit, de economische en technische haalbaarheid en de maximalisering van private investeringen;

27.  dringt erop aan het selectieproces voor de verrichtingen transparanter te maken en alle operationele informatie over ondertekende verrichtingen bekend te maken via het scorebord van indicatoren, alsook om het verantwoordingsproces voor verrichtingen te verbeteren; is voorts van mening dat er meer raadpleging van lokale en regionale autoriteiten moet plaatsvinden en dat die naar behoren gedocumenteerd moet worden tijdens de beoordeling van de projecten;

28.  verzoekt om beter gestroomlijnde bestuursregelingen om de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de EIB beter te definiëren, onafhankelijkheid te waarborgen en belangenconflicten van de diverse actoren die bij het besluitvormingsproces betrokken zijn te voorkomen, vooral wat betreft de leden van het investeringscomité van EFSI, alsook om omwille van de verantwoording vast te stellen wie de begrotings- en wetgevingsautoriteiten van de Unie verantwoording verschuldigd is over het prestatie- en risicobeheer van het EFSI;

29.  benadrukt dat de transparantieregels en de fiscale bepalingen uitgebreid en aangescherpt moeten worden, met name die met betrekking tot belastingvermijding;

30.  herhaalt dat het Parlement een belangrijke rol moet spelen bij het controleren van de meerwaarde en de additionaliteit van het EFSI;

31.  benadrukt de controlerende taak van de Rekenkamer, zoals vastgesteld in artikel 20 van de EFSI-verordening; wijst op Advies 2/2016 van de Rekenkamer getiteld "EFSI: een vroegtijdig voorstel voor verlenging en uitbreiding"; neemt met bezorgdheid kennis van de constatering van de Rekenkamer dat er weinig bewijs is voor de voorgestelde verhoging van de EU-garantie; herinnert eraan dat de controlerechten van de Rekenkamer zoals vastgesteld in artikel 287 VWEU onverkort moeten worden geëerbiedigd;

32.  betreurt dat het voorstel voor de verlenging van het EFSI niet vergezeld ging van een effectbeoordeling zoals voorzien in de richtsnoeren voor betere regelgeving, noch door een evaluatie vooraf zoals door artikelen 30 en 140 van het Financieel Reglement wordt vereist voor uitgavenprogramma's en financiële instrumenten; is ingenomen met het voorstel van de Commissie (COM(2016) 597) om de looptijd van het EFSI te verlengen; is ingenomen met de voorgestelde verbeteringen aan de EFSI-verordening; betreurt dat het voorstel niet vergezeld ging van een effectbeoordeling en dat de beginselen van betere regelgeving niet in acht zijn genomen; wijst erop dat, met het oog op een eventuele verlenging tot na 2020, de effectbeoordeling moet worden uitgevoerd voordat het voorstel bij het Parlement en de Raad wordt ingediend;

33.  betreurt dat het EFSI als een uitzondering op het voorschrift van het Financieel Reglement werd beschouwd, hoewel de financiering van het garantiefonds voor het grootste deel afkomstig is uit de EU-begroting en de begrotingsgarantie aan de EIB aanzienlijke voorwaardelijke verplichtingen met zich meebrengt voor de EU-begroting;

34.  merkt op dat het effect van de EFSI-risico's is overdreven; is het eens met de constatering van de Rekenkamer dat het effect van de financiering van het garantiefonds uit de EU‑begroting kleiner zou zijn geweest als de Commissie dezelfde veronderstellingen had gehanteerd voor het initiële EFSI-voorstel;

35.  vraagt om verduidelijking van de toepassing van de voorschriften voor staatssteun op projecten met een gecombineerde financiering uit het EFSI en de structuurfondsen.

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.4.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Inés Ayala Sender, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Luke Ming Flanagan, Ingeborg Gräßle, Cătălin Sorin Ivan, Jean-François Jalkh, Arndt Kohn, Bogusław Liberadzki, Fulvio Martusciello, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Claudia Schmidt, Bart Staes, Hannu Takkula, Indrek Tarand, Marco Valli, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Julia Pitera, Miroslav Poche

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

19

+

ALDE

ENF

PPE

S&D

VERTS/ALE

Nedzhmi Ali, Martina Dlabajová, Hannu Takkula

Jean-François Jalkh

Tamás Deutsch, Ingeborg Gräßle, Fulvio Martusciello, Julia Pitera, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Claudia Schmidt, Joachim Zeller

Inés Ayala Sender, Cătălin Sorin Ivan, Arndt Kohn, Bogusław Liberadzki, Miroslav Poche, Derek Vaughan

Bart Staes, Indrek Tarand

2

-

EFDD

Jonathan Arnott, Marco Valli

1

0

GUE/NGL

Luke Ming Flanagan

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (31.1.2017)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de implementering van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteur voor advies: Romana Tomc

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat projecten die in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) worden gefinancierd als belangrijkste doel moeten hebben duurzame groei te creëren en een arbeidsmarkt tot stand te brengen die in staat is om in Europa kwalitatief hoogwaardige banen te scheppen, en aldus het welzijn van de EU-burgers, de sociale cohesie en de inclusie te vergroten; is daarom verheugd over het feit dat het fonds reeds heeft bijgedragen aan een betere toegang tot financiering;

2.  herinnert eraan dat het EFSI ten doel heeft bestaande financieringskloven en suboptimale financieringssituaties in de EU te verhelpen door publieke middelen te gebruiken om de beschikbaarheid van risicofinanciering te vergroten, alsook om privaat kapitaal te mobiliseren en te waarborgen dat investeringen in de reële economie terecht komen; is van mening dat projecten die in het kader van het EFSI worden gefinancierd, op innovatie gebaseerde, duurzame en inclusieve groei op de lange termijn moeten creëren, het scheppen van banen moeten bevorderen, ook in Europese regio's waar de werkloosheid hoog en problematische is, en moeten investeren in sectoren die van cruciaal belang zijn voor de toekomst van Europa, met name via sociaal en menselijk kapitaal, Europese infrastructuur en industrie; benadrukt dat alle door het EFSI ondersteunde projecten gebaseerd moeten zijn op het concept van additionaliteit, hetgeen betekent dat zij zonder EFSI-steun niet gerealiseerd hadden kunnen worden; onderschrijft de beoordeling van de EIB, waarin wordt aangedrongen op een betere definitie van additionaliteit;

3.  merkt op dat het EFSI nu goed functioneert en in sommige lidstaten al concrete resultaten heeft opgeleverd en dus een positief instrument is om het tekort aan investeringen te verhelpen en de werkloosheid in Europa te bestrijden via gecoördineerde actie;

4.  is van mening dat het EFSI van belang kan zijn om aan te tonen dat een meer innovatieve benutting van de EU-begroting, waarbij zij als hefboom wordt gebruikt om investeringen in de reële economie aan te moedigen, doeltreffend is; benadrukt dat het volgens de Rekenkamer nog te vroeg is om conclusies te trekken over de algemene doeltreffendheid ervan;

5.  vindt het heel zorgwekkend dat de meeste EFSI-investeringen in de vijf belangrijkste economieën van de Unie zijn geconcentreerd en dat op die manier de bestaande verschillen nog groter worden; betreurt dat er nog steeds enkele lidstaten zijn waar geen enkel EFSI-project is ondertekend of goedgekeurd;

6.  benadrukt dat het EFSI moet worden beschouwd als een noodplan en spoort de EIB aan om zo goed mogelijk gebruik te maken van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) en Horizon 2020 op een manier die aansluit op het EFSI; wijst erop dat de EIB soms het EFSI boven deze programma's verkiest; erkent dat het belangrijk is dat het EFSI ook na 2020 blijft bestaan en dat de EU-begrotingsgarantie moet worden verhoogd, maar wijst eveneens op de noodzaak van een alomvattende effectbeoordeling teneinde de door de Commissie voorgestelde verhoging te rechtvaardigen;

7.  dringt erop aan de additionaliteit van de projecten die in het kader van het EFSI worden gefinancierd te versterken, en de geografische spreiding en de absorptie ervan te verbeteren, vooral in regio's waar de werkloosheid hoog is, om een sterk effect op de werkloosheidscijfers te genereren; wijst erop dat investeringen in grensoverschrijdende projecten verder moeten worden ontwikkeld;

8.  vestigt de aandacht op het feit dat het investeringsklimaat in Europa geleidelijk aan het verbeteren is, maar dat deze ontwikkeling nog traag verloopt en omkeerbaar is; wijst erop dat de investeringsniveaus nog steeds lager zijn dan voor de crisis en dat de investeringskloof groot blijft, en dat het EFSI daarom moet worden aangewend voor alle soorten projecten die tot werkgelegenheid en duurzame groei en ontwikkeling kunnen leiden;

9.  dringt er bij de Commissie, de lidstaten en de EIB-groep op aan om kmo's, micro-ondernemingen en sociale ondernemingen te helpen makkelijker financiering te ontvangen en aldus hun capaciteit om te groeien, projecten uit te voeren en kwalitatief hoogwaardige banen te scheppen te vergroten, door het EFSI op een efficiëntere manier te promoten en op lokaal niveau betere toegang tot technische ondersteuning te bieden; merkt op dat de financiering van kmo's het meest geslaagde deel van de EFSI-financiering blijkt te zijn; merkt op dat het succes van het kmo-loket te danken is aan de vervroegde uitvoering van andere EU-initiatieven voor kmo's, maar dat kan worden gepleit voor een uitbreiding van dit loket, op voorwaarde dat de kwaliteitseisen worden gehandhaafd; beveelt aan dat kmo's en micro-ondernemingen toegang kunnen krijgen tot de informatie over de financieringsmogelijkheden;

10.  verzoekt de Commissie en de EIB door te gaan met hun lokale/nationale campagnes om de voordelen van het investeringsplan in de hele Unie uit te leggen en te promoten; is verheugd dat de EIB nieuwe kantoren heeft geopend in de lidstaten om meer ondersteuning te bieden en de samenwerking met de nationale stimuleringsbanken te verbeteren, omdat dit zal helpen om meer projecten te genereren in regio's met een hoge werkloosheidsgraad waar het aantal projecten tot nu toe minder groot is geweest;

11.  verzoekt de Commissie en de EIB-groep om hun inspanningen op te voeren en het effect van het EFSI op de maatschappij en de werkgelegenheid te vergroten, zonder af te wijken van het doel van het EFSI om de huidige investeringskloof in de EU te helpen dichten door private financiering voor strategische investeringen te mobiliseren;

12.  juicht toe dat de garantie van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) in het kader van het kmo-loket van het EFSI is verbeterd en dat het eigenvermogensinstrument voor het EFSI is ontwikkeld dat moet zorgen voor een toereikende bijdrage aan de ontwikkeling van de markt op gebieden zoals sociale impact; roept op om zich te blijven inzetten voor de ontwikkeling van sociaal ondernemerschap en een sociale en solidaire economie om de sociale, culturele en ecologische doelstellingen in domeinen zoals armoedebestrijding, gezondheidszorg en gemeenschapsontwikkeling verder te verruimen;

13.  dringt er bij de lidstaten op aan nationale en regionale platforms op te zetten en hun samenwerking met de verschillende belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners, te verbeteren, teneinde investeringen te stroomlijnen die kwalitatief hoogwaardige banen kunnen genereren en de economische, sociale en territoriale cohesie kunnen verbeteren, en, in voorkomend geval, gebruik te maken van het EFSI om slim te investeren in de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige sociale, zorg- en gezondheidsdiensten voor hun burgers; roept de Commissie, de EIB-groep en de lidstaten op hun inspanningen op te voeren, capaciteit op te bouwen, de bewustwording te versterken, een passend ecosysteem te ontwikkelen en investeringen in sociale diensten zoals onderwijs, opleiding, gezondheidszorg en huisvesting aantrekkelijker te maken;

14.  herinnert eraan dat de grote interesse in en deelname van intermediaire banken in de hele EU aan EFSI-projecten gericht op de financiering van kmo's een enorm succes is geweest;

15.  roept de Commissie op samen te werken met het EFSI-bestuur om alle bestaande mogelijkheden te benutten om deze toegang tot financiering voor kmo's te versterken om het totaalvolume van acties voor deze instrumenten te verhogen;

16.  dringt er bij de Commissie en de EIB-groep op aan om het EFSI in staat te stellen nauwer samen te werken met de structuurfondsen en met de diverse EU-fondsen en financieringsinstrumenten, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen (EFSI-fondsen), het EaSI-programma, Cosme, InnovaFin, de Progress-microfinancieringsfaciliteit en andere relevante fondsen, maar om dubbele financiering te vermijden en met het doel op een meer complementaire manier optimale en effectieve financiering te bewerkstelligen; benadrukt dat deze samenwerking verder moet worden vereenvoudigd en administratieve obstakels moeten worden weggenomen; dringt daarom aan op een adequate coördinatie tussen de desbetreffende autoriteiten en pleit ervoor dat de regio's met de hoogste werkloosheids- en armoedecijfers eveneens in aanmerking worden genomen teneinde de ongelijkheid te verminderen door hoogwaardige banen en duurzame groei te creëren en sociale inclusie en ecologische duurzaamheid te bevorderen; benadrukt dat het EFSI een aanvullende en complementaire rol moet spelen met betrekking tot het cohesiebeleid;

17.  wijst erop dat uit de eerste resultaten blijkt dat lidstaten met een grotere technische en administratieve capaciteit en meer financiële instellingen, meer van het EFSI profiteren; waarschuwt dat de kloof tussen sterke en zwakke regio's hierdoor kan toenemen; benadrukt dat de EIB en de Commissie een grotere rol moeten spelen in de ondersteuning van lidstaten die achterblijven, door op lokaal niveau meer technische bijstand te bieden en de capaciteit van sommige landen om gebruik te maken van het EFSI te vergroten;

18.  wijst er eens te meer op dat hoewel er bij de besteding van EFSI-middelen geen sprake mag zijn van een regionale of sectorale focus of toewijzing vooraf, het EFSI hoofdzakelijk wordt gebruikt in landen waar het gebrek aan investeringen minder uitgesproken is, hetgeen tot de conclusie leidt dat er niet genoeg aandacht wordt besteed aan de daadwerkelijke aanpak van lacunes op de markt en de knelpunten op de arbeidsmarkt; is van mening dat het EFSI efficiënter moet samenwerken met de structuurfondsen om de zwakkere regio's te helpen belemmeringen te beslechten en gelooft dat de ontwikkeling van een Europese investeringsadvieshub (EIAH) die op lokaler niveau zou optreden, technische bijstand op maat zou bieden en capaciteitsopbouw zou nastreven, tot een verhoging van het aantal aanvragen zou leiden;

19.  dringt er bij de Commissie en de EIB-groep op aan actiever werk te maken van raadplegingen met lidstaten en belanghebbenden in samenwerking met overheden, publieke investeringsbanken evenals de nationale investeringsbanken en de sociale partners, met name in landen waar tot op heden weinig gebruik is gemaakt van het fonds; is van mening dat het EFSI zich in het bijzonder moet richten op projecten om de werkloosheid te verminderen en projecten die zijn gericht op sociale investeringen in de huidige en toekomstige capaciteiten van mensen om actief te zijn op de arbeidsmarkt, die een grote Europese meerwaarde hebben en bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, en die cohesie en investeringen in menselijk kapitaal bevorderen; acht het van belang dat het EFSI voor de EU belangrijke sectoren bestrijkt evenals de op het Verdrag gebaseerde doelstellingen van sterkere economische, sociale en territoriale cohesie en verkleining van regionale verschillen; meent dat geslaagde projecten de werkloosheid verminderen;

20.  dringt er bij de Commissie en de EIB-groep op aan lidstaten te steunen meer te investeren, in het algemeen en voor zover mogelijk in het kader van het EFSI, in projecten die gericht zijn op sociale inclusie en de bevordering van ecologische duurzaamheid in de meest dunbevolkte en ultraperifere regio's die het meest onder de crisis hebben geleden, teneinde de ongelijkheid te verminderen in het bijzonder op het gebied van werkloosheid en werkgelegenheid, en de regio's met een hoog werkloosheids- en armoedepercentage, die zich in een bijzonder achtergestelde positie bevinden wegens onderinvestering in arbeidskansen, met werkloosheid, sociale uitsluiting en emigratie tot gevolg;

21.  roept de Commissie op de EFSI-communicatiecampagne te intensiveren en het bewustzijn met betrekking tot het EFSI te vergroten door informatie op te stellen voor kmo's waarin op een eenvoudige en begrijpelijke manier aan de hand van duidelijke voorbeelden uiteen wordt gezet hoe ze financiering kunnen krijgen en welke soorten projecten door het EFSI worden gefinancierd;

22.  wijst erop dat er voor het EFSI niet is beoordeeld en geanalyseerd wat de oorzaken van de investeringskloof en de marktbehoeften zijn en hoe deze het best kunnen worden aangepakt; verzoekt de Commissie in een dergelijke beoordeling te voorzien; vindt het meer dan teleurstellend dat de Commissie in haar evaluatie van het EFSI niet het aantal banen, soort banen en perspectief op banen heeft geregistreerd die tot op heden door het fonds zijn gecreëerd, en evenmin de gendereffecten ervan heeft beoordeeld; dringt er bij de Commissie op aan om werkgelegenheidsdoelstellingen vast te stellen en te waarborgen dat de bijdrage van het EFSI aan groei en banen op adequate wijze wordt gemeten en gemonitord, om het effect te bestuderen en te analyseren van EFSI-projecten op het aantal gecreëerde banen en het effect van deze investeringen in directe en indirecte banen, en om de door het fonds behaalde resultaten in alle sectoren en landen te registreren, met bijzondere aandacht voor kmo's;

23.  wijst erop dat nieuwe cijfers en updates geregeld openbaar moeten worden gemaakt, met inbegrip van onafhankelijke beoordelingen, en dat daarbij gebruik moet worden gemaakt van de reeds opgedane ervaring; erkent dat deze component moeilijk te beoordelen is gezien de tijd die nodig is voor projecten om op volle snelheid te komen en om hun impact te kunnen beoordelen; verzoekt de EIB-groep in dit verband beste praktijken uit te werken om dergelijke resultaten te verzamelen en te beoordelen bij de volgende evaluatie, daarbij eveneens rekening houdend met de effecten op lange termijn na afloop van het EFSI; is van mening dat meer moet worden gedaan om op prestaties gebaseerde indicatoren vast te stellen aan de hand waarvan de doelstellingen en output van ieder project kunnen worden gemeten; is verheugd over het bestaan van groei- en werkgelegenheidsverslagen voor de instrumenten die in het kader van het kmo-loket van het EFSI worden ingezet, van de verslaglegging over de sociale impact in het kader van de EaSI-garantie en van proefinstrumenten inzake de sociale impact in het kader van het kmo-loket van het EFSI, en moedigt het verdere gebruik van deze verslagleggingsinstrumenten aan;

24.  is van mening dat grensoverschrijdende infrastructuurprojecten van fundamenteel belang zijn voor de voltooiing van de interne markt en het scheppen van meer arbeidskansen; verzoekt de Commissie en de EIAH zich te richten op technische ondersteuning en capaciteitsopbouw, teneinde het aantal dergelijke projecten te verhogen en de kwaliteit en impact ervan te vergroten;

25.  dringt er bij de lidstaten op aan duidelijkere nationale investeringsprioriteiten vast te stellen, ook met betrekking tot het scheppen van banen en sociale investeringen, en relevante projecten op te zetten in samenwerking met de EIAH; is van mening dat de EIB moet zorgen voor een degelijke terugkoppeling van informatie naar de Commissie over eventuele regelgevingsobstakels die de uitvoering van goede projecten op de verschillende niveaus verhinderen; dringt er bij de Commissie op aan nauwer met de lidstaten samen te werken in het kader van het Europees semester, teneinde hun te helpen zo snel mogelijk te beginnen met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen, in het bijzonder door economische en sociale hervormingen door te voeren, om zo nationale belemmeringen voor investeringen weg te nemen en een ondernemingsvriendelijk klimaat te creëren; herinnert eraan dat alleen de zogenaamde "virtuous triangle" van structurele hervormingen, gespecificeerd in de landenspecifieke aanbevelingen, verantwoord begrotingsbeleid en investeringen tot succes zal leiden; wijst erop dat het EFSI transparanter moet worden en verantwoording zou moeten afleggen aan het Parlement door de openbaarmaking van uitgebreide en degelijke begrotingsinformatie te waarborgen en toegang te verlenen tot financiële gegevens met betrekking tot door de EIB gefinancierde projecten;

26.  is verheugd over het voorstel van de Commissie in de tweede fase van het EFSI om de wijze waarop projecten worden geselecteerd transparanter te maken door het investeringscomité van het EFSI te verplichten zijn beslissingen toe te lichten en redenen op te geven voor de toekenning van steun, en het voorstel om het scorebord voor de EFSI-projecten openbaar te maken zodra projecten zijn ondertekend, met uitzondering van commercieel gevoelige informatie; merkt op dat indicatoren zoals het scheppen van banen en de ontwikkeling van vaardigheden van essentieel belang zijn;

27.  is verheugd over het feit dat de Commissie, in nauwe samenwerking met de EIB, de communicatie over het EFSI en de EIAH verder zal versterken om het bewustzijn inzake de beschikbaarheid van financiering en technische bijstand in de hele Unie te vergroten; wijst erop dat informatie over financieringsoplossingen, technische bijstand en procedures, ook door middel van voorbeelden van goede praktijken en casestudies, kan aanzetten tot nieuwe ideeën en het aantal investeringsinitiatieven kan verhogen;

28.  benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat EFSI-projecten in overeenstemming zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van het recht op rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden; wijst er met name op dat het recht op voorlichting en raadpleging van de werknemers moet worden geëerbiedigd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Marian Harkin, Czesław Hoc, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Robert Rochefort, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Georges Bach, Heinz K. Becker, Lynn Boylan, Dieter-Lebrecht Koch, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Evelyn Regner, Csaba Sógor, Helga Stevens, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marco Valli

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

41

+

ALDE

ECR

PPE

S&D

VERTS/ALE

Enrique Calvet Chambon, Martina Dlabajová, Marian Harkin, Robert Rochefort, Yana Toom, Renate Weber

Arne Gericke, Czesław Hoc, Helga Stevens, Ulrike Trebesius, Jana Žitňanská

Georges Bach, Heinz K. Becker, Dieter-Lebrecht Koch, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Csaba Sógor, Romana Tomc

Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Ole Christensen, Agnes Jongerius, Jan Keller, Javi López, Edouard Martin, Georgi Pirinski, Evelyn Regner, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Marita Ulvskog, Flavio Zanonato

Jean Lambert, Terry Reintke

 

10

-

EFDD

ENF

GUE/NGL

NI

 

Laura Agea, Marco Valli

Dominique Martin, Joëlle Mélin

Lynn Boylan, Rina Ronja Kari, Patrick Le Hyaric, Paloma López Bermejo, João Pimenta Lopes

Lampros Fountoulis

 

0

0

 

 

 

 

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (11.10.2016)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteur voor advies: Nicola Danti

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in hun ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat nog niet lang volledig operationeel is, met succes van start is gegaan, concrete resultaten heeft opgeleverd en investeringen heeft gestimuleerd om het gebrek aan investeringen en concurrentiekracht in Europa via gecoördineerde actie te verhelpen; benadrukt evenwel dat het tempo aanzienlijk moet worden opgevoerd om nog meer tastbare resultaten te behalen, met name in de lidstaten waar het EFSI weinig financiering heeft verstrekt, opdat het instrument zijn doelstellingen volledig kan verwezenlijken;

2.  onderstreept dat het uitgangspunt van het EFSI erin bestaat op volledig vraaggerichte wijze particuliere, marktconforme investeringen aan te trekken, en vraagt de Commissie daarom de mogelijkheden te onderzoeken om de EFSI-garanties te gebruiken om de participatie van bredere investeringsbronnen, zoals pensioenfondsen, staatsinvesteringsfondsen en sociale investeringen als medefinanciers van projecten aan te moedigen;

3.  benadrukt dat het EFSI moet zorgen voor meer additionaliteit van zijn projecten ten opzichte van de gebruikelijke activiteiten van de EIB, als gedefinieerd in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 2015/1017; benadrukt dat, aangezien de middelen van het EFSI aan andere EU-programma's voor onderzoek, innovatie en infrastructuur zijn onttrokken, het EFSI steun moet geven voor strategische investeringen met betrekking tot projecten die niet aan financiering raken door onvolkomenheden in de marktwerking, suboptimale investeringssituaties of grote risico's; vraagt de Commissie in dit verband een grondige beoordeling te verrichten van de additionaliteit van de projecten die reeds in het kader van het EFSI worden gefinancierd en op basis van de resultaten daarvan duidelijke regels en criteria vast te stellen om de additionaliteit te definiëren; herinnert er voorts aan dat het EFSI bij de vaststelling van de criteria voor het gebruik van de EU-garantie niet alleen rekening dient te houden met de winstgevendheidsfactor, maar ook met de positieve langetermijneffecten op de interne markt wat slimme, duurzame en inclusieve groei, banencreatie en cohesie betreft;

4.  merkt op dat, ondanks verscheidene geslaagde infrastructuur- en innovatieprojecten, het hoge plafond voor de minimale projectbedragen (50 miljoen EUR) het aantal projecten beperkt dat in het kader van het EFSI kan worden uitgevoerd, met name in kleine lidstaten; vraagt daarom dat het minimale plafond voor de financiering van projecten wordt verlaagd;

5.  benadrukt dat het kmo-onderdeel van het EFSI weliswaar een succes is en voor start-ups, kmo's en midcaps een goede kans vormt om snel toegang tot financiering te krijgen, maar dat het nog voor verbetering vatbaar is en dat er meer moet worden geïnvesteerd in het onderdeel infrastructuur en innovatie; is dan ook verheugd dat de Commissie van plan is het kmo-onderdeel uit te breiden en te versterken; onderstreept dat er op zoek moet worden gegaan naar financiële middelen om kmo's te ondersteunen bij het uitvoeren van projecten op internationaal niveau, en vraagt dat er voor kmo's meer mogelijkheden worden gecreëerd om aan financiering voor projecten met een hoger risico te raken, met name in de digitale sector; wijst er ook op dat grote investeringsprojecten, in het bijzonder infrastructuur- en innovatieprojecten, niet mogen worden vergeten; wijst erop dat er middelen moeten worden uitgetrokken voor het digitale-transformatieprogramma om kmo's te ondersteunen die het moeilijk hebben door de digitalisering, en om nieuwe en innovatieve technologische ontwikkeling te bevorderen, met nauwere samenwerking tussen gevestigde ondernemingen en start-ups;

6.  merkt op dat de grote interesse en participatie van intermediaire banken in EFSI-projecten in de hele EU die financiering verlenen aan kmo's, een enorm succes was; moedigt de Commissie aan om met het bestuur van het EFSI samen te werken om alle mogelijkheden in het kader van de EFSI-verordening te benutten om deze toegang tot financiering voor kmo's te versterken teneinde het totale volume aan acties voor deze instrumenten te vergroten en het EIF in staat te stellen een aanzienlijk extra volume aan verrichtingen te financieren;

7.  pleit voor betere coördinatie en synergie tussen het EFSI en andere EU-fondsen, met name de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), om effectievere uitgaven en meer cohesie in Europa te bevorderen en ervoor te zorgen dat het EFSI een ruime geografische spreiding heeft, met name in landen die weinig EFSI-financiering krijgen, teneinde de investeringen gelijkmatiger te verdelen en regionale verschillen te verminderen; vraagt ook om nauwere samenwerking met de nationale stimuleringsbanken, de lokale en regionale overheden en de stakeholders, met verdere stimulansen voor het opzetten van investeringsplatforms om sectorale en geografische investeringsmogelijkheden bijeen te brengen;

8.  onderstreept dat de verrichtingen van het EFSI transparanter moeten worden en dat informatie over de projecten en de resultaten daarvan verder moet worden verspreid onder de burgers en de potentiële begunstigden; vraagt de Commissie meer inspanningen te leveren met betrekking tot gerichte communicatie en advies om het EFSI beter bekend te maken; stelt voor om voorlichting voor kmo's op te stellen waarin op eenvoudige en bevattelijke wijze, aan de hand van specifieke voorbeelden, wordt uitgelegd hoe zij financiering kunnen verkrijgen en welke soorten projecten door het EFSI worden gefinancierd;

9.  meent dat alle contracten tussen de EIB en haar cliënten, zowel publieke als particuliere, stelselmatig openbaar moeten worden gemaakt teneinde de additionaliteit van de EFSI-projecten te bewijzen en het publiek te tonen dat er strenge normen van toepassing zijn op de door het EFSI gefinancierde projecten; wijst erop dat het Europees investeringsprojectenportaal (EIPP) en het Europees investeringsadviescentrum (EIAC) moeten worden versterkt om een link met de reële economie te leggen, onder meer door nauwere samenwerking met de nationale stimuleringsbanken, om de projecten zichtbaarheid te geven en om potentiële initiatiefnemers technische bijstand van hoge kwaliteit te bieden;

10.  is van mening dat voor het EFSI een grote rol is weggelegd bij de voltooiing en bevordering van de interne markt; onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is om de derde pijler van het "investeringsplan voor Europa" te versterken, ook in de context van het Europees semester, teneinde het regelgevingsklimaat in de EU zekerder, homogener en investeringsvriendelijker te maken door vooral aandacht te besteden aan strategische doelstellingen, zoals de voltooiing van een volledig geïntegreerde, concurrerende en goed werkende interne markt en de ontwikkeling van een op innovatie gerichte digitale eengemaakte markt, en aan belangrijke acties die deze doelstellingen ondersteunen; merkt op dat de EFSI-vastleggingen voor projecten in de digitale sector volkomen ontoereikend zijn;

11.  vraagt de lidstaten en de stakeholders de investeringsmogelijkheden op het gebied van digitale content en diensten, wijdverbreide, betaalbare en veilige hogesnelheidsbreedband- en telecommunicatie-infrastructuur verder te onderzoeken en te bevorderen, hetgeen een voorwaarde is voor een daadwerkelijke handhaving van de rechten van de consument op het vlak van toegang tot content, kwaliteit van de dienstverlening en kosten; benadrukt hoe belangrijk het is iets te doen aan de verschillen in ontwikkeling van de infrastructuur tussen de Europese regio's en tussen stedelijke en landelijke gebieden; onderstreept dat het belangrijk is de oprichting van technologiecentra in minder geïndustrialiseerde regio's te financieren teneinde regionale verschillen te verminderen en lokale economieën nieuw leven in te blazen door steun te verlenen voor kwalitatief hoogwaardige banen en de ontwikkeling van vaardigheden;

12.  is ingenomen met het recente voorstel van de Commissie om het EFSI tot na 2018 te verlengen om de huidige investeringskloof in Europa te dichten en kapitaal uit de particuliere sector te blijven aantrekken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

7

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Catherine Bearder, Dita Charanzová, Carlos Coelho, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Dennis de Jong, Pascal Durand, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Sergio Gutiérrez Prieto, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Marlene Mizzi, Eva Paunova, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Igor Šoltes, Ivan Štefanec, Catherine Stihler, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mylène Troszczynski, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pascal Arimont, Birgit Collin-Langen, Morten Løkkegaard, Julia Reda, Marc Tarabella, Sabine Verheyen


ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (13.10.2016)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteur voor advies: Mercedes Bresso

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is, gericht op het verkleinen van de ongelijkheden tussen de regio's en het leveren van een bijdrage aan de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; neemt kennis van de aanvankelijke resultaten die het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) heeft geboekt bij het mobiliseren van private investeringen, met name in het voordeel van kmo's; herinnert eraan dat het EFSI eveneens moet bijdragen aan economische, sociale en territoriale cohesie en dat er inspanningen nodig zijn om de synergieën en complementariteit tussen het EFSI en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF-fondsen) en andere EU-programma's te versterken; onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat het EFSI toegevoegde waarde biedt ten opzichte van andere EIB-initiatieven en door de EU gefinancierde programma's, aangezien dit aspect bij de tenuitvoerlegging tot nu toe vaak over het hoofd is gezien, door marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken;

2.  juicht de door de raad van bestuur van de EIB goedgekeurde investeringsprojecten toe, waarbij het om projecten met een hoger risico gaat die van de financiële instellingen of in het kader van het cohesiebeleid geen financiering zouden hebben gekregen; stelt overigens vast dat een groot aantal projecten bij de ESIF-doelstellingen en -subsidiabiliteitscriteria aansluiten, met name wat het EFRO betreft; dringt erop aan te kiezen voor investeringsprojecten met een hoger risicoprofiel, die waardevoller zijn voor de economie en betrekking hebben op marktniches die anders door een tekort aan investeringen gekenmerkt zullen blijven worden;

3.  vraagt de Commissie en de EIB met klem hun inspanningen op te voeren, en mechanismen en criteria te ontwikkelen op basis waarvan kan worden vastgesteld of er sprake is van complementariteit;

4.  dringt er bij de Commissie op aan om, in samenwerking met de EIB en teneinde het nut van EFSI-steun, de kans op EFSI-steun in de toekomst en een mogelijke uitbreiding van het EFSI te beoordelen, een grondige analyse van de tot nu toe ondersteunde projecten, met inbegrip van de kmo-pijler, te presenteren, en volledige gegevens en informatie te verstrekken over de voortgang ten aanzien van het kmo-kader;

5.  neemt kennis van de publicatie, op 22 februari 2016, van de nieuwe richtsnoeren van de Commissie inzake het combineren van de ESIF-fondsen en het EFSI, alsook met de publicatie, op 18 maart, van de mededeling van de Commissie en de EIB over EFSI-regels voor investeringsplatforms; wijst er evenwel op dat het aantal bestaande synergieën tussen het EFSI en de ESIF-fondsen nog steeds extreem laag is en dringt er bij de Commissie, de EIB, de nationale en regionale stimuleringsbanken en -instellingen en de beheersautoriteiten op aan de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van verdere synergieën te versnellen, teneinde voor een betere geografische dekking van het EFSI te zorgen;

6.  is bezorgd over het voorstel van de Commissie om verplicht te stellen dat niet het EFSI, maar de ESIF-fondsen de investeringstranche met het grootste risico dekken wanneer de instrumenten worden gecombineerd; is van mening dat dit leidt tot rechtsonzekerheid met betrekking tot het gebruik van de ESIF-fondsen en indruist tegen de oorspronkelijke bestaansgrond van het EFSI om te voorzien in nieuwe risicodragende capaciteit voor EU-investeringen;

7.  uit zijn bezorgdheid over de beperkte rol van het Parlement bij de tenuitvoerlegging van het EFSI en het gebrek aan transparantie ten aanzien van de specifieke criteria voor de selectie van projecten, alsook over de bedragen die aan deze projecten worden toegewezen, vaak zonder dat ze openbaar gemaakt worden;

8.  is van oordeel dat de richtsnoeren en maatregelen van de Commissie voor het tot stand brengen van synergieën niet gedetailleerd genoeg zijn; stelt vast dat de samenwerking tussen de ESIF-fondsen en het EFSI tot nu toe stoelt op vraag vanuit en georganiseerd wordt door plaatselijke autoriteiten en actoren ('bottom-up' en 'demand-driven');

9.  is van mening dat de Commissie, de EIB, het Comité van de Regio's, de lidstaten en de beheersautoriteiten, met inbegrip van de regionale beheersautoriteiten, beter moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat meer geïntegreerde en elkaar aanvullende ESIF-EFSI-projecten met Europese toegevoegde waarde worden opgezet, teneinde territoriale ontwikkeling en cohesiebeleid te stimuleren; is van oordeel dat projecten in de circulaire economie als voorbeelden van geïntegreerde ESIF-EFSI-projecten kunnen dienen, aangezien zij de rol van de plaatselijke en regionale autoriteiten bij het faciliteren van de overgang naar een duurzame, hulpbronnenefficiënte, concurrerende economie voor het voetlicht brengen én passen in het investeringsprofiel van projecten die voor EFSI-steun in aanmerking komen;

10.  is van mening dat het van cruciaal belang is rekening te houden met de verschillende economische en infrastructurele ontwikkelingsbehoeften van de regio's en de territoriale diversiteit van de lidstaten, waarbij er op geen enkele wijze sprake mag zijn van inmenging ten aanzien van de subsidiabiliteit van projecten die ertoe zou kunnen leiden dat de kredieten te dun worden uitgesmeerd; onderstreept dat het belangrijk is om eveneens thematische of grensoverschrijdende projecten op te zetten die een hoge Europese toegevoegde waarde en cohesie kunnen opleveren, en wijst erop dat daarom uniforme richtsnoeren inzake grensoverschrijdende projecten moeten worden opgesteld; spoort alle lidstaten aan nationale en regionale stimuleringsbanken aan te wijzen en de betrokkenheid hiervan te bevorderen, aangezien deze essentieel zijn voor het tot stand brengen van investeringsplatforms met een thematische of regionale focus;

11.  vraagt de Commissie en de lidstaten, teneinde de tenuitvoerlegging van de EFSI-projecten te versnellen en voor synergieën met de ESIF-fondsen te zorgen, mogelijkheden te creëren voor het gebruik van alternatieve financieringsmodellen, zoals publiek-private partnerschappen, en het wetgevingskader voor staatssteun te vereenvoudigen; vraagt de lidstaten met behulp van de advieshub een aantal volwaardige investeringsprojecten voor te bereiden, en deze op een optimale wijze te structureren om tot een groter gebruik van financiële instrumenten en complementariteit tussen het EFSI en de ESIF-fondsen te komen;

12.  vraagt de Commissie en de EIB de participatie van niet-deelnemende regio's te bevorderen door middel van investeringen in praktische technische bijstand, teneinde tot een evenwichtige geografische verdeling van projecten te komen; is van oordeel dat de oprichting van plaatselijke investeringsplatforms - een ontmoetingspunt voor overheidsmiddelen en particuliere financiering - moet worden versneld;

13.  herinnert aan de ervaringen die met de acties in het kader van het cohesiebeleid zijn opgedaan en waaruit blijkt dat met name private en publieke begunstigden op regionaal en plaatselijk niveau baat hebben bij technische bijstand; vraagt de Commissie en de EIB dan ook ervoor te zorgen dat financiële tussenpersonen en overkoepelende organisaties hier op een flexibele en transparante manier bij worden betrokken; is van oordeel dat er - met name in de onderpresterende regio's van de EU - behoefte bestaat aan een alomvattende voorlichtingscampagne over EFSI-investeringsprojecten;

14.  is van mening dat EFSI-projecten, wanneer ze financiering met middelen van de ESIF-fondsen complementeren, de vereisten inzake thematische bundeling in acht moeten nemen; wijst erop dat de tenuitvoerlegging van EFSI-projecten moet worden versneld en dat rekening moet worden gehouden met de prioriteiten van de lidstaten in het kader van de ESIF-fondsen en het EFSI;

15.  is van mening dat bij de selectie van financieringsoperaties van het EFSI en het beheer van de projecten meer transparantie moet worden betracht, dat hierover meer verantwoording moet worden afgelegd en dat zij moeten worden gebaseerd op gedefinieerde criteria, en dat lokale en regionale belanghebbenden - indien nodig - hierbij in een vroeg stadium moeten worden betrokken; wijst erop dat de lokale en regionale autoriteiten nauwer bij de selectie van projecten van lokaal en regionaal belang moeten worden betrokken; benadrukt dat de Europese investeringsadvieshub (EIAH) en het investeringscomité van het EFSI gebruik moeten maken van de expertise van regionale en plaatselijke autoriteiten teneinde de geïntegreerde en complementaire ESIF-EFSI-projecten te bevorderen; stelt dat de EIAH, met het oog hierop, een actieve rol moet spelen om nog meer lokale en regionale autoriteiten in staat te stellen het EFSI optimaal te benutten; spoort de lidstaten, alsook de plaatselijke en regionale autoriteiten aan voorstellen te doen voor projecten die binnen het portal van het Europees investeringsproject gezamenlijk door het EFSI en de ESIF-fondsen kunnen worden gefinancierd, teneinde investeringen aan te trekken;

16.  benadrukt dat het noodzakelijk is het nationale en regionale platform te versterken teneinde de coördinatie en synergieën tussen EU-fondsen en andere programma's te ondersteunen; dringt er tegelijkertijd op aan administratieve instrumenten op het niveau van de lidstaten te introduceren, zodat projecten waarvoor een financieringsaanvraag is ingediend aan passende instrumenten kunnen worden gekoppeld afhankelijk van de aard van het project;

17.  vraagt de Commissie overlappingen, dat wil zeggen situaties waarin EFSI-financiering ter beschikking wordt gesteld aan projecten die net zo goed met middelen van de ESIF-fondsen zouden kunnen worden gefinancierd, te voorkomen; dringt er, gezien het belang van additionaliteit en complementariteit, op aan de zichtbaarheid van en de informatie over de ESIF-fondsen te vergroten, en af te stappen van de huidige, enigszins eenzijdige voorlichting over het EFSI door de Commissie;

18.  wijst erop dat het Parlement een fundamentele rol moet spelen bij de monitoring van het effect van deze strategieën en projecten met als doel de werkgelegenheid en duurzame en economische groei te bevorderen; benadrukt dat het Parlement eveneens een belangrijke rol moet spelen bij de monitoring van de synergieën en de complementariteit van het EFSI en de ESIF-fondsen en de andere EU-programma's.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.10.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Mercedes Bresso, Rosa D’Amato, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Louis-Joseph Manscour, Iskra Mihaylova, Jens Nilsson, Andrey Novakov, Konstantinos Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Julia Reid, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Viorica Dăncilă, Josu Juaristi Abaunz, Bronis Ropė, Peter Simon, Branislav Škripek, Damiano Zoffoli


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (23.3.2017)

aan de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de tenuitvoerlegging van het Europees Fonds voor strategische investeringen

(2016/2064(INI))

Rapporteur voor advies: Jill Evans

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  stelt teleurgesteld vast dat slechts 4 % van de EFSI-financiering, in het kader van zowel het infrastructuur- en innovatie-loket als het kmo-loket, is toegewezen aan de in artikel 9, lid 2, onder g) van de EFSI-verordening bedoelde thematische doelstelling, en dat slechts een fractie van die 4 % terecht is gekomen bij de sectoren cultuur en onderwijs;

2.  wijst voorts op de noodzaak van een evenwichtigere geografische verdeling van de EFSI-middelen; herinnert eraan dat de meeste EFSI-projecten worden goedgekeurd in de economisch gezondere regio's van West-Europa; dringt daarom aan op meer inspanningen om de specifieke behoeften en tekortkomingen te onderzoeken en te beoordelen in landen die minder gebruik maken van EFSI-steun en op de verstrekking van meer technische en lokale en sectorale bijstand, om zo te waarborgen dat de EFSI-middelen bij alle lidstaten terecht komen;

3.  wijst op de belangstelling van belanghebbenden uit de culturele en creatieve sector voor EFSI-financiering alsook op het potentieel van het kmo-loket voor de sector; betreurt niettemin het gebrek aan kennis over het EFSI en de financieringsmogelijkheden en ‑instrumenten ervan; dringt erop aan dat de Commissie nieuwe communicatie-initiatieven opzet en bestaande communicatie-initiatieven intensifieert, die toegesneden moeten zijn op de behoeften van de culturele en creatieve sector en op lokaal niveau in de lidstaten ten uitvoer moeten worden gelegd, onder meer via de Creatief Europa-Desks;

4.  wijst erop dat de culturele en creatieve sector voornamelijk uit kmo's met een hoger risiconiveau bestaat; merkt in dit verband op dat investeringsplatforms het bereik van EFSI-financiering zouden kunnen bevorderen, aangezien zij de mogelijkheid bieden om kleinere projecten en groepscontracten te bundelen; dringt er bij de bestuursorganen van het EFSI op aan meer aandacht te besteden aan investeringsplatforms, teneinde de voordelen die deze kunnen bieden bij het beslechten van investeringsbelemmeringen te maximaliseren; verzoekt de EIB belanghebbenden meer informatie over de platforms te verstrekken; herinnert eraan dat Europese verenigingen die actief zijn in de culturele sector en het onderwijs over bestaande netwerken van ledenorganisaties beschikken met sectorale en geografische kennis die zou kunnen helpen om bewustmakingsmaatregelen beter te sturen; wijst op de aanzienlijke rol die de Europese investeringsadvieshub zou kunnen spelen bij de totstandbrenging van investeringsplatforms, die op hun beurt weer zouden kunnen bijdragen tot het waarborgen van een beter geografisch en sectoraal evenwicht;

5.  is van mening dat de culturele en creatieve sector eveneens behoefte heeft aan gericht advies om de financieringsmogelijkheden en -procedures van het EFSI te begrijpen, en dat financiële intermediairs steun moeten krijgen om de culturele en creatieve sector en zijn behoeften beter te begrijpen; is in dit verband ingenomen met het voorstel voor een EFSI 2.0 teneinde de rol van de Europese investeringsadvieshub (EIAH) te bevorderen en de nationale, regionale en lokale aanwezigheid ervan te versterken; benadrukt dat de EIAH voldoende middelen moet ontvangen om gedurende het hele proces steun op maat te kunnen bieden aan de onderwijssector en de culturele sector;

6.  dringt er bij de Commissie en de EIB-groep op aan expertise op te bouwen en in de EIAH te integreren, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan culturele investeringen; dringt er bij de EIAH op aan zo nauw mogelijk samen te werken met nationale investeringsbanken en deelnemers uit de culturele en creatieve sector teneinde optimale bijstand te verlenen;

7.  wijst erop dat, aangezien het scholen en universiteiten in de meeste lidstaten wettelijk verboden is om geld te lenen, het EFSI voor deze sector grotendeels ongeschikt is; betreurt dat, hoewel financiering van Horizon 2020 naar het EFSI is gegaan, de EFSI-steun voor onderzoek en innovatie niet voldoende ten goede is gekomen aan openbare universiteiten; verlangt dan ook dat de middelen opnieuw aan Horizon 2020 worden toegewezen;

8.  wijst erop dat mensen uit plattelandsgebieden een onmiskenbaar nadeel ondervinden wanneer zij toegang tot onderwijs proberen te verwerven en dringt in dit verband aan op de verwezenlijking van betere connectiviteit, infrastructuur en toegankelijkheid;

9.  dringt aan op grotere synergieën tussen het EFSI en EU-fondsen, met name de ESI-fondsen, Horizon 2020 en de garantiefaciliteit Creatief Europa; dringt er bij de Commissie op aan de garantiefaciliteit Creatief Europa vooraf via het EFSI te financieren ten behoeve van kmo's; onderstreept dat de EIAH een rol kan vervullen bij het verstrekken van informatie over het combineren van EU-fondsen en dat dienovereenkomstig moet worden voorzien in advies en opleiding; dringt er bij de Commissie op aan één centraal online-loket op te zetten om mogelijke begunstigden uit de culturele en onderwijssector in staat te stellen alle financieringsopties te beoordelen en hen te informeren over de vraag hoe deze op effectieve wijze kunnen worden gecombineerd; neemt in dit verband verheugd kennis van de recent gepubliceerde richtsnoeren van de Commissie inzake het combineren van financiering uit het EFSI en de ESI-fondsen.

BIJLAGE: Lijst van entiteiten waarvan of personen van wiede rapporteur voor ADVIES input heeft ontvangen

De volgende lijst is op zuiver vrijwillige basis en onder exclusieve verantwoordelijkheid van de rapporteur voor advies opgesteld. De rapporteur heeft bij de opstelling van het ontwerpadvies informatie ontvangen van de volgende entiteiten:

Entiteit

Europese Investeringsbank

Europees Investeringsfonds

International Union of Cinemas

Performing Arts Employers’ Associations League Europe (Pearle)

Culture Action Europe

Europese Vereniging van universiteiten

European Association of Institutions in Higher Education (EURASHE)

Platform "een leven lang leren"

INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Jill Evans, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Therese Comodini Cachia, Dietmar Köster, Emma McClarkin, Martina Michels

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

22

+

ECR

Andrew Lewer, Emma McClarkin

GUE/NGL

Nikolaos Chountis, Martina Michels

PPE

Andrea Bocskor, Therese Comodini Cachia, Svetoslav Hristov Malinov, Michaela Šojdrová, Sabine Verheyen, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

S&D

Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Dietmar Köster, Krystyna Łybacka, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Julie Ward

Verts/ALE

Jill Evans, Helga Trüpel

1

-

EFDD

Isabella Adinolfi

1

0

ENF

Dominique Bilde

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.5.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

63

10

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Gerolf Annemans, Jonathan Arnott, Jean Arthuis, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Reimer Böge, Udo Bullmann, Lefteris Christoforou, Gérard Deprez, Manuel dos Santos, José Manuel Fernandes, Jonás Fernández, Eider Gardiazabal Rubial, Esteban González Pons, Ingeborg Gräßle, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Petr Ježek, Barbara Kappel, Othmar Karas, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Olle Ludvigsson, Marisa Matias, Gabriel Mato, Costas Mavrides, Clare Moody, Luigi Morgano, Siegfried Mureşan, Victor Negrescu, Luděk Niedermayer, Jan Olbrycht, Stanisław Ożóg, Urmas Paet, Pina Picierno, Paul Rübig, Pirkko Ruohonen-Lerner, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Jordi Solé, Theodor Dumitru Stolojan, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Paul Tang, Michael Theurer, Isabelle Thomas, Ramon Tremosa i Balcells, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Miguel Viegas, Daniele Viotti, Marco Zanni, Stanisław Żółtek

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Xabier Benito Ziluaga, Richard Corbett, Andrea Cozzolino, Bas Eickhout, Heidi Hautala, Ramón Jáuregui Atondo, Eva Kaili, Krišjānis Kariņš, Jeppe Kofod, Eva Maydell, Nils Torvalds, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Julia Reda, Bart Staes, Jarosław Wałęsa, Lambert van Nistelrooij


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

63

+

ALDE

Nedzhmi Ali, Jean Arthuis, Gérard Deprez, Petr Ježek, Urmas Paet, Michael Theurer, Nils Torvalds, Ramon Tremosa i Balcells

ECR

Zbigniew Kuźmiuk, Stanisław Ożóg

PPE

Reimer Böge, Lefteris Christoforou, José Manuel Fernandes, Esteban González Pons, Ingeborg Gräßle, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Othmar Karas, Krišjānis Kariņš, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Gabriel Mato, Eva Maydell, Siegfried Mureşan, Luděk Niedermayer, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Theodor Dumitru Stolojan, Tom Vandenkendelaere, Jarosław Wałęsa, Tomáš Zdechovský, Lambert van Nistelrooij, Patricija Šulin

S&D

Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Richard Corbett, Andrea Cozzolino, Jonás Fernández, Eider Gardiazabal Rubial, Roberto Gualtieri, Cătălin Sorin Ivan, Ramón Jáuregui Atondo, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Olle Ludvigsson, Costas Mavrides, Clare Moody, Luigi Morgano, Victor Negrescu, Pina Picierno, Pedro Silva Pereira, Peter Simon, Paul Tang, Isabelle Thomas, Daniele Viotti, Manuel dos Santos

VERTS/ALE

Bas Eickhout, Heidi Hautala, Julia Reda, Jordi Solé, Bart Staes

10

-

ECR

Bernd Kölmel

EFDD

Jonathan Arnott, Marco Valli

ENF

Gerolf Annemans, Marco Zanni, Stanisław Żółtek

GUE/NGL

Xabier Benito Ziluaga, Marisa Matias, Miguel Viegas

NI

Eleftherios Synadinos

2

0

ECR

Pirkko Ruohonen-Lerner

ENF

Barbara Kappel

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling - Privacybeleid